De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Voorwoord en Inleiding

    Voorwoord

    Naar aanleiding van de plaatsing van de biografie van mijn vader Henk Kistemaker werd ik gebeld door mijn neef John Hoffman. Ik had reeds jaren geen contact meer met hem gehad en hij vertelde mij dat hij het verhaal van zijn oom Henk op de site gelezen had en dat hij ook het een en ander had meegemaakt als jong kind tijdens de oorlog. Tijdens zijn verhaal bleek het "een en ander" een behoorlijk understatement en was ik echt onder de indruk, niet te zeggen ontroerd.

    Dat een kind zoiets had meegemaakt! Ik wist er niets van af, want de enige die in mijn familie over zijn oorlogsverleden vertelde was mijn vader. Zijn zusters, waaronder de moeder van John, mijn tante Jo, zwegen erover. Aangezien John 20 jaar ouder is dan ik, had ik als kind niet echt veel contact met hem, maar nu, beiden volwassen, kwamen de verhalen los.

    Ik vroeg John of hij dit verhaal misschien ook mee wilde delen aan de lezers van Go2War2, aangezien het voor menigeen een onbekend stukje Nederlandse geschiedenis is. In eerste instantie wees hij het af. Hij had teveel trauma's hierdoor opgelopen en wilde niet alles weer oprakelen. Bang voor de gevolgen. Een week later belde hij me op en zei: "Ik doe het toch maar wel" en hij ging aan het werk.

    Om het verhaal zo dicht mogelijk te houden bij de belevenissen die hij als 8- tot 10-jarige had meegemaakt moest hij in gedachten terug en schrijven vanuit de optiek en belevingswereld van die leeftijd. Het resultaat is een verhaal, eenvoudig in opzet, maar aangrijpend en ontroerend in zijn context.

    Het verhaal kruist het verhaal van mijn vader in 1948. Vrijgekomen uit gevangenschap trok mijn vader in bij zijn ouders die op dat moment in een onbewoonbaar verklaarde woning leefden aan de Lindengracht te Amsterdam. Daar zaten ook al drie neefjes van hem in onderdak bij hun opa en oma. Een ervan was John Hoffman.
    Ik ben blij dat hij de moed heeft gehad om zijn verhaal te vertellen en zoals hij zelf ook schrijft: Elk kind is onschuldig. Denk daaraan als u zijn verhaal leest.

    Peter Kistemaker

    Inleiding

    Mijn naam is John Hoffman en ik ben geboren in 1936 te Amsterdam.
    Ik schrijf dit verhaal, dat overigens geheel over MIJN belevenissen tijdens de tweede wereldoorlog gaat. Toen ik 4 jaar was, in mei 1940, vielen de Duitsers Nederland binnen. Ik kan mij daar eigenlijk niets van herinneren.
    Alleen de verhalen over giftig snoep en ontploffende vulpennen die de Duitsers dropten, anders niets.

    Mijn ouders waren lid van de NSB sinds 1938. Toen de eerste oproep kwam om vrijwilliger te worden voor het oostfront tekende mijn vader direct. Ik heb dat later nooit begrepen. Een man van 30 jaar met toen 2 kinderen tekent voor de Waffen SS.

    Dan moet je toch niet goed bij je hoofd zijn. Hij tekende zijn hele gezin voor het leven. Ik ben mij er zeer goed van bewust, dat er in de oorlog miljoenen onschuldige mensen onder de meest vreselijke omstandigheden om het leven zijn gekomen.

    Dit is echter mijn verhaal. En dat staat los van de misdaden van de nazi’s. Ik kan mij daar niet schuldig over voelen. Ik was en ben onschuldig. Ieder kind is onschuldig, vanwege zijn weerloosheid en het maakt niet uit wat voor een kleur of geloof ze hebben. En juist kinderen hebben het meest geleden. In de oorlog en erna, allemaal.

    Mijn verhaal begint begin 1944. Tot die tijd hadden we een redelijk normaal leven, maar ook mijn herinneringen over die tijd zijn niet duidelijk genoeg om het hier vast te leggen. Ik beperk me daarom tot het vertellen van het verhaal wat ik vanaf 8 jaar heb meegemaakt en me ook duidelijk kan herinneren tot ongeveer 2 jaar na de oorlog.

    Een verhaal wat de meeste Nederlanders niet weten. Misschien ook niet willen weten. Maar ook dit is een verhaal dat de ellende en gebeurtenissen van de tweede wereldoorlog van een andere kant laat zien.

    Definitielijst

    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.
    NSB
    Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.

    Afbeeldingen

    John Hoffman 7 jaar oud Bron: John Hoffman.

    Tocht door Duitsland

    Het verhaal begint hier:

    Het was begin 1944 en we waren op verzoek van mijn vader naar Duitsland gegaan. Mijn moeder, mijn twee jongere broertjes van 6 jaar en 19 maanden oud en ik zaten in een trein richting Hamburg.

    Hij zat als vrijwilliger in een pantserdivisie aan het oostfront bij de Waffen-SS en vond de situatie voor ons thuis te gevaarlijk worden. Mijn vader vond het te gevaarlijk voor ons omdat er bij ons thuis ruiten werden ingegooid. Wij konden niet meer naar een school vanwege de pesterijen. De kinderen kregen een briefje mee dat ze niet naast dat moffenjong mochten zitten.

    Ik weet nog heel goed dat mijn moeder thuis de sleutel omdraaide en tegen mij zei: "Als we hier maar weer terugkomen". We woonde toen in Den Haag in de Schaarsbergenstraat. Onze hond, Wally, moesten we achterlaten ,een Chow Chow van een jaar. Hij werd ondergebracht bij een “bevriende” melkboer. Dat deed pijn. Ik hield van die hond en ik vraag me nu nog wel eens af wat er verder van de hond geworden is.

    Met ons reisde een vrouw met haar dochter Anneke. Haar man zat, ook als vrijwilliger van de Waffen-SS, in dezelfde tank als mijn vader. We gingen naar een boerderij in de omgeving van Hamburg. Daar woonde een vriend van mijn vader en bij hem zouden we veilig zijn. Onderweg moesten we een paar keer stoppen wegens beschietingen van de trein .

    Mijn vader had ons geleerd wat je moest doen in zo’n geval. Eerst zo snel mogelijk uit de trein en het talud af naar beneden. Ongeveer 10 meter van de trein af in dekking. Dan, na de eerste beschietingen, weer als de bliksem terug en tegen de wielen van de trein aan gaan liggen. Het was namelijk de gewoonte van aanvallende vliegers om eerst op de trein te schieten en dan de vluchtende mensen beneden te bestoken. Dus daarom vlug weer naar boven en tegen de wielen aan.

    Ongeveer 40 kilometer voor Hamburg, de ochtendschemering diende zich al weer voorzichtig aan, kwam er een Engelse nachtjager laag over de grond aanvliegen. Hij volgde de treinrails totdat hij zijn doel tegenkwam. De trein stond nog niet stil of hij had ons al geraakt met zijn boordkanonnen. Overal was gegil en geschreeuw.

    Wij gingen, zoals pa ons geleerd had, vlug naar beneden en na de eerste beschieting weer terug. Niemand van ons werd hierdoor geraakt. Alleen ik had wat splinters van een projectiel in mijn hand gekregen. De jager werd door een Duitse Messerschmitt Me-110 nachtjager neergeschoten.

    Deze tegenaanval ging zo verrassend snel en in een oogwenk was het vliegtuig een grote vuurbal en stortte met een grote klap neer. De piloot kwam er niet meer uit. Los van de blijdschap van de Duitse soldaten over het neerhalen van het vliegtuig, was het binnen in de trein echter een gekkenhuis.

    De moeder van Anneke was in haar hoofd getroffen en op slag dood. Anneke was in haar buik geraakt. Ze lag daar in de armen van mijn moeder en je kon haar darmen zien in het licht van een knijpkat. Ze wreef ook over haar hoofd, dus dachten we dat ze daar ook getroffen was. Ze zat onder het bloed en schreeuwde: "Auweee! Auweeee!" Maar het geluid werd steeds zachter en zachter en toen was ook zij dood .

    Dat moment vergeet ik nooit meer zo lang als ik leef. Voor een kind van 8 jaar, zo oud was ik toen, is dit een ongelooflijke traumatische ervaring. Het was mijn vriendinnetje uit dezelfde straat dat wil zeggen: haar moeder NSB-lid en haar vader bij de Waffen-SS. Ze zijn begraven bij Hamburg maar waar weet ik niet.

    Wij kwamen op een klein perron vlakbij Hamburg aan. In welk stadje het was weet ik niet meer, maar het was vlakbij Hamburg, zo’n 15 kilometer ongeveer. De doden werden weggehaald uit de trein. Anneke en haar moeder ook.
    Wij kregen een ossenwagen om naar de boerderij te gaan.

    Het was toch nog een heel eind vond ik.Op onze bestemming werden we hartelijk ontvangen door de boerin, wiens man ook in een tank aan het front zat. We kregen bij haar een kamer met strobedden. De boerderij lag vlak bij Lüneburg. Het gebied bestond voornamelijk uit landbouwgrond en heide en het was daar prachtig.

    's Nachts werd Hamburg gebombardeerd. Het leek de hel wel. Het dreunen van de bommen was duidelijk te horen van waar wij verbleven. We stonden buiten en ik hoorde mijn moeder zeggen: "God, wat krijgen ze Rotterdam terugbetaald. Alleen de verkeerden krijgen ze op hun kop. Net als daar".

    We zijn daar twee maanden gebleven. Toen kwam het bericht dat de boerin haar man was gesneuveld. Zijn tank was door de pak getroffen. Alle inzittenden waren gesneuveld. Ze was helemaal door het dolle heen. Mijn moeder probeerde haar te troosten, maar helpen kon ze haar niet.

    Ze bleef achter met een dochter van 14 jaar, Irma. Tevens waren er twee krijgsgevangen Polen bij haar aan het werk. De haat stond op deze mannen hun gezicht te lezen en ze zagen hun kans schoon en verkrachtten Irma. Hierna probeerden ze om te vluchten. Maar de hele gemeenschap van het dorp ging er achter aan en twee uur later hadden ze de mannen al te pakken. Ze werden daar standrechtelijk opgehangen.

    Ik mocht niet gaan kijken, maar met een paar jongens van de Hitlerjugend ben ik stiekem toch gegaan. Daar hingen ze dan: helemaal blauw. We dansten rond de boom waar de lijken aan hingen. Ik dacht alleen aan Irma en ik vond het vuile schoften voor wat ze haar aangedaan hadden. Zo dacht ik er toen over en nu nog. Ik danste ook voor Anneke en nu, vele jaren later, denk ik dat het een vorm van afreageren was om alles te kunnen verwerken en om er mee om te kunnen gaan. Vergeet niet dat ik pas 8 jaar oud was en dit allemaal moest meemaken.

    Met Irma ging het ondertussen niet goed. Ze bleef maar bloeden en er was geen bloedtransfusie. De dokter was al een paar keer geweest. Maar die kon het bloeden ook niet stoppen. Waar dat bloed vandaan kwam begreep ik op die leeftijd niet helemaal, maar de ernst van de situatie begreep ik wel. Gelukkig kwam er een frontarts met verlof en die opereerde haar waardoor het bloeden stopte. Twee weken later gingen we naar Hamburg. De boerin en Irma gingen ook mee. Ze wilde na dit alles de boerderij verkopen en in de stad naar werk zoeken.

    Weer andere helpers in de nood woonden in een buitenwijk van Hamburg. Daar was nog geen bom gevallen, dus dachten we dat het daar wel veilig zou zijn. Dus daar gingen we met zijn allen heen. Irma met haar moeder en wij met de onze moeder, dus zes personen in totaal. Irma was spierwit en staarde maar wat voor zich uit.Wat er van uiteindelijk van haar geworden is? Ik weet het niet. Hopelijk is het redelijk met haar gegaan.

    Wij kwamen in de buitenwijk van Hamburg op onze bestemming aan. En ook daar werden we weer hartelijk ontvangen. Twee jongens van het gezin zaten aan het front, dat weet ik nog. In hun kamers konden wij slapen. Ik had echter een naar voorgevoel dat er iets zou gebeuren. Een soort zesde zintuig. Helaas klopte dat ook.

    's Nachts ging het luchtalarm en we moesten allemaal naar de kelder rennen. Alhoewel de bewoners riepen dat in de buitenwijken niet gebombardeerd zou worden. Ze hadden het nog niet gezegd of de eerste brandbommen vielen al en wel precies op onze wijk. Alles ging plat en er kwam geen eind aan leek het wel. Het dreunen en de klappen waren verschrikkelijk.

    Toen kregen wij een voltreffer. Alles stortte in en begon te branden en te roken. Wij zaten daar als ratten in de val. Plotseling kwam er een dikke straal water en stukken van de muren werden omver getrokken. "Raus! Raus! Raus!" was alles wat we hoorden.

    Ik zat beklemd met een stuk steen op mijn benen. Maar mijn moeder trok me er uit .Toen we buiten kwamen was alles plat en brandend. Van de bewoners van ONS huis waren er geen gewonden, alleen ademhalingsproblemen.
    Buiten hing echter de verschrikkelijke stank van verbrand vlees en verstikkende rook.

    De brandweer was bezig alle doden die ze konden vinden op een wagen te laden. Ik zag een verbrand meisje boven op de anderen. Haar benen waren niet helemaal verbrand en ik zag, dacht ik, rood vel om haar voeten. Ik schreeuwde tegen een brandweerman: "Wat is dat daar!" En ik wees op de rode voeten. De brandweerman zei tegen mij: "Gummilaarsjes en nu wegwezen hier!!"

    We moesten weg uit Hamburg want de laatste familie waar we verbleven had na het bombardement zelf geen huis meer. Dus dat werd verder zoeken voor ons. Uiteindelijk werd het een school in het dorpje Fisserhuivelde.
    Dat was een klein plaatsje niet ver van Hamburg. Daar kwamen alle vluchtelingen uit Holland en Vlaanderen bij elkaar. In Nederland was het ondertussen Dolle Dinsdag geworden.

    Alle vluchtelingen waren bij elkaar gedreven en het was een hoop lawaai en bange mensen. Iedereen zat onder de hoofdluis en allemaal smerige kleding en een ongelofelijke stank. Het was daar namelijk onmogelijk je goed te wassen. Ondertussen was het 9 maart 1945 en ik was 9 jaar geworden. Mijn verjaardag werd echter niet gevierd, want we hadden wel wat anders aan ons hoofd. Moeder kreeg weer een brief van mijn vader waarin hij haar vertelde wat ons nieuwe schuiladres moest worden.

    Rostock moest het worden. Dus nog verder naar het oosten en de Russen trokken ondertussen met een rotgang op naar het westen. We gingen papieren in orde maken en weer in een trein. Deze keer werden we gelukkig niet beschoten. Ik denk dat het door een wagon met een afweergeschut van de Flak kwam. Dat geschut heeft vier lopen en kan ik me nog goed herinneren. Er stonden er twee op. Er waren namelijk ook enkele munitiewagons bij.

    Aan het einde van de treinreis werden we verwelkomd door een man zonder armen, genaamd Dieter, hij kwam van de Wehrmacht en was, logischerwijze, afgekeurd. Hij woonde in een klein plaatsje voorbij Rostock, de naam weet ik daar niet meer van. De man was ook weer een frontvriend van mijn vader. Hij was somber over het verloop van de oorlog. Maar geen nood, volgens hem, zou het geheime wapen spoedig ingezet worden. En dan was het gebeurd met de Russen.

    Wij kwamen in een rustig dorpje en ook op een boerderij. Hier kwamen we helemaal tot rust. Maar na enkele weken konden we het front dichterbij horen komen. Het gedreun van geschut en de wagens die erheen gingen. De mensen die al aan het vluchten waren. Ik weet de datum niet meer maar het zal ongeveer midden april 1945 zijn geweest, denk ik nu.

    Zaten we er weer midden in. Het dorpje werd onder de voet gelopen door de Russen. Er zijn daar vreselijke dingen gebeurd met de mannen en de vrouwen. Ik heb dat persoonlijk meegemaakt en gezien.

    Er was namelijk een tegenaanval gedaan door de zogenaamde Volkssturm wat in mijn ogen oude mannen waren, maar blijkbaar breekt nood wetten en werd iedereen ter verdediging ingezet. Ook was er een hele groep van de Wehrmacht en een paar honderd jongens van de Hitlerjugend gewapend met Panzerfausten, dat is een antitankwapen.

    We zaten toen midden in de gevechten en moesten volledige dekking zoeken om zelf niets op te lopen en dat konden we in een eigengemaakte betonnen bunkertje van Dieter. De Russen hadden veel mortieren waarmee ze schoten en die kon je niet horen aankomen. Maar toch vochten ze van het Duitse leger door.

    Op een gegeven moment kwamen drie Russische T-34 tanks onze richting uit rijden, maar twee werden er op zo n honderd meter afstand geraakt door de Panzerfausten. Alle munitie en brandstof in de tanks knalde in een keer de lucht in. De derde tank was niet geraakt maar draaide op 20 meter van ons weg en op dat moment werd ook hij geraakt.

    Hij explodeerde niet, maar vloog alleen in brand en we konden de bemanning horen gillen, aangezien ze er niet uit konden komen en ze in de tank levend verbranden. Een kwam er nog wel uit, maar lag op de grond te rollen omdat hij in brand stond en dat duurde wel 5 minuten toen was hij ook stil.

    Alles was stil plotseling want de Russen waren zich aan het terugtrekken. Ik had ondertussen in mijn broek geplast van de angst van alles wat ik net meegemaakt had. Hierna zagen wij wat er met de bevolking gebeurd was tijdens de bezetting van het dorpje. Wat wij zagen tart iedere beschrijving.

    Meisjes en vrouwen van 9 jaar tot ver in de 70 werden verkracht en daarna samen met de mannen die er nog woonden afgemaakt door het binnenstormende Rode Leger. Honderden mensen dood. De mannen uit het dorp waren met bajonetten in hun buik gestoken. Het gekerm was niet om aan te horen. Velen zijn uit hun lijden verlost door hun eigen soldaten. Tegen dit soort zware verwondingen was er op dat moment geen andere optie. Vrouwen die op een paal gespiest waren. Waarvan er sommigen nog leefden en die werden er afgehaald maar waren dan toch ook snel dood.

    Wij moesten weg uit die hel en gelukkig voor ons kwam er een vrachtwagen met gewonden. En wij mochten mee en ook Dieter, de man zonder armen. Het werd een lange vlucht voor de optrekkende Russen. Er stierven nog vele zwaargewonden onderweg en het werd een lange tocht naar het westen. Doodmoe kwamen wij weer in de buurt van Hamburg waar de Canadezen al waren.

    Definitielijst

    Flak
    Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
    knijpkat
    Zaklantaarn die werkt op een dynamo die aangedreven wordt door voortdurende knijpbewegingen. Bij iedere kneep produceert de knijpkat een geluid dat lijkt op het jammeren van een kat.
    NSB
    Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
    Rode Leger
    Leger van de Sovjetunie.

    Afbeeldingen

    De verschrikking van een bombardement

    Terugkeer in Nederland

    Nadat de Canadezen hadden vastgesteld dat wij Nederlanders waren werden we gelijk op transport gesteld naar Nederland. Daar kwamen wij in mei aan, recht in een tweede hel.

    We werden afgeleverd bij de grens van de provincie Groningen. Daar kwamen een paar mannen met donkere helmen op en een armband van de BS op hun mouw van hun blauwe overall. Tegen mijn moeder begonnen ze te brullen van: "Zo vuile moffenhoer!". "Vent hou je smoel", riep mijn moeder tegen hem. "Wat?? nog een grote smoel ook?", kwam het antwoord. En hij gaf haar een klap met zijn geweer. Ze viel op de grond en ik dook op die vent en sloeg hem in zijn gezicht. Maar dat kwam niet hard aan jammer genoeg. Ik had nog niet genoeg kracht om het op te kunnen nemen voor mijn moeder.

    De kerels werden woest en smeten ons op een open vrachtwagen. "We zullen jullie wel “opvoeien” vuile landverraders", werd er door hun geroepen. Het “opvoeien” begon in Meden, een plaatsje 15 kilometer van de stad Groningen. Hier was een school met een groot plein en een hek van prikkeldraad er omheen.

    De dorpelingen hadden net groot vermaak. Een paar gevangen oude mannen moesten een kar rond de school rijden en een vent met een zweep sloeg er op los. Ja, dat was nog eens groot vermaak, vooral toen er een in elkaar zakte. Het werd toen wel even stil, want hij was dood .

    We moesten in de zaal op de grond slapen. Er was geen stro, want dat was voor de varkens. De zogenaamde bewaker, die met de zweep sloeg, was een pure sadist. Hij trapte een oude man in zijn rug en die viel met zijn hoofd tegen de rand van de strontemmers die daar stonden. De schoft trapte toen de emmer om en de man lag daar helemaal in de stront. Daar begon hij bloed te kotsen en was enkele uren later ook dood. De man was 78 jaar, hoorde ik later. Die sadist werd weggehaald. Waar die schoft heen moest wisten wij natuurlijk niet.

    Mijn moeder en de andere vrouwen moesten op het land werken. En voor de lol werd er met een jachtgeweer achter hen geschoten. Mijn moeder gaf geen krimp, ze bleef gewoon staan. Ze had al veel meer schoten gehoord en die waren wel gericht. Wij, dat waren de andere kinderen, mochten het allemaal zien op de spoordijk. Ja, het waren echte kerels daar. Jongens van Jan de Wit, zoals ze zich zelf noemden.

    's Avonds moesten wij met zijn allen aantreden en op het voorplein het Wilhelmus zingen. Verder wil ik hier kort over zijn. De mensen die ons dat aandeden waren de hele oorlog veilig in hun dorp geweest. Haat maakt van alle mensen onmensen.

    Hierna moesten we naar Den Haag. Onze woning was natuurlijk weg en alles wat we hadden was er niet meer.
    In Den Haag werden alle kinderen van hun moeders gescheiden, mijn moeder was hierdoor volkomen doorgedraaid en vloog die kerels aan. Het werd een hele vechtpartij voor ze haar in de wagen hadden gegooid. Wij bleven achter en werden naar de later zo beruchte kinderhuizen gestuurd.

    Wij werden op transport gezet en het voert hier te ver om alle tehuizen te noemen. Dat waren er veel. Veel te veel en het ging van hot naar her. Kennelijk wist men nog niet wat ze met ons aanmoesten. Een kindertehuis kan ik me nog zeer goed voor de geest halen. Het was in Noordwijk aan Zee.

    Mijn broertjes mocht ik maar een keer per week zien. De jongste, amper twee jaar, vroeg maar: "Waar is mamma nou, mamma nou?". Aangezien ik niets beters wist te verzinnen riep ik maar dat mama snoep aan het halen was. Als ik hem zo hoorde dan liep ik te janken van de ellende.

    Mijn andere broer Martin had een zogenaamde kletskop. Hij zat onder de zweren en was helemaal kaalgeschoren. Waar mijn moeder was gebleven werd ons niet verteld. Ik stond er dus alleen voor. Ik mocht vrij omgaan met de jongens van mijn leeftijd; dat wil zeggen gewoon de duinen in.

    Dat het daar nog vol met mijnen lag wisten wij niet. Wij liepen, zonder ongelukken en met meer geluk dan wijsheid, door de mijnenvelden heen naar de bunkers .Die waren nog geheel intact en de kannonen stonden er nog in. Alleen de munitie was al verwijderd.

    Wel vonden we in een van de gangen een kistje met 12 handgranaten. Ik wist niet of ze op scherp stonden. We gingen naar een meertje en daar probeerde ik er eentje uit. Het waren Duitse steelhandgranaten en dan moest je de schroef van de steel draaien waarna er een kettinkje uit de steel kwam. Daar moest je aan trekken en 6 seconden later moest hij dan ontploffen.

    Ze deden het en we gooiden ze stuk voor stuk alle twaalf in het water en dat gaf een mooie waterzuil. Hierna liepen wij naar het strand en daar zagen wij mijnen op palen staan. Daar stond een soldaat van de Irenebrigade die in de lucht stond te schieten bij een versperring van het strand. Toen we naar hem toe gingen schreeuwde hij: "Godverdomme! Wat doen jullie daar! Er liggen daar alleen maar mijnen!"

    We werden door die militair teruggebracht naar het tehuis. Aldaar aangekomen gaf hij de leiding daar op hun sodemieter omdat ze ons daar lieten spelen. Hij vond het een poging tot moord, want ze wisten donders goed dat het daar vol mijnen lag. Achteraf kun je wel stellen dat we met zijn allen geluk hebben gehad.

    Wij waren nog in het tehuis in Noordwijk, toen er op een dag een pater bij ons kwam. Hij vroeg mij naar mijn geloof. Want hij had bericht gekregen dat wij katholiek waren. Hoe hij aan die informatie kwam weet ik niet. Ze zochten alle katholieke NSB-kinderen en die werden in kloosters etc. ondergebracht. Ik zei dat dat best kon want ik wist het echt niet. Hij nam ons mee naar het klooster Don Bosco, ook in Noordwijk.

    Er ging een wereld voor ons open. Mijn jongste broer, Hans, ging naar de nonnen en die verwenden hem ongelofelijk. Ook mochten we hem iedere dag bezoeken. Martin, mijn middelste broertje, mocht bij ons op de kamer slapen. Wij werden gerustgesteld. Het zou allemaal wel goed komen. Ik voelde mij daar helemaal op mijn gemak.

    Wij waren daar een week of acht toen we werden opgehaald door een oom, een broer van mijn vader. Hij nam ons mee naar zijn huis in Amstelveen. Dat was rond kerstmis 1946. We werden hartelijk ontvangen en de jongste, Hans, ging naar een tante. Dat heeft drie weken geduurd.

    Ik moest toen bij mijn oom komen om even te praten zei hij. In het kort kwam het hier op neer: Wij waren niet katholiek. Wij waren gereformeerd. Dat bleek naderhand niet waar. We hadden geen geloof.
    En hun geloof stond dus niet toe dat wij in een klooster waren. Hoe goed wij het daar ook hadden.

    Nee, hij wist wel een heel goed tehuis voor gereformeerde kinderen. Daar was het echt goed. Hij bracht ons naar Scheveningen, Badhuisweg 91. Mijn familieleden van mijn vaderskant hadden allemaal goede banen en grote huizen en ik heb nooit begrepen waarom hun ons niet opvingen. En ook kleine Hans moest mee naar het opvangtehuis.

    De derde hel was begonnen.

    Een keer per week mocht ik mijn broertjes maar zien. Ook moesten we naar de gereformeerde kerk. Wij moesten achter in de kerk zitten en de dominee zei dat wij de erfzonde hadden, dus ook voor de misdaden begaan door de nazi’s .

     

    De gehele gemeenschap keek om naar ons. Ja! Ja! Daar zaten dus, de zondaars en allemaal van rond de tien jaar. Ik begreep ook niet wat die vent bedoelde met misdaden en nazi s. Op een slechte dag ging ik mijn broertje opzoeken, wat dus maar een maal per week mocht.

    Toen ik boven kwam bij de kleintjes, liep ik mijn jongste broertje te zoeken. Hij was echter nergens te bekennen en op mijn vraag: "Waar is Hans?", kreeg ik het volgende antwoord: "Hansje? Ja, die is hier niet meer, want die is naar goede Nederlanders gegaan. Die ouders van jou worden toch opgehangen". Dat werd mij herhaaldelijk gezegd. Daar kon ik het dus mee doen.

    Er was gelukkig een meisje van een jaar of 18, Elsje was haar naam. Zij vertelde me herhaaldelijk dat ik die gasten niet moest geloven.Er was niets van waar. En ik geloofde haar. In de winter 46-47 kwam zij met schaatsen voor ons. Een schat van een meid en ik ben haar nog steeds dankbaar voor alle warmte en aandacht die ze ons gaf.

    In maart 1947 kwamen wij eindelijk vrij en gingen we naar de Jordaan aan de Lindegracht 246 in een onbewoonbaar verklaarde woning. Daar woonden onze opa en oma, die ook alles waren kwijt geraakt door de oorlog. Mijn jongste broertje zag ik pas een paar jaar later terug. Hij kende mij niet eens meer.

    Ik moest naar school, maar ik kon helemaal geen Nederlands schrijven. Ik startte in de derde klas van de lagere school en ik moest alle zeilen bijzetten om mee te komen. Oma gaf mij iedere dag bijles in taal en rekenen. Ook op school werd ik geholpen door een hele aardige meester. Het was meester Wolff, die mij samen met oma er door heen hielp.

    Hij gaf mij ook mijn bijnaam: Druppel, van de beroemde Hoffmandruppels. Ieder die met mij in de klas zat kende mij zo. Zo ging ik nog over ook. Pesten wilden ze me ook wel weer op school, maar dat beviel ze slecht. Ik gaf ze gelijk een pak op hun donder. Al met al waren wij toch erg gelukkig in die tijd ondanks alle ellende.

    Veel vriendjes, waarmee ik de havens ging afstropen om naar schepen te kijken. Gewoon boodschappen doen voor oma. Ik wilde eigenlijk naar het conservatorium, maar daar was helaas geen geld voor. Ik ben toen kok geworden en door hard werken en talent voor dat werk heb ik het geschopt tot chef-kok bij Martin Fagel.

    Ik heb in 1956 mijn diensttijd doorgebracht bij de Koninklijke Marine. Daar werden wij, tot mijn verbazing, namelijk met dezelfde verhalen bestookt als mijn vader in zijn Waffen-SS-tijd. Het communisme: daar moest tegen gevochten worden. Dat waren de grote vijanden van de vrije wereld. Dat klonk mij zeer bekend in de oren. Waar had ik dat toch eerder gehoord? De propaganda bleek in de koude oorlog hetzelfde als vijftien jaar ervoor.

    Ik heb nog steeds een hekel aan mensen die zeggen: Ja, die hebben een moeilijke jeugd gehad en daarom bestelen ze nu oude vrouwtjes. Lulkoek, als je wilt en je werkt hard kun je altijd wat maken van je leven.

    Ik ben nu al 44 jaar gelukkig getrouwd en ik heb 3 kinderen en 5 kleinkinderen. Gaat dat zo maar? Nee, natuurlijk niet. Op een gegeven moment haalt je verleden je in. De depressies volgden, maar die zijn ondertussen overwonnen.

    En ik vertel u nu mijn verhaal. Het verhaal van een kind. Een kind is altijd onschuldig, ongeacht uit welk nest het komt. Ik vertel u niet het verhaal van al die onschuldige mensen die afgeslacht zijn en ook niet van de verzetsmensen. Die verhalen kent u waarschijnlijk al en zult u dan ook NOOIT vergeten. Hopelijk vergeet u dit verhaal ook niet meer.

    John Hoffman

    GEDICHT
    Dijk
    Sta op een dijk
    Zie donkere wolken
    Donkergrijze tinten
    Honderden soorten grijs eigenlijk
    Wolken die over her water lijken te rollen.
    Stormwind buiten
    Stormwind in mijn hoofd
    Gedachten die mee weg waaien
    Waaien de wolken in
    Water spat in mijn gezicht
    Geven mijn gedachten terug
    Gedachten die mee gedragen worden
    Nee ik ben nooit helemaal ontwaakt uit de oorlog lijkt het soms
    Die blijft
    Blijft net zo lang
    Net zo lang als ik de wind kan voelen.

    John Hoffman

    Definitielijst

    communisme
    Politieke stroming, ontstaan uit het werk Das Kapital van Karl Marx, geschreven in 1848, als een reactie op de door Marx omschreven klassenstrijd tussen de arbeiders (het proletariaat) en de bourgeoisie. Volgens Marx zouden de arbeiders via een revolutie de macht overnemen van de welgestelde klasse. De communistische stroming streeft naar een ideale situatie waarin de productie- en consumptiemiddelen gemeenschappelijk eigendom van de staatsburgers zijn. Dit zou een einde aan armoede en ongelijkheid moeten maken (communis = gemeenschappelijk).
    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.
    NSB
    Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
    propaganda
    Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.

    Afbeeldingen

    John Hoffman tijdens zijn diensttijd bij de Nederlandse Marine Bron: John Hoffman.
    Brief van zijn tante Bron: John Hoffman.

    Informatie

    Geplaatst door:
    Frank van der Drift
    Geplaatst op:
    26-08-2007
    Laatst gewijzigd:
    12-07-2010
    Feedback?
    Stuur het in!