De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Vooroorlogse jaren

    Johannes Post werd geboren op 4 oktober 1906 in het buurtschap Nieuw-Moscou te Hollandscheveld, vlakbij Hoogeveen. Hij was het elfde en laatste kind van Jan Wolters Post en Trijntje Tempen. Over de jeugd van Johannes weten we niet veel. Eén van de meest informatieve bronnen over zijn jeugd is "De levensroman van Johannes Post" door Anne de Vries, tevens het meest bekende boek over zijn leven. Ook is bekend dat Johannes in zijn jeugd al bevriend was met Henk Dienske, die later ook een groot verzetsman werd. Verder weten we dat hij in zijn jeugd geen sterk lichaam had; zijn gezondheidstoestand baarde geregeld zorgen. Waarschijnlijk is dit één van de redenen geweest dat hij mocht doorleren. Johannes had de lagere school goed doorlopen en ging naar de MULO. Daar heeft hij slechts één jaar gezeten, om vervolgens alsnog bij zijn vader op de boerderij te gaan werken. Dit was een grote teleurstelling voor zijn ouders: een studerende zoon was voor hen een teken van welstand.

    Op 19 mei 1925, op de bruiloft van zijn broer Marinus, ontmoette Johannes voor het eerst Dina Salomons (geboren op 3 juli 1903). Op 29 juli 1929 verloofden ze zich en op 26 november van datzelfde jaar traden ze in het huwelijk. Johannes en Dina vestigden zich in Nieuwlande. Hun toekomstige dominee in Nieuwlande was Frits Slomp, in de oorlog beter bekend als "Frits de Zwerver", waar Johannes tijdens de oorlog ook af en toe contact mee had. Op 13 oktober 1930 werd hun eersteling geboren, een jongen genaamd Jan Wolter. Een week later kwam er een eind aan dit jonge leven. Uiteindelijk kregen ze nog drie zoons en vijf dochters. De crisisjaren waren aan Johannes ook niet onopgemerkt voorbijgegaan. Verschillende keren stond Johannes aan de rand van de afgrond. Echter, in de jaren vlak voor de oorlog had hij goed geboerd. In 1935 ging Johannes in de plaatselijke politiek de Anti Revolutionaire Partij (ARP) vertegenwoordigen. Hij was tijdens de vergaderingen een actieve discussiant en schuwde de verbale strijd met medepolitici niet. Johannes openbaarde zich meermaals als dwarsligger, vooral tegen de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP). Hierbij hebben zijn principes een zekere invloed gehad: Johannes was namelijk een overtuigd gereformeerde persoonlijkheid.

    Afbeeldingen

    Eerste oorlogsjaren

    Op 10 mei 1940 overschreden Duitse troepen de Nederlandse grens. In de ochtend van diezelfde 10 mei zag Johannes de eerste Duitsers het dorp binnenkomen. Johannes wilde zich met twee andere boeren als vrijwilliger in het Nederlandse leger aanmelden, maar zag daarvan uiteindelijk toch af. Vijf dagen later was de bezetting een feit. Dat Johannes (zoals velen beweren) een verzetsman was van het eerste uur, is niet helemaal waar. Zijn eerste ‘verzetsdaden’ uitten zich in het weigeren om de inkomstenbelasting te betalen en verzet tegen de verplichte veeregistratie in september 1940. Waarschijnlijk had Johannes de tijd nodig om zich op de nieuwe situatie in te stellen. Eén ding doorzag hij toen nog niet, namelijk het Duitse plan ten opzichte van de Nederlandse Joden. Zo vermeldt de geschiedenis ook dat Johannes - waarschijnlijk zonder verzet - de verplichte Ariërverklaring voor het gemeentebestuur heeft ingevuld, wat trouwens de meeste gemeenteambtenaren in die tijd deden. Verder heeft Johannes in de eerste twee jaar van de bezetting zich rustig gehouden. In Drente voelde men de harde hand van de overheerser in dit stadium van de oorlog lang niet zo sterk als in de grote steden.

    Op 30 april 1942 moesten de Nederlandse Joden verplicht een gele ster dragen met het opschrift "Jood". Hieruit vloeiden tal van gevolgen voort. Het leverde Johannes de eerste onderduiker op: Arnold Douwes, een zoon van een dominee. Deze man trad provocerend op door zich in mei 1942 in het openbaar te vertonen met een Jodenster. Door dat voorval wilde de Sicherheitspolizei hem arresteren, maar door te verhuizen wist hij aan zijn arrestatie te ontkomen. In de herfst van datzelfde jaar ging Johannes een paar dagen op bezoek bij zijn broer Marinus, die in Kampen woonde. Dat bezoek betekende voor Johannes een grote verandering. Hij maakte kennis met meerdere ondergedoken Joden. Tevens mocht hij van zijn broer Marinus een revolver uitkiezen. Dit was voor Johannes het begin van het gewapende verzet.

    Definitielijst

    Ariërverklaring
    Verklaring die Duitse ambtenaren en later ook andere groepen in de door Duitsland bezette gebieden moesten tekenen. Een niet-jood verklaring.
    Jodenster
    Davidster op een gele ondergrond die in Nazi-Duitsland en de bezette gebieden tijdens WO II door de Joden moest worden gedragen.

    Gewapend verzet

    Johannes ging zich nu steeds iets meer toeleggen op verzet. Vooralsnog bleef het bij onderduikers. Joden uit alle streken wist Johannes ergens in Nieuwlande en omstreken onder te brengen. Arnold Douwes, de onderduiker bij Johannes, fungeerde als verzamelaar van persoonsbewijzen. Hij stal, kreeg en kocht ze. In december 1942 kreeg Johannes de uitnodiging voor een bespreking in de consistorie van de Christelijk Gereformeerde Kerk waar ouderling Zanting zou komen. De ouderling bleek zijn vroegere dominee te zijn: Frits Slomp. Deze openbaarde zich als een uitgesproken tegenstander van het nationaalsocialisme. Uit deze bespreking vloeide voort dat Johannes mee ging werken aan de ‘Beurs’, ook wel eens aangeduid als 'Organisatie Frits'. Dit was een organisatie waar onderduikers werden uitgewisseld. Mensen die moesten of wilden onderduiken, kwamen in contact met één van de leden van deze ‘Beurs’, die dan een geschikte onderduikplek voor hen zochten. Eveneens werd er gesproken over de verdere uitbreiding van de organisatie. Uit deze organisatie kwam de latere Landelijke Organisatie (LO) voort. De LO was één van de grootste verzetsorganisaties in Nederland, opgericht door Frits Slomp en Helena Kuipers-Rietberg. In 1944 had de organisatie rond de veertienduizend leden. Johannes was wel bij de vergadering van dominee Slomp aanwezig geweest, maar werkte toch veel meer op eigen initiatief. Hij werkte soms samen met de LO, maar voor de meeste Joden zocht hij een geschikte onderduikplek zonder tussenkomst van de LO. Waarschijnlijk werkte Johannes liever met bekenden. Maar dat blijft gissen. Het staat vast dat Johannes op provinciaal niveau voor de LO in die periode weinig heeft betekend.

    Johannes kreeg het steeds drukker. Op zijn boerderij was het dagelijks een drukte van belang. Al gauw bleek dat Johannes dit werk in deze omvang niet alleen aankon. Hoewel Arnold Douwes meehielp, bleek dat niet afdoende. Het werk stapelde zich op. In februari 1943 kwam een jonge Joodse vrouw, Celina Johanna Kuijper, met als schuilnaam Thea, naar Nieuwlande. Johannes heeft haar opgehaald in Amsterdam-Zuid. Op de terugreis naar Nieuwlande vormde Johannes zich een zodanig positief beeld van Thea, dat hij haar geschikt vond voor zijn ‘verzetsgroep’. Zoals de meeste verzetsvrouwen werd zij koerierster. Haar verloofde Ies Davids, schuilnaam ‘Peter’, trad enkele weken later toe. Hij kreeg als taak het bijwerken van persoonsbewijzen.

    In mei 1943 kwam ook de ex-beroepsmilitair Jan Wildschut naar Nieuwlande. Dit was een direct gevolg van de april/meistakingen van datzelfde jaar. Op 29 april 1943 verscheen er in de avondbladen een bevel dat “de leden van het voormalige Nederlandse leger terstond opnieuw in krijgsgevangenschap worden weggevoerd”. Het antwoord van de Nederlandse bevolking was een staking die, zoals Johannes al had gewaarschuwd, in bloed werd gesmoord. Na deze stakingen kreeg Johannes het drukker dan ooit. Hij besloot om met zijn ‘verzetsgroep’ over te gaan op het overvallen van kantoren van Plaatselijke Bureauhouders. Deze PBH’s waren de plaatselijke vertegenwoordigers van de Provinciale Voedselcommissarissen, die toezicht moesten houden op de voedselverstrekking en de productie ervan. Johannes werd door de situatie hiertoe ook min of meer gedwongen. Al die onderduikers waar hij een onderduikplek voor vond, moesten ook bonkaarten, persoonsbewijzen en degelijke hebben. Feitelijk had Johannes een van de eerste knokploegen.

    Op woensdag 23 juni 1943 overviel Johannes met zijn verzetsgroep vier PBH's op één dag. De Drentse primeur was al eerder, namelijk op 16 april 1943 in Zuidwolde. Maar de overvallen van Johannes waren uniek, omdat er nog nooit eerder zoveel PBH's op één dag werden overvallen. Onterecht wordt door sommigen beweerd dat Johannes de aanstoot had gegeven tot het plegen van gewapend verzet in Nederland. Al op 14 oktober 1942 pleegde Theo Dobbe met zeven kameraden een succesvolle overval op het distributiekantoor van Joure. Na de overval op de PHB’s pleegden Johannes en zijn verzetsgroep meerdere daden van verzet, zoals brandstichting in een leegstaand gebouw van de Weerafdeling (WA). De constante toeloop van onderduikers was ontstellend, mede door toedoen van dominee Slomp die overal vertelde dat “je alles in Nieuwlande wel kwijt kan”. In deze periode groeide de verzetsgroep van Johannes gestaag, totdat de groep op een bepaald moment uit elkaar geslagen leek. De leden van de verzetsgroep hadden zich door het hele land verspreid, omdat er voortdurend de dreiging van de Sicherheitspolizei was.

    16 Juli 1943 was een belangrijke dag voor Johannes; het was tevens de eerste dag van zijn laatste levensjaar. Deze dag leek op een drama uit te lopen. Johannes en Thea gingen op die dag naar Ugchelen, waarschijnlijk om onderduikers te plaatsen. Echter bij het pension ‘Elyo-Zamy’ aangekomen, liepen ze regelrecht in een hinderlaag van de Sicherheitspolizei, die eerder die dag een inval in het pension had gedaan. Johannes en Thea werden opgesloten op het politiebureau in Apeldoorn. Johannes probeerde de volgende dag te ontsnappen, maar omdat hij niet snel genoeg een goede schuilplaats kon vinden, werd hij weer opgepakt. Maar de dag erop, 18 juli, werd Johannes door een politieman bevrijd. Thea’s leven eindigde in Auschwitz, waar ze direct na aankomst werd vergast.

    Het jaar 1943 eindigde voor de verzetsgroep van Johannes slecht doordat drie overvallen op distributiekantoren mislukten. Het jaar 1944 begon heel wat beter: meteen op 4 januari werd er met succes een distributiekantoor overvallen. In januari 1944 vestigde Johannes zich met zijn knokploeg (KP) in Breda. Ze gingen deze stad als uitvalbasis gebruiken. Dit was een zeer geschikte uitvalbasis; De 'KP-Johannes' boekte een lange serie successen. In het begin van 1944 kwam er een overeenkomst met de LO, waarin Johannes zich verplichtte om alles wat hij buitgemaakt had af te geven aan de Top van de LO (Landelijke Organisatie). In februari pleegde zijn KP nog een overval waarbij zesenvijftig pistolen buitgemaakt werden. Er wordt gesuggereerd dat Johannes in die periode ook plannen zou hebben gehad voor een eventuele oversteek naar Engeland.

    Definitielijst

    onderduiken
    Het verstoppen voor de vijand.
    WA
    Afkorting van Weerafdeling, de knokploegen van de NSB.

    In de Top

    Omstreeks maart 1944 ontving Johannes een uitnodiging voor een vergadering van de Top-LKP. Deze LKP had een zogenaamde leider, Hilbert van Dijk, een penningmeester, Izak van der Horst en twee leden die zorgden voor een zogenaamd ‘kraakschema’. Dit schema werd samengesteld naar aanleiding van de wensen die van burgers of verzetsgroepen afkomstig waren. Om het risico van de deelnemende KP’ers niet te vergroten werd de afspraak gemaakt dat alleen gekraakt zou worden wat de LO nodig had. De twee mannen, Leendert Marinus Valstar en Liepke Scheepstra, hadden het razend druk. Voornamelijk Scheepstra, voor wie het werk te veel werd, pleitte voor een eigen vertegenwoordiger in het noordoosten en in het zuidoosten. In het zuidoosten was het niet moeilijk een eigen vertegenwoordiger aan te stellen. Omdat er veel rooms-katholieken woonden, werd gekozen voor de rooms-katholieke Hans Dobbe. Maar in het noordoosten werd het wat lastiger om een vertegenwoordiger aan te stellen. Van der Horst stelde Johannes Post voor om die functie te vervullen. Daarmee bleek niet de gehele Top akkoord te gaan. Onder andere zijn onderlinge spanningen tussen Leendert (Valstar) en hem hier oorzaak van. Johannes kreeg de verantwoordelijkheid over de drie noordelijke provincies, maar men kwam echter overeen dat hij niet bij de vergaderingen aanwezig zou zijn. Johannes zou de nodige informatie krijgen van Scheepstra. Ondanks de opgelegde beperkingen was Johannes vereerd: hij zag hierin zeker waardering voor zijn werk.

    Na het paasweekend dat hierop volgde vertrok Johannes naar het noorden om daar de organisatie op gang te brengen. Hij moest afscheid nemen van zijn eigen KP, die verder ging onder leiding van Jan Wildschut. Deze KP is echter nooit een succes geworden. In het noorden aangekomen, trachtte Johannes verzetsgroepen te overtuigen om zich in een provinciaal samenwerkingsverband te verenigen. Zodoende werden hun krachten gebundeld en werden lokale verzetsgroepen opgenomen binnen de LKP. In Drente was dit niet moeilijk, maar in Groningen ging het niet zo eenvoudig. Hier moest behoorlijk wat gepraat worden voordat het enigszins op poten stond. In Friesland ging het wel weer goed. Daar waren twee goede leiders die de zaken voor elkaar hadden en waarmee goed te overleggen viel.

    Nadat Johannes dit karwei geklaard had, kreeg hij het bericht dat Leendert Valstar (mede-Toplid) in Delft was gearresteerd. De noordelijke provincies moesten het even stellen zonder Johannes, want hij spoedde zich naar Rotterdam. In die periode werd ook mede-Toplid Izak van der Horst gearresteerd. In korte tijd leek de Sicherheitspolizei de gehele Top weg te vagen. Vele vrienden en kennissen van Johannes werden gearresteerd. Aanvankelijk werden er twee andere opvolgers voor Valstar aangewezen. De ene bleef echter liever op de plek waar hij was, terwijl van de ander na een korte periode duidelijk werd dat hij deze taak niet aankon. Voor zo'n zware taak met bijbehorende verantwoordelijkheid waren de geschikte mensen niet voor het oprapen. Johannes was echter één van de mensen, die in staat waren dit werk op zich te nemen. Daarom werd Johannes de opvolger van Valstar. De mannen die eerst onder Leendert Valstar hadden gewerkt, hadden echter weinig vertrouwen in Johannes. Dit kwam waarschijnlijk ook omdat Johannes de werkwijze van Valstar aanpaste naar zijn eigen wensen. In de dagen die hierop volgden, behaalde mede-Toplid Scheepstra op zondag 11 juni 1944 een schitterend succes. Hij pleegde een overval op een gevangenis in Arnhem, waarmee hij vierenvijftig gevangenen bevrijdde. Twee dagen na deze succesvolle overval viel ook mede-Toplid Izak van der Horst weg. Dit was wederom een grote slag voor de Top. Hilbert van Dijk was zich steeds meer gaan toeleggen op het LO-werk. Daarom bleek van het oorspronkelijke kwartet nog maar één persoon in de Top te zitten, namelijk Liepke Scheepstra. Na deze arrestatie veranderde Johannes. Volgens een naoorlogse verklaring van Scheepstra: "Toen Izak gearresteerd is, veranderde het plotseling. Toen was het ook, alsof het een andere Johannes was." Er groeide wat rivaliteit tussen Liepke Scheepstra en Johannes. Scheepstra had de neiging zich als leider te manifesteren, de twaalf jaar oudere Johannes wilde echter zeker niet voor hem onderdoen. Omdat deze twee personen nu te veel werk moesten leveren, kwam Hilbert van Dijk gedeeltelijk de plaats van Izak overnemen.

    Johannes vestigde zich met zijn hoofdkwartier in Amsterdam. Het was op zijn onderduikadres een komen en gaan van mensen; de hele dag door ging de bel. Johannes had in die tijd ook de leiding over de verdeling van wapens binnen de LKP. Naar aanleiding van een brief uit Engeland voerde Johannes eind juni met de mede-Topleden verschillende heftige vergaderingen. Het gevolg van deze brief was dat de politiek mee zou gaan spelen in het verzetswerk. Natuurlijk waren er altijd wrijvingen binnen het verzet geweest. Een voorbeeld hiervan is dat in de Raad Van Verzet (RVV) veel communisten zaten, zodat ze weinig samenwerkten met de LO en LKP. Dit was een gevolg van de vele kerkelijke leden in de LO en LKP. Hier moest de RVV niks van hebben; één van hun slogans was 'Godsdienst is opium voor het volk'. De politieke overtuigingen van een bepaalde persoon moesten echter niet de overhand krijgen in het verzetswerk. Hiervan konden onaangename consequenties komen. Knokploegen konden misschien door meningsverschillen uit elkaar gaan, de mannen zouden hun geestelijke toestand nog verzwaren met zulke discussies. Johannes was hier dus tegen.

    Op 26 juni kwam het bericht dat Jan Wildschut, Johannes’ strijdmakker van het eerste uur, was gearresteerd. Hij was opgepakt vlak na een mislukte overval in opdracht van Johannes. Deze arrestatie werd Johannes uiteindelijk fataal. Johannes moet vanaf het eerste bericht hieromtrent met de gedachte hebben gespeeld om Jan te bevrijden. Toen op 29 juni mede-Toplid Scheepstra ook nog eens moest onderduiken, stond Johannes feitelijk alleen aan het roer van de LKP. Dit was geen succes, want het werk dat hem werd opgelegd, was gewoon teveel om naar tevredenheid van iedereen af te ronden.

    Definitielijst

    onderduiken
    Het verstoppen voor de vijand.

    Zijn laatste overval en zijn dood

    Wildschut werd gevangen genomen door toedoen van een NSB’er, wat vaak voorkwam. Toen hij wilde ontsnappen, gooide de desbetreffende NSB’er zijn fiets voor Wildschut, waardoor deze viel. Vervolgens werd hij opgepakt en naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans te Amsterdam gebracht. Dit was een zware slag voor Johannes. Hij ging over tot het bedenken van een overval op het Huis van Bewaring, om zodoende Wildschut en vele anderen, waaronder Henk Dienske, te bevrijden. In totaal ging het om zeventig ‘zware gevallen’, die in hun leven niets anders meer te verwachten hadden dan de dood door de kogel.

    Vanuit zijn onderduikadres overzag Johannes de mogelijkheden. Hierbij toonde hij aan dat hij de hele overval op eigen gezag wilde uitvoeren. Hij zou alleen worden bijgestaan door enkele oude verzetsmakkers, van wie hij wist dat ze voor hem door het vuur zouden gaan.

    Zijn eerste plan, een gewapende bestorming van het complex, werd door een ‘goede’ bewaker afgeraden. Het tweede plan - ergens een in scène gezette inbraak te plegen en deze inbrekers met rechercheurs naar het Huis van Bewaring te brengen - werd ook van de hand gewezen.

    Toen Johannes en Hilbert van Dijk er achterkwamen dat de gevangenis ook via de conciërgewoning te bereiken was, werd er een derde plan op gesteld: een overval vanuit de conciërgewoning. Hiermee waren nog niet alle problemen opgelost. Er was meer hulp nodig, hulp vanuit het Huis van Bewaring. Daarin vonden ze een zekere Jan Boogaard, een Nederlandse SS’er, die zich wilde rehabiliteren. Deze Boogaard toonde zich een uitstekende hulp. Hij gaf veel advies, mede aan de hand van de plattegrond van de gevangenis die ze via Wim Speelman kregen. Uiteindelijk zou Boogaard de sleutelrol gaan spelen. Er werd overeengekomen dat de overval uitgevoerd zou worden in de vroege ochtend van 15 juli. Daar was voor Boogaard nog wel een voorwaarde aan verbonden. Zijn moeder, bij wie hij inwoonde, moest als onderpand elders in het land onderduiken onder toezicht van de KP. Op het beslissende ogenblik bleek zij niet reisvaardig. Op de avond van 14 juli kwamen de deelnemers aan de overval samen in de conciërgewoning. Johannes en Hilbert deden zelf niet mee, conform de afspraken binnen de Top.

    Die nacht ging alles fout. Boogaard - de verrader, want hij stond van het begin af aan in contact met de staf van Lages die chef van de Sicherheitspolizei in Amsterdam was - deed op het afgesproken tijdstip de deur naar de gevangenis open. Na enkele minuten - de mannen moesten volgens het plan een kwartier wachten om tot de overval over te gaan - klonk het beruchte "Hände hoch! Jeder Widerstand ist sinnlos!”. Het vuur werd geopend op de overvallers, waarbij enkelen getroffen werden. Sommige kwamen met inspanning van al hun krachten over de vier meter hoge kale muur van de binnenplaats. Zes overvallers werden direct opgepakt. Johannes en Hilbert, die Boogaard moesten ophalen bij zijn huis, kwamen daar in de problemen. Johannes werd ter plaatse gearresteerd en Hilbert werd later door buurtbewoners verraden. Hierdoor werd de overval die een groot succes voor het Nederlandse verzet zou betekenen, een tragische gebeurtenis.

    Na kort verhoor werd Johannes Post de volgende dag op 16 juli 1944 kort na de middag samen met dertien anderen in de duinen bij Overveen geëxecuteerd. Op 27 november 1945 werd hij herbegraven op de Erebegraafplaats te Bloemendaal.

    Johannes Post, door dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot getypeerd als “een fantastische vrijbuiter”, zou niet zo bekend zijn geworden als Anne de Vries de levensroman over hem niet had geschreven. Door eerst korte artikelen in landelijke kranten en daarna een boek uit te geven is de naam Johannes Post langzaam uitgegroeid tot een mythe. Zeker zal daar zijn laatste overval aan hebben bijgedragen. Er zijn ongetwijfeld verzetsmensen met meer ‘kraken’ en wapenfeiten op hun naam dan Johannes Post, maar dat doet zeker geen afbreuk aan het dankbare werk dat Johannes Post voor zijn vaderland gedaan heeft.

    Definitielijst

    NSB
    Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
    onderduiken
    Het verstoppen voor de vijand.

    Informatie

    Artikel door:
    Egbert van de Schootbrugge
    Geplaatst op:
    05-10-2005
    Laatst gewijzigd:
    20-06-2015
    Feedback?
    Stuur het in!

    Gerelateerde boeken

    De levensroman van Johannes Post