De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Ochtenzitting 1 20-06-1946

De PRESIDENT: Ik heb enkele mededelingen. Ten eerste, aanvullende getuigen zullen worden gehoord aan het einde van de zaak tegen beklaagden. Ten tweede, vragenlijsten en andere documenten die tegen die tijd zijn ontvangen moeten dan ook als bewijsmateriaal worden gepresenteerd. Ten derde, vragenlijsten en andere documenten die voor het einde van de bewijsvoering zijn toegelaten maar op een latere datum zijn ontvangen, zullen tot aan het einde van het proces door het Tribunaal worden ingenomen en beoordeeld. Dat is alles.
(Beklaagde Speer neemt weer plaats in de beklaagdenbank)
Dr. FLÄCHSNER: Gisteren eindigden we met de bespreking van het gebruik van mankracht in de industrie en nu zullen we de kwestie behandelen hoe de mankracht aan de fabrieken werd geleverd; anders gezegd de kwesties van aantallen en speciale eisen aan arbeiders.
Meneer Speer, in uw getuigenis van 18 oktober 1945 verklaarde u allereerst dat u stelselmatig nieuwe arbeiders van Sauckel vroeg, ten tweede dat u wist dat er zich onder deze arbeiders buitenlanders zouden bevinden, ten derde dat u hebt geweten dat sommige van deze buitenlandse arbeiders tegen hun wil in Duitsland werkten. Wilt u alstublieft iets over deze verklaring zeggen?
SPEER: Deze vrijwillig afgelegde verklaring is helemaal juist. Ik was Sauckel zeer dankbaar voor iedere arbeider die ik tijdens de oorlog van hem kreeg. Vaak hield ik hem verantwoordelijk voor het feit dat door gebrek aan mankracht de wapenindustrie niet die resultaten bereikte die zij had kunnen bereiken maar ik heb altijd de verdiensten benadrukt die hem toekwamen vanwege zijn werk voor de wapenindustrie.
Dr. FLÄCHSNER: Toen u in uw getuigenis van 18 oktober 1945, en nu weer, verwees naar mankracht, bedoelt u mankracht in het algemeen, waaronder Duitse arbeiders, vreemdelingen uit bezette gebieden, vreemdelingen uit geannexeerde gebieden en ook krijgsgevangenen?
SPEER: Ja. Vanaf het midden van 1943 had ik onenigheid met Sauckel over kwesties met betrekking tot productie en over de onvoldoende beschikbaarheid van Duitse arbeidsreserves. Maar dat heeft niets te maken met mijn fundamentele houding ten opzichte van het werk van Sauckel.
Dr. FLÄCHSNER: Welk percentage van het totaal toegewezen arbeiders was Sauckel verplicht u op aanvraag te leveren?
SPEER: U bedoelt het totaal aan mankracht, geen vreemdelingen?
Dr. FLÄCHSNER: Ja.
SPEER: Tot aan augustus 1944 – anders gezegd, tot aan het moment waarop ik de wapenproductie voor de Luftwaffe overnam – ongeveer 30 of 40 % van het totaal. De overgrote meerderheid daarvan bestond natuurlijk uit Duitse arbeiders. Toen ik in augustus 1944 de wapenproductie voor de Luftwaffe overnam had ik nauwelijks behoefte aan arbeiders omdat de bombardementen op het transportstelsel in Duitsland een gestage daling van de wapenproductie tot gevolg hadden.
Dr. FLÄCHSNER: Was uw behoefte aan arbeiders onbeperkt?
SPEER: Nee. De omvang van de wapenproductie en van onze totale productie en mijn overeenkomstige behoefte aan arbeiders was afhankelijk van onze aanvoer van grondstoffen.
Dr. FLÄCHSNER: Dat betekent, de behoefte was beperkt door de beschikbare hoeveelheid grondstoffen?
SPEER: Mijn behoefte aan arbeiders was beperkt door de hoeveelheid grondstoffen.
Dr. FLÄCHSNER: U bereikte een sterke stijging van het productievolume aan wapens. Nam het aantal tewerkgestelde arbeiders ook in verhouding toe om deze stijging te bereiken?
SPEER: Nee. In 1944 werden er 7 maal zoveel wapens geproduceerd als in 1942, 1½ keer zoveel pantserwagens en 6 maal zoveel munitie. Het aantal arbeiders in deze sectoren nam slechts met 30 % toe. Dit succes kwam niet tot stand door een grotere inzet van arbeiders maar eerder door het afschaffen van verouderde productiemethoden en door een verbeterd systeem van controle op wapenproductie.
Dr. FLÄCHSNER: Wat werd bedoeld met het concept "Kriegsproduktion"?
SPEER: De term Kriegsproduktion die hier regelmatig is gebruikt is niets anders dan het normale concept, productie. Dat omvat alles dat door fabrieken of door handwerkslieden wordt geproduceerd waaronder de behoeften voor de burgerbevolking.
Dr. FLÄCHSNER: Wat werd in Duitsland bedoeld met het concept "bewapening"?
SPEER: Het concept "bewapening" was in geen geval beperkt tot het gebied dat beschreven staat in de Geneefse Conventie voor krijgsgevangenen. De moderne opvatting van "bewapening" is een veel bredere. Het omvat een veel groter scala aan activiteiten. Er waren geen basisprincipes vastgelegd voor onze opvatting van "bewapening." Het kenmerk van een wapenindustrie was dat het Heereswaffenamt als bemiddelende autoriteit er de zorg voor had en er toezicht op hield. In Duitsland bijvoorbeeld viel de volledige productie van ruw staal onder de wapenindustrie, alle walserijen, gieterijen en smederijen; de productie van aluminium en moderne synthetische materialen; de chemische productie van stikstof, van brandstof of synthetische rubber; de productie van synthetische wol; de productie van afzonderlijke zaken waarvan het gebruik in wapens op het moment van productie niet kan worden voorspeld zoals kogellagers, tandwielen, kleppen, zuigers enzovoorts, of de productie van werktuigmachines, het opzetten van assemblagelijnen; evenzo de productie van auto's en de bouw van locomotieven, koopvaardijschepen; ook textielfabrieken en fabrieken die artikelen van leer of hout produceren.
In de vragenlijsten die ik naar mijn getuigen heb gestuurd wilde ik hen laten vermelden welk percentage van de Duitse wapenindustrie wapens produceerde zoals die zijn omschreven in de Geneefse Conventie en ik zou u de aantallen willen noemen. Mijn medewerkers zijn het er unaniem over eens dat tussen 40 en 20 % van het bewapeningsprogramma te maken had met de productie van wapens, pantserwagens, vliegtuigen, oorlogsschepen of de algemene uitrusting die voor de diverse onderdelen van de strijdkrachten vereist was. Het merendeel van het materiaal bestond daarom niet uit wapens in de zin van de Geneefse Conventie. De reden voor de verruiming van het concept "bewapening" in Duitsland was naast redenen van productie de voorkeursbehandeling die deze fabrieken genoten; een behandeling die tot gevolg had dat talloze fabrieken stonden te dringen om wapenindustrie genoemd te mogen worden.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, in de vragenlijsten die nog niet bij het Tribunaal zijn ingediend omdat het boek nog niet klaar is, houden de getuigen Sauer onder nummer 7 en 10, de getuige Schieber onder nummer 6 tot en met 9 en de getuige Kehrl onder nummer 4 tot en met 7 zich bezig met de definitie zoals die toegepast moet worden op het concept "bewapening."
De PRESIDENT: Hoe luidde die laatste naam?
Dr. FLÄCHSNER: Kehrl.
Meneer Speer, bij wijze van voorbeeld, u kent Krupp in Essen. In hoeverre produceerde dit concern wapens in de zin van de Geneefse Conventie betreffende krijgsgevangenen; anders gezegd, wapens, munitie en andere zaken die direct noodzakelijk zijn voor de oorlogvoering?
SPEER: Krupp is een prachtig voorbeeld voor het feit dat een bewapeningsindustrie slechts een klein deel van zijn productie reserveert voor oorlogsuitrusting. Ik moet natuurlijk op het feit wijzen dat in het bijzonder het Krupp concern een van die bewapeningsindustriën was die, net als andere, procentueel gezien de minste wapens produceerde. Het voornaamste belang van Krupp lag in mijnbouw en in drie grote fabrieken die ruw staal en edelstaal produceerden. De bouw van locomotieven en fabricage van producten voor de chemische industrie waren een specialiteit van Krupp. Aan de andere kant, van de specialiteit in wapens van Krupp – de bouw van geschutskoepels voor oorlogsschepen en grote, bijzondere kanonnen – werd tijdens deze oorlog helemaal geen gebruik gemaakt. Pas in 1944 richtte Krupp bij Breslau de eerste fabriek op voor de productie van kanonnen. Tot aan die tijd hield Krupp zich voornamelijk bezig met de ontwikkeling van nieuwe wapens, terwijl voor de productie daarvan andere fabrieken een licentie kregen. Al met al kan men stellen dat bij Krupp 10 tot 15 % van het personeel wapens maakte in de zin van de Geneefse Conventie, hoewel het hele concern geregistreerd stond als bewapeningsindustrie.
Dr. FLÄCHSNER: Hadden u en uw Ministerie er iets over te zeggen of een fabriek Duitse of buitenlandse arbeiders zou krijgen?
SPEER: Mijn Ministerie had geen enkele invloed in die richting. De behoefte aan arbeiders werd door de fabrieken die aan mij ondergeschikt waren, aan mijn Ministerie gemeld. Zij meldden het totaal aan benodigde arbeiders en er werd geen onderscheid gemaakt of zij buitenlanders, krijgsgevangenen of Duitse arbeiders wilden. Dit totaal aantal werd doorgegeven aan de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz. Sauckel weigerde gespecificeerde eisen te aanvaarden en hij had hierin volkomen gelijk want hij kon geen gespecificeerde richtlijnen geven aan de diensten die onder hem stonden, met betrekking tot het percentage Duitse of buitenlandse arbeiders die aan de plaatselijke fabrieken moesten worden toegewezen.* De uiteindelijke verdeling van de arbeiders over de fabrieken werd verzorgd door de arbeidsbureau's – zonder tussenkomst van mijn diensten of agenten. Daarom hadden we er hier ook geen invloed op of Duitsers, buitenlanders of krijgsgevangenen aan enige fabriek werden toegewezen. De fabriek moest ons dan terug melden over het aantal nieuw ontvangen arbeiders. Deze melding werd in de vorm van een totaal aantal naar mijn ministerie gestuurd zodat ik niet kon nagaan of en hoeveel buitenlanders en krijgsgevangenen in het totaal begrepen waren. Ik wist natuurlijk dat er buitenlandse arbeiders aan wapens werkten en ik was het daar volkomen mee eens.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, om de zaken voor het Tribunaal wat eenvoudiger te maken zou ik willen opmerken dat de punten 1, 7, 8, en 17 van de vragenlijst van getuige Schmelter over deze kwesties handelen. In de vragenlijst van Schieber wordt dit punt bij 10, 11, 30 en 31 behandeld. Verder bevat de vragenlijst van Kehrl relevant materiaal in de antwoorden op de vragen 8 en 9.
Meneer Speer, wie dienden de eisen voor mankracht, benodigd voor de wapenindustrie, in bij de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz?
SPEER: De vraag om arbeiders werd opgesplitst naar de diverse sectoren, overeenkomstig de diverse economische sectoren. Er bestonden ongeveer 15 verschillende sectoren die elk hun eisen indienden. Ik stelde de eisen voor de bewapening van het leger, de marine en de bouw en vanaf september 1943 voor de sectoren chemie, mijnbouw en andere productie. Bewapening voor de Luftwaffe had zijn eigen afdeling toewijzing en die eisen werden gesteld door het Reichsluftfahrtministerium.
Dr. FLÄCHSNER: In de vragenlijsten heeft getuige Schmelter deze kwestie behandeld in zijn antwoord op vraag 2; getuige Schieber in zijn antwoord op vragen 2, 3 en 5 en getuige Kehrl onder vragen 2 en 3.
Werden de eisen voor mankracht voor de drie onderdelen van de strijdkrachten niet in uw Ministerie samengebracht?
SPEER: Nee. Natuurlijk had ik vanaf maart 1942 in naam althans het Heereswaffenamt onder Generaal Thomas van het OKW overgenomen en dit Amt was een gezamenlijk bureau voor de drie legeronderdelen waar kwesties rond de toewijzing van mankracht ook werden besproken. Op grond van een overeenkomst tussen Göring en mij was besloten dat de Luftwaffe, onafhankelijk van mij, haar eigen belangen rond bewapening zou behartigen. Deze overeenkomst was nodig omdat ik in het begin, als Minister für Heeresrüstung tegenstrijdige belangen had en daarom geen beslissingen wilde nemen betreffende de vraag naar mankracht voor een onderdeel dat niet aan mij ondergeschikt was.
Dr. FLÄCHSNER: In hoeverre bent u verantwoordelijk voor de inzet van krijgsgevangenen in de wapenindustrie en hier bedoel ik bewapening in beperkte zin en in strijd met de Geneefse Conventie?
SPEER: Ik deed mijn invloed niet gelden om krijgsgevangenen tewerk te stellen in strijd met de door het OKW uitgegeven besluiten. Ik kende het standpunt van het OKW, volgens welk de Geneefse Conventie strikt gehandhaafd moest worden. Natuurlijk wist ik ook dat deze bepalingen niet golden voor Russische krijgsgevangenen en Italiaanse gevangenen. Ik kon geen enkele invloed aanwenden bij de toewijzing van krijgsgevangenen aan afzonderlijke fabrieken. Deze toewijzing werd bepaald door de arbeidsbureau's in overleg met de diensten die afhankelijk waren van het hoofd van het Kriegsgefangenenwesen, het Stalag.
Dr. FLÄCHSNER: In dit verband zou ik willen verwijzen naar de vragenlijst van getuige Schmelter; zijn antwoord op vraag 14.
Meneer Speer, wie was de bevoegde officier namens het OKW?
SPEER: Het toezicht op de juiste toewijzing van krijgsgevangenen werd uitgeoefend door de Wehrwirtschaftsoffizier als bemiddelende autoriteit. Hij maakte deel uit van de plaatselijke Militärverwaltung dat onder gezag van het leger stond.
Dr. FLÄCHSNER: De Aanklager heeft een beëdigde verklaring van Mr. Deuss, een Amerikaans statisticus, ingediend. Dat is document 2520-PS.
Volgens deze verklaring waren er 400.000 krijgsgevangenen tewerk gesteld bij de productie van oorlogsuitrusting. Deze aantallen worden verondersteld afkomstig te zijn van statistieken van uw Ministerie. Wilt u iets over dit aantal zeggen?
SPEER: De getallen zijn mij vanuit mijn hoedanigheid als minister goed bekend en ze zijn correct. Dit aantal van 400.000 krijgsgevangenen omvat het totaal aantal krijgsgevangenen dat in de wapenindustrie tewerk was gesteld.
In deze verklaring wordt de verkeerde conclusie getrokken dat al deze krijgsgevangenen betrokken waren bij de productie van wapens zoals omschreven in de Geneefse Conventie. Statistieken betreffende het aantal krijgsgevangenen die in die fabrieken werkten die wapentuig produceerden zoals omschreven in de Geneefse Conventie werden door ons niet bijgehouden en daarom kan een dergelijk aantal niet in mijn documenten worden aangetroffen.
Afgezien daarvan omvat dit aantal van 400.000 krijgsgevangenen 200.000 tot 300.000 Italiaanse gevangen militairen die destijds allemaal in mijn productieproces werden opgenomen. Deze verklaring bewijst daarom nog niet dat er krijgsgevangenen werden ingezet bij de productie van wapens als zodanig.
Dr. FLÄCHSNER: Het Centraal Planbureau is hier regelmatig genoemd. U was lid van dit bureau. Kunt u tot in bijzonderheden het ontstaan van dit bureau beschrijven en het scala aan activiteiten ervan?
SPEER: Toen ik in 1942 in functie kwam was het van het grootste belang de toewijzing en verdeling van grondstoffen voor de drie onderdelen van de strijdkrachten te centraliseren en de juiste koers van de oorlogseconomie voor lange tijd te verzekeren. Tot aan die tijd was dat een zaak geweest van het Reichswirtschaftsministerium en deels van het OKW. Beide instellingen waren te zwak om het overwicht over de drie onderdelen van de strijdkrachten te houden.
Op grond van mijn voorstel werd in maart 1942 door de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan het Centraal Planbureau opgericht. De drie leden, Milch, Korner en ikzelf konden slechts unanieme besluiten nemen die echter altijd zonder problemen konden worden bereikt. Het is duidelijk dat ik vanwege mijn vooraanstaande positie de beslissende factor in dit Centraal Planbureau was.
De taken van dit Centraal Planbureau waren strak omlijnd en vastgelegd in een besluit van Göring dat ik had opgesteld. Het bijhouden van statistieken over de behoeften aan arbeidskrachten of de toewijzing van arbeiders was geen zaak die in dit besluit was vastgelegd. Deze taak werd niet stelselmatig door het Centraal Planbureau uitgevoerd, ondanks documenten die hier zijn ingebracht. Voor zover het beslissingen betreffende behoefte aan en toewijzing van arbeiders betrof, probeerde ik die door het Centraal Planbureau te laten nemen, omdat dat een belangrijke factor zou zijn bij de sturing van de economie. Dat had echter altijd een weigering van Sauckel tot gevolg want hij beschouwde dat als een inbreuk op zijn rechten.
Dr. FLÄCHSNER: Vanwege dit punt dien ik in het decreet van Göring betreffende de oprichting van een Centraal Planbureau onder het Vierjarenplan. Het werd uitgevaardigd op 25 april 1942 en dit wordt document Speer-42, bewijsstuk nummer 7.
Meneer de President, de tekst staat op pagina 17 van het Engelse documentenboek.
Het terrein van activitieten van het Centraal Planbureau ........
De PRESIDENT: Een moment. Welk nummer geeft u het? Op het document hier staat het nummer Speer 142.
Dr. FLÄCHSNER: Nee, dat moet een typefout zijn. Het moet 42 zijn, Meneer de President; het staat op .....
De PRESIDENT: Wat is het nummer van het bewijsstuk? Dr. FLÄCHSNER: Bewijsstuk Speer-7.
De PRESIDENT: Wat betekent die 42? Wat heeft het voor nut er 42 op te zetten als het bewijsstuk nummer 7 is?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, dat is het nummer van het document volgens welk het werd toegelaten toen we het documentenboek samenstelden. Het bewijsstuk nummer 7 is echter het beslissende nummer in dit geval.
De PRESIDENT: Prima.
Dr. FLÄCHSNER: Het is alleen maar bedoeld om het in het documentenboek gemakkelijker terug te kunnen vinden. Het staat op pagina 17 van de Engelse tekst en wellicht wordt mij toegestaan, de aandacht van het Hoge Tribunaal te vestigen op punt 32 van het decreet. Op grond hiervan moest het Centraal Planbureau beslissen over alle noodzakelijke nieuwe industriële projecten, over de toename van de productie van grondstoffen en hun verdeling, en ook over de afstemming van de behoeften met het transportstelsel. Dit decreet voorziet niet in enige regeling betreffende de kwestie van arbeid.
Meneer Speer, hoe kwam het dat ondanks dat binnen het Centraal Planbureau de behoeften aan mankracht werden besproken?
SPEER: Deze notulen van alle 60 vergaderingen van het Centraal Planbureau, die plaats vonden van 1942 tot 1945 zijn opgenomen in het stenografisch verslag. Deze 5.000 getypte pagina's geven een duidelijk beeld van de taken en activiteiten van het Centraal Planbureau. Voor iedere kenner is het overduidelijk dat er met betrekking tot de toewijzing van mankracht geen planning was want het is duidelijk dat een plan voor de toewijzing van arbeid tenminste iedere drie maanden herzien zou moeten worden, net zoals we dat voor grondstoffen moesten doen. In feite vonden er binnen het Centraal Planbureau drie of vier vergaderingen plaats die handelden over de toewijzing van mankracht. Deze discussies werden om de volgende reden gehouden: in 1942 en 1943, voordat ik het beheer over de totale productie overnam behield ik iedere keer dat er soldaten werden opgeroepen voor de strijdkrachten, voor mij zelf het recht om de diverse oproepen over de verschillende sectoren van de productie te verdelen. Bij een vergadering werd deze verdeling uitgevoerd door het Centraal Planbureau als neutraal orgaan. Bij deze bijeenkomst was er natuurlijk een vertegenwoordiger van de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz aanwezig omdat tezelfder tijd het probleem van vervanging moest worden opgelost.
Een ander probleem dat door het Centraal Planbureau werd besproken was de distributie van kolen voor het volgende jaar. Net als in Engeland was kolen ook in onze hele oorlogseconomie de beslissende factor. Bij deze gesprekken moesten we ook meteen bepalen hoe aan de vraag naar mankracht voor de mijnen door de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz kon worden voldaan want alleen in overeenstemming met hem konden de juiste plannen voor het volgende jaar worden gemaakt. Deze gesprekken hadden als gevolg de toewijzing van Russisiche krijgsgevangenen aan de mijnen, een kwestie die hier is besproken.
Verder vonden er twee bijeenkomsten plaats waar de eisen, gesteld door alle belanghebbende partijen, ook werkelijk werden besproken en op een manier die de Aanklager graag zou willen gebruiken als zijnde van toepassing op het hele scala aan activiteiten van het Centraal Planbureau. Deze twee vergaderingen vonden plaats in februari en maart 1944 en er werden daarvoor en daarna geen andere gehouden. Bovendien vonden deze twee sessies plaats tijdens mijn ziekte. Zelfs toen was het mij niet helemaal duidelijk waarom het juist tijdens mijn ziekte was dat Sauckel eerst gehoor gaf aan mijn wens, het Centraal Planbureau hierin te betrekken maar later zijn belofte introk.
Dr. FLÄCHSNER: De Aanklager heeft diverse uittreksels ingediend die betrekking hebben op bijeenkomsten van het Centraal Planbureau.
Voor zover u weet, werden deze uittreksels uit het stenografisch verslag genomen of werden die uit de notulen genomen?
SPEER: Ze zijn uit het stenografisch verslag gehaald. Naast dit stenografisch verslag werden er notulen gemaakt van het resultaat van de vergadering. Deze notulen vermelden het feitelijke resultaat van de vergadering. Tot dusverre is er geen materiaal uit de notulen zelf door de Aanklager ingediend. De inhoud van het stenografisch verslag bestaat natuurlijk uit opmerkingen en discussies die altijd plaats vinden wanneer dergelijke belangrijke zaken worden besproken; in iedere oorlogseconomie van ieder land, zelfs wanneer de betrokken autoriteiten niet rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor kwesties als die welke de toewijzing van mankracht betreffen.
Dr. FLÄCHSNER: Daarom, gaan de citaten die we hier hebben gehoord over beslissingen genomen door het Centraal Planbureau of door u?
SPEER: Dat heb ik al beantwoord.
Dr. FLÄCHSNER: Ik zou u nog een vraag willen stellen. U was Gevolmachtigde voor Bewapening binnen het Vierjarenplan. Hoe zit het daarmee?
SPEER: In maart 1942 creërde Göring, gehoor gevend aan mijn voorstel, de functie Gevolmachtigde voor Bewapening en Oorlogsproductie binnen het Vierjarenplan en ik werd in die functie benoemd. Dat was maar een formaliteit. Het is algemeen bekend dat Göring onenigheid had gehad met mijn voorganger, Todt, omdat de wapencontrole voor het leger binnen het Vierjarenplan niet onder zijn toezicht was geplaatst. Bij het aanvaarden van deze functie van Gevolmachtigde voor Bewapening en Oorlogsproductie had ik mij ondergeschikt gemaakt aan Göring. Feitelijk verkreeg de Gevolmachtigde voor Bewapening en Oorlogsproductie nooit enige invloed. Ik vaardigde in die hoedanigheid geen enkel besluit uit. Als Minister bezat ik voldoende gezag en het was niet nodig, het gezag te gebruiken dat ik onder het Vierjarenplan had.
Dr. FLÄCHSNER: Ten behoeve van het Tribunaal mag ik wellicht, wanneer ik de kwestie van het Centraal Planbureau behandel verwijzen naar het feit dat getuige Schieber in zijn vragenlijsten hierop betrekking hebbende verklaringen heeft afgelegd onder de punten 4 en 45 en dat getuige Kehrl dat deed in zijn vragenlijst onder punt 2.
Ik ga nu over op de kwestie van de verantwoordelijkhheid voor het aantal buitenlandse arbeiders in het algemeen.
Meneer Speer, de Aanklagher beschuldigt u ervan, medeverantwoordelijk te zijn voor het totaal aantal buitenlandse arbeiders dat naar Duitsland werd afgevoerd. Uw medebeklaagde Sauckel heeft in dit verband verklaard dat hij in deze kwestie allereerst voor u werkte zodat zijn werkzaamheden in hoofdzaak werden bepaald door uw behoeften. Wilt u hier iets over zeggen?
SPEER: Natuurlijk verwachtte ik van Sauckel dat hij bovenal voldeed aan de eisen voor oorlogsproductie maar er kan niet aan worden vastgehouden dat hij voornamelijk aan mijn eisen voldeed want vanaf het voorjaar van 1943 ontving ik maar een deel van de arbeiders die ik nodig had. Als aan mijn maximun eis zou zijn voldaan zou ik ze allemaal hebben gekregen. Hiervoor hoef ik slechts een voorbeeld aan te halen. In die zelfde periode werden er ongeveer 200.000 Oekrainse vrouwen ter beschikking gesteld voor huishoudelijk werk en het is vrijwel zeker dat ik van mening was dat ze beter ingezet konden worden in de wapenproductie. Het is ook duidelijk dat de Duitse arbeidsreserve niet volledig gebruikt werd. In januari 1943 waren deze reserves nog toereikend. Ik had belang bij het hebben van Duitse arbeiders – waaronder natuurlijk ook vrouwen – en dit niet gebruiken van Duitse reserves bewijst ook dat ik niet alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor het voldoen aan de noodzakelijke behoeften, anders gezegd voor het vragen om buitenlandse arbeiders.
Dr. FLÄCHSNER: Ik zou erop willen wijzen dat de volgende getuigen in verband met deze kwestie verklaringen hebben afgelegd in hun respectieve vragenlijsten: Getuige Schmelter onder de punten 12, 13 en 16, getuige Schieber onder punt 22; getuige Rohland onder de punten 1 en 4 en getuige Kehrl onder punt 9.
Meneer Speer, wanneer u of uw departement om arbeiders vroeg, wist u natuurlijk dat er zich onder hen ook buitenlandse arbeiders zouden bevinden. Had u deze buitenlandse arbeiders nodig?
SPEER: Ik had ze slechts gedeeltelijk nodig, gezien mijn eisen voor de productie. De kolenmijnen bijvoorbeeld konden niet zonder Russische krijgsgevangenen. Het zou volkomen onmogelijk geweest zijn, in deze mijnen Duitse reserves in te zetten die voornamelijk uit vrouwen bestonden. Verder waren er bijzondere opdrachten waarvoor het wenselijk was buitenlandse vakmensen in te zetten, maar aan het merendeel van de behoeften kon door Duitse arbeiders worden voldaan, zelfs door Duitse vrouwen. Het zelfde principe werd in de wapenindustrie van Engeland en Amerika toegepast en zeker ook in de Sovjet Unie.
De PRESIDENT: Kunt u niet verder gaan, Dr. Flächsner? U hoeft niet te wachten.
Dr. FLÄCHSNER: Ja. In mijn gedocumenteerd bewijsmateriaal zal ik op dit punt nog in bijzonderheden terugkomen.
Meneer Speer, ik zou willen teruggaan naar uw getuigenis van 18 oktober 1945. Hier stelde u regelmatig dat u wist dat arbeiders uit bezette landen tegen hun wil naar Duitsland werden vervoerd. De Aanklager beweert dat u instemde met het gebruik van geweld en terreur. Zou u hier iets over willen zeggen?
SPEER: Ik had geen invloed op de manier waarop arbeiders werden aangeworven. Als de arbeiders tegen hun wil naar Duitsland werden afgevoerd betekent dat volgens mij dat zij wettelijk verplicht waren voor Duitsland te werken. Of dergelijke wetten rechtvaardig waren of niet, dat was een kwestie die ik toen niet heb nagegaan. Bovendien was het mijn zaak niet. Aan de andere kant, onder toepassing van geweld en terreur versta ik maatregelen door de politie, overvallen en arrestaties enzo. Ik keurde dergelijke gewelddadige methoden niet goed, wat bewezen wordt door het standpunt dat ik innam tijdens een gesprek dat ik op 11 juli 1944 met Lammers had. Destijds huldigde ik het standpunt dat noch een toename van geweld door de politie, noch overvallen of gewelddadige maatregelen de juiste methode waren. In dit document wordt op hetzelfde moment naar mij gewezen als een van degenen die bezwaar maakten tegen die gewelddadige maatregelen die waren voorgesteld.
De PRESIDENT: Waar is dat document?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, dat is document 3819-PS dat de Aanklager heeft ingediend tijdens het verhoor van, ik meen beklaagde Keitel en van beklaagde Sauckel. Ik heb het niet in mijn documentenboek opgenomen.
Meneer Speer, waarom was u tegen dergelijke gewelddadige maatregelen?
SPEER: Omdat vanwege dergelijke gewelddadige maatregelen een ordelijke werving van mankracht in de bezette landen op de lange duur onmogelijk zou worden. Ik wilde in de bezette landen de productie echter ordelijk laten verlopen. Gebruik van geweld zou voor mij een verlies aan mankracht in de bezette gebieden hebben betekend want het gevaar bestond dat deze mensen in steeds grotere aantallen zouden onderduiken zodat ze niet naar Duitsland konden en daarmee de gelederen van het verzetsbewegingen versterken. Dat leidde op zijn beurt weer tot sabotage en dat weer tot een afname van de productie in de bezette landen.
Daarom protesteerden de militaire commandanten en de commandanten van de legergroepen, net als ikzelf, steeds weer tegen voorgestelde grootschalige gewelddadige maatregelen.
Dr. FLÄCHSNER: Stelde u bijzonder belang in de werving van arbeiders uit bepaalde landen en zo ja, waarom?
SPEER: Ja, ik was bijzonder geïnteresseerd in arbeiders uit Frankrijk, België en Nederland – de landen in het Westen – en uit Italië omdat de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz besloten had dat vanaf het voorjaar van 1943 hoofdzakelijk arbeiders uit deze landen zouden worden toegewezen aan de oorlogsindustrie. Aan de andere kant zouden arbeiders uit het Oosten voornamelijk worden ingezet in de landbouw, de bosbouw en de aanlag van spoorwegen. Dit besluit werd mij door Sauckel herhaaldelijk onder de neus gewreven, zelfs tot in 1944.
Dr. FLÄCHSNER: In dit verband zou ik willen verwijzen naar document 3012-PS, bewijsstuk USA-190. Dit document staat in mijn documentenboek op pagina 19 van de Engelse tekst en pagina 16 van de Franse tekst. Ik citeer uit de vergadering van de Wirtschaftsinspektion Süd in Rusland. Peuckert, de vertegenwoordiger van Sauckel in Rusland – zegt hier en ik citeer nu:
"..... er zijn voorzieningen getroffen om Ostarbeiter voornamelijk in de landbouw en in de voedselindustrie in te zetten, terwijl arbeiders uit het Westen, in het bijzonder vaklieden geëist door de heer Speer ter beschikking van de wapenindustrie moeten worden gesteld....... "
Document 1289-PS, bewijsstuk RF-71, staat op pagina 42 van de Engelse tekst in mijn documentenboek en op pagina 39 van de Franse en Duitse tekst. Hier gaat het om een kanttekening van Sauckel van 26 april 1944 en ik citeer:
"Alleen door een hernieuwde mobilisatie van reserves in de bezette landen in het westen kan aan de dringende behoefte aan vaklieden voor de Duitse wapenindustrie worden voldaan. Hiervoor zijn de reserves in andere gebieden niet voldoende in aantal, noch in kwaliteit. Die zijn dringend nodig voor de behoeften van de landbouw, het transport en de bouw. Tot 75 procent van het aantal arbeiders uit het westen is altijd toegewezen aan de wapenindustrie."
De PRESIDENT: Dr. Flächsner, ik spreek vor mijzelf maar ik weet in de verste verte niet wat het probleem is dat u probeert op te lossen of welk argument u naar voren brengt. Ik weet ook niet of dit van enig belang is. Maakt het iets uit of zij vanuit het westen dan wel uit het oosten kwamen? Ik begrijp uw argument, of dat van beklaagde, dat een aantal industriële sectoren niet onder de bewapeningsindustrie volgens de Geneefse Conventie valt, waarvan de producten uiteindelijk in de wapenproductie worden gebruikt en het gaat alleen maar over zaken die rechtstreeks met munitie te maken hebben. Maar als u ons dat argument hebt voorgelegd, wat heeft het dan voor zin ons naar dergelijk bewijsmateriaal te verwijzen?
Ik bedoel, ik wil het alleen maar weten want ik begrijp absoluut niet waar u heen wilt.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, ik doe dit als voorbereiding op de kwestie waarover ik het nu ga hebben en dat is de kwestie van de Sperrwerke. Door het opzetten van deze Sperrwerke probeerde Speer, als ik zo mag uitdrukken, een definitief einde te maken aan de verplaatsing van arbeiders uit het westen naar Duitsland. Daarom moet ik eerst aantonen dat tot aan die tijd zijn arbeiders, de mankracht voor zijn fabrieken, hoofdzakelijk uit het westen kwamen. Ik wil vaststellen dat ......
De PRESIDENT: Aangenomen dat hij inderdaad wilde voorkomen dat zij vanuit het westen naar Duitsland kwamen, wat maakt het uit?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, Speer wordt ervan beschuldigd, actief te hebben deelgenomen aan de deportatie van arbeiders uit het westen; arbeiders die in zijn wapenindustrie werden ingezet. Het tijdstip is hier van belang. Vanaf 1943 voerde hij een ander beleid. Voor die tijd waren de arbeiders die naar Duitsland kwamen, zoals uit het bewijsmateriaal blijkt, voor een groot deel vrijwillige arbeiders.
De PRESIDENT: Natuurlijk, als u kunt bewijzen dat het allemaal vrijwilligers waren zou dat van zeer groot belang zijn maar u voert helemaal geen bewijsmateriaal in die richting aan.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, dat is het uiteindelijke doel van mijn bewijsvoering. Ik zou dat graag tot aan het einde willen voort zetten.
De PRESIDENT: Ik zeg alleen maar dat ik niet begrijp wat uw doel is. Gaat u verder, wacht u niet langer.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz bestemde Italië en de bezette landen in het westen als de landen waar buitenlandse arbeiders hoofdzakelijk zouden worden geworven voor de bewapeningsindustrie.
In hoeverre ondersteunde u Sauckel's maatregelen in die landen?
SPEER: Tot aan het voorjaar van 1943 stond ik er volledig achter. Tot aan die tijd hadden die geen duidelijke nadelen voor mij tot gevolg. Vanaf het voorjaar van 1943 echter weigerden arbeiders in steeds grotere aantallen uit het westen naar Duitsland te gaan. Dat kan iets te maken hebben gehad met onze nederlaag bij Stalingrad en met de toegenomen luchtaanvallen op Duitsland. Tot aan het voorjaar van 1943 werd voor zover ik weet met min of meer goede wil aan de eisen voor mankracht voldaan. Echter vanaf het voorjaar van 1943 kwam er regelmatig slechts een deel van de arbeiders die waren opgeroepen zich melden bij de wervingsbureau's.
Daarom richtte ik vanaf ongeveer juni 1943 de zogeheten Sperrwerke (geblokkeerde bedrijven) op via de militaire commandanten in Frankrijk, België en Nederland en Italië volgde al spoedig dat voorbeeld bij het opzetten van die Sperrwerke. Het is van belang op te merken dat elke arbeider die in een van die Sperrwerke werkte automatisch was vrijgesteld van uitzending naar Duitsland en dat het iedere arbeider die voor Duitsland werd aangeworven vrij stond bij een Sperrwerk in zijn eigen land te gaan werken zonder dat de autoriteiten van de Arbeitseinsatz de mogelijkheid hadden hem daar weg te halen.
Dr. FLÄCHSNER: Wat voor gevolgen had dat voor de werving van arbeiders in de bezette landen in het westen?
SPEER: Na de instelling van de Sperrwerke nam de werving van mankracht uit de bezette landen in het westen af tot een fractie van wat het geweest was. Daarvoor kwamen er bijvoorbeeld ongeveer tussen de 80.000 en 100.000 arbeiders per maand uit Frankrijk naar Duitsland. Na de instelling van de Sperrwerke nam dat aantal af tot het onbetekenende aantal van 3.000 tot 4.000 per maand, zoals blijkt uit document RF-22. Het is duidelijk, en we moeten die feiten onder ogen zien, dat de afname van die aantallen ook te wijten was aan de verzetsbewegingen die toen in het westen begonnen toe te nemen.
Dr. FLÄCHSNER: Stonden u en uw departement achter het beleid dat Sauckel destijds voerde?
SPEER: Nee. Destijds rezen de eerste ernstige problemen rond de uitsluiting van deze arbeiders voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Dit werd veroorzaakt door het feit dat het verlies aan productiearbeiders dat ik in de bezette landen leed, groter was dan het aantal arbeiders dat uit de bezette landen in het westen naar Duitsland kwam. Dat kan worden opgemaakt uit document RF-22. Volgens dat document kwamen er in 1943 misschien 400.000 arbeiders vanuit Frankrijk naar Duitsland, in het bijzonder gedurende de eerste helft van dat jaar. Het aantal fabrieksarbeiders in Frankrijk daalde echter met 800.000 en het aantal Franse arbeiders dat in Frankrijk voor Duitsland werkte, nam af met 450.000.
Dr. FLÄCHSNER: Waarom eiste u in de zomer van 1943 de totale Duitse productie van het Reichswirtschaftsministerium over te nemen?
SPEER: Naar mijn mening was er nog steeds een aanzienlijke latente reserve in de Duitse productie omdat de Duitse vredeseconomie nog steeds niet op voldoende grote schaal was omgezet in een oorlogseconomie. Hier lag naar mijn mening, naast de Duitse vrouwelijke arbeiders, de grootste reserve aan Duitse arbeidskrachten.
Dr. FLÄCHSNER: Wat deed u toen de totale productie door het Reichswirtschaftsministerium naar u was overgeheveld?
SPEER: Destijds had ik het volgende plan al uitgewerkt. Een groot deel van de Duitse industrie produceerde consumentengoederen. Dat waren bijvoorbeeld schoenen, kleding, meubels en andere noodzakelijke artikelen voor de strijdkrachten en de behoeften van burgers. In de bezette westelijke landen lagen de fabrieken die deze zaken produceerden echter stil omdat de grondstoffen ontbraken. Maar die hadden niettemin een groot potentieel. Bij de uitvoering van dit plan ontnam ik de Duitse industrie de grondstoffen die in Duitsland werden geproduceerd, zoals synthetische wol en stuurde die naar het westen. Daarmee kon ik op de lange duur een miljoen arbeiders meer in eigen land aan het werk hebben en zo kreeg ik 1 miljoen Duitse arbeiders vrij voor de wapenindustrie.
Dr. FLÄCHSNER: Wilde u tegelijkertijd niet de wapenproductie verhogen of die in Frankrijk ook op gang helpen?
SPEER: Nee. Al deze plannen mislukten. Voor het uitbreken van de oorlog slaagde de Franse regering er niet in de wapenproductie in Frankrijk op te zetten en ik slaagde daar ook niet in, of liever mijn departement slaagde daar ook niet in.
Dr. FLÄCHSNER: Wat waren uw bedoelingen met dit nieuwe plan? Welk voordeel dacht u te behalen?
SPEER: Ik zal daar heel in het kort commentaar op geven. Door dit plan kon ik hele fabrieken in Duitsland vrij maken voor wapenproductie en op die manier maakte ik niet alleen arbeiders vrij maar ook fabrieksruimte en administratief personeel. Ik bespaarde ook op electriciteit en transport. Afgezien daarvan, omdat deze fabrieken nooit van belang waren geweest voor de oorlogsinspanning hadden die nauwelijks buitenlandse arbeiders ontvangen en dus verkreeg ik bijna uitsluitend Duitse arbeiders voor de Duitse productie, arbeiders die natuurlijk veel waardevoller waren dan enige buitenlandse arbeider.
Dr. FLÄCHSNER: Hield een dergelijk plan geen gevaren en nadelen in voor de ontwikkeling van de Duitse industrie?
SPEER: De nadelen waren aanzienlijk omdat het sluiten van fabrieken ook betekende het weghalen van machines en op het einde van de oorlog zou een omschakeling naar vredesproductie tenminste 6 tot 8 maanden vergen. Ik zei destijds, op een bijeenkomst van Gauleiter in Posen, dat wanneer we succes zouden willen hebben in deze oorlog, wij degenen zouden moeten die de grootste offers zouden moeten brengen.
Dr. FLÄCHSNER: Hoe werd dit plan in werking gesteld?
De PRESIDENT: Dr. Flächsner, wat gaat het Tribunaal de bijzonderheden van deze plannen aan? Interesseert het ons of zijn plannen efficiënt waren of niet? De enige vraag die dit Tribunaal moet beantwoorden is of die plannen wettig waren en in overeenstemming met de geest van internationale wetgeving. Het maakt ons niet uit of zijn plannen goede of slechte plannen waren, of wat de bijzonderheden waren behalve voor zover die legaal of illegaal waren.
Dr. FLÄCHSNER: Jawel, Meneer de President.
De PRESIDENT: Het is pure tijdsverspilling om op details van deze plannen in te gaan.
Dr. FLÄCHSNER: Ik wilde aantonen dat het de bedoeling van beklaagde was bij zijn beleid van toewijzing dat hij buitenlanders in hun eigen land tewerk wilde stellen en de Duitse reserves alleen voor zijn eigen doelen te gebruiken, namelijk voor de wapenproductue zelf. Dus, alles dat ......
De PRESIDENT: Maar, Dr. Flächsner, dat is een kwestie van doelmatigheid, niet van wettigheid. Wat hij zegt is dat hij over een groot aantal Duitse arbeiders beschikte, goede arbeiders die consumentengoederen produceerden in plaats van wapens. Hij vond het beter die Sperrwerke op te zetten zodat de arbeiders in Frankrijk of in de andere westelijke landen konden blijven.
Wat hebben wij daarmee te maken? Als zij werden gedwongen daar te werken is het net zo illegaal als wanneer zij naar Duitsland zouden zijn vervoerd en gedwongen daar te werken. Tenminste, dat wordt door de Aanklager gesuggreeerd.
Dr. FLÄCHSNER: Ja, maar ik meen en geloof ........
De PRESIDENT: Ik schors de zitting nu.

Definitielijst

Arbeitseinsatz
Gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Circa 11 miljoen Europese burgers werden in dit kader opgeroepen om dwangarbeid te verrichten in het Derde Rijk. Niet te verwarren met de Arbeidsdienst, een organisatie opgericht als nationaal-socialistisch vormingsinstituut voor Nederlandse jongeren.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
onderduiken
Het verstoppen voor de vijand.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Afbeeldingen

Albert Speer

Ochtendzitting 2

De PRESIDENT: Het Tribunaal zal morgen om 14:00 uur de raadslieden van beklaagden horen over de kwestie van het tijdschema voor hun pleidooien.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, Vertelt u ons alstublieft in het kort hoe u en de heer Bichelonne, de Franse minister van economie, het eens werden over uw programma maar houdt u het alstublieft kort.
SPEER: Direct nadat ik in september 1943 de productie had overgenomen, sprak ik met Bichelonne af dat een grootschalig programma van overplaatsing van industrie vanuit Duitsland naar Frankrijk op gang gebracht moest worden volgens het systeem dat ik al beschreven heb. In een daarop volgend gesprek zei Bichelonne dat hij niet bevoegd was, met mij over arbeidstoewijzing te spreken omdat Minister Laval hem dat uitdrukkelijk had verboden. Hij zou moeten benadrukken, zei hij, dat verdere werving van arbeiders op de huidige schaal het onmogelijk zou maken, vast te houden aan het programma dat we waren overeengekomen. Ik had dezelfde mening. We spraken daarom af dat de hele Franse productie, te beginnen met kolen tot aan het gereed product, tot Sperrwerk zou worden verklaard. In dit verband waren we ons beiden er zeer van bewust dat dit de toewijzing van arbeiders voor Duitsland volledig zou verhinderen omdat, zoals ik al heb uitgelegd, het iedere Fransman vrij stond in een van deze Sperrwerke te gaan werken zodra hij was opgeroepen voor werk in Duitsland. Ik gaf Bichelonne mijn woord dat ik mij voor lange tijd aan dit principe zou houden en ondanks alle moeilijkheden die ontstonden heb ik mijn belofte aan hem gehouden.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, in verband hiermee zou ik willen citeren uit document R-124, bewijsstuk USA-179. Het staat op pagina 37 van het Engelse documentenboek. Het is een toespraak van Sauckel tot het Centraal Planbureau en is hier al regelmatig genoemd. Ik citeer er alleen het volgende uit:
".....toen ik de volgende keer in Frankrijk kwam, meldden mijn bureau's in Frankrijk mij: Minister Bichelonne heeft een overeenkomst gesloten met Minister Speer ten gevolge waarvan alleen Franse arbeiders worden toegewezen voor arbeid in Frankrijk en geen van hen hoeft nog naar Duitsland te gaan. Dit viel samen met de eerste grote conferentie."
Meneer Speer, wat waren de gevolgen van deze verandering voor de toewijzing vanuit Duitsland naar Frankrijk?
SPEER: Dat heb ik al genoemd. Vanaf 1 oktober kwam de werving van arbeiders bijna volledig tot stilstand.
Dr. FLÄCHSNER: Later zal ik, op grond van dit document tot in bijzonderheden op de effecten van dit Speer-Bichelonne plan in gaan en op het beleid dat Speer voerde in verband met de diverse pogingen om dat principe toe te passen. Op het moment zal ik daarom afzien van verder vragen over dit onderwerp en mij beperken tot het citeren uit het Franse officiële document, RF-22, pagina 20 van de Engelse tekst in mijn documentenboek en pagina 17 van de Franse en Duitse tekst. Ik citeer:
"Uiteindelijk ontstond er een openlijke vijandschap tussen Sauckel en Speer die belast was met de organisatie van de dwangarbeid in de bezette landen."
En een paar regels verder naar beneden:
"Het overwicht van eerstgenoemde over laatstgenoemde dat tijdens de bezetting meer en meer voelbaar werd, vergemakkelijkte voor een groot deel de weerstand tegen het wegvoeren van arbeiders.""
De tekst toont aan dat eerstgenoemde, beklaagde Speer en de militaire commandant ......
De PRESIDENT: Dat is allemaal dubbel op; dat hebt u al drie of vier keer bewezen.
Dr. FLÄCHSNER: Zoals u wilt, ik zal er niet op doorgaan.
Ik wil slechts een vergissing rechtzetten, Meneer Speer. In het document wordt vermeld dat u iets te maken had met de organisatie van dwangarbeid in Frankrijk. Is dat waar?
SPEER: Nee, de organisatie van de dwangarbeid in Frankrijk viel niet onder mijn bevoegdheden.
Dr. FLÄCHSNER: U hebt al genoemd dat de verschuiving in dit arbeidsprogramma niet alleen beperkt was tot Frankrijk. Wilt u mij vertellen voor welke landen dat ook gold?
SPEER: De laatste vraag samengevat: het programma werd uitgebreid naar België, Nederland, Italië en Tsjechoslowakije. De hele productie in deze landen werd ook tot Sperrwerk verklaard en de arbeiders in die fabrieken genoten dezelfde bescherming als die in Frankrijk, zelfs na het overleg met Hitler op 4 januari 1944 tijdens welk overleg het nieuwe programma voor het westen voor 1944 werd vastgesteld. Ik hield me aan dit beleid. Het gevolg was dat gedurende de eerste helft van 1944 er 33.000 arbeiders vanuit Frankrijk naar Duitsland kwamen, vergeleken met de 500.000 die tijdens dat overleg werden voorgesteld; en uit andere landen werd ook maar 10 % van het voorgestelde aantal arbeiders naar Duitsland afgevoerd.
Dr. FLÄCHSNER: Hoe staat het met de aantallen die golden voor arbeiders uit het Protektorat?
SPEER: Overal werd maar een fractie van het voorgestelde aantal afgevoerd.
Dr. FLÄCHSNER: Een document, 1739-PS, bewijsstuk RF-10 is door de Aanklager ingediend. Het staat op pagina 23 van de Engelse tekst van mijn documentenboek en het is een rapport van Sauckel van december 1942. Ook is er een document, 1290-PS op pagina 24 van de Engelse tekst dat ook is ingediend. Deze documenten lijken aan te tonen dat er, volgens Sauckel's eigen bewering vanaf het begin van zijn activiteiten tot en met maart er een overvloed aan arbeiders was. Is dat waar?
SPEER: Ja, dat is waar.
Dr. FLÄCHSNER: Document 16-PS, bewijsstuk USA-168, op pagina 25 van de Engelse tekst van mijn documentenboek, toont aan dat Sauckel geen voorstander was van het gebruik van Duitse vrouwen in de hele bewapeningsindustrie, maar dat hij in de zomer van 1942 enkele honderdduizenden Oekrainse meisjes ter beschikking liet stellen aan Duitse huishoudens.
Deze drie documenten tezamen tonen aan dat Speer met zijn Ministerie niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het totaal aantal arbeiders dat naar Duitsland kwam.
Ik zou ook een ander document willen indienen als bewijsstukstuk Speer-8. Meneer de President, dit heeft nummer 02 gekregen in mijn documentenboek en het staat op pagina 26 van de Engelse tekst. Het verwijst naar een bijeenkomst van het Centraal Planbureau.
De PRESIDENT: Dr. Flächsner, u noemt de bewijsstuknummers van geen van deze documenten zodat u ze niet op de juiste wijze als bewijsmateriaal indient. Ik bedoel dat u nu verwijst naar nummer 02, een nummering waar wij absoluut niets aan hebben.
Dr. FLÄCHSNER: Mag ik dit document dan indienen als Speer-8?
De PRESIDENT: Hoe staat het met het eerdere? Oh, dat is al ingediend. Het zou misschien goed zijn naderhand een lijst in te dienen met de juiste nummers van de documenten waarnaar u verwijst,.
Dr. FLÄCHSNER: Jawel, Meneer de President, dat zal ik graag doen. Ik zou willen citeren – dit is een opmerking, gemaakt door Speer:
"Want het is noodzakelijk deze fabrieken te voorzien van nieuwe Duitse arbeiders, zelfs ongeschoolden, want ik kan al diegenen die we als soldaat hebben moeten verliezen, niet vervangen door buitenlanders. De Duitse reserve wordt gewoon te klein. Vandaag al hebben we het ene geval van sabotage na het andere en we weten niet waar die vandaan komen. Er zullen zich gevallen van sabotage voordoen. De maatregelen die moeten worden genomen om tenminste 1 miljoen arbeiders naar de wapenindustrie over te plaatsen zijn uitermate streng en zullen naar mijn mening de levensstandaard van de hogere klassen verlagen. Daarom betekent dit grof gezegd dat wij tot aan het einde van de oorlog, als die tenminste lang duurt, proletariërs zullen blijven. Deze kwestie moet kalm en objectief onder ogen worden gezien. Er is geen alternatief."
Deze opvatting en dit project van Speer, de arbeidsreserve in Duitsland meedogenloos uit te buiten, werd pas in de zomer van 1944 werkelijkheid. En dit was een twistpunt tussen Speer enerzijds en Sauckel en de Gauleiter anderzijds. De verklaringen van getuigen in hun vragenlijsten zullen dat verduidelijken. Om het Tribunaal ten dienste te zijn zou ik willen melden dat het van Schieber het antwoord op vraag 22 is; van Rohland het antwoord op de vragen 1 en 4, van Kehrl is het antwoord nummer 9 en in het geval van Schmelter zijn het de vragen 13 en 16. Helaas kan ik u de pagina's in het Engelse documentenboek niet noemen, Meneer de President, want dat heb ik nog niet gezien.
De PRESIDENT: Naar welk document verwees u?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, de ingevulde vragenlijsten in het aanvullende deel van mijn documentenboek dat hopelijk nu in handen van het Tribunaal is.
De PRESIDENT: Ja, dat is het.
Dr. FLÄCHSNER: Daarnaast zou ik mij het recht willen voorbehouden deze documenten in hun totaliteit aan het einde van mijn ondervraging in te dienen. Ik neem nu slechts de vrijheid te verwijzen naar die punten waarin de getuigen deze kwestie hebben behandeld.
De PRESIDENT: Prima.
Dr. FLÄCHSNER: Verder worden wij op de hoogte gebracht van de verschillen van mening, geüit door Sauckel en Speer door een gesprek van Speer tijdens een bijeenkomst van het Centraal Planbureau op 21 december 1943. Ik verwijs naar pagina 27 van de Engelse tekst van mijn documentenboek en dat wordt mijn bewijsstuk nummer 9. Ik citeer: ........
De PRESIDENT: U hoeft het niet te citeren, Dr. Flächsner; ik meende dat ik u duidelijk had gemaakt dat we geen belang stellen in de doelmatigheid of ondoelmatigheid van die plannen.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, de Aanklager heeft een belangrijk document ingediend. Het zijn de notulen van een vergadering met Hitler op 4 januri 1944. Het is ingediend als 1292-PS, bewijsstuk USA-225. Ik verwijs naar pagina 28 van mijn documentenboek.
Hoe kwam die vergadering tot stand?
SPEER: Die werd op verzoek van Hitler bijeen geroepen.
Dr. FLÄCHSNER: Om welke reden?
SPEER: Om de verschillen van mening tussen Sauckel en mij weg te nemen.
Dr. FLÄCHSNER: En wat was Hitler's beslissing?
SPEER: Zijn beslissing was een nutteloos compromis, zoals vaak het geval was met Hitler. De Sperrwerke moesten worden gehandhaafd en tot dit doel kreeg Sauckel opdracht 3.500.000 arbeiders uit de bezette gebieden te halen. Hitler gaf via het Opperbevel van de Strijdkrachten strikte instructies aan de militaire commandanten dat met alle mogelijke middelen aan Sauckel's eis moest worden voldaan.
Dr. FLÄCHSNER: Was u het met deze beslissing eens?
SPEER: Helemaal niet; want als die zou worden uitgevoerd moest mijn beleid van verplaatsing van fabrieken naar het westen wel mislukken.
Dr. FLÄCHSNER: Welke stappen ondernam u daarna?
SPEER: Tegen de beslissing van de Führer, tijdens die vergadering genomen in, lichtte ik de militaire commandanen in over de manier zoals ik het wilde, zodat in verband met de verwachte order van het Opperbevel van de Strijdkrachten, de militaire commandant twee versies van die beslissing in handen had. Omdat de militaire commandant het met mijn uitleg eens was kon worden verwacht dat hij mijn gedachtengang zou volgen.
Dr. FLÄCHSNER: Mag ik in dit verband een document voorleggen dat op pagina 29 van de Engelse tekst van mijn documentenboek staat, pagina 26 van de Duitse en Franse tekst. Dit is een telexbericht van Speer aan Generaal Studt in Parijs..... dat wordt bewijsstuk 10.
Er blijken twee dingen uit dit bericht. Allereerst schreef Speer, en ik citeer:
"Gauleiter Sauckel zal onderhandelingen beginnen met de bevoegde instanties met betrekking tot de bezette gebieden in het westen ten einde duidelijkheid te verkrijgen over de wijze en mogelijkheden van uitvoering."
De PRESIDENT: Wat heeft het voor zin dat voor te lezen, Dr. Flächsner?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, de Aanklager heeft dit document, 1292-PS ingediend om te bewijzen ....
De PRESIDENT: Beklaagde heeft ons net verteld wat er in het document staat. Hij heeft ons de kern van de hele zaak uitgelegd. We begrijpen heel goed wat het meningsverschil tussen Speer en Sauckel was.
Dr. FLÄCHSNER: Dit document toont de reactie van beklaagde aan, namelijk wat hij deed zodat Hitler's beslissing als zodanig zou worden tegengegaan of tenminste afgezwakt. In deze brief zei bekaagde tegen Generaal Studt .....
De PRESIDENT: Dr. Flächsner, het Tribunaal heeft u op niet mis te verstane wijze aangegeven hoe het denkt over de kwesties van diverse plannen en verschillen van mening tussen Sauckel en Speer. Waarom gaat u niet verder met een ander onderdeel van uw zaak, als er tenminste een ander onderdeel is?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, ik wil de meningsverschillen tussen deze twee niet betwisten. Ik probeer de acties van Speer aan te tonen om zijn mening in praktijk te brengen. Dit verwijst niet naar ....
De PRESIDENT: Ja, maar dat is niet van belang. Zoals ik net al heb gezegd heeft beklaagde ons verteld wat hij deed. Het is niet nodig om ons dat nog eens allemaal voor te lezen.
Dr. FLÄCHSNER: Zoals u wilt. In dat geval mag ik verder gaan met een document te overleggen dat op pagina 30 van de Engelse tekst in mijn documentenboek staat, pagina 27 van de Franse en Duitse; bewijsstuk Speer-11. Het is een brief van Speer aan Sauckel van 6 januari 1944 en in deze brief wordt vastgesteld dat er voor de Franse firma's die in Frankrijk werken onmiddellijk 400.000 arbeiders moeten worden gereserveerd en nog eens 400.000 in de volgende maanden, die dus niet zouden worden gedeporteerd.
Wat voor gevolgen hadden deze brieven, Meneer Speer, met betrekking tot het bevel van Hitler dat er 1 miljoen arbeiders uit Frankrijk naar Duitsland gehaald moesten worden?
SPEER: Ik zou het hele onderwerp willen samenvatten en er een paar woorden over zeggen. We hadden een techniek voor het omgaan met lastige bevelen van Hitler zodat we die konden ontduiken. Jodl heeft in zijn getuigenis al verklaard dat hij van zijn kant ook een dergelijke techniek had ontwikkeld. En zo zijn de brieven die hier zijn ingediend natuurlijk alleen maar duidelijk voor kenners wat betreft hun betekenis en de gevolgen die zij zouden hebben.
Uit het document dat nu wordt ingediend, uit Sauckel's toespraak van 1 maart 1944, document R-124 blijkt ook duidelijk wat de gevolgen waren met betrekking tot de toewijzing van arbeid in de bezette landen. Het resultaat is duidelijk en ik heb het hier al geschetst en ik meen dat we daarom beter door kunnen gaan naar pagina 49.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, kunt u mij een beschrijving geven van de gevolgen van de luchtaanvallen op de bezette westelijke landen?
SPEER: Ja. In dit verband zou ik weer een paar punten willen samenvatten. De invasie werd voorafgegaan door zware luchtaanvallen op het transportstelsel in de bezette westelijke landen. Ten gevolge daarvan raakte vanaf mei en juni 1944 de Franse productie volledig verlamd en werden er 1.000.000 arbeiders werkloos. Daarmee was het idee van het verplaatsen van de productie wat mij betreft volledig mislukt en ook volgens normale verwachtingen van Franse ambtenaren heerste de algemene indruk dat er nu een grootschalige verschuiving naar Duitsland op gang zou komen.
Ik gaf bevel dat ondanks het feit dat de hele Franse industrie verlamd was, de Sperrwerke open moesten blijven hoewel ik als kenner wist dat een herstart, gezien de schade aan het transportstelsel binnen 9 of 12 maanden niet mogelijk zou zijn, zelfs wanneer de luchtaanvallen geheel zouden ophouden. Daarom handelde ik hier tegen mijn eigen belangen. De Franse Aanklager heeft dit in document RF-22 bevestigd. De desbetreffende passages zijn in het documentenboek aangegeven.
Tussen 19 en 22 juni had ik een onderhoud met Hitler en ik kreeg een decreet los op grond waarvan de arbeiders in de bezette landen, ondanks de transportproblemen op hun plaatsen moesten blijven, wat er ook gebeurde. Seyss-Inquart heeft al verklaard dat een overeenkomstige beslissing voor Nederland gold. Volgens mijn bevelen kregen de arbeiders in deze Sperrwerke zelfs hun loon doorbetaald.
Dr. FLÄCHSNER: In dit verband dien ik bewijsstuk Speer-12 in. Het is een uittreksel uit de vergadering met de Führer tussen 19 en 22 juni 1944 en ik verzoek het Tribunaal er kennis van te nemen. Het document staat op pagina 22 van de Engelse tekst van mijn documentenboek.
Meneer Speer, u zou zich bewust moeten zijn geweest van het feit dat als gevolg van dat besluit van u er tenminste 1 miljoen arbeiders in alle westelijke gebieden voor lange tijd onproductief zouden blijven. Hoe kon u een dergelijke beslissing rechtvaardigen?
SPEER: Ik moet heel eerlijk bekennen dat dit mijn eerste beslissing was die zijn innerlijke rechtvaardiging vond in de oorlogssituatie die zich zo dramatisch had ontwikkeld. De invasie was een groot succes. De zware luchtaanvallen op de productie begonnen hun tol te eisen. Een spoedig einde van de oorlog was te verwachten en dit alles veranderde de situatie voor zover het mij betrof. De practische conclusies die ik uit deze situatie trok zullen duidelijk worden aan de hand van diverse voorbeelden die ik in de loop van dit proces nog zal geven. Natuurlijk was Hitler het er in die periode niet mee eens. In tegendeel, hij geloofde dat alles moest worden gedaan om de laatste reserves aan mankracht in te zetten.
Dr. FLÄCHSNER: Omschrijft u alstublieft kort uw houding ten opzichte van de vergadering van 11 juli 1944 waarnaar we al eens hebben verwezen. Dat was document 3819-PS. Houdt u het alstublief kort.
SPEER: Tijdens die vergadering van 11 juli bleef ik bij mijn mening. Ik wees nogmaals op Duitsland's reserves, zoals blijkt uit de notulen en ik kondigde aan dat de problemen bij het transport de productie niet mochten beïnvloeden en dat de Sperrwerke in die gebieden open moesten blijven. Zowel de militaire commandanten van de bezette gebieden als ikzelf waren ons volledig bewust van het feit dat hiermee de welbekende gevolgen voor deze Sperrwerke het zelfde zouden zijn als eerst, dat de overplaatsing van mankracht uit de bezette westelijke gebieden zou ophouden.
Dr. FLÄCHSNER: De Franse Aanklager heeft een document ingediend, nummer 814, bewijsstuk RF-1516. Het werd ingediend tijdens de zitting van 30 mei, als ik me goed herinner. Het kwam ter sprake tijdens het verhoor van uw medebeklaagde Sauckel.
Volgens zijn bevel moesten troepen de arbeiders in het westen bijeen drijven. Geeft u hier alstublieft een korte uitleg over. Om uw geheugen op te frissen wil ik opmerken dat er in dit telegram wordt verwezen naar de bijeenkomst van 11 juli.
SPEER: De notulen van die vergaderting tonen aan, zoals ik al eerder heb gezegd, dat ik tegen dwangmaatregelen was. Ik heb Keitel's feitelijke order niet gezien.
Dr. FLÄCHSNER: Nummer 824 is een ander document over hetzelfde onderwerp dat door de Franse Aanklager is ingediend. Het is een brief van Generaal Von Kluge van 25 juli 1944; bewijsstuk RF-515. Die verwijst naar het telegram van Keitel dat al eerder is genoemd. Weet u hier iets van en of die order eigenlijk wel werd uitgevoerd?
SPEER: Ik weet dat die order niet werd uitgevoerd. Om de situatie te kunnen begrijpen moet men op de hoogte zijn van de sfeer die er rond de 20ste juli heerste. Destijds werd niet iedere order van het hoofdkwartier uitgevoerd. Zoals het onderzoek van na de 20ste juli aantoonde, bereidde Von Kluge, in zijn hoedanigheid van Oberbefehlshaber West al onderhandelingen over capitulatie met de vijand in het westen voor en waarschijnlijk ondernam hij toen al de eerste stappen. Dat was, tussen haakjes, de reden voor zijn zelfmoord nadat de aanslag van 20 juli was mislukt. Er is geen sprake van .....
De PRESIDENT: U gaf het nummer 1824. Wat betekent dat?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, nummer 824 is het nummer dat de Franse Aanklager aan dit document heeft gegeven. Dat is het nummer waaronder het is ingediend. Helaas kan ik niet achter het bewijsstuknummer komen. Ik heb ernaar geïnformeerd maar nog geen antwoord gekregen.
Mij is net te verstaan gegeven dat het RF-1515 is. Dat is het nummer van het bewijsstuk.
De PRESIDENT: Dank u.
SPEER: Er is geen sprake van dt Feldmarschall Von Kluge, gezien de militaire situatie waarin hij zich bevond en gezien zijn opvattingen, op dat moment bevelen zou hebben gegeven voor overvallen en dwangmaatregelen. De bekendmaking van de overeenkomst tussen Sauckel en Laval, die in dit document werd genoemd, had geen practisch belang want de Sperrwerke werden gehandhaafd en deze overeenkomst kon dus niet worden uitgevoerd. Dit was bij de ambtenaren in Frankrijk algemeen bekend en het beste bewijs voor het feit dat het bevel niet werd uitgevoerd is document RF-22 van de Franse Aanklager dat aantoont dat er in juli 1944 slechts 3.000 arbeiders vanuit Frankrijk naar Duitsland kwamen. Als het militaire gezag dwangmaatrgelen had toegepast zou het heel eenvoudig zijn geweest een veel groter aantal arbeiders dan die 3.000 uit Frankrijk naar Duitsland te sturen.
Dr. FLÄCHSNER: Wendde u uw invloed aan om de toewijzing van mankracht uit de bezette gebieden naar Duitsland geheel te doen ophouden?
SPEER: Nee, ik moet eerlijk bekennen dat hoewel ik mijn invloed aanwendde om de werving af te doen nemen of een einde te maken aan dwangmaatregelen en overvallen, ik die niet aanwendde om de toewijzing geheel te doen ophouden.
Dr. FLÄCHSNER: Ik ga nu over op een andere kwestie.
De Aanklager heeft de Organisation Todt even aangeroerd en vermeld. Kunt u het Tribunaal in het kort de taken van de Organisation Todt uitleggen?
SPEER: Hier zal ik weer een korte samenvatting geven. De taken van de Organisation Todt waren uitsluitend van technische aard, anders gezegd, zij moesten het technische constructiewerk uitvoeren; in het Oosten voornamelijk wegenbouw en spoorwegaanleg en in het Westen de bouw van bunkers die bekend werd als de zogenaamde Atlantikwall. Voor dit doel gebruikte de Organisation Todt buitenlandse arbeiders op een buitensporige schaal. In het Westen waren er ongeveer 20 buitenlandse op 1 Duitse arbeider en in Rusland waren er ongeveer 4 Russen op 1 Duitser. Dat kon in het Westen alleen maar worden gedaan als de Organisation Todt op grote schaal plaatselijke aannemers en hun werkplaatsen kon gebruiken. Zij leverden de technische staf en wierven hun eigen arbeiders, het mag duidelijk zijn dat deze firma's geen mogelijkheid hadden te werven onder dwang. Dus was een groot aantal arbeiders van de Organisation Todt vrijwilliger maar natuurlijk werkte een bepaald percentage bij de Organisation Todt als arbeidsplichtige.
Hier werd de Organisation Todt omschreven als zijnde een deel van de strijdkrachten. Als technisch detail moet in dit verband worden opgemerkt dat buitenlandse arbeiders er natuurlijk geen lid van waren maar alleen Duitse arbeiders die in de bezette gebieden op een of andere manier moesten doorgaan als lid van de strijdkrachten. De Aanklager had hier een andere mening over.
Naast de Organisation Todt waren er bepaalde transporteenheden, die in de bezette gebieden opereerden, toegevoegd aan mijn ministerie en om bepaalde redenen wil ik uitdrukkelijk vermelden dat die in principe vrijwillig waren aangeworven. De Aanklager heeft beweerd dat de Organisation Todt de overkoepelende organistatie was voor alle militaire bouwactiviteiten in de bezette gebieden. Dat is niet het geval. Ze moesten slechts ¼ tot 1/5 deel van het bouwprogramma uitvoeren.
In mei 1944 werd de Organisation Todt door het Reich overgenomen en dus verantwoordelijk gemaakt voor sommige van de grootschalige bouwprogramma's en voor de leiding over de organisatie van de Gevolmachtigde voor Toezicht op de Bouw van het Vierjarenplan. Deze gevolmachtigde verdeelde de opdrachten die van het Centraal Planbureau kwamen en was verantwoordelijk voor andere bestuurlijke taken maar was niet verantwoordelijk voor de uitvoering van en het toezicht op de bouwwerken zelf. Er waren diverse bouwautoriteiten in het Reich en in het bijzonder het SS Bauamt had zijn eigen verantwoordelijkheid voor de bouwprogramma's die het uitvoerde.
Dr. FLÄCHSNER: De Aanklager heeft beweerd dat u gevangenen uit concentratiekampen in de wapenindustrie liet werken en heeft document R-124, bewijsstuk USA-179 ingediend.
Meneer de President, dit document staat in mijn documentenboek op pagina 47 van de Engelse tekst. Het gaat over een vergadering met Hitler in september 1942.
Hoe kwam die bijeenkomst tot stand, Meneer Speer?
SPEER: Toen ik in 1942 de afdeling bewapening van het leger overnam werd er over de hele linie een aanzienlijke toename geëist en om daaraan te voldoen was het noodzakelijk diverse nieuwe fabrieken te bouwen. Om deze reden bood Himmler zijn concentratiekampen zowel aan Hitler als aan mij aan. Zijn plan was dat sommige van die nieuwe gebouwen, zowel als de noodzakelijke machines binnen de concentratiekampen zouden worden ondergebracht en daar onder toezicht van de SS zouden worden geëxploiteerd. Het hoofd van de afdeling bewapening van het leger, Generaloberst Fromm, was tegen dit plan en ik ook. Afgezien van algemene redenen hiervoor was het eerste punt dat een ongecontroleerde wapenproductie door de SS moest worden voorkomen. Ten tweede zou dit zeker betekenen dat mij de technische leiding over deze fabrieken zou worden ontnomen. Toen ik het grote uitbreidingsplan voor de wapenproductie in het voorjaar van 1942 voorbereidde, negeerde ik deze eisen van de SS. Himmler zocht Hitler op en de notulen van die bespreking, die hier beschikbaar zijn tonen de bezwaren tegen de wensen die Hitler op voorstel van Himmler tegen mij uitte.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, in dit verband zou ik uw aandacht willen vestigen op pagina 44 van de Duitse tekst, pagina 47 van de Engelse. Het is punt 36 van een Führerbefehl. Daar staat, en ik citeer:
"...... afgezien van een klein aantal arbeiders zal het niet mogelijk zijn in de concentratiekampen een wapenproductie op te zetten.....
De PRESIDENT: Dr. Flächsner, de beklaagde heeft ons net de kern daarvan genoemd, niet waar?
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, volgens dit document hebt u voorgesteld dat dat de fabrieken geheel bezet zouden worden met gevangenen uit concentratiekampen. Voerde u dat voorstel ook uit?
SPEER: Nee, het werd in deze vorm niet uitgevoerd omdat het al gauw duidelijk werd dat Himmler van plan was, invloed te verkrijgen in deze fabrieken en op een of andere manier zou hij ongetwijfeld erin zijn geslaagd deze fabrieken onder zijn controle te krijgen. Om die reden bestond slechts een deel van de staf uit gevangenen uit concentratiekampen om Himmler's pogingen tegen te werken. En zo gebeurde het dat er werkkampen aan de wapenfabrieken werden toegevoegd. Maar Himmler ontving nooit zijn aandeel van 5 of 8 procent van de wapens dat was toegezegd. Dat werd voorkomen vanwege een overeenkomst met de generaal van de legerstaf in het OKW, Generaal Buhle. De getuige zal hierover een verklaring afleggen.
Dr. FLÄCHSNER: Mag ik verder uw aandacht vestigen op document 1584-PS, in mijn documentenboek op pagina 48 van de Engelse tekst. Het is bewijsstuk USA-221, een brief van Himmler aan Göring van 9 maart 1944. Himmler benadrukt het feit dat als zijn bevoegdheden, anders gezegd, die van de SS, zouden worden uitgebreid, een versnelling en toename van de productie kon worden verwacht. De begeleidende brief van Pohl aan Himmler toont aan dat er werd voorgesteld controle en toezicht te houden op de inzet van gevangenen uit concentratiekampen en zelfs SS'ers te gebruiken als verantwoordelijke bedrijfsleiders. Volgens zijn kennis en ervaring zou het niet voldoende zijn de gevangenen eenvoudig aan andere fabrieken toe te wijzen. De SS wilde daarom de inzet van arbeiders in deze fabrieken onder controle krijgen.
Dit document toont echter iets anders aan, het bevestigt namelijk de verklaring van beklaagde Speer dat gevangenen uit concentratiekampen ook premies kregen uitbetaald wanneer zij bijzonder goed presteerden, bovendien wordt op de laatste pagina aangetoond dat het gemiddelde aantal arbeidsuren van alle gevangenen 240 uur per maand bedroeg, dat overeenkomt met 60 uur per week.
Ik verwijs ook naar een document dat gisteren al is genoemd; dat is nummer 44 en is door mij al ingediend als bewijsstuk nummer 6. Het staat in het tweede documentenboek, Meneer de President, het eerste boek van het aanvullende deel.
Dit document toont duidelijk aan in hoeverre de uitbreiding van de SS fabrieken werd bepaald door de ambitie van Pohl en Himmler. Het document vermeldt ook, en ik citeer:
"...... het maandelijkse aantal arbeidsuren, geleverd door gevangenen uit concentratiekampen bedroeg zelfs geen 8 miljoen uur zodat er zeker niet meer dan ongeveer 32.000 mannen en vrouwen uit concentratiekampen in onze wapenfabrieken werken. Dit aantal daalt voortdurend."
Meneer de President, deze zin staat op pagina 90 onderaan. U vindt hem in de Engelse tekst.
De brief toont ook aan dat de schrijver ongeveer hetzelfde aantal uren berekent als wat Pohl in zijn brief noemt; namelijk 250 uur per maand dat ongeveer neerkomt op 63 uur per week.
Meneer Speer, door deze brief raakte u op de hoogte van het feit dat arbeiders, in het bijzonder buitenlanders, niet terugkeerden naar hun eerdere werkplek wanneer zij voor bepaalde daden in aanraking waren gekomen met de politie, maar dat zij naar concentratiekampen werden gestuurd. Welke maatregelen nam u toen?
SPEER: Hier zou ik ook weer enkele punten willen samenvatten. Ik kreeg die brief op of rond 15 mei toen ik na mijn ziekte in Berlijn terugkeerde. De inhoud ervan verontrustte mij zeer want tenslotte is dit niets anders dan ontvoering. Ik liet een schatting maken van het aantal mensen die op die manier uit het economisch systeem werd gehaald. Dat aantal bedroeg 30.000 tot 40.000 per maand. Het resultaat was mijn verklaring voor het Centraal Planbureau waar ik eiste dat deze arbeiders, zelfs als geïnterneerden zoals ik ze noemde onmiddellijk naar hun oude fabrieken teruggebracht moesten worden. Deze opmerking als zodanig is natuurlijk niet logisch want het aantal misdaden in elke fabriek afzonderlijk was zeer laag, zodat een dergelijke maatregel practisch niet uitvoerbaar was. Hoe dan ook, wat ik ermee wilde zeggen was dat de arbeiders moesten worden teruggebracht naar hun oude werkplek. Deze verklaring voor het Centraal Planbureau is door de Aanklager ingediend.
Direct na de vergadering van het Centraal Planbureau zocht ik Hitler op en had op 5 juni een gesprek met hem. De notulen van dat gesprek zijn beschikbaar. Ik zei dat ik een dergelijke procedure niet zou aanvaarden en ik haalde vele argumenten aan, allemaal gebaseerd op logica omdat andere argumenten niet zouden hebben geholpen. Hitler verklaarde, zoals de notulen aantonen, dat deze arbeiders direct naar hun oude werkplek moesten worden teruggebracht en dat hij na een onderhoud tussen Himmler en mij hij nogmaals deze beslissing van hem aan Himmler kenbaar zou maken.
Dr. FLÄCHSNER: Ik dien bewijsstuk 13 in, een uittreksel uit het onderhoud met de Führer tussen 3 en 5 juni 1944; u kunt dit vinden op pagina 92 van het documentenboek.
SPEER: Direct na dit onderhoud ging ik naar Himmler en bracht hem Hitler's beslissing over. Hij zei mij dat een dergelijk aantal nooit door de politie was gearresteerd. Maar hij beloofde me dat hij onmiddellijk een decreet zou uitvaardigen dat aan Hitler's eisen tegemoet zou komen; namelijk dat het de SS niet langer zou worden toegestaan die arbeiders vast te houden. Ik lichtte Hitler over dit resultaat in en vroeg hem nogmaals hierover contact op te nemen met Himmler. In die dagen had ik geen reden om Himmler's belofte te wantrouwen want het is voor Rijksministers niet gebruikelijk elkaar zo te wantrouwen. Maar hoe dan ook, ik kreeg van mijn medewerkers geen verdere klachten over deze kwestie. Ik moet benadrukken dat het oplossen van de hele kwestie niet echt mijn zaak was, maar de informatie leek me zo ongelooflijk dat ik onmiddellijk tussenbeide kwam. Had ik geweten dat Himmler al 18 maanden eerder een dergelijke actie had ondernomen en dat in deze brief, die hier is ingediend .....
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, dit is document 1063-PS, bewijsstuk USA-219. Ik heb het opgenomen in mijn documentenboek op pagina 51 van de Engelse tekst. Dat is het document waarnaar beklaagde nu verwijst.
Hoe ver ging u in uw pogingen om arbeiders voor de wapenindustrie uit concentratiekampen te halen?
SPEER: Ik wilde een korte verklaring afleggen met betrekking tot dit document.
Had ik van deze brief afgeweten, dan zou ik nooit voldoende vertrouwen in Himmler hebben gehad om te verwachten dat hij het bevel dat hij van Hitler had gekregen, correct zou utvoeren. Want deze brief toont duidelijk aan dat zijn actie voor andere departementen geheim gehouden moest worden. Die andere departementen konden alleen maar dat van de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz of mijn eigen departement zijn.
Tenslotte wil ik met betrekking tot dit probleem zeggen dat het mijn plicht als Minister voor Bewapening was om zoveel mogelijk arbeiders als mogelijk beschikbaar waren in te zetten voor de wapenindustrie, of elke andere industrie. Ik vond het daarom juist dat arbeiders uit concentratiekampen ook in de oorlogsproductie of de wapenindustrie zouden werken. De voornaamste beschuldiging van de Aanklager echter, dat ik het aantal concentratiekampen bewust uitbreidde of liet uitbreiden is in geen geval juist. Ik wilde juist het tegenovergestelde, gezien vanuit mijn opvatting van productie.
Dr. FLÄCHSNER: Mag ik in dit verband verwijzen naar de antwoorden van getuige Schmelter op de vragen 9 en 35 van de vragenlijst die hem was toegestuurd en naar het antwoord van getuige Schieber op vraag 20.
Meneer Speer, document R-124, bewijsstuk USA-179 dat door de Aanklager is ingediend, bevat enkele opmerkingen die u maakte tijdens vergaderingen van het Centraal Planbureau.
Meneer de President, mag ik uw aandacht vestigen op mijn documentenboek, pagina 53 van de Engelse tekst.
Meneer Speer, wat wilde u zeggen met uw opmerking betreffende lijntrekkers tijdens de vergadering van 30 oktober 1942?
SPEER: Ik maakte de opmerking zoals die hier in het stenografisch verslag staat. Ik had hier echter de gelegenheid om alle notities in steno van het Centraal Planbureau te lezen en ik ontdekte dat er op deze opmerking niet verder werd ingegaan en dat er door mij geen maatregelen werden geëist.
Dr. FLÄCHSNER: Op dezelfde pagina van het documentenboek, Meneer de President, staat een uitspraak uit een vergadering van 22 april 1943.
Meneer Speer, wat kunt u zeggen over die opmerking met betrekking tot Russische krijgsgevangenen?
SPEER: Dat kan eenvoudig worden verklaard. Dit is een bewijs voor het feit dat "bewapening" moet worden verstaan op de manier zoals ik heb uitgelegd, want de twee sectoren waaruit de 90.000 Russen die te werk waren gesteld in de bewapeningsindustrie vandaan kwamen waren volgens dit document de ijzer- staal- en metaalfabrieken met 29.000 man en de fabrieken die motoren, ketels en allerlei soorten apparaten produceerden met 63.000 man.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, de Aanklager heeft ook een opmerking van u aangehaald die u op 25 mei 1944 maakte. Die kan ook worden gevonden op pagina 53 van de Engelse tekst van het documentenboek. U zei daar tijdens een bespreking met Keitel en Zeitzler dat in overeenstemming met Hitler's instructies, de groepen reserve arbeiders moesten worden ontbonden en dat u zou zorgen voor de overplaatsing van de Russen uit het achterland.
SPEER: Ik lees hier weer uit het stenografisch verslag. Het kan kort worden uitgelegd. De "HIwi" zoals in het document genoemd, zijn de zogenaamde reserve vrijwilligers die zich bij de vechtende troepen in Rusland hadden gevoegd. Naarmate de maanden verstreken werd hun aantal steeds groter en tijdens de terugtocht trokken ze mee terug omdat ze in hun eigen land vermoedelijk als verrraders zouden zijn behandeld. Deze vrijwilligers werden echter niet in de industrie tewerkgesteld, zoals ik wilde want de voorgenomen vergadering daarover vond niet plaats.
Dr. FLÄCHSNER: Kunt u een korte verklaring geven betreffende Sauckel's memorandum, 556-PS dat door de Aanklager is ingediend, over een telefoongesprek van 4 januari 1943 dat ging over toewijzing van arbeid.
SPEER: Na dit telefoongesprek moesten er in Frankrijk verdere maatregelen worden genomen om het aantal arbeiders, beschikbaar voor inzet te verhogen. De notulen van een onderhoud met de Führer, die ik onlangs heb gevonden namelijk die van het onderhoud van 3 en 5 januari 1943, tonen aan dat de mening van Hitler destijds sloeg op een verhoogde inzet van Fransen in de plaatselijke industrie en economie in Frankrijk.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, ik zal dit document later indienen want tot nu toe heb ik nog niet de gelegenheid gehad om ......
De PRESIDENT: Kunt u het Tribunaal vertellen hoelang u nog denkt nodig te hebben, Dr. Flächsner?
Dr. FLÄCHSNER: Ik hoop, Meneer de President, dat ik er voor 5 uur vanmiddag doorheen zal zijn.
De PRESIDENT: U verliest toch niet uit het oog wat ik u al gezegd heb over het belang van argumenten en bewijzen die u tot nu toe hebt aangevoerd?
Dr. FLÄCHSNER: Dat zal ik niet, Meneer de President.
De PRESIDENT: Ik schors nu de zitting.
(de zitting wordt geschorst tot 14:00 uur)

Definitielijst

Arbeitseinsatz
Gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Circa 11 miljoen Europese burgers werden in dit kader opgeroepen om dwangarbeid te verrichten in het Derde Rijk. Niet te verwarren met de Arbeidsdienst, een organisatie opgericht als nationaal-socialistisch vormingsinstituut voor Nederlandse jongeren.
capitulatie
Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
invasie
Gewapende inval.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Middagzitting 1

Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, vanmorgen zijn we gebleven bij de bespreking van Sauckel's telefoongesprek van 4 januri 1943 betreffende de toewijzing van arbeid. Zoals u al hebt gezegd houden de notulen van een bespreking met de Führer op 3 en 5 januari, die ik later bij het Tribunaal zal indienen, hiermee verband. Kunt u in het kort iets zeggen over het onderwerp van dat gesprek?
SPEER: Dit verslag vermeldt dat er maatregelen moeten worden genomen om de economie in Frankrijk naar een hoger peil te brengen. Het bevat strenge orders van Hitler betreffende de manier en de middelen die hij dacht te gebruiken om dit te bereiken. Er staat dat sabotagedaden op de meest strenge manier moeten worden bestraft en dat er van "humanitaire kwesties" geen sprake kan zijn.
Deze notulen tonen ook aan dat ik Hitler destijds vroeg de leiding over kwesties van productie in Frankrijk aan mij over te dragen, een stap die enkele maanden later ook werkelijk werd gezet.
Ik noem dit alleen maar om duidelijk te maken dat zolang ik nog in de positie ben als getuige op te treden, ik Hitler's beleid van "humanitaire kwesties" in Frankrijk niet uitvoerde.
Mijn aandacht werd gevestigd op een geval waarin als vergelding tien gijzelaars moesten worden geëxecuteerd vanwege industriële sabotagedaden gepleegd in het district Meurthe-et-Moselle. Destijds slaagde ik erin te voorkomen dat het vonnis werd uitgevoerd. Röchling, die destijds de leiding had over de staalproductie in de bezette Westelijke gebieden, is mijn getuige in dit geval. Dat is het enige geval dat ik ken waarin gijzelaars moesten worden geëxecuteerd vanwege sabotage bij de productie.
Ik kan ook bewijzen dat ik, vanwege een beslissing van Hitler van september 1943 verantwoordelijk was voor het verstrekken van een extra maaltijd bovenop de bestaande rantsoenen voor arbeiders die in Franse fabrieken werkten. In een brief die ik aan de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz in december 1943 schreef, drong ik sterk aan op de noodzaak niet alleen loon uit te betalen aan de arbeiders in de bezette Westelijke gebieden, maar ook om hen overeenkomstige hoeveelheden consumptiegoederen ter beschikking te stellen – een beleid dat ongetwijfeld niet strookt met het plunderen van de Westelijke gebieden waarop door de Franse Aanklager zoveel nadruk is gelegd.
Alle drie deze documenten zijn in mijn bezit en kunnen worden overlegd. Ik noem deze feiten alleen maar om aan te tonen dat ik het in Frankrijk toe te passen strenge beleid, door Hitler vastgelegd in het verslag van 3 tot 5 januari niet goedkeurde, noch uitvoerde.
Dr. FLÄCHSNER: Ik kom nu aan een ander onderwerp. Meneer Speer, wat liet u in Frankrijk produceren, dat wil zeggen op basis van uw programma?
SPEER: We hebben dat al uitgebreid besproken. Er werden geen producten voor bewapening geproduceerd, alleen hoogst noodzakelijke onderdelen en consumentenartikelen.
Dr. FLÄCHSNER: Goed, ik wilde dat alleen maar duidelijk krijgen.
De Aanklager heeft aan u notulen overlegd van een vergadering met de Führer – R-124 van maart 1944 die een verklaring bevatten dat u met Hitler het voorstel van de Reichsmarschall besprak om krijgsgevangenen naar Frankrijk over te brengen. Wat kunt u daarop zeggen?
SPEER: Dit verslag is van 3 maart 1944. Tussen januari en maart 1944 was ik ernstig ziek en het gesprek vond zonder mij plaats. Een lid van mijn staf was belast met dit gesprek – een man die een ongewoon groot vertrouwen van Hitler genoot. In elk geval werd het voorstel niet uitgevoerd.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, u hebt de zitting van 30 mei bijgewoond waar de kwestie werd besproken hoe het departement van de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz in het leven werd geroepen. Kunt u in het kort iets over dat punt zeggen?
SPEER: Ik zou willen opmerken dat ik een vertegenwoordiger wilde die zich bezig zou houden met alle kwesties rond de toewijzing van arbeid die verband hielden met mijn taak als producent van militair wapentuig. Mijn grootste probleem rond de toewijzing lag bij het begin van mijn indiensttreding bij de Gauleiter die een beleid voerden van onafhankelijkheid van iedere Gau. De niet politieke afdelingen van het Ministerie van Arbied konden niet optreden tegen de Gauleiter en het gevolg was dat de mankracht in Duitsland bevroren raakte. Ik stelde Hitler voor op deze post een Gauleiter te benoemen die ik kende – een man genaamd Hanke. Even terzijde, Göring heeft dit al bevestigd. Hitler stemde toe. Twee dagen later deed Bormann het voorstel om Sauckel te benoemen. Ik kende Sauckel niet goed maar ik was bereid die keuze te aanvaarden. Het is goed mogelijk dat Sauckel niets van de hele zaak afwist en hij nam aan – daar had hij ook het recht toe – dat hij op mijn voorstel was gekozen.
Het departement van de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz (Generell Bevolmächtigte für den Arbeitseinsatz -GBA) werd op de volgende manier opgericht: Lammers verklaarde dat hij geen bijzondere bevoegdheden kon verlenen aan een onderdeel van de arbeidstoewijzing omdat dat vanuit bestuurlijk oogpunt een twijfelachtige procedure zou zijn en om die reden zou de hele kwestie rond de arbeidskrachten in handen van een algemeen gevolmachtigde gelegd moeten worden. Allereerst dachten ze aan een Führerbefehl. Göring protesteerde omdat dat zijn taak was binnen het Vierjarenplan. Er werd daarom een compromis bereikt op grond waarvan Sauckel benoemd zou worden tot Algemeen Gevolmachtigde in het kader van het Vierjarenplan, hoewel hij door Hitler zou worden benoemd. Dat was binnen het Vierjarenplan een unieke regeling. Daarbij was Sauckel in werkelijkheid ondergeschikt aan Hitler en hij zag dat ook altijd zo.
Dr. FLÄCHSNER: U hebt gehoord dat Sauckel in zijn getuigenis op 30 mei heeft gezegd dat Göring deelnam aan de vergaderingen van het Centraal Planbureau. Is dat waar?
SPEER: Nee, dat is in geen geval juist. Ik zou niets aan hem gehad hebben want tenslotte hadden we practisch werk te doen.
Dr. FLÄCHSNER: De Aanklager heeft een verklaring van Sauckel ingediend, gedateerd 8 oktober 1945 volgens welke regelingen voor zijn vertegenwoordigers om in de bezette gebieden te werken door u zouden zijn opgesteld. Is dat waar?
SPEER: Nee, In 1941 had ik nog niets met bewapening te maken en zelfs later, tijdens de periode van Sauckel's activiteiten benoemde ik die vertegenwoordigers niet en deed niet veel om hun werkzaamheden te ondersteunen. Dat was een kwestie voor Sauckel om af te handelen; dat viel onder zijn bevoegdheden.
Dr. FLÄCHSNER: De Franse Aanklager heeft uit het verslag van Sauckel's inleidende verhoor op 27 september 1945 geciteerd. Volgens dit verslag gaf u speciale orders voor treinen met buitenlandse arbeiders.
SPEER: Ik meen dat het practischer is om alle verklaringen van Sauckel die op mij van toepassing zijn, te behandelen; dat spaart tijd.
Dr. FLÄCHSNER: Gaat uw gang.
SPEER: Regelingen voor treintransporten werden door Sauckel en zijn staf getroffen. Het is mogelijk dat luchtaanvallen of een plotselinge verandering in het productieschema het mijn departement noodzaakten te vragen om treinen om te leiden maar de verantwoordelijkheid daarvoor berustte altijd bij de Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz .
Sauckel heeft hier ook getuigd dat Goebbels en ik na Stalingrad aan de inspanning voor de totale oorlog begonnen. Maar dat is in die vorm niet juist. Stalingrad was in januari 1943 en Goebbels begon in 1944 met zijn "Totaler Krieg". Na Stalingrad moest er een omvangrijke reorganisatie in Duitsland worden doorgevoerd om Duitse arbeiders vrij te maken. Ikzelf was een van degenen die hierom vroeg. Noch Goebbels, noch ik was echter in staat dit plan uit te voeren. Er werd een commissie van drie, Lammers, Keitel en Bormann gevormd maar vanwege hun gebrek aan technische kennis waren zij niet in staat hun taak uit te voeren.
Verder werd mijn afdeling Arbeidstoewijzing door Sauckel in zijn getuigenis genoemd. Dit werkte als volgt: Iedere grote fabriek en iedere werkgever had een afdeling Toewijzing die natuurlijk onder de mijne viel. Geen van deze afdelingen echter bemoeide zich op enigerlei wijze met Sauckel's taken. Het terrein van hun activiteiten was niet erg groot, zoals blijkt uit het feit dat elk ervan een van de 50 of 60 afdelingen was die onder mij vielen. Als ik er groter belang aan had gehecht zouden het een van mijn zes of acht onderafdelingen geweest zijn.
Sauckel noemde verder de gesprekken met de Stabsleiter die op zijn kantoor plaatsvonden. Een vertegenwoordiger van mijn afdeling Toewijzing voor Leger en Marine woonde deze vergaderingen bij. Op deze bijeenkomstem waaraan ongeveer 15 mensen deelnamen die arbeiders nodig hadden, werd het probleem van prioriteit beslist op basis van Sauckel's informatie over de toestand van de economie in het algemeen. Dat waren in werkelijkheid de taken die hier abusievelijk aan het Centraal Planbureau werden toegeschreven. Bovendien werd er beweerd dat ik in april 1942 het transport van buitenlandse arbeiders naar Duitsland steunde en dat ik er zelfs verantwoordelijk voor was dat er buitenlandse arbeiders naar Duitsland werden vervoerd. Dat is echter niet waar. Ik hoefde geen enkele druk op Sauckel uit te oefenen om dat te bereiken. In elk geval wordt het uit een document – de notulen van een vergadering met de Führer van 3 mei 1942 - dat in mijn bezit is - duidelijk dat de invoering van arbeidsplicht in de westelijke gebieden op voorstel van Sauckel door de Führer werd goedgekeurd.
Ik kan verder een toespraak aanhalen, die ik op 18 april 1942 hield, die aantoont dat ik in die periode nog steeds van mening was dat de Duitse bouwindustrie, waarin ongeveer 1.8 miljoen arbeiders werkten voor een groot deel moest worden opgeheven om de noodzakelijke arbeidskrachten vrij te maken voor de wapenindustrie. Deze toespraak, die ik tot mijn staf hield en waarin ik mijn principes uitlegde en ook de kwestie van mankracht besprak, bevat geen enkele vermelding over de voorbereiding van een arbeidsplicht voor buitenlanders. Als ik de initiatiefnemer voor deze plannen geweest zou zijn, dan had ik dat onderwerp zeker in deze toespraak genoemd.
Tenslotte moet ik, in verband met Sauckel's getuigenis, het schema van de organisatie dat hier is ingediend verbeteren. Het is onjuist dat de afzonderlijke sectoren die erin worden genoemd onder diverse ministeries vielen. In werkelijkheid vielen deze werkgevers onder de diverse economische sectoren, onafhankelijk van de ministeries. Er bestond allleen maar een overeenkomst waar het mijn Ministerie en het Luftfahrtministerium betrof.
Het is ook onjuist te vermelden dat de bouwindustrie vertegenwoordigd was in het Ministerie van Economische Zaken. Die viel onder mijn bevoegdheid. Vanaf 1943 vielen de chemische industrie en de mijnbouw, die beide onder het Ministerie van Economische Zaken staan vermeld, onder mijn gezag. Voor zover ik weet werden deze sectoren zelfs al voor 1943 binnen het Vierjarenplan vertegenwoordigd door gevolmachtigden en zij stelden hun eisen rechtstreeks aan Sauckel, onafhankelijk van het Ministerie van Economische Zaken.
Dit schema is verder onjuist in de vermelding dat de verzoeken om deze arbeiders van afzonderlijke werkgevers direct naar Hitler gingen. Het zou voor Hitler onmogelijk geweest zijn dit twistpunt tussen 15 werkgevers op te lossen. Zoals ik al zei, laatstgenoemde woonde de besprekingen van de Stabsleiter bij die door Sauckel werden voorgezeten.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, wat deed u met uw documenten aan het einde van de oorlog?
SPEER: Ik voelde mij verplicht mijn documenten te bewaren zodat er tijdens de wederopbouw de nodige overgangsmaatregelen konden worden getroffen. Ik weigerde zelfs deze documenten te laten sorteren. Ze werden in hun geheel overgedragen aan het Gealliieerde gezag hier in Neurenberg waar ik een schaduwarchief had. Ik droeg ze over toen ik in het gebied rond Flensburg nog in vrijheid was. De Aanklager is dus in het bezit van al mijn documenten tot enkele duizenden aan toe, waaronder openbare toespraken, ongeveer 4.000 Führerbefehle, 5.000 pagina's stenografisch verslag van het Centraal Planbureau, memoranda enzovoorts. Ik noem dit alleen omdat deze documenten ondubbelzinnig aantonen tot op welke hoogte mijn taak een technische en economische was.
Dr. FLÄCHSNER: Deed u in uw documenten, voor zover u zich herinnert ooit uitspraken betreffende ideologie, anti-Semitisme en zo?
SPEER: Nee, ik deed nooit dergelijke uitspraken, noch in toespraken, noch in memoranda. Ik neem aan dat de Aanklager anders in een positie zou verkeren waarin hij iets dergelijks op tafel zou kunnen leggen.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, u staat ook als Minister van Bewapening op de lijst van leden van de nieuwe regering, opgesteld door de mannen die verantwoordelijk waren voor de aanslag van 20 juli. Had u deel aan de aanslag van de 20ste juli?
SPEER: ik had er geen deel aan en werd er ook niet van tevoren over ingelicht. Destijds was ik tegen het vermoorden van Hitler.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, dit punt wordt genoemd op de vragenlijst van getuige Kempf onder vraag 9 en die van getuige Stahl onder vraag 1.
(tot de beklaagde): Wat was de reden waarom u, als de enige minister van het Nationaalsocialistische regime op die lijst van tegenstanders stond?
SPEER: Destijds werkte ik samen met legerdeskundigen van de Generale Staf en de commandant van het Ersatzheer. Beide staven vormden de kern van de aanslag van 20 juli. Ik had bijzonder nauwe betrekkingen met Generaloberst Fromm, de commandant van het Ersatzheer en ook met Generaloberst Zeitzler, de Chef van de Generale Staf van het leger. Na de 20ste juli werd Fromm opgehangen en Zeitzler werd oneervol uit het leger ontslagen. Uit deze samenwerking ontstond een nauwe band en deze kringen erkenden mijn technische prestaties. Ik nam destijds aan dat dat de reden was waarom zij mij wilden aanhouden.
Dr. FLÄCHSNER: Politieke redenen speelden dus geen enkele rol in dat verband?
SPEER: In elk geval niet rechtstreeks. Ik stond natuurlijk algemeen bekend om het feit dat ik mij nadrukkelijk en in het openbaar heb uitgesproken tegen de misstanden die in Hitler's onmiddellijke omgeving heersten. Naar ik later ontdekte deelde ik de mening van de mannen van de 20ste juli op veel principiële punten.
Dr. FLÄCHSNER: Hoe waren uw betrekkingen met Hitler betreffende uw werk?
SPEER: Mijn nauwste band met hem, in mijn hoedanigheid van architect was waarschijnlijk in de periode tussen 1937 en september 1939; daarna was de relatie niet meer zo nauw vanwege de oorlogsomstandigheden. Nadat ik werd benoemd als opvolger van Todt ontstond er een hechtere, maar een veel formelere werkrelatie. Vanwege de zware eisen die mijn werk voor de bewapening aan mij stelde, had ik erg weinig gelegenheid naar het hoofdkwartier te gaan. Ik bezocht het Führerhoofdkwartier slechts een keer in de 2 of 3 weken. Mijn vier maanden durende ziekte in het voorjaar van 1944 werd door velen aangegrepen om mijn positie te ondergraven en na de 20ste juli was het feit dat ik aangewezen was voor het Ministerie ongetwijfeld een schok voor Hitler – een feit dat Bormann en Goebbels aangrepen om een openlijke strijd met mij aan te gaan. De bijzonderheden staan in een brief die ik op 20 december 1944 aan Hitler stuurde en die hier als bewijsmateriaal is ingediend.
Dr. FLÄCHSNER: Was u in staat politieke gesprekken met Hitler te voeren?
SPEER: Nee, hij beschouwde mij als een zuiver technische minister. Pogingen om politieke of persoonlijke zaken met hem te bespreken faalden altijd omdat hij onbenaderbaar was. Vanaf 1944 had hij zoveel afkeer van algemene discussies en discussies over de oorlogstoestand dat ik mijn ideeën in de vorm van een memorandum vastlegde en dat aan hem gaf. Hitler wist hoe hij iedere man zich tot zijn eigen specialiteit moest laten beperken. Hijzelf was daarom de enige bindende factor. Dit ging ver boven zijn macht en ook boven zijn kennis uit. Een verenigde politieke leiding ontbrak daardoor net als een kundige militaire staf voor het nemen van beslissingen.
Dr. FLÄCHSNER: Als technisch minister, wenst u dan uw verantwoordelijkheid te beperken tot uw werkterrein?
SPEER: Nee, ik zou hier iets van fundamenteel belang willen zeggen. Deze oorlog heeft een ongehoorde ramp over het Duitse volk gebracht en heeft inderdaad een wereldbrand doen ontstaan. Daarom is het mijn onherroepelijke plicht mijn aandeel in de verantwoordelijkheid voor deze ramp voor het Duitse volk te aanvaarden. Dit is eens te meer mijn plicht, eens te meer mijn verantwoordelijkheid omdat het staatshoofd zijn verantwoordelijkheid voor het Duitse volk en voor de wereld heeft ontlopen. Ik als belangrijk lid van de leiding van het Reich moet daarom delen in de totale verantwoordelijkheid vanaf 1942. In dit verband zal ik mijn argumenten in mijn slotverklaring noemen.
Dr. FLÄCHSNER: Aanvaardt u de verantwoordelijkheid voor de zaken die op het uitgebreide terrein van uw taken lagen?
SPEER: Natuurlijk, voor zover dat volgens de algemeen aanvaardde principes mogelijk is en voor zover acties werden ondernomen op grond van mijn besluiten.
Dr. FLÄCHSNER: Wilt u in dit verband verwijzen naar decreten van de Führer?
SPEER: In zoverre Hitler mij orders gaf en ik die uitvoerde aanvaard ik er de verantwoordelijkheid voor. Ik voerde natuurlijk niet alle orders uit die hij mij gaf.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, ik kom nu toe aan het tweede deel van mijn bewijsvoering in de zaak van de beklaagde. Deze presentatie is niet bedoeld om de beklaagde vrij te pleiten van de beschuldigingen die door de Aanklager tegen Speer zijn ingebracht en die betrekking hebben op zijn werkterrein. Dit gedeelte gaat eerder over de beschuldigingen die door de Aanklager tegen de beklaagde zijn geüit als lid van de zogenaamde groep samenzweerders. Dit tweede gedeelte is relatief kort en ik neem aan dat ik in staat zal zijn mijn presentatie van al het bewijsmateriaal binnen een uur af te ronden.
In deze zaak gaat het over Speer's activiteiten bij het voorkomen van Hitler's plannen voor algehele verwoesting in Duitsland en de bezette gebieden en de maatregelen die hij ondernam en de pogingen die hij deed om een oorlog te bekorten die volgens hem al verloren was.
Ik neem aan dat het Hoge Tribunaal zal instemmen met mijn presentatie.
Meneer Speer, tot welk moment wendde u al uw krachten aan de sterkst mogelijke bewapening te verkrijgen en dus de oorlog voort te zetten?
SPEER: Tot aan midden januari 1945.
Dr. FLÄCHSNER: Was de oorlog daarvoor al niet verloren?
SPEER: Vanuit militair oogpunt bezien en voor zover het de algemene situatie betrof was die zeker daarvoor al verloren. Het is echter moeilijk een oorlog als verloren te beschouwen en de uiterste conclusies te trekken waar het de eigen persoon betreft wanneer men zich voor een onvoorwaardelijke overgave ziet geplaatst.
Dr. FLÄCHSNER: Dwongen overwegingen over de toestand van de productie, omdat u zich in een positie bevond om het totale overzicht te hebben, u niet de oorlog lang daarvoor als verloren te beschouwen?
SPEER: Gezien vanuit het oogpunt van bewapening niet tot aan de herfst van 1944 want tot aan die tijd slaagde ik erin, ondanks de bombardementen, een voortdurende toename van de productie te bereiken. Als ik het in aantallen mag uitdrukken, deze was zo groot dat ik in het jaar 1944 130 infanteriedivisies en 40 pantserdivisies volledig nieuw kon uitrusten. Dat omvatte nieuw materiaal voor 2 miljoen man. Dit aantal zou nog 30 % hoger zijn geweest, ware het niet vanwege de bombardementen. We bereikten de top van onze gehele oorlogsproductie van munitie in augustus 1944, van vliegtuigen in september 1944 en in december 1944 van geschut en de nieuwe U-boten. Deze nieuwe wapens zouden enkele maanden later worden ingezet, waarschijnlijk in februari of maart 1945. Ik mag misschien de straalvliegtuigen noemen die al in de pers waren aangekondigd, de nieuwe U-boten, de nieuwe luchtafweerinstallaties enzovoorts. Ook hier echter vertraagden de bombardementen de massaproductie van deze wapens – die in de laatste fase van de oorlog de situatie hadden kunnen wijzigen – zodanig dat ze niet langer in grote aantallen tegen de vijand konden worden ingezet. Al deze pogingen waren echter nutteloos omdat vanaf 12 maart 1944 onze brandstoffabrieken doelwit werden van geconcentreerde luchtaanvallen.
Dat was rampzalig. Vanaf die tijd ging 90 % van de brandstof voor ons verloren. Het succes van deze aanvallen betekende het verlies van de oorlog waar het de productie betrof want onze nieuwe tanks en straalvliegtuigen waren waardeloos zonder brandstof.
Dr. FLÄCHSNER: Vertelde u Hitler over de effecten van de bombardementen op de productie?
SPEER: Ja, ik vertelde hem dat tot in bijzonderheden, zowel mondeling als schriftelijk. Tussen juni en december 1944 stuurde ik hem 12 memoranda, allemaal met rampzalig nieuws.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, in dit verband zou ik bij het Tribunaal een document willen indienen, een memorandum van Speer van 30 juni 1944. Dat staat op pagina 56 van het Engelse documentenboek en wordt bewijsstuk nummer 14. Ik zou hieruit willen citeren. Speer schrijft aan Hitler:
"Maar in september van dit jaar kunnen de hoeveelheden, nodig voor de meest dringende behoeften van de Wehrmacht, onmogelijk nog langer worden geleverd hetgeen betekent dat er vanaf die tijd een tekort ontstaat dat niet kan worden aangevuld en dat tot dramatische gevolgen zal leiden."
In een ander memorandum, gedateerd 30 augustus 1944, lichtte Speer Hitler in over de toestand in de chemische industrie en de brandstofindustrie. Dat staat op pagina 62 van de Engelse tekst, bewijsstuk 15. Ik citeer slechts een zin:
"..... dat zijn dus tekorten aan belangrijke materialen die nodig zijn voor een moderne oorlogvoering."
Meneer Speer, hoe was het mogelijk dat u en de andere medewerkers van Hitler, ondanks dat men zich de situatie realiseerde, nog van alles probeerden om de oorlog voort te zetten?
SPEER: In deze fase van de oorlog bedroog Hitler ons allemaal. Vanf de zomer van 1944 liet hij via Ambassadeur Hewel van Buitenlandse Zaken definitieve verklaringen rondgaan dat er gesprekken met buitenlandse mogendheden waren begonnen. Generaloberst Jodl heeft mij dat hier in deze rechtszaal bevestigd. Op deze manier werd bijvoorbeeld het feit verklaard dat de diverse bezoeken die door de Japanse Ambassadeur aan Hitler waren gebracht, betekenden dat wij via Japan onderhandelingen waren begonnen met Moskou of anders dat Minister Neubacher, die hier als getuige aanwezig is, werd verondersteld op de Balkan besprekingen te zijn begonnen met de Verenigde Staten of dat de voormalige Sovjet ambassadeur in Berlijn in Stockholm zou zijn geweest met het doel om onderhandelingen te beginnen.
Op die manier wekte hij de hoop dat wij, net als Japan in deze hopeloze situatie onderhandelingen zouden beginnen zodat de bevolking van de ergste gevolgen verschoond zou blijven. Om dit te doen was het echter nodig de tegenstand zoveel mogelijk te vergroten. Hij bedroog ons allemaal door bij de militaire leiders valse hoop te wekken op het slagen van diplomatieke stappen en de politieke leiders nieuwe overwinningen te beloven door het gebruik van nieuwe troepen en nieuwe wapens en door stelselmatig geruchten te verspreiden zodat de bevolking zou gaan geloven in de verschijning van wonderwapens, dit alles om de tegenstand te handhaven. Ik kan bewijzen dat ik in deze periode in mijn toespraken en brieven die ik aan Hitler en Goebbels schreef, er melding van maakte hoe oneerlijk en rampzalig ik dit beleid vond, de bevolking een wonderwapen te beloven.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, werd er bevel gegeven om de industrie in België, Nederland en Frankrijk te verwoesten?
SPEER: Ja. In het geval van een bezetting door de Geallieerden had Hitler een omvangrijk systeem van verwoesting van de oorlogsindustrie in al die landen bevolen; op grond van bepaalde voorbereidingen moesten kolen- en andere mijnen, krachtcentrales en fabrieksgebouwen worden verwoest.
Dr. FLÄCHSNER: Ondernam u stappen om de uitvoering van die orders te voorkomen?
SPEER: Ja.
Dr. FLÄCHSNER: En voorkwam u die ook?
SPEER: De Oberbefehlshaber West was verantwoordelijk voor het uitvoeren van die orders, omdat die zijn operatiegebieden betroffen. Maar ik zei hem dat voor zover het mij betrof die verwoesting zinloos was, geen enkel doel diende en dat ik, in mijn hoedanigheid als Minister van Bewapening deze verwoesting onnodig vond. Daarop werd geen bevel tot verwoesting van deze zaken gegeven. Hiermee was ik natuurlijk verantwoording schuldig aan Hitler voor het feit dat er geen verwoestingen plaastvonden.
Dr. FLÄCHSNER: Wanneer was dat?
SPEER: Ongeveer begin juli 1944.
Dr. FLÄCHSNER: Hoe kon u uw positie rechtvaardigen?
SPEER: Alle militaire leiders die ik kende zeiden destijds dat de oorlog in oktober of november zou zijn afgelopen omdat de invasie geslaagd was.
Ikzelf had dezelfde mening gezien de brandstofsituatie. Dat kan duidelijk worden opgemaakt uit het memorandum dat ik op 30 augustus aan Hitler stuurde en waarin ik hem vertelde dat gezien de ontwikkeling in de brandstofsituatie er tegen oktober of november geen operationele acties door de troepen meer mogelijk zouden zijn. Het feit dat de oorlog langer duurde kan alleen maar worden toegeschreven aan het tot stilstand komen van het vijandelijk offensief in 1944. Dit maakte het mogelijk ons brandstofverbruik te verminderen en nieuwe voorraden tanks en munitie aan het Westelijke Front te leveren. In deze situatie was ik volkomen bereid de verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het opgeven in onbeschadigde toestand van de industrie in de westerse landen ten behoeve van de vijand omdat die tenminste 9 maanden voor hen van geen enkel nut kon zijn want het transport systeem was van tevoren al verwoest. Dit memorandum meldt tevens de bescherming van de werkloze arbeiders in de Sperrwerke, een kwestie die ik vanmorgen heb besproken.
Dr. FLÄCHSNER: Keurde Hitler die maatregelen goed?
SPEER: Hij kon die niet goedkeuren want hij wist er niets van. Het was een periode van een dergelijke hectische activiteit op het hoofdkwartier dat hij er nooit aan dacht, de maatregelen voor de verwoesting te controleren. Later, in januari 1945 verschenen er berichten in de Franse pers over de snelle reconstructie van hun onbeschadigde fabrieken. Daarna werden er natuurlijk ernstige beschuldigingen tegen mij geüit.
Dr. FLÄCHSNER: De Franse Aanklager heeft een document ingediend, RF-132. Dit is een rapport van een officier van het Wirtschaftskommando, toegevoegd aan de bevelhebber van de Wehrmacht in Nederland. Volgens dit rapport was in september 1944 een decreet van de OB West nog steeds van kracht. Dit vermeldde dat er alleen maatregelen ter verwoesting mochten worden genomen in kustplaatsen en nergens anders en het Wirtschafstkommando voor Nederland verklaarde, zoals uit dit document blijkt, dat het bevel uitgegeven door de OB West achterhaald was en dat hij op eigen initiatief had besloten dat fabrieken in Nederland verwoest moesten worden.
Hoe was dat mogelijk en wat deed u er tegen?
SPEER: In feite was een of andere overijverige lagere ambtenaar er de oorzaak van dat die principebesluiten, in het Westen niets te verwoesten werden genegeerd. Onze communicatielijnen voor bevelen waren grotendeels verbroken door de bombardementen. Seyss-Inquart had mijn aandacht gevestigd op het feit dat er in Nederland verwoestingen zouden worden aangericht. Hij heeft al getuigd dat ik hem toestemming gaf, dat soort maatregelen niet te nemen. Dat was in september 1944. Bovendien, om dergelijke verwoestingen te voorkomen gaf ik op 5 september, handelend zonder officiële toestemming, de directies van de kolenmijnen en staalfabrieken en het hoofd van het civiele bestuur in Luxemburg opdracht om verwoesting van de ertsmijnen in de Minette, de kolenmijnen in het Saargebied en die in België en Nederland te voorkomen. Gezien de hopeloze situatie van de oorlog destijds bleef ik, als persoon verantwoordelijk voor het leveren van electriciteit, stroom leveren aan de ondernemingen aan de andere kant van het front zodat de pompstations in de kolenmijnen niet stil hoefden te vallen want als die pompen zouden zijn stil gezet dan zouden de mijnen zijn ondergelopen.
Dr. FLÄCHSNER: In dit verband dien ik het afschrift van een brief van Speer aan Gauleiter Simon in Koblenz in. Dit is bewijsstuk Speer-16, pagina 57 van de Engelse tekst in mijn documentenboek.
Meneer Speer, met betrekking tot de andere bezette landen, afgezien van Frankrijk, België en Nederland, wendde u uw invloed aan om verwoesting te voorkomen?
SPEER: Vanaf augustus 1944 in de industriegebieden in het Generaalgouvernement; de ijzermijnen op de Balkan, de nikkelfabrieken in Finland; vanaf september 1944 in de industriegebieden in noord-Italië; vanaf februari 1945 in de olievelden in Hongarije en de industrie in Tsjechoslowakije. Ik zou in dit verband willen benadrukken dat ik in hoge mate werd gesteund door Generaloberst Jodl die dit beleid van niet-verwoesten stilwijgend aanvaardde.
Dr. FLÄCHSNER: Wat waren begin september 1944 Hitler's bedoelingen met betrekking tot het behoud van de industrie en de middelen van bestaan voor de Duitse bevolking toen de vijandelijke troepen de grenzen van het Grossdeutsches Reich van alle kanten naderden?
SPEER: Hij had absoluut de bedoeling niet, de industrie te behouden. In tegendeel, hij gaf bevel voor een tactiek van verschroeide aarde met een bijzondere nadruk op Duitsland. Dat hield in de meedogenloze verwoesting van alle roerende en onroerende goederen bij de nadering van de vijand. Dit beleid werd gesteund door Bormann, Ley en Goebbels terwijl de diverse onderdelen van de strijdkrachten en de bevoegde ministeries er vierkant tegen waren.
Dr. FLÄCHSNER: Omdat deze pogingen van Speer, het toepassen van maatregelen ter verwoesting die enorm waren uitgebreid te voorkomen, ook golden voor die gebieden die werden beschouwd als onderdeel van het Grossdeutsches Reich, zoals Pools Opper-Silezië, Elzas-Lotharingen, Oostenrijk, de Protectoraten Bohemen en Moravië zou ik graag zien dat dit onderwerp wordt toegelaten als onderdeel van mijn bewijsvoering.
Meneer Speer, hadden de legercommandanten in het Grootduitse gebied dat ik zojuist heb omschreven de bevoegdheid om bevelen ter verwoesting uit te voeren?
SPEER: Nee. Waar het de industrie betrof lag die bevoegdheid bij mij. Bruggen, sluizen, spoorwegen en dergelijke waren een zaak voor de Wehrmacht.
Dr. FLÄCHSNER: Maakte u bij uw maatregelen ter bescherming van de industrie onderscheid tussen het gebied van het zogenaamde Altreich en de gebieden die er na 1933 aan werden toegevoegd?
SPEER: Nee. Het industriegebied van Opper-Silezië, de resterende districten in Polen, Bohemen, Moravië, Elzas-Lotharingen en Oostenrijk werden op dezelfde manier tegen verwoesting beschermd als de gebieden in Duitsland. Ik trof de nodige regelingen ter plaatse in de vorm van persoonlijke decreten – in het bijzonder in de gebieden in het Oosten.
Dr. FLÄCHSNER: Welke stappen ondernam u tegen de tactiek van de verschroeide aarde?
SPEER: Ik keerde op 14 september 1944 terug van een reis naar het Westelijke front en trof een besluit aan op grond waarvan alles meedogenloos moest worden verwoest. Ik vaardigde onmiddellijk een tegenbesluit uit waarin ik officieel bevel gaf dat alle industriële installaties moesten worden gespaard. Destijds was ik zeer verontrust over het feit dat er nu in Duitsland, in een hopeloze oorlogstoestand fabrieken moesten worden verwoest en ik was des te meer verontrust omdat ik erin geslaagd was, de industrie in de bezette landen in het Westen voor verwoesting te behoeden.
Dr. FLÄCHSNER: Ik zou in dit verband een document willen indienen, een decreet van Speer van 14 september 1944 ter bescherming van de industrie. Het staat op pagina 58 van de Engelse tekst in mijn documentenboek; bewijsstuk 17.
Meneer Speer, slaagde u erin, dit bevel te laten uitvoeren?
SPEER: De tactiek van de verschroeide aarde werd officieel aangekondigd in de Völkische Beobachter en op hetzelfde moment in een officieel artikel van de Reichspressechef zodat ik me goed realiseerde dat mijn tegenbesluit niet lang effectief kon zijn. In dit verband gebruikte ik een methode die misschien typisch is voor de manier waarop die door Hitler's naaste kringen werd gebruikt. Om hem af te houden van de tactiek van de verschroeide aarde maakte ik gebruik van het vertrouwen dat hij bij al zijn medewerkers inboezemde dat de verloren gebieden zouden worden heroverd. Ik liet hem kiezen tussen twee situaties: Ten eerste, wanneer deze industriegebieden verloren gingen zou mijn wapenproductie dalen als ze niet werden heroverd en ten tweede, als ze werden heroverd zouden ze ons alleen maar van nut zijn als we ze niet hadden verwoest.
Dr. FLÄCHSNER: U schreef daarop een brief aan Bormann.
Ik zou deze brief willen indienen als bewijsstuk 18, Meneer de President; pagina 39 van de Engelse tekst van het documentenboek. Deze telex ......
SPEER: Ik meen dat we het citeren achterwege kunnen laten.
Dr. FLÄCHSNER: Ja. U stuurde deze telex aan Bormann voordat u de inhoud met Hitler had besproken?
SPEER: Ja, ik zou het willen samenvatten .....
De PRESIDENT: Wilt u de Franse pagina ook noemen zodat de Franse leden hem ook kunnen lezen?
Dr. FLÄCHSNER: Het is pagina 56 van de Franse tekst in het documentenboek.
SPEER: Hitler keurde de tekst die ik hem voorstelde goed, waarin ik hem de keus gaf ofwel de oorlog als verloren te beschouwen ofwel de gebieden intact te laten. Voorlopig dreigde er in elk geval geen gevaar omdat de fronten stabiel bleven. Hitler hield in het bijzonder vast aan de verwoesting van de Minette ijzermijnen in Frankrijk, maar in dit geval slaagde ik er ook in, zoals uit het document kan worden opgemaakt, de verwoesting van deze mijnen te voorkomen – alweer door Hitler's hoop te vestigen op een geslaagde tegenaanval.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, het document waarnaar beklaagde zojuist verwees is een uittreksel uit het Führerbefehl van 18 en 20 augustus 1944 en ik dien het in als bewijsstuk Speer-19. Het is opgenomen in de bijlage van mijn documentenboek, pagina 101.
Meneer Speer, hoe kwam dit bevel tot stand?
SPEER: Dat heb ik u al verteld.
Dr. FLÄCHSNER: De term "verlammen" komt regelmatig voor in uw documenten betreffende industriële installaties en zovoorts. Wilt u het Tribunaal vertellen wat u met deze term bedoelt?
SPEER: Ik kan u alleen kort zeggen dat het hier gaat om het verwijderen van bepaalde onderdelen, waardoor de fabriek tijdelijk stil komt te liggen; maar deze onderdelen werden niet vernietigd, ze werden alleen maar verborgen.
Dr. FLÄCHSNER: U benadrukte enkele minuten geleden dat u tot januari 1945 de hoogst mogelijke productie van wapens probeerde te bereiken. Wat waren uw redenen voor het opgeven van die poging na januari 1945?
SPEER: Vanaf 1945 begint er een erg onplezierig hoofdstuk: de laatste fase van de oorlog en het realiseren dat Hitler het lot van de Duitse bevolking aan zijn eigen lot had gekoppeld; en vanaf maart 1945 het realiseren dat Hitler van plan was de middelen van bestaan van zijn eigen volk opzettelijk te vernietigen als de oorlog werd verloren. Ik ben niet van plan mijn eigen acties tijdens die fase van de oorlog te gebruiken voor mijn persoonlijke verdediging maar dit is een erezaak en die moet worden verdedigd en om die reden zou ik in het kort iets over die periode willen zeggen.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, hoe was eind januari de toestand van de productie in de diverse sectoren die onder uw gezag vielen?
SPEER: De productie van brandstof was al totaal onvoldoende geweest vanaf het begin van de aanvallen op de brandstoffabrieken in maart 1944 en de situatie verbeterde daarna niet. Al in november 1944 was door de bombardementen op ons transportsysteem het Roergebied uitgeschakeld als bron van grondstoffen voor Duitsland en door het succesvolle Sovjet offensief in de kolengebieden van Opper-Silezië was het grootste deel van onze kolenaanvoer uit dat gebied sinds midden januari 1945 afgesneden.
We konden dus precies uitrekenen wanneer de economie ineen zou storten; we hadden een punt bereikt waarop zelfs wanneer de vijand zijn operaties geheel zou beëindigen, de oorlog spoedig verloren zou zijn omdat het Reich vanwege het gebrek aan kolen aan de rand van een economische ineenstorting stond.
Dr. FLÄCHSNER: In dit verband dien ik een memorandum in, bewijssstuk Speer-20, dat Hitler op 11 december 1944 van Speer ontving. Meneer de President, u kunt een uittreksel vinden op pagina 64 van het Engelse documentenboek, pagina 61 van het Franse en het Duitse boek. Er staat en ik citeer:
"Gezien de hele economische structuur van het Reich is het duidelijk dat het verlies van het industriegebied in Rijnland-Westfalen op de lange duur een ramp zal betekenen voor de hele Duitse economie en de verdere succesvolle voortzetting van de oorlog.
Dit zou in feite het totale verlies van het Roergebied betekenen voor zover het de Duitse economie betreft, met uitzondering van artikelen die plaatselijk in de regio worden geproduceerd.....
Het is overbodig de gevolgen voor het hele Duitse Reich te bespreken als het Roergebied verloren gaat........"
Op 15 december 1944, in verband met het Ardennenoffensief dat toen aanstaande was, wees Speer Hitler tot in bijzonderheden op de gevolgen die een mogelijk verlies van Opper-Silezië met zich mee zou brengen. In dit verband dien ik in Speer's memorandum – pagina 102 van het aanvullende deel van mijn documentenboek in de Engelse tekst en op dezelfde pagina van de Franse tekst. Dit is een uittreksel uit een memorandum gericht aan de Chef van de Generale Staf van het Leger, gedateerd 15 december 1944, bewijsstuk 21.
SPEER: Dit memorandum was ook aan Hitler gericht.
Dr. FLÄCHSNER: Het is niet nodig uit dit memorandum te citeren. Er wordt op gewezen dat een mogelijk verlies van Opper-Silezië zelfs na enkele weken al ieder gevecht onmogelijk zou maken en dat de Wehrmacht op geen enkele manier met wapens kon worden bevoorraad. Een groot deel van Opper-Silezië ging kort daarna ook werkelijk verloren.
Op 30 januari 1945 zond Speer nogmaals een memorandum aan Hitler – pagina 67 van de Engelse tekst van het documentenboek, pagina 64 van de Franse. Ik dien dit document in als bewijsstuk 22 en ik citeer slechts het volgende:
"Na het verlies van Opper-Silezië zal de Duitse wapenindustrie niet langer in een positie zijn om ook maar te voldoen aan een fractie van de behoeften van het front met betrekking tot munitie, wapens, tanks, verliezen aan het front en materiaal voor nieuwe eenheden."
Bij wijze van bijzondere nadruk volgt deze zin en ik citeer:
"Het materiële overwicht van de vijand kan daarom niet langer worden gecompenseerd, zelfs niet door de moed van onze soldaten."
Meneer Speer, wat bedoelde u met de laatste zin die ik citeerde?
SPEER: Destijds verkondigde Hitler de leus dat bij de verdediging van het vaderland de moed van de soldaten enorm zou toenemen en dat omgekeerd de Geallieerde troepen, na de bevrijding van de bezette gebieden, minder wil zouden hebben om te vechten. Dat was ook het belangrijkste argument dat Goebbels en Bormann gebruikten om de inzet van alle middelen voor de verheviging van de strijd te rechtvaardigen.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, adviseerden andere bronnen Hitler op dezelfde manier zoals u dat deed?
SPEER: In dit verband zal ik enkele punten gelijktijdig behandelen. Guderian, de Chef Staf van het leger bracht destijds verslag uit aan Von Ribbentrop om hem te vertellen dat de oorlog was verloren. Von Ribbentrop meldde dit aan Hitler. Hitler zei toen begin februari tegen Guderian en mij dat pessimistische uitspraken van het karakter zoals die in mijn memorandum staan of de stap die Guderian had gezet richting de Reichsaussenminister in het vervolg als hoogverraad zouden worden beschouwd en als zodanig worden bestraft. Bovendien verbood hij enkele dagen later tijdens een Lagebesprechung zijn andere naaste medewerkers uitspraken te doen over de hopeloosheid van de situatie. Iedereen die zich daar niet aan hield zou zonder onderscheid van rang of positie worden geëxecuteerd en zijn gezin gearresteerd.
De uitspraken die Guderian en ik tegenover Hitler deden over de hopeloosheid van de oorlogssituatie hadden net het tegenovergestelde effect als wat wij ervan verwachtten. Begin februari, enkele dagen voor het begin van de Conferentie van Yalta riep Hitler zijn perschef bij zich en gaf hem, in mijn aanwezigheid, opdracht om in de meest duidelijke termen en in de hele Duitse pers de intentie van Duitsland aan te kondigen nooit te zullen capituleren. Hij verklaarde op hetzelfde moment dat hij dit deed zodat de Duitse bevolking in geen geval een aanbod van de vijand zou accepteren. De te gebruiken taal moest zo sterk zijn dat vijandelijke staatslieden alle zin zouden verliezen om een wig te drijven tussen hem en de Duitse bevolking.
Op hetzelfde moment verkondigde Hitler nogmaals aan het Duitse volk de leuze: "Sieg oder Vernichtung." Al deze gebeurtenissen vonden plaats op een tijdstip waarop het hem en ieder intelligent lid van zijn kring duidelijk had moeten zijn dat het enige wat er zou kunnen gebeuren "Vernichtung" zou zijn.
Op een bijeenkomst van Gauleiter in de zomer van 1944 had Hitler al verklaard – en Von Schirach is mijn getuige hiervoor – dat wanneer het Duitse volk in de strijd zou worden verslagen dan zou het te zwak geweest zijn, had zijn waarde voor de historie niet kunnen bewijzen en was voorbestemd te worden vernietigd. Nu, in die hopeloze toestand die in januari en februari 1945 heerste, maakte Hitler opmerkingen die aantoonden dat deze eerdere uitspraken niet alleen maar pareltjes van retoriek waren geweest. In deze periode schreef hij de uitkomst van de oorlog in steeds grotere mate toe aan het falen van de Duitse bevolking, maar gaf zichzelf er nooit de schuld van. Hij had ernstige kritiek op het vermeende falen van onze bevolking die tijdens deze oorlog zulke grote offers had gebracht.
Dr. FLÄCHSNER: Generaloberst Jodl heeft voor dit Hof al getuigd dat zowel Hitler als zijn medewerkers de hopeloosheid van de militaire en economische situatie duidelijk inzagen.
Werd er door sommige van Hitler's naaste adviseurs in deze uitzichtloze situatie geen gezamenlijke actie ondernomen om een beëindiging van de oorlog te eisen?
SPEER: Nee. Er werd door de leidende figuren in Hitler's kringen geen gezamenlijke actie ondernomen. Een dergelijke stap was volkomen ondenkbaar want deze mannen beschouwden zich als echte specialisten of anders als mensen wiens taak het was, bevelen op te volgen – of zich anders bij de situatie neer te leggen. Niemand nam in deze situatie de leiding op zich met als doel om tenminste een discussie met Hitler op gang te brengen over de mogelijkheid, verdere offers te voorkomen.
Aan de andere kant was er een invloedrijke groep die met alle hen ter beschikking staande middelen probeerde de strijd te verhevigen. Die groep bestond uit Goebbels, Bormann en Ley en zoals gezegd Fegelein en Burgsdorff. Deze groep zat ook achter het plan om Hitler te bewegen de Conventie van Genève te verlaten. Begin februari overhandigde Dr. Goebbels een zeer scherp memorandum aan Hitler waarin de uittreding uit de Conventie van Genève werd geëist. Hitler had al met dit voorstel ingestemd zoals Naumann, de staatssecretaris van Goebbels mij vertelde. Deze stap betekende dat de strijd met alle beschikbare middelen moest worden voortgezet zonder acht te slaan op internationale overeenkomsten. Dat was de geest van het memorandum dat Goebbels aan Hitler richtte.
Het moet echter worden gezegd dat dit plan van Hitler en Goebbels faalde vanwege de eendrachtige tegenstand die door de militaire leiders werd geboden, zoals Naumann mij later ook vertelde.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, getuige Stahl heeft in zijn schriftelijke vragenlijst gezegd dat u hem ongeveer midden februari om een voorraad van het nieuwe gifgas had gevraagd met het doel Hitler, Bormann en Goebbels te vermoorden. Waarom was u dat eigenlijk van plan?
SPEER: Ik vond dat er geen andere uitweg was. In mijn wanhoop wilde ik die stap zetten om dat het mij vanaf begin februari duidelijk was geworden dat Hitler ten koste van alles de oorlog wenste voort te zetten, meedogenloos en zonder zich iets van de Duitse bevolking aan te trekken. Het was mij duidelijk dat hij bij het verliezen van de oorlog zijn eigen lot verwarde met dat van de Duitse bevolking en dat hij in zijn eigen einde ook het einde van het Duitse volk zag. Het was ook duidelijk dat de oorlog zo totaal was verloren dat zelfs een onvoorwaardelijke overgave zou moeten worden aanvaard.
Dr. FLÄCHSNER: Wilde u deze aanslag zelf plegen en waarom werd uw plan niet uitgevoerd?
SPEER: Ik wil hier niet getuigen over de details. Ik kon het alleen maar zelf uitvoeren omdat vanaf de 20ste juli slechts een heel beperkte kring mensen nog toegang had tot Hitler. Ik ontmoette diverse technische problemen .....
De PRESIDENT: Het Tribunaal zou de bijzonderheden graag willen vernemen maar zal ze na de schorsing aanhoren.
(de zitting wordt geschorst)

Definitielijst

Arbeitseinsatz
Gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Circa 11 miljoen Europese burgers werden in dit kader opgeroepen om dwangarbeid te verrichten in het Derde Rijk. Niet te verwarren met de Arbeidsdienst, een organisatie opgericht als nationaal-socialistisch vormingsinstituut voor Nederlandse jongeren.
Conventie van Genève
De verzamelnaam voor vier verdragen die in Geneve zijn geformuleerd en die, onderdeel uitmakend van het internationaal recht, de rechtsregels bepaalt voor oorlogstijd. Deze verdragen hielden zich onder andere bezig met de behandeling van oorlogsslachtoffers en gewonde soldaten, de erkenning van het Rode Kruis als beschermd orgaan in oorlogstijd, rechtsregels bij oorlogen op zee, bescherming van krijgsgevangenen en burgers in oorlogstijd.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gau
Door de NSDAP ingesteld landsdistrict van het Duitse Rijk.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
ideologie
Het geheel van beginselen en ideeën van een bepaald stelsel.
invasie
Gewapende inval.
massaproductie
Het maken van een grote hoeveelheid van hetzelfde produkt.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
Rijnland
Duitstalig na WO I gedemilitariseerd gebied aan de rechteroever van de Rijn dat door Hitler bezet werd in 1936.
tactiek van de verschroeide aarde
De methode waarbij bij het terugtrekken alles wordt vernietigd wat de vijand maar van nut zou kunnen zijn.
totale oorlog
Een oorlog waarbij ook de burgerbevolking betrokken is en waarin alles in dienst is gesteld van de oorlogsvoering.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Middagzitting 2

Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, wilt u het Tribunaal vertellen welke factoren u verhinderden uw plan uit te voeren?
SPEER: Ik ben hoogst onwillig om de bijzonderheden te beschrijven want er is altijd iets afschrikwekkends aan dergelijke kwesties. Ik doe het alleen maar omdat het de wens van het Tribunaal is.
Dr. FLÄCHSNER: Gaat u alstublieft verder.
SPEER: In die dagen had Hitler na de Lagebesprechung vaak gesprekken in zijn bunker met Ley, Goebbels en Bormann die bijzonder dicht bij hem stonden omdat zij zijn radicale acties steunden en eraan meewerkten. Na de 20ste juli kwamen zelfs Hitler's allernaaste medewerkers de bunker niet in voordat hun zakken en tassen door de SS waren onderzocht op explosieven. Als architect kende ik deze bunker grondig. Hij had een luchtverversingsinstallatie, net zo een als in deze rechtszaal is geplaatst.
Het zou niet moeilijk zijn het gas in de ventilator van de luchtverversingsinstallatie, die in de tuin van de Reichskanzlei stond, te laten stromen. Dat gas zou zich dan zeker binnen een heel korte tijd door de hele bunker verspreiden. Daarom liet ik midden februari 1945 Stahl bij mij komen, de chef van mijn hoofdafdeling "Munitie," met wie ik een bijzonder nauwe band had omdat ik nauw met hem had samengewerkt tijdens de voorbereidingen voor de verwoestingen. Ik vertelde hem openlijk over mijn bedoelingen, zoals zijn getuigenis aantoont. Ik vroeg hem mij dit nieuwe gifgas te bezorgen uit de productie van munitie. Hij deed navraag bij een van zijn medewerkers, Oberstleutnant Stoika van het Heereswaffenamt hoe aan dit gas te komen; het bleek dat dit nieuwe gas alleen werkzaam was wanneer het tot ontploffing gebracht werd omdat daardoor de hoge temperatuur kon worden bereikt die nodig was voor de vorming van het gas. Ik weet niet of ik nu te diep op bijzonderheden in ga.
Een explosie was echter niet mogelijk omdat deze verversingsinstallatie was gemaakt van dunne platen zink die aan stukken zouden worden geblazen door de explosie. Daarop voerde ik vanaf midden maart 1945 overleg met Hanschel, het hoofd onderhoud van de Reichskanzlei. Door dit overleg kon ik er voor zorgen dat de anti-gasfilters niet voortdurend zouden zijn ingeschakeld. Op die manier zou ik het normale soort gas hebben kunnen gebruiken. Natuurlijk had Hanschel geen idee van de bedoeling van het overleg dat ik met hem had. Toen de tijd daar was, inspecteerde ik met Hanschel het ventilatiekanaal in de tuin van de kanselarij en daar ontdekte ik dat op persoonlijk bevel van Hitler deze ventilator kort geleden in een vier meter hoge schoorsteen was geplaatst. Dat kan nu nog worden nagegaan. Vanwege dat was het niet langer mogelijk mijn plan uit te voeren.
Dr. FLÄCHSNER: Ik kom nu toe aan een andere kwestie, Meneer Speer. U hebt de verklaringen van de getuigen Riecke en Milch in deze rechtszaal gehoord en zij hebben al getuigd over uw activiteiten na het midden van februari 1945; uw activiteiten om de voedselpositie veilig te stellen. Wat hebt u zelf te zeggen over uw activiteiten in die richting?
SPEER: Ik kan in het kort zeggen dat de extra voedselvoorziening die ik uiteindelijk op gang bracht, destijds geregeld werd met het doel de omschakeling van oorlog naar vrede. Dit ging ten koste van de wapenproductie waarvan ik persoonlijk de vertegenwoordiger was. Het enorme aantal maatregelen dat we invoerden zou veel te groot zijn om hier te behandelen. Al die decreten zijn nog beschikbaar. Het was, in tegenstelling tot het officiële beleid een kwestie van regelen dat kort voor hun bezetting, de grote steden met voldoende voedsel zouden worden bevoorraad en dat iedere maatregel moest worden genomen, ondanks de rampzalige transportproblemen, om de oogst van 1945 veilig te stellen door de zaden op tijd te verzenden wat toen een groot probleem was. Zouden de zaden een paar weken te laat zijn aangekomen dan zou de oogst uitzonderlijk slecht geworden zijn. Deze maatregelen hadden natuurlijk een direct nadelig effect op de wapenproductie dat niet gemeten kan worden. Maar hoe dan ook, de wapenfabrieken konden alleen met hun reserves de productie op peil houden tot half maart, daarna was er geen noemenswaardige productie van wapens meer. Dit was te wijten aan het feit dat we maar 20 tot 30 % van de transportcapaciteit ter beschikking hadden, die ook nog noodzakelijk maakte dat voedseltransport voorrang kreeg op wapens. Daarom was er praktisch gezien geen sprake van transport van wapens.
Dr. FLÄCHSNER: Was het mogelijk op grote schaal dergelijke maatregelen te nemen, die duidelijk in tegenstrijd waren met het officiële oorlogsbeleid van "Widerstand bis zum Ende"? Waren er eigenlijk wel mensen die bereid waren dergelijke maatregelen zoals u die voorstelde goed te keuren en in praktijk te brengen?
SPEER: Al die maatregelen waren niet zo moeilijk; en ze waren ook niet zo gevaarlijk als men misschien zou denken want in die dagen – na januari 1945 - kon in Duitsland iedere redelijke maatregel worden genomen, tegen het officiële beleid in. Iedere verstandige man verwelkomde dergelijke maatregelen en was tevreden wanneer iemand anders er de verantwoording voor wilde nemen. Al die gesprekken vonden plaats binnen een grote kring deskundigen. Elk van de deelnemers kende de betekenis van die orders zonder dat het ooit hardop werd gezegd. In die dagen had ik ook nauwe contacten met betrekking tot andere gelijksoortige maatregelen met de staatssecreataris van de Ministeries van Transport, van Voedsel, van Propaganda en later zelfs met de staatssecretaris van de Partijkanselarij, Bormann zelf dus. Dat waren allemaal oude partijleden en ondanks dat deden ze hun plicht jegens het land destijds anders dan de manier waarop veel kopstukken in de Partij het deden. Ik hield ze – ondanks Hitler's verbod – voortdurend op de hoogte van de ontwikkelingen in de militaire situatie en op die manier was er veel dat we konden doen om de krankzinnige orders van die dagen te ontduiken.
Dr. FLÄCHSNER: In welke sectoren zag u een gevaar voor het merendeel van de Duitse bevolking bij voortzetting van de oorlog?
SPEER: Tegen midden maart kwamen de vijandelijke troepen weer in beweging. Het was toen meer dan duidelijk dat die gebieden die nog niet waren bezet zeer spoedig bezet zouden worden. Dat omvatte de gebieden in Pools Opper-Silezië en andere buiten de grenzen van het Altreich. De bevolen verwoesting van alle bruggen tijdens de terugtocht was in feite het grootste gevaar want een brug die door de genie is opgeblazen is veel moeilijker te herstellen dan een brug die door een luchtaanval is verwoest. Een voorgenomen verwoesting van bruggen komt neer op de verwoesting van het hele dagelijks leven van een moderne staat.
Bovendien begonnen vanaf eind januari radicale elementen in de Partij de verwoesting van de industrie te eisen en Hitler was ook van mening dat dit zou moeten gebeuren. In februari 1945 stopte ik daarom de productie en levering van zogenaamde industriële explosieven. De bedoeling ervan was dat de voorraden explosieven in mijnen en in privé bezit uitgeput zouden raken. Zoals een van mijn getuigen heeft verklaard werden deze orders ook werkelijk uitgevoerd. Half maart probeerden Guderian en ik nogmaals om de voorgenomen verwoesting van bruggen tegen te houden of tenminste tot een minimum te beperken. Een daartoe strekkende order werd aan Hitler overhandigd die hem resoluut afwees, in tegendeel, hij eiste verscherpte orders voor de verwoesting van bruggen. Tegelijkertijd liet hij op 18 maart 1945 acht officieren executeren omdat ze verzuimd hadden hun plicht te doen bij het opblazen van een brug. Hij meldde deze gebeurtenis in een Wehrmachtbericht zodat het als voorbeeld zou dienen voor andere gevallen. Het was dus uiterst moeilijk om orders voor het opblazen van bruggen niet op te volgen.
Ondanks het nog steeds geldende verbod stuurde ik op 18 maart 1945 een nieuw memorandum aan Hitler, de inhoud ervan was zeer duidelijk en ik liet hem geen mogelijkheid voor verdere excuses voor de maatregelen die hij van plan was te nemen. Het memorandum werd onder de aandacht van veel van zijn medewerkers gebracht.
Dr. FLÄCHSNER: Het Tribunaal zal uittreksels uit dat memorandum kunnen vinden op pagina 69 van de Engelse tekst van het documentenboek, bewijsstuk Speer-23.
Wilt u alstublieft verder gaan?
SPEER: Ik zal iets meer uit dat memorandum citeren, op pagina 69, Meneer de President:
"De vijandelijke luchtmacht heeft zich verder op de transportfaciliteiten geconcentreerd. Doelmatig vervoer is daardoor aanzienlijk afgenomen..... Binnen 4 tot 8 acht weken moet de uiteindelijke ineenstorting van de Duitse economie dan ook met zekerheid worden verwacht........ Na die ineenstorting kan de oorlog zelfs militair niet worden voortgezet..... Wij aan het hoofd hebben de plicht de natie te helpen in de moeilijke tijden die te verwachten zijn. In dit verband moeten wij nuchter en zonder acht te slaan op ons lot ons afvragen hoe dit zelfs in een verdere toekomst kan worden gedaan. Als de tegenstander de natie en haar middelen van bestaan wil vernietigen dan moet hij dat zelf doen. Wij moeten er alles aan doen om zelfs misschien op de meest primitieve manier een basis voor het voortbestaan van de natie tot op het laatst te handhaven."
Dan volgen er enkele van mijn eisen en ik zal ze kort samenvatten. Ik citeer:
"Er moet worden gegarandeerd dat wanneer de strijd zich verder over het grondgebied van het Reich uitbreidt, niemand het recht heeft om fabrieken, kolenmijnen, krachtcentrales en andere fabrieken, evenals transportfaciliteiten, binnenlandse scheepvaartroutes en dergelijke te vernietigen. Het opblazen van bruggen in de mate zoals die is voorbereid zou betekenen dat de infrastructuur nog grondiger wordt verwoest dan door de luchtaanvallen van de laatste jaren al is gebeurd. De vernietiging daarvan betekent het wegnemen van iedere verdere mogelijkheid op voortbestaan van de Duitse natie."
Dan zal ik in het kort het slot van het memorandum aanhalen:
"Wij hebben in deze fase van de strijd niet het recht van onze kant verwoestingen uit te voeren die het leven van de bevolking aantasten. Als de vijanden deze natie, die met uitzonderlijke moed heeft gestreden, wensen te vernietigen dan zal deze historische schande uitsluitend op hen rusten. Wij hebben de plicht onze natie alle mogelijkheden te laten die in een verdere toekomst een wederopbouw veilig zouden kunnen stellen."
Dit drukte duidelijk genoeg iets uit wat Hitler in elk geval moest weten omdat men niet veel economisch inzicht hoeft te hebben om te zich te realiseren wat de gevolgen van een dergelijke vernietiging voor de toekomst van onze natie zou betekenen.
Bij de overhandiging van dit memorandum kende Hitler de inhoud al want ik had die al met enkele van zijn medewerkers besproken. Daarom zijn zijn verklaringen kenmerkend voor zijn houding ten opzichte van deze principiële kwestie.
Ik zou de ernstige beschuldigingen die ik hier heb geüit door te zeggen dat hij Duitsland met zich in de afgrond wilde storten niet hebben gedaan als ik zijn desbetreffende verklaringen in de brief van 29 maart 1945 niet had bevestigd.
De PRESIDENT: Bedoelt u mei of maart?
SPEER: Maart 1945, Meneer de President.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, u kunt dit document vinden op pagina 75 van de Engelse tekst van het documentenboek en dat is pagina 72 van de Franse tekst. Ik dien het in als bewijsstuk 24. Het is Speer's brief aan Hitler van 29 maart 1945.
Wilt u alsublieft verder gaan?
De PRESIDENT: Moet u die brief niet voorlezen?
Dr. FLÄCHSNER: De beklaagde wenst hem zelf voor te lezen. Wilt u hem voorlezen?
SPEER: Ik citeer:
"Toen ik op 18 maart mijn brief aan u overhandigde had ik de vaste overtuiging dat ik de conclusies die ik had getrokken uit de huidige situatie voor het handhaven van onze nationale kracht uw onvoorwaardelijke instemming zouden krijgen, omdat uzelf eens hebt bepaald dat het de taak van de regering was de natie voor een dramatisch einde te behoeden als de oorlog verloren zou worden."
"Gedurende de avond deed u echter uitspraken tegen mij waarvan de strekking was, tenzij ik u verkeerd begrepen heb: Als de oorlog zou worden verloren, zou de natie ook ten onder gaan. Dit feit is onvermijdelijk. Er bestaat geen noodzaak rekening te houden met de basis die het volk nodig zou hebben het meest primitieve bestaan voort te zetten. In tegendeel, het zou beter zijn deze dingen zelf te vernietigen omdat deze natie zal hebben bewezen de zwakste te zijn en de toekomst behoort uitsluitend aan de sterkere natie in het oosten. Bovendien zouden degenen die na de strijd achterblijven slechts de minderwaardigen zijn want de goeden zijn gedood." Ik citeer verder: "Na deze woorden was ik diep geschokt en toen ik de volgende dag het "Nerobefehl" las en kort daarna de strikte order tot evacuatie zag ik hierin de eerste stap op weg naar het realiseren van deze bedoelingen.......
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, mag ik in dit verband indienen een document als een document van Speer, de order tot vernietiging (het Nerobefehl, Vert.) van Hitler, gedateerd 19 maart 1945, dat het Tribunaal kan terugvinden op pagina 73 van de Franse en pagina 76 van de Engelse tekst van het documentenboek.
Ik dien ook bij het Tribunaal in het uitvoeringsbevel voor het verkeer en het communicatiesysteem dat u kunt vinden op pagina 78 van de Engelse en pagina 75 van de Franse tekst. Die worden bewijsstuk Speer-26.
Dan dien ik in de order voor verwoesting en evacuatie van Bormann, gedateerd 23 maart 1945 dat staat op pagina 102 van mijn documentenboek. Het laatstgenoemde document heeft het nummer bewijsstuk Speer-27.
Meneer Speer wilt u, omdat deze orders technische termen bevatten, de inhoud kort samenvatten voor het Tribunaal?
De PRESIDENT: U zei dat het laatste op pagina 102 van het tweede deel staat. In mijn deel staat daar een document van Generaal Guderian van 15 december 1944.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, ik vraag excuus, ik heb een vergissing gemaakt. Het is niet pagina 102, het zijn de paginas 93 en 94. Ik vraag excuus. Ik heb het document vandaag pas ontvangen.
Meneer Speer, wilt u deze orders kort verklaren?
SPEER: Ik kan ze heel kort samenvatten. Ze gaven bevel aan de Gauleiter om alle industriële installaties, alle belangrijke krachtstations, water- en gaswerken en zo en ook alle winkels voor voedingswaren en kleding te vernietigen. Mijn gezag was mij met dit bevel uitdrukkelijk ontnomen en al mijn orders voor het behoud van de industrie waren ingetrokken. De militaire autoriteiten hadden bevel gegeven dat alle bruggen moesten worden vernield, en bovendien alle spoorweginstalaties, postsystemen, verbindingssystemen van de Duitse spoorwegen, ook de waterwegen, alle schepen, goederenwagons en alle locomotieven. Het doel was, zoals in een van de besluiten staat vermeld, het scheppen van een verkeerswoestijn.
Het decreet van Bormann hield in de hele bevolking naar het centrum van het Reich te halen, zowel vanuit het Westen als het Oosten en daaronder moesten ook de buitenlandse arbeiders en de krijgsgevangenen vallen. Deze miljoenen mensen moesten te voet op weg worden gestuurd. Er waren geen voorzieningen getroffen voor hun bestaan en die konden gezien de situatie, ook niet worden getroffen.
De uitvoering van deze orders alleen al zou in een onvoorstelbare hongersnood zijn geëindigd. Voeg hieraan toe dat er op 19 maart 1945 een strikte order van Hitler uitging naar alle legergroepen en naar alle Gauleiter dat de strijd moest worden gevoerd zonder rekening te houden met onze eigen bevolking.
Met de uitvoering van deze orders zou Hitler's belofte van 18 maart gestand worden gedaan, namelijk: "Er is geen noodzaak rekening te houden met de basis die het volk nodig zou hebben het meest primitieve bestaan voort te zetten. In tegendeel, het zou beter zijn deze dingen zelf te vernietigen....." Gezien de discipline die in Duitsland heerste in verband met ieder bevel, ongeacht de inhoud, was het te verwachten dat deze orders ook zouden worden uitgevoerd. Deze orders waren ook van toepassing op die gebieden die tot het Grossdeutsches Reich hadden behoord.
Gedurende reizen in de meest bedreigde gebieden en door middel van gespekken met mijn medewerkers probeerde ik nu heel openlijk de uitvoering van deze orders te voorkomen. Ik gaf bevel dat de explosieven die nog in het Roergebied beschikbaar waren in de mijnen moesten worden gegooid en dat de voorraden explosieven op bouwplaatsen verborgen moesten worden.
We deelden machinegeweren uit aan de meest belangrijke fabrieken zodat zij zich tegen vernietiging konden verweren. Ik weet dat dit alles wat overdreven klinkt maar de situatie van toen was zodanig dat wanneer een Gaulleiter het had aangedurfd, de kolenmijnen in het Roergebied te betreden en er een enkel machinegeweer aanwezig zou zijn, hij beschoten zou zijn.
Ik probeerde de plaatselijke legercommandanten te overtuigen van de onzin van de taak die hen was opgedragen om bruggen op te blazen en verder slaagde ik er in gesprekken met de plaatselijke autoriteiten in de meeste van de bevolen evacuaties te voorkomen. In dit verband komt de staatssecretaris van de Partijkanselarij Klopper, de eer toe dat hij de orders tot evacuatie die aan de Gauleiter zouden worden gestuurd een tijd lang achter heeft gehouden.
Toen ik van deze reis terugkwam werd ik onmiddellijk bij Hitler geroepen. Dat was op 29 maart 1945. Ik had opzettelijk zijn orders zo vaak openlijk tegengewerkt en ik had de verloren oorlog met zoveel van zijn Gauleiter besproken dat mijn ongehoorzaamheid hem wel bekend moest zijn geworden. Er zijn getuigen uit die periode beschikbaar die weten dat het dat is wat ik wilde bereiken.
Ik wilde hem niet achter zijn rug bedriegen. Ik wilde hem het alternatief voorleggen. Na het begin van het gesprek zei hij dat hij rapporten had gekregen van Bormann dat ik de oorlog als verloren beschouwde en ondanks zijn verbod er openlijk over had gesproken. Hij eiste dat ik een verklaring zou afleggen dat ik de oorlog niet als verloren beschouwde en ik antwoordde: "De oorlog is verloren." Hij gaf me 24 uur bedenktijd en het was gedurende die 24 uur dat de brief werd geschreven waaruit een uittreksel is geciteerd en die in zijn geheel bij het Tribunaal is ingediend.
Na deze bedenktijd was ik van plan hem die brief te geven als mijn antwoord. Maar hij weigerde hem aan te nemen. Daarop zei ik tegen hem dat hij in de toekomst op mij kon rekenen en op die manier was ik in staat hem ertoe te bewegen mij nogmaals de uitvoering van het vernietigingswerk in handen te geven.
Dr. FLÄCHSNER: Mag ik in dit verband Hitler's bevel van 30 maart 1945 indienen, het Tribunaal kan dat vinden op pagina 83 van de Engelse en pagina 79 van de Franse tekst in het documentenboek. Dat wordt bewijsstuk nummer 28.
Wat deed u toen op grond van deze nieuwe order die u kreeg?
SPEER: Ik liet de tekst opstellen en dat gaf me de gelegenheid om de vernietiging die bevolen was te omzeilen. Ik vaardigde direct een bevel uit waarin ik al mijn orders voor de bescherming van de industrie weer geldig maakte. In dit verband overlegde ik deze nieuwe order niet ter goedkeuring aan Hitler hoewel hij die voorwaarde duidelijk in die order had gesteld.
Tegen de belofte in die ik hem had gedaan, namelijk dat ik onvoorwaardelijk achter hem zou staan, ging ik de volgende dag al weg om Seyss-Inquart op te zoeken, die daarover hier heeft getuigd, en twee andere Gauleiter om hen ook te vertellen dat de oorlog verloren was en om de gevolgen met hen te bespreken.
Bij die gelegenheid vond ik Seyss-Inquart vol van begrip. Zowel mijn decreet ter voorkoming van vernietiging als mijn gesprekken druisten in tegen de belofte die ik Hitler op 29 maart had gedaan. Ik beschouwde dit als mijn natuurlijke plicht.
Dr. FLÄCHSNER: Ik dien als bewijsstuk Speer-29 de instructie in die Speer op 30 maart uitgaf voor de uitvoering van de order die al is genoemd. In het Franse en Duitse documentenboek staat dat op pagina 81 en in het Engelse op pagina 85.
SPEER: Ondanks dat waren de orders voor de vernietiging van bruggen nog steeds van kracht en overal in Duitsland, Oostenrijk, Polen en elders kunt u de gevolgen nu nog zien. Ik maakte vele reizen naar het front en had vele gesprekken met de commandanten van de frontlijn troepen. Misschien heeft dat op een of andere manier verlichting gebracht. Uiteindelijk slaagde ik er op 3 april 1945 in, de commandant van het Korps Verbindingen met een nieuwe order over te halen om tenminste de vernietiging van het telefoon- telegraaf en spoorwegstelsel en de radioverbindingen te verbieden. Tenslotte vaardigde ik op 5 april 6 OKW orders uit onder de naam van Generaal Winter, die in deze rechtszaal getuige is geweest. Deze orders hadden tot doel de belangrijke railverbindingen te behouden. De order bestaat nog steeds. Ik vaardigde deze orders uit via mijn commandokanalen en de kanalen van de Reichsbahn en gezien de enorme stroom van orders destijds zouden zulke orders, waarvoor ik de bevoegdheid niet had ze te geven, tenminste verwarring tot gevolg hebben.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer Speer, een aantal pogingen van uw kant om de oorlog te bekorten zijn aan de pers bekend geworden. Kunt u voor het Hof alstublieft de situatie beschrijven waarop in de pers werd gezinspeeld?
SPEER: Ik wil niet teveel tijd besteden aan dingen die mislukten. Ik probeerde herhaaldelijk Himmler en anderen uit de regering te zetten en hen te dwingen rekenschap af te leggen van hun daden. Om dat en andere plannen uit te voeren voegden acht frontofficieren, allen hoog gedecoreerd, zich bij mij. De staatssecretaris van het Ministerie van Proganda maakte het mij op 9 april mogelijk kort op de Duitse radio te spreken. Alle voorbereidingen waren getroffen maar op het laatste moment hoorde Goebbels ervan en eiste dat Hitler de tekst van mijn toespraak zou goedkeuren. Ik legde een sterk gewijzigde tekst aan hem voor. Maar hij verbood zelfs die sterk gewijzigde tekst.
Op 21 april 1945 had ik de mogelijk om ten eerste een toespraak op te nemen bij de zender in Hamburg. Die moest worden uitgezonden als instructie voor de laatste fase. De opnametechnici eisten echter dat de toespraak pas na Hitler's dood moest worden uitgezonden; dat zou hen namelijk ontslaan van hun eed van trouw aan hem.
Verder stond ik in contact met de stafchef van een legergroep in het Westen, Heeresgruppe Vistula. We waren het er over eens dat er geen slag om Berlijn zou moeten plaatsvinden en dat, in tegenspraak met hun orders, de legers Berlijn links zouden laten liggen. Om te beginnen werd deze order niet uitgevoerd; maar later werden diverse personen met speciale volmachten van Hitler Berlijn uitgestuurd en die slaagden erin enkele divisies Berlijn binnen te loodsen. Aan de oorspronkelijke bedoeling echter dat hele legers Berlijn binnen zouden trekken werd dus geen gevolg gegeven. De stafchef met wie ik deze gesprekken voerde was Generaal Kinzler.
Dr. FLÄCHSNER: Waren deze pogingen begin april en later nog van enig nut?
SPEER: Ja, wij verwachtten dat de oorlog langer zou duren want Churchill had destijds ook al voorspeld dat er pas eind juli 1945 een einde aan de oorlog zou komen.
Dr. FLÄCHSNER: U hebt hier beschreven hoeveel u gedaan heeft om fabrieken en andere economisch belangrijke installaties te behouden. Handelde u ook namens de buitenlandse arbeiders?
SPEER: De industriële sector was mijn verantwoording. Ik achtte het daarom mijn plicht om in de eerste plaats mijn sector onbeschadigd over te dragen. Toch waren enkele pogingen van mij ook in het belang van buitenlandse arbeiders in Duitsland. Op de eerste plaats waren deze buitenlandse arbeiders en krijgsgevangenen, vanwege de maatregelen die ik had genomen om de voedselvoorziening veilig te stellen heel duidelijk ook gebaat bij mijn werk gedurende die laatste fase.
Ten tweede, tijdens plaatselijke gesprekken ter voorkoming van de vernietiging, in tegenspraak met de bevelen tot evacuatie die van de Partij waren ontvangen, gaf ik de buitenlandse arbeiders en krijgsgevangenen de mogelijkheid te blijven waar zij waren. Dergelijke gesprekken vonden op 18 maart in het district rond de Saar plaats en op 28 maart in het Roergebied. Begin maart deed ik het voorstel dat er 500.000 buitenlanders vanuit het Reich gerepatriëerd moesten worden naar de gebieden die we nog in handen hadden, de Nederlanders dus naar Nederland, de Tsjechen naar Tsjechoslowakije. De Reichsbahn weigerde echter de verantwoordelijkheid voor deze transporten op zich te nemen omdat het spoorwegnet al zo beschadigd was dat de uitvoering van dit plan niet langer mogelijk was. Tenslotte, in zowel de toespraak die ik 9 april had willen houden op de Duitse radio en de voorgenomen toespraak in Hamburg wees ik op de plichten die wij in deze laatste fase hadden ten opzichte van de buitenlandse arbeiders, de krijgsgevangenen en de gevangenen uit de concentratiekampen.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, mag ik in dit verband uw aandacht vestigen op pagina 88 van de Engelse tekst; dat is pagina 84 van de Franse en ik dien dit in als bewijsstuk Speer-30.
Meneer Speer, u hebt ons beschreven hoezeer u tijdens de laatste fase van de oorlog tegen Hitler en zijn beleid was. Waarom trad u niet af?
SPEER: Ik had bij drie gelegenheden de kans om af te treden; een keer in april 1944 toen mijn bevoegdheden aanzienlijk waren beperkt; de tweede keer in september 1944 toen Bormann en Goebbels zich voor mijn aftreden verklaarden en de derde keer op 29 maart 1945 toen Hitler zelf eiste dat ik met permanent verlof ging, dat stond gelijk met aftreden. Ik heb al deze mogelijkheden niet benut omdat ik vanaf juli 1944 vond dat het mijn plicht was op mijn post te blijven.
Dr. FLÄCHSNER: Er is hier in deze rechtszaal getuigd over het feit dat de laatste fase van de oorlog, dat wil zeggen vanaf januar1945 gerechtvaardigd was gezien vanuit het oogpunt dat de natie moest worden behoed voor onnodige offers. Was u die zelfde mening toegedaan?
SPEER: Nee. Er werd gezegd dat militaire bescherming tegen het Oosten nodig zou zijn geweest om vluchtelingen te beschermen. In werkelijkheid werd tot midden april 1945 het grootste deel van onze laatste reserves aan tanks en munitie ingezet voor de strijd in het Westen. Het tactische principe verschilde dus van dat wat het geweest had moeten zijn als de strijd zou zijn gevoerd met de doelen die hier zijn genoemd. De verwoesting van de bruggen in het Westen en de bevelen tot vernietiging van de basis voor het voortbestaan van onze natie tonen het tegendeel aan. De offers die aan beide zijden vanaf januari 1945 werden gebracht waren zinloos. De doden van deze periode zijn de aanklagers van de man die verantwoordelijk is voor de voortzetting van die strijd, Adolf Hitler. Hetzelfde geldt voor de verwoeste steden die in deze laatste fase enorme culturele waarden moesten verliezen en waar ontelbare woningen werden verwoest. Veel van de moeilijkheden waar de Duitse natie vandaag de dag mee te kampen heeft zijn te wijten aan de meedogenloze vernietiging van bruggen, transportfaciliteiten, vrachtwagens, locomotieven en schepen. Het Duitse volk bleef tot het einde trouw aan Adolf Hitler. Hij verried hen opzettelijk. Hij wilde hen definitief mee de afgrond in sleuren. Pas na 1 mei 1945 probeerde Dönitz verstandig op te treden maar toen was het al te laat.
Dr. FLÄCHSNER: Ik heb een laatste vraag.
Was het voor u mogelijk om uw acties tijdens de laatste fase van de oorlog in overeenstemming te brengen met uw eed en uw opvatting van trouw jegens Adolf Hitler?
SPEER: Er is maar een loyaliteit die iedereen altijd moet behouden en dat is de trouw aan het eigen volk. Die plicht gaat voor alles. Als ik mij in een leidende positie bevind en ik zie dat er op een dergelijke manier tegen de belangen van de staat wordt gehandeld, dan moet ik ook handelen. Dat Hitler zijn trouw aan de natie had gebroken moet aan ieder verstandig lid van zijn kring duidelijk zijn geweest, zeker op het laatst in januari of februari 1945. Deze missie was eens door het volk aan Hitler gegeven, hij had het recht niet het lot van het volk samen met zijn eigen lot te vergokken. Daarom vervulde ik mijn natuurlijke plicht als Duitser. Ik ben niet overal in geslaagd maar vandaag ben ik verheugd dat ik door mijn werk in staat ben geweest nog een dienst te bewijzen aan de arbeiders in Duitsland en in de bezette gebieden.
Dr. FLÄCHSNER: Meneer de President, ik ben nu aan het einde gekomen van mijn verhoor van beklaagde Speer. Mag ik misschien de aandacht van het Tribunaal erop vestigen dat verklaringen rond dit thema, het onderwerp van de zitting van vanmiddag, zijn afgelegd door de getuigen Kehrl in zijn vragenlijst onder punt 10 en 12; door Rohland onder 5, 6 en 8; Schieber onder 25, Guderian onder 1 tot en met 3, 7 tot en met 9 en op punt 6; Stahl, door Speer genoemd onder de punten 1 en 22 van zijn getuigenis en Kempf onder punt 10 van haar getuigenis.
Nog zijn niet binnengekomen een vragenlijst van getuige Malzacher en een – die van groot belang is voor de verdediging – van getuige Von Poser want hij was de verbindingsofficier tussen de Generale Staf van het leger en Speer's Ministerie; deze zullen worden ingediend zodra die zijn ontvangen. Verder staat nog uit de vragenlijsten van Generaal Buhle, die Stafchef was van het leger en die van Kolonel Baumbach, commandant van een bommenwerpersquadron. De resterende documenten zal ik aan het einde van het laatste verhoor van beklaagde Speer bij het Tribunaal indienen.

De PRESIDENT: Wenst een van de andere raadsheren van beklaagden vragen te stellen?
Dr. ROBERT SERVATIUS (raadsman van Fritz Sauckel): Beklaagde, waren er tijdens de onderhandelingen in Parijs die Sauckel in 1943 en 1944 voerde met Laval vertegenwoordigers van uw departement aanwezig en steunden zij Sauckels eisen?
SPEER: Tijdens deze onderhandelingen waren er soms vertegenwoordigers van mijn departement aanwezig. Zij waren aanwezig met als doel de Sperrwerke te beschermen en ook om er voor te zorgen dat er geen inbreuk werd gemaakt op de productie die ik wilde beschermen.
Dr. SERVATIUS: Deze vertegenwoordigers waren er dus niet om Sauckels eisen te ondersteunen maar zij waren daar tegen?
SPEER: Het was de taak van deze vertegenwoordigers niet om voor of tegen Sauckels eisen te zijn want Sauckel stelde zijn eisen op een dusdanig resolute manier dat een lagere anbtenaar niet in een positie was zich op een of andere manier voor of tegen deze eisen uit te spreken. Dit zou een taak geweest zijn die ik zelf zou hebben moeten uitvoeren.
Dr. SERVATIUS: Deze vertegenwoordigers vervulden dus geen enkele taak?
SPEER: Mijn vertegenwoordigers waren vertegenwoordigers uit de bewapeningsindustrie, uit de zware wapenindustrie en de oorlogsindustrie in de bezette gebieden en als zodanig hadden zij hun eigen bijzondere taken.
Dr. SERVATIUS: Beklaagde, hebt u in 1943 op eigen initiatief en zonder overleg met Sauckel 50.000 Franse arbeiders van de Organisation Todt naar het Roergebied over laten brengen?
SPEER: Ja, dat is waar. Na de aanvallen op de Mohnedam en de Ederdam in april en mei 1943 ging ik er heen en gaf toen bevel dat een bijzondere ploeg uit de Organisation Todt het herstel van deze dammen over zou nemen. Ik deed dit omdat ik ook de machines en de technische staf ter plaatse wilde hebben. Deze bijzondere ploeg bracht meteen ook en zonder mij te vragen de Franse arbeiders mee. Dit had een enorme terugslag voor ons in het Westen want de arbeiders op de bouwplaatsen van de Atlantikwall, die zich tot die tijd veilig buiten bereik van Sauckel waanden...
Dr. SERVATIUS: Beklaagde, het interesseert ons niet te horen wat er daar gebeurde. Ik stel alleen maar belang in het feit dat die 50.000 arbeiders van de Organisation Todt zonder Sauckels toestemming en op uw eigen initiatief werden weggehaald en dat hebt u bevestigd, niet waar?
SPEER: Ja, dat is waar.
Dr. SERVATIUS: Sauckel was verantwoordelijk voor het vaststellen van het aantal arbeidsuren op deze bouwplaatsen. Weet u dat de 10-urige werkdag later door Goebbels werd bevolen in zijn hoedanigheid van Gevolmachtigde voor de Totale Oorlog, geldend voor zowel Duitse als buitenlandse arbeiders?
SPEER: Dat is waarschijnlijk juist. Ik kan het me niet zo herinneren maar ik neem aan dat het juist is.
Dr. SERVATIUS: Dan hebt u verklaard dat de Conventie van Genève niet werd toegepast voor Sovjet krijgsgevangenen en Italiaanse burgergevangenen?
SPEER: Ja.
Dr. SERVATIUS: Weet u dat de Geneefse Conventie, hoewel die voor Sovjet krijgsgevangenen niet erkend werd, niettemin toch werd toegepast en dat er daartoe strekkende bevelen bestonden?
SPEER: Daar kan ik u geen inlichtingen over geven want het was te zeer een detailkwestie voor mij en die werd rechtstreeks door mijn departement behandeld. Ik zou het u graag willen bevestigen.
Dr. SERVATIUS: Ik zal later bij het Tribunaal een document indienen dat dit bevestigd.
Weet u dat Italiaanse burgergevangenen, anders gezegd zij die uit de Italiaanse strijdkrachten afkomstig waren, de status van vrije arbeider kregen en daarom niet onder de Conventie vielen?
SPEER: Ja, dat is waar en dat gebeurde op verzoek van Sauckel.
Dr. SERVATIUS: De bedrijfsleiders waren verantwoordelijk voor de uitvoering van Sauckels orders in de fabrieken, niet waar?
SPEER: Voor zover die konden worden uitgevoerd, ja.
Dr. SERVATIUS: En u hebt gezegd dat wanneer vanwege bijzondere gebeurtenissen, zoals bombardementen, het niet mogelijk was die op te volgen, dat dan het hoogste gezag in het Reich die zou moeten overnemen?
SPEER: Ja.
Dr. SERVATIUS: Welk gezag in het Reich bedoelt u?
SPEER: De Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz.
Dr. SERVATIUS: Dat moet dus Sauckel zijn?
SPEER: Ja, en het DAF dat verantwoordelijk was voor huisvesting en arbeidsomstandigheden.
Dr. SERVATIUS: Welke organisaties had Sauckel tot zijn beschikking om dat misbruik te stoppen. Was dit een kwestie van praktische hulp?
SPEER: Nee, ik denk dat u mij verkeerd begrepen heeft. Het "rampscenario" betrof omstandigheden ontstaan door force majeure. Niemand kon die verhelpen, zelfs met de beste wil van de wereld niet omdat er elke dag nieuwe bombardementen plaatsvonden. Maar het is onmogelijk, zoals Sauckel heeft verklaard, de bedrijfsleider ook aansprakelijk te stellen voor het feit dat deze omstandigheden niet verholpen konden worden. Ik wilde aangeven dat in dergelijke noodsituaties de leiders allemaal samen moesten komen en beslissen of de omstandigheden nog aanvaardbaar waren of niet. In dat verband was het de bijzondere taak van Sauckel, als de ambtenaar die de rapporten opstelde en de bevelen gaf, dergelijke vergaderingen bijeen te roepen.
Dr. SERVATIUS: Aan wie werd hij verondersteld dergelijke aanbevelingen te doen?
SPEER: Aan de Führer.
Dr. SERVATIUS: Beklaagde, u hebt uw eigen bestuurlijke organisatie uitgelegd en u hebt gezegd dat u een tegenstander van een bureaucratisch bestuur was. U introduceerde zelfbestuur in de bedrijven; en aan professionele zijde vormde u kringen en daarboven commissies die door u werden geleid.
SPEER: Ja.
Dr. SERVATIUS: En het was een besloten bestuur zonder inmenging van buitenaf door andere autoriteiten?
SPEER: Ja, dat zou ik niet hebben toegestaan.
Dr. SERVATIUS: U was dus in feite de vertegenwoordiger van deze firma's naar de hogere autoriteiten toe?
SPEER: Alleen voor zover het de technische taken betrof, zoals ik hier heb gezegd.
Dr. SERVATIUS: U beperkte zich tot de technische taken?
SPEER: Nou, anders zou ik verantwoordelijk geweest zijn voor voeding of gezondheid of zaken die de politie aangingen; maar dat was teveel gevraagd. In dat geval had men mij een andere baan moeten geven. Dr. SERVATIUS: Beklaagde, verwees u eerder niet naar het feit dat waar het in het bijzonder om voedsel ging, u instructies waarvan arbeiders zouden profiteren en bevestigt u op die manier mijn visie niet dat u de volledige verantwoording voor die sector droeg?
SPEER: Niet in het minst. Ik meen dat ik tijdens de laatste fase acties ondernam binnen mijn algehele verantwoording maar niet de specifieke verantwoording voor die sector op me nam.
Dr. SERVATIUS: Vervolgens, beklaagde, sprak u over de verantwoordelijkheid van de Gauleiter als Reichsverteidigungskommissar onder verwijzing naar de wapenindustrie. Kunt u meer in detail de strekking van die verantwoordelijkheid omschrijven want ik heb het niet begrepen.
SPEER: Vanaf 1942 werd in steeds grotere mate de verantwoordelijkheid bij de Gauleiter als Reichsverteidigungskommissar gelegd. Dit was voornamelijk de inspanning van Bormann ......
Dr. SERVATIUS: Welke taken hadden zij?
SPEER: Een moment ....... die alle macht van de Staat en de Partij bij de Gauleiter wilde leggen. Deze mate van centralisatie werd na 1943 bijna volledig bereikt, de enige uitzonderingen die nog bestonden waren mijn afdelingen bewapening, de zogenaamde Rüstungsinspektionen. Dit waren, omdat ze vroeger onder het OKW vielen, militaire organen bezet door officieren en dat maakte het voor mij mogelijk buiten de bevoegdheden van de Gauleiter te blijven. Maar de Gauleiter was de centrale autoriteit in zijn Gau en hij trok het recht aan zich orders te geven waar hij dat niet had. De situatie bij ons was, zoals u weet, dat het niet zo belangrijk was wie met het gezag was belast, het was een kwestie van wie het recht naar zich toe trok orders te geven. In dit geval trokken de meeste Gauleiter alle rechten naar zich toe, wat betekent dat zij het verantwoordelijke en centrale gezag vormden.
Dr. SERVATIUS: Wat bedoelt u met centraal gezag? Laat me u iets voorleggen: De Gauleiter, als Reichsverteidigungskommissar had uitsluitend tot taak de diensten samen te brengen als een beslissing in de Gau noodzakelijk was, bijvoorbeeld na een luchtaanval, het opruimen van de rommel, de bouw van een nieuwe fabriek of het verkrijgen van nieuw land zodat de diverse afdelingen aan dezelfde conferentietafel zouden zitten, maar hij had niet de bevoegdheid orders te geven of beslissingen te nemen. Is dat juist?
SPEER: Nee, ik zou u willen aanraden met een paar Gauleiter te spreken die u zullen vertellen hoe het was.
Dr. SERVATIUS: In dat geval trek ik de vraag in. Ik zal me aan de regels houden. U zei verder, beklaagde dat er gedurende een bepaalde periode een overschot aan arbeiders in Duitsland was. Was dit vanwege het feit dat Sauckel teveel buitenlandse arbeiders naar Duitsland had overgebracht?
SPEER: Er kan hier sprake zijn van een vergissing. Mijn raadsman heeft naar twee documenten verwezen volgens welke Sauckel in de periode tussen april 1942 en april 1943 meer arbeiders aan de wapenindustrie had geleverd dan waar de industrie om had gevraagd. Ik weet niet of dat de passage is die u bedoelt.
Dr. SERVATIUS: Ik kan me alleen maar herinneren dat u gezegd hebt dat er meer arbeiders waren dan er nodig waren.
SPEER: Ja.
Dr. SERVATIUS: U bedoelt toch niet te zeggen dat dit veroorzaakt werd door het feit dat Sauckel teveel arbeiders uit het buitenland had aangevoerd?
SPEER: Nee. Met dat antwoord wilde ik bewijzen dat zelfs volgens Sauckel hij destijds niet probeerde om arbeiders uit Frankrijk naar Duitsland te halen enzovoorts, overeenkomend met mijn maximum eisen. Want in een rapport aan Hitler beweert hij dat hij meer arbeiders aan de wapenindustrie leverde dan waar ik om had gevraagd, zoals uit de brief blijkt, dan zou het duidelijk zijn dat hij meer deed dan ik hem vroeg te doen. In feite was het heel anders. Feitelijk leverde hij die arbeiders helemaal niet en we hadden er een heftige ruzie over want het was mijn mening dat hij een veel kleiner aantal had geleverd en zijn rapport aan Hitler had overdreven. Voor dit Tribunaal is het document echter geldig.
Dr. SERVATIUS: U hebt er net ook op gewezen dat er onenigheid bestond tussen u en Sauckel of er voldoende arbeidsreserve in Duitsland was en of – als ik u goed heb begrepen – u zei dat wanneer de arbeiders zouden zijn gemobiliseerd op de manier zoals die wordt toegepast in Engeland en de Sovjet Unie, men helemaal geen buitenlandse arbeiders nodig gehad zou hebben. Is dat waar?
SPEER: Nee, dat heb ik niet gezegd.
Dr. SERVATIUS: Hoe moet ik het dan wel begrijpen?
SPEER: Ik heb duidelijk genoeg gezegd dat ik Sauckels beleid van het overbrengen van buitenlandse arbeiders naar Duitsland de juiste methode vond. Ik probeerde niet die verantwoording te ontlopen maar er bestonden aanzienlijke reserves aan Duitse arbeidskrachten; dat vormt weer het bewijs voor het feit dat ik niet verantwoordelijk was voor de maximale eisen die werden gesteld en dat is alles wat ik wilde bewijzen.
Dr. SERVATIUS: Zijn u de wetten bekend op grond waarvan Duitse vrouwen en jeugdigen in aanzienlijke mate werden ingezet?
SPEER: Ja.
Dr. SERVATIUS: Weet u ook dat officiersvrouwen en vrouwen van hoge ambtenaren ook in fabrieken werkten?
SPEER: Ja, vanaf augustus 1944.
Dr. SERVATIUS: Welnu, waar waren die arbeidsreserves dan waar u het over had?
SPEER: Ik had het over het jaar 1943. In 1943 eiste ik voor het Centraal Planbureau dat de Duitse arbeidsreserve moest worden aangesproken en in 1944, tijdens het gesprek met Hitler op 4 januari zei ik het zelfde. Sauckel verklaarde destijds – en dat blijkt uit zijn toespraak van 1 maart 1944 die hier als document is ingediend – dat er niet langer enige reserve aan Duitse arbeiders bestond.
Dr. SERVATIUS: Ja.
SPEER: Maar op hetzelfde moment getuigde hij hier ook dat hij er in 1944 in was geslaagd nog eens 2 miljoen arbeiders in Duitsland te mobiliseren, terwijl hij dat tijdens een conferentie met Hitler op 1 januari 1944 als volkomen onmogelijk beschouwde. Dus heeft hij zelf hier bewezen dat er in een periode waarin ik binnenlandse arbeidskrachten wilde inzetten hij niet dacht dat die er waren, hoewel hij later door de omstandigheden werd gedwongen die arbeiders uit Duitsland als nog te mobiliseren; daarom was mijn verklaring van toen juist.
Dr. SERVATIUS: Beklaagde, deze 2 miljoen arbeiders die u net noemde, waren dat mensen die in de industrie konden worden ingezet?
SPEER: Ja, natuurlijk.
Dr. SERVATIUS: Werden zij direct als vaklieden in de industrie ingezet?
SPEER: Nee, zij moesten eerst worden opgeleid.
Dr. SERVATIUS: Moesten zij niet allereerst via ingewikkelde omscholingen door de ene firma afgestaan worden aan de andere?
SPEER: Slechts gedeeltelijk, want we hadden de mogelijkheid hen in de fijn-mechanische industrie in te zetten en voor ander werk; en ook, zoals iedereen die bekend is met de Amerikaanse en Engelse industrie weet dat die moderne machines volkomen geschikt zijn om door vrouwen te worden bediend, zelfs voor moeilijk werk. De PRESIDENT: Het Tribunaal stelt geen belang in al die details, Dr. Servatius.
Dr. SERVATIUS: Meneer de President, ik ben zeer geïnteresseerd in de principiële kwestie, want als er arbeiders in overvloedige aantallen uit het buitenland worden gehaald, als er daarom voor de Staat geen noodzaak is hen te behouden is het gezien vanuit het oogpunt van internationale wetgeving van het grootste belang de vraag te stellen of arbeidskrachten wel kunnen worden aangeworven. Dat is wat ik wil ophelderen.
Ik heb nog twee vragen en misschien mag ik die nu stellen. De PRESIDENT: Ja, u kunt nog twee vragen stellen maar niet over dat onderwerp.
Dr. SERVATIUS: Nee, het zijn vragen over andere onderwerpen.
Beklaagde, u hebt gesteld dat uw poging om Sauckel aan u ondergeschikt te maken, is mislukt. Kreeg u die ondergeschiktheid in de praktijk toch niet door het feit dat op het tussenliggende niveau Sauckels arbeidsbureaus in de Gaue moesten doen waarvoor uw bewapeningscommissies opdracht gaven?
SPEER: Nee. Dat is een kwestie waarop ik later tot in meer bijzonderheden moet ingaan. Als u een uitleg wilt ......
Dr. SERVATIUS: Maar u hebt nee gezegd ....
SPEER: Ja. Maar dit zijn compleet nieuwe gezichtspunten die eerst aan het Hof moeten worden uitgelegd, maar als nee voor u voldoende is .....
Dr. SERVATIUS: Er bestaat geen behoefte aan een lange uitleg, omdat wanneer u duidelijk nee zegt, de zaak is afgedaan
Beklaagde, een laatste vraag. U zei dat Sauckel binnen zijn staf besliste over de vraag van de verdeling van arbeiders.
SPEER: Ja.
Dr. SERVATIUS: Hij zegt zelf dat de Führer bepaalde beslissingen nam. Moet men geen onderscheid maken tussen grootschalige eisen voor een programma waar de verdeling van arbeid over een langere periode een probleem is en de verdeling die werd gehanteerd volgens de voortgang van het programma?
SPEER: Volgens mijn herinnering en ook uit het lezen van de verslagen die ik ontving van de conferenties met de Führer moeten er twee fasen worden onderscheiden. De eerste eindigde in oktober 1942 waarin regelmatig gezamenlijke conferenties met Sauckel plaatsvonden waarbij ik aanwezig was. Tijdens deze bijeenkomsten werd de verdeling van de arbeid voor de volgende maanden tot in detail besproken. Na die tijd waren er geen conferenties met Hitler meer die ingingen op details en waarbij ik aanwezig was. Ik weet alleen van de bijeenkomsten van januari 1944 en er was nog een conferentie in april of mei 1944 die hier nog niet is genoemd. Tijdens deze bijeenkomsten was er alleen een algemene bespreking en de verdeling werd toen uitgevoerd in overeenstemming met de besluiten, zoals Sauckel zegt.
Dr. SERVATIUS: Maar dat is net wat ik u vraag. Dit waren algemene eisen betreffende een programma en de principiële beslissing werd genomen dat er 2 miljoen arbeiders uit het buitenland moesten worden gehaald; de daarop volgende verdeling werd door Sauckel uitgevoerd.
SPEER: Ja, dat klopt en ik kan Sauckels getuigenis bevestigen dat zijn orders betreffende de bezette gebieden altijd van Hitler afkomstig waren omdat hij Hitlers gezag nodig had om zich in de bezette gebieden te kunnen laten gelden.
Dr. SERVATIUS: In dat geval, Meneer de President, heb ik verder geen vragen meer.
De PRESIDENT: Het Tribunaal wordt geschorst.
(de zitting wordt verdaagd tot 21 juni 1946 om 10:00 uur).

Zie ook Verhoor Speer 1, Verhoor Speer 3, Slotverklaring Speer en Vonnis Speer.

Definitielijst

Arbeitseinsatz
Gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Circa 11 miljoen Europese burgers werden in dit kader opgeroepen om dwangarbeid te verrichten in het Derde Rijk. Niet te verwarren met de Arbeidsdienst, een organisatie opgericht als nationaal-socialistisch vormingsinstituut voor Nederlandse jongeren.
Conventie van Genève
De verzamelnaam voor vier verdragen die in Geneve zijn geformuleerd en die, onderdeel uitmakend van het internationaal recht, de rechtsregels bepaalt voor oorlogstijd. Deze verdragen hielden zich onder andere bezig met de behandeling van oorlogsslachtoffers en gewonde soldaten, de erkenning van het Rode Kruis als beschermd orgaan in oorlogstijd, rechtsregels bij oorlogen op zee, bescherming van krijgsgevangenen en burgers in oorlogstijd.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gau
Door de NSDAP ingesteld landsdistrict van het Duitse Rijk.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
Propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
Totale Oorlog
Een oorlog waarbij ook de burgerbevolking betrokken is en waarin alles in dienst is gesteld van de oorlogsvoering.

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
08-09-2008
Laatst gewijzigd:
12-01-2019
Feedback?
Stuur het in!

Gerelateerde thema's

Gerelateerde personen

Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg 1947.