De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Ochtendzitting 1 14-03-1946

Dr. STAHMER: Had u deel aan het opstellen van het partijprogramma?
GÖRING: Nee, het partijprogramma was al opgesteld en bekend gemaakt toen ik voor het eerst over de Beweging hoorde en ik mijn wens kenbaar maakte mij erbij te voegen.
Dr. STAHMER: Wat is uw opvatting van de punten van het partijprogramma?
GÖRING: Over het algemeen positief. Het spreekt vanzelf dat er nauwelijks een politiek geïnteresseerd man is die ieder punt van het programma van een politieke partij erkent en het er mee eens is.
Dr. STAHMER: Waren er naast deze algemeen bekende punten van het partijprogramma andere doelstellingen die geheim werden gehouden?
GÖRING: Nee.
Dr. STAHMER: Moesten deze doelen met alle middelen worden bereikt, zelfs met onwettige middelen?
GÖRING: Natuurlijk moesten die met alle middelen worden bereikt. Het begrip "onwettig" moet misschien worden verduidelijkt. Als ik aanstuur op een revolutie, dan is dat een onwettige actie in de dan bestaande staat. Als ik daarin slaag, dan wordt het een feit en daardoor legaal en wettig. Tot aan 1923 en de gebeurtenissen van 9 november was ik en waren allen met mij van mening dat we ons doel zouden bereiken, zelfs, indien nodig, op revolutionaire manier. Nadat dit een mislukking was gebleken besloot de Führer, na zijn terugkeer uit gevangenschap dat wij in de toekomst op legale wijze verder moesten gaan door middel van de politieke strijd, zoals andere partijen hadden gedaan en de Führer verbood iedere onwettige actie om een teruggang in de activiteiten van de partij te voorkomen.
Dr. STAHMER: Wanneer en voor welke doelen werd de SS opgericht?
GÖRING: De SS werd gevormd toen ik in het buitenland was; ik denk dat het in 1926 of 1927 was. Het doel, voor zover ik mij herinner was om ten eerste binnen de Beweging een speciaal geselecteerde eenheid te vormen als bescherming van de persoon van de Führer. Oorspronkelijk was de SS erg klein.
Dr. STAHMER: Bent u ooit lid geweest van de SS?
GÖRING: Ik ben nooit, op welke manier dan ook, lid geweest van de SS, hetzij actief, hetzij passief.
Dr. STAHMER: De veronderstelling dat u een generaal in de SS was, is dus onjuist?
GÖRING: Ja, absoluut onjuist.
Dr. STAHMER: Wat verstond u onder de term "Herrenrasse"?
GÖRING: Ikzelf verstond er nooit iets onder. In geen van mijn toespraken, in geen van mijn geschriften zult u die term tegenkomen. Het is mijn opvatting dat wanneer je een "Herr" bent dat niet hoeft te benadrukken.
Dr. STAHMER: Wat verstaat u onder het begrip "Lebensraum"?
GÖRING: Dat begrip is erg controversieel. Ik kan heel goed begrijpen dat mogendheden die samen – ik verwijs slechts naar de vier ondertekenaars (van het Handvest van het Tribunaal nl, Amerika, Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland. Vert.) – meer dan driekwart van de wereld als hun eigendom beschouwen, dit begrip anders uitleggen. Maar voor ons, waar 144 mensen op een vierkante kilometer wonen, betekent het woord levensruimte de juiste verhouding tussen een bevolking en haar voedselvoorziening, haar groei en haar levensstandaard.
Dr. STAHMER: Een term die altijd terugkomt is "machtsgreep."
GÖRING: Ik zou machtsgreep een terminus techicus willen noemen. We hadden net zo goed een andere term kunnen gebruiken maar deze drukt zo duidelijk mogelijk uit wat er in feite gebeurde, met andere woorden, wij grepen de macht.
Dr. STAHMER: Wat is uw houding jegens het Führerprinzip?
GÖRING: Ik huldigde dat principe en ik huldig het nog steeds gewetensvol. Men moet niet de fout maken te vergeten dat de politieke structuur in verschillende landen verschillend van oorsprong is, verschillende ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Iets wat zeer goed bij het ene land past kan misschien compleet mislukken in een ander land. Duitsland heeft, door de eeuwenlange monarchieën, altijd een Führerprinzip gekend. De democratie kwam in Duitsland op in een periode toen het Duitsland zeer slecht verging en het land in een diep dal zat. Ik heb gisteren het totale gebrek aan eenheid uitgelegd dat destijds in Duitsland heerste – het aantal partijen, de voortdurende onrust veroorzaakt door verkiezingen. Er was een volledige verstoring ontstaan van de begrippen gezag en verantwoordelijkheid en andersom lag het Gezag bij de massa en de verantwoordelijkheid bij de Leider, in plaats van andersom. Ik ben van mening dat voor Duitsland, in het bijzonder op het moment van haar dieptepunt, toen het nodig was alle krachten op een positieve manier te bundelen, het Führerprinzip - met andere woorden gezag van boven naar beneden en verantwoordelijkheid van beneden naar boven – de enige mogelijkheid was. Natuurlijk ben ik me bewust van het feit dat ook hier een principe, hoewel op zich volkomen gezond, tot uitersten kan leiden. Ik zou enkele paralellen willen noemen. De positie van de Katholieke Kerk berust nu, als tevoren, op het duidelijke principe van leiderschap van haar hiërarchie. En ik meen dat ik ook kan zeggen dat ook Rusland, zonder het leidersprincipe, de grote last die haar door deze oorlog was opgelegd, niet zou hebben kunnen overwinnen.
Dr. STAHMER: Wat betreft de maatregelen die u gisteren beschreef voor het versterken van uw macht, werden die genomen met volledige instemming van Reichspräsident Von Hindenburg?
GÖRING: Zolang de Reichspräsident in leven en dus actief was, werden die natuurlijk genomen met zijn instemming. En zover zijn toestemming volgens Artikel 48 van de Grondwet noodzakelijk was werd die toestemming ook gegeven.
Dr. STAHMER: Werd de Nationaalsocialistische regering door vreemde mogendheden erkend?
GÖRING: Onze regering werd erkend vanaf de eerste dag van haar bestaan en bleef erkend tot het einde, behalve waar door vijandelijkheden de diplomatieke betrekkingen met diverse landen werden verbroken.
Dr. STAHMER: Bezochten buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigers uw partijbijeenkomsten in Neurenberg?
GÖRING: Diplomatieke vertegenwoordigers werden voor de partijbijeenkomsten uitgenodigd omdat dat de grootste evenementen en de grootste demonstraties van de Beweging waren en ze waren er allemaal bij, zij het niet allemaal elk jaar. Maar een herinner ik me erg goed.
Dr. STAHMER: Tot welk jaar?
GÖRING: Tot en met de laatste partijbijeenkomst, 1938.
Dr. STAHMER: In hoeverre werden na de machtsgreep eigendommen van politieke tegenstanders in beslag genomen?
GÖRING: Er werden wetten uitgevaardigd die de inbeslagname regelden van eigendommen van mensen die vijandig tegenover de Staat stonden, anders gezegd, eigendommen van partijen die wij tot vijanden van de Staat rekenden. De eigendommen van de Communistische Partij en haar zusterorganisaties, en de eigendommen van de SociaalDemocratische Partij werden gedeeltelijk in beslag genomen maar niet, en dat wil ik benadrukken, het privé eigendom van de leden of zelfs van de leiders van deze partijen. In tegendeel, een aantal vooraanstaande SociaalDemocraten die minister of ambtenaar waren geweest kregen hun volledige pensioen nog uitbetaald. Feitelijk werd dat later ook nog verhoogd.
Dr. STAHMER: Hoe verklaart u de acties tegen de vakbonden? Hoe verklaart u de acties tegen de Associatie van Vrije Arbeiders?
GÖRING: Allereerst de vakbonden: In Duitsland waren de vakbonden voor het merendeel, of de belangrijkste ervan nauw verbonden met de SociaalDemocratrische Partij en ook, in steeds grotere mate, dankzij de invloed en de activiteiten van de Communistren, aan de Communistische Partij. Dat waren in feite, zo niet formeel, organen, zeer actieve organen van deze partijen en ik heb het hier niet over de grote massa van de vakbonden maar over de leiders van de vakbonden. Bovendien was er ook nog een kleinere Christelijke vakbond, een orgaan van de Centrum Partij.
Deze vakbonden stemden vanwege hun leiders en de nauwe banden tussen deze leiders en de partijen die wij tot onze tegenstanders rekenden zo sterk met onze tegenstanders overeen dat ze op geen enkele manier binnen onze nieuwe Staat pasten. Als gevolg daarvan werden de vakbonden dus opgeheven en voor de arbeiders werd het Deutsche Arbeiter Front opgericht. Dit had naar mijn mening niet het verlies van vrijheid van de Duitse arbeider tot gevolg, in tegendeel, ik ben ervan overtuigd dat wij degenen waren die de Duitse arbeider echte vrijheid gaven want die bestond allereerst uit het feit dat wij zijn recht op werk garandeerden en bijzondere nadruk legden op zijn positie binnen de Staat.
We schaften natuurlijk twee dingen af die waarschijnlijk beschouwd moeten worden als kenmerken van een vrijheid die ik niet begrijp: stakingen aan de ene kant en uitsluiting aan de andere. Deze konden niet in overeenstemming worden gebracht met het recht op werk, noch met de plichten die iedere burger heeft ten opzichte van de grootsheid van zijn land. Wij verwijderden deze twee storende elementen, die ook bijdroegen aan het grote aantal werklozen en vervingen die door een groots opgezet arbeidsprogramma.
Het scheppen van werk was natuurlijk een ander essentieel onderdeel van ons sociale programma en is ook overgenomen door anderen, zij het onder een andere naam.
Ik ben niet van plan uit te weiden over dit sociale programma. Het was echter de eerste keer dat een arbeider recht had op vakantie, betaalde vakantie, dit terzijde. Er werden grote ontspanningscentra voor de arbeider geschapen. Enorme bedragen werden geïnvesteerd in nieuwe woonprojecten voor arbeiders. De hele levensstandaard van de arbeider werd verbeterd. Tot aan die tijd waren de arbeiders misbruikt en uitgebuit. Hij had nauwelijks eigendommen van zichzelf omdat hij tijdens zijn jaren van werkloosheid alles had moeten verkopen of belenen. Dus zou ik tot slot willen zeggen, zonder in details te treden, dat we de vrije arbeider niet to slaaf maakten maar eerder de arbeider bevrijdden van de ellende van de werkloosheid.
Dr. STAHMER: U had het gisteren over de Röhm Putsch. Wie was Röhm en waaruit bestond die Putsch?
GÖRING: Röhm was vanaf 1931 Chef Staf van de SA geweest, met andere woorden, hij was voor de SA verantwoording schuldig aan de Führer die zelf de hoogste SA leider was en hij leidde de SA namens de Führer.
Het belangrijkste geschilpunt tussen ons en Röhm was dat Röhm, net als zijn voorganger Pfeffer, een sterkere revolutionaire weg wilde inslaan terwijl de Führer, zoals ik al eerder heb gezegd, de wetmatige ontwikkeling had bevolen waarvan de zege kon worden verwacht.
Na de machtsgreep wilde Röhm onder alle omstandigheden het Reichsverteidigungsministerium naar zich toetrekken. De Führer weigerde dat resoluut omdat hij niet wilde dat de strijdkrachten op een of andere manier politiek geleid zouden worden of de strijdkrachten politiek zouden worden beïnvloed.
De tegenstelling tussen de strijdkrachten en de groep Röhm – ik heb het met opzet niet over de tegenstelling tussen de strijdkrachten en de SA, want die was er niet, maar alleen over de groep leiders die zich destijds de SA leiding noemden en dat was ook zo – bestond hieruit dat Röhm het grote aantal generaals en hogere officieren wilde verwijderen die al die tijd lid van de Reichswehr waren geweest, want het was zijn mening dat deze officieren geen garantie voor de nieuwe Staat konden bieden omdat, zoals hij het zei, zij in de loop der jaren hun ruggengraat hadden gebroken en zij niet langer in staat waren actieve elementen te vormen binnen de nieuwe Nationaalsocialistische Staat.
De Führer, en ik ook, hadden in dit verband precies de tegenovergestelde mening.
Ten tweede, het streven van de Röhm aanhangers, zoals ik ze zou willen noemen, was gericht op een ander doel, op een revolutionaire daad; en zij waren tegen wat zij reactionair noemden. Zij wilden beslist een meer linkse houding aannemen. Ze waren ook sterk gekant tegen de Kerk en ook zeer sterk gekant tegen Joden. Al met al, en ik verwijs alleen naar de kring bestaande uit bepaalde personen, wensten zij een revolutie te beginnen. Dat Röhm al zijn mensen op leidende posities binnen de SA zette, de eerbare elementen verwijderde en de eerbare SA mensen zonder hun medeweten misleidde, is een bekend feit.
Als er destijds al inbreuk werd gepleegd, dan ging het altijd om de zelfde personen, allereerst de SA leider in Berlijn, Ernst; ten tweede de leider in Breslau, Heines; de leiders in München en Stettin enzovoorts. Een paar weken voor de Röhm Putsch vertrouwde een lagere SA leider mij toe dat hij had gehoord dat er een actie tegen de Führer en zijn mensen werd voorbereid om het Drittes Reich zo snel mogelijk te vervangen door een definitief Viertes Reich, de uitdrukking die die mensen gebruikten.
Mij werd op het hart gedrukt en gesmeekt om rond mijn huis niet alleen bewaking door een regiment politie op te stellen maar ook om een erewacht van de SA te benoemen. Ik heb daarin toegestemd en later hoorde ik van de commandant van deze troepen dat het doel van die erewacht was mij op een gegeven moment te arresteren.
Ik kende Röhm erg goed. Ik liet hem bij mij komen. Ik legde openlijk de dingen aan hem voor die ik had gehoord. Ik herinnerde hem aan onze gemeenschappelijke strijd en ik vroeg hem zijn onvoorwaardelijke geloof in de Führer te behouden. Ik bracht dezelfde argumenten naar voren die ik zojuist heb genoemd maar hij verzekerde mij dat hij er natuurlijk niet aan dacht iets tegen de Führer te ondernemen. Kort daarna hoorde ik verdere berichten dat hij nauwe banden had met die kringen die ook sterk tegen ons gekant waren. Daar was bijvoorbeeld de groep rond de voormalige Reichskanzler Von Schleicher. Daar was de groep rond Gregor Strasser, het voormalig lid van de Reichstag en organisatieleider van de partij die uit de partij was gezet. Dit waren groepen die tot de voormalige vakbonden hadden behoord en die nogal naar links neigden. Ik achtte het mijn plicht de Führer nu over dit onderwerp te raadplegen. Ik was verbaasd toen hij me vertelde dat hij ook al van deze zaken afwist en ze als een groot gevaar beschouwde. Hij zei echter dat hij wenste verdere ontwikkelingen af te wachten en die scherp in de gaten te houden.
De volgende gebeurtenis voltrok zich ongeveer zoals de getuige Korner hier heeft beschreven en daarom kan ik die overslaan. Ik kreeg bevel om in noord Duitsland onmiddellijk op te treden tegen de beschuldigde mannen van de groep Röhm. Er werd besloten dat sommigen van hen moesten worden gearresteerd. In de loop van de dag gaf de Führer opdracht tot de executie van de SA leider in Pommeren, Ernst en twee of drie anderen. Zelf ging hij naar Beieren waar de laatste vergadering van een aantal Röhm leiders plaatsvond en arresteerde Röhm en deze mensen persoonlijk in Bad Wiessee.
Destijds vormde deze zaak een reëel gevaar omdat verschillende SA eenheden, door het gebruik van valse wachtwoorden waren bewapend en opgeroepen. Ergens volgde een erg kort gevecht en werden twee SA leiders doodgeschoten. Ik gaf de politie, die in Pruissen al onder Himmler en Heydrich stond, de bevoegdheid de arrestaties te doen. Alleen het hoofdkwartier van Röhm, die niet aanwezig was, liet ik bezetten door een regiment van de geüniformeerde politie die onder mij viel. Toen het hoofdkwartier van de SA leider in Berlijn, Ernst werd doorzocht, vonden we daar in de kelders meer half-automatische geweren dan de hele Pruissisiche politie in haar bezit had.
Nadat Hitler, op basis van de gebeurtenissen in Bad Wiessee, had bevolen wie er, gezien de nationale noodtoestand moest worden geëxecuteerd, werd het bevel voor de executie van Ernst, Heydebreck en een paar andere medewerkers van Röhm uitgegeven. Er lag geen bevel om andere mensen die waren gearresteerd, te executeren. Bij de arrestaie van de voormalige Reichskanzler Von Schleicher gebeurde het dat hij en zijn vrouw werden gedood. Er vond een onderzoek naar deze gebeurtenis plaats en er werd ontdekt dat toen Von Schleicher werd gearresteerd, volgens de verklaringen van de twee getuigen, hij naar een pistool greep, waarschijnlijk om zelfmoord te plegen, waarop de twee mannen hun revolvers trokken en mevrouw Von Schleicher zich op een van hen wierp om hem tegen te houden waardoor zijn revolver afging. We betreurden dat incident zeer.
In de loop van die avond hoorde ik dat ook andere mensen waren geëxecuteerd, zelfs mensen die niets te maken hadden met de Röhm Putsch. De Führer kwam die zelfde avond naar Berlijn. Nadat ik hiervan gehoord had, later die avond of 's nachts, ging ik de volgende middag naar hem toe en vroeg hem onmiddellijk een order uit te vaardigen dat verdere executies onder alle omstandigheden door hem, de Führer, waren verboden hoewel twee andere mensen die er zeer nauw bij betrokken waren en op bevel van de Führer hadden moeten worden geëxecuteerd, nog in leven waren. Deze mensen werden dus in leven gelaten. Ik vroeg hem dat te doen omdat ik mij bezorgd maakte dat de zaak uit de hand zou lopen – zoals tot op zekere hoogte al was gebeurd – en ik zei de Führer dat er onder geen beding nog meer bloedvergieten mocht plaatsvinden.
Deze order werd toen door de Führer in mijn aanwezigheid uitgegeven en werd direct onder alle diensten verspreid. De actie werd daarna aangekondigd in de Reichstag, goedgekeurd door Reichstag en Reichspräsident als een noodzakelijke actie onder de nationale noodtoestand. Het werd betreurd dat er, net als in alle soortgelijke incidenten, een aantal blunders was begaan.
Het aantal slachtoffers is sterk overdreven. Voor zover ik me nu precies kan herinneren waren er 72 of 76 slachtoffers, de meesten daarvan werden in zuid Duitsland geëxecuteerd.
Dr. STAHMER: Wist u van de verandering van houding van de partij en Staat in de loop der tijd ten opzichte van de Kerk?
GÖRING: Zeker. Maar als laatste opmerking over de Röhm Putsch zou ik willen benadrukken dat ik de volledige verantwoordelijkheid aanvaard voor de acties die, op bevel van de Führer tegen deze mensen zijn ondernomen – Ernst, Heydebreck en diverse anderen – en die ik heb uitgevoerd of doorgegeven; en dat ik zelfs vandaag van mening ben dat ik beslist juist heb gehandeld en met een gevoel van plichtsbesef. Dat werd door de Reichspräsident bevestigd maar een dergelijke bevestiging was niet nodig om mij ervan te overtuigen dat ik hier iets had voorkomen wat een groot gevaar voor de Staat vormde.
Wat betreft de houding ten opzichte van de Kerk: de houding van de Führer was welwillend, in het begin zeker welwillend. Ik zou niet willen zeggen dat die positief was in de zin dat hij positief stond tegenover religie of een overtuigd aanhanger van een van de religies was, maar zijn houding was welwillend en positief in die zin dat hij de noodzaak van de Kerk erkende. Hoewel hij zelf Katholiek was, wilde hij dat de Protestantse Kerk een sterkere positie in Duitsland zou krijgen omdat Duitsland voor 2/3 Protestants was. De Protestantrse Kerk was echter verdeeld in provinciale kerken en er waren diverse kleine verschillen die de dogmatici zeer ernstig opnamen. Om die reden bestreden zij elkaar eens in het verleden, zoals wij weten gedurende 30 jaar; maar deze verschillen leken ons niet zo belangrijk. Daar waren de Gereformeerden, de Verenigden en de zuiver Lutheranen - ik ben geen kenner op dat gebied. Grondwettelijk gezien was ik, als Eerste Minister van Pruissen, in een bepaald opzicht zeker de hoogste gezagsdrager in de Pruissische Kerk maar ik bemoeide mij niet al te veel met die zaken. De Führer wilde de samenvoeging van de Protestantse Evangelische Kerken bereiken door het benoemen van een Reichsbischof, zodat er zowel een hoge Protestantse kerkelijke gezagsdrager zou zijn als een hoge Katholieke kerkelijke gezagsdrager. Om te beginnen liet hij de keuze aan de Evangelische kerken over maar die konden niet tot overeenstemming komen. Uiteindelijk schoven zij een naam naar voren, juist die welke voor ons niet acceptabel was. Toen werd er iemand tot Reichsbischof benoemd die meer vertrouwen van de Führer genoot dan een van de andere provinciale bisschoppen.
Voor de Katholieke Kerk beval Hitler dat er een concordaat moest worden gesloten door de heer Von Papen. Kort voor die overeenkomst door de heer Von Papen werd gesloten, bezocht ik zelf de Paus. Ik had vele banden met de hogere Katholieke geestelijkheid vanwege mijn Katholieke moeder en dus – zelf ben ik Protestants – had ik zicht op beide kampen.
Een ding natuurlijk, waar de Führer en wij allemaal voor stonden was om de politiek zoveel mogelijk buiten de Kerk te houden. Ik vond het niet juist, moet ik eerlijk zeggen, dat de ene dasg de priester in de kerk zich deemoedig bezig houdt met het spirituele welzijn van zijn gemeente en dan de volgende een min of meer opruiende toespraak in het parlement houdt.
Een scheiding werd door ons voorbereid, met andere woorden, de geestelijken moesten zich op hun eigen terrein concentreren en ervan afzien betrokken te raken bij politieke kwesties. Vanwege het feit dat er in Duitsland politieke partijen waren met sterke bindingen met de kerk ontstond er hier grote verwarring. Dat is de verklaring voor het feit dat er vanwege deze politieke oppositie die eerst een rol speelde op het politieke terrein van het parlement en in verkiezingscampagnes, onder bepaalde groepen van ons volk een vijandige houding jegens de Kerk ontstond. Want men moet niet vergeten dat dergelijke verkiezingsdebatten en toespraken vaak werden gehouden in het bijzijn van de kiezer tussen politieke vertegenwoordigers van onze partij en geestelijken die politieke partijen vertegenwoordigden die sterker aan de Kerk waren gebonden.
Vanwege deze situatie en een zekere vijandigheid is het begrijpelijk dat een wat meer radicale groepering – als ik die uitdrukking in dit verband mag gebruiken – deze beweringen niet vergeten had en nu van zijn kant de strijd op een oneerlijk niveau voortzette. Maar de opvatting van de Führer was dat de kerken bestaansrecht moesten krijgen en de kans zich te ontwikkelen. In een Beweging en in een Partij die geleidelijk aan min of meer het grootste deel van de Duitse natie in zich had opgenomen en die nu op haar politieke terrein ook de politiek actieve personen in Duitsland had opgenomen, is het alleen maar natuurlijk dat niet alle leden op alle gebieden dezelfde mening hebben, ondanks het Führerprinzip. Het tempo, de methode, de houding kan verschillend zijn, en binnen zulke grote Bewegingen, zelfs als die zo autoritair worden geleid, vormen zich bepaalde groepen als reactie op bepaalde problemen. En als ik de groep zou moeten noemen die in de Kerk dan wel geen politiek gevaar zag maar eerder een ongewenst instituut, dan moet ik boven alles twee personen noemen: Himmler aan de ene kant en Bormann – in het bijzonder later veel radicaler dan Himmler – aan de andere kant.
Himmler's motieven waren minder van politieke dan van een verwarde mystieke aard. Bormann's doelen waren duidelijker. Het was ook duidelijk dat binnen de grote groep Gauleiter er een of twee meer geïnteresseerd waren in deze strijd tegen de Kerk. Dus waren er een aantal Gaue waar alles volkomen in orde was waar het de Kerken betrof en er waren een paar anderen waar de Kerk fel bestreden werd.
Ik ben regelmatig persoonlijk tussenbeide gekomen. Ten eerste, om mijn houding te tonen en orde te scheppen, benoemde ik in de Pruissisiche Staatsraad twee mannen waarin ik bijzonder vertrouwen stelde, een hoge Protestantse en een hoge Katholieke geestelijke.
Ik zelf ben geen wat men noemt kerkganger, maar ik ben er zo af en toe heen geweest en heb altijd gemeend dat ik bij de Kerk hoorde en heb altijd die ceremoniën waarover de Kerk heerst – huwelijk, doop, begrafenis enzovoorts – bij mij thuis door de Kerk laten houden.
Mijn bedoeling daarbij was de twijfelaars, die in deze strijd tussen de meningen niet wisten wat te doen, te tonen dat wanneer de tweede man in de Staat naar de kerk gaat, voor de kerk trouwt, zijn kind laat dopen en in de gemeente laat opnemen enzovoorts, dat zij dan gerust hetzelfde kunnen doen. Uit een aantal brieven die ik als gevolg daarvan ontving kan ik zien dat ik het goede deed.
Maar naarmate de tijd verstreek werd de situatie, op andere gebieden maar ook op dit, steeds kritieker. Tijdens de eerste jaren van de oorlog sprak ik er nog eens met de Führer over en vertelde hem dat de grootste zorg nu was dat iedere Duitser zijn plicht moest doen en dat iedere soldaat zijn mogelijke dood moedig onder ogen moest zien. Als in dat verband zijn geloofsovertuiging voor hem een hulp en steun is, of hij nu tot dit of dat geloof behoort, kan dat alleen maar een voordeel zijn en iedere verstoring zou in dit verband de innerlijke kracht van de soldaat kunnen aantasten. De Führer was het daar zeker mee eens. Ik had in de Luftwaffe opzettelijk geen aalmoezeniers want ik was van mening dat ieder lid van de Luftwaffe naar die geestelijke toe moest gaan waarin hij het meeste vertrouwen had.
Dit werd soldaten en officieren regelmatig bij de parade meegedeeld. Maar tegen de Kerk zelf zei ik dat het goed zou zijn een duidelijke scheiding te hebben. Mannen moeten bidden in de kerk en er niet exerceren; in de kazerne moet men exerceren en niet bidden. Op die manier hield ik vanaf het prille begin de Luftwaffe vrij van iedere religieuze onrust en ik garandeerde volledige gewetensvrijheid voor ieder.
De situatie werd snel steeds kritieker – en ik kan de reden daarvoor echt niet noemen – gedurende de laatste 2 of 3 jaar van de oorlog. Het kan iets te maken hebben met het feit dat in sommige van de bezette gebieden, in het bijzonder in Polen en ook in Tsjechië, de geestelijken sterke vertegewoordigers waren van nationale gevoelens en dit weer tot botsingen leidde op politiek gebied die dan weer overwaaiden naar religieus terrein. Ik weet niet of dit een van de redenen was maar het lijkt me aannemelijk. Over het algemeen zou ik willen zeggen dat de Führer zelf niet tegen de Kerk was. Hij vertelde me in feite bij een gelegenheid dat er bepaalde dingen zijn waarbij zelfs de Führer niet alles voor het zeggen heeft wanneer die nog niet beslist zijn of verandering behoeven en dat hij geloofde dat er destijds veel werd gedacht en gesproken over een reorganisatie van de Kerk. Hij zei dat hij zichzelf niet zag voorbestemd als kerkhervormer en dat hij niet wilde dat een van zijn politieke leiders hier met de eer zou gaan strijken.
Dr. STAHMER: Nu, in de loop van de tijd zijn een groot aantal geestelijken, zowel uit Duitsland maar in het bijzonder uit de bezette gebieden – u noemde zelf Polen en Tsjechoslowakije – afgevoerd naar concentratiekampen. Wist u daar iets van?
GÖRING: Ik wist eerst dat in Duitsland een aantal geestelijken naar concentratiekampen werd afgevoerd. Het geval Niemöller was algemeen bekend. Ik wil niet op bijzonderheden ingaan want het is algemeen bekend. Een aantal andere geestelijken werd naar concentratiekampen gestuurd maar pas in de latere jaren, toen de gevechten kritieker werden, omdat zij vanaf de kansel politieke toespraken hielden en kritiek uitten op maatregelen van de Staat of de Partij; afhankelijk van de ernst van deze kritiek trad de politie dan op.
Ik zei bij een gelegenheid tegen Himmler dat ik vond dat het niet verstandig was geestelijken te arresteren. Zolang zij in de kerk spraken konden zij zeggen wat zij wilden maar wanneer zij politieke toespraken hielden buiten de kerk kon hij tegen hen optreden, net zoals hij dat zou doen tegen andere mensen die toespraken hielden die vijandig waren tegenover de Staat. Bepaalde geestelijken die in hun kritiek erg ver gingen, werden niet gearresteerd. Waar het de arrestatie van geestelijken in bezette gebieden betreft, daar hoorde ik over en ik heb eerder gezegd dat dit niet zo zeer gebeurde om religieuze redenen alleen omdat zij geestelijken waren maar meer omdat zij ter zelfder tijd nationalisten waren – dat begrijp ik uit hun opvattingen – en dus vaak betrokken bij acties die vijandig waren ten opzichte van de bezettende macht.
Dr. STAHMER: Het partijprogramma bevatte meen ik twee punten die met de kwestie van de Joden te maken hadden. Wat was uw principiële houding ten opzichte van deze kwestie?
GÖRING: Deze kwestie, die in de Aanklacht zo sterk benadrukt is, dwingt mij onder alle omstandigheden bepaalde uitspraken te doen.
Na de ineenstorting van Duitsland in 1918 kregen de Joden in Duitsland veel macht op alle terreinen van het leven, in het bijzonder op het gebied van politiek, algemene wetenschappen en cultuur en in het bijzonder op het economische vlak. De mannen die van het front terugkeerden hadden niets om naar uit te zien en troffen een groot aantal Joden aan die tijdens de oorlog uit Polen en het Oosten waren gekomen, op posities, voornamelijk economische posities. Het is bekend dat onder invloed van de oorlog en zaken die ermee te maken hadden – demobilisatie, die grote mogelijkheden opende voor het zakendoen - inflatie, deflatie, enorme verschuivingen plaatsvonden binnen de bezittende klasse.
Er waren veel Joden die niet de noodzakelijke terughoudendheid betrachtten en die in het openbare leven meer en meer opvielen, zodat zij feitelijk bepaalde vergelijkingen uitlokten vanwege hun aantal en de posities die zij bekleedden in tegenstelling tot het Duitse volk. Bovendien was daar het feit dat dat in het bijzonder die groeperingen die door nationaal denkende mensen werden gemeden ook een aantal Joodse leiders had dat in geen verhouding stond tot het totaal aantal Joden.
Dat gold niet alleen voor Duitsland maar ook voor Oostenrijk dat we altijd al hadden beschouwd als een deel van Duitsland. Daar was de hele SociaaalDemocratische leiding in Joodse handen. Zij speelden een zeer aanzienlijke rol in de politiek, in het bijzonder in de linkse partijen en ze werden ook zeer belangrijk in de pers van alle politieke richtingen.
Destijds ontstonden er zo voortdurende, ononderbroken aanvallen op alles wat nationaal was, nationale concepten en nationale idealen. Ik vestig de aandacht op alle tijdschiften en artikelen waarin zaken die voor ons heilig waren door de modder werden gehaald. Ik vestig ook de aandacht op de verdraaiing die werd toegepast op het gebied van de kunst; op toneelstukken waarin de gevechten aan het front door de modder gesleurd werden en het ideaal van de dappere soldaat besmeurden. Feitelijk zou ik een enorme stapel van dergelijke artikelen, boeken, toneelstukken enzovoorts kunnen overleggen; maar dat zou te ver gaan en ik ben in werkelijkheid niet al te goed bekend op dit terrein. Vanwege dit alles ontstond er een tegenbeweging die zeker niet door het Nationaalsocialisme werd geschapen maar die al eerder had bestaan, die al sterk was tijdens de oorlog en die na de oorlog nog sterker op de voorgrond trad toen de invloed van het Jodendom dergelijke gevolgen had.
Bovendien kwamen op cultureel en intellectueel gebied ook veel zaken tot uitdrukking die niet overeenkwamen met Duitse gevoelens. Hier heerste ook grote verdeeldheid. Bovendien was er het feit dat in economische kwesties, als men de westelijke industrie buiten beschouwing laat, er een bijna complete overheersing bestond door het Jodendom, dat zeker bestond uit elementen die lijnrecht tegenover de oude, gevestigde Joodse families stonden.
Toen de Beweging daarna haar programma opstelde, wat gebeurde door een paar eenvoudige mensen – voor zover ik weet had Adolf Hitler zelfs niet eens deel aan het opstellen van het programma, tenminste nog niet als leider – bevatte het programma dat punt dat een belangrijke rol speelde als defensief punt onder grote delen van de Duitse bevolking. Kort daarvoor was er de Radenrepubliek in München uitgeroepen en waren gijzelaars vermoord en ook hier waren de leiders voornamelijk Joden. Het is daarom begrijpelijk dat een in programma, door eenvoudige mensen in München opgesteld, dit natuurlijk werd opgenomen als defensief punt. Er kwam ook nieuws van een Radenrepubliek in Hongarije – alweer voornamelijk bestaand uit Joden. Dit alles had een sterke indruk gemaakt. Toen het programma bekend werd, werd de partij – die destijds zeer klein was – in eerste instantie niet serieus genomen en uitgelachen. Maar dan, vanaf het prille begin werd er een geconcentreerde en zeer felle aanval ingezet van de kant van de hele Joodse pers, of de door Joden beïnvloedde pers tegen de Beweging. Overal stonden Joden vooraan in de strijd tegen de Nationaalsocialisten, hetzij in de pers, in de politiek, in het culturele leven door het Nationaalsocialisme verachtelijk en belachelijk te maken of op economisch gebied. Wie Nationaalsocialist was kon geen baan krijgen; de Nationaalsocialistische zakenman kon geen voorraden krijgen of een plek om te adverteren en zo verder. Dit alles had natuurlijk een sterk verdedigende houding van de Partij tot gevolg en leidde vanaf het prille begin tot een verheviging van de strijd, die oorspronkelijk niet de bedoeling van het programma was geweest. Want het programma richtte zich duidelijk boven alles op een ding: dat Duitsland door Duitsers zou worden bestuurd. En het was wenselijk dat de leiding, in het bijzonder de politieke vorming van het lot van het Duitse volk in handen zou liggen van Duitse personen die het moreel van het Duitse volk weer konden verhogen op een manier waarop mensen van een ander ras dat niet konden. Daarom was het belangrijkste punt eerst om de Joden slechts van de politiek uit te sluiten, van de leiding van de Staat. Later werd dit uitgebreid naar het terrein van de cultuur vanwege de felle strijd die zich in het bijzonder op dit terrein had ontwikkeld tussen het Jodendom enerzijds en het Nationaalsocialisme anderzijds.
Ik geloof dat wanneer in dit verband door ons de vele harde woorden die tegen de Joden en het Jodendom waren gezegd genoemd zouden worden, ik nog steeds in een positie zou verkeren waarin ik tijdschriften, boeken, kranten en toespraken kan overleggen waarin de uitdrukkingen en beledigingen die van de andere kant kwamen, ver in de meerderheid waren. Dat alles moest duidelijk leiden tot een verheviging.
Kort na de machtsovername werden er talloze uitzonderingen gemaakt. Joden die hadden deelgenomen aan de Wereldoorlog en die onderscheidingen hadden ontvangen werden anders behandeld en er werd consideratie getoond; zij bleven verschoond van maatregelen die Joden van openbare functies uitsloten.
Zoals ik heb gezegd, het belangrijkste doel was hen uit te sluiten van de politiek en daarna van het culturele leven.
De Neurenberger Wetten waren bedoeld om te komen tot een duidelijke scheiding van rassen en in het bijzonder het idee van personen van gemengd bloed in de toekomst af te schaffen, want de term half Jood of kwart Jood leidde tot voortdurend onderscheid en verwarring waar het hun posities betrof. Ik wil hier benadrukken dat ik zelf regelmatig gesprekken had met de Führer over personen van gemengd bloed en dat ik de Führer erop wees dat wanneer de Duitse Joden eenmaal duidelijk gescheiden waren het onmogelijk was dat er nog een categorie tussen die twee zat die bestond uit een onduidelijke groep van het Duitse volk die niet op gelijke hoogte stond met de andere Duitsers. Ik stelde hem voor dat hij, als welwillend gebaar, het idee van personen van gemengd bloed zou afschaffen en zulke mensen op hetzelfde niveau zou plaatsen als de andere Duitsers. De Führer hoorde dit voorstel met veel belangstelling aan en was geheel voor het overnemen van mijn standpunt, in feite gaf hij enkele voorbereidende bevelen. Toen braken er meer roerige tijden aan, wat betreft de buitenlandse politiek – de Sudetencrisis, Tsjechoslowakije, de bezetting van het Rijnland, daarna de Poolse crisis – en de kwestie van personen van gemengd bloed verdween naar de achtergrond; maar aan het begin van de oorlog vertelde de Führer mij dat hij bereid was deze kwestie op een positieve en welwillende wijze op te lossen, maar pas na de oorlog.
De Neurenberger Wetten moesten in de toekomst het begrip personen van gemengd bloed uitsluiten door middel van een duidelijke scheiding van rassen. Als gevolg daarvan werd in de strafvordering van de Neurenberger Wetten bepaald dat nooit de vrouw maar altijd de man strafbaar zou zijn, ongeacht of hij Duits of Joods was. De Duitse vrouw of de Jodin zou niet worden gestraft. Toen braken er rustiger tijden aan en de Führer was altijd van mening dat de Joden voorlopig binnen de economie konden blijven, zij het niet in leidende en vooraanstaande posities totdat een gecontroleerde emigratie, geleidelijk aan opgezet en later uitgebreid, dit probleem zou oplossen. Ondanks voortdurende verstoringen en problemen op economisch gebied werden de Joden over het algemeen ongemoeid gelaten in hun economische posities.
De buitengewone verheviging die later op gang kwam begon eigenlijk pas na de gebeurtenissen in 1938 en dan in nog grotere mate in de oorlogsjaren. Maar hier was er natuurlijk nog weer een radicale groep voor wie de Joodse kwestie meer op de voorgrond stond dan voor andere groepen binnen de Beweging; net zo als, ik zou dit punt willen benadrukken, het begrip Nationaalsocialisme als filosofie op verschillende manieren werd uitgelegd – door de een meer filosofisch, door de ander meer mystiek, door een derde in practische en politieke zijn. Dat gold ook voor de diverse punten in het programma. Voor de ene persoon waren bepaalde punten belangrijker, voor een ander minder. Een persoon zou een punt in het programma, dat gericht was tegen Versailles en op een vrij en sterk Duitsland, zien als het hoofdpunt van het programma; een ander zou het Joodse vraagstuk als hoofdpunt zien.
De PRESIDENT: Is dit een gunstig moment om te schorsen? Dr. Stahmer, kunt u het Tribunaal zeggen hoe lang u denkt dat het verhoor van beklaagde Göring nog zal duren?
Dr. STAHMER: Ik denk dat we in de loop van morgenochtend klaar zullen zijn.
De PRESIDENT: Dat is erg lang.
Dr. STAHMER: Ik zal mijn best doen om het kort te houden.
(de zitting wordt geschorst)

Definitielijst

democratie
Letterlijk: demos (volk) kratein (regeert). Democratie is een bestuursvorm waar de regering door een meerderheid van het volk gekozen wordt en waarbij het volk de leiders op het rechte pad houdt door de mogelijkheid deze regering weg te sturen als een meerderheid van het volk het niet meer eens is met de regering.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
inflatie
Een langdurig economisch proces van algemene prijsstijging en geldontwaarding (koopkrachtdaling van het geld).
Lebensraum
Nazi-term waarmee werd aan gegeven dat het overbevolkte Duitsland nieuwe gebieden (levensruimte) nodig had om te kunnen bestaan.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Putsch
Staatsgreep, vaak gepaard gaand met het gebruik van geweld.
Radenrepubliek
Staatsvorm, gebaseerd op het principe van het Radenstelsel. Gekozen vertegenwoordigers hebben directe uitvoerende macht. Staasvorm kwam na WO I enige tijd voor in Beieren en Hongarije.
regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Reichswehr
Duitse leger in de tijd van de Weimarrepubliek.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.
Rijnland
Duitstalig na WO I gedemilitariseerd gebied aan de rechteroever van de Rijn dat door Hitler bezet werd in 1936.

Afbeeldingen

Hermann Göring

Ochtendzitting 2

Dr. STAHMER: In welke mate had u deel aan de uitvaardiging van de Neurenberger Wetten van 1935?
GÖRING: In mijn hoedanigheid als Reichstagspräsident kondige ik deze wetten en de wet betreffende de nieuwe nationale vlag hier in Neurenberg aan toen de Reichstag zitting had.
Dr. STAHMER: In de Aanklacht staat dat de uitroeiing van het Joodse ras onderdeel was van de voorbereiding op een aanvalsoorlog.
GÖRING: Dat heeft niets te maken met de voorbereiding op aanvalsoorlogen; de uitroeiing van het Joodse ras was ook niet van te voren gepland.
Dr. STAHMER: Was u partij tijdens de actie tegen de Joden in de nacht van 9 op 10 november 1938?
GÖRING: Ik zou dat in het kort willen bespreken. Ik begreep gisteren uit het verhoor van getuige Korner dat er wat dat betreft een misverstand was ontstaan. Op 9 november vond de mars op de Feldherrnhalle plaats. Deze mars vond ieder jaar plaats en voor deze gelegenheid waren de vooraanstaande leiders van de Beweging bijeen gekomen. Korner verwees daarnaar toen hij zei dat iedereen naar München kwam. Het was gebruikelijk dat na afloop van de mars bijna iedereen in het stadhuis van München bijeenkwam voor een diner waar de Führer ook aanwezig was.
In al die jaren ben ik nooit bij dat diner aanwezig geweest omdat ik mijn verblijf in München gebruikte om mij in de middag van die dag met andere zaken bezig te houden. Ik was bij deze gelegenheid ook niet aanwezig bij dat diner en Korner ook niet. Hij en ik keerden die avond in mijn speciale trein naar Berlijn terug. Zo ik later hoorde, nadat het onderzoek was afgerond, kondigde Goebbels nadat de Führer was vertrokken, bij dat diner aan, dat de zwaargewonde adviseur van de Ambassade in Parijs aan zijn verwondingen was bezweken. Er heerste een zekere opwinding en toen sprak Goebbels blijkbaar enkele woorden over vergelding en op zijn manier – hij was waarschijnlijk de krachtigste vertegenwoordiger van het anti-Semitisme – moet hij de gebeurtenissen op gang hebben gebracht, maar dat was nadat de Führer was vertrokken.
Ik hoorde zelf pas over de gebeurtenissen bij mijn aankomst in Berlijn. Allereerst vertelde de conducteur in mijn wagon dat hij in Halle branden had gezien. Een half uur later riep ik mijn adjudant die mij meldde dat er gedurende de nacht opstootjes waren geweest, dat er was ingebroken in Joodse winkels en dat die geplunderd waren en dat er synagogen in brand waren gestoken. Meer wist hij daar zelf niet van.
Ik ging door naar mijn flat en liet mij direct met de Gestapo verbinden. Ik eiste een rapport over de gebeurtenissen van die nacht. Dat is het rapport waarnaar hier is verwezen en dat aan mij overhandigd werd door de Chef van de Gestapo, Heydrich, betreffende de gebeurtenissen voor zover hem die op dat moment bekend waren; dat was meen ik op de avond van de volgende dag. De Führer kwam in de loop van de morgen ook in Berlijn aan. Omdat ik ondertussen had gehoord dat Goebbels tenminste een belangrijke rol had gespeeld als aanstichter, zei ik tegen de Führer dat het voor mij onmogelijk was dat dergelijke gebeurtenissen op dat bijzondere tijdstip plaatsvonden. In verband met het Vierjarenplan stelde ik alles in het werk om de economie tot het uiterste te concentreren. Ik had in toespraken tot de natie gevraagd om elke lege tandpasta tube, elke roestige spijker, elk stuk oud ijzer in te zamelen en te hergebruiken. Het kon niet worden getolereerd dat een man die voor dergelijke zaken niet verantwoordelijk was mijn moeilijke economische taken in de war zou sturen door aan de ene kant zoveel dingen met economische waarde te vernielen en aan de andere kant zoveel verstoring van het economische leven te veroorzaken.
De Führer maakte wat excuses namens Goebbels maar over het algemeen was hij het er mee eens dat dergelijke gebeurtenissen niet konden en mochten plaatsvinden. Ik wees hem er ook op dat zo kort na de Overeenkomst van München dergelijke zaken ook een ongunstig effect op het buitenlands beleid zouden hebben.
's Middags had ik nog een gesprek met de Führer. In de tussentijd had Goebbels hem opgezocht. Ik had de laatste per telefoon in onverbloemde taal en in scherpe bewoordingen mijn mening over de kwestie gegeven. Ik zei hem toen nadrukkelijk dat ik niet bereid was te lijden onder de gevolgen van zijn ongecontroleerde uitlatingen waar het economische zaken betrof.
Ondertussen was de Führer, onder invloed van Goebbels iets van gedachten veranderd. Wat Goebbels hem precies vertelde en tot op welke hoogte hij verwees naar de opwinding van de massa, naar dringend noodzakelijke regelingen weet ik niet. In elk geval was de mening van de Führer niet dezelfde zoals die was bij gelegenheid van mijn eerste klacht.
Terwijl we spraken voegde Goebbels, die ook in het huis was, zich bij ons en begon zijn gebruikelijke praatje: dat zulke dingen niet konden worden geaccepteerd; dat dit de tweede of derde moord was die in het buitenland op een Nationaalsocialist werd gepleegd door een Jood. Het was bij die gelegenheid dat hij voor het eerst de suggestie deed dat er een boete zou moeten worden opgelegd. Hij wilde inderdaad dat iedere Gau een dergelijke boete zou innen en hij noemde een vrijwel ongelooflijk hoog bedrag.
Ik sprak hem tegen en vertelde de Führer dat als er een boete opgelegd zou worden, dan zou alleen het Reich die moeten innen want, zoals ik zei, de heer Goebbels had de meeste Joden hier in Berlijn en hij zou er daarom geen geschikte persoon voor zijn omdat hij de meest belanghebbende partij was. Afgezien daarvan, als dergelijke maatregelen moesten worden genomen, dan had alleen de soevereine Staat het recht die te nemen.
Na wat kort heen en weer gepraat over de hoogte werd een bedrag van 1.000.000.000 Reichsmark overeengekomen. Ik wees de Führer erop dat onder bepaalde omstandigheden dat bedrag zijn terugslag zou hebben op de belastinginkomsten. Daarna uitte de Führer de wens en gaf bevel dat nu ook aan de economische oplossing moest worden gewerkt. Om te bereiken dat er zich geen verdere gelegenheden voor dergelijke gebeurtenissen zouden voordoen moesten allereerst alle duidelijk Joodse ondenemingen en die als zodanig bekend stonden, worden geariseerd, in het bijzonder de warenhuizen. Die vormden vaak een bron van wrijving omdat ambtenaren en werknemers, die alleen tussen 6 en 7 uur 's avonds konden winkelen, vaak naar die warenhuizen gingen en moeilijkheden ondervonden. Hij gaf opdracht wat er in grote lijnen zou moeten gebeuren.
Daarop riep ik op 12 november de vergadering met de departementen die daarover het gezag hadden bijeen. Helaas had de Führer geëist dat Goebbels in deze commissie vertegenwoordigd moest zijn – in werkelijkheid moest er een commissie worden benoemd. Hij was in feite aanwezig hoewel ik volhield dat hij met economische vraagstukken niets te maken had. De discussie was zeer verhit. We raakten allemaal geïrriteerd tijdens deze vergadering. Daarna liet ik de economische wetten opstellen en liet ze later publiceren.
Ik verwierp andere voorstellen die buiten het terrein van de economie lagen, zoals een beperking op reizen, beperking op wonen, beperkingen met betrekking tot badplaatsen et cetera omdat ik niet bevoegd was mij met dit soort zaken bezig te houden en geen bijzondere orders had ontvangen. Die werden later door de politieautoriteiten uitgevaardigd en niet door mij; maar door mijn tussenkomst werden er diverse maatregelen verzacht en aangepast.
Ik zou erop willen wijzen dat hoewel ik mondelinge en schriftelijke bevelen en opdrachten van de Führer kreeg om die wetten uit te vaardigen en te handhaven, ik de volledige en uiteindelijke verantwoordelijkheid aanvaard voor deze wetten die mijn handtekening dragen; want ik vaardigde ze uit en dus ben ik verantwoordelijk en niet van plan om mij op een of andere manier achter de bevelen van de Führer te verschuilen.
Dr. STAHMER: Een andere kwestie. Wat waren de redenen voor de weigering deel te nemen aan de Ontwapeningsconferentie en voor de terugtrekking uit de Volkenbond?
GÖRING: De belangrijkste redenen daarvoor waren ten eerste dat de andere landen die zich na de volledige ontwapening van Duitsland ook moesten ontwapenen, dat niet deden. Het tweede punt was dat er ook een gebrek aan bereidheid was om op enige manier aan Duitsland's gerechtvaardigde voorstellen voor herziening tegemoet te komen; ten derde vonden er door andere staten, Polen, Lithouwen et cetera, herhaaldelijk schendingen van het Verdrag van Versailles en van het Convenant van de Volkenbond plaats die in eerste instantie door de Volkenbond werden veroordeeld maar waar dan verder niets mee werd gedaan maar eerder als vaststaand feit aanvaard; ten vierde werden alle klachten van Duitsland betreffende kwesties van minderheden weliswaar besproken en er werden goedbedoelde adviezen gegeven aan de landen waartegen de klachten waren gericht, maar er werd in feite niets gedaan om de situatie te verbeteren.
Dat zijn de redenen voor het uittreden uit de Volkenbond en het verlaten van de Ontwapeningsconferentie.
Dr. STAHMER: Waarom besloot Hitler tot herbewapening en herinvoering van de dienstplicht?
GÖRING: Toen Duitsland uit de Volkenbond en de Ontwapeningsconferentie stapte kondigde zij gelijktijdig aan de betreffende grootmachten haar definitieve beslissing aan, te streven naar universele ontwapening. De Führer deed toen diverse voorstellen die, naar men mag aannemen uit de historie bekend zijn: beperking van de parate strijdkrachten tot een bepaald aantal manschappen, beperking van te gebruiken wapens, het verbod op bepaalde wapens zoals bijvoorbeeld bommenwerpers en diverse andere punten. Elk van deze voorstellen werd echter afgewezen en niet uitgevoerd of zelfs ook maar besproken.
Toen wij en de Führer duidelijk erkenden dat de andere partijen niet aan ontwapening dachten en dat in tegendeel, die grootmacht ten oosten van ons, Rusland, aan een bewapeningsprogramma als nooit te voren was begonnen, werd het voor ons noodzakelijk om teneinde de meest vitale belangen van de Duitse bevolking, haar leven en haar veiligheid te beschermen, ons van alle banden te bevrijden en ons te gaan herbewapenen tot een peil dat nu nodig was voor de belangen en de veiligheid van het Reich. Dat was de eerste reden voor de noodzaak van herinvoering van de dienstplicht.
Dr. STAHMER: In welke mate had de Luftwaffe deel aan deze herbewapening?
GÖRING: In 1933, toen ik het Reichsluftfahrtministerium oprichtte, hadden we ons nog niet bezig gehouden met de kwestie van herbewapening. Ondanks dat nam ik enkele basismaatregelen. Ik breidde de productie onmiddellijk uit en verhoogde het vliegverkeer tot boven het noodzakelijke om in staat te zijn een groter aantal piloten op te leiden. Destijds nam ik een aantal jonge mensen over, luitenants, kadetten die dan de Wehrmacht moesten verlaten om in de burgerluchtvaart te gaan en daar te leren vliegen.
Ik was mij er vanaf het begin van bewust dat bescherming vanuit de lucht noodzakelijk was als een van de meest essentiële voorwaarden voor de veiligheid van mijn land. Oorspronkelijk was ik ervan overtuigd dat een defensieve luchtmacht, met andere woorden, een luchtmacht met jagers voldoende zou kunnen zijn; maar na overweging realiseerde ik mij – en ik wil onderstrepen wat Feldmarschall Kesselring over dit onderwerp heeft gezegd – dat men zou verliezen met slechts een aantal jagers voor defensieve doeleinden en dat zelfs een defensieve luchtmacht bommenwerpers moet hebben zodat die offensief tegen de vijand kan worden ingezet op het territorium van de vijand.
Daarom liet ik bommenwerpers ontwikkelen uit burgervliegtuigen. In het begin verliep de herbewapening traag. Alles moest opnieuw worden gemaakt omdat er op het gebied van luchtwapens niets bestond. In 1935 vertelde ik de Führer dat ik het juist vond, omdat we regelmatig weigeringen hadden gehoord in antwoord op onze voorstellen, de wereld openlijk mee te delen dat we een luchtmacht aan het vormen waren en dat ik daar de basis al voor had gelegd. Dat gebeurde in de vorm van een interview dat ik met een Britse correspondent had.
Nu kon ik verder gaan met herbewapening op grotere schaal maar ondanks dat beperkten we ons in eerste instantie tot wat wij een "risico luchtmacht" noemden, een risico in die zin dat wanneer een vijand Duitsland aanvalt zou weten dat hij zou kunnen verwachten een luchtmacht te ontmoeten. Maar die was op geen enkele manier sterk genoeg om van werkelijk belang te zijn.
In 1936 volgde het beroemde rapport dat aangeboden werd aan getuige Bodenschatz waarin ik zei dat we vanaf dit moment moesten werken op basis van mobilisatie, dat geld geen rol speelde en dat ik, om kort te gaan, de verantwoording zou nemen voor het overschrijden van het budget.
Omdat er tevoren niets had bestaan, zou ik in staat moeten zijn om een en ander snel in te halen alleen wanneer aan de ene kant de vliegtuigproductie met zoveel mogelijk ploegen en in een zo hoog mogelijk tempo kon plaatsvinden, met andere woorden, met maximale inspanning en op basis van mobilisatie en wanneer aan de andere kant uitbreiding van grondtroepen en gelijksoortige zaken met de grootste spoed ter hand zouden worden genomen.
De situatie in 1936 wordt door mij, in dat rapport aan mijn medewerkers als ernstig omschreven. Andere staten hadden weliswaar niet ontwapend maar hier en daar hadden ze misschien de luchtmacht verwaarloosd en ze waren bezig verloren terrein in te halen. Er werden in Engeland felle debatten gevoerd met betrekking tot modernisering en opbouw van de luchtmacht; er vonden in Rusland koortsachtige activiteiten plaats waarover wij betrouwbare inlichtingen hadden ontvangen – ik zal later op de kwestie van de Russische herbewapening terugkomen.
Toen in Spanje de burgeroorlog uitbrak, stuurde Franco een verzoek om hulp naar Duitsland en vroeg om steun, voornamelijk in de lucht. Men moet niet vergeten dat Franco met zijn troepen in Afrika lag en dat hij die niet kon overzetten omdat de vloot in handen van de Communisten was, of zoals zij zich destijds noemden, de bevoegde revolutionaire regering van Spanje. De beslissende factor was allereerst, zijn troepen over te brengen naar Spanje. De Führer dacht over de kwestie na. Ik drong er bij hem op aan, onder alle omstandigheden steun te verlenen, ten eerste om de verdere verspreiding van het communisme in dat gebied tegen te gaan en ten tweede om bij deze gelegenheid mijn jonge Luftwaffe te testen in een of ander technisch opzicht.
Met toestemming van de Führer stuurde ik een groot deel van mijn transportvloot en een aantal experimentele jagersquadrons, bommenwerpers en luchtdoelkanonnen naar Spanje en op die manier had ik de mogelijkheid om onder oorlogsomstandigheden vast te stellen of het materiaal tegen de taak was opgewassen. Opdat ook het personeel meer ervaring zou krijgen zorgde ik ervoor dat er een voortdurende wisseling plaats vond, nieuwe mensen werden er steeds heengestuurd en anderen teruggeroepen.
De herbewapening van de Luftwaffe vereiste als basisvoorwaarde de bouw van een groot aantal nieuwe fabrieken. Het hielp me niets om een sterke Luftwaffe op te bouwen als ik er geen brandstof voor had. Hier moest ik dus ook de ontwikkeling van raffinaderijen tot het uiterste versnellen. Er waren ook andere toeleveringsbedrijven, vooral voor aluminium. Omdat ik de Luftwaffe als het meest belangrijke onderdeel van de Wehrmacht beschouwde, voor zover het de veiligheid van het Reich betrof en gezien de modernisering van de technische wetenschappen was het mijn plicht als opperbevelhebber alles in het werk te stellen om die tot op het hoogste niveau te ontwikkelen; ook moest er, omdat er niets was om mee te beginnen, een enorme inspanning en een maximale hoeveelheid werk worden geleverd. Dat deed ik.
Er is hier tijdens een verhoor veel gezegd over viermotorige bommenwerpers, tweemotorige, et cetera. De getuigen hebben naar hun beste weten verklaringen afgelegd maar ze waren slechts op de hoogte van onderdelen en gaven hun visie vanuit dat oogpunt. Alleen ik was verantwoordelijk en ben verantwoordelijk want ik was Oberbefehlshaber der Luftwaffe en Reichsluftfahrtminister. Ik was verantwoordelijk voor de herbewapening, de training en het moreel van de Luftwaffe.
Als ik in het begin geen viermotorige bommenwerpers bouwde was het niet omdat ik gewetensbezwaren had dat die konden worden gezien als een instrument van agressie. Dat zou me geen minuut hebben verontrust. Mijn enige reden was dat de technische en productiemogelijkheden niet bestonden. Dat soort bommenwerper was gewoonweg nog niet door mijn ministerie ontwikkeld, in ieder geval niet in de zin dat ik hem kon gebruiken. Ten tweede had ik nog een tekort aan aluminium en iedereen die ook maar een beetje een kenner is weet hoeveel aluminium er voor een viermotorige bommenwerper wordt gebruikt en hoeveel jagers, anders gezegd tweemotorige bommenwerpers men met dezelfde hoeveelheid kan bouwen.
Om te beginnen moest ik vaststellen wie wellicht Duitsland's tegenstanders in een oorlog zouden zijn. Waren de technische mogelijkheden voldoende om een aanval op Duitsland door een dergelijke tegenstanders het hoofd te bieden? Van alle mogelijke tegenstanders achtte ik Rusland de belangrijkste maar natuurlijk moest ook met Engeland, Frankrijk en Italië rekening worden gehouden. Het was mijn plicht alle mogelijkheden onder ogen te zien. Voor zover het het Europese strijdtoneel betrof kon ik mij voorlopig tevreden stellen met bommenwerpers die tegen de belangrijkste centra van de vijandelijke wapenindustrie konden worden ingezet. Voorlopig had ik dus niets anders nodig dan vliegtuigen die mij in staat zouden stellen dat te doen, maar het was belangrijk voor mij er meer van te hebben. Maar in een toespraak tot vliegtuigfabrikanten maakte ik duidelijk dat ik dringend een bommenwerper tot mijn beschikking moest hebben die, geladen met de noodzakelijke bommen, naar Amerika kon vliegen en terug. Ik vroeg hen daar ijverig aan te werken zodat wanneer Amerika aan een oorlog tegen Duitsland zou gaan deelnemen, ik ook de Amerikaanse wapenindustrie kon bereiken. Het was daarom geen kwestie van die niet te willen hebben. Ik heb zelfs, voor zover ik me herinner een ontwerpwedstrijd uitgeschreven voor bommenwerpers die in staat waren op grote hoogte en met hoge snelheden lange afstanden konden afleggen. Zelfs voor het begin van de oorlog waren we begonnen aan de ontwikkeling van schroefloze vliegtuigen.
Samenvattend zou ik willen zeggen dat ik binnen de toen heersende technische en productiemogelijkheden al het mogelijke deed om een sterke Luftwaffe te herbouwen en opnieuw te bewapenen. De technische kennis van dat moment deed ons geloven dat na 5 jaar van oorlog er nieuwe technische en praktische vooruitgang zou zijn geboekt. Dat is een principe gebaseerd op ervaring. Ik wilde voorbereid zijn door het hebben van een luchtmacht die, hoe de politieke situatie zich ook zou ontwikkelen, sterk genoeg zou zijn om de natie te verdedigen en klappen uit te delen aan Duitsland's vijanden. Het is volkomen juist voor Mr. Justice Jackson te vragen of de snelle uitschakeling van Polen en Frankrijk te danken was aan het feit dat de Duitse Luftwaffe, opererend volgens moderne opvarttingen, daar zoveel aan bijdroeg. De Luftwaffe was de beslissende factor. Aan de andere kant, hoewel mij dit niet aangaat, was de inzet van de Amerikaanse luchtmacht ook een beslissiende factor in de Geallieerde overwinning.
Dr. STAHMER: Had het feit dat u de controle over grondstoffen al in april 1936 kreeg iets te maken met het heropbouwen van de Luftwaffe?
GÖRING: Ik hoef niet te herhalen wat getuige Korner gisteren of eergisteren uitgebreid heeft behandeld met betrekking tot mijn gestage opklimmen in de economische leiding. Het startpunt was de landbouwcrisis in 1935. In de zomer van 1936 kwamen de toenmalige Minister van Oorlog Von Blomberg,de Minister van Economie en President van de Reichsbank Schacht en Minister Kerrl bij mij en vroegen mij of ik bereid was een voorstel van hen te steunen dat ze aan de Führer wilden voorleggen namelijk dat ik zou worden benoemd tot Commissaris voor Grondstoffen en Buitenlandse Handel. Er werd afgesproken dat ik niet zou optreden als economisch expert, wat ik niet was; maar er was iemand nodig om de moeilijkheden, ontstaan door een tekort aan buitenlandse valuta op te lossen die steeds ontstonden vanwege onze grote vraag en op hetzelfde moment grondstoffen beschikbaar te maken en te verkrijgen – iemand die in staat was maatregelen te treffen die wellicht niet door veel mensen zouden worden begrepen maar die het gewicht van zijn gezag zouden hebben. Ten tweede werd er besloten dat ik op dit terrein, hoewel ik geen expert was, de drijvende kracht zou zijn en mijn energie aanwenden.
Minister Schacht, die wel de expert was, had moeilijkheden met de Partij. Hij was geen lid van de Partij. Hij stond destijds op uitzonderlijk goede voet met de Führer en met mij maar niet zozeer met de Partijleden. Het gevaar ontstond dat de juiste maatregelen wellicht door de laatsten niet zouden worden begrepen en in dit verband zou ik de juiste man zijn om deze dingen bekend te maken aan het volk en aan de Partij.
Dat is hoe dat tot stand kwam. Maar omdat ik als Reichsluftfahrtminister, zoals ik heb uitgelegd, belang had bij grondstoffen speelde ik een steeds belangrijker wordende rol. Toen traden de verschillen tussen de landbouw en de economie betreffende de buitenlandse valuta op de voorgrond waardoor ik beslissingen moest nemen, beslissingen die steeds drastischer werden. Zo kwam ik op het terrein van het economisch leiderschap. Ik wijdde een groot deel van mijn tijd en mijn arbeid aan deze taak, in het bijzonder aan het verkrijgen van de noodzakelijke grondstoffen voor de economie en de herbewapening. Hieruit ontstond het Vierjarenplan waardoor ik verreikende volmachten verkreeg.
Dr. STAHMER: Wat was het doel van het Vierjarenplan?
GÖRING: Het Vierjarenplan had twee doelstellingen: Ten eerste dat de Duitse economie zover mogelijk en in het bijzonder de agrarische sector zou worden beschermd tegen iedere crisis; ten tweede, in geval van oorlog zou Duitsland in staat moeten zijn een blokkade zo lang mogelijk te weerstaan. Daarom was het allereerst noodzakelijk de landbouw tot het maximale uit te breiden, er toezicht op te houden en haar te sturen, om toezicht te houden op de consumptie en voorraden aan te leggen door middel van onderhandelingen met het buitenland; ten tweede om vast te stellen welke grondstoffen, die tot dan toe werden geïmporteerd, in Duitsland zelf konden worden gevonden en bewerkt en welke grondstoffen die moeilijk konden worden geïmporteerd vervangen konden worden door andere die makkelijker te verkrijgen waren. In het kort, voor zover het de agrarische sector betreft: het gebruik van iedere beschikbarte ruimte, regeling van de teelt naar gelang de behoefte aan gewassen, controle op het fokken van dieren, het opbouwen van reserves voor in tijden van nood of mislukte oogsten; waar het de industrie betrof: de bouw van fabrieken die grondstoffen konden leveren; ten eerste kolen – hoewel er voldoende kolen voorradig was moest de winning ervan aanzienlijk worden uitgebreid want kolen is de basisgrondstof waarvan zoveel andere zaken afhankelijk zijn; ijzer – onze mijnbouwindustrie had zichzelf zo afhankelijk gemaakt van het buitenland dat daar in geval van een crisis een rampzalige situatie zou kunnen ontstaan. Ik begrijp vanuit puur financieel en zakelijk oogpunt heel goed dat het allemaal in orde was maar niettemin moesten we mijnen openen en het Duitse ijzererts winnen dat tot onze beschikking stond hoewel het van mindere kwaliteit was dan het Zweedse erts; we zouden de industrie moeten dwingen legeringen te maken om het te kunnen doen met Duitse ersten.
Ik stond de industrie roekeloos een jaar toe. Omdat de industrie daarna nog niet was begonnen met het winnen van deze ertsen, richtte ik het Reichswerk op dat mijn naam kreeg (Hermann Göring Werke, Vert.) Dat diende voornamelijk voor het blootleggen van voorraden ijzererts op Duits grondgebied en werd ingezet in de mijnbouw. Het was noodzakelijk om olieraffinaderijen te bouwen, aluminium- en andere fabrieken en dan de ontwikkeling te bevorderen van fabrieken van zogenaamd synthetisch materiaal om die noodzakelijke grondstoffen te vervangen die alleen maar van het buitenland en onder moeilijke omstandigheden konden worden verkregen. Op het gebied van textiel omvatte dit de omschakeling van de textielindustrie en van IG Farben.
Dat, ruwweg, waren de doelstellingen van het Vierjarenplan.
Natuurlijk is een derde kwestie in dit verband van belang: de kwestie van de arbeid. Coördinatie was ook hier nodig. De meest belangrijke fabrieken moesten arbeiders hebben, de minder belangrijke fabrieken moesten het zonder doen. De controle op deze toewijzing van mankracht, die voor de oorlog alleen maar in Duitsland functioneerde, was een andere doelstelling van het Vierjarenplan en het departement voor de Arbeitseinsatz. Het Vierjarenplan als zodanig nam als officiële organisatie al gauw een veel te grote omvang aan. Toen Schacht was vertrokken nam ik voor twee maanden het Ministerie van Economie over en bracht het Vierjarenplan er in onder. Ik hield slechts een kleine staf medewerkers aan en voerde de taken uit met de hulp van de ministeries die voor elk van die taken verantwoordelijk waren.
Dr. STAHMER: Had het uitvoeren van al deze plannen tot doel de voorbereiding op een aanvalsoorlog?
GÖRING: Nee, de bedoeling van de plannen was, zoals ik zei, Duitsland te beschermen tegen economische crises en tegen een blokkade in geval van oorlog en natuurlijk, binnen het Vierjarenplan de noodzakelijke voorwaarden te scheppen voor herbewapening. Dat was een van de belangrijkste taken.
Dr. STAHMER: Hoe ging de bezetting van het Rijnland in zijn werk?
GÖRING: De bezetting van het Rijnland was geen, zoals hier is beweerd, een intensief voorbereide zaak. Wat eerder was besproken ging niet over de bezetting van het Rijnland maar over mobilisatiemaatregelen in het geval van een aanval op Duitsland.
De bezetting van het Rijnland gebeurde om twee redenen. Het evenwicht dat in west-Europa was ontstaan na het Verdrag van Locarno was verstoord omdat er een nieuwe factor was opgekomen in de groep van Frankrijk's bondgenoten, namelijk Rusland dat zelfs in die tijd over een aanzienlijke strijdmacht beschikte. Bovendien was er de overeenkomst voor onderlinge steun tussen Rusland en Tsjechoslowakije. Daarom bestonden in onze denkwijze de voorwaarden niet meer waarop het Verdrag van Locarno was gebaseerd. Er ontstond nu zo'n dreiging voor Duitsland, of de mogelijkheid voor zo'n dreiging dat het een verzaking van plicht en eer van de kant van de regering zou zijn geweest als zij hier ook niet alles had gedaan om de veiligheid van het Reich te garanderen. De regering maakte daarom – als soevereine staat – gebruik van haar soevereine recht om zich van deze oneervolle verplichting een deel van het Reich niet onder haar bescherming te nemen te bevrijden en nam dit belangrijke deel van het Reich onder haar bescherming door er sterke fortificaties te bouwen.
De bouw van dergelijke sterke fortificaties, dergelijke dure en uitgebreide fortificaties is alleen maar gerechtvaardigd als die grens als definitief wordt beschouwd. Als ik van plan zou zijn geweest die grens in de nabije toekomst uit te breiden, zou het nooit mogelijk zijn geweest door te gaan met een onderneming die zo kostbaar was en een zo grote last voor de hele natie betekende als de bouw van de Westwall. Dit gebeurde – en dat wil ik benadrukken – zeker vanaf het begin alleen maar in het belang van de verdediging en als defensieve maatregel. Die beveiligde de westelijke grens van het Reich tegen een dreiging die vanwege de recente machtsverschuiving en de nieuwe combinatie van macht zoals de Frans-Russische overeenkomst tot wederzijdse steun, een gevaar voor Duitsland was geworden. De feitelijke bezetting, de beslising om het Rijnland te bezetten werd op zeer korte termijn genomen. De troepen die het Rijnland binnentrokken waren zo gering in aantal – en dat is een historisch gegeven – dat ze slechts een schijnbezetting vormden. De Luftwaffe zelf kon voorlopig het gebied links van de Rijn niet binnen trekken omdat de organisatie op de grond niet voldoende was. De Luftwaffe trok de zogenaamde gedemilitariseerde zone rechts van de Rijn binnen, Düsseldorf en andere steden. Met andere woorden, het was niet zo alsof het Rijnland nu ineens bezet werd door een vloedgolf van troepen; maar het was slechts zo, wat ik eerder al zei, dat er een paar eenheden binnentrokken als teken dat het Rijnland weer onder de volledige bescherming van het soevereine Deutsches Reich viel en in de toekomst ook als zodanig zou worden verdedigd.
Dr. STAHMER: Wat waren Hitler's bedoelingen toen hij de Reichsverteidigungsrat oprichtte en hij het Reichsverteidigungsgezetz uitvaardigde?
GÖRING: De Reichsverteidigungsrat speelde hier in de laatste maanden een grote rol. Ik hoop dat ik niet verkeerd begrepen word; ik meen dat er in de afgelopen maanden meer over is gezegd dan er ooit is gezegd vanaf het moment van de oprichting ervan. In de eerste plaats luidt de naam Reichsverteidigungsrat en niet Reichsangriffsrat. Het bestaan ervan wordt als vanzelfsprekeknd aanvaard. Die bestaat in een of andere vorm in ieder land, zelfs onder een andere naam. Allereerst was er al, voor onze machtsovername, een Rijkscommissie voor Defensie. In deze commissie zaten officiële experts van alle ministeries met als doel het treffen van voorbereidingen voor mobilisatie, of beter gezegd, mobilisatiemaatregelen die automatisch in zicht komen bij ieder soort ontwikkeling – oorlog, de kans op oorlog, oorlog waarbij buurlanden zijn betrokken en de daarop volgende noodzaak de eigen neutraliteit te beschermen. Dat zijn de gewoonlijk te nemen maatregelen – vast te stellen hoeveel paarden er moeten worden gevorderd in geval van een mobilisatie, welke fabrieken er moeten worden omgebouwd, of er bonnen voor brood- en vetrantsoenen moeten worden ingevoerd, regeling van het verkeer et cetera – al die zaken hoeven niet tot in detail behandeld te worden omdat ze zo voor de hand liggen.
Al die discussies vonden plaats binnen de Rijkscommissie voor Defensie tussen de officiële experts onder voorzitterschap van de toenmalige kabinetschef van het Rijksministerie van Oorlog, Keitel. De Reichsverteidigungsrat werd opgericht als een tijdelijke voorzorgsmaatregel toen de strijdkrachten opnieuw werden opgebouwd maar bestond alleen maar op papier. Ik was meen ik ondervoorzitter of voorzitter – ik weet niet meer wat – dat heb ik hier horen zeggen. Ik verzeker u onder ede dat ik nooit en te nimmer deelgenomen heb aan een vergadering waar de Reichsverteidigungsrat als zodanig bijeen werd geroepen. Deze discussies, die noodzakelijk waren voor de verdediging van het Reich werden in een heel ander verband gehouden, in een andere vorm en naar gelang de onmiddellijke behoeften. Natuurlijk vonden er discussies plaats over de verdediging van het Reich maar niet in het verband van de Reichsverteidigungsrat. Die bestond alleen op papier en kwam nooit bijeen. Maar zelfs als die bijeen zou zijn gekomen, zou dat heel logisch zijn geweest want dit betreft verdediging en niet aanval. Het Reichsverteidigungsgesetz, of liever de Ministeriële Raad voor de Verdediging van het Reich, dat is waarschijnlijk wat u bedoelt, werd pas een dag voor het uitbreken van de oorlog opgericht want de Reichsverteidigungsrat bestond in feite niet. Deze Ministeriële Raad voor de Verdediging van het Reich moet niet worden beschouwd als zijnde gelijk aan het zogenaamde Oorlogskabinet dat in Engeland werd ingesteld toen de oorlog uitbrak en misschien ook in andere landen. In tegendeel deze Ministeriële Raad voor de Verdediging van het Reich moest – met verkorte procedures – de noodzakelijke regelingen voor in oorlogstijd treffen; wetten die de dagelijkse gang van zaken betroffen, mededelingen aan de bevolking en moest ook de Führer in grote mate ontlasten omdat hij het recht op de leiding over de militaire operaties voor zich had opgeëist. De Ministeriële Raad vaardigde dus ten eerste al die wetten uit, zou ik willen zeggen, die in elk land te verwachten zijn bij het begin van een oorlog. In het begin kwam de Raad drie of vier keer bijeen en daarna helemaal niet meer. Ik had er daarna ook geen tijd meer voor. Om de procedure te versnellen werden die wetten eerst verspreid en daarna uitgevaardigd. Een of anderhalf jaar later – het precieze tijdstip herinner ik me niet meer – nam de Führer de directe uitvaardiging van wetten in eigen hand. Ik was medeondertekenaar van vele wetten in mijn hoedanigheid als voorzitter van de Ministeriële Raad. Maar dat werd in de latere jaren ook vrijwel beëindigd. De Ministeriële Raad kwam na 1940 helemaal niet meer bijeen denk ik.
Dr. STAHMER: De Aanklager heeft een document ingediend, nummer 2261-PS. In dit document wordt een Reichsverteidigungsgesetz van 21 mei 1935 genoemd, dat tijdelijk op bevel van de Führer werd aangehouden. Ik zal u dat document laten overhandigen en ik vraag u er commentaar op te geven.
GÖRING: Ik ben ervan op de hoogte.
Dr. STAHMER: Wilt u er alstublieft uw mening over geven?
GÖRING: Nadat de Reichsverteidigungsrat was opgezet, werd in 1935 voorzien in een Reichsverteidigungsgesetz in geval van een mobilisatie. De overeenkomst werd gesloten, of liever gezegd de beslissing werd genomen door het Reichskabinett en deze wet werd van kracht in het geval van een mobilisatie. In feite werd die vervangen toen de mobilisatie ook werkelijk begon, door de wet die ik heb genoemd betreffende de Ministeriële Raad voor de Verdediging van het Reich. Bij deze wet werd, voor de tijd van het Vierjarenplan, in 1935, een Gevolmachtigde voor de Economie in het leven geroepen, allereerst voor in het geval van een mobilisatie, en een Gevolmachtigde voor het Bestuur; zodat wanneer er een oorlog uitbrak alle departementen binnen het hele bestuur onder één minister zouden worden gebracht en alle departementen die betrokken waren bij de economie en de bewapening eveneens bij één minister moesten worden ondergebracht. De Gevolmachtigde voor het Bestuur functioneerde voor de mobilisatie niet. De Gevolmachtigde voor Economie – deze titel mocht niet aan het publiek bekend worden gemaakt – moest echter direct met zijn taken beginnen. Dat was inderdaad noodzakelijk. Dit is waarschijnlijk de duidelijkste verklaring voor het feit dat de vorming van het Vierjarenplan wel moest leiden tot botsingen tussen de Gevolmachtigde voor de Economie en de Gedelegeerde voor het Vierjarenplan omdat beiden min of meer aan dezelfde of gelijksoortige taken werkten. Toen ik in 1936 benoemd werd tot Gedelegeerde voor het Vierjarenplan kwamen de activiteiten van de Gevolmachtigde voor de Economie vrijwel tot stilstand.
Dr. STAHMER: Meneer de President, moet ik nu ophouden met mijn verhoor?
De PRESIDENT: Ja, ik meen dat dit een goed moment is.
(de zitting wordt geschorst tot 14:00 uur.)

Definitielijst

Arbeitseinsatz
Gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Circa 11 miljoen Europese burgers werden in dit kader opgeroepen om dwangarbeid te verrichten in het Derde Rijk. Niet te verwarren met de Arbeidsdienst, een organisatie opgericht als nationaal-socialistisch vormingsinstituut voor Nederlandse jongeren.
communisme
Politieke stroming, ontstaan uit het werk Das Kapital van Karl Marx, geschreven in 1848, als een reactie op de door Marx omschreven klassenstrijd tussen de arbeiders (het proletariaat) en de bourgeoisie. Volgens Marx zouden de arbeiders via een revolutie de macht overnemen van de welgestelde klasse. De communistische stroming streeft naar een ideale situatie waarin de productie- en consumptiemiddelen gemeenschappelijk eigendom van de staatsburgers zijn. Dit zou een einde aan armoede en ongelijkheid moeten maken (communis = gemeenschappelijk).
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gau
Door de NSDAP ingesteld landsdistrict van het Duitse Rijk.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
Rijnland
Duitstalig na WO I gedemilitariseerd gebied aan de rechteroever van de Rijn dat door Hitler bezet werd in 1936.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.
Westwall
Wordt ook wel Siegfriedlinie genoemd, de Duitse verdedingingslinie aan de Frans-Duitse grens.

Middagzitting 1

Dr. STAHMER: Er is hier regelmatig een term gebruikt, de Reichsforschungsrat. Wat voor instelling was dat?
GÖRING: Ik meen dat het in 1943 was dat ik opdracht kreeg het hele terrein van Duits onderzoek, in het bijzonder zover dat van vitaal belang voor de oorlogvoering was, in één instelling samen te brengen. Helaas gebeurde dat veel te laat. Het doel was om evenwijdig en nutteloos onderzoek te voorkomen, om alle onderzoek naar problemen die van belang waren voor de oorlog samen te voegen. Ik werd benoemd tot president van de Reichsforschungsrat en stelde richtlijnen op voor onderzoek in overeenstemming met het genoemde doel.
Dr. STAHMER: Had dit instituut enige binding met het Reichsforschungsamt der Luftwaffe?
GÖRING: Nee, het Reichsforschungsamt der Luftwaffe was heel iets anders en het had enerzijds niets te maken met onderzoek en anderzijds niets met de Luftwaffe. De uitdrukking was een soort dekmantel want toen wij aan de macht kwamen heerste er grote verwarring over de technische kant van toezicht op belangrijke informatie. Daarom richtte ik tijdelijk het Forschungsamt op, dat was een instelling die alle technische middelen voor het afluisteren van radio, telegrafie, telefoon en alle andere technische communicatie kon leveren. Omdat ik toen alleen nog maar Reichsluftfahrtminister was kon ik dit alleen binnen mijn eigen ministerie doen en gebruikte daarom die dekmantel. Dit apparaat diende boven alles om controle uit te oefenen op alle buitenlandse missies, en alle belangrijke personen die telefoon-, telegraaf- en radioverbinding hadden met het buitenland; iets wat in alle andere landen gebruikelijk is, en om de zo verkregen informatie te ontcijferen en ter beschikking van de andere departementen te stellen. De dienst had geen agenten, geen inlichtingendienst maar was een puur technisch instituut voor het onderscheppen van radioberichten, telefoongesprekken en telegrammen wanneer daartoe opdracht werd gegeven en vervolgens de informatie door te geven aan de betrokken diensten. In dit verband mag ik misschien zeggen dat ik ook veel gelezen heb over deze communicatie van de heer Messerschmidt, die hier is verschenen. Hij was soms de belangrijkste bron van dergelijke informatie.
Dr. STAHMER: Wat was het doel en het belang van de Geheime Kabinetsraad die kort na de machtsovername werd ingesteld?
GÖRING: In 1938 was het aftreden van de Minister van Oorlog, Feldmarschall Von Blomberg aan de orde. Tegelijkertijd trad, om bijzondere omstandigheden de Opperbevelhebber van de strijdkrachten, Kolonel-generaal Von Fritsch af, liever gezegd, de Führer ontsloeg hem. Het samenvallen van deze twee aftredens of ontslagen was in de ogen van de Führer nadelig voor het prestige van de Wehrmacht. Hij wilde de aandacht van deze verandering in de Wehrmacht afleiden door middel van een algemene herschikking. Hij zei dat hij bovenal het Ministerie van Buitenlandse Zaken wilde wijzigen omdat alleen een dergelijke verandering grote indruk zou maken in het buitenland en zeer waarschijnlijk de aandacht van militaire zaken zou afleiden. Destijds verzette ik mij hierover mij fel tegen de Führer. In langdurige en vermoeiende persoonlijke gesprekken probeerde ik hem van een verandering op Buitenlandse Zaken te weerhouden. Hij vond echter dat hij daaraan vast moest houden.
De vraag rees wat er gedaan moest worden na het aftreden van de heer Von Neurath of na de wijziging. De Führer was van plan om koste wat kost de heer Von Neurath in het Kabinet te houden want hij had de grootst mogelijke persoonlijke waardering voor hem. Ik heb altijd mijn achting voor de heer Von Neurath uitgedrukt. Om een daling van het prestige van de heer Von Neurath in het buitenland te voorkomen was ikzelf degene die een voorstel aan de Führer deed. Ik zei hem dat om het voor het buitenland te laten lijken dat Von Neurath niet helemaal uit de buitenlandse politiek was verwijderd ik zou willen voorstellen hem te benoemen tot voorzitter van de Geheime Kabinetsraad. Een dergelijke Raad bestond weliswaar niet, maar de term klonk wel aardig en iedereen zou denken dat het iets voorstelde. De Führer zei dat we hem niet tot voorzitter konden benoemen als er geen raad was. Daarop zei ik: " Dan maken we er een," en ik noteerde nonchalant namen van enkele personen. Hoe weinig waarde ik aan die raad hechtte kan worden opgemaakt uit het feit dat ikzelf een van de laatsten op die lijst was.
Daarna werd voor het grote publiek de raad aangekondigd als een adviesorgaan voor het buitenlands beleid. Toen ik terugkeerde zei ik tegen mijn vrienden: "De zaak is goed verlopen maar als de Führer de Minister van Buitenlandse Zaken al niet om advies vraagt, zal hij dat zeker niet doen aan een adviesraad voor buitenlands beleid; we zullen er dus vast en zeker niets mee te maken hebben." Ik verklaar onder ede dat deze Raad nooit bijeen is gekomen, nog geen minuut; er vond zelfs niet eens een oprichtingsvergadering plaats om de regels vast te stellen volgens welke de Raad moest werken. Sommige leden zijn waarschijnlijk niet eens ingelicht dat ze er lid van waren.
Dr. STAHMER: Wanneer kwam het Reichskabinett voor het laatst bijeen?
GÖRING: Voor zover ik mij herinner was de laatste bijeenkomst van het Reichskabinett in 1937 en voor zover ik mij herinner zat ik de laatste vergadering voor omdat de Führer kort na het begin vertrokken was. De Führer had niet veel op met kabinetsvergaderingen, het was een te grote groep voor hem en misschien was er teveel discussie over zijn plannen en dat wilde hij laten veranderen.
Vanaf die tijd werden er alleen persoonlijke gesprekken gevoerd – gesprekken met individuele ministers of met groepen ministers van de betrokken ministeries. Maar omdat de ministers zeer terecht vonden dat dit hun werk bemoeilijkte werd een een oplossing gevonden waarbij ik, op titel van het Vierjarenplan, de ministers vaker bijeen riep om algemene zaken met hen te bespreken. Maar in het kabinet of in de ministerraad werd nooit enige belangrijke politieke beslissing genoemd of besproken, zoals bijvoorbeeld de beslissingen – de annexatie van Oostenrijk, het Sudetenland en Tsjechoslowakije – die uiteindelijk tot oorlog leidden. Ik weet hoeveel belang de Führer hechtte aan het feit dat in al deze kwesties alleen die ministers moesten worden ingelicht die ook, vanwege de aard van hun werk absoluut ingelicht moesten worden en dat pas op het laatste moment. Hier kan ik ook onder ede verklaren dat een groot aantal ministers pas de volgende morgen ingelicht werd over het begin van de oorlog of de inval in Tsjechoslowakije, het Sudetenland of Oostenrijk, toen ze er via de radio of de pers over hoorden, net als elke andere Duitse burger.
Dr. STAHMER: Welke rol speelde u bij de tot standkoming van de Overeenkomst van München van september 1938?
GÖRING: De inlijving van de SudetenDuitsers, liever gezegd de oplossing van de SudetenDuitse kwestie heb ik altijd benadrukt als iets dat noodzakelijk was. Ik vertelde de Führer na de Anschluss ook dat ik het zou betreuren wanneer zijn verklaringen verkeerd zouden worden begrepen, alsof door de Anschluss deze kwestie zou zijn opgelost.
In november 1937 verklaarde ik tegenover Lord Halifax dat de Anschluss, de oplossing van de SudetenDuitse kwestie in de zin van een terugkeer van de SudetenDuitsers en de oplossing van de kwestie Danzig en de Poolse Corridor integrale onderdelen van het Duitse beleid waren. Of die op een dag door Hitler zouden worden aangepakt of door mij of de volgende dag door iemand anders, het zouden nog steeds een politieke doelen blijven die onder alle omstandigheden op een goede dag moesten worden bereikt. We waren het er echter beiden over eens dat alles in het werk gesteld moest worden om dat te bereiken zonder onze toevlucht te nemen tot een oorlog.
Verder heb ik in mijn gesprekken met Mr. Bullitt altijd hetzelfde standpunt ingenomen. En ik vertelde aan iedereen, persoonlijk en in het openbaar dat deze drie kwesties moesten worden opgelost en dat een oplossing van de ene kwestie de andere niet minder belangrijk zou maken.
Ik wil ook benadrukken dat in verband hiermee en ook in verband met andere zaken, de Aanklager ons ervan beschuldigt deze of gene belofte niet te hebben gehouden die Duitsland in het verleden had gedaan, waaronder het Duitsland dat bestond net voor de machtsovername. Ik zou willen verwijzen naar de vele toespraken waarin zowel de Führer – dat herinner ik me niet meer zo goed – als ik, zoals ik wel goed weet stelde dat we buitenlandse mogendheden er voor waarschuwden geen plannen te maken voor de toekomst op basis van enige belofte gedaan door de huidige regering, dat we deze beloften niet zouden nakomen wanneer we aan de macht kwamen. Er was dus in dit verband absolute duidelijkheid.
Toen de Sudetenkwestie tot een crisis uitgroeide en een oplossing door de Führer was gewenst nam ik, als soldaat en Oberbefehlshaber der Luftwaffe, zoals mijn plicht was, de voorbereidende maatregelen, die voor iedere eventualiteit waren bevolen. Als politicus was ik bijzonder tevreden met de pogingen die werden gedaan om tot een vreedzame oplossing te komen. Ik erken dat ik destijds zeer verheugd was om te zien hoe de Britse Eerste Minister alle mogelijke inspanning deed. Niettemin was de situatie op de dag voor de Overeenkomst van München zeer kritiek geworden.
Het was ongeveer om 06:30 of 07:00 uur 's ochtends toen de Italiaanse Ambassadeur, Attolico, mij opbelde en zei dat hij mij op bevel van Mussolini onmiddellijk moest spreken, dat het ging over de oplossing van de Sudetenkwestie. Ik zei hem dat hij de Minister van Buitenlandse Zaken moest opzoeken. Hij zei dat hij een speciaal bevel had van Mussolini om mij eerst alleen te spreken. Ik ontmoette hem, zover ik me herinner, om 09:00 uur 's ochtends en hij suggereerde toen dat Mussolini bereid was te bemiddelen; dat er zo snel mogelijk een vergadering bijeen moest worden geroepen tussen Duitsland ( Adolf Hitler), Engeland (Eerste Minister Chamberlain), Frankrijk (Premier Daladier) en Italië (Mussolini) om de kwestie op vreedzame wijze te regelen. Hij, Mussolini zag daar mogelijkheden toe, was bereid alle noodzakelijke stappen te ondernemen en vroeg mij om persoonlijk al mijn invloed in die richting aan te wenden. Ik nam de ambassadeur, en ook de heer Von Neurath hoewel hij destijds geen Mnister van Buitenlandse Zaken was, mee naar de Reichskanzlei en meldde alles aan de Führer, probeerde hem te overtuigen, legde hem de voordelen van een dergelijke stap uit en zei dat dit de basis kon zijn voor een algemene vermindering van de spanning. Of de andere lopende politieke en diplomatieke inspanningen succesvol zouden kon nog niet worden gezegd maar als vier leidende staatslieden van de vier Westerse grootmachten bijeen kwamen, dan zou daar veel mee kunnen worden gewonnen.
De heer Von Neurath steunde mijn argument, de Führer stemde toe en zei dat we de Duce moesten opbellen. Attolico, die buiten wachtte, deed dat onmiddellijk waarna Mussolini officieel contact opnam met de Führer, de zaken werden afgesproken en München werd aangewezen als plaats van handeling.
Laat in de middag werd ik door de Italiaanse Ambassade geïnformeerd dat zowel de Britse Eerste Minister als de Franse premier erin hadden toegestemd, de volgende dag in München aan te komen.
Ik vroeg de Führer, of liever gezegd, ik zei hem dat ik onder alle omstandigheden mee zou gaan. Daarin stemde hij toe.
Toen stelde ik voor dat ik ook de heer Von Neurath mee zou nemen in mijn trein. Daarin stemde hij ook toe. Ik nam deel aan enkele gesprekken en droeg indien noodzakelijk bij aan de oplossing van enkele argumenten en deed vooral mijn best om aan alle kanten een vriendelijke sfeer te scheppen. Ik voerde persoonlijke gesprekken met M. Daladier en Mr. Chamberlain en was achteraf zeer verheugd dat alles goed was afgelopen.
Dr. STAHMER: Daarvoor had de Anschluss van Oostenrijk aan Duitsland al plaats gevonden. Welke redenen had Hitler voor die beslissing en in welke mate speelde u een rol bij die maatregelen?
GÖRING: Ik heb het Tribunaal gisteren al verteld, toen ik een korte samenvatting van mijn levensloop gaf, dat ik persoonlijk een grote betrokkenheid bij Oostenrijk voelde; dat ik het grootste deel van mijn jeugd in een Oostenrijks kasteel had doorgebracht; dat mijn vader, zelfs in de tijd van het oude keizerrijk vaak sprak over de nauwe banden tussen de toekomst van het Duitse moederland van Oostenrijk en het Reich want hij was ervan overtuigd dat het Oostenrijkse Keizerrijk niet veel langer stand zou houden
In 1918, toen ik twee dagen in Oostenrijk was, per vliegtuig gekomen, zag ik hoe de revolutie en de val van het Habsburgse Keizerrijk gebeurden. Die landen met een overwegend Duitse bevolking, waaronder SudetenDuitsland, kwamen destijdss in Wenen bijeen in het Parlement. Zij verklaarden zich onafhankelijk van de ontbonden Habsburgse Staat en verklaarden, waaronder ook de vertegenwoordigers van SudetenDuitsland, dat Oostenrijk een deel van het Deutsches Reich moest worden. Dit gebeurde zover ik weet onder de SociaalDemocratische kanselier Renner. Deze verklaring van de vertegenwoordigers van de Oostenrijks-Duitse bevolking dat zij deel wilden uitmaken van Duitsland werd onder het Verdrag van Versailles gewijzigd en door een dictaat van de overwinnende landen verboden. Dat was noch voor mijzelf, noch voor enig andere Duitser van belang.
Het moment en de basisvoorwaarden voor de eenwording van de twee buurlanden van zuiver Germaans bloed en afkomst moesten natuurlijik geschapen worden. Toen wij aan de macht kwamen was dit, zoals ik al heb gezegd, natuurlijk een integraal onderdeel van het Duitse beleid.
De garanties die Hitler destijds gaf voor de onafhankelijkheid van Oostenrijk waren geen misleiding, ze waren serieus bedoeld. In eerste instantie zag hij waarschijnlijk geen enkele mogelijkheid. Ik zelf was veel radicaler op dat gebied en vroeg hem herhaaldelijk geen definitieve verplichtingen aan te gaan met betrekking tot de kwestie Oostenrijk. Hij meende echter dat hij allereerst met Italië rekening moest houden.
Het was duidelijk, zeker nadat de Nationaalsocialistische Partij in Duitsland aan de macht was gekomen, dat de Nationaalsocialistische Partij in Oostenrijk steeds verder groeide. Deze partij bestond in Oostenrijk echter al voor de machtsovername in Duitsland, net zoals de Nationaalsocialistische Arbeiders Partij teruggaat naar SudetenDuitsland. De Partij in Oostenrijk was daarom geen Vijfde Colonne bij de Anschluss want het Oostenrijkse volk zelf wilde de Anschluss en had die altijd al gewild. Als het idee van de Anschluss niet zo helder en duidelijk leefde in de Oostenrijkse regering van toen, was dat niet omdat die niet bij Duitsland gevoegd wilde worden maar omdat de Nationaalsocialistische regeringsvorm op geen enkele wijze overeenkwam met de regeringsvorm in het Oostenrijk van toen.
Daaruit ontstond dus die spanning, eerst in Oostenrijk zelf die door de Aanklager herhaaldelijk in de beschuldigingen is genoemd. Deze spanning moest wel ontstaan omdat de Nationaalsocialisten het idee van de Anschluss ernstiger namen dan de regering dat deed. Dat had politieke wrijving tussen die twee tot gevolg. Dat wij aan de kant van de Nationaalsocialisten stonden waar het onze sympathie betrof is duidelijk, in het bijzonder omdat de Partij in Oostenrijk fel werd vervolgd. Velen werden opgesloten in kampen die precies op concentratiekampen leken maar anders werden genoemd.
Op een bepaald moment was de leider van de Oostenrijkse Partij een man genaamd Habicht uit Wiesbaden. Ik kende hem daarvoor niet, ik ontmoette hem daar maar een keer. Hij deed de Führer voorafgaand aan het zogenaamde geval Dolfuss onterecht geloven dat de Oostenrijkse strijdkrachten bereid waren op eigen initiatief iets te ondernemen om de regering te dwingen de Anschluss te aanvaarden, anders zouden zij de regering ten val brengen. Als dat het geval zou zijn, dat de Partij in Oostenrijk datgene zou moeten ondersteunen wat de strijdkrachten ook maar in die richting zouden ondernemen dan, zo dacht de Führer moesten zij in deze kwestie de politieke steun van de Partij in Duitsland krijgen. Maar het hele geval was in feite een misleiding want het waren niet de Oostenrijkse strijdkrachten die het plan hadden op te treden tegen de Oostenrijkse regering maar een zogenaamde "Wehrmacht Standarte," een eenheid bestaande uit voormalige leden en uitgetreden of ontslagen leden van het Oostenrijkse leger die naar de Partij waren overgegaan.
Met deze misleidende maatregel ondernam Habicht toen zijn actie in Wenen. Ik was destijds samen met de Führer in Bayreuth. De Führer belde Habicht onmiddellijk op en wees hem streng terecht en zei dat hij hem vals had geïnformeerd, hem om de tuin had geleid en hem bedrogen.
Hij betreurde de dood van Dolfuss zeer omdat dat politiek gezien een ernstige situatie vormde waar het de Nationaalsocialisten betrof en in het bijzonder met betrekking tot Italië. Italië bracht destijds vijf divisies op de been en stuurde die naar de Brennerpas. De Führer wenste een snelle en zo volledig mogelijke verzoening. Dat was de reden waarom hij de heer Van Papen vroeg, als buitengewoon anbassadeur naar Wenen te gaan en zo snel mogelijk te werken aan een vermindering van de spanning.
Men moet de ietwat absurde situatie niet vergeten die in de loop der jaren was ontstaan namelijk dat een puur Duits land zoals Oostenrijk wat regeringszaken betreft niet het sterkst door het Deutsches Reich werd beïnvloed maar door de Italiaanse regering. Ik herinner me de uitspraak van Churchill dat Oostenrijk bijna een filiaal van Italië was.
Na de actie tegen Dolfuss nam Italië een zeer afstandelijke houding aan jegens Duitsland en maakte duidelijk dat Italië het land zou zijn dat er alles aan zou doen om de Anschluss te verhinderen. Daarom probeerde de Führer, naast het intern verbeteren van de betrekkingen met Oostenrijk door de heer Von Papen, ook om een wijziging teweeg te brengen in Mussolini's houding ten opzichte van deze kwestie. Om die reden ging hij kort daarna naar Venetië – misschien al wel eerder – in elk geval probeerde hij een andere houding tot stand te brengen.
Maar ik was van mening dat ondanks alles wat we wellicht gemeen hadden gehad, laten we zeggen in filosofische zin – het facsisme en het Nationaalsocialisme – de Anschluss met ons broedervolk voor mij veel belangrijker was dan het sluiten van deze overeenkomst. En als het niet mogelijk was dat met Mussolini te doen, dan moesten we het maar tegen hem doen. Toen kwam de Italiaans-Abessynse oorlog. Met betrekking tot de sancties tegen Italië werd Duitsland te verstaan gegeven, niet openlijk maar wel heel duidelijk dat het haar, waar het de Oostenrijkse kwestie betrof, tot voordeel zou strekken om zich bij die sancties aan te sluiten.
Dat was voor de Führer een moeilijke beslissing om te nemen, om zich vierkant tegen Italië uit te spreken en met dit middel de Anschluss tot stand te brengen of zich aan Italië te verplichten door middel van een pro-Italiaanse of juiste houding om de weerstand van Italië tegen de Anschluss uit te sluiten. Ik stelde hem toen voor, gezien het ietwat vage aanbod betreffende Oostenrijk dat door Anglo-Franse kringen was gedaan, om te proberen uit te vinden wie er achter dat aanbod zaten en of beide regeringen bereid waren op dit punt tot overeenstemming te komen en de garantie te geven dat dit zou worden beschouwd als een interne Duitse kwestie en niet een of andere vage belofte tot algemene samenwerking of zo.
Mijn achterdocht bleek terecht: we konden geen definitieve garanties krijgen. Onder die omstandigheden was het voor ons veel gunstiger om Italië ervan te weerhouden de belangrijkste tegenstander van de Anschluss te zijn door niet deel te nemen aan enige sanctie tegen haar.
Ik was nog steeds van mening dat het grote nationale belang van de eenwording van deze twee Duitse volkeren nog steeds boven alle overwegingen stond betreffende de verschillen tussen de twee regeringen van toen. Om dit te laten gebeuren kon niet worden verwacht dat de regering van het Grossdeutsche Reich zou aftreden en dat Duitsland wellicht door Oostenrijk zou worden geannexeerd; de Anschluss zou vroeger of later toch plaats moeten vinden.
Toen kwam de overeenkomst van Berchtesgaden. Ik was daar zelf niet bij. Ik was het zelf niet eens met deze overeenkomst want ik verzette me tegen elke definitieve verklaring die deze periode van besluiteloosheid alleen maar langer maakte; voor mij was de volledige eenwording van alle Duitsers de enig denkbare oplossing.
Kort na Berchtesgaden kwam de volksraadpleging waartoe de toenmalige kanselier Schuschnigg had opgeroepen. Deze volksraadpleging was op zich al een onmogelijkheid, een schending van de overeenkomst van Berchtesgaden. Ik sla dit over maar de manier waarop deze volksraadpleging werd verondersteld te moeten worden gehouden was uniek in de geschiedenis. Er kon alleen maar "ja" worden gestemd en iedereen kon stemmen zo vaak als hij wilde, vijf, zes, zeven keer. Als hij het stembiljet verscheurde werd dat als een "ja" geteld en zo verder. Verder is het niet van belang. Op deze manier kon vanaf het prille begin al worden gezien dat wanneer slechts een paar aanhangers van het Schuschnigg systeem deze kans voldoende waarnamen dan zou het resultaat alleen maar een meerderheid voor Schuschnigg op kunnen leveren. Het hele geval was een schertsvertoning.
We verzetten ons hiertegen. Ten eerste werd een lid van de Oostenrijkse regering, Generaal Von Glaise-Horstenau die op dat moment in Duitsland was, naar Wenen overgevlogen om Schuschnigg of Seyss-Inquart – die sinds Berchtesgaden in de regering Schuschnigg zat – duidelijk te maken dat Duitsland een dergelijke provocatie nooit zou tolereren. Op hetzelfde moment werden troepen die bij de Oostenrijkse grens lagen in staat van paraatheid gebracht. Dat was op vrijdag, meen ik, de 11de. Die dag was ik op de Reichskanzlei, samen met de Führer in zijn kamer. Per telefoon hoorde ik het nieuws dat Von Glaise-Horstenau was aangekomen en onze eisen duidelijk en onomwonden kenbaar had gemaakt en dat die nu werden besproken. Toen kwam, voor zover ik me herinner het antwoord dat de volksraadpleging was afgelast en Schuschnigg erin had toegestemd. Op dat moment had ik het instinctieve gevoel dat de situatie nu gunstig was en dat nu de mogelijk waar we lang en met verlangen naar hadden uitgezien, eindelijk daar was – de mogelijkheid om een volledige oplossing tot stand te brengen. En vanaf dit moment moet ik voor de volle 100 procent de verantwoordelijkheid voor alle verdere gebeurtenissen op mij nemen want het was niet zozeer de Führer maar eerder ik die het tempo aangaf en zelfs aan de twijfels van de Führer voorbijging en alle ontwikkelingen in gang zette.
Mijn telefoongesprekken zijn hier voorgelezen. Ik eiste spontaan, zonder er eerst met de Führer over te hebben gesproken, het onmiddellijk aftreden van kanselier Schuschnigg. Toen dat werd ingewilligd legde ik mijn volgende eis op tafel, nu dat alles rijp was voor de Anschluss. En die vond ook plaats, zoals bekend is.
Het enige – en ik zeg dit niet omdat het belangrijk is voor mijn verantwoordelijkheid – dat ik zelf niet tot stand bracht, omdat ik de betrokken personen niet kende, maar wat in de laatste paar dagen door de Aanklager is voorgelegd, was het volgende: ik stuurde een lijst met ministers door, anders gezegd, ik noemde die personen die voor ons aanvaardbaar zouden zijn als tijdelijke leden van een Oostenrijkse regering. Ik kende Seyss-Inquart en het was me vanaf het prille begin duidelijk dat hij de post van kanselier zou moeten krijgen. Toen noemde ik Kaltenbrunner op Veiligheid. Ik kende Kaltenbrunner niet en dat is een van de twee gelegenheden waar de Fürer mij een handje hielp door enkele namen te noemen. Tussen haakjes, ik noemde ook de naam van Fischbock voor het Ministerie van Economische Zaken zonder hem te kennen. De enige die ik persoonlijk dit kabinet binnen haalde was mijn zwager, Dr. Hüber als Minister van Justitie maar niet omdat hij mijn zwager was, maar omdat hij al Minister van Justitie van Oostenrijk in het kabinet van Prelaat Seipel was geweest. Hij was geen Partijlid op dat moment maar hij kwam uit de gelederen van de Heimwehr en het was voor mij belangrijk ook een vertegenwoordiger van die groep, waarmee we eerst gemene zaak hadden gemaakt maar ons later tegen hadden verzet, in het kabinet te hebben. Ik wilde zeker zijn van mijn invloed op deze persoon zodat alles zich nu zou gaan ontwikkelen in de richting van een totale Anschluss. Er waren namelijk alweer plannen verschenen waarin alleen de Führer, als hoofd van het Deutsche Reich gelijktijdig het hoofd van Duits-Oostenrijk zijn, anders zou er een scheiding optreden. Dat vond ik onaanvaardbaar. Het uur was aangebroken en we moesten er het beste van maken.
In het gesprek dat ik had met de Minister van Buitenlandse Zaken Von Ribbentrop, die destijds in Londen was, wees ik erop dat het ultimatum niet door ons was gesteld maar door Seyss-Inquart. Dat was in rechte waar maar in feite was het volgens mijn wens. Maar dit telefoongesprek werd door de Engelsen afgeluisterd en ik moest een diplomatiek gesprek voeren en ik heb nog nooit gehoord dat diplomaten in dergelijke gevallen zeggen hoe de zaken er feitelijk voorstaan; ze benadrukken altijd hoe ze er rechtens voorstaan. En waarom zou ik wellicht hier een uitzondering maken? In dit telefoongesprek vroeg ik de heer Von Ribbentrop aan de Britse regering te vragen personen te noemen in wie zij het meeste vertrouwen stelden. Ik zou alles regelen zodat deze personen overal in Oostenrijk rond zouden kunnen reizen om voor zichzelf te zien dat de Oostenrijkse bevolking in grote meerderheid deze Anschluss wenste en die met enthousiasme begroette. Hier was, tijdens de discussie over de kwestie Oostenrijk er geen melding van gemaakt – dit gesprek vond op een vrijdag plaats – dat al de zondag ervoor in Stiermarken, een van de belangrijkste delen van de erflanden, een gedeeltelijke interne Anschluss al had plaatsgevonden, dat de bevolking daar zich al voor de Anschluss had uitgesproken en de banden met de regering in Wenen al min of meer had verbroken.
Dr. STAHMER Ik heb u een verslag van die gesprekken overhandigd. Dat is ingediend door de Aanklager. Een deel ervan is nog niet voor het verslag voorgelezen maar u hebt de inhoud gegeven. Wilt u er alstublieft naar kijken?
GÖRING: Ik hecht er belang aan alleen die passages uit het document te laten voorlezen waarin ik verwijs naar het feit dat ik het belangrijk vond dat de Engelse regering zo spoedig mogelijk mensen in wie zij vertrouwen stelde naar Oostenrijk zou sturen zodat zij voor zichzelf de werkelijke stand van zaken konden zien; en ten tweede die passages waarin ik verwijs naar het feit dat wij een volksraadpleging zouden houden, in overeenstemming met het Handvest van de Saarlandse Volksraadpleging en dat we, wat de uitslag ook zou mogen zijn, die zouden moeten erkennen. Ik kon dat gerust beloven omdat het mij persoonlijk bekend en volkomen duidelijk was dat de overgrote meerderheid voor de Anschluss zou stemmen.
Ik kom nu aan het beslissende gedeelte betreffende de intocht van de troepen. Dat was het tweede punt waar de Führer zich erin mengde en wij het niet eens waren. De Führer wenste als reden voor de inval van de troepen een verzoek door de nieuwe regering van Seys-Inquart, anders gezegd, de door ons gewenste regering – dat die om troepen zou vragen om de orde in het land te handhaven. Ik was hier tegen, niet tegen de inval in Oostenrijk – ik was onder alle omstandigheden voor de inval – alleen tegen de gegeven reden. Hier heerste een verschil van mening. Er zouden zeker ergens ongeregeldheden kunnen plaatsvinden, namelijk in Wenen en Wenen-Neustadt vanwege sommige Oostenrijkse Marxisten die al eerder een gewapende opstand waren begonnen en in feite bewapend waren. Dat was echter niet van doorslaggevend belang. Het was eerder van het grootste belang dat Duitse troepen onmiddellijk in voldoende aantallen Oostenrijk binnen zouden trekken om elke wil van een buurland te dwarsbomen, bij deze gelegenheid ook maar één enkel Oostenrijks dorp in bezit te nemen.
Ik zou willen benadrukken dat destrijds Mussolini's houding ten opzichte van de kwestie Oostenrijk nog geen vaste vormen had aangenomen hoewel ik hem met dat doel voor ogen het jaar ervoor had bepraat. De Italianen keken nog steeds verlangend uit naar Oost-Tirol. Ik was die vijf divisies aan de Brennerpas nog niet vergeten. De Hongaren praatten teveel over het Burgenland. De Joegoslaven noemden ooit iets over Carinthië maar ik geloof dat ik het hen destijds duidelijk maakte dat dat absurd was. Om het vervullen van deze wensen voor eens en voor altijd te voorkomen, iets wat in dergelijke omstandigheden makkelijk kon gebeuren, wilde ik beslist dat de Duitse troepen Oostenrijk binnenvielen onder het uitroepen van: "De Anschluss is een feit; Oostenrijk is een deel van Duitsland en staat daarom als geheel automatisch en volledig onder de bescherming van het Deutsche Reich en haar strijdkrachten."
De Führer wenste zo'n duidelijke demonstratie van buitenlandse politiek niet en vroeg me uiteindelijk Seyss-Inquart mee te delen daarover een telegram te sturen. Het feit dat we het op het beslissende punt eens waren, de inval in Oostenrijk, helpt het telefoongesprek te verklaren waarin ik Seyss-Inquart vertelde dat hij geen telegram hoefde te versturen, dat hij het telefonisch af kon handelen; dat zou voldoende zijn. Dat was de reden. Mussolini's toestemming kwam pas om 23:30 die avond. Het is algemeen bekend wat voor een opluchting dat voor de Führer was.
Op de avond van die dag, toen alles duidelijk was geworden en het resultaat van te voren al zichtbaar was geworden, ging ik naar de Flieger Club waar ik een paar weken tevoren was uitgenodigd, naar een bal. Ik noem dat hier omdat dat ook als afleidingsmanoeuvre is omschreven. Maar die uitnodiging was meen ik al verstuurd voor dat de conferentie van Berchtesgaden had plaatsgevonden. Ik ontmoette daar bijna alle diplomaten. Ik nam onmiddellijk Sir Neville Henderson, de Britse ambassadeur apart. Ik sprak twee uur met hem, gaf hem alle redenen en legde hem alles uit en vroeg hem ook – dezelfde vraag die ik later aan Von Ribbentrop stelde - mij te vertellen welk land ter wereld op een of andere manier geschaad zou worden door onze eenwording met Oostenrijk? Van wie hadden we iets afgenomen, wie hadden we pijn gedaan? Ik zei dat dit een gewoon herstel was, dat beide delen binnen het Duitse Keizerrijk eeuwen lang samen waren geweest en dat zij slechts door politieke ontwikkelingen waren gescheiden, de latere monarchie en de afscheiding van Oostenrijk.
Toen de Führer de volgende morgen naar Oostenrijk vloog nam ik in zijn afwezigheid alle Rijksaangelegenheden over, zoals bekend is. Destijds verbood ik voorlopig ook de terugkeer van het Oostenrijks Legioen – een groep mensen die Oostenrijk tijdens de eerste dagen van de gevechten had verlaten – omdat ik geen ongeregeldheden wilde hebben. Ten tweede echter garandeerde ik ook dat ten noorden van de Donau, tussen de Tsjechische grens en de Donau, slechts een bataljon door de dorpen zou trekken zodat de Tsjechen duidelijk konden zien dat dit slechts een Oostenrijks-Duitse aangelegenheid was. Dat bataljon moest daar doorheen trekken zodat de steden ten noorden van de Donau konden delen in de feestvreugde.
In dit verband wil ik tot slot op twee punten wijzen: als de heer Messerschmidt in zijn lange verklaring stelt dat ik voorafgaand aan de Anschluss diverse bezoeken heb gebracht aan Joegoslavië en Hongarije om beide landen gunstig te stemmen tegenover de Anschluss en dat ik Joegoslavië een deel van Karinthië heb beloofd, kan ik als antwoord op deze uitspraken alleen maar zeggen dat ik ze helemaal niet begrijp. Mijn bezoeken aan Joegoslavië en de andere Balkanlanden waren bedoeld om relaties te versterken, in het bijzonder handelsrelaties die voor mij van groot belang waren voor het Vierjarenplan. Als Joegoslavië ooit om een enkel dorp in Karinthië had gevraagd zou ik hebben gezegd dat ik daar niet eens op zou antwoorden want als er een land in hart en nieren Duits is, dan is dat Karinthië wel.
Het tweede punt: In de Aanklacht wordt gewag gemaakt van een aanvalsoorlog tegen Oostenrijk. Een aanvalsoorlog wordt uitgevoerd met beschietingen, het gooien van bommen enzo; maar hier werd maar met een ding gegooid en dat waren bloemen. Maar misschien bedoelde de Aanklager iets anders en daar kan ik het mee eens zijn. Ik heb zelf altijd gezegd dat ik alles zou doen om te verzekeren dat de Anschluss de vrede niet zou verstoren maar dat op de lange termijn, als die ons voor eeuwig zou worden onthouden, zou ik persoonlijk mijn toevlucht kunnen nemen tot een oorlog om dit doel te bereiken: dat deze Duitsers naar hun vaderland terugkeren – een oorlog voor Oostenrijk, niet tegen Oostenrijk.
Ik meen dat ik in het kort een beeld heb geschetst van de gebeurtenissen in Oostenrijk. En ik eindig met de uitspraak dat in deze kwestie niet zozeer de Führer als ikzelf de volle en totale verantwoordelijkheid draag voor alles wat er is gebeurd.
Dr. STAHMER: Op de avond voor de inval van de troepen in Oostenrijk had u ook een gesprek met Dr. Mastny, de ambassadeur van Tsjechoslowakije. Bij deze gelegenheid schijnt u een uitspraak op uw erewoord te hebben gedaan. Hoe zit het met dat gesprek?
GÖRING: Ik ben bijzonder dankbaar dat ik eindelijk een duidelijke verklaring kan afleggen over dat "erewoord" dat hier de afgelopen maanden zo vaak is genoemd en zo belastend voor mij is geweest. Ik zei al dat op die avond bijna alle diplomaten op dat bal aanwezig waren. Nadat ik met Sir Neville Henderson had gesproken en was teruggekeerd naar de balzaal kwam Dr. Mastny, de Tsjechische Ambassadeur naar mij toe, zeer opgewonden en bevend en vroeg wat er die avond gebeurde en of wij ook van plan waren Tsjechoslowakije binnen te vallen. Ik gaf hem een korte uitleg en zei: "Nee, het is slechts een kwestie van de Anschluss van Oostenrijk; dat heeft absoluut niets met uw land te maken, zeker wanneer u er zich helemaal buiten houdt."
Hij bedankte mij en ging weg, waarschijnlijk naar de telefoon. Maar na korte tijd kwam hij nog meer opgewonden terug en ik had de indruk dat hij mij in zijn opwinding nauwelijks kon begrijpen. Ik zei toen tegen hem, in het bijzijn van anderen: "Uwe Excellentie, luister goed, ik geef u mijn erewoord dat dit slechts een kwestie is van de Anschluss van Oostenrijk en dat geen enkele Duitse soldaat ook maar in de buurt van de grens met Tsjechoslowakije zal komen. Zorgt u ervoor dat er aan Tsjechische kant geen mobilisatie plaats zal vinden die tot moeilijkheden zou kunnen leiden." Daarin stemde hij toe.
Ik heb nooit tegen hem gezegd: "ik geef u mijn erewoord dat we nooit iets met Tsjechoslowakije te maken willen hebben." Alles wat hij wilde was een verklaring voor deze bijzondere gebeurtenis op dit bijzondere moment. Ik gaf hem juist deze uitleg omdat ik al eerder duidelijk had verklaard dat de oplossing van het SudetenDuitse probleem op een of ander moment en op een of andere manier noodzakelijk zou zijn. Ik zou hem nooit een verklaring op erewoord hebben gegeven betreffende een definitieve oplossing en dat zou ik ook nooit hebben gekund want daarvoor al had ik een verklaring afgelegd met een andere strekking. Een uitleg was gewenst voor het moment en in verband met de gebeurtenissen in Oostenrijk. Ik kon hem naar mijn volle geweten op mijn erewoord verzekeren dat wij toen Tsjechoslowakije met geen vinger zouden aanraken omdat er destijds door ons nog geen beslissingen waren genomen over een definitief tijdstip met betrekking tot Tsjechoslowakije of de oplossing van het SudetenDuitse probleem.
Dr. STAHMER: Op 15 maart 1939 vond er een bespreking plaats tussen Hitler en President Hacha. Was u bij dat gesprek aanwezig en wat was uw aaandeel daarin?
GÖRING: Dat was het begin van de oprichting van het Protectoraat in Tsjechoslowakije. Na München – na de Overeenkomst van München en de oplossing van de kwestie van de SudetenDuitsers – was er door de Führer en enkele van zijn medewerkers een militaire beslissing genomen dat wanneer er na de Overeenkomst van München nieuwe moeilijkheden zouden rijzen of zouden ontstaan uit de bezetting van gebieden, er door de militaire autoriteiten bepaalde voorzorgsmaatregelen zouden moeten genomen. Na de bezetting van die gebieden waren de troepen die paraat waren geweest voor "Fall Grün" (dossier Schmundt) immers gedemobiliseerd. Maar er kon gemakkelijk een situatie ontstaan die op ieder moment zeer gevaarlijk voor Duitsland kon worden. Men hoeft zich maar alleen te herinneren wat voor uitleg destijds door de Russische pers en de Russische radio werd gegeven aan de Overeenkomst van München en aan de bezetting van het Sudetenland. Krachtiger taal was nauwelijks mogelijk. Er hadden gedurende lange tijd betrekkingen bestaan tussen Praag en Moskou. Praag, teleurgesteld door de Overeenkomst van München, kon nu de banden met Moskou versterken. Tekenen daarvan werden in het bijzonder al waargenomen in het Tsjechische officierskorps en wij waren daarover ingelicht.En voor het geval dat dit gevaarlijk zou worden voor Duitsland waren er aan de diverse militaite officieren instructies gegeven voor het nemen van voorzorgsmaatregelen, wat hun plicht was. Maar dat bevel heeft niets te maken met de bedoeling, de rest van Tsjechoslowakije na korte tijd te bezetten.
Ikzelf ging eind januari naar de Rivièra voor mijn eerste lange vakantie en gedurende die tijd liet ik alle staatszaken liggen. Begin maart kwam tot mijn verrassing een koerier van de Führer bij mij met een brief waarin de Führer mij meedeelde dat de ontwikkelingen in Tsjechoslowakije zodanig waren dat hij die niet ongestraft kon laten voortduren. Die werden een steeds grotere bedreiging voor Duitsland en hij was vastberaden de kwestie nu op te lossen door Tsjechoslowakije, als bron van gevaar midden in Duitsland uit te schakelen en daarom dacht hij aan een bezetting.
Ik had gedurende die tijd vele Engelsen in San Remo ontmoet. Ik had me gerealiseerd dat ze het beste van München hadden gemaakt en er zelfs tevreden over waren maar dat ieder ander incident, of eisen jegens Tsjechoslowakije aanzienlijke opwinding zouden veroorzaken.
Ik stuurde per koerier een brief terug. Misschien zit die tussen de stapels documenten die de Aanklager in bezit heeft. Ik zou ook nog kunnen begrijpen dat ze die brief niet indienen want die zou wat mij betreft een ontlastend document zijn. In die brief gaf ik de Führer mijn mening en schreef hem ongeveer als volgt: Wanneer dit nu zou moeten gebeuren zou dat een ernstig verlies van prestige zijn voor de Britse Eerste Minister Chamberlain en ik kon nauwelijks geloven dat hij dat zou overleven. Dan zou waarschijnlijk Mr. Churchill verschijnen en de Führer kende Churchill's houding ten opzichte van Duitsland. Ten tweede zou het niet worden begrepen omdat we korte tijd daarvoor de kwestie tot algemene tevredenheid hadden opgelost. Ten derde dacht ik hem te kunnen kalmeren door het volgende te zeggen: ik geloofde dat wat hij op dit moment wilde uitschakelen als bron van gevaar door de bezetting van Tsjechoslowakije, op wat langere termijn bereikt kon worden, en tegelijkertijd alles kon worden voorkomen wat in Tsjechoslowakije als ook in andere landen onrust zou kunnen veroorzaken. Ik was ervan overtuigd dat omdat het Sudetenland zich had afgescheiden en Oostenrijk een deel van Duitsland vormde, een economische penetratie in Tsjechoslowakije slechts een kwestie van tijd zou zijn. Met andere woorden, ik hoopte met sterke economische banden een eenwording in verbindingen, een douaneunie en monetaire unie te bereiken die de economische belangen van beide landen zouden dienen. Als dit gebeurde dan zou een soeverein Tsjechoslowakije politiek zo nauw aan Duitsland en Duitsland's belangen zijn gebonden dat ik niet geloofde dat er ooit weer gevaar kon ontstaan. Wanneer Slowakije haar wens tot onafhankelijkheid zeer veel kracht zou bijzetten zouden we dat op geen enkele manier moeten tegenwerken. In tegendeel, we konden die wens ondersteunen omdat dan economische samenwerking natuurlijk nog hechter zou worden dan anders want wanneer Slowakije zich zou afscheiden zouden beide landen zich voor economische kwesties tot Duitsland moeten wenden en in zulke zaken zouden beide landen belang kunnen gaan stellen in Duitsland en zeer nauw aan Duitsland verbonden kunnen worden.
Die brief – ik heb de inhoud net geschetst – nam de koerier mee terug. Daarna hoorde ik enkele dagen niets meer.
De PRESIDENT: Is dit een gunstig moment voor een schorsing?
(de zitting wordt geschorst)

Definitielijst

Anschluss
Duitse term voor aansluiting waarmee de annexatie van Oostenrijk door Nazi-Duitsland in 1938 (12 maart) wordt bedoeld. Hiermee ging Oostenrijk deel uitmaken van het Groot-Duitse Rijk.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.
Standarte
Paramilitaire eenheid, ongeveer ter grootte van een regiment, binnen de Sturmabteilung (SA) en de Schutzstaffel (SS).
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Middagzitting 2

Dr. STAHMER: Wilt u alstublieft verder gaan?
GÖRING: Ik werd toen op heel korte termijn naar Berlijn ontboden. Ik kwam 's ochtends in Berlijn aan en President Hacha kwam de avond van dezelfde dag aan. Ik deelde mondeling aan de Führer mee de standpunten die ik in mijn brief al had uiteengezet. De Führer wees mij op bepaald bewijsmateriaal, dat in zijn bezit was, dat de situatie in Tsjechoslowakije ernstiger was geworden. Deze staat was uiteengevallen vanwege de afstandelijkheid van Slowakije maar dat was het kernprobleem niet. Hij liet me documenten van de Inlichtingendienst zien die aangaven dat Russische luchtvaartcommissies aanwezig waren op Tsjechoslowaakse vliegvelden, of sommige daarvan en dat ze bezig waren met training en dat dergelijke dingen niet in overeenstemming waren met de Overeenkomst van München. Hij zei te vrezen dat Tsjechoslowakije, zeker wanneer Slowakije zich zou afscheiden, gebruikt zou worden als Russisiche luchtmachtbasis tegen Duitsland.
Hij zei dat hij vastberaden was dit gevaar uit te schakelen. President Hacha had om een onderhoud gevraagd, zo vertelde hij me destijds, en zou 's avonds aankomen. Hij wilde dat ik ook op de Reichskanzlei aanwezig zou zijn.
President Hacha arriveerde en sprak eerst met de Reichsaussenminister. 's Avonds zocht hij de Führer op; we begroetten hem koel. Eerst sprak hij alleen met de Führer, toen werden wij binnen geroepen. Daarna sprak ik met hem in aanwezigheid van zijn ambassadeur en drong er bij hem op aan, de eis van de Führer in te willigen dat troepen achter moesten worden gehouden terwijl de Duitsers binnentrokken teneinde bloedvergieten te voorkomen. Ik zei hem dat er niets aan kon worden gedaan; de Führer had zijn beslissing genomen en achtte het noodzakelijk en er zou alleen maar onnodig bloed worden vergoten omdat tegenstand over een langere periode volkomen onmogelijk was. En in dat verband maakte ik de opmerking dat ik het jammer zou vinden als ik het mooie Praag zou moeten bombarderen. Een plan om Praag te bombarderen bestond niet eens en daartoe strekkende orders waren ook niet gegeven want zelfs in geval van tegenstand zou dat niet nodig zijn geweest – weerstand kan altijd makkelijk worden gebroken zonder zo'n bombardement. Maar een dergelijke opmerking zou, dacht ik, als stok achter de deur kunnen dienen en de hele zaak versnellen.
Ik slaagde er toen in een telefoonverbinding tussen hem en zijn regering in Praag tot stand te brengen, hij gaf het bevel en de bezetting en de intocht in Praag vonden de volgende dag plaats.
Dr. STAHMER: Vergezelde u de Führer naar Praag?
GÖRING: Nee, ik vergezelde hem niet naar Praag. Ik was nogal ontstemd. Ik heb na dat incident nooit meer een voet in Tsjechoslowakije of SudetenDuitsland gezet, met uitzondering van 21 april 1945 toen ik door een deel van Tsjechoslowakije reisde.
Dr. STAHMER: Waarom was u ontstemd?
GÖRING: Omdat de hele zaak min of meer achter mijn rug om was geregeld.
Dr. STAHMER: Namen andere landen deel aan de bezetting van Tsjechoslowakije?
GÖRING: Ja, Polen bezette destijds de regio Olsa.
Dr. STAHMER: De Aanklager heeft een document ingediend waaruit de conclusie is getrokken dat de moord op de Duitse Ambassadeur moest gebeuren in verband met anti-Duitse demonstraties in Praag. Het is uitgelegd alsof de moord op de Duitse Ambassadeur gepleegd moest worden om als motief voor de annexatie te dienen.
GÖRING: Dat speelde voor de oplossing van de kwestie van de SudentenDuitsers en ik heb erg goed geluisterd toen dat punt ter sprake kwam. Ik herinner me ook hoe de feiten werkelijk lagen. Het werd niet op die manier besproken, en moet ook niet zo worden uitgelegd alsof we onze eigen ambassadeurs wilden vermoorden of deze mogelijkheid hadden overwogen om een reden te vinden voor de oplossing van dit probleem. Maar wij overwogen de mogelijkheden die tot een onmiddellijke botsing zouden kunnen leiden. Gezien de spanning die er tussen Tsjechoslowakije en Duitsland heerste met betrekking tot SudetenDuitsland werd de mogelijkheid ook overwogen dat de Duitse Ambassadeur in Praag wel eens door Tsjechen zou kunnen worden vermoord en dat zou onder alle omstandigheden onmiddellijke actie van de kant van Duitsland noodzakelijk maken, afgezien van iedere andere politieke actie.
Deze mogelijkheid ontstond uit het feit dat er buiten de Duitse Ambassade in Praag een aantal demonstraties waren gehouden, dat kan niet worden ontkend, waardoor Duitsland wapens naar de Ambassade had gestuurd voor haar eigen verdediging, zo dreigend was de situatie. Om die reden bespraken we die mogelijkheid. Dat is hier verkeerd begrepen. We wilden de Ambassadeur niet laten vermoorden als een provocatie of een mogelijke provocatie maar we zagen de mogelijkheid in dat een dergelijke moord door de andere partij kon worden gepleegd en dan zou de Führer onmiddellijk hebben gereageerd.
Dr. STAHMER: Tot in welke mate werden er in Tsjechoslowakije goederen verbeurd verklaard?
GÖRING: Voor de oorlog vonden er geen verbeurdverklaringen plaats in Tsjechoslowakije, anders gezegd er werden geen economische goederen weggehaald. In tegendeel, Tsjechoslowakije's grote en bloeiende economie werd in zijn geheel op een lijn gebracht met de economische capaciteit van Duitsland. Dat wil zeggen, we hechtten boven alles belang aan het feit dat, nu wij het Protectoraat eenmaal hadden uitgeroepen en dus een actie beëindigd hadden, de Skoda fabrieken en de Brunn Wapenindustrie – belangrijke bewapeningsbedrijven – natuurlijk onder zouden brengen in de bewapeningscapaciteit van Duitsland. Dat betekent dat daar voorlopige veel orders naartoe werden gestuurd. Behalve dat richtten we zelfs nieuwe fabrieken op en gaven daar onze steun aan.
De beschuldiging is geüit dat wij naast andere dingen nieuwe rails daar weghaalden en die vervingen door oude uit Duitsland. Ik meen dat dat een complete vergissing is want het transportsysteem in Tsjechoslowakije, het Protectoraat, was voor Duitsland een van de belangrijkste. Het gehele zuidoostelijke transport uit de Balkan ging via het Protectoraat, eerst in de richting van Wenen, Praag, Dresden en Berlijn en ten tweede liep de hoofdlijn van Wenen via Lundenburg en Oderberg naar Breslau. En omdat het kanaal nog niet klaar was maakte het hele transport van economische goederen niet langer de omweg langs de grens, maar nam de kortste route. We zouden wel gek geweest zijn als we dit transportsysteem hadden verzwakt. Ik kan maar een uitleg bedenken en die is dat gedurende de uitbreiding van het bestaande spoorwegnet er misschien veel rails uit Duitse voorraden zijn gebruikt die later in het regeringsverslag als "oud" werden genoemd. Maar dat wij nieuw door oud vervingen is absolute onzin.
Verder is het duidelijk dat omdat het Sudetenland werd opgenomen in het Reich, de beschuldiging dat staatseigendommen en bossen in Duits staatsbezit overgingen nergens op slaat; want natuurlijk, wanneer een land wordt ingelijfd dat moeten de staatseigendommen ook eigendom van de nieuwe staat worden.
Ook de beschuldiging, waar het het Sudetenland betreft, dat de banken daar onderdeel werden van Duitse banken is duidelijk niet terecht omdat de Duitse munteenheid in het land werd ingevoerd en daarom moesten de bankfilialen ook daar op overschakelen.
Voor zover het het latere Protectoraat betreft heb ik al benadrukt dat ik zelfs voor de vorming van het Protectoraat een sterke marktpenetratie in Tsjechoslowakije al had voorbereid, aan de ene kant door het verkrijgen van aandelen die ons een stem gaven in Tsjechische en Slowaakse ondernemingen, en verder meen ik doordat wij bepaalde leningen overnamen die oorspronkelijk door Westerse landen waren verstrekt.
In dit verband kwamen de Hermann..Göring Werke naar voren, omdat die al grote aantallen aandelen in de Skoda fabrieken hadden verkregen om laatstgenoemde te gebruiken als verwerkende industrie voor de producten van hun eigen walserijen en staalfabrieken, net zoals ze andere industrieën in Duitsland gebruikten.
Bovendien werd natuurlijk na de vorming van het Protectoraat de totale economische capaciteit van het Protectoraat gefuseerd met Duitsland's totale economische capaciteit.
Dr. STAHMER: Op 15 novenber 1937 vond in de Reichskanzlei een gesprek met de Führer plaats, het verslag daarvan werd opgesteld door een zekere Kolonel Hossbach en daar is naar verwezen als zijnde Hitler's laatste wil. Dat is hier herhaaldelijk onderwerp van gesprek geweest. Mag ik u vragen een korte uitleg te geven over het belang van dit gesprek? Ik zal u dat document laten zien. Het is document 386-PS.
GÖRING: Dit document is mij hier al getoond en ik ben vrij goed met de inhoud ervan op de hoogte. Dit document speelde een belangrijke rol bij de Aanklacht want het verschijnt onder de kop "Testament van de Führer." Het woord testament wordt in feite maar op een plek door Hossbach gebruikt.
Waar het de technische aspecten van dit verslag betreft, wil ik het volgende opmerken: Hossbach was de adjudant van de Führer, de hoofdadjudant. Als zodanig was hij bij dat gesprek aanwezig en maakte aantekeningen. Vijf dagen later stelde hij, zoals ik heb vastgesteld op basis van zijn notities dit verslag op. Dit is daarom een verslag waarin alle fouten zitten die gemakkelijk in een verslag kunnen sluipen wanneer dat niet ter plaatse wordt opgesteld door roulerende stenografen en dat onder bepaalde omstandigheden de subjectieve mening van de opsteller bevat of zijn eigen interpretatie.
Het bevat een aantal punten, zoals ik destijds zei, die precies overeenkomen met wat de Führer herhaaaldelijk zei; maar er staan andere punten en uitdrukkingen in die, als ik het mag zeggen, niet lijken op de woorden van de Führer.
Gedurende de laatste maanden heb ik teveel verslagen en verhoren gezien die er deels niets mee te maken hadden noch met de uitleg die eraan gegeven is; om die reden moet ik hier ook wijzen op de bronnen van de fouten.
Wat het woord testament betreft, het gebruik van dit woord spreekt de opvattingen van de Führer geheel tegen. Als er iemand is die iets van die opvattingen afweet dan ben ik dat.
De beslissing dat ik zijn opvolger zou worden werd niet pas gemaakt op 12 september 1939 maar al in de late herfst van 1934. Ik heb vaak de gelegenheid gehad de kwestie van het zogenaamde politieke testament met de Führer te bespreken. Hij wees dat af en gaf als reden het feit dat niemand ooit op basis van een politiek testament een opvolger zou kunnen benoemen want ontwikkelingen en politeke gebeurtenissen moeten hem ten allen tijde volledige vrijheid van handelen toestaan. Het is heel goed mogelijk dat men politieke wensen of standpunten kan vastleggen, maar nooit bindende uitspraken in de vorm van een testament. Dat was zijn standpunt toen en dat bleef zo zolang ik zijn vertrouwen genoot.
Nu, wat wilde hij met deze discussie bereiken? De Minister van Oorlog, de Opperbevelhebber van de Landmacht, de Opperbevelhebber van de Marine en van de Luchtmacht en de toenmalige Reichsaussenminister werden bijeengeroepen. Kort tevoren had de Führer mij verteld, omdat ik er eerder was, dat hij deze vergadering bijeen ging roepen om, zoals hij het uitdrukte, druk uit te oefenen op Generaal Von Fritsch omdat die ontevreden was met de herbewapening van de Landmacht. Hij zei dat het geen kwaad kon als de heer Von Blomberg ook een zekere druk op Von Fritsch zou uitoefenen.
Ik vroeg waarom Von Neurath aanwezig moest zijn. Hij zei dat hij deze zaak niet al te militair wilde laten lijken, dat het waar het de andere opperbevelhebbers betrof niet zo belangrijk was maar dat hij aan Opperbevelhebber Von Fritsch heel duidelijk wilde maken dat de buitenlandse politieke situatie een gedwongen versnelling van de bewapening noodzakelijk maakte en hij om die reden de Minister van Buitenlandse Zaken, die van de details niets afwist, had gevraagd aanwezig te zijn.
De verklaringen werden toen afgelegd op de manier waaraan de Führer bij dergelijke gelegenheden de voorkeur gaf. Hij getroostte zich veel moeite om de zaken in een groot politiek kader af te schilderen en hij belichtte de situatie in de wereld van alle kanten; voor iemand die hem zo goed kende als ik was het doel dat hij nastreefde duidelijk. Hij doelde er duidelijk op te zeggen dat hij grootse plannen had, dat de politieke situatie zus en zo was en het hele geval eindigde in de richting van een uitgebreider programma van bewapening. Ik zou willen opmerken dat wanneer de Führer enkele uren later tot een andere groep had gesproken, bijvoorbeeld diplomaten van Buitenlandse Zaken of Partijfunctionarissen, dat hij dan waarschijnlijk de zaken heel anders zou hebben voorgesteld.
Niettemin weerspiegelen sommige van deze uitspraken natuurlijk de principiële houding van de Führer maar ik kan met de beste wil van de wereld niet hetzelfde belang aan dit document hechten zoals dat hier is gebeurd.
Dr. STAHMER: U zei dat u was voorbestemd als opvolger van de Führer? Werd u in deze hoedanigheid door Hitler ingewijd in alle politieke vraagstukken?
GÖRING: Ik heb het nu over de periode van mijn goede verstandhouding, die tot ver in de oorlog duurde. Natuurlijk lichtte hij mij in over alle belangrijke militaire en politieke vraagstukken. Hij wijdde me voor het merendeel in deze vraagstukken in tijdens vele lange gesprekken die uren duurden, dag na dag. Soms was ik zeker verbaasd waar het buitenlandse politieke vraagstukken betrof, maar waar mogelijk probeerde ik zelf dingen uit te zoeken en bij een gelegenheid zei hij in feite dat ik een besliste eigen mening had over buitenlandse kwesties en hij het niet altijd gemakkelijk vond het met mij eens te zijn. Maar ik wil benadrukken dat ik natuurlijk over alle belangrijke politieke vraagstukken altijd werd ingelicht.
Dr. STAHMER: Op 23 mei 1939 vond een onderhoud plaats met de Führer, dat kort genoemd is in verband met het verhoor van getuige Milch.
Daarvan werd ook een verslag gemaakt, document L-79. Volgens de tekst van dat verslag nam u deel aan dit onderhoud maar getuige Milch verklaarde dat u niet aanwezig was.
GÖRING: In werkelijkheid was ik niet aanwezig. Milch werd er op het laatste moment bijgeroepen om mij te vertegenwoordigen. Maar natuurlijk, als de getuige zegt dat hij van de Führer geen toestemming had gekregen om mij in te lichten, dan moet u begrijpen dat de Führer mij niet over deze kwestie wilde laten inlichten door mijn staatssecretaris, maar mij liever zelf wilde inlichten. Maar nee, ik was wel aanwezig bij dat gesprek – ik zie dat uit een andere aanwijzing. Maar zelfs als ik niet aanwezig zou zijn geweest meen ik dat Milch aan een andere bijeenkomst moet hebben gedacht. Dat zal geen belangrijke zijn geweest want er is geen sprake van dat de Führer een onderhoud met dergelijke heren zou hebben gehad zonder mij van te voren in te lichten of daarna als ik niet aanwezig zou zijn geweest. Het is daarom helemaal niet belangrijk. Het is volkomen duidelijk dat ik in dergelijke gevallen ofwel vooraf door de Führer tot in bijzonderheden werd geïnformeerd of, wanneer ik niet aanwezig was, achteraf.
Maar ik zie nu dat Milch zich hier moet hebben vergist en hij heeft vermoedelijk een andere bijeenkomst in gedachten want helemaal aan het einde stelde ik een paar vragen betreffende het bewapeningsprogramma die ik me nu heel goed herinner.
Dr. STAHMER: Wat was de betekenis van die bijeenkomst?
GÖRING: Het was een conferentie met de Führer waar hij nogmaals zijn mening uitte met betrekking tot de situatie en de taken die van de Wehrmacht werden geëist als gevolg van die situatie. Nogmaals, het belangrijkste punt was de strijdkrachten te informeren over bewapening en paraatheid, dat hij alle mogelijke ontwikkelingen – politieke en andere - onder ogen zag en dat hij zelf volledige vrijheid van beslissing wilde hebben.
Terugkijkend op de gebeurtenissen die tot nu toe hebben plaatsgevonden, en ik hoef niet te benadrukken hoe gemakkelijk zaken achteraf, in het licht van hun ontwikkeling bekeken anders worden gezien en voorgesteld dan toen ze werkelijk gebeurden – maar ik kan nu gemakklijk zeggen dat ik destijds dit of dat wilde omdat ik het in de tussentijd heb bereikt. Ik kan ook gemakkelijk zeggen – die suggestie komt onwillekeurig boven – dat dit of dat altijd mijn bedoeling is geweest, hoewel men heel goed weet dat men destijds sterk afhankelijk was van andere factoren en dat onder bepaalde omstandigheden iemand's bedoelingen van toen wellicht heel anders hadden kunnen zijn.
In het algemeen gezegd is dit weer een geval waarin er een misverstand heerst aan de kant van de adjudant maar in zijn totaliteit is het typerend voor de conferenties die de Führer gewoonlijk hield wanneer hij een bepaald doel voor ogen had dat hij wilde bereiken en het de nodige nadruk wenste te geven.
Dr. STAHMER: In de periode tussen 1935 en 1938 bracht u vele staatsbezoeken aan Polen. Wat was het doel van die bezoeken?
GÖRING: Nadat in 1934 de Duits-Poolse betrekkingen waren hersteld wenste de Führer een versterking van dat pact en de vorming van een betere sfeer. Hij vroeg mij deze taak over te nemen omdat hij geloofde dat ik het makkelijk vond met deze Poolse heren te spreken, hetgeen inderdaad het geval was.
De President van de Poolse Staat had mij uitgenodigd. Dat was in 1935 en vanaf dat moment – in 1935, 1936 en 1937 – verbleef ik elk jaar een of twee weken in Polen. Ik voerde lange gesprekken met de toenmalige Maarschalk Pilsudski en later altijd met de Minister van Buitenlandse Zaken, en met Maarschalk Smygly-Rydz.
Destijds had de Führer mij de zware taak gegeven – niet een taak van misleiding – samen met het versterken van de betrekkingen, Polen te vertellen dat hij belang stelde in een sterk Polen, want een sterk Polen zou een prima buffer vormen tussen Duitsland en Rusland. De Führer had de nadruk gelegd op oplossingen van de kwesties Danzig en de Corridor toen hij destijds met me sprak en had gezegd dat de mogelijkheid daartoe zich zou voordoen maar dat er tot dat moment wellicht een mogelijkheid zou zijn om met Polen tot overeenstemming over dat probleem te komen. De kwestie Litouwen speelde hier ook een rol in. Maar de beslissende factor is dat hij niet zei: "Wieg Polen in slaap. Ik zal Polen later aanvallen." Het was nooit het geval dat wij vanaf het begin, zoals hier veelvuldig is beweerd, dat wij bijeenkwamen en als samenzweerders elk punt van onze plannen tot in lengte van jaren vastlegden. Het was eerder zo dat alles voortkwam uit het spel van politieke machten en belangen, zoals het in staatszaken over de hele wereld altijd al is geweest. Ik had deze taak en beschouwde die gewetensvol als een serieuze taak en voerde die uit met een eerlijk geloof erin. Toen er dus werkelijk een botsing met Polen plaatsvond was dat geen erg prettige situatie voor mij. Dr. STAHMER: Wat was uw houding ten opzichte van de kwesties Memel, Danzig en de Poolse Corridor?
GÖRING: Mijn houding was altijd ondubbelzinnig. Die was dat Danzig en de Vrije Staat, als zuiver Duits gebieden, op enig moment in de nabije toekomst weer een deel van Duitsland zouden worden. Aan de andere kant erkenden we wel degelijk dat Polen toegang tot de zee moest hebben en dus ook een haven. Onze eerste gedachte was dus dat de Vrije Staat en Danzig aan ons moesten worden teruggegeven en dat er een Duitse Autobahn door de Poolse Corridor moest lopen. Dat was een hele lage en zeer bescheiden eis die lange tijd absoluut noodzakelijk werd geacht en ons volkomen mogelijk leek.
Dr. STAHMER: Op 23 november 1939 vond er nog een conferentie met de Führer plaats. Het verslag van die conferentie is document 78-PS dat bij het Tribunaal is ingediend. Ik vraag u naar het document te kijken en me kort te vertellen wat uw houding is ten opzichte van het onderwerp van deze conferentie.
GÖRING: Daar kan ik redelijk kort over zijn. Dit is een toespraak voor de opperbevelhebbers en commandanten van de formaties en legers die klaar gemaakt moesten worden voor de aanval op het Westen na de nederlaag van Polen. Dat is voor mij volkomen begrijpelijk en behoeft ook geen verklaring als de Opperbevelhebber van de Strijdkrachten, die in feite de troepen aanvoert, besluit een strategische en uitgebreide tactische operatie te beginnen, zoals in dit geval, na het einde van de veldtocht tegen Polen. De Führer wenste onder alle omstandigheden, en volkomen terecht, de troepen in de late herfst over te plaatsen en een klap tegen Frankrijk uit te delen zodat in de herfst en winter van 1939 het einde van die operatie kon worden bereikt. Wat hem tegenhield was het weer omdat hij zonder de inzet van de Luftwaffe deze operatie niet kon uitvoeren, zeker niet de doorbraak door de Maginol linie bij Sedan. Hij had bij het begin van de aanval tenminste 4 of 5 dagen goed vliegweer nodig. Omdat we hem dergelijke weersomstandigheden wekenlang niet konden verzekeren, sleepte de zaak zich voort tot in de winter en werd uiteindelijk, na Kerstmis en Nieuwjaar, uitgesteld tot het begin van de lente.
Maar dit was op een moment waarop hij nog steeds dacht dat hij het kon doorzetten. Daarom riep hij de bevelhebbers bijeen en lichtte hen in over de aanvalsorders. Het was een van die toespraken die in dergelijke gevallen gewoonlijk worden gehouden. Natuurlijk, omdat de Führer niet alleen militair, maar bovenal politicus was, gebeurde het altijd dat deze militaire toespraken - waarbij een militair zich uitsluitend zou hebben beperkt tot het militair-strategische – altijd voor een groot deel waren gevuld met verwijzingen naar zijn politieke ideeën en zijn politieke voorkeuren en bedoelingen. Men mag nooit vergeten dat hij die toespraken niet alleen hield als Bevelhebber of als Opperbevelhebber van de Strijdkrachten maar ook als hoofd van de Duitse Staat en daarom was er zo vaak zo'n sterke politieke ondertoon zelfs in zijn militaire toespraken. Maar geen enkele generaal werd bij dergelijke gelegenheden naar zijn mening gevraagd en of hij wel of niet instemde met de principiële strekking van het beleid. Bij zulke toespraken werd hem niet eens gevraagd of hij instemde met de militaire plannen of niet; dat gebeurde op een ander moment. Als een zaak was afgehandeld en strategisch-tactische zaken met de individuele commandanten besproken, kwam er een samenvatting, ook sterk politiek getint, waarin de definitieve ideeën aan de generaals werden voorgelegd. En als – ik benadruk dit omdat het hier vaak een rol heeft gespeeld – een generaal in staat geweest zou zijn te zeggen: "Mein Führer, ik vind uw opvattingen verkeerd en niet in overeenstemming met de afspraken die we hebben gemaakt," of: "Dit is een beleid wat we niet kunnen goedkeuren," zou dat ieder begrip te boven gaan. Niet alleen omdat de generaal in kwestie terechtgesteld zou zijn maar ik zou getwijfeld hebben aan de geestelijke vermogens van die man want hoe stelt men zich voor dat een staat kan worden bestuurd als er tijdens een oorlog, of voorafgaand aan een oorlog waartoe de politieke leiders hebben besloten, al of niet terecht, dat een individuele generaal zou kunnen kiezen of hij zou gaan vechten of niet, of zijn legerkorps thuis zou blijven of niet of zou kunnen zeggen: "Dat moet ik eerst aan mijn divisie vragen." Misschien zou er een meedoen en de ander thuisblijven. Dat voorrecht zou in dit geval ook aan de individuele soldaat moeten worden gegund. Misschien is dit de manier om in de toekomst oorlogen te voorkomen, als men elke individuele soldaat zou kunnen vragen of hij naar huis zou willen.
Waarschijnlijk, maar niet in een Führerstaat. Dat zou ik willen benadrukken, dat in iedere staat ter wereld de militaire formule scherp is omschreven. Wanneer er een oorlog uitbreekt of wanneer de staatsleiding tot een oorlog besluit ontvangen de militaire leiders hun militaire taken. Zij kunnen hun mening hierover geven, ze kunnen voorstellen doen om de aanval op links, op rechts of door het midden op te zetten. Maar of ze daarbij door een neutrale staat moeten trekken is niet een zaak voor de militaire leiding. Dat is helemaal de verantwoordelijkheid van de politieke leiding van de staat. Daarom kon er geen mogelijkheid zijn dat er een algemene discussie met betrekking tot recht of onrecht zou ontstaan; de generaals hadden hun orders al ontvangen. Het Opperbevel had een besluit genomen en daarom bleef er voor een soldaat niets te discussiëren over; en dat geldt net zo goed voor een veldmaarschalk als voor de gewone soldaat.
Dr. STAHMER: Een Führerbefehl van 7 oktober 1939 draagt uw handtekening. Bij dit besluit wordt Himmler belast met germanisering. Dit decreet is ingediend als document 686-PS. Kijkt u er alstublieft naar en zegt u wat de betekenis van dit decreet is.
GÖRING: Dit decreet van 7 oktober 1939 werd uitgevaardigd na de beëindiging van de veldtocht tegen Polen. Polen was toen veroverd en de Poolse staat als zodanig had opgehouden te bestaan. Ik vestig uw aandacht op de notitie van de toenmalige Volkscommissaris voor Buitenlandse Zaken in Rusland, Molotov die zijn mening hierover geeft, volgens welke het onrecht dat Duitsland voelde, toen bij het Verdrag van Versailles provincies van Duitsland werden losgemaakt en overgedragen aan Polen, gecompenseerd werd door een overwinning met wapens. Het was daarom voor ons vanzelfsprekeknd dat het deel van Polen dat tot aan 1918 Duits was geweest, zou moeten worden teruggegeven, dat wil zeggen, teruggegeven aan Duitsland. Maar in dat gebied waren in de loop der jaren meer dan een miljoen Duitsers die daar eerder hadden gewoond, die daar eigendommen bezaten, in het bijzonder boerderijen, landgoederen en dergelijke eruit gegooid, verbannen en onteigend. Dat blijkt heel duidelijk uit de talloze klachten die in de jaren na 1919 over deze kwestie bij de Volkenbond werden ingediend. Bestudering van al deze klachten en alle gebeurtenissen die zijn gemeld, die zich nog steeds in de archieven in Genève moeten bevinden, zal aantonen tot op welke enorme schaal de Polonisering van deze Duitse gebieden werd uitgevoerd. Dit decreet had tot doel daar een eind aan te maken en deze gebieden weer Duits te maken, met andere woorden dat de boerderijen en landgoederen waarvan de Duitsers waren verdreven weer in Duitse handen moesten komen. Het feit dat deze taak aan Himmler werd opgedragen had niet mijn volledige instemming maar op dat moment was dat niet van doorslaggevend belang. Hij kreeg deze taak opgedragen, niet in zijn hoedanigheid van Chef van de Politie maar omdat, zoals algemeen bekend is, hij altijd bijzonder en zeer geïnteresseerd was in nieuwe ontwikkelingen voor het Duitse volk en vandaar dat zijn dienst, het Volkstum, of hoe die ook maar werd genoemd – een moment, het maakt geen enkel verschil – hoe dan ook, Himmler kreeg deze taak opgedragen. De Führer vaardigde de wet uit. Ik was natuurlijk medeondertekenaar omdat ik destijds voorzitter van de ministeriële raad was en daarna werd die ook getekend door de chef van de kanselarij, Lammers. Deze handtekeningen spreken voor zich. Ik heb hier een heel positieve mening over; het was volledig in overeenstemming met mijn opvattingen dat waar Duitsers waren verdreven van wat eens Duits gebied was, dat zij daar naar toe moesten terugkeren. Maar ik wil uw aandacht vestigen op het feit dat dit, om precies te zijn, een kwestie is van voormalige Duitse provincies.
Dr. STAHMER: U bedoelt de bezette westelijke provincies van Polen?
GÖRING: Ja. De regering was bijvoorbeeld niet aangesteld met Germanisering als doel. Als er zich daar later Duitsers vestigden – en daar ben ik niet zeker van – gebeurde dat niet op basis van dat decreet. U vroeg mij, meen ik naar mijn standpunt in de kwesties Memel, Danzig en de Poolse Corridor; ik heb benadrukt dat Memel een relatief onbelangrijke kwestie was. In Memel moest, volgens het Verdrag van Versailles of van de Volkenbond een volksraadpleging worden gehouden. Kort daarvoor bezette Litouwen Memel en het gebied er omheen. Om de volksraadpleging te voorkomen werd Memel door Litouwen ingelijfd en ontstond er dus een voldongen feit. Klachten van de toenmalige Duitse regering waren natuurlijk net zo nutteloos als alle voorgaande klachten aan de Volkenbond. Wat Litouwen had gedaan werd betreurd, het werd oneerlijk en verkeerd geacht maar er kon geen sprake van zijn de kwestie terug te draaien of de voorgeschreven volksraadpleging te laten doorgaan. Nadat Litouwen, tegen alle afspraken in, Memel had bezet was het natuurlijk ons absolute nationale recht deze overrompeling te herstellen en Memel nu zelf te bezetten.
Dr. STAHMER: Op 19 oktober 1939 publiceerde u een decreet waarbij het afvoeren van economische goederen uit Polen werd bevolen. Dit decreet is ingediend als document EC-410. Ik zou graag uw mening over dit decreet willen horen.
GÖRING: Dat is een decreet dat algemene instructies bevat welke economische procedure in het gehele door ons bezette Poolse gebied moet worden toegepast. Het regelt de inbeslagname en registratie van eigendommen van de Poolse Staat binnen het door Duitse troepen bezette gebied; geld- en kredietkwesties, het nemen van economische maatregelen, voorbereiding op een vereffening met buitenlandse schuldeisers die noodzakelijk zou kunnen worden et cetera. Verbeurdverklaring moest alleen maar worden gedaan door de Haupttreuhandstelle Ost. Het is niet zozeer een kwestie van het afvoeren van economische goederen. Dat was niet het geval. In tegendeel, zelfs in het Generaalgouvernement werd de bestaande industrie, de industrie die destijds natuurlijk kon worden ingezet voor de oorlogsinspannig, versterkt en uitgebreid. Industrieën die niet absoluut noodzakelijk waren werden stilgelegd, net als in de rest van Duitsland en in alle andere landen in geval van oorlog. Waar het de beschikbare grondstoffen betrof en die belangrijk waren voor de oorlogvoering, zoals staal, koper of tin, was het mijn standpunt, of liever mijn bedoeling dat deze grondstoffen daar tot product zouden worden verwerkt waar ze het snelste voor de fabricage konden worden gebruikt. Als de lokatie en de transportmogelijkheden het toelieten moesten ze daar blijven om te worden verwerkt. Als het niet mogelijk was ze ter plaatse te verwerken, zou ik natuurlijk geen voor de oorlog belangrijke grondstoffen daar laten liggen maar ze laten vervoeren naar plaatsen waar ze zo snel mogelijk konden worden gebruikt om aan de behoeften van de oorlog te voldoen. Dat is in het algemeen wat in dit decreet staat. Dat was mijn principiële houding en mijn basisinstructie. Het doel was het snelste en meest doelmatige gebruik voor fabricage waar dat mogelijk was.
Dr. STAHMER: Op 19 november 1945 heeft een Dr. Kajetan Mühlmann een beëdigde verklaring afgelegd die door de Aanklager is ingediend onder nummer 3042-PS. Hierin staat in drie korte zinnen het volgende:
"Ik was de bijzondere plaatsvervanger van de Gouverneur-generaal van Polen, Hans Frank,voor het veiligstellen van kunstvoorwerpen in het Gouvernementgeneraal van oktober 1939 tot september 1943. Deze taak was mij opgedragen door Göring in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Reichsverteidigungsrat. Ik bevestig dat het officieel beleid van de Gouverneur-generaal, Hans Frank was alle belangrijke kunstvoorwerpen die hadden toebehoord aan alle Poolse openbare instellingen, particuliere verzamelingen en de Kerk in bewaring te nemen. Ik bevestig dat genoemde kunstvoorwerpen ook werkelijk in beslag werden genomen en ik ben mij ervan bewust dat deze, in het geval van een Duitse overwinning niet in Polen zouden zijn gebleven maar zouden worden gebruikt om Duitse kunstverzamelingen aan te vullen."
GÖRING: Feitelijk had ik, in mijn hoedanigheid als voor zitter van de Reichsverteidigungsrat niets, maar dan ook niets te maken met het veiligstellen van kunstvoorwerpen in Polen. Mühlmann, die ik kende, kwam echter bij mij en vertelde me dat hij maatregelen moest nemen voor het veiligstellen van kunstvoorwerpen daar. Ik was ook van mening dat die kunstvoorwerpen tijdens de oorlog veiliggesteld moesten worden, ongeacht wat er later mee moest gebeuren, zodat ze niet konden worden vernield door brand, bombardementen en dergelijke. Ik wil nu benadrukken – ik zal later in verband met Frankrijk op deze kwestie terugkomen – dat er van deze kunstvoorwerpen niets werd weggenomen voor mijn zogenaamde kunstcollectie. Ik noem dat even terzijde. Dat deze kunstvoorwerpen ook echt werden veiliggesteld is juist en dat was ook de bedoeling, gedeeltelijk vanwege het feit dat de eigenaren niet aanwezig waren. Waar de eigenaren echter wel aanwezig waren – ik herinner me bijvoorbeeld Graaf Potocki uit Lincut – werden de kunstverzamelingen gelaten waar zij waren. De Führer had nog niet definitief beslist wat er met deze kunstvoorwerpen moest worden gedaan. Hij had een bevel gegeven – en dat gaf ik per brief door aan Mühlmann en ook, voor zover ik me herinner aan Frank – dat deze kunstvoorwerpen voorlopig naar Königsberg moesten worden afgevoerd. Vier schilderijen moesten naar de veiligheidsbunker in het Deutsches Museum of het Kaiser Friedrich Museum in Berlijn gebracht worden. De pentekeningen van Dürer uit Lemberg lagen hier ook. In dit verband wil ik ze nu noemen omdat de Aanklager dat al heeft behandeld.
De tekeningen van Dürer uit Lemberg werden destijds niet door ons in beslag genomen omdat Lemberg al Russisch was geworden. Pas tijdens de veldtocht tegen Rusland werden deze tekeningen – voor zover ik me het verhaal van Mühlmann herinner - tijdens de strijd uit de brandende stad gered door een Poolse professor die zich tot die tijd voor de Russen verborgen had gehouden en hij droeg ze aan ons over. Het waren tekeningen, hij kwam me opzoeken en had ze bij zich. Hoewel ik gewoonlijk zeer geïnteresseerd ben in dergelijke zaken had ik helaas geen tijd om er goed naar te kijken omdat ik op dat moment op weg was naar de Führer. Ik nam ze mee en heb ze daar, zoals Mühlmann heeft bevestigd, onmiddellijk afgeleverd. Waar ze daarna heen zijn gegaan weet ik niet. Ik denk dat ik nu de vraag over de Poolse kunstvoorwerrpen wel beantwoord heb. Afgezien daarvan is er nog het Veit Stoss altaar, dat oorspronkelijk hier in Neurenberg gemaakt is, een puur Duits werk. De Führer wenste dat dit altaar naar het Germanisches Museum hier in Neurenberg overgebracht zou worden – persoonlijk had ik daar niets mee te maken. Ik weet er alleen van. Wat de bedoeling was, er uiteindelijk mee te gaan doen was nog niet bekend. Maar het is zeker dat het ook zou zijn genoemd in vredesonderhandelingen.
Dr. STAHMER: Wat voor relatie had u met Quisling?
GÖRING: Ik ontmoette Quisling voor de eerste en enige keer lang na de bezetting van Noorwegen. Hij was in Berlijn, zocht me op en we hadden een kort, onbelangrijk onderhoud. Daarvoor, anders gezegd, voor het uitbreken van de oorlog stuurde een van zijn mensen, die ik niet persoonlijk kende, mij een brief die hier is getoond maar die ik me niet kan herinneren omdat dergelijke brieven, volgens onze manier van werken, zelden aan mij werden overlegd – dat is verder niet belangrijk. In die brief schreef hij namens Quisling dat we financiële steun zouden moeten verlenen aan de beweging van Quisling en hij beschreef in welke mate gelden voor politieke steun, enerzijds uit Rusland – de Communistische partij daar en anderzijds uit Engeland in de kas van de betrokken politieke partij zouden vloeien. Daarna – later besprak iemand met mij of wij een of andere vorm van steun aan Quisling zouden kunnen geven in de vorm van kolenleveranties. Mijn standpunt was dat vanwege de situatie rond buitenlandse valuta en andere factoren – zo rijk waren wij niet, we konden natuurlijk niet wedijverern met de Russische of Engelse donaties – dat die gezagsdragers moesten worden geraadpleegd die konden beoordeleln of het raadzaam was de beweging van Quisling financieel te steunen of niet. Als ze bevestigend antwoordden dan zou het mij volkomen duidelijk zijn dat Quisling geld zou krijgen. Het bedrag waar het om ging, dat ik ook zou hebben gegeven, was veel hoger dan het bedrag dat meen ik later door de Führer via Buitenlandse Zaken werd betaald.
Ik had nooit veel op met kleine donaties; als men al iets ging geven moest men dat goed doen zodat er iets mee bereikt kon worden. In de Eerste Wereldoorlog had ik genoeg ervaring opgedaan in verband met geld dat naar het Roemeense Parlement ging, maar dat helaas te weinig was. Op basis van die ervaring luidde mijn advies dat wanneer we iets zouden geven, wij het juiste bedrag zouden geven. Afgezien daarvan maakte ik pas veel later kennis met Quisling en had een zeer onbelangrijk onderhoud met dat ik me ook niet meer herinner.
Dr. STAHMER: Wat was uw houding ten opzichte van de campagne tegen Noorwegen?
GÖRING: De campagne tegen Noorwegen verbaasde me eerder want vreemd genoeg werd ik daarover lange tijd niet ingelicht. De Führer ging heel ver in zijn principebesluit, dat ik in het begin al heb genoemd, en deed pas heel laat een beroep op de Luftwaffe. Maar omdat het belangrijkste deel van deze onderneming toeviel aan de Luftwaffe drukte ik mijn mening hierover uit op een ondubbelzinnige en onvriendelijke manier. Vanuit militair oogpunt gezien was ik tegen de onderneming als zodanig want als Opperbevelhebber van de Luftwaffe, geheel los van politieke overwegingen, moest ik eerst uitsluitend strategische kwesties overwegen. Dat mijn positie sterk verbeterd zou worden, waar het de Luftwaffe betrof, als mijn squadrons vanaf bases in Noorwegen Engeland zouden kunnen bestrijden was duidelijk, en zou elke voorzichtige militaire expert duidelijk zijn. Vanuit strategisch oogpunt kon ik, als Opperbevelhebber van de Luftwaffe, slechts een definitieve houding tegen deze onderneming aannemen. Mijn bezwaar was ten eerste dat ik te laat was ingelicht en ten tweede dat de plannen mij niet helemaal juist voorkwamen.
Dr. STAHMER: Was Hitler bang voor moeilijkheden met Zweden vanwege deze bezetting?
GÖRING: Ja, niet vanwege de bezetting door Duitse troepen als zodanig maar toen wij, met andere woorden de Führer besloot om Noorwegen te bezetten beschikten we al over uitgebreide en nauwkeurige informatie betreffende de voorgenomen bezetting door de Engelsen en de Fransen, wat later ook werd bevestigd door de dossiers van de Engelse en Franse Generale Staf die wij buitmaakten. In dit verband wisten we ook dat het niet alleen de bedoeling was Noorwegen te bezetten maar bovenal om de de leveranties van Zweeds ijzererts aan Duitsland via Narvik af te snijden en bovendien om in het Russisch-Finse conflict dat toen nog woedde, aan Finse zijde tussenbeide te komen. De Führer vreesde dat Zweden volledig zou buigen voor de Engelse druk, anders gezegd, onder het voorwendsel Finland te hulp te komen zou een doortocht worden toegestaan en daarmee het Zweedse ijzerertsgebied en de ertsleveringen aan ons volledig worden afgesneden. Ik nam destijds een grote verantwoordelijkheid op me door Hitler te verzekeren dat ik Zweden, haar bevolking en haar Koning zo goed kende dat ik wist dat wie ook maar druk zou uitoefenen op Zweden - ongeacht welke mogendheid – Zweden onder alle omstandigheden haar neutraliteit met wapens zou verdedigen tegen iedere mogendheid die haar neutraliteit zou schenden, ongeacht welke redenen er voor die schending zouden kunnen zijn. En ik zei dat ik persoonlijk met mijn volle geweten de verantwoordelijkheid hiervoor zou nemen en dat we in dit opzicht gerust konden zijn. Daarmee was de kwestie afgedaan.
De PRESIDENT: Ik schors de zitting.
(het Tribunaal wordt verdaagd tot 15 maart 1945 om 10:00 uur.)

Zie ook:
Verhoor Göring 3, Verhoor Göring 4, Verhoor Göring 5, Verhoor Göring 6, Verhoor Göring 7
Slotverklaring Göring
Vonnis Göring

Definitielijst

divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.
Volkscommissaris
In de Sovjetunie een minister.

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
11-10-2008
Laatst gewijzigd:
27-12-2018
Feedback?
Stuur het in!

Gerelateerde thema's

Gerelateerde personen

Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg, 1947