De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Ochtendzitting 1 19-06-1946

DE BODE: Met welnemen van het Tribunaal, ik meld dat beklaagde Von Neurath afwezig is.
(Beklaagde Von Papen neemt weer plaats in de beklaagdenbank).
SIR DAVID: Voordat we van Mr. Messersmith afstappen, beklaagde wil ik u drie vragen stellen over de andere landen in zuidoost Europa die Mr. Messersmith noemde. Wist u dat het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken de beweging van Henlein onder de Sudetenduitsers financieel ondersteunde en leidde?
VON PAPEN: Ik denk niet dat ik daar destijds van geweten heb. Toen dit rapport in 1935 werd geschreven was de Sudetenduitse kwestie niet dringend.
SIR DAVID: Wanneer hoorde u daarover?
VON PAPEN: Voornamelijk hier in deze zaal.
SIR DAVID: Wist u dat het Reich de heer Codreanu en zijn IJzeren Garde in Roemenië steunde?
VON PAPEN: Ik meen dat dat ook veel later was.
SIR DAVID: U hoorde daar na 1935 over, niet waar? Wanneer hoorde u daarover?
VON PAPEN: Dat kan ik niet zeggen; maar ik geloof dat de gebeurtenissen rond de IJzeren Garde in Roemenë rond 1937 plaats vonden. Ik kan me vergissen maar ik denk het niet.
De PRESIDENT: Sir David, ik denk dat u de microfoon iets te dicht bij u hebt staan.
SIR DAVID: Neemt u mij niet kwalijk, Edelachtbare.
(tot de beklaagde): Wist u dat er in 1944 in een Rijkskrant onder redactie van beklaagde Kaltenbrunner over u werd gediscussieerd als zijnde een mogelijke persoon om hetzelfde in Hongarije te doen, te regelen dat Hongarije zich bij het Reich zou aansluiten, binnen Hongarije het voorbereidende werk doen zodat Hongarije zich zou aansluiten. Wist u dat?
VON PAPEN: Nee. In de eerste plaats wist ik dat niet en in de tweede plaats kan ik zeggen dat het een onmogelijk idee is want ik was nauw bevriend met de Regent van Hongarije, Admiraal Horthy. In mijn vragenlijst aan Admiraal Horthy stelde ik hem een vraag die hij helaas niet beantwoord heeft omdat hij het zich niet meer herinnerde. Er staat dat in de herfst van 1943 de Hongaarse Minister van Binnenlandse Zaken, Keresces-Fischer mij een document overhandigde waarin stond dat Duitse of Duitse en Hongaarse troepen de inlijving van Hongarije in het Reich wilden bereiken door een opstand. Op verzoek van Regent Horthy gaf ik dit document onmiddellijk aan de heer Von Ribbentrop en vroeg hem passende maatregelen te nemen om dit te voorkomen. Dat staat allemaal in het dossier en de Hongaarse Minister van Binnenlandse Zaken zal dit kunnen bevestigen.
SIR DAVID: U begrijpt mijn punt en het laat me koud of u het ermee eens bent of niet. Het punt dat ik u voorleg is dat u de uitgekozen persoon was. Weet u dat niet? U kent het document waarnaar ik verwijs, D-679, met veel aantekeningen van Kaltenbrunner waarin over u werd gesproken als mogelijke persoon om het voorbereidende werk in Hongarije te verrrichten.
Edelachtbare, het is pagina 78 van documentenboek 11 en pagina 46 van het Duitse documentenboek 11.
VON PAPEN: Sir David, ik heb eergisteren die nota doorgenomen nadat u hem hier had ingediend.
SIR DAVID: Ik zal u er niet mee vermoeien als u dat hier pas hebt gehoord. Het enige wat ik weten wil is dit: wist u in 1944 dat u in een Duits staatsorgaan werd genoemd als zijnde de persoon die wellicht het voorbereidende werk in Hongarije zou kunnen doen zodat Hongarije in het Reich kon worden opgenomen? Als u zegt dat u het niet weet zal ik u daar niet langer over lastig vallen. U zegt dat u het eergisteren pas heeft gehoord?
VON PAPEN: Ja en op de tweede plaats is het een historisch feit dat ik herhaaldelijk geprotesteerd heb tegen deze pogingen in Hongarije die op een of andere manier ten doel hadden, uiteindelijk door een bezetting, Hongarije een deel van het Duitse Reich te maken. Ik vind dat het meest verkeerde en meest onmogelijke beleid dat je je kunt voorstellen.
SIR DAVID: Ik zal u niet vermoeien met de documenten omdat u het niet wist; we gaan over op een ander onderwerp.
U herinnert zich Gauleiter Rainer, de heer met wie u aan de vooravond van de Anschluss het toevallige en ik weet zeker het zeer interessante gesprek had; Dr. Rainer, de getuige? Ik zou willen dat u kijkt naar Dr. Rainer’s mening over de situatie toen u het overnam en het Tribunaal vertelt of u het er mee eens was.
Edelachtbare, het is pagina 6 van documentenboek 11; het document is 812-PS. Het begint op pagina 6 en de passage waarnaar ik ga verwijzen staat op pagina 8. Hebt u de passage die begint met:
“Zo begon de eerste fase van de strijd, die eindigde met de juli opstand van 1934. De beslissing tot de juli opstand was juist maar er werden veel fouten gemaakt bij de uitvoering. Het resultaat was de totale vernietiging van de organisatie, het verlies van hele groepen strijders door gevangenschap of vlucht in het ‘Altreich’ en, met betrekking tot de politieke relatie tussen Duitsland en Oostenrijk, een formele erkenning van de Staat Oostenrijk door de Duitse regering. Met het telegram aan Von Papen, waarin hij opdracht kreeg de normale betrekkingen tussen beide staten te herstellen, beëindigde Hitler de eerste fase van de strijd en begon een nieuwe methode van politieke penetratie.”
Bent u het ermee eens dat dit een correcte beschrijving is van uw arbeid: “een nieuwe methode van politeke penetratie”?
VON PAPEN: Nee, Sir David, dat is een zeer onnauwkeurige beschrijving van mijn activiteiten.
SIR DAVID: Wel, als u het niet eens bent met Dr. Rainer, vertelt u mij – weet u, u moet de getuige Paul Schmidt zeer goed kennen. Kent u hem?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Heel goed. Nu denk ik dat u het met mij eens bent dat hij een van de personen is tegen wie niemand een woord gezegd heeft tijdens dit proces. Bent u het daarmee eens? Ik heb geen woord van kritiek gehoord over Paul Schmidt. Bent u het niet met mij eens?
VON PAPEN: Bedoelt u de getuige – de tolk Paul Schmidt of de Minister van Buitenlandse Zaken Schmidt?
SIR DAVID MAXWELL-FYFE: Paul Schmidt, de tolk.
VON PAPEN: Paul Schmidt, de tolk. Ik zal u mijn mening over hem geven.
SIR DAVID: Bent u het ermee eens dat hij een betrouwbaar persoon is of niet? Zegt u dat hij niet betrouwbaar is?
VON PAPEN: Ik heb niets tegen de menselijke kwaliteiten van de heer Schmidt, maar ik heb ernstige bezwaren tegen het feit dat de heer Schmidt de vrijheid neemt mijn politieke activiteiten in Oostenrijk te bekritiseren.
SIR DAVID: Voordat u het uitlegt, wilt u er even naar kijken. U kunt de verklaring van Dr. Paul Schmidt vinden op pagina 41 van documentenboek 11, dat is pagina 37 van het Duitse documentenboek, document 3308-PS. Luistert u nu naar Dr. Paul Schmidt’s mening, alinea 8:
“Plannen voor de annexatie van Oostenrijk waren vanaf het begin al een onderdeel van het Naziprogramma. De oppositie van de Italianen na de moord op Dolfuss maakte een tijdelijke, meer voorzichtige benadering van dit probleem noodzakelijk maar het opleggen van sancties aan Italië door de Volkenbond en de snelle toename van Duitsland’s militaire sterkte maakte de hervatting van het Oostenrijkse programma veiliger. Toen Göring begin 1937 Rome bezocht verklaarde hij dat de éénwording van Oostenrijk en Duitsland onvermijdelijk was en vroeg of laat kon worden verwacht. Mussolini, die dit in het Duits hoorde, bleef zwijgen en uitte slechts een zwak protest toen ik dit in het Frans vertaalde. De uitvoering van de Anschluss was in principe een partijaangelegenheid, waarbij Von Papen’s rol bestond uit het naar buiten toe behouden van goede politieke betrekkingen terwijl de partij sluwere methoden gebruikte om de voorwaarden te scheppen voor de te verwachten inval.”
Dan, beklaagde, zodat we helemaal duidelijk zijn, maakt hij een fout en het is een rede van Hitler van 18 februari waar de vertaler helaas uw naam aan heeft verbonden. Daar vertrouw ik dus niet op. Maar ik wil weten of u ermee instemt dat uw rol bestond uit het ...”naar buiten toe behouden van goede politieke betrekkingen terwijl de partij sluwere methoden gebruikte .... “ Bent u het ermee eens dat dat een correcte beschrijving is van uw beleid, uw missie in Oostenrijk?
VON PAPEN: In tegendeel, Sir David, het precies tegenovergestelde is het geval. Ik heb mijn taak in Oostenrijk zeer duidelijk en nauwkeurig voor het Tribunaal omschreven.
SIR DAVID: Ik begrijp het.
VON PAPEN: Het was een taak van pacificatie en normalisatie en een voortzetting van het beleid van het samenbrengen van de twee staten langs lijnen van geleidelijkheid. En mag ik nu nog een paar woorden zeggen over die verklaring van Dr. Schmidt? Toen de getuige hier op deze plaats zat hebben we vastgesteld dat zijn verklaring hem is voorgelegd toen hij nog in het ziekenhuis lag na een ernstige ziekte en dit document is hem ter ondertekening voorgelegd......
SIR DAVID: Wel, het Tribunaal zal dat in aanmerking nemen. We hebben er alles over gehoord en Dr. Schmidt is verhoord en ik meen dat u mag aannemen dat het Tribunaal alles weet van de omstandigheden rond deze verklaring. Als u iets hebt aan te merken op de inhoud ervan ben ik er zeker van dat het Tribunaal u graag de gelegenheid zal geven maar u hoeft niets te zeggen over de omstandigheden. Dat is allemaal bij het Tribunaal bekend.
VON PAPEN: Ik zal commentaar geven over de inhoud, ik verklaar dat Minister Schmidt, die later een zeer invloedrijke rol speelde met de Minister van Buitenlandse Zaken Von Ribbentrop, in de jaren waar we het hier over hebben een zeer ondergeschikte positie bekleedde op het Ministerie van Buitenlandse Zaken die hem geen inzicht – geen juist inzicht – verschafte in de situatie in Oostenrijk en in mijn beleid en in mijn raporten.
SIR DAVID: Nou, als dat zo is .....
VON PAPEN: Sir David, de heer Von Neurath zal u dat morgen of overmorgen kunnen bevestigen.
SIR DAVID: Goed, daar gaan we niet verder over discussiëren. Het Tribunaal beschikt over het hele dossier van Dr. Schmidt en de verklaring. Nu zei u dat u het Tribunaal hebt verteld over uw opvatting van uw missie in Oostenrijk. Als dat uw opvatting van uw missie in Oostenrijk was, waarom vond u het dan nodig om de plaatsen te weten van de bunkers met explosieven aan de Oostenrijkse strategische wegen? Dat leek op een terugkeer naar de ontwikkeling van uw plan met de hoge hoed waartegen u zo sterk protesteerde, niet waar? Als u het zich niet meer herinnert, laat mij uw geheugen opfrissen. Het is document D-689, pagina 101.
Het Tribunaal kan de passage vinden op pagina 102 en het staat op pagina 90 en 91 in de Duitse versie van documentenboek 11, dat wordt GB-504.
Dit is de openstelling van de Gross Glocknerweg die, zoals u bekend is een weg van nogal strategisch belang is tussen Salzburg en Karinthië. Herinnert u zich dat u na uw beschrijving van de mensen in Salzburg die van alles zongen behalve het Horst Wessel lied en de Duitse chauffeurs die een wedstrijd hielden, u in de derde en volgende alinea zegt:
“De aanleg van deze weg is ongetwijfeld een eerste klas stuk cultuur waarin Rijksgermaanse aannemers het belangrijkste en meest beslissende aandeel hadden. De hoofdingenieur van de Rijksgermaanse firma die op het hoogste punt de tunnel heeft aangelegd bood mij aan de plaatsen te noemen van de bunkers met explosieven in de tunnel. Ik heb hem verwezen naar de militaire attachë.”
Dat was uw combinatie van cultuur en het aantonen van de uitmuntende Duitse wegenbouw met het te weten komen van de plaatsen van de explosieven in de tunnel op het meest strategische gedeelte van de weg. Waarom vond u dat voldoende belangrijk om het naar Hitler te sturen met drie afschriften voor Buitenlandse Zaken?
VON PAPEN: Sir David, ik doe nauwkeurig verslag van de gebeurtenissen bij de openstelling van deze weg.
SIR DAVID: Dat wil ik niet. Het Tribunaal kan dat wel vragen. Wat ik u vraag is waarom u Hitler het feit meedeelde dat de Rijksgermaanse ingenieur u de plaatsen van de bunkers met explosieven aan die belangrijke weg heeft aangewezen waarmee die weg kon worden geblokkeerd. Dat is wat ik wil dat u het Tribunaal vertelt.
VON PAPEN: Omdat het mij interessant leek dat deze man spontaan naar mij toekwam en tegen me zei: “Op die en die plaatsen kan de tunnel worden opgeblazen.” U weet dat destijds onze betrekkingen met Italië zeer gespannen waren en dat Italië troepen samentrok aan de Brennerpas. Om die reden leek het me van belang dat deze nieuwe verbinding tussen Duitsland en Italië op ieder geschikt moment weer kon worden verbroken. Bovendien verwees ik de kwestie door naar mijn militaire attaché want het interesseerde me niet persoonlijk.
SIR DAVID: Nee, u hebt voor uw beurt gepraat door zoiets zelf te doen. U was het hoofd van de missie en dit was een zaak voor de militaire attaché. Maar was het uw plan, beklaagde, dat toen u de aanleg van de weg aanhaalde als een voorbeeld van Duitse cultuur, op hetzelfde moment de strategische informatie te krijgen die u door kon geven aan uw regering en op die manier de strategische plannen van de Oostenrijkse regering te dwarsbomen om de weg te gebruiken?
De PRESIDENT: Beklaagde zei toch dat het een weg was die Italië met Duitslanfd verbond?
SIR DAVID: Ja, Edelachtbare. De weg loopt van Salzburg, dat bijna aan de Duitse grens ligt, naar Karinthië in zuid-Oostenrijk; het was dus een nieuwe snelweg, een noord-zuid verbinding door Oostenrijk.
De PRESIDENT: Verbond die weg Duitsland met Italië of Oostenrijk met Italië?
SIR DAVID: Oostenrijk.
(tot de beklaagde): Laten we het over iets anders hebben waarin u geïnteresseerd was. U rapporteerde ook waar de productie en opslag van de munitie van Oostenrijk zou plaatsvinden, niet waar?
VON PAPEN: Dat herinner ik me niet.
SIR DAVID: Goed, als u het zich niet herinnert, kijkt u er zelf dan naar. Het is document D-694. U vindt het een paar pagina’s verder.
Edelachtbare, het staat op pagina 110 in het Engelse boek, pagina 108 van het Duitse. Het wordt bewijsstuk GB-505. De datum is 26 november 1935. Het staat op pagina 110 en de passage die ik ga voorlezen staat op pagina 111.
Beklaagde, u moet het bovenaan pagina 112 van de Duitse versie kunnen vinden. U hebt het over de invloed van de heer Mandel, naar wiens vertrek u verwijst en dan gaat u verder met Prins Starhemberg. Er staat:
“Nadat in Hirtenberg de productie van munitie voor Italië moest worden beëindigd vanwege protesten door Italië, laadde hij, Mandel, de hele fabriek in spoorwagons om de productie in Italië te kunnen voortzetten.” Dan, let u op de volgende woorden tussen haakjes:
“Toevallig ontstond er een interessante situatie voor de Oostenrijkse munitievoorraad ....
Was dat een van uw opvattingen over het herstellen van normale betrekkingen, dat u verslag zou moeten uitbrengen over de gebeurtenissen in de Oostenrijkse munitieproductie?
VON PAPEN: Nee, dat was mijn eigenlijke taak niet maar dit verslag toont aan, Sir David dat ik een gesprek herhaalde met de Poolse minister Gavronski die mij vertelde dat deze munitiefabriek, de enige in Oostenrijk, naar Italië werd verplaatst. Met betrekking hiermee schreef ik dat het een opmerkelijke situatie is wanneer een land zijn munitievoorraden uit het buitenland moet halen. U zult zeker moeten toegeven dat dat een vreemde situatie is en een die het waard is te worden opgenomen in een rapport.
SIR DAVID: Dat is uw uitleg. Daar ga ik geen tijd aan verknoeien.
Nu wil ik overgaan - en ik wil het weer snel behandelen – op uw persoonlijke ervaringen in Oostenrijk.
U herinnert zich dat toen u in 1935 naar het Salzburgerfestival ging, toen u ongeveer een jaar in Oostenrijk was; herinnnert u zich dat? Ik weet het niet want u zult er ieder jaar wel zijn heen gegaan.
Het punt waaraan ik u wil herinneren is dit: Herinnert u zich dat toen u er heen ging dat 500 Nationaalsocialisten u begroetten met muziek en er zo’n toestand van maakten dat sommige andere gasten in het hotel de Federale Kanselarij wilden bellen of telegraferen om te zeggen dat de Duitse Ambassadeur een grote Nazi demonstratie had veroorzaakt. Herinnert u zich dat?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Edelachtbare, de verwijzing daarnaar staat op pagina 102, document D-689 waarnaar ik al verwezen heb, pagina 102 van documentenboek 11.
Laat me een ander voorbeeld nemen. Herinnert u zich de bijeenkomst van de kameraden uit de Eerste Wereldoorlog in Wels?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Dat was, als ik me goed herinner in 1937, niet waar?
VON PAPEN: Helemaal correct, ja.
SIR DAVID: En alle voorbeidingen waren getroffen voor een niet politieke bijeenkomst, een reünie van Oostenrijkse regimenten en oude kameraden van de Duitse regimenten en na de bijeenkomst zouden ze samen een of andere lunch of diner hebben, de avond zou eindigen met ontspanning en gezang. Dat was het programma, niet waar?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Die bijeenkomst werd toegesproken door Generaal von Glaise-Horstenau en uzelf?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Generaal von Glaise-Horstenau – niets ten nadele van hem – hield een niet erg sterke toespraak, zult u moeten toegeven. Dat was uw indruk, niet waar, geen erg sterke toespraak. Interessant maar niet dynamisch. Geloof me, ik wil de generaal niet aanvallen. Ik probeer een punt te maken.
VON PAPEN: Nee.
SIR DAVID: U hield een toespraak die maar erg kort duurde, niet waar?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Na uw toespraak waren er relletjes en werd er geschoten in de straten van Wels, niet waar? Er was een opstand, niet waar?
VON PAPEN: Mag ik u een meer nauwkeurige beschrijving geven?
SIR DAVID: Nou, als u dat kunt. Ik wilde een feit vaststellen. U bent nu volkomen gerechtigd een uitleg te geven.
De PRESIDENT: Bestaat hier een document over?
SIR DAVID: Hier is geen document van.
VON PAPEN: Er was in Wels een bijeenkomst georganiseerd van organisaties van het oude Duitse leger uit de Eerste Wereldoorlog, de zogenaamde Kriegerverein en de veteranenorganisatie van Oostenrijk. Die bijeenkomst was volledig legaal en in de geest van ons gezamenlijk streven de onderlinge ervaringen tussen die formaties te vernieuwen. Op deze bijeenkomst, die volgens mijn wens en die van de Oostenrijkse regering volledig a-politiek van karakter zou zijn, vonden de volgende gebeurtenissen plaats: toen ik aankwam was de plaast waar de bijeenkomst werd gehouden omringd met tussen de 5.000 en 10.000 mensen. De Oostenrijkse regering had om haar Duitse gasten te ontvangen een erepeloton van het leger opgesteld en toen het Oostenrijkse muziekkorps bij mijn aankomst het Oostenrijkse volkslied speelde, zongen die 10.000 mensen die daar verzameld waren het Duitse volkslied want de melodie is hetzelfde, zoals u weet.
Toen ik in de loop van de viering een korte toespraak hield werd ik voortdurend door duizenden mensen op demonstrative wijze onderbroken. Ik realiseerde me natuurlijk meteen dat de Oostenrijkse Nationaalsocialisten hier een grote politieke demonstratie hadden gepland, dus brak ik mijn toespraak af en kort daarna verliet ik de bijeenkomst en Wels ook.
Het is volkomen waar wat Sir David heeft gezegd dat toen de viering werd beëindigd en de Oostenrijkse politie tegen de duizenden protesterende mensen wilde optreden, er zeer ongelukkige incidenten plaastvonden.
SIR DAVID: Nu, als dat uw uitleg is, ik heb de feiten over het incident genoemd. Nu wil ik op iets anders overgaan want ik kan alleen maar voorbeelden geven van uw activiteiten in Oostenrijk.
Voordat u de getuigenis van beklaagde Seyss-Inquart hoorde, herinnert u zich de term “de tecniek van het Trojaanse paard” waarnaar verwezen werd met betrekking tot Oostenrijk?
VON PAPEN: Ja. Seyss-Inquart wilde dat Trojaanse paard niet leiden.
SIR DAVID: Ja, maar daarvoor weet u, had u al verwezen naar de methode van het Trojaanse paard.
Edelachtbare, dat staat in documentenboek 11, pagina 133; de passage die ik bedoel staat op pagina 134. Het document is D-706; dat wordt GB-506. Het is pagina 163, sergeant-majoor.
Dat is uw rapport van 21 augustus 1936, waar u een instructie aanhaalt van de Praagse Geheime Dienst aan haar afdeling in Wenen, die luidt:
“Helaas moet worden opgemerkt dat de wilde Nationaalsocialistische excessen van 29 juli van dit jaar niet het resultaat hebben gehad dat we ervan verwacht hebben. Oostenrijk’s toenadering tot het Duitse Reich op het gebied van de buitenlandse politiek maakt verder voortgang evenals het proces van culturele samenwerking tussen de twee zusterstaten. Men kan uit uw meest recente rapporten ook opmaken dat het Trojaanse paard van het Nationaalsocialisme steeds meer verwarring zaait in de gelederen van het Vaterlandfront en in het bijzonder in de gelederen van de Heimatschütz. Oppositie tegen de normalisering van de Duits-Oostenrijkse betrekkingen, die bijzonder gevaarlijk is voor Oostenrijk’s onafhankelijkheid schijnt niettemin redelijk sterk te zijn; het ontbreekt echter aan een goede organisatie.”
Beschrijft dat Tsjechische rapport nu correct wat er aan de gang was, de oppervlakkige normalisering van de betrekkingen en de beweging van Trojaanse paard die in het land actief was?
VON PAPEN: Sir David, dat is de mening van de Tsjechische Geheime Dienst en misschien die van de Tsjechische regering.
SIR DAVID: Mag ik u eraan herinneren, beklaagde dat dit de mening is die u aanhaalt in uw rapport aan de Führer en die niet is tegengesproken. Er staat geen woord in uw rapport dat suggereert dat het niet de waarheid is. In feite leidt u uw rapport als volgt in: “Om de huidige situatie in Oostenrijk te beschrijven .... “ U brengt het als juiste informatie aan de Führer, u kunt het dus niet afdoen zou ik denken door te zeggen dat het maar een Tsjechisch rapport is.
VON PAPEN: Ja. Mag ik erop wijzen dat dit rapport is geschreven op 21 augustus 1936. Dat is een maand na het sluiten van onze Juli overeenkomst, waarvan u beweerde dat het een bedrieglijke manoeuvre was, maar die wij en de Oostenrijkse Minister van Buitenlandse Zaken beschouwden als een zeer serieus bedoelde overeenkomst. We waren nu op een compleet ander niveau met Oostenrijk en om die reden heb ik dit vreemde Tsjechische rapport aangehaald als interessant document om aan te tonen hoe, ondanks onze pogingen tot normalisering, de Tsjechen tegen de zaken in Oostenrijk aankeken.
De PRESIDENT: Stapt u van dit document af?
SIR DAVID: Ja, Edelachtbare.
De PRESIDENT: Hoe staat het met de laatste alinea?
SIR DAVID: Zo u wilt, Edelachtbare, die zal ik zeker behandelen.
De PRESIDENT: Pagina 134.
SIR DAVID: Met uw welnemen, Edelachtbare. Het gaat verder met:
“Bovendien lijkt het voor ons hopeloos en ook onpraktisch ernaar te streven het Oostenrijks legitieme stelsel of de Heimwehr te beïnvloeden. Er zijn aan de andere kant relatief sterke elementen binnen het Oostenrijkse Katholicisme die met enig voorbehoud democratisch zouden kunnen worden genoemd. Deze elementen, die zich langzaam aan bij de Freiheitsbund aansluiten en die in principe genegen zijn te werken aan een overeenkomst met de Democraten, vertegenwoordigen naar onze mening die groep die onder bepaalde omstandigheden genegen zou zijn een omwenteling te weeg te brengen in de binnenlandse politiek van Oostenrijk.”
Bracht u dat ook naar voren als uiting van uw mening?
VON PAPEN: Sir David, gisteren heb ik aan het Hof een zeer precieze uitleg gegeven over de doelstellingen en aard van de Freiheitsbund; en het Hof weet uit het rapport dat de Tsjechische regering probeerde een zekere politeke invloed op deze Freiheitsbund uit te oefenen. Dat blijkt duidelijk uit de context. Dat staat allemaal in het Tsjechische rapport.
SIR DAVID: Dan bracht u dus als uw mening bij Hitler naar voren, niet waar, dat Katholiek links wellicht door u kon worden gebruikt als een middel tot toenadering. Dat zegt u eigenlijk.
VON PAPEN: Sir David, u wilt toch niet suggeren dat ik een Tsjechisch rapport aan Hitler overbracht om dat rapport tot het mijne te maken?
SIR DAVID: Ja, dat is waar ik u van beschuldig. Als u aan het staatshoofd schrijft: “Om de huidige situatie in Oostenrijk te beschrijven, voeg ik een bijlage toe aan dit rapport ... “ wat ik dan suggereer is dat dat betekent dat dit rapport nauwkeurig de situatie vertegenwoordigt zoals ik die zie. Dat leg ik u voor.
VON PAPEN: Nee, want een ander rapport dat u ook bij het Tribunaal hebt ingediend toont aan dat ik Hitler vroeg de pogingen, gedaan door de Tsjechische regering om invloed uit te oefenen op de Freihietsbund tegen te werken, door die aan ons te binden. Ik heb een heel andere mening.
SIR DAVID: Beklaagde, u vroeg Hitler om 100.000 Reichsmark aan de Freiheitsbund te schenken. Dat is precies uw suggestie die u hier opvolgt namelijk dat er wellicht een orgaan zou kunnen zijn dat een nuttig aangrijpingspunt voor u zou kunnen zijn om invloed te krijgen op een ander deel van de openbare mening in Oostenrijk. Ik suggereer dat die twee zaken sterk overeenkomen. U vertelt Hitler dat die nuttig zijn.
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: En u ondersteunt hen met 100.000 Reichsmark. Dat leg ik u voor.
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Wat ik u voorleg is dat u de hele tijd het ene deel na het andere van de Oostenrijkse openbare opinie aan het ondergraven was om de vrijheid van Oostenrijk te onderdrukken. Ik meen dat daar geen twijfel over bestaat.
VON PAPEN: Sir David, als dit rapport iets duidelijk aantoont is het het feit dat afgezien van de Nationaalsocialisten er in Oostenrijk nog andere groeperingen waren, de Christrelijke vakbonden en de Freiheitsbund die toewerkten naar een politieke eenheid tussen de twee landen. En u kunt niet zeggen dat ik een misdaasd pleeg als ik als diplomaat, die een dergelijk doel geleidelijk aan wil bereiken, met die groeperingen in hun belang samenwerk.
SIR DAVID: Er was niets geleidelijks aan het Trojaanse paard, niet waar? Dat mag slechts als commentaar dienen. Laten we overgaan op iets anders.
Kent u Baron Gudenus?
VON PAPEN: Nee, die heb ik niet gekend.
SIR DAVID: U weet dat hij de naaste vertrouweling van Aartshertog Otto was. Herinnert u zich dat?
VON PAPEN: Ja, dat staat in mijn rapport.
SIR DAVID: Ja nou, laten we er maar naar kijken en zien wat Baron Gudenus te zeggen had.
Edelachtbare, u kunt dat vinden op pagina 93 en het staat op pagina 72 tot 75 van de Duitse versie, document D-687 en dat wordt GB-507. Het is alinea 2(b) en staat op pagina 74; beklaagde. “Baron Gudenus, de naaste vertrouweling van Aartshertog Otto schrijft aan .... “
Er staat hier een fout, Edelachtbare, ‘mij’ moet ‘een’ zijn: . een van mijn kennissen op 30 maart: “ ... “ik heb vele dankbare indrukken mee terug genomen uit Oostenrijk over de voortgang van onze beweging; maar ik kan niet ontkennen dat in sommige opzichten het Duitse beleid mij ernstig zorgen baart. Wat voor nut heeft het als de leiders van februari en juli 1934 – of degenen die daarvan zijn opgepakt en veroordeeld als de regering te zwak is, te slordig of opzettelijk te tolerant om te voorkomen dat ‘bruine’ en ‘rode’ propaganda ongehinderd in de bioscopen, de pers en op de radio wordt gevoerd en voornamelijk door rijksambtenaren of organen van het Vaterlandfront die gesteund en betaald worden met financiële en andere middelen die in overvloed uit Duitsland binnen stromen? Wat is die geleerde idealist Schuschnigg eigenlijk aan het doen? Merkt hij niet dat Von Papen en de andere ‘bruine’ agenten in zijn eigen land voortdurend de hand bespugen die hij hen zo hardnekkig toesteekt? Hij moet niet denken dat hij Oostenrijk kan behouden en redden, zolang Hitler aan de macht is in een Duitsland dat van binnen en van buiten bruin geschilderd is. Het is waar dat de methoden daar verfijnder en voorzichtiger zijn geworden maar dat maakt ze nog gevaarlijker.”
Dat was ongeveer 7 maanden na uw aankomst.
“Sinister zijn ook de voortdurende geschillen tussen Schuschnigg en Starhemberg ...” en zo voorts.
Is het nu niet juist, beklaagde dat wie dan ook, iedereen, zelfs een bezoekende monarchistische agent wist dat deze activiteiten plaats vonden met u aan het hoofd en de Oostenrijkse Nazipartij die daar onder werkte?
Voordat u antwoord geeft is het alleen maar eerlijk als u naar uw eigen commentaar daarover kijkt:
“De problemen van de Oostenrijkse interne situatie konden nauwelijks beter worden beschreven dan met deze brief.”
Waarom zei u niet tegen Hitler, als de feiten zo lagen: “Baron Gudenus praat onzin. Ik voer een volkomen eerlijke en morele taak uit voor de normalisering van de betrekkingen met Oostenrijk.”
Waarom ontkende u het niet, als het niet waar was?
VON PAPEN: Het lijkt me toe dat dit rapport in de eerste plaats aantoont dat ik in alle openheid alle rapporten aan Hitler overhandigde die ik ontving, zelfs dat van een aanhanger van de terugkeer van de Habsburgers. Duidelijk 100 procent ....
SIR DAVID: Ik suggereer, beklaagde dat u ze doorgaf omdat ze de waarheid bevatten; u aanvaardde die en gaf ze door aan Hitler omdat het waarheidsgetrouwe rapporten waren; dat dat een duidelijk beeld van de situatie was. Dat suggereer ik aan u. Vertelt u het Tribunaal maar of ze waar of onwaar waren? Als ze dat niet waren, waarom gaf u ze dan door zonder erbij te zeggen dat ze niet waar waren. Dat is wat ik u vraag.
VON PAPEN: Als u dit rapport van Baron Gudenus leest zult u zien dat hij het heeft over de interne situatie in Oostenrijk en over de sinistere meningsverschillen tussen Schuschnigg en Starhemberg, de rivaliteit tussen hun bewakers en het voortdutende ondergrondse Republikeinse sentiment.
SIR DAVID: Ja, dat zijn maar drie van de twintig regels. Er staat nog veel meer voordat u aan dat deel toekomt. Daar vraag ik u naar, de andere 17 regels van het rapport.
VON PAPEN: Sir David, de punten die ik net heb genoemd zijn het bewijs voor de interne zwakte van de Oostenrijkse regering waarover ik verslag uitbreng. Als u bedoelt dat ik aan Hitler had moeten uitleggen dat ik geen ‘bruine’ agent was; op 26 juli bereikten we zeker een zeer duidelijke overeenkomst onder welke voorwaarden mijn werk in Oostenrijk zou moeten worden gedaan. Er was voor mij geen noodzaak om dat aan Hitler in een rapport uit te leggen. Ik stuurde hem dat rapport alleen maar ter informatie.
SIR DAVID: Als dat uw uitleg is, kijkt u dan even naar de volgende alinea van uw brief. Die toont op een andere manier aan hoe u te werk ging. Alinea 3:
“De film “De oude en de jonge Koning ... “ het Tribunaal zal het zich niet herinneren maar u verbetert mijn geheugen maar. Dat is een film die als ik me goed herinner gaat over Friedrich - de betrekkingen tussen Friedrich Wilhelm I en Frederik de Grote. Klopt dat?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: “De film ‘De oude en de jonge Koning’ is hier een paar dagen geleden voor het eerst vertoond in het bijzijn van de heer Jannings” – Emil Jannings, de acteur. – “Hij lokte enthousiaste reacties uit. De scene waar de koning het feit benadrukt dat ‘Franse rommel en Romeinse boeken niets voor Pruissen betekenen’ leidde tot een bijzonder luid applaus. De politie wilde de film verbieden. Samen met de heer Jannings legden we aan hen uit dat wanneer deze film zou worden verboden, wij stappen zouden ondernemen om vertoning van alle Oostenrijkse films in Duitsland te verbieden. Dat had het gewenste effect. De film – behalve de hier boven genoemde scene die eruit werd geknipt – wordt nu vertoond en zal binnen enkele dagen worden vertoond in de bioscopen van Klagenfurt en Graz.”
“Gisteren ontving ik Jannings en een aantal acteurs van het Burgtheater als mijn gasten. Hij zei dat hij zeer tevreden was met zijn succes en we bespraken tot in detail plannen voor het maken van een film over Bismarck waarvoor ik Beumelburg voordroeg om het script te schrijven.” Anders gezegd, u dwong af een film, die Pruissische propaganda bevatte, in Oostenrijk te laten vertonen onder de bedreiging Fraulein Wessely en Maskerade en de andere Oostenrijkse films uit die tijd van de Duitse markt uit te sluiten; u forceerde uw propaganda onder bedreiging van uitsluiting van Oostenrijkse films; is dat juist?
VON PAPEN: Ja en ik zal u ook vertellen waarom. Ik moet uw historische kennis van dit soort zaken verbreden, Sir David. Frederik de Grote speelde een zeer belangrijke rol in de betrekkingen tussen Duitsland en Oostenrijk, zoals u weet; destijds probeerden we, in de betrekkingen tussen onze twee landen de historische onjuistheden recht te zetten die ontstaan waren in de tijd van Frederik de Grote. Voor dit doel schreef de beroemde Oostenrijkse historicus Professor Sribik een belangrijk werk. De film waar we het hier over hebben had tot doel aan te tonen dat beide volkeren een grootse Duitse geschiedenis gemeen hebben. Om de culturele toenadering tussen beide landen te bevorderen, stond ik erop dat deze film zou worden vertoond en dat gebeurde ook.
SIR DAVID: Ik twijfel niet in het minst aan uw motieven om de film te laten vertonen, beklaagde maar wat ik u vraag is: waarom forceerde u dat tegen de wens van de Oostenrijkse autoriteiten met het dreigement Oostenrijkse films van de Duitse markt te weren? Waarom bedreigde u de Oostenrijkse autoriteiten op die manier?
VON PAPEN: Het gebeurde regelmatig dat de Oostenrijkse politie bang was dat bepaalde films als basis voor een demonstratie zouden dienen. Maar nadat we de zaken met de politie hadden besproken en erin hadden toegestemd dat bepaalde scenes uit de film zouden worden geknipt, waren ze vokomen bereid ze toe te laten. Natuurlijk zei ik hen ook dat wanneer we niet tot overeenstemming zouden komen, het gevolg zou zijn dat Duitsland geen films meer naar Oostenrijk zou sturen.
SIR DAVID: Wel, ik breng nog een punt ter sprake. Herinnert u zich het Tribunaal te hebben verteld dat u geen contacten had met de NSDAP in Oostenrijk?
VON PAPEN: Nee, dat is niet juist.
SIR DAVID: U onderhield wel degelijk contacten?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Nauwe contacten?
VON PAPEN: Ik begrijp u niet.
SIR DAVID: Intieme contacten? Waren uw contacten intiem?
VON PAPEN: Nee.
SIR DAVID: Wel, als ze dat niet waren, wilt u een pagina terug gaan? Het is waarschijnlijk pagina 72 van uw rapport. Het is hetzelfde rapport.
Edelachtbare, het is pagina 93 van uw documentenboek. U begint dat rapport met te zeggen:
“Ik moet eerst rapporteren over de ontwikkeling van de plaatselijke NSDAP:
“Op 23 maart werd in Krems volledige overeenstemming bereikt tussen Kapitein Leopold en Generaldirektor Neubacher. In overeenstemming daarmee verklaarde Neubacher zich op alle mogelijke manieren ondergeschikt aan Leopold en erkende hem als Führer van Oostenrijk. Zogauw Schattenfroh wordt vrijgelaten uit het concentratiekamp wordt hij plaatsvervangend leider terwijl Neubacher als naaste vertrouweling van Leopold over alle belangrijke kwesties zal worden geraadpleegd.”
“Verder heeft Leopold iemand anders benoemd en hem gevraagd als plaatsvervanger op te treden terwijl Generaal-majoor Klupp in strikt vertrouwen om raad zal worden gevraagd,” en ik wil de laatste regels voorlezen: “Verder uitte Leopold de wens dat de voortdurende intriges tegen hem van de kant van de émigrés die in het Reich wonen – van het soort Frauenfeld en zijn vrienden – eindelijk worden beëindigd.”
Dat is een vrij volledig beeld van de organisatie van de partij in Oostenrijk, niet waar?
VON PAPEN: Nou, Sir David, mag ik uw aandacht vestigen op het feit dat dit rapport gedateerd is op 4 april 1935, een datum voor de Juli overeenkomst, toen mijn interesse in deze partijkwesties nog goed kon worden begrepen.
SIR DAVID: Wel, als u belang hecht aan de datum, kijkt u dan even naar het rapport van 1 september 1936, pagina 33 van documentenboek 11, pagina 26 van het Duitse. U herinnert zich dat dit het rapport is waarnaar u verwees en u zei: “Voor de toe te passen methode adviseer ik aan tactische kant een voortdurende en geduldige psychologische benadering met langzaam toenemende druk met als doel het regime te wijzigen.”
U hebt het Tribuaal verteld dat dat betekende dat u een wijziging wenste onder de ambtenaren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik ga me niet vermoeien over een dergelijke uitspraak maar ga even verder: “De voor eind oktober voorgenomen conferentie over economische betrekkingen zal een zeer nuttig hulpmiddel zijn bij het realiseren van enkele van oze projecten.
“In gesprekken met zowel regeringsambtenaren en met leiders van de illegale partij (Leopold en Schattenfroh) die hun standpunt geheel baseren op de Overeenkomst van 11 juli, probeer ik de verdere ontwikkelingen zo te sturen om een gezamenlijke vertegenwoordiging van de Beweging en het Vaterlandfront te bereiken.”
Het is dus volkomen duidelijk niet waar dat u op 1 september, na die Overeenkomst gesprekken voerde met de leiders van de illegale partij, Leopold en Schattenfroh en we mogen dus aannemen – ik wil er verder geen tijd aan besteden – dat u gedurende uw hele verblijf in Oostenrijk in voortdurend en nauw contact stond met de leiders van de Oostenrijkse Nationaalsocialistische Partij.
VON PAPEN: Nee, Sir David, de conferentie die u zojuist noemde verwijst naar en wordt gerechtvaardigd door de Juli overeenkomst; dat heb ik gisteren al aan het Tribunaal uitgelegd. In de Juli overeenkomst beloofde Federaal Kanselier Schuschnigg dat op leden van de Nationale Oppositie een beroep zou worden gedaan tot samenwerking. Als gevolg daarvan was het natuurlijk mijn plicht om na te gaan of en in hoeverre samenwerking tussen dergelijke krachten ook door Schuschnigg werd gezocht. Dat was het onderwerp van het gesprek met de leiders en ik kan uitdrukkelijk stellen dat na de Juli overeenkomst mijn contacten met de Oostenrijkse partij alleen op dit vlak lagen.
SIR DAVID: Ik begrijp het. Ik ga daar niet verder op in. Ik heb het Tribunaal verwezen naar twee documenten en er zijn andere verwijzingen waarover ik me geen zorgen hoef te maken.
Ik wil nu overgaan op november 1937. Kunt u zo nauwkeurig als u kunt de datum vastleggen van uw ontmoeting met beklaagde Seyss-Inquart in Garmisch-Partenkirchen?
VON PAPEN: Ja, ik ontmoette beklaagde Seyss-Inquart bij toeval – anders gezegd, niet door een afspraak – bij de Olympische Winterspelen in Garmisch-Partenkirchen in januari 1938.
SIR DAVID: Januari 1938. Ik wil die datums even noteren. U bent op zeer vriendschappelijke voet gekomen met de Minister van Buitenlandse Zaken Guido Schmidt, die hier getuigenis heeft afgelegd, niet waar?
VON PAPEN: Ik stond op zeer vriendschappelijke voet met de Minister van Buitenlandse Zaken, ja.
SIR DAVID: U sprak hem aan met ‘du’ hoewel u 20 jaar ouder was; u sprak hem al een tijd aan met ‘du’? U had intieme betrekkingen. Is dat juist?
VON PAPEN: Ik denk niet dat een vriendschap kan worden afgemeten aan een leeftijdsverschil van 20 jaar. Ik beschouwde de heer Schmidt, zoals ik al zei, als een oprecht man.
SIR DAVID: Ik denk dat u het met mij eens bent dat het voor een Ambassadeur niet gebruikelijk is op goede voet te staan met een Minister van Buitenlandse Zaken - zeker iemand van 20 jaar jonger, geen tijdgenoot – op een dergelijke goede voet dat u hem met het familiaire ‘du‘ aansprak. Bent u het met mij eens dat dat een zeer ongebruikelijke vorm van intimiteit is tussen een Ambassadeur en een Minister van Buitenlandse Zaken?
VON PAPEN: Sir David, als u ooit in Oostenrijk bent geweest, zou u weten dat in Oostenrijk bijna iedereen iedereen met ‘du’ aanspreekt en om dit incident op te helderen mag ik het volgende toevoegen:
Op de dag van ons afscheid, toen ik Oostenrijk verliet, zei ik tegen Minister van Buitenlandse Zaken Schmidt, op wie ik zeer gesteld was: “Goede vriend, we hebben zoveel samengewerkt, nu kunnen we jij tegen elkaar zeggen.”
SIR DAVID: Waar ik nu in ben geïnteresseerd is dit: het was in november 1937 dat u en Dr. Guido Schmidt de kwestie van de ontmoeting tussen Schuschnigg en Hitler voor het eerst bespraken, niet waar?
VON PAPEN: Ik meen dat ik destijds deze kwestie niet alleen met de Minister van Buitenlandse Zaken Schmidt heb besproken maar ook met de heer Schuschnigg zelf. Na een onderhoud tussen ....
SIR DAVID: Een ogenblik, wilt u mijn vraag beantwoorden? U besprak met Dr. Schmidt – u hebt Dr. Schmidt hier zijn getuigenis horen afleggen – dat beklaagde Göring hem in alle openheid had verteld, zoals beklaagde Göring zei dat hij dat aan iedereen vertelde en ook aan het Hof, dat hij met alle mogelijke middelen en koste wat kost uit was op de eenwording van Oostenrijk en Duitsland. U hebt Dr, Schmidt horen zeggen dat Göring hem had verteld dat dat zijn mening was en ik zeg in alle eerlijkheid dat die volkomen rechtlijnig was. Het is de mening die hij hier heeft geüit en blijkbaar ook aan een groot aantal anderen. Herinnert u zich dat Dr. Schmidt dat heeft gezegd. U kunt het van mij aannemen.
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: We hebben gehoord dat beklaagde Göring dat heeft gezegd, niet alleen tegen Dr. Schmidt maar ook tegen Mussolini en het Hoge Tribunaal en ik meen tegen diverse andere mensen. Heeft hij het nooit tegen u gezegd?
VON PAPEN: Nee, Sir David. Wat betreft de Oostenrijkse .....
SIR DAVID: Wist u dat dat zijn mening was?
VON PAPEN: Nee.
SIR DAVID: U wist niet dat dat zijn mening was?
VON PAPEN: Mag ik alstublieft iets zeggen? Natuurlijk wist ik dat het Göring’s wens was beide staten samen te voegen en zelf was ik aanwezig bij het onderhoud met Mussolini.
Denkt u er echter aan dat de heer Göring destijds niet bevoegd was te beslissen over het buitenlandse beleid. Over de vraag wat ons beleid in Oostenrijk zou moeten zijn was al uitsluitend door mij en Hitler beslist en ik herinner me niet het met Marschall Göring te hebben besproken in de jaren tussen 1936 en 1938.
SIR DAVID: Ik heb het nu over 1937 en drie maanden later was beklaagde Göring zeer bevoegd in de buitenlandse politiek en de kwestie Oostenrijk zoals u, als u geluisterd heeft naar de verslagen van zijn telefoongesprekken, moet weten. Ik wil alleen dat u de datums neemt zoals we die nu hebben. Göring had Schmidt zijn mening kenbaar gemaakt; u en Schmidt bespraken deze ontmoeting tussen Schuschnigg en Hitler. In januari had u een politiek onderhoud met Dr. Seyss-Inquart in Garmisch-Partenkirchen. Ik mis een datum. Op 11 november, zoals Mr. Dodd tegen Dr. Seyss-Inquart zei, had hij een brief geschreven aan Dr. Jury waarin hij zei: “Ik denk niet dat er dit jaar nog iets gebeurt maar de ontwikkelingen zullen in het voorjaar gebeuren.” Toen, na die brief, ontmoet hij u in Garmisch-Partenkirchen in januari en in februari regelt u uiteindelijk die ontmoeting tussen Schuschnigg en Hitler.
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Wist u niet heel goed dat het de hele bedoeling van de bijeenkomst was de heer Schusschnigg te laten toegeven aan de wensen van het Reich, de benoeming van Seyss-Inquart, een algehele politieke amnestie waardoor alle leden van de Nazi partij in Oostenrijk vrij zouden komen en ter beschikking komen van hun leiders en een verklaring van gelijke rechten voor de Partij? Wist u niet dat het juist de bedoeling van deze bijeenkomst was de heer Schuschnigg deze voorwaarden te laten aanvaarden zodat u de Nationaalsocialistische partij in Oostenrijk onbelemmerd en vrij kon laten werken aan de Duitse belangen in Oostenrijk?
VON PAPEN: In mijn gesprek met Seyss-Inquart in Garmisch-Partenkirchen bespraken we de noodzaak om de Oostenrijkse Nazi partij zelfstandig te maken, dat wil zeggen onder alle omstandigheden vrij te houden van invloeden uit het Reich, in de vorm zoals overeengekomen in de overeenkomst van juli, met het doel dat de weg zou worden vrijgemaakt voor een eenwording van onze twee landen en dat aan Oostenrijkse zijde en niet door het Reich aan dat doel zou worden gewerkt in termen van buitenlands beleid. Toen ik Seyss-Inquart in Garmisch-Partenkirchen ontmoette werd er niets gezegd over deze ontmoeting tussen Schuschnigg en Hitler. Ik was destijds niet in een positie om te kunnen weten of een dergelijke ontmoeting ooit plaats zou vinden. Dat werd pas op 5 februari beslist, zoals u zich zult herinneren. Met andere woorden, we bespraken alleen maar de zeer algemene vraag hoe we onds doel dichter konden naderen.
Mag ik u verder in herinnering brengen dat Seyss-Inquart de officiële opdracht van de Federale Kanselier had ontvangen om alle bestaande mogelijkheden te onderzoeken om de Nationale Oppositie, dat is de Oostenrijkse Nationaalsocialistische partij op te nemen in Schuschnigg’s politieke programma. Dat was zijn officiële taak zodat ik per slot van rekening het recht had om deze zaken met hem te bespreken.
SIR DAVID: Was Dr. Rainer – de getuige die door het Tribunaal is verhoord – was hij ook niet aanwezig bij die ontmoeting in Garmisch-Partenkirchen?
VON PAPEN: Dat is misschien het geval geweest, Sir David, ik herinner het me niet meer. Seyss-Inquart heeft me verteld dat het mogelijk is dat Dr. Rainer zich tijdens een wandeling bij ons voegde. Persoonlijk herinner ik me het niet meer. Ik voerde geen politieke gesprekken met Dr. Rainer.
SIR DAVID: Wel nu, u hebt ons uw uitleg gegeven over het begin van het jaar. Ik wil u aan nog een punt herinneren. U was zeer goed op de hoogte van de crisis in het leger rond Von Blomberg en Von Fritsch, niet waar? Ik wil niet weer op de onaangename details ingaan omdat het momenteel niet aan de orde is maar u wist dat die crisis was ontstaan?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Ik ben er zeker van dat u hier het belang van inziet. Generaal Von Fritsch heeft samen met u op de Militaire Academie gezeten, niet waar?
VON PAPEN: Helemaal juist.
SIR DAVID: Hij was een oude vriend en u wist, en ik denk dat iedereen die zijn naam hier tijdens dit proces heeft genoemd dat heeft gezegd, dat Generaal Von Fritsch een man met een groot karakter was en dat het soort beschuldiging dat tegen hem is ingebracht door iedereen die hem kende als belachelijk zou worden gezien als het niet zo tragisch was en het afschuwelijk vinden. Dat was uw mening?
VON PAPEN: Absoluut.
SIR DAVID: En u had vrij goed in de gaten, niet waar, afgezien van de behandeling van Feldmarschall Von Blomberg dat Von Fritsch het slachtoffer was geworden van een opgeklopte beschuldiging om te voorkomen dat hij het hoofd van de strijdkrachten zou worden. U wist dat toch?
VON PAPEN: Hoe dan ook, dat werd me later pas duidelijk toen ik over de omstandigheden hoorde.
SIR DAVID: Nee, nee, dat is niet het belangrijkste, beklaagde, uw gemoedstoestand op 5 februari 1938. U wist tegen die tijd dat de Nazi kliek in de regering een opgeklopte beschuldiging had geüit tegen een man die u als zeer eervol beschouwde, niet waar?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Nu, met die wetenschap, op 5 februari, nadat u Hitler ontmoette, vertelt u hem over het feit dat Schuschnigg kan komen en hij gaat er direct op in. Hij zegt: “Haal Schuschnigg op,” niet waar? Hij was nogal ontstemd, als ik het zo mag zeggen over wat u tot dan tegen hem te zeggen had gehad. Zo gauw u zegt dat er een kans bestaat op een ontmoeting met Schuschnigg, springt Hitler er op af als een bok op een haverkist, of liever als een leeuw op zijn prooi; dat is toch juist?
VON PAPEN: Ja, Sir David. Ik heb aan het Hof de indrukken beschreven die de gebeurtenissen in Berlijn en mijn eigen ontslag op 4 februari op mij hebben gemaakt. Vindt u het vreemd dat ik nu probeerde, alleen maar omdat ik bang was dat er een andere koers zou worden ingeslagen, dit lang verwachte gesprek tussen de twee staathoofden tot stand te brengen waarvan ik hoopte dat daardoor de geschillen zouden worden opgelost en het inslaan van een radicale koers voorkomen? Ik zei tegen de Minister van Buitenlandse Zaken Schmidt en Kanselier Schuschnigg, toen ik ze beiden vroeg aan een onderhoud deel te nemen de zaken op te helderen als ze dat konden.
SIR DAVID: Beklaagde, ik ga nu niet in op de omstandigheden van het onderhoud op 12 februari want die heb ik al met beklaagde Von Ribbentrop behandeld en het Hof is daar volledig van op de hoogte.
Ik wil u deze ene vraag stellen en ik vraag u goed na te denken omdat uw eigen geloofwaardigheid ervan kan afhangen.
Zegt u nu dat er tijdens dat onderhoud geen druk werd uitgeoefend op Schuschnigg?
VON PAPEN: Sir David, een dergelijke uitspraak heb ik nooit gedaan, u weet dat zelf ook, want dat staat in mijn rapporten; ik heb zelf gezegd dat er druk werd uitgeoefend.
SIR DAVID: Wat ik u vraag is dit – en laat het me alstublieft duidelijk maken want het Hof heeft de getuigenis van uw vriend Dr. Schmidt en heel wat ander bewijsmateriaal gehoord. Ik wil u alleen deze vraag stellen en maakt u het alstublieft duidelijk.
Zegt u nu, op deze dag dat er geen druk werd uitgeoefend op Schuschnigg om hem de voorwaarden van 12 februari te laten aanvaarden? Dat is de enige vraag die ik u wil stellen en ik bied u de kans erop te antwoorden. Wat zegt u vandaag? Werd er wel of geen druk uitgeoefend op de heer Schuschnigg?
VON PAPEN: Ja; ik heb dat nooit ontkend. Ik begrijp niet waarom u mij dat vraagt. Ik heb het nooit ontkend.
SIR DAVID: De heer von Ribbentrop ontkende het ten stelligste maar we zullen daar niet op ingaan.
Nu, nog een vraag en dan stap ik van Oostenrijk af. Hebt u een ontmoeting geregeld tussen Hitler en Kardinaal Innitzer?
VON PAPEN: Ja, en dat was .....
SIR DAVID: Hebt u geregeld dat de leiders van de Kerk en de leden van het Corps Diplomatique, afgezien van de Franse en Britse vertegenwoordigers, aanwezig zouden zijn bij Hitler’s intocht in Wenen?
VON PAPEN: Wat kerkleiders betreft, het is voor hen niet gebruikelijk aanwezig te zijn bij parades en ik heb het zeker niet voorgesteld. Wat de diplomaten betreft ....
SIR DAVID: Regelde u de aanwezigheid van het Corps Diplomatique?
VON PAPEN: Het is mogelijk dat enkele van mijn diplomatieke collega’s mij vroegen of ze bij deze ceremonie aanwezig konden zijn en ik zei dat ze die natuurlijk konden bijwonen; waarom zouden ze dat niet?
SIR DAVID: Wel, ik ga de manier waarop u het stelt niet betwisten.
Edelachtbare, ik ben nu klaar met Oostenrijk. Ik heb nog drie kleinere kwesties die naar ik hoop een korte tijd zullen vragen maar dit is misschien een gunstig moment voor een schorsing.
De PRESIDENT: Ja.
(de zitting wordt geschorst).

Definitielijst

Anschluss
Duitse term voor aansluiting waarmee de annexatie van Oostenrijk door Nazi-Duitsland in 1938 (12 maart) wordt bedoeld. Hiermee ging Oostenrijk deel uitmaken van het Groot-Duitse Rijk.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.

Afbeeldingen

Franz von Papen, kanselier tot 1933, vice-kanselier onder Hitler (1933-1934) en ambassadeur in Turkije (1939-1944). Bron: Truman Library.

Ochtendzitting 2

SIR DAVID: Beklaagde, moet het Tribunaal ervan uitgaan dat u in brede zin tegen de anti-semitische beweging en propaganda was?
VON PAPEN: In tegendeel, het was mijn doel en mijn wens en het vormde het hele programma van mijn werk, zoveel mogelijk bij te dragen aan de eenwording tussen beide landen want dat was de grote wens van de Duitse natie.
SIR DAVID: Ik geloof niet dat u mijn vraag kunt hebben verstaan. Laat me hem herhalen. Ik kom nu toe aan de Joden.
VON PAPEN: Oh, de Joden?
SIR DAVID: Ja, ik zal hem herhalen. Moet het Tribunaal ervan uitgaan dat u tegen de anti-semitische beweging en propaganda in brede zin was?
VON PAPEN: Ja; ik heb het Hoge Tribunaal al verteld wat in principe mijn houding was ten opzichte van het rassenvraagstuk en ten opzichte van de verwijdering van buitenlandse invloeden op bepaalde culturele aspecten van het openbare leven. Dat zijn echter twee totaal verschillende kwesties.
SIR DAVID: Ja, ik begrijp het. Wilt u nu kijken naar document 3319-PS, bewijsstuk GB-287?
Edelachtbare, dat begint op pagina 48 van documentenboek 11a. Het staat op pagina 44 en 45 van het Duitse documentenboek. Het gedeelte waarop ik u wil wijzen staat op pagina 58 en 59. Dit, beklaagde komt uit een vertrouwelijk verslag van de vergadering van adviseurs in Joodse vraagstukken van de Duitse diplomatieke missies in Europa, op 3 en 4 april 1944. Ik wil dat u kijkt op pagina 44 meen ik van de Duitse versie, pagina 58 van de Engelse, naar de bijdrage aan dit gesprek van een zekere heer Posemann in Turkije. Was hij lid van uw staf? Zo u wilt, graag alleen met ja of nee want ik wil het kort houden ...
VON PAPEN: Mag ik u vertellen wie de heer Posemann precies was?
SIR DAVID: Ik vroeg, wilt u mij zeggen of hij lid van de Ambassadestaf en zo niet, wat was hij wel, dat wil ik weten.
VON PAPEN: Nee, zeker niet. De heer Posemann was een Duitse boekhandelaar die zich in Ankara had gevestigd. Hij was zeker geen lid van mijn ambassade.
SIR DAVID: Ik snap het. Goed, in elk geval was hij adviseur van het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens dit gesprek. Luistert u eens naar wat hij te zeggen heeft:
“Begin dit jaar bracht de Turkse regering een slag aan het Jodendom toe in verband met een poging het minderheidsprobleem op te lossen. Er werden drastische maatregelen genomen bij de uitvoering van deze actie. Verdenkingen van de kant van Geallieerde kringen dat het zuiver om anti-Joodse maatregelen ging werden door Turkije weerlegd met verwijzingen naar overeenkomstige maatregelen die tegen minderheden werden genomen. Hoe dan ook, Turkije schafte verdere maatregelen af om een oplossing te vinden voor het minderhedenprobleem en daarmee ook voor het Jodenprobleem. Om deze reden is het onmogelijk om op dit moment onder onze leiding voort te gaan met het voeren van anti-Joodse propaganda; het is ongewenst en zou een belasting betekenen voor Turkije’s huidige buitenlandse politiek. Er zijn geen anti-Joodse publicaties in Turkije, afgezien van karikaturen en stripboeken over Joden. De eerste tekenen van bewustwording van de mate van internationale Joodse overheersing worden duidelijk uit de vertaling van het “Protocol der Ouderen van Zion” en van het boek van Ford: “De internationale Jood.” Verkoop en distributie van deze brochures zijn ondersteund door de Ambassade. Voorlopig is werk alleen mogelijk binnen deze nauwe grenzen omdat, zoals al is benadrukt, een duidelijk door Duitsland geïnspireerde anti-Joodse propaganda onaangename politieke complicaties zou kunnen veroorzaken.”
Gelooft u in het “Protocol der Ouderen van Zion”? Gelooft u dat het een correct en autentiek werk is?
VON PAPEN: Helemaal niet, nee.
SIR DAVID: Waarom werd de verkoop van deze brochures dan gesteund door de Ambassade?
VON PAPEN: Misschien mag ik het Tribunaal een korte uitleg geven over de omstandigehden van deze bijeenkomst. De vergadering was bijeengeroepen door Buitenlandse Zaken en moest worden bijgewoond door deskundigen van de ambassades en legaties die zich in het bijzonder hadden bezig gehouden met het Jodenvraagstuk. In mijn Ambassade was een dergelijke deskundige er niet, omdat ik die altijd had geweigerd. Om die reden had de Partij op eigen initiatief de boekhandelaar de heer Posemann geïnstrueerd om dit probleem te behandelen en had hem naar deze vergadering afgevaardigd.
Als de heer Posemann hier stelt dat de Ambassade de propagandabrochures uitgaf die hier worden genoemd, heeft hij het volkomen mis. Ten eerste zou de Turkse regering de verspreiding van dergelijk materiaal nooit hebben toegestaan en ten tweede kunt u, Sir David, er zich vandaag nog van overtuigen dat al die brochures nog in de kelder van mijn Ambassade in Ankara liggen.
SIR DAVID: U zegt dus dat deze uitspraak, gedaan op de vergadering van Buitenlandse Zaken onjuist is?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: U zegt dat u er niets mee te maken hebt gehad; is dat uw antwoord?
Ik wil u een paar dingen vragen over de Katholieke Kerk. U herinnert zich de Verklaring van Fulda van de bisschoppen?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Die is correct, niet waar? Die werd opgesteld en gebaseerd op een garantie van zijn goede bedoelingen die Hitler op 23 maart 1933 aan de Kerken gaf? Herinnert u zich of Hitler een dergelijke uitspraak heeft gedaan?
VON PAPEN: Niet alleen op de 23ste maar ook in de regeringsverklaring gaf Hitler uitdrukkelijk als zijn mening dat ieder beleid gebaseerd moet zijn op beide Christelijke waarden.
SIR DAVID: Nu, op zijn beurt was dat een resultaat, althans gedeeltelijk, van een uitspraak van u tijdens een vergadering van het Kabinett op 15 maart 1933 waar u aandrong op het belang van het opnemen van het politiek Katholicisme in de nieuwe Staat, dat is toch een juiste en feitelijke verklaring? Dat is hoe de zaken verliepen?
VON PAPEN: Helemaal, Sir David.
SIR DAVID: Yes.
VON PAPEN: Ik stelde alles in het werk om Hitler er toe te bewegen de Christelijke basis van zijn beleid stevig te vestigen door middel van serieuze afspraken; ik denk dat ik aan het Hoge Tribunaal al heb uitgelegd dat ik er echt alles aan heb gedaan om dit programma door te voeren.
SIR DAVID: Mag ik u vragen nog een keer te kijken naar document 11, pagina 96; pagina 78 van de Duitse versie; het is document 2248-PS. Het is uw rapport aan Hitler van 27 juli 1935. In dat rapport gebruikt u deze woorden: “....de knappe hand die het politiek Katholicisme uitschakelt zonder de Christelijke grondslagen van Duitsland te beroeren .... “
Edelachtbare, het staat op pagina 99 van de Engelse tekst en het is pagina 86 van de Duitse; het is de eerste alinea, pagina 99:
“Culturele problemen hebben een bijzonder belang. De manier waarop Duitsland met haar politeke en religieuze problemen omgaat, de knappe hand die het politiek Katholicisme uitschakelt zonder de Christelijke grondslagen van Duitsland te beroeren, zal niet direct een reactie uitlokken van Engeland of het katholieke Polen. We kunnen eerder zeggen dat de Duits-Oostenrijkse kwestie ermee valt of staat.”
Nu, waar ik u aan wil herinneren: Dit is uw rapport aan Hitler in juli 1935, meer dan twee jaar na het Concordaat: ”....de knappe hand die het politiek Katholicisme uitschakelt zonder de Christelijke grondslagen van Duitsland te beroeren .... “. Uw raadsman citeerde een passage uit de verklaring van Zijne Heiligheid de Paus en ik zou u willen vragen ernaar te kijken en het Tribunaal te vertellen of u het eens bent met de volgende passage, die volgt op het gedeelte dat door Dr. Kubuschok is geciteerd.
Edelachtbare, dit is een nieuw document; nee, het spijt me. Het is een oud document. Het is document 3268-PS, bewijsstuk USA-356. U herinnert zich, Edelachtbare, dat Dr. Kubuschok in zijn documentenboek een gedeelte heeft geciteerd van de verklaring van de Paus. Edelachtbare, ik heb een paar extra afschriften.
Nu, na het gedeelte dat Dr. Kubuschok heeft geciteerd dat het Concordaat grotere rampen had voorkomen, zegt Zijne Heiligheid verder:
“De strijd tegen de Kerk werd in feite steeds feller: het ontbinden van Katholieke organisaties; de voortschrijdende onderdrukking van de bloeiende Katholieke scholen, zowel openbaar als particulier; de gedwongen vervreemding van de jeugd van gezin en Kerk; de druk op het geweten van de burgers, speciaal dat van de ambtenaren; de stelselmatige lastercampagne door middel van knappe en goed georganiseerde propaganda tegen de Kerk, de gelovigen en de instellingen van de Kerk, onderwijs en geschiedenis; het sluiten, onteigenen en in beslagnemen van religieuze huizen en andere Kerkelijke instituten; de volledige onderdrukking van de Katholieke pers en uitgeverijen.”
Bent u het met Zijne Heilgheid eens dat dit een juiste beschrijving is van de acties van het Duitse Reich tegen de Katholieke Kerk?
VON PAPEN: Helemaal.
SIR DAVID: Ik wil dat u nu ook even kijkt naar “Mit Brennender Sorge,” document 3280-PS.
Edelachtbare, u kunt dit vinden op pagina 40 van documentenboek 11. Het spijt me, Edelachtbare, het is pagina 47, ik zei 40. Het is pagina 47 van de Duitse tekst.
Nu, zoals u ziet, dat is heel erg vroeg, zegt hij op 14 maart 1937, 4 jaar na het Concordaat, in de tweede regel aan het begin:
“Het onthult intriges die vanaf het begin geen ander doel dienden dan een uitroeiingsoorlog. In de voren waarin wij moeizaam het zaad van werkelijke vrede hebben gezaaid hebben anderen – zoals de vijand in de Heilige Schrift – de kiemen gelegd van achterdocht, onenigheid, haat en van verborgen en open vijandschap tegen Christus en zijn Kerk, gevoed vanuit duizenden bronnen en met inzet van alle beschikbare middelen. Zij, en alleen zij, samen met hun zwijgende of luide beschermers zijn verantwoordelijk voor het feit dat nu aan Duitsland’s horizon niet de regenboog van vrede kan worden gezien maar de dreigende donderwolken van verwoestende religieuze oorlogen.”
Nu, beklaagde, wat ik wil is dat u het Tribunaal vertelt of u het daarmee eens bent.
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Als het eens bent met deze uitlatingen van het hoofd van de Kerk, hoe kon u dan in vredesnaam aan Hitler schrijven, 2 jaar na het Concordaat, in juli 1935 dat hij “het politiek Katholicisme had uitgeschakeld zonder de Christelijke grondslagen van Duitsland te beroeren?” Het was absoluut verkeerd, niet waar dat Hitler en de Nazis de Christelijke grondslagen van Duitsland niet hadden beroerd? Ze hadden ze uitgegraven en waren bezig die te vernietigen.
VON PAPEN: Sir David, u haalt twee volledig verschillende zaken door elkaar, politiek Katholicisme ...
SIR DAVID: Beklaagde, ik wil u niet onderbreken maar ik heb dat punt heel duidelijk gemaakt. Het punt dat ik u voorleg is niet de eliminatie van het politiek Katholicisme. Ik heb het voor het moment ook niet over uw betrekkingen met Monseigneur Kaas. Waar ik het over heb is uw andere uitlating, dat het was gebeurd zonder de grondslagen van Duitsland te beroeren. Wat ik u voorleg is wat Zijne Heiligheid zegt, dat de Christelijke grondslagen van Duitsland werden vernietigd. Ik interesseer me op het moment niet voor de visie die Monseigneur Kaas had of uw mening over de heer Kaas. Die ken ik.
VON PAPEN: Laat me u dit uitleggen. De strijd tegen de Kerk en haar instituten waartegen Zijne Heiligheid de Paus in zijn encyclieken van 1937 en 1945 van leer trekt en waarin hij de verslechtering erkent van de situatie tijdens de oorlog – al deze zaken waren een aanval op de Christelijke grondslagen van Duitsland die ik altijd ten scherpste heb veroordeeld. Maar dit houdt geen enkel verband met de eliminatie van het zogenaamde politieke Katholicisme waar ik op hoopte en wat ik eiste. Dit zijn twee totaal verschillende zaken. Het is misschien moeilijk voor u te begrijpen omdat u niet op de hoogte bent van de situatie in Duitsland.
SIR DAVID: Gelooft u mij alstublieft, beklaagde dat ik veel tijd heb besteed aan het bestuderen van de problemen tussen u en Monseigneur Kaas. Die ga ik niet voor het Tribunaal ter sprake brengen omdat ze niet van belang zijn. Ik waardeer en accepteer – niet zo goed als u – maar ik waardeer de positie van het politiek Katholicisme en daar vraag ik u ook niet naar. Ik vraag u naar uw uitlating. Waarom zei u tegen Hitler dat hij de Christelijke grondslagen van Duitsland niet had aangeraakt? Dat is wat ik wil weten. U moet in 1935 hebben geweten dat het niet zo was.
VON PAPEN: Maar, Sir David, dat is een volledige verdraaiing van de inhoud van dat rapport. Ik zeg tegen Hitler dat de Christelijke grondslagen van Duitsland niet moeten worden verzwakt en dat kunt u nu in het rapport lezen: “Het politiek Katholicisme moet worden geëlimineerd zonder de Christelijke grondslagen van Duitsland te verzwakken.”
SIR DAVID: Wel, u geeft toe hoe het begint. U zegt “.....de knappe hand die het elimineert zonder het aan te raken .... “ Laat mij u hieraan herinneren: zei u tijdens uw ondervraging niet dat uw probleem – een deel van uw probleem – in de zomer van 1934 was, voordat u uw Marburg rede hield, te wijten was aan het niet voldoen aan het Concordaat, dat nadat het was ondertekend, met toestemming van Hitler, “.... hij het als een vodje papier beschouwde en ik niets kon doen?” Toen was er op hetzelfde moment de vervolging van de Kerken en van de Joden. Dat was eind 1933 en in 1934. Is dat in 1934 uw mening: “.... dat niet alleen het Concordaat als een vodje papier werd beschouwd maar er ook vervolging plaats vond van zowel Joden als de Kerk”?
VON PAPEN: Ik weet niet uit welk document u citeert, Sir David?
SIR DAVID: Dit komt uit uw ondervraging van 19 september 1945 ‘s morgens.
VON PAPEN: Ja natuurlijk. Toen ik de Marburg rede hield geloofde ik dat de Staat al deze dingen schond; anders had ik de rede niet gehouden. Maar in deze rede, Sir David, benadrukte ik nog eens met klem het feit dat geen Europese oostelijke staat kan bestaan zonder een Christelijke grondslag en dat wij door het negeren van onze Christelijke basis onszelf zouden afsnijden van de groep Christelijke volkeren en van onze missie in Europa.
Ik kon het nauwelijks nog duidelijker stellen. En misschien kan ik u iets anders vertellen over het onderwerp politiek Katholicisme. U hebt ....
SIR DAVID: Doe wat u wilt. Ik wil het Tribunaal zeker niet vermoeien met de uitwisselingen tussen u en Monseigneur Kaas want u beiden gebruikte stevige taal en het zou niet goed zijn dat hier en nu te herhalen. Als u erop in wilt gaat, doet u dat dan maar breng het niet ter sprake tenzij u niet anders kunt.
VON PAPEN: Ik beschouw deze beschuldiging die u tegen mij uit als een van de zwaarste want die gaat dwars tegen mijn mening in.
SIR DAVID: Beklaagde, u herinnert zich het Tribunaal net voor de schorsing te hebben verteld dat u Kardinaal Innitzer aan Hitler had voorgesteld toen u naar Oostenrijk ging. U herinnert zich dat na de verklaring waarnaar Dr. Kubuschok heeft verwezen, dat Kardinaal Innitzer in een radiouitzending vanuit Rome duidelijk maakte dat hij het Nazibewind in Oostenrijk alleen onder bepaalde voorwaarden accepteerde. Herinnert u zich dat?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Nu zou ik graag willen zien wat er met Kardinaal Innitzer gebeurde. Dit is een nieuw document, Edelachtbare, D-903, dat wordt GB-508. Edelachtbare, dit is een verklaring van een priester, Dr. Weihbacher, dat ik pas op 7 juni uit Wenen heb ontvangen. U zult zien dat deze priester – ik neem in ieder geval aan dat hij priester is; hij is de secretaris van de aartsbisschop. Laten we er maar eens naar kijken:
“Op 8 oktober 1938” – dat is iets meer dan zes maanden nadat u Kardinaal Innitzer aan Hitler had voorgesteld – “werd door jonge demonstranten een felle aanval gepleegd op het bisschoppelijk paleis in Wenen. Ik was tijdens die aanval aanwezig en kan die dus uit eigen waarneming beschrijven.”
Hij beschrijft dan hoe zij ruiten ingooiden, het hek open braken. De priesters namen de aartsbisschop mee naar een zijkamer en verborgen hem daar. Ze brachten de kardinaal in veiligheid in het archief en draaiden de ijzeren deur achter hem op slot en ...... :
“..... toen we een grote menigte invallers tegenover ons zagen, hielden wij, twee priesters stand bij de ingang van de huiskapel van de kardinaal om tenminste te voorkomen dat er daar nog meer vernielingen zouden worden aangericht.”
Edelachtbare, dit staat ongeveer tien regels voor het einde van de pagina.
“Even nadat we de kapel hadden bereikt stormden de invallers de vertrekken van de kardinaal binnen die naast de kapel lagen. Zogauw ze de deur bereikten hielden we ze tegen. Stukken hout vlogen de kapel binnen; ik kreeg een duw waardoor ik viel maar we slaagden erin te voorkomen dat ze de kapel binnen kwamen. De demonstranten waren jongeren tussen de 14 en 25 en het waren er ongeveer honderd.”
“Nadat we de eerste groepen hadden afgeweerd, openden we de Tabernakel en aten de Heilige Hosties op om te voorkomen dat het meest heilige ontheiligd zou worden. Maar nieuwe aanvallers stormden al naar binnen en we hielden ze tegen. In de tussentijd heerste er een onbeschrijfelijke orgie van vernieling van alle voorwerpen in de resterende vertrekken. Met de bronzen traproeden vernielde de jeugd tafels en stoelen, kandelaars, waardevolle schilderijen en vooral alle crucifixen.” Dan worden de glas-in-lood deuren beschreven en zo en er was alarm toen de kardinaal werd ontdekt. De priester werd door ongeveer zes jongeren de kapel uitgesleept en dwars door de wachtkamer naar het raam gesleurd onder geschreeuw van: “We gooien die hond het raam uit.”
Daarna kwam uiteindelijk de politie en u zult merken wat hun opvatting was over het handhaven van de orde,
“Toen kwam er een luitenant-kolonel van politie aan en bood zijn excuses aan. Hij werd gevolgd door een vertegenwoordiger van de Gestapo die zijn spijt erover betuigde dat de politie bij hun tussenkomst niet erg actief was geweest.”
“In de tussentijd vielen andere demonstranten het huis van de rector van de kathedraal aan op Stephansplatz 3 waar ze de curator Krawarik door het raam heen de tuin in gooiden. Deze priester lag tot februari in het ziekenhuis met twee gebroken heupen.”
Nu vraag ik u naar de voorlaatste alinea te kijken:
“Dat de demonstratie niet het resultaat was van jeugdige baldadigheid of onvrede maar een goed opgezette actie die in officiële kring bekend was, wordt duidelijk uit de toespraak van Gauleiter Burckel die op 13 oktober op de Heldenplatz de kardinaal op meest elementaire manier als schuldige uitriep.”
Nu, heer Von Papen, u had een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot Kardinaal Innitzer, niet waar? U had hem aan Hitler voorgesteld. U moet hebben gehoord over de gevolgen en de berichten van de Katholieke Kerk over deze aanval op het huis van de kardinaal, zes maanden na de Anschluss, niet waar? U moet dit te weten zijn gekomen.
VON PAPEN: Daar heb ik later natuurlijk over gehoord.
SIR DAVID: Welke protesten uitte u toen u hoorde over deze ongenadige aanval op de gezagsdragers van de Kerk, het uit het raam gooien van de curator waarbij hij beide heupen brak, de ontheiliging van de kapel, het vernielen van crucifixen? Welke bezwaren maakte u daartegen?
VON PAPEN: Ik zou u eraan willen herinneren, Sir David dat ik zes maanden daarvoor mijn functie had neergelegd en niet langer ook maar iets met deze zaken te maken had. Natuurlijk waren de bijzonderheden van dit incident uitermate te betreuren en kwamen inderdaad neer op misdadige aanvallen; maar de bijzonderheden verschenen niet in de Duitse pers, zodat ik ze waarschijnlijk voor het eerst hier in deze vorm zie. Maar laat me eraan toevoegen ...
De PRESIDENT: Maar beklaagde, u hebt de vraag niet beantwoord. De vraag luidde: welke bezwaren maakte u ertegen?
VON PAPEN: Ik maakte geen bezwaren want ik bekleedde destijds geen officiële functie meer. Ik was een gewone burger en alles wat ik officieel over deze gebeurtenissen hoorde was wat de Duitse kranten mochten publiceren.
SIR DAVID: Beklaagde, u hebt ons zeker verteld dat u een van de vooraanstaande Katholieke leken in Duitsland was. U gaat het Tribunaal toch niet vertellen dat het aan iedere bisschop binnen de Katholieke kerk in Duitsland niet bekend was en waarschijnlijk ook aan elke parochiepriester dat deze afschuwelijke en heiligschennende belediging was geüit tegen een Prins van de Kerk in zijn eigen huis in Wenen. Dat zou zeker binnen een paar dagen in de hele Kerk zijn doorgedrongen.
VON PAPEN: Dat is heel goed mogelijk, sir David, maar verwacht u van mij dat ik, een gewoon burger iets doe? Wat kon ik doen? Het Tribunaal heeft geen nota genomen van de discussie die ik tot stand bracht tussen Kardinaal Innitzer en Hitler. U hebt die hier voor het eerst genoemd.
SIR DAVID: Dat is precies waarom ik dit incident aan u voorleg, dat u verantwoordelijk bent voor het tot stand brengen van de ontmoeting tussen Kardinaal Innitzer en Hitler in maart 1938. Toen Zijne Excellentie op 1 oktober werd aangevallen zou ik denken – hoewel het niet aan mij is om mijn gedachten te uiten – dat u de moeite zou hebben genomen om bij Hitler te protesteren, al wat u doet is het binnen zes maanden aannemen van een andere functie onder Hitler, in april 1936.
Wat ik u vraag is: waarom protesteerde u niet? U had aan Hitler kunnen schrijven. Beklaagde Göring heeft zijn grote religieuze interesse getoond. Een aantal van de andere beklaagden hebben gezegd dat zij sterke religieuze sympathiën hadden. Waarom kon u geen contact met hen opnemen?
VON PAPEN: Omdat ik me in de herfst van 1938 had teruggetrokken uit het politieke leven; ik woonde op het platteland en had geen actieve belangstelling meer voor politiek. Maar misschien mag ik zeggen waarom juist ik verantwoordleijk was voor het steunen van een ontmoeting met Kardinaal Innitzer.
SIR DAVID: Nee, dat is niet het punt waarin ik op het moment geïnteresseerd ben, die ontmoeting van 15 maart. Ik stel belang in het feit dat dit plaatsvond, dat u ervan wist en dat u geen bezwaren maakte.
Nu kom ik op een ander punt; Dr. Kubuschok kan het later behandelen als hij wil.
Beklaagde, u hebt een aantal van uw medebeklaagden bewijs horen leveren en zeggen dat zij niets wisten van de afschuwelijke maatregelen ter onderdrukking die in Duitsland werden genomen. U wist heel goed van deze maatregelen af, niet waar? U wist van de acties van de Gestapo, de concentratiekampen en later wist u van de uitroeiing van de Joden, niet waar?
VON PAPEN: Ik wist alleen maar zoveel dat er in de jaren 1933 en 1934 politieke tegenstanders in concentratiekampen werden geïnterneerd. Ik protesteerde zeer regelmatig tegen de methoden die in de kampen werden gebruikt. In sommige gevallen heb ik mensen uit die kampen bevrijd maar destijds was ik er absoluut niet van op de hoogte dat daar ooit moorden werden gepleegd.
SIR DAVID: Wel nu, laat me dat oppakken. Het is goed om een concreet geval te behandelen.
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: U herinnert zich dat begin 1935 uw secretaris, de heer von Tschirschsky bevel kreeg uit Wenen terug te keren naar Berlijn voor verhoor door de Gestapo. Herinnert u zich dat?
VON PAPEN: Ja, inderdaad.
SIR DAVID: En u herinnert zich dat hij weigerde te gaan en hij u een gedetailleerd verslag stuurde van zijn weigering om niet te gaan. Herinnert u zich dat?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Laten we daar dan maar eens naar kijken.
Edelachtbare, dit is document D-685, dat wordt GB-509; u kunt het vinden op pagina 87 van documentenboek 11, pagina 60 van de Duitse versie.
Nu, op pagina 87 staat de brief van de heer von Tschirschsky' zelf aan u waarin hij, aan het einde van de tweede alinea zegt: “Ik ben niet in een positie .... om te voldoen aan het bevel van de Gestapo om voor verhoor naar Berlijn te komen.”
En dan zegt hij – om zijn eigen woorden aan te halen – dat hij alleen maar is gedreven door de “begrijpelijke menselijke wil tot overleven” en dan stuurt hij een verslag, hij voegt een verslag bij aan u over wat er met hem op 30 juni was gebeurd waardoor hij op de zwarte lijst van de Gestapo kwam.
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Het begin samenvattend wat bijna lachwekkend zou zijn als het niet om zo’n vreselijke gebeurtenis zou gaan, uw secretaris, de heer von Tschirschsky werd gelijktijdig door twee rivaliserende groepen Reichspolizisten gearresteerd, ik denk door de KRIPO en de Gestapo en er bestond ernstig gevaar dat de heer von Tschirschsky en enkele van de politieagenten zouden worden neergeschoten voordat ze konden beslissen wie hem moest arresteren. Maar ik wil dat u gaat naar het punt waarop hij werkelijk in hechtenis wordt genomen.
Edelachtbare, dat staat op pagina 89; aan het einde van pagina 65 van de Duitse versie, beklaagde. Ziet u, dit is nadat meen ik de Gestapo de “interdepartementale” stijd had gewonnen en het lichaam van de heer von Tschirschsky in bezit had genomen, dan zegt hij, net voor het einde – Edelachtbare, dat staat in het midden van pagina 89.
Hem wordt gezegd dat de andere agenten de Gestapo volgen en hij zegt: “.... we gingen naar het gebouw van de Gestapo aan de Prinz Albrechtstrasse en over een binnenplaats naar een achteringang. Er vond nog een woordenwisseling plaats tussen de twee groepen politieagenten. Ik mengde mij weer in het gesprek en stelde voor, als middel om het misverstand uit de weg te ruimen, dat van iedere groep een man naar een hogere ambtenaar in het gebouw zou gaan om hem te laten beslissen wat er moest gebeuren. Er zouden dan nog altijd drie KRIPO agenten en vier SS’ers beschikbaar zijn om mij en de andere twee heren te bewaken. Dat voorstel werd aanvaard en uiteindelijk kwamen ze terug en legden uit dat het misverstand was opgelost en wij afgevoerd konden worden. Daarop werden wij door drie SS’ers meegenomen, niet vergezeld door de KRIPO agenten op een lange wandeling door het gebouw naar de kelder. Daar werden we zonder commentaar overgedragen en de dienstdoende SS’ers gaven ons bevel op een bank tegen de muur te gaan zitten, in de gang. Het werd ons verboden met elkaar te spreken. Zo bracht ik een paar uur door, zittend op die bank. Het zou een te lang verhaal worden om nadere details te geven over de gebeurtenissen die zich in die tijd afspeelden. Ik zal me daarom beperken tot het geval van de executie van een bekend persoon, over wie later in het openbaar werd gezegd dat hij zelfmoord had gepleegd.”
“De persoon in kwestie werd onder bewaking van drie SS’ers binnengebracht en langs ons heen naar een cel gebracht die evenwijdig aan de gang lag. De leider van de groep was een SS Hauptsturmführer, klein, donker en met een legerpistool in zijn hand. Ik hoorde zijn commando: “Bewaak de deur!” De deur die vanaf onze gang toegang gaf tot de andere werd gesloten. Er werden vijf schoten afgevuurd en direct na de schoten kwam de Hauptsturmführer naar buiten met het nog rokende pistool in zijn hand en mompelde binnensmonds: “Dat varkentje is gewassen.” Koortsachtige opwinding heerste alom; gegil en kreten van angst kon men uit de cellen horen. Een van de dienstdoende SS’ers, een redelijk jonge man, was zo opgewonden dat hij blijkbaar alle begrip voor de situatie verloor en mij vertelde, zijn opmerkingen met zijn handen onderstrepend, dat de persoon in kwestie was geliquideerd met drie schoten in de slaap en twee in het achterhoofd.”
U had een zeer goed idee over de SS, de methoden van de Gestapo nadat de heer von Tschirschsky u dat rapport had overhandigd, niet waar?
VON PAPEN: Ja, en u zult ook zien dat dit rapport ......
SIR DAVID: Vertelt u ons eens, voordat we van deze verheffende passage afstappen die ik net heb voorgelezen, wie was die bekende persoon van wie werd verondersteld dat hij zelfmoord had gepleegd maar die werd neergeschoten met drie schoten in de slaap en twee in het achterhoofd. Wie was dat?
VON PAPEN: Ik kan het u niet zeggen. Ik weet het niet.
SIR DAVID: Wilt u beweren dat de heer von Tschirschsky nadien enkele maanden lid was van uw staf en dat hij u nooit heeft verteld wie het was?
VON PAPEN: Ik herinner me niet, Sir David dat hij deze kwestie met mij besproken heeft; hoe dan ook, ik kan het hebben vergeten. In ieder geval een van de personen die op 30 juni om het leven kwamen.
SIR DAVID: Wacht nu even. U zegt dat u het misschien bent vergeten. Bedoelt u dat vreselijke gebeurtenissen als deze voor u zo normaal waren dat u zich het verslag niet kunt herinneren van het feitelijk neerschieten van een vermeende zelfmoordenaar die een vooraanstaand persoon was?
Denkt u nog eens goed na. Kunt u het Tribunaal niet vertellen wie deze ongelukkige man was?
VON PAPEN: Als ik het me kon herinneren, zou ik het u graag vertellen. Ik heb geen reden om die infomatie achter te houden.
SIR DAVID: Welnu, laat het Tribunaal dan maar eens horen hoe u dit aan Hitler overbracht. U geloofde toch dat de heer von Tschirschsky de waarheid sprak? Dat zei u. U geloofde dat hij de waarheid sprak, niet waar?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Goed, wilt u gaan naar pagina .....
Edelachtbare, het staat op pagina 86 van de Engelse versie en beklaagde, het is pagina 58 van het Duitse boek.
De PRESIDENT: Sir David, gaat u de feiten onderzoeken wat er met deze man gebeurde die dit rapport heeft opgesteld?
SIR DAVID: Ja, Edelachtbare, ik zal dat doen. Neemt u mij niet kwalijk.
Beklaagde, voordat we toekomen aan wat er gebeurde toen hij het rapport opstelde werd de heer von Tschirschsky naar een concentratiekamp afgevoerd, zijn hoofd werd kaal geschoren en uiteindelijk werd hij na een bepaalde tijd vrijgelaten en kwam weer bij u in dienst en bleef bij u in dienst tot februari 1935. Is dat zo, beklaagde?
VON PAPEN: Ja, dat is helemaal juist.
SIR DAVID: Neemt u mij niet kwalijk, Edelachtbare. Dat is het verhaal totdat we aan februari 1935 toekomen. Hem wordt dan gevraagd zich bij de Gestapo te melden en dan wordt deze briefwisseling gevoerd.
Nu, u ziet dat u in uw brief aan Hitler van 5 februari, document D-684, bewijsstuk GB-510 het volgende zegt:
“Zoals gisteren al per telegram gemeld heb ik aan de heer von Tschirschsky de tweede order doorgegeven, de eis herhalend dat hij op de door de Gestapo vastgelegde datum moet verschijnen.”
“Hij deelde mij toen officieel mee dat hij geen gevolg zou geven aan deze oproep omdat hij ervan overtuigd was dat hij op de een of andere manier om het leven zou komen. Hij zal mij alle redenen voor zijn weigering in een rapport meedelen dat ik zal overhandigen zogauw ik het heb ontvangen.”
“Gisteren heb ik eindelijk de heer von Tschirschsky, die ik al had geschorst voor de duur van het onderzoek, van zijn functie ontheven. Het spreekt vanzelf dat ik alle relaties met een officieel karakter zal verbreken zogauw de dossiers en dergelijke morgen zijn overhandigd.”
Dan zegt u dat u de heer von Neurath een telegram had gestuurd en de heer von Tschirschsky ziekteverlof had gegeven. Kijkt u nu eens naar de laatste alinea.
“Nadat ik herhaaldelijk had gevraagd of de heer von Tschirschsky de kans kon worden geboden zich voor een normale rechter vrij te pleiten van de tegen hem geüite beschuldigingen, betreur ik het natuurlijk ten zeerste dat de affaire zo moet eindigen. Ik heb niets nagelaten om de heer von Tschirschsky te bewegen de weg te gaan die hem is aangeduid om zich voor verhoor bij de Gestapo te melden.”
Beklaagde, is het juist dat niets hebt nagelaten deze man uit uw staf de dood in te sturen, hem door de Gestapo te laten vermoorden?
VON PAPEN: Ik denk dat het eerlijk zou zijn, Sir David als u de aandacht van het Tribunaal vestigt op de andere brieven die aantonen dat ik niet een keer maar herhaaldelijk aan Hitler heb gevraagd om de kwestie rond Von Tschirschsky door een reguliere rechtbank te laten onderzoeken.
SIR DAVID: Dat is helemaal waar en er werd in die brief naar verwezen.
VON PAPEN: Ja, natuurlijk maar laat u me alstublieft uitspreken......
SIR DAVID: Helemaal waar.
VON PAPEN: Toen dit voorstel werd afgewezen en de Führer niet wilde instemmen met een reguliere rechtszaak liet hij, Hitler me weten dat hij zijn persoonlijke invloed zou aanwenden en persoonlijk de verantwoordelijkheid zou nemen dat de heer von Tschirschsky niets zou overkomen wanneer hij door de Gestapo werd verhoord. Dat vindt u ook in die brieven. De Führer beloofde hem buitengewone onschendbaarheid als hij zich door de Gestapo wilde laten verhoren. Daarom vroeg ik aan de heer von Tschirschsky, nadat mijn voorstel voor een regulier proces was afgewezen en Hitler had beloofd dat hem niets zou overkomen, zich aan dat verhoor te onderwerpen omdat de tegen hem geüite beschuldigingen op een of andere manier moesten worden weerlegd. Maar ik geloof ......
SIR DAVID: Wilt u teruggaan naar uw brief van 31 januari, die kunt u vinden ....
De PRESIDENT: Sir David, ik vind dat u de hele brief moet voorlezen die u net heeft behandeld, 5 februari, op een bepaald moment ....
SIR DAVID: Dat zal ik doen, Edelachtbare. Het spijt me. Ik wil niets weglaten maar ik probeer natuurlijk de zaak te bekorten; maar ik zal alles voorlezen wat u wenst.
De PRESIDENT: Het Tribunaal zou die brief in bezit moeten hebben. U bent opgehouden bij het woord ‘koerier’ in het midden, onder verwijzing naar rapportage.
SIR DAVID: Ja, Edelachtbare. Met verwijzing naar het meedelen van zijn ontslag aan de Oostenrijkse regering:
“Met verwijzing naar het meedelen van zijn ontslag aan de Oostenrijkse regering, ben ik bang dat wanneer ik hem morgen op staande voet ontsla het een zaak van openbare discussie wordt. Ik meen dat een dergelijk schandaal moet worden vermeden en heb daarom in de tussentijd de heer von Tschirschsky ziekteverlof gegeven, voor zover het de publieke opinie betreft. Ik zal later verslag uitbrengen over zijn ontslag.”
“Ik zal later in een gedetailleerd rapport terugkomen op de affaire Von Tschirschsky en het verband met andere Gestapo kwesties in Wenen.”
Edelachtbare, ik ben u dankbaar.
De PRESIDENT: U hield op na het woord Gestapo in de volgende alinea.
SIR DAVID: Ja, ik zal de hele brief nogmaals voorlezen.
“Nadat ik herhaaldelijk had gevraagd ....
De PRESIDENT: Nee, u hebt dat voorgelezen tot aan ‘Gestapo’ maar u bent niet verder gegaan.
SIR DAVID: “Maar als hij bij zijn besluit blijft deze ondervraging te voorkomen, zelfs als hij weet dat dit sociaal en materieel nadelig is voor hem en zijn gezin en omdat hij mij zijn woord gegeven heeft dat hij als émigré niets zal doen dat nadelig zou zijn voor de Führer en het land, dan kan ik er alleen maar mijn wens aan toevoegen dat alles moet worden voorkomen dat deze affaire tot een publiek schandaal kan maken.”
Ik dank u, Edelachtbare.
Nu beklaagde, u had op 31 januari al tegen Hitler gezegd, 5 dagen daarvoor – pagine 84, Edelachtbare, en onderaan pagina 55 en het begin van pagina 56 in het Duitse documentenboek: “De heer von Tschirschsky, die ik tussen haakjes tijdelijk van zijn functie heb ontheven, heeft nu uit diverse bronnen vernomen die hij – en ik ook helaas – als betrouwbaar beschouwt, dat enkele leden van de Gestapo al enige tijd voorbereidingen treffen om hem te liquideren.”
Edelachtbare, dat wordt document D-683, bewijsstuk GB-511.
U geloofde op 31 januari dat het betrouwbaar was dat de Gestapo hem wilde neutraliseren. Op 5 februari, in het gedeelte dat het Tribunaal mij net gevraagd heeft voor te lezen, zegt u dat het nadelig zal zijn voor de sociale en materiële positie van hem en zijn familie maar wanneer deze zaak geheim wordt gehouden is het uw wens dat alles moet worden gedaan om een schandaal te voorkomen.
Nu, beklaagde ....
VON PAPEN: Mijn wens was allereerst dat al het mogelijke moest worden gedaan om de kwestie opgelost te krijgen door middel van een openbaar proces.
SIR DAVID: Dat was uw eerste wens maar u gaf die al gauw op.
VON PAPEN: Een ogenblik graag. Nadat Hitler had geweigerd op mijn voorstel in te gaan en nadat hij had beslist dat Von Tschirschsky onder persoonlijke bescherming van Hitler zou staan tijdens zijn verhoor door de Gestapo – anders gezegd, als het staatshoofd zegt “ik zal verantwoordelijk zijn voor het feit dat de heer von Tschirschsky niets zal overkomen,” dan zult u moeten toegeven dat natuurlijk de enige weg die voor mij open staat is tegen de heer von Tschirschsky te zeggen: “doe dit en laat ze u ondervragen; want per slot van rekening moet u de beschuldiging weerleggen die tegen u is geüit.”
SIR DAVID: Beklaagde, mag ik u eraan herinneren dat er in uw brief van 5 februari geen woord staat over een belofte van Hitler om onschendbaarheid te verlenen aan de heer von Tschirschsky. Al wat u zegt is dat hij in ongenade zal vallen. Er staat ook niets in welke andere brief dan ook.
VON PAPEN: Jawel, het staat in een van Von Tschirschsky’s rapporten. Ik kan dat op het moment niet vinden.
SIR DAVID: Nou, als u iets kunt vinden over een onschendbaarheid kan ik u alleen maar zeggen dat ik dat in geen van uw brieven heb kunnen vinden.
VON PAPEN: Maar het is er wel.
De PRESIDENT: Misschien kan beklaagde dit document tijdens het reces opzoeken, om 1 uur.
SIR DAVID: Ja goed, Edelachtbare, als er een dergelijk document is. Het spijt me, ik weet er niets van.
Ja, Edelachtbare, het spijt me. Ik denk dat ik de verwijzing heb gevonden. Op pagina 91. Dat staat niet in de brief van beklaagde maar er staat hier een referentie in het verslag van de heer von Tschirschsky. Op pagina 91, Edelachtbare, pagina 69. Er staat:
“Ter afsluiting – vanwege de reden waarom ik mij niet verplicht voel voor de Gestapo te verschijnen of zelfs naar het Reich terug te keren, ondanks de bijzondere bescherming die mij door de Führer en Reichskanzler is beloofd, leg ik de volgende verklaring af:
“Gedurende de periode van mijn activiteiten in Berlijn hadden mij al regelmatig inlichtingen bereikt dat er in het Reich een terreurorganisatie bestond die een onderlinge eed van trouw tot in de dood had gezworen. Er wordt aan mannen die wel of niet in deze broederschap worden opgenomen uitdrukkelijk op gewezen dat zij verplicht zijn alles door te geven aan de geheime rechtbank en dat zij verder de plicht hebben te voelen dat zij bij de uitvoering van hun taak in hoge mate tot die broederschap behoren en in mindere mate aan Adolf Hitler. Ik had deze monsterlijke zaak niet kunnen geloven als ik er zes maanden van tevoren niet over was ingelicht door een man in het Reich – en dit wil ik sterk benadrukken – die niet tegen het Derde Rijk is maar geheel het tegendeel, een man die met zijn meest innerlijke overtuiging gelooft in de missie van Adolf Hitler, een Reichsgermane en een Nationaalsocialist van jaren terug die zelf ooit eens werd gevraagd zich bij deze broederschap aan te sluiten maar die er zich knap aan wist te onttrekken. Deze man heeft mij verzekerd van zijn bereidheid om in het openbaar de namen van de leden van deze broederschap te noemen die hij mij heeft genoemd of dat hij een beëdigde verklaring hierover wil afleggen in het geval dat deze mensen al dood zijn. Hij moet er alleen van verzekerd zijn dat deze terroristische broederschap niet langer actief is, zeker omdat er personen tot deze broederschap behoren die tot de meest door de Führer en de Reichskanzler vertrouwde personen behoren.”
Het spijt me; ik wist dat hierover niets in de brieven van beklaagde stond maar ik was vergeten dat er een passage in deze brief stond.
Nu, dat was Von Tschirschsky. U vertelde ons dat tegen het einde van uw verblijf in Wenen de vader van Baron von Kettler werd vermoord. U herinnert zich dat de vader van Baron von Kettler werd vermoord, als ik me goed herinner en dat was de oorzaak van de Duitse expeditie tegen de Boxers in China. Dat is toch de familie waartoe de baron behoorde?
VON PAPEN: Ja.
SIR DAVID: Nu, het effect hiervan op u, de moord op Von Kettler, na de ervaring met Von Tschirschsky was dat u klaar stond om een nieuwe functie in Turkije te bekleden onder het Naziregime.
Er is nog maar een punt dat ik u wil voorleggen.
VON PAPEN: Mag ik op dit punt nog enkele opmerkingen maken? Ik heb het Hof verteld .....
SIR DAVID: Meneer von Papen, ik wil hiermee eindigen want ik denk dat we de andere verwijzing hebben naar de verklaring van Marchionini en daarna kunt u iedere opmerking maken die u wilt.
Waarom, na die serie moorden die zich over een periode van 4 jaar uitstrekte, waarom brak u niet met die mensen en stond u niet pal als Generaal Yorck of wie dan ook die u uit de geschiedenis kunt verzinnen, waarom stond u niet pal voor uw eigen mening en bood tegenstand aan deze moorden? Waarom deed u dat niet? Nu kunt u uw uitleg geven.
VON PAPEN: Goed. U hebt gezien dat ik het rapport van Von Tschirschsky over deze moorden aan Hitler heb overhandigd, met alle bijzonderheden maar wat u niet weet is het feit dat ik zeer regelmatig tegen Hitler heb gezegd dat een dergelijk regime onmogelijk zou kunnen blijven bestaan; en als u mij vraagt, Sir David waarom ik ondanks alles in dienst van het Reich bleef dan kan ik alleen maar zeggen dat ik op 30 juni zelf de betrekkingen verbrak die we op 30 januari waren aangegaan. Vanaf die dag deed ik mijn plicht – mijn plicht aan Duitsland als u het wilt weten. Ik kan me heel goed indenken, Sir David dat u na al die dingen die we nu weten, de miljoenen moorden die zijn gepleegd, u het Duitse volk als een natie van criminelen beschouwt en dat u niet kunt begrijpen dat deze natie ook haar patriotten kent. Ik deed deze dingen om mijn land te dienen en ik zou eraan willen toevoegen, Sir David dat tot aan de Overeenkomst van München, en zelfs tot aan het moment van de inval in Polen zelfs de grote mogendheden, hoewel die wisten wat er in Duitsland allemaal gaande was, hebben geprobeerd om met dit Duitsland samen te werken. Waarom wilt u een patriottische Duitser het verwijt maken dat hij net zo heeft gehandeld, en net zo heeft gehoopt op het zelfde waarop alle grote mogendheden hoopten?
SIR DAVID: De grote mogendheden lieten hun ambtenaren niet vermoorden, de een na de ander en stonden niet zo dicht bij Hitler als u. Wat ik u voorleg is dat de enige reden was, die u in dienst van de Nazi regering kon houden, toen u van al deze misdaden wist, dat u sympatiseerde met het werk van de Nazi’s en het wilde voortzetten. Dat leg ik aan u voor – dat u die uitgebreide kennis bezat; u hebt gezien hoe uw vrienden, uw eigen ambtenaren rondom u werden vermoord. U wist er tot in bijzonderheden van en de enige reden die u ertoe kon hebben geleid de ene functie na de andere van de Nazi’s te aanvaarden was dat u sympatiseerde met hun werk. Dat is wat ik u voorleg, meneer von Papen.
VON PAPEN: Dat, Sir David, mag dan uw mening zijn, mijn mening is dat ik alleen verantwoording hoef af te leggen aan mijn eigen geweten en aan het Duitse volk voor mijn beslissing voor mijn vaderland te werken en ik zal hun oordeel aanvaarden.
SIR DAVID: Edelachtbare, ik ben klaar.
(de zitting wordt geschorst tot 14:00 uur.)

Definitielijst

Anschluss
Duitse term voor aansluiting waarmee de annexatie van Oostenrijk door Nazi-Duitsland in 1938 (12 maart) wordt bedoeld. Hiermee ging Oostenrijk deel uitmaken van het Groot-Duitse Rijk.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
KRIPO
Kriminal Polizei, de burgerrecherchedienst van Nazi Duitsland.
liquideren
Uitschakelen, uit de weg ruimen.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.

Middagzitting 1

De PRESIDENT: Bent u kaar, Sir David?
SIR DAVID: Ja, Edelachtbare, ik ben klaar.
De PRESIDENT: Wenst een van de andere aanklagers een verhoor af te nemen?
Dr. Kubuschok?
Dr. KUBUSCHOK: Tijdens het verhoor van gisteren werd u erop gewezen dat u in uw rapport aan Hitler – Britse documentenboek 11a, pagina 79 – u zegt dat volgens juridisch onderzoek vooraanstaande Reichsgermane personen in Oostenrijk geweld uitoefenden in juli 1934. In dit verband noemde u de naam Habicht. Ik zou wat informatie willen hebben over de persoon Habicht. Was Habicht een Reichsgermane?
VON PAPEN: Habicht was een Reichsgermane en had zijn hoofdkwartier in München. Hij was Landesinspektor voor de hele Nationaalsocialistische Partij in Oostenrijk. Dat betekent het volgende:
De Oostenrijkse partij had een Gauleiter in Oostenrijk maar die werd vanuit het Reichsparteidirektorat in München gestuurd door een speciaal benoemde Landesleiter, Landesinspektor Habicht. Omdat deze man de leiding had over de hele partij in Oostenrijk werd zijn positie binnen de Partei natuurlijk beschouwd als een vooraanstaande. Men kon hem geen verbindingsofficier noemen, maar een vooraanstaande Reichsgermane.
Dr. KUBUSCHOK: Tijdens het verhoor van gisteren werden u diverse brieven voorgelegd die u tussen 4 en 17 juli 1934 aan Hitler schreef. We moeten nog wat nader op die brieven ingaan. Wat was het doel van die brieven?
VON PAPEN: Ik ben blij dat ik in de gelegenheid ben om nogmaals op deze correspondentie in te gaan. Men moet zich bewust zijn van de toen heersende situatie: Bose gefusilleerd, drie medewerkers gearresteerd, grote opwinding; en iedereen die ook maar enigszins in de oppositie was stond onder verdenking betrokken te zijn bij die SA revolte. Het kwam overeen met de situatie van na 20 juli 1944.
Daarom was het eerste doel de kwestie Bose, net als de andere, op te lossen met legale middelen. Ik eiste dat in mijn eerste brief van 4 juli. Ik vroeg in latere brieven ook om dat eerherstel maar het was een eerste vereiste om vast te stellen dat wij op geen enkele manier betrokken waren bij die samenzweerders van de SA.
Dr. KUBUSCHOK: In de brieven verzekert u Hitler van uw trouw en loyaliteit. Is dat niet wat vreemd na de gebeurtenissen van 30 juni?
VON PAPEN: Het mag voor een buitenstaander vreemd lijken maar niet voor iemand die zich de hysterische atmosfeer van die dagen herinnert want destijds werd iedereen die ook maar enigszins in de oppositie was geweest of kritiek op het regime had geleverd als mede-samenzweerder gebrandmerkt. Om die reden vond ik het raadzaam om met behulp van zo’n brief duidelijk te maken dat ik en de vice-kanselier niets met die samenzwering te maken hadden.
Dr. KUBUSCHOK: De vertegenwoordiger van de Aanklager is van mening dat uw brieven alleen maar ten doel hebben het schoonvegen van uw eigen straatje. Wat hebt daarop te zeggen?
VON PAPEN: Ik verzoek het Tribunaal die brieven te bestuderen. Daaruit kan worden opgemaakt dat ik er herhaaldelijk op gewezen heb dat mijn medewerkers ook volledig eerherstel zouden krijgen. In de brief van 12 juli op pagina 3 zeg ik dat de eer van mijn eigen ambtenaren ook de mijne is en ik verzocht herhaaldelijk om opheldering van het geval Bose.
Dr. KUBUSCHOK: Wat dacht u te bereiken met die reguliere juridische procedure die u voorstelde?
VON PAPEN: Een legale juridische procedure zou twee effecten hebben: op de eerste plaats zou het niet deelnemen aan de Putsch bewezen worden en dat zou noodzakelijkerwijs hebben aangetoond dat de arrestatie van mijn medewerkers en de moord op Bose volledige willekeurige acties waren, acties waarvoor degenen die er verantwoordelijk voor waren zouden moeten worden gestraft.
Dr. KUBUSCHOK: In een brief van 14 juli juichte u de rede van Hitler op 13 juli toe waarin hij zich voor de Reichstag rechtvaardigde. Wat hebt u hierop te zeggen?
VON PAPEN: Ik mag u vragen naar de tekst van deze brief te kijken. Ik juichte de onderdrukking van de tweede revolte toe maar dit moet op geen enkele worden uitgelegd als rechtvaardiging voor de acties tegen de personen die geen deel hadden aan de revolutie; verder moet het volgende worden overwogen: de gebeurtenissen van 30 juni vielen in twee delen uiteen. Op de eerste plaats had Hitler zelf zich tegen de opstandige SA gekeerd; het feit dat een dergelijke revolutie ook werkelijk was voorbereid leek ons allemaal zeer geloofwaardig want de geruchten over een tweede revolutie gingen al weken lang door het land. In Marburg had ik daar al naar verwezen. De opstand van de SA leiders kon gezien worden als een gevaar voor de Staat en de executies waren gericht tegen die SA leiders die bijzonder goed bekend waren en van wie de namen verbonden waren aan de excessen van 1933.
Het tweede deel van de actie was gericht tegen personen buiten deze kring. Het nieuws over de afzonderlijke gevallen lekte langzaam uit. De rechtvaardiging voor het nemen van die maatregelen werd ten dele verklaard door te zeggen dat er enig verband bestond met de SA leiders en dat sommigen tegenstand hadden geboden. Dat moest worden opgehelderd want hier kon verwezen worden naar een noodwet; maar het was niet mogelijk om af te wijken van de legale juridische procedure. Ik waarschuwde hem ervoor, zich met deze gebeurtenissen te identificeren en ik vroeg hem – verwijzend naar het geval Bose – om eerherstel en juridische procedures.
De PRESIDENT: We hebben de brieven, Dr. Kubuschok.
Dr. KUBUSCHOK: Ja, het doel van deze ondervraging is de zaak op te helderen en de inhoud van de brieven te verklaren maar ik geloof dat beklaagde nu genoeg gezegd heeft en we kunnen nu overgaan op een andere vraag.
Uw brief van 17 juli wordt afgesloten zonder vriendelijke slotzin en wijkt in zijn algemene vorm ook af van andere brieven. Hoe verklaart u dat?
VON PAPEN: Op 17 juli moest ik erkennen dat mijn pogingen om een juridische procedure te laten plaatsvinden hadden gefaald. Ik had mijn dossiers niet eens teruggekregen. Om die redenen gaf ik verdere pogingen op en bestond er geen reden meer om mijn aftreden in het openbaar bekend te maken.
Dr. KUBUSCHOK: U bedoelt die uit te stellen.
Ik kom nu terug op een document waarnaar de Britse Aanklager vandaag heeft verwezen. Het is 2248-PS in het Britse documentenboek 11a, pagina 99. De vertegenwoordiger van de Britse Aannklager heeft een uitleg van beklaagde proberen te krijgen. Ik geloof dat moeilijkheden bij de vertaling en de manier van uitdrukken in het algemeen het wat moeilijk te begrijpen hebben gemaakt. Ik zal de betreffende zin nog een keer voorlezen en de beklaagde vragen deze zin uit te leggen. Ik citeer van pagina 99 van de Engelse tekst, de tweede alinea van boven.
“De manier waarop Duitsland .....
De PRESIDENT: Dr. Kubuschok, we hebben al een hele lange uitleg aangehoord.
Dr. KUBUSCHOK: Meneer de President, de uitleg ging mank aan het feit dat de beklaagde de vertaling niet helemaal juist heeft begrepen of dat de Britse Aanklager de beklaagde niet begreep. De vorm van de Duitse tekst is niet duidelijk. De beklaagde zal dat heel eenvoudig kunnen uitleggen. De uitleg luidt ....
De PRESIDENT: Goed dan, gaat u verder, gaat u verder.
Dr. KUBUSCHOK: “De manier waarop Duitsland met politiek-religieuze problemen omgaat, de knappe hand die het politiek Katholicisme elimineert zonder de Christelijke grondslag van Duitsland te beroeren, zal niet alleen een beslissend effect op Engeland hebben,“ etcetera.
Wilt u alstublieft de betekenis van deze zin uitleggen die ik u net voorlas?
VON PAPEN: Ik bedoelde tegen Hitler te zeggen: “U moet het politiek Katholicisme met knappe hand elimineren maar de religieuze grondslag mag onder geen voorwaarde worden beroerd.” Het ging om de slimme oplossing van deze kwestie.
De PRESIDENT: Er ontstaat geen probleem bij de vertaling. De passage is ons letterlijk voorgelezen zoals die voor ons ligt, hij is door Sir David Maxwell-Fyfe aan beklaagde voorgelezen en de beklaagde heeft steeds weer hetzelfde antwoord gegeven op de vraag van Sir David.
Dr. KUBUSCHOK: Meneer de President, mag ik op het volgende wijzen: de hele zin stond in de toekomstige tijd, de hele zin ....
De PRESIDENT: Hij is ons net letterelijk door de tolk voorgelezen in de bewoording die voor ons in het boek staat en de woorden die door Sir David Maxwell-Fyfe tegen de beklaagde werden gebruikt. Er is hier geen sprake van een verschil in tijd.
Dr. KUBUSCHOK: Meneer de President, er is hier een bijzonder taalprobleem omdat in het eerste gedeelte de eerste twee werkwoorden in de tegenwoordige tijd staan in verband met het hulpwerkwoord “wird” dat later wordt gebruikt en op grond van het Duitse taalgebruik moet de tegenwoordige tijd beschouwd worden als ook de toekomstige tijd te betekenen. Naar de mening van de Britse Aanklager moeten de eerste twee werkwoorden ‘handelen’ en ‘elimineren ‘worden beschouwd als de verleden tijd en dat is het verschil.
De PRESIDENT: Het is een grammaticale kwestie van de woordkeus van het document.
Dr. KUBUSCHOK: Ja, nu een laatste vraag aan de beklaagde.
Enige tijd geleden werd het gesprek tussen Kardinaal Innitzer en Hitler behandeld. Wat bracht u ertoe deze ontmoeting tussen Hitlel en Kardinaal Innitzer te regelen?
VON PAPEN: Met onze intocht in Oostenrijk en de Anschluss van Oostenrijk aan het Reich had Hitler een Katholiek land bij Duitsland gevoegd; en het probleem dat moest worden opgelost was het ook veroveren van dit land van binnen uit. Dat was alleen maar mogelijk als Hitler de religieuze grondslag erkende, erkende welke rechten de Katholieken in dit land hadden; daarom regelde ik een ontmoeting tussen Hitler en Kardinaal Innitzer om er zeker van te zijn dat Hitler in de toekomst een beleid zou voeren dat in Oostenrijk op Christelijke basis gegrondvest was.
Door dit gesprek te regelen meende ik Oostenrijk een laatste dienst voor Oostenrijk te kunnen bewijzen; dat was de reden.
Dr. KUBUSCHOK: Dat is het einde van mijn ondervraging.

De PRESIDENT: Ik heb maar een of twee vragen die ik u wil stellen.
Wanneer hoorde u voor het eerst over de moord op Joden?
VON PAPEN: Ik denk, Edelachtbare, dat het tijdens de oorlog was.
De PRESIDENT: Nou, de oorlog duurde zes jaar. Wanneer tijdens de oorlog?
VON PAPEN: Ik kan het niet met zekerheid zeggen, Edelachtbare. Onder ede kan ik niet zeggen wanneer dat was.
De PRESIDENT: U kunt het niet met meer zekerheid zeggen dan dat?
VON PAPEN: Nee, ons was in het algemeen bekend dat de Joden naar kampen in Polen werden gestuurd. Maar we wisten niets over een systematische uitroeiing van de Joden zoals we er hier over hebben gehoord.
De PRESIDENT: De getuige van wie de beëdigde verklaring door uw raadsman als bewijs is ingebracht, Marchionini, wat weet u over hem?
VON PAPEN: Edelachtbare, Marchionini is een zeer bekende professor die in het Model ziekenhuis in Ankara werkte en die ook onze huisarts was.
De PRESIDENT: Hebt u uw documentenboeken voor u liggen?
VON PAPEN: Nee.
De PRESIDENT: Kan beklaagde deel III krijgen?
(de documenten worden aan beklaagde overhandigd.)
Deel III; het staat in de verklaring van Marchionini, de laatste alinea van het antwoord op vraag 6.
VON PAPEN: Een ogenblik, Edelachtbare, ik heb het nog niet gevonden.
De PRESIDENT: Er is geen haast bij.
VON PAPEN: Ik heb de verklaring nu.
De PRESIDENT: Hebt u vraag 6, of liever gezegd het antwoord op vraag 6?
VON PAPEN: De vragen zijn hier niet genummerd.
De PRESIDENT: Het is de voorlaatste vraag.
VON PAPEN: Ja.
De PRESIDENT: In antwoord op die vraag zegt hij dit:
“Ik herinner me heel goed een incident in het voorjaar van 1944 toen ik op verzoek van de heer Barlas, de commissaris voor Vluchtelingen van de Joodse Raad, Von Papen opzocht om zijn hulp te vragen bij het voorkomen van de deportatie van 10.000 Joden uit Frankrijk naar Polen om te worden uitgeroeid. Deze Joden bezaten vroeger de Turkse nationaliteit die ze later echter hadden opgezegd.”
Dan zegt hij dat door uw tussenkomst “..... de levens van deze Joden werden gespaard.” Is die uitlating waar?
VON PAPEN: Ja, zeker.
De PRESIDENT: Hoe dan ook wist u dus tegen het voorjaar van 1944 dat er 10.000 Joden in Frankrijk op het punt stonden naar Polen te worden gedeporteerd om uitgeroeid te worden?
VON PAPEN: Ik meen dat ze naar Polen werden gedeporteerd, Edelachtbare. Maar we wisten in 1944 niet dat ze zouden worden uitgeroeid. We wilden ze die deportatie besparen.
De PRESIDENT: Ik dacht dat u zei dat die uitlating waar was.
VON PAPEN: Met als doel uitroeiing – ik meen dat dat destijds niet tegen ons werd gezegd. De vraag was alleen of ik bereid was te helpen om te voorkomen dat 10.000 Joden die zich in Frankrijk bevonden naar Polen zouden worden gedeporteerd.
De PRESIDENT: Dat is alles. U kunt teruggaan naar de tribune.

Zie ook: Verhoor Von Papen 1, Verhoor Von Papen 2, Verhoor Von Papen 3, Slotverklaring Von Papen, Vonnis Von Papen

Definitielijst

Anschluss
Duitse term voor aansluiting waarmee de annexatie van Oostenrijk door Nazi-Duitsland in 1938 (12 maart) wordt bedoeld. Hiermee ging Oostenrijk deel uitmaken van het Groot-Duitse Rijk.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
Joodse Raad
Tijdens de bezetting een door de Duitsers ingesteld joods bestuur, dat onder andere mee moest werken aan de deportatie van joodse Nederlanders.
Putsch
Staatsgreep, vaak gepaard gaand met het gebruik van geweld.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
07-05-2009
Laatst gewijzigd:
18-04-2010
Feedback?
Stuur het in!

Gerelateerde thema's

Gerelateerde personen

Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg 1947.