De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Ochtendzitting 1 16-05-1946

De BODE (Kol. Charles W. Mays): Met welnemen van het Tribunaal, de beklaagden Sauckel en Von Papen zijn afwezig.
(Beklaagde Raeder neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
Dr. SIEMERS: Admiraal, gisteren zijn we geëindigd met een enigszins belangrijk document C-32 en we zijn gekomen tot en met punt 11. We komen nu aan punt 12: “Munitievoorraden boven de toegestane hoeveelheid.” Mag ik het Tribunaal eraan herinneren dat dit document C-32 is, bewijsstuk USA-50 in documentenboek 10a, pagina 8, punt 12 dat drie kolommen bevat.
Beklaagde, mag ik vragen wat u te zeggen hebt op de beschuldiging dat u de toegestane hoeveelheid munitie overschreed?
RAEDER: Bepaalde munitievoorraden waren groter dan de toegestane hoeveelheid en andere lagen daar onder. Ik kan u nu niet vertellen wat in elk afzonderlijk geval de reden was. Ik neem aan dat het voor een groot deel afhing van de hoeveelheden die uit de laatste Wereldoorlog waren overgebleven.
In het geval van de eerste twee artikelen, de 17 en 15 cm. granaten waren de feitelijke voorraden groter dan de toegestane hoeveelheid terwijl het derde artikel, de 10.5 cm. granaten er ver onder lagen, - in plaats van de 134.000 waren het er 87.000. In het geval van de 88 mm. granaten was er een overschot, dan weer een tekort en het zelfde geldt voor het laatste artikel. Maar het waren allemaal onbetekenende aantallen.
Dr. SIEMERS: In het afschrift dat het Tribunaal heeft schijnt er een notitie te staan in de derde kolom – op de volgende pagina van uw exemplaar, beklaagde – die luidt dat bepaalde hoeveelheden munitie gedeeltelijk in productie en gedeeltelijk in de afleveringsfase zijn en dat de totaal toegestane hoeveelheid gauw zal worden overschreden. Ik wil u alleen maar vragen, de lijst werd opgemaakt in september 1933. Zijn de genoemde cijfers juist voor september 1933 of de herfst van 1933?
RAEDER: Ik heb u niet helemaal begrepen.
Dr. SIEMERS: Als hier in dit document staat dat later te nemen maatregelen de totalen boven de toegestane hoeveelheden zullen brengen die volgens deze opgave nog niet waren bereikt, dan is dat gerekend vanaf de herfst van 1933.
RAEDER: Dat mag men aannemen ja. Omdat wanneer er nieuwe munitie net als nieuwe kanonnen werd geproduceerd, dan moest de oude munitie worden vernietigd.
Er moet ook worden opgemerkt dat munitie voor zware artillerie, die hier niet is opgegeven, in alle gevallen onder de toegestane hoeveelheid lag. Er was ons een relatief grote hoeveelheid munitie voor zware artillerie toegestaan voor gebruik in zware kustkanonnen en we hadden er bij lange na niet zoveel van als was toegestaan.
Dr. SIEMERS: Als hulp voor het Tribunaal mag ik erop wijzen dat dit laatste punt wordt bewezen door de feitelijke documenten die in handen zijn van het Tribunaal. In het afschrift van het Tribunaal staat onder figuur 12, kolom 2, net naast de afzonderlijke cijfers een zin die luidt: “...dat de totale voor zware artillerie toegestane hoeveelheid niet is bereikt.”
We komen nu toe aan nummer 13: “Overschrijding van de toegestane voorraden mitrailleurs, geweren, pistolen, en gasmaskers.”
RAEDER: Hier moet ook worden toegegeven dat in afzonderlijke gevallen de voorraden wat groter waren dan toegestaan. Er waren bijvoorbeeld 43.000 gasmaskers in plaats van de toegestane 22.500. Er waren zelfs grote aantallen geweren en mitrailleurs door burgers meegenomen naar boerderijen enzo na de Eerste Wereldoorlog. Later werden die allemaal weer ingezameld en om die reden was er een betrekkelijk grote voorraad van. Maar we hebben het hier niet over aanzienlijke aantallen. Eveneens overschreden de aantallen munitie, bajonetten, handgranaten, zoeklichten, mistlampen en dergelijke de voorgeschreven limieten maar niet in grote mate.
Dr. SIEMERS: Nu, figuur 14: “Verkrijgen van 337 mitrailleurs type MG C/30 zonder een zelfde aantal operationele wapens te verschroten.” Omdat ik niet .....
De PRESIDENT: Dr. Siemers, zou het mogelijk zijn om in een verklaring al deze punten in het document te behandelen waarom er overschotten waren? We hebben hier een lijst waar 30 verschillende artikelen op staan, u bent pas bij 13 en u behandelt ze allemaal afzonderlijk.
Dr. SIEMERS: Meneer de President, persoonlijk ben ik het er geheel mee eens. Het spijt me dat ik het Tribunaal zoveel last bezorg in verband met dit document. Omdat ik op het gebied van de marine niet ter zake kundig ben had ik grote moeite er doorheen te komen, maar ik denk niet dat ik de oorzaak van al die last ben. Ziet u, de Aanklager heeft elk punt afzonderlijk als bewijsmateriaal aangevoerd.
De PRESIDENT: Dr. Siemers, de kwestie is niet dat ik u iets kwalijk neem, maar we willen opschieten. We nemen u niets kwalijk. Kan het niet in een verklarende uitspraak gebeuren, één korte verklaring?
Dr. SIEMERS: Ik zal proberen, Meneer de President het kort te houden.
Het is niet nodig verder iets te zeggen over de punten 15 tot 17. Ik denk dat dat de meest belangrijke waren. De onderwerpen die voor een latere datum stonden gepland zouden pas van kracht worden in 1933 en 1934. Ik mag het Tribunaal er misschien op wijzen dat punt 17 de voorgenomen bouw van reservedestroyers betreft. Het Verdrag stond de bouw van deze schepen toe. Ik sla punt 18 over want dat hebben we al behandeld. Punt 19 gaat ook weer over voorgenomen bouw. Punt 21 vind ik onbelangrijk; het betreft alleen het bewapenen van vissersboten. De punten 21 tot 29 ........
De PRESIDENT: Ik denk dat u beklaagde misschien moet vragen enkele van die opmerkingen in de derde kolom uit te leggen. Ik bedoel bijvoorbeeld in Punt 18: “Moeilijk te ontdekken. Kan indien nodig worden genegeerd.”
RAEDER: Dat was een uitleg, gegeven door onze deskundige aan onze vertegenwoordiger op de Ontwapeningsconferentie van de Volkenbond. Het gaat niet over de plaatselijke situatie. De fabricage van onderdelen voor onderzeeboten bijvoorbeeld vond in het buitenland plaats of werd voorbereid. Dat vond in werkelijkheid pas in 1934 en 1935 plaats en de eerste U-boot werd eind juni 1935 te water gelaten.
Dr. SIEMERS: Mag ik aannemen, beklaagde dat alleen de bouw en aanschaf van U-boote verboden was?
RAEDER: Ja, de bouw in Duitsland.
Dr. SIEMERS: Ik kan pas op een later tijdstip bewijzen dat het bij de fabricage van deze reservedelen geen schending betrof van het Verdrag; maar ik vind dat u een of andere aanwijzing moet geven voor uw redenen dit alles geheim te houden; gezien het feit dat reservedelen niet waren verboden. Ik mag u eraan herinneren dat dit in september 1933 gebeurde toen de onderhandelingen al werden voorbereid.
RAEDER: In die periode, voordat het Duits-Britse Marineverdrag werd gesloten op basis van 35:100 was Hitler er bijzonder op gebrand alles te voorkomen wat op enige wijze de onderhandelingen zou kunnen verstoren. De fabricage en voorbereiding van reservedelen voor U-boote waren een onderwerp waar Engeland bijzonder gevoelig voor was.
Dr. SIEMERS: Was er geen bijkomende reden voor dit aanhangsel en andere opmerkingen in deze tweede kolom – namelijk de ongelukkige ervaringen die de Marine in de binnenlandse politiek had, het feit dat wanneer ook maar de geringste actie werd ondernomen er onmiddellijk een fel debat ontstond op het front van de binnenlandse politiek?
RAEDER: Ja en dat ging zover dat bij gelegenheid de Reichswehrminister werd aangevallen door Pruissische ministers die het oneens waren met de Reichsregierung – bijvoorbeeld Müller, Severing, Stresemann en later Brüning – die het de Reichskanzler verweten dat hij stappen nam waartoe hij niet bevoegd was. In werkelijkheid had de Reichsregierung deze zaken al goedgekeurd en er de verantwoordelijkheid voor genomen.
Dr. SIEMERS: Deze zaken werden dus geheim gehouden om redenen van binnenlands beleid zodat die niet duidelijk ....
RAEDER: Ja.
. Dr. SIEMERS: Met toestemming van de Reichsregierung?
RAEDER: Met toestemming van de Reichsregierung. Wat de bedrijven betreft, een aantal bedrijven ....
Dr. SIEMERS: Ik zou nu willen terugkeren naar kolom 2, punt 20 omdat ik in het verslag zie dat de Aanklager dit punt ook express ter sprake heeft gebracht in verband met de bewapening van vissersboten, dat heeft benadrukt en als basis voor een beschuldiging heeft gebruikt, “Waarschuwingsschoten, houd het kalm.”
RAEDER: De twee vissersboten waren zeer kleine schepen en normaal gesproken niet bewapend. Ze dienden om toezicht te houden op de vissersboten op de Noordzee tot aan IJsland, die in noodgevallen te helpen, zieke bemanningsleden over te nemen en bescherming te bieden tegen vissers van andere landen. We vonden het raadzaam om tenminste kanonnen van 5 centimeter op die schepen te plaatsen omdat het per slot oorlogsschepen waren. “Waarschuwingsschoten” betekende dat ze een salvo afvuurden als ze de aandacht van vissers op iets wilden vestigen; het was dus een volkomen onbelangrijke kwestie en die hoefde niet kunstmatig te worden opgeblazen want het stelde in feite niets voor.
Dr. SIEMERS: We komen nu toe aan de punten 21 tot 28. Dit is een lijst van diverse firma’s waaronder ondernemingen die aan bewapeningscontracten werkten. Het Verdrag stond bepaalde ondernemingen van dit soort toe terwijl het andere uitsloot. In feite hadden andere firma’s contracten gekregen. Misschien kunt u in het algemeen iets over dit punt zeggen?
RAEDER: Dat was op een tijd dat we nog de sterke hoop koesterden dat er vooruitgang zou worden geboekt bij de Ontwapeningsconferentie. Het Plan MacDonald dat een zekere verbetering betekende, was al aangenomen en we konden dus verwachten dat de nieuwe fabrieken die ons nog waren gelaten hun productie in de komende jaren zouden moeten uitbreiden. Ik mag u herinneren aan het programma ter vervanging van schepen. Als gevolg daarvan waren fabrieken die gespecialiseerde producten maakten beter uitgerust en bevoorraad. Er was echter nooit enige sprake van zware kanonnen of iets dergelijks maar van automatische ontstekingen, explosieven – containers voor mijnen bijvoorbeeld, kleine artikelen maar gespecialiseerde artikelen die alleen maar door bepaalde bedrijven konden worden gemaakt. Maar afgezien van de ons toegestane bedrijven werden er ook andere ondernemingen ingezet die waren uitgesloten. Zo was bijvoorbeeld de Friedrich Krupp Grusenwerke A.G. in Maagdenburg uitgerust voor het maken van luchtafweergeschut en kanonslopen van 2 tot 10.5 centimeter; eveneeens nummer 6, een firma die luchtdoelmunitie produceerde, explosieven; nummer 27 ....
Dr. SIEMERS: Ik vind niet dat we de details hoeven te weten.
RAEDER: Nee; dan motoren waar ook een grote vraag naar was.
Dr. SIEMERS: Ik heb een paar vragen over al deze cijfers. Worden die niet tot op zekere hoogte teniet gedaan door het feit dat sommige toegelaten ondernemingen om economische redenen al waren uitgevallen?
RAEDER: Ja, dat kunt u wel zeggen. Die ondernemingen hadden relatief weinig opdrachten die niet voldoende waren om ze in productie te houden.
Dr. SIEMERS: Beklaagde, ik denk dat men dat niet alleen kan zeggen maar dat men het moet zeggen. Mag ik uw aandacht vestigen op Punt 22, kolom 3 die luit: “De lijst is in ieder geval verouderd omdat er enkele ondernemingen zijn weggevallen.
RAEDER: Ja.
. Dr. SIEMERS: Dan blijven ons de Punten 29 en 30 over. Punt 29, “Voorbereidingen op het gebied van experimenten met motorboten.” Ik denk dat dit voorbereidingen op een heel smal vlak waren.
RAEDER: Op het moment kan ik u niet precies vertellen wat dat betekent.
Dr. SIEMERS: Hoe dan ook, ik geloof ook niet dat de Aanklager hier enig belang aan zal hechten. Dan wil ik alleen nog van u een definitieve uitspraak over Punt 30:
“Waarschijnlijk worden in de nabije toekomst verdere schendingen noodzakelijk,” tot aan en inclusief 1934. Hoe dan ook hebt u de vraag al beantwoord met uw verwijzing naar de voorgenomen onderhandelingen met de Britse regering, waarvan er al enkele aan de gang waren.
RAEDER: Ja, dat was het punt.
Dr. SIEMERS: Dat zijn daarom zaken die in elk geval besproken moesten worden in de loop van de onderhandelingen met de Britse regering, of liever met de Admiraliteit.
RAEDER: Dat kunt u niet van allemaal zeggen. Bijvoorbeeld, de punten 1 tot 3 handelen over mijnen. Het aantal mijnen moest worden uitgebreid en modern materiaal moest het oude vervangen. Hetzelfde geldt voor de overplaatsing van geschut van de Noordzee naar de Baltische “A” batterijen, niet voor het afschrijven van geschut.
Dr. SIEMERS: Om de hele zaak af te ronden, mag ik u vragen te zeggen wat voor indruk dit geheel maakte op een kenner van de marine als u. Alles in overweging nemend, zou u zeggen dat dit slechts kleine schendingen waren en in hoeverre zijn dit schendingen van agressieve aard?
RAEDER: Zoals ik gisteren al heb gezegd, de meeste ervan zijn zeer onvoldoende verbeteringen voor de verdediging van een bijna volkomen onverdedigbare positie. De afzonderlijke artikelen zijn, zoals ik gisteren heb uitgelegd zo onbelangrijk dat het eigenlijk onmogelijk is er veel tijd aan te besteden. Ik geloof dat de Controlecommissie ook de indruk had dat er zeer weinig belang aan al deze zaken gehecht hoefde te worden; toen in 1925 de Controlecommissie haar basis in Kiel verliet, waar zij had samengewerkt met de organisaties van het Marinecommando, Commandant Fenshow, de Chef Staf van Admiraal Carlton en voorzitter van de Commissie wiens grootste belangstelling uitging naar geschut en die had samengwerkt met een Kapitein Raenkel, een artillerist en specialist op dit gebied zei:
“We moeten nu vertrekken en u zult blij zijn dat we vertrekken. U had geen plezierige taak en wij ook niet. Ik moet u echter een ding vertellen. U hoeft niet te denken dat wij geloofden wat u zei. U hebt geen enkel woord van waarheid gesproken, maar u hebt uw inlichtingen zo knap gegeven dat we die konden accepteren en daarvoor ben ik u dankbaar.”
. Dr. SIEMERS: Ik kom nu toe aan document C-29, bewijsstuk USA-46. Meneer de President, het staat in Raeder’s documentenboek 10; pagina 8 van het documentenboek van de Aanklager.
De PRESIDENT: Bedoelt u 10a?
Dr. SIEMERS: Nummer 10, pagina 8. Dit document is ook ingediend tijdens het voorlezen van de algemene aanklacht door de Aanklager aan het begin van het proces op 27 november. Het bestaat uit een rede, een document ondertekend door Raeder en gedateerd 31 januari 1933: “Algemene richtlijnen ter ondersteuning van de Duitse wapenindustrie door de Marine.”
(tot de beklaagde): De Aanklager heeft hierop gewezen en heeft gemeend hieruit te moeten concluderen dat u op de dag na Hitler’s benoeming tot Reichskanzler hem met deze brief al actief ondersteunde. Wilt u alstublieft uw mening hierover geven?
RAEDER: Er bestaat geen enkel verband tussen deze brief en Hitler’s aan de macht komen. U zult moeten toegeven dat het onmogelijk zou zijn een dergelijk lang en ingewikkeld document op te stellen tussen de avond van 30 en de morgen van 31 januari en dat ook nog zorgvuldig werd voorbereid. Dit document komt voort uit de hoop die ik al eerder noemde dat al onder de regeringen van Von Papen en Von Schleicher de bepalingen van het Verdrag van Versailles en van de Ontwapeningsconferentie geleidelijk aan versoepeld zouden worden omdat de Britse delegatie herhaaldelijk had gezegd dat ze voorstander waren van een geleidelijk herstel van gelijke rechten. We moesten daarom onze industrie in een zo goed mogelijke positie brengen, voor zover het de productie van wapens betrof, door de productie te verhogen en hen zo in staat te stellen de concurrentie het hoofd te bieden
Zoals ik in alinea c van die brief zeg, destijds deed bijna ieder land pogingen in dezelfde richting, zelfs die welke in tegenstelling tot Duitsland niet aan beperkingen onderhevig waren. Groot-Brittannië, Frankrijk, Noord-Amerika, Japan en in het bijzonder Italië spanden zich tot het uiterste in om een markt voor hun wapenindustrie te veroveren en ik wilde ze op dit bijzondere terrein volgen. Om dit te kunnen doen moest er overeenstemming heersen tussen de diverse afdelingen van het Opperbevel van de Marine in die zin dat de industrie gesteund moest worden op een manier die de geheimzinnigheid over technische zaken en ontwikkelingen zou voorkomen. Daarom leg ik in alinea c uit dat geheimhouding over kleine zaken minder belangrijk is dan het handhaven van een hoog peil en het aan de leiding blijven.
Ik stel in de laatste zin:
“Samenvattend, ik hecht bijzonder belang aan de voortdurende steun van de Marine aan de industrie in kwestie, zelfs na de verwachte versoepeling van de huidige beperkingen zodat de industrie vertrouwen zou winnen in het buitenland en daar een markt vinden.” Dit heeft volgens mij absoluut niets te maken met Hitler of enige onafhankelijke herbewapening.
Dr. SIEMERS: Kunt u ons vertellen wanneer ongeveer u deze richtlijnen opstelde?
RAEDER: Gedurende de maand januari. Ik kan zeggen dat we er een vergadering over hielden – misschien begin januari – en daarna heb ik het op schrift laten stellen.
Dr. SIEMERS: Dat zou zeker 2 tot 3 weken voordat deze brief werd geschreven geweest zijn?
RAEDER: Ja, zeker.
Dr. SIEMERS: Ik denk dat het maar zelden gebeurt dat men een brief van een regeringsinstantie krijgt, een dag nadat die is opgesteld door het hoofd van die instantie.
Mag ik u nu een ding vragen in verband met de “geleidelijke versoepeling van de huidige beperkingen.” Dat betekent versoepeling van het Verdrag van Versailles, neem ik aan, via de Ontwapeningsconferentie. U hebt dat vier keer in dit document genoemd, dus neem ik aan dat dat uw basis is.
RAEDER: Ja, dat was het. De hele sfeer van destijds, onder beide regeringen was zodanig dat men een verbetering kon verwachten.
Dr. SIEMERS: En dat was de basis waarvoor, om slechts een paar namen te noemen, Stresemann en Brüning streden?
RAEDER: Ja.
. Dr. SIEMERS: En zij zagen het als hun plicht bepaalde voorzorgsmaatregelen te nemen?
RAEDER: Ja.
Dr. SIEMERS: Ik denk dat er voor mij geen noodzaak is dieper op details in te gaan. Ik heb dit document meerdere keren gelezen en heb geen enkel punt kunen vinden waarop de Aanklager de conclusie zou kunnen baseren dat u er Nationaalsocialistische ideeën op na hield.
Ik kom nu toe aan document C-140, bewijsstuk USA-51 en het zit in documentenboek 10a, pagina 104.
RAEDER: Mag ik u alstublieft onderbreken? Zou het niet passend zijn als ik nu zeg wat ik wilde zeggen om de verklaring in C-156 betreffende vliegtuigen aan te vullen?
Dr. SIEMERS: Neem me niet kwalijk. Het kan praktischer zijn om de schendingen van het Verdrag van Versailles geheel af te werken alvorens op een ander onderwerp over te stappen. Dat was ik vergeten.
De Aanklager heeft document C-156 ingediend. Het is het boek van Kapitein Schussler over 1937 en bevat bijna dezelfde lijst met schendingen als document C-32 zodat dat document op hetzelfde moment behandeld kan worden. Bovendien behandelt het de kwestie van het ontwerpbureau voor onderzeeboten in Nederland die we al hebben behandeld. Maar er is nog een punt waarover ik graag uw commentaar wil horen en dat betreft bepaalde voorbereidingen in verband met marinevliegtuigen die later misschien zouden worden toegelaten.
RAEDER: Er waren op het gebied van de luchtvaart al allerlei voorbereidingen getroffen voordat ik in functie kwam. Er was een aantal vliegtuigen gekocht, zoals ik in dit boek zie. Ze waren opgeslagen bij de firma Severa GmbH die bij de Reichswehrminister bekend was. Het Verdrag van Versailles had ons luchtafweergeschut toegestaan op zowel schepen als aan land, zoals gisteren genoemd en voor dat luchtdoelgeschut moesten schietoefeningen worden geregeld. De Controlecommissie had ons een bepaald aantal vliegtuigen toegestaan om de nodige doelen te slepen. Deze toestellen werden gevlogen door ex-marinepiloten die bij die firma in dienst waren. De firma op haar beurt werd geleid door een oude marinepiloot.
Omdat het ons niet was toegestaan marinevliegers op te leiden of een marinevliegdienst te hebben gaven we aan een aantal toekomstige marineofficieren een jaar training op een burgerluchtvaartschool voordat ze bij de Marine kwamen zodat ze zich door deze een-jarige training tot zeer goede piloten ontwikkelden. Daarna kwamen ze bij de Marine en doorliepen hun normale marineopleiding. Het vliegtuig dat op die manier werd gekocht was tijdelijk in bezit van de Severa die ook veel te maken had met de affaire Lohman en werd om die reden door Reichswehrminister Groner in de zomer van 1928 opgeheven. Reichswehrminister Groner richtte in de herfst van 1928 een nieuwe firma op met gelijksoortige taken, kort nadat ik in functie trad. Maar hij had de overeenkomst zelf getekend om toezicht te hebben op de juiste leiding van de hele kwestie.
Bij deze firma voerden de Marinevliegers, naast hun normale werk, ook experimenten uit in verband met de ontwikkeling van vliegtuigen voor een toekomstige marinevliegdienst. We hadden toestemming van de regering om van elk type dat we dachten te kunnen gebruiken een exemplaar te bouwen, maar het was ons niet toegestaan een vloot vliegtuigen te vormen. De regering had dat uitdrukkelijk verboden. Het resultaat was dat in de loop der jaren de firma een aantal vliegtuigtypen ontwikkelde die op een later tijdstip nuttig konden zijn wanneer we weer een luchtmacht mochten hebben.
In de beginperiode werden de oefeningen bij de Marine gedaan door de oud-marinevliegers – anders gezegd, er werd geëist dat er geoefend werd in luchtwaarneming en dat scheepsbemanningen leerden hoe ze tegen vliegtuigen moesten optreden. Wanneer deze jonge marinevliegers aan dergelijke oefeningen werden toegewezen, werden ze voor die tijd uit de Marine ontslagen. Het was een lastige kwestie maar die werd altijd stipt uitgevoerd.
Dr. SIEMERS: Ik mag nu overgaan op document C-140, dat zit in documentenboek 10a, pagina 104. Het is een brief van Reichswehrminister Von Blomberg en gedateerd 25 oktober 1933. Hij is geadresseerd aan het hoofd van het Leger, van de Marine en aan de Reichsluftfahrtminister.
Op dit document heeft de Aanklager zijn beschuldiging gebaseerd, beklaagde dat u militaire plannen voorbereidde voor een gewapend verzet dat nodig zou kunnen worden als gevolg van het feit dat Duitsland uit de Ontwapeningsconferentie en uit de Volkenbond stapte. Misschien kunt u in het kort uw mening geven?
RAEDER: Ik wist er van te voren niets van dat we uit de Volkenbond zouden stappen. Deze richtlijn verscheen 11 dagen nadat we eruit waren gestapt en die voorziet slechts in defensieve maatregelen in het geval er door andere mogendheden sancties zouden worden opgelegd vanwege ons vertrek uit de Volkenbond. Er staat onder 2c: “Ik verbied in de tussentijd iedere praktische voorbereiding.” Allereerst gebeurde er dus niets als gevolg van deze richtlijn en de Reichsverteidigungsminister vroeg slechts om een rapport van mij, een rapport van mij over wat er zou moeten gebeuren.
Voor zover ik me herinner werd er destijds geen enkele praktische voorbereiding getroffen door de Marine, want de situatie bleef rustig en er was geen reden om aan te nemen dat er een noodzaak voor een verdediging zou ontstaan.
Dr. SIEMERS: Dat wordt vermoedelijk aangegeven door de woorden onder 2a, “Voorbereiding op verdediging tegen sancties.“ Het ging alleen om verdediging.
RAEDER: Alleen om verdediging.
Dr. SIEMERS: Dat het vertrek uit de Volkenbond op 14 oktober plaatsvond, 11 dagen voordat het document werd opgesteld is een bekend feit en is door de Aanklager genoemd op pagina 257 van het verslag (Deel II, pagina 304.)
We komen nu toe aan document C-166, bewijsstuk USA-48. Meneer de President, dit staat in documentenboek 10 op pagina 36. Het is een document gedateerd 12 maart 1934. Het is afkomstig van het Opperbevel van de Marine en betreft de voorbereiding op actie van hulpkruisers. De Aanklager heeft slechts de eerste twee alinea’s van dit document geciteerd en erop gewezen dat het aantoont dat er hulpkruisers moesten worden gebouwd en beschrijft transportschepen “0” voor camouflagedoeleinden.
De twee alinea’s klinken beschuldigend maar kunnen heel eenvoudig worden verklaard. Mag ik verwijzen naar de verklaring van Lohmann. document Raeder-2; in mijn documentenboek 1, pagina 5. Ik verwijs naar alinea II en citeer:
“Dit document C-166, aan mij voorgelegd, een bericht van het Opperbevel van de Marine gedateerd 12 maart 1934, handelt over de beschikbaarheid van hulpkruisers die, zoals in het document is vermeld, worden aangeduid als “Transportschepen 0.” Deze schepen zouden niet nieuw worden gebouwd maar moesten uit de vloot van Duitse koopvaardijschepen worden uitgezocht in overeenstemming met de eisen die in het document worden opgesomd en er moest onderzoek worden gedaan naar de bruikbaarheid ervan voor de op te leggen taken. Daarna werden er plannen gemaakt voor de reconstructie in geval van noodzaak maar de schepen bleven bij de koopvaardijvloot.”
Mag ik op dit punt opmerken dat in de Engelse vertaling het woord “Umbau” vertaald is met “reconstructie.” Ik heb zo mijn twijfels of dit wel helemaal juist is. Ik neem aan dat de tolk het nu ook heeft vertaald met “Umbau.” Voor zover ik weet betekent het Duitse woord “Umbau” ongeveer hetzelfde als het Engelse “change,” anders gezegd “Veränderung.”
Ik citeer verder:
“Het bevel tot het selecteren van dergelijke schepen bij de Duitse scheepswerven werd onder andere ontvangen door het bureau van de Marinecommandant in Hamburg waar ik destijds diende.”
Tot zover Admiraal Lohmann.
Beklaagde, is de verklaring van Lohmann juist? Hebt u er iets aan toe te voegen?
RAEDER: Nee. Ik wil nogmaals benadrukken dat er geen sprake was van een onmiddellijke bouw maar alleen van het selecteren van geschikte schepen en die te onderzoeken met het oog op het vaststellen van de noodzakelijke wijzigingen om die in staat te stellen als hulpkruiser te functioneren in het geval van een algehele mobilisatie. De voorbereidingen op de plannen en de plannen zelf moesten tegen 1 april 1935 afgerond zijn, zoals vastgelegd in punt 12. Ze moesten worden overgedragen aan de Marine zodat in geval van mobilisatie de schepen uit de koopvaardijvloot konden worden gehaald en omgebouwd.
Al die voorstellen voor mobilisatie werden natuurlijk geheimgehouden.
Dr. SIEMERS: Ik geloof, heren van het Tribunaal dat het hele misverstand niet zou zijn ontstaan wanneer de Aanklager nog twee zinnen had vertaald. De Engelse versie is erg kort en punt 11 ontbreekt. Ik citeer de tekst van punt 11:
“B” wordt verzocht in samenwerking met “K” om allereerst geschikte schepen uit te zoeken en vast te stellen hoeveel 15 cm. kanonnen moeten worden geplaatst om de vereiste vuurkracht te bereiken ..... “ Het woord uitzoeken is hier gebruikt zodat de bedoeling niet is – zoals de Aanklager beweert – het bouwen van hulpkruisers maar het maken van een selectie uit koopvaardijschepen.
RAEDER: Ja, en de schepen bleven bij de koopvaardij varen.
Dr. SIEMERS: De tweede zin, die helaas, vind ik is weggelaten uit de Engelse vertaling van de Aanklager, luidt als volgt:
“Zolang er maar een beperkt aantal kanonnen – momenteel 24 – voor dit doel ter beschikking kunnen worden gesteld, moeten er voorbereidingen worden getroffen voor slechts vier transportschepen (0). Een uitbreiding van dat aantal – vermoedelijk tot zes – zal worden uitgesteld tot een tijdstip waarop meer kanonnen ter beschikking komen. Tot dan moeten we de resultaten afwachten van de voorbereidingen voor de eerste hulpkruisers.”
Het feit dat er sprake is van slechts vier, of ten hoogste zes koopvaardijschepen toont aan hoe onbelangrijk de hele kwestie is.
Ik kom nu toe aan document C-189, bewijsstuk USA-44. Dat staat in documentenboek 10 van de Britse delegatie, pagina 66.
Ik zou graag uw commentaar horen - neemt u mij niet kwalijk, ik moet u eraan herinneren dat dit het gesprek betreft tussen Grossadmiral Raeder en de Führer aan boord van de Karlsruhe in juni 1934.
Grossadmiral, wilt u alstublieft uw mening geven over de drie punten die in dit korte document worden genoemd en die u in juni 1934 met de Führer besprak?
Eerste vraag: Waarom was Hitler niet bereid de toename in waterverplaatsing van D en E – de Scharnhorst en de Gneisenau – te onthullen als deze volgens dit document defensieve wapens waren en iedere kenner de toename in tonnage van deze schepen zou opmerken en voor zover ik weet dat ook deed?
RAEDER: Destijds waren we aan het nadenken wat we met deze twee gepantserde schepen D en E konden doen na de ondertekening van het komende marinepact met Engeland – dat wil zeggen de twee schepen die Hitler mij voor de Marine had toegestaan binnen het budget van 1934. We hadden definitief besloten niet verder te gaan met de bouw van deze gepantserde schepen als zodanig omdat we het beschikbare materiaal beter konden gebruiken.
Dr. SIEMERS: Maar u realiseerde zich natuurlijk toch dat iedere deskundige in de Britse, Amerikaanse of welke Admiraliteit dan ook op een reis, zogauw hij het schip zag zou weten dat die 10.000 ton nu 26.000 ton waren geworden?
RAEDER: Ja, natuurlijk.
Dr. SIEMERS: Zodat het dus alleen de bedoeling was ......
De PRESIDENT: Dr. Siemers, wanneer u een beklaagde rechtstreeks ondervraagt mag u geen suggestieve vragen stellen die hem juist dat antwoord in de mond leggen dat u graag wilt horen. U stelt allerlei soorten zaken aan de beklaagde en vraagt hem dan: “Is dat niet zo”?
Dr. SIEMERS: Neemt u mij niet kwalijk. Ik zal alles in het werk stellen om mijn vragen anders te formuleren.
RAEDER: Mijn antwoord is toch anders.
DR. SIEMERS: Ja?
RAEDER: We hebben het hier in de eerste plaats over plannen. Ik vroeg toestemming de plannen voor deze twee gepantserde schepen te herzien; allereerst door versterking van de defensieve bewapening – de bepantsering en het onderwaterschip – en dan door de offensieve bewapening uit te breiden, namelijk door het toevoegen van een derde 28 cm. toren in plaats van een van 26 cm. De Führer was nog niet bereid een 28 cm. toren toe te staan omdat hij, zoals ik al eerder zei, onder geen enkele voorwaarde de lopende onderhandelingen met Groot-Brittannië wilde verstoren. Daarom, om te beginnen stond hij slechts een gemiddelde waterverplaatsing van 18.000 tot 19.000 ton toe; we wisten dat wanneer de ontwikkelingen de fase bereikten waar een 28 cm. toren kon worden geplaatst, de waterverplaatsing tussen de 25.000 en 26.000 ton zou liggen.
We zagen echter geen reden om dat in deze fase aan te kondigen omdat het bij de Marine gebruikelijk is dat nieuwe bouwplannen en in het bijzonder nieuwe scheepstypen pas op het laatste moment worden aangekondigd. Dat was de belangrijkste reden; afgezien daarvan wenste Hitler niet de aandacht van andere landen te vestigen op deze aanbouw door de genoemde cijfers te geven of de zeer hoge snelheid te noemen. Er was geen andere reden om deze zaken niet aan te kondigen.
Dr. SIEMERS: Ik zou graag uw commentaar horen op punt 2 van dit document. Dat is in het bijzonder door de Aanklager tegen u gebruikt omdat u daar de mening verkondigt dat de vloot opgebouwd moet worden om het later tegen Engeland op te nemen.
RAEDER: Eerst – zoals mijn bedoeling was om later uit te leggen – hadden we de Franse schepen als voorbeeld genomen. De Franse Marine ontwikkelde in die tijd de Duinkerken klasse met acht 33 cm. kanonnen en een hoge snelheid, en we namen die als ons voorbeeld, zeker omdat naar Hitler’s mening – zoals u later zult horen – er geen sprake van was ons te bewapenen tegen Engeland. We hadden de bedoeling deze twee gepantserde schepen naar dit voorbeeld om te bouwen als slagschepen met negen stukken 28 cm. geschut en in staat tot een hoge snelheid. Maar toen hoorden we dat in Engeland de King George klasse werd ontwikkeld met 35.6 cm. geschut en daarmee sterker dan de Franse types; dus zei ik dat we in elk geval uiteindelijk moesten afstappen van het Franse type en het Engelse voorbeeld volgen dat nu wordt gebouwd met 35 cm. geschut.
Er staat een fout in de vertaling – namelijk “het opnemen tegen Engeland.” In mijn tekst staat dat onze ontwikkelingen de lijn van de Britse ontwikkelingen moesten volgen, anders gezegd, dat wij schepen moesten ontwikkelen overeenkomstig de Engelse types. Maar die raakten kort daarna ook verouderd omdat Frankrijk toen de Richelieu klasse bouwde met 38 cm. geschut. Zo kwam de Bismarck tot stand. Het woord “opnemen tegen” zou zinloos zijn geweest in een tijd waarin de bedoeling hadden met Engeland tot een overeenstemming te komen onder voorwaarden waaronder we het in geen geval tegen haar konden opnemen.
Dr. SIEMERS: We komen nu toe aan punt 3 van het document, hetgeen de Aanklager als net zo belangrijk beschouwt. Ik citeer:
“De Führer eist volledige geheimhouding met betrekking tot de voorgenomen bouw van U-boote, en ook met betrekking tot de volksraadpleging in het Saargebied.”
RAEDER: Ik heb al verwezen naar de wens tot geheimhouding van de Führer in verband met zowel de bouw van U-boote als de voorbereidingen voor die bouw. Dit is een van de punten waarvoor hij het meest gevoelig was want hij wilde onder geen beding op de onderhandelingen vooruit lopen. Hijzelf was in het algemeen uiterst voorzichtig in deze periode en zou onder geen enkele voorwaarde ook maar iets doen dat het Marinepact kon verstoren dat hij zo graag wilde sluiten.
Dr. SIEMERS: Ik begrijp het verband niet helemaal tussen de verwijzing naar geheimhouding in verband met de bouw van U-boote. Die waren toch nog niet in aanbouw?
RAEDER: Nee; ik zei geheimhouding in verband met de voorbereidingen op de bouw van U-boote; dat is slechts een korte manier van uitdrukken.
Dr. SIEMERS: We komen nu toe aan document C-190, bewijsstuk USA-45. Dat staat in documentenboek 10 van de Britse delegatie, pagina 67. Dat is een gesprek dat plaast vond tussen Hitler en Raeder op 2 november 1934 aan boord van de Emden. In het document dat voor u ligt licht Hitler u erover in dat hij het nodig vindt, de Marine tegen 1938 uit te breiden en te verbeteren en dat hij indien nodig Dr. Ley opdracht zou geven 120 tot 150 miljoen Reichsmark van het DAF ter beschikking te stellen aan de Marine.
Had u eigenlijk iets te maken met het werven van fondsen voor herbewapening?
RAEDER: Nee, niet met de feitelijke werving van fondsen. Ik vroeg de fondsen aan bij de Reichsverteidigungsminister die ze mij toewees voor die herbewapening. Ik neem aan dat deze uitspraak is gedaan omdat de geaccepteerde toewijzing aan de Marine mij te klein leek en om die reden zei de Führer dat hij indien nodig Ley aan het werk zou zetten. Dit gebeurde echter niet. Ik kreeg mijn middelen uitsluitend via de Reichsverteidigungsminister.
Dr. SIEMERS: Hoewel de door de Aanklager gedane beschuldiging mij niet helemaal duidelijk is, omdat die gebaseerd is op de mening van Hitler – die met u niets te maken heeft – wil ik nog een keer op dit bedrag terugkomen. Ik mag u eraan herinneren dat een pantserkruiser in de oude 10.000 ton klasse, een kruiser die per slot maar klein was, 75 tot 80 miljoen kostte. Kon dit bedrag van 120 tot 150 miljoen hoog genoeg zijn om de Marine in een positie te brengen waarin zij op grote schaal kon herbewapenen?
RAEDER: Nee, zeker niet. Er waren ook nog twee slagschepen in aanbouw, afgezien van die twee pantserkruisers. U kunt zich voorstellen dat de kosten voortdurend toenamen.
Dr. SIEMERS: Dat bedrag was dus niet definitief?
RAEDER: Nee, dat was niet definitief.
Dr. SIEMERS: Wilt u dan alstublieft doorgaan naar punt 2. Volgens punt 2 van dit document wees u tijdens dit gesprek Hitler erop dat het nodig zou kunnen zijn in het eerste kwartaal van 1935 zes U-boote te bouwen.
RAEDER: Ik zei dat omdat ik wist dat wij in het begin van 1935 streefden naar een heroprichting van de strijdkrachten en ik dacht dat hierdoor een kritieke situatie met betrekking tot sancties zou kunnen ontstaan, die Hitler ook altijd verwachtte. Ik neem aan dat we hierover spraken en dat is waarom ik voorstelde dat wanneer door de heroprichting van de strijdkrachten de noodzaak ontstond dat er dan zes U-boote moesten worden gebouwd op een tijdstip voorafgaand aan de eigenlijke bouw met die onderdelen die in het buitenland waren verkregen.
Dr. SIEMERS: Gaf Hitler dat bevel eigenlijk?
RAEDER: Nee. Het bevel werd niet gegeven.
De PRESIDENT: We kunnen nu beter schorsen.

Definitielijst

artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
kruiser
Snelvarend oorlogsschip van 8000-15000 ton, geschikt voor diverse taken als verkenning, verkenningsafweer en konvooibescherming.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
U-boot
Duitse benaming voor onderzeeboot. Duitse U(ntersee)-boten hebben tot in mei 1943 een belangrijke rol gespeeld in de oorlogvoering. Ook veel vracht- en passagiersboten werden door deze sluipmoordenaars van de zee getorpedeerd en tot zinken gebracht.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.

Afbeeldingen

Erich Raeder, Oberbefehlshaber der Kriegsmarine van 1935 tot 1943. Bron: Bundesarchiv, Bild 146-1980-128-63 / CC-BY-SA 3.0.

Ochtendzitting 2

Dr. SIEMERS: Ik kom nu aan document C-159, bewijsstuk USA-54. Dit document kan worden gevonden in documentenboek 10a van de Britse delegatie, pagina 110. Dit document is een brief, geschreven door Von Blomberg op 2 maart 1936 en handelt over de gedemilitairiseerde zone.
Beklaagde, hebt u langdurige militaire voorbereidingen getroffen voor de actie die op 7 maart 1936 plaatsvond?
RAEDER: Nee, ik heb geen langdurige voorbereidingen getroffen; ik hoorde van dit plan pas uit dit document van 2 maart. Ik mag u verwijzen naar punt 6, waar staat: “Om het vreedzame karakter van de operatie te bewaren mogen zonder mijn uitdrukkelijk bevel geen militaire veiligheids- of voorzorgsmaatregelen worden genomen.” Het werd daarmee duidelijk gemaakt dat de hele actie een vreedzam karakter moest hebben.
Dr. SIEMERS: U wist tot begin maart in het geheel niets over deze actie?
RAEDER: Nee, ik meen dat deze actie in het bijzonder geheim werd gehouden.
Dr. SIEMERS: Dan ga ik over op document C-194, bewijsstuk USA-55 in het Britse documentenboek 10a, pagina 128. Dit document is een bericht van het Opperbevel van de Wehrmacht aan de Opperbevelhebber van de Marine uit 1936 – de tekst lijkt te wijzen op 6 maart 1936 – Dit gaat dus over hetzelfde onderwerp als het vorige document. Mag ik uw commentaar?
RAEDER: De Reichsverteidigungsminister had toestemming gegeven voor een bepaalde luchtverkenning op 6 maart boven de Noordzee – anders gezegd, de dag voor de bezetting van het Rijnland. Hij had de bedoeling zijn beslissing op te schorten wanneer er de volgende dag ook U-boote op verkenning naar het westen werden gestuurd zo ver als Texel. Ik vaardigde daarom op 6 maart een bevel uit en gaf bijzondere instructies ....
Dr. SIEMERS: Neemt u mij niet kwalijk.
(tot het Tribunaal): Ik zou erop willen wijzen dat het bevel van Raeder van 6 maart toegevoegd is aan hetzelfde document en dat het Tribunaal de tekst dus voor zich heeft.
(tot de beklaagde): Gaat u verder, alstublieft.
Dr. SIEMERS: Ik bereidde dit plan van 6 maart voor met betrekking tot het voorbereiden van de linie U-boote en de verkenning die op 7 maart boven de Duitse Bocht moest plaatsvinden. Ik wees er in het bijzonder op dat alles moest worden voorkomen dat een verkeerd beeld van de bedoelingen van de Führer zou kunnen wekken en dus moeilijkheden voor deze vreedzame actie kon veroorzaken.
Dr. SIEMERS: Ik zou aan uw verklaring willen toevoegen dat de tekst van het besluit van 6 maart ook onder punt 5 staat. Het zijn de laatste twee regels.
RAEDER: Dat waren allemaal voorzorgsmaatregelen in geval van een vijandelijke tegenactie.
Dr. SIEMERS: Werden er op grote schaal voorbereidingen getroffen?
RAEDER: Nee, nee.
Dr. SIEMERS: Ik kom nu toe aan de laatste twee documenten over het onderwerp het Verdrag van Versailles en herbewapening, document C-135, bewijsstuk GB-213, documentenboek 10, pagina 20 – Britse documentenboek 10 – de kop luidt: “Geschiedenis van de Oorlogsorganisatie,” anders gezegd de “Oorlogsorganisatie en Mobilisatieschema.” Dit dateert uit 1938. Dit document is in zijn geheel door de Aanklager voorgelezen en er is een ernstige beschuldiging op gebaseerd omdat het document een uitlating bevat volgens welke Hitler had geëist dat er in vijf jaar – tegen april 1938 – een Wehrmacht gevormd zou moeten zijn die hij kon inzetten als politiek machtsinstrument en ook omdat het document de Aufstellungsgliederung 1938 en de Kriegsgliederung noemt.
Gezien het belang van dit punt heb ik vice-Admiraal Lohmann om zijn commentaar gevraagd over deze nogal technische materie. Ik heb het over bewijsstuk Raeder-2, in mijn documentenboek 2 onder deel III op pagina 5. Ik denk dat de Aanklager de betekenis van bepaalde termen verkeerd begrepen heeft. De termen Aufstellungsgliederung en Kriegsgliederung zijn verkeerd begrepen.
Ik zou daarom toestemming willen vragen deze verklaring voor te lezen in verband met de documenten die ik heb ingediend. Ik citeer:
“III Verwijzend naar documenten C-135 en C-153, Plan voor Bewapening, Plan voor Mobilisatie, Aufstellungsgliederung, A.G. en Kriegsgliederung, K.G……
Ik zou eraan willen toevoegen dat C-153 en C-135 verband met elkaar houden. Vanwege de eenvoud heb ik ze samen genomen. Daarom zou ik voor het verslag willen vermelden dat C-153 bewijsstuk USA-43 is en gevonden kan worden in het Britse documentenboek 10a, pagina 107. De kop luidt: Bewapeningsplan voor de Derde Bewapeningsperiode. “ Het is een vrij lang document en gedateerd 12 mei 1934.
Ik citeer uit Lohmann’s verklaring over deze twee documenten.
“De hiervoor genoemde documenten betreffen de Aufstellungsgliederung, de Kriegsgliederung, het Plan voor Mobilisatie en het Plan voor Bewapening. De eerste drie plannen, of bevelen tot distributie behandelen dezelfde kwesties en verschillen alleen maar in samenstelling. Het Plan voor Bewapening verschilt van de andere plannen in die zin dat het handelt over nieuwbouw en de benodigde nieuwe materialen en is dus minder uitgebreid.
“De Duitse Marine stelde, net als de strijdkrachten in het geheel en ongetwijfeld net als de strijdkrachten van elk ander land, deze plannen op om in geval van een conflict of militaire complicaties op tijd en doelmatig de beschikbare strijdmiddelen te kunnen gebruiken. Vanwege veranderende omstandigheden, militaire ontwikkelingen, veranderingen in personeel en vooruitgang in de techniek werden deze plannen elk jaar herzien. Een essentieel onderdeel van deze voorbereidingen, voor zich sprekend in geval van iedere strijdmacht, bestond uit het opzetten, mobiliseren van een oorlogsorganisatie dat een overzicht verschafte van alle marine installaties te land en ter zee, de plaatselijke verdediging en tactische ondergeschiktheid – net als van alle beschikbare strijdmiddelen of die welke tegen een bepaalde datum moesten worden verkregen, uitgebreid of gereorganiseerd. Alle operaties die door het militaire commando waren voorzien waren gebaseerd op deze Aufstellungsgliederung en het vormde voor de politieke leiders ook een aanwijzing voor de mogelijkheden overeenkomstig sterkte en aantal van de beschikbare militaire bronnen.
“De Kriegsgliederung moest altijd met een zeer vooruitziende blik worden voorbereid en werd door het Opperbevel van de Marine in het algemeen uitgegeven 1,5 jaar voordat het van kracht moest worden, teneinde de verantwoordelijke diensten in staat te stellen op tijd de nodige voorbereidingen te treffen zoals het aanvragen door de Afdeling Budget van de Marine van fondsen en materialen – zoals ijzer, staal en dergelijke – en voor de voorbereiding voor de accommodatie voor zover die al niet gedekt werd door de ontwikkeling van de Marine in vredestijd.
“In 1933, toen Hitler in zijn Vijfjarenplan eiste dat er tegen april 1938 een strijdmacht zou zijn geformeerd die hij kon inzetten als politiek machtsinstrument, werd de Kriegsgliederung voor 1938 uitgewerkt, onafhankelijk van de voorgenomen jaarlijkse Kriegsgliederung en tot aan 1935 ging dat vooral over de mogelijkheden van het Verdrag van Versailles die nog niet waren benut en over de kwestie van het vergroten van de maritieme kracht met schepen die niet aan enige beperking in type en aantal onderhevig waren. Na het Marine Pact van 1935 werd de Kriegsgliederung 1938 vervangen door het Kriegsgliederung Endziel waarbij het aantal oorlogsschepen van alle typen of het nog te bouwen aantal geregeld werd in de verhouding 35:100 gemeten naar de werkelijke tonnage die al bij de Engelse Vloot aanwezig was. Gezien de monetaire en materiële bronnen, de capaciteit van de scheepswerven en de benodigde tijd om grote oorlogsschepen te bouwen werd ondertussen dit uiteindelijke doel voor de periode 1944-1945 vastgesteld.
“De mogelijkheid bleef altijd bestaan, dit verder uit te stellen overeenkomstig het bouwprogramma van de Engelse Vloot.
“De diverse termen zijn slechts van marine-technisch belang en staan geen conclusie met betrekking tot politieke plannen toe.”
Ik zou willen wijzen op een kleine vertaalfout in de Engelse tekst. De vertaling van het woord “Terminierung” met terminologie is naar mijn mening niet juist. Het moet waarschijnlijk zijn datums of uiterste termijn.
Beklaagde, zijn de uitlatingen van vice-Admiraal Lohmann correct? Hebt u iets aan deze mening toe te voegen?
RAEDER: Deze uitlatingen bevatten alles wat over deze kwestie kan worden gezegd. Al die regelingen zijn naar mijn mening voorbereidingen die door iedere marine moeten worden getroffen als die stelselmatig moet worden uitgerust en gereed gemaakt voor actie.
Er staat hier ergens – in document C-135, pagina 1 onder punt 2 – dat “de groeiende spanning tussen Duitsland en Polen dwong ons tot het treffen van praktische in plaats van theoretische voorbereidingen op een zuiver Duits-Pools conflict.” Dat werd uitgelegd alsof wij op een of ander moment – ik denk in 1933 – een aanvalsoorlog tegen Polen zouden beginnen.
Ik heb gisteren getuigd dat ons belangrijkste doel was en moest zijn – en het kon ook niet verder zijn gegaan dan dat – om met geweld op te treden tegen elke agressie door Polen tegen oost-Pruissen. Dat was ons streven, Duitsland te beschermen tegen een invasie door de Polen. Destijds zou het voor Duitse troepen - die nog steeds zeer onvoldoende bewapend waren - waanzin zijn geweest Polen of welk ander land dan ook binnen te vallen.
Dan zou ik er ook op willen wijzen – omdat de jaren 1938 en 1944-45 regelmatig terugkeren – dat het jaar 1938 het eerst genoemd werd als de uiteindelijke datum voor de eerste fase van het scheepsvervangingsprogramma. Het laatste schip uit dit programma zou tussen 1936 en 1938 worden gebouwd.
Dr. SIEMERS: Neemt u mij niet kwalijk.
(tot het Tribunaal): Ik zou uw aandacht willen vestigen op het feit dat dit document Raeder-7 is.
RAEDER: (gaat verder) Toen vaardigde Hitler zijn Vijfjarenplan uit dat zich toevallig ook uitstrekte over de jaren 1933 tot 1938 en volgens welk de Kriegsgliederung voor het jaar 1938 moest worden vastgelegd. Het Kriegsgliederung Endziel werd vastgelegd voor 1944-45; de reden voor het vastleggen van deze datum, zoals vermeld in het document dat u net hebt voorgelezen, was het feit dat wij voor het vastleggen van ons programma rekening moesten houden met de fondsen en materialen die ons ter beschikking stonden, de capaciteit van de scheepswerven en de tijd die nodig is voor het bouwen van grote oorlogsschepen. Een redelijk sterke strijdmacht kon voor die tijd niet worden gevormd. Later verschijnt de Kriegsgliederung weer in enkele van mijn brieven. Maar er werd geen datum genoemd die van onze kant bedoeld was als aangewezen tijdstip voor een aanval.
Dr. SIEMERS: De verklaringen in document C-135 zijn in overeenstemming met het Duits-Britse Marinepact. Is dat juist?
Misschien heb ik mijn vraag niet juist geformuleerd. De uitlating dat er een nieuw programma werd opgezet houdt in dat dat gebeurde in overeenstemming met het Duits-Britse Marinepact?
RAEDER: Ja, natuurlijk.
Dr. SIEMERS: Hoe dan ook, de verwijzing naar document C-135, punt 8 moet waarschijnlijk op die manier worden uitgelegd want er staat:
“.... een moderne vloot, alleen gebonden aan de bepalingen van het Duits-Britse Marinepact.
RAEDER: Natuurlijk.
Dr. SIEMERS: Ik ga nu over op een ander onderwerp en ga terug naar het jaar 1933.
Grossadmiral, wanneer ontmoette u Hitler en had u voor 1933 een of andere band met het Nationaalsocialisme?
RAEDER: Ik ontmoette Hitler op 2 februari 1933 toen ik hem voor het eerst zag en met hem sprak. Dat was tijdens een receptie gegeven door Generaal Von Blomberg in het huis van Generaal Von Hammerstein, de Chef Staf van het Opperbevel van het leger, waar Reichsverteidigungsminister von Blomberg van plan was oudere generaals en admiraals aan Hitler voor te stellen. Ik zal de gebeurtenissen later beschrijven.
Tot aan dat tijdstip had ik geen enkele band met het Nationaalsocialisme. Ik kende alleen Admiraal von Levetzov uit de Eerste Wereldoorlog. Hij was verbonden aan de staf van Admiraal Scheer die ik goed kende en die duidelijk Hitler op een vergelijkbaar vroeg tijdstip had ontmoet. Het was echter via hem dat ik hoorde dat Hitler een levendige belangstelling had voor zaken betreffende de Marine en hij was er opvallend goed van op de hoogte. Aan de andere kant geloof ik dat Von Levetzov met Hitler over de reputatie van de Marine en over zijn eigen mening over de Marine destijds had gesproken. Maar buiten dat had ik geen bindingen.
Dr. SIEMERS: Wat waren uw redenen om in 1933 in functie te blijven, Grossadmiral als u geen binding met het Nationaalsocialisme had?
RAEDER: De Reichspräsident, Feldmarschall Von Hindenburg en tevens Opperbevelhebber van de Wehrmacht had de leider van de grootste partij benoemd tot Reichskanzler. Ik denk dat wanneer ik toen naar hem toe was gegaan en hem had verteld dat ik wilde aftreden – of de wens had om af te treden – omdat hij een nieuwe Reichskanzler had benoemd, hij dat zeker als een belediging zou hebben opgevat en me dan werkelijk zou hebben ontslagen. Ik had niet de minste reden om mijn Opperbevelhebber te vragen mij van mijn militaire post te ontheffen omdat hij, in zijn hoedanigheid van Reichspräsident een nieuwe Reichskanzler had benoemd waarmee ik het wellicht niet eens was.
Dr. SIEMERS: Waar en wanneer hoorde u Hitler voor het eerst zijn politeke principes verkondigen?
RAEDER: Ik hoorde hem voor het eerst op de al genoemde 2 februari, na het diner in het huis van Generaal Von Hammerstein. Ik werd voor het diner aan hem voorgesteld en na het diner hield hij een toespraak. Hij werd vergezeld door de Minister van Buitenlandse Zaken, de heer Von Neurath. Er waren geen andere leden van de partij aanwezig.
In zijn rede sprak hij het eerst over zijn loopbaan en zijn sociale en nationale doelstellingen. Hij zei dat hij gelijke rechten voor het Duitse Reich wilde terugkrijgen en dat hij zou proberen het land te bevrijden van de ketenen van het Verdrag van Versailles en Duitsland haar interne souvereiniteit teruggeven; hij besprak ook zijn sociale doelstellingen: de vorming van een hechte gemeenschap onder de de bevolking, het verhogen van de levensstandaard van de arbeiders, steun aan boeren en bevordering van de landbouw, het vormen van een arbeidsdienst en het opheffen van de werkloosheid. Hij benadrukte in het bijzonder – en dat was eigenlijk zijn belangrijkste punt – dat zowel het binnenlands als het buitenlands beleid geheel in zijn handen zou liggen; dat de Wehrmacht hier helemaal niets mee te maken had, dat de Wehrmacht zelfs niet moest worden ingezet bij het bestrijden van onrust in eigen land omdat hij over andere krachten beschikte om daartegen op te treden. Hij wilde voor de Wehrmacht een ongestoorde periode van ontwikkeling garanderen zodat die de noodzakelijke factor zou kunnen worden bij het voorkomen dat het Reich tot speelbal van andere naties zou worden; om die reden zou het nodig zijn dat de Wehrmacht in de komende jaren de volledige aandacht zou richten op de voorbereiding op haar belangrijkste doel: trainen voor de verdediging van het vaderland in geval van agressie. De Wehrmacht zou de enige drager van wapens zijn en haar structuur zou ongewijzigd blijven. Hij ging niet op details in.
Er had zich een redelijk groot gezelschap verzameld. Wat betreft plannen voor een oorlog – er werden er geen genoemd en alle aanwezigen waren buitengewoon tevreden met zijn rede. Hij sprak met bijzondere eerbied over Reichspräsident von Hindenburg, de Opperbevelhebber van de Wehrmacht en wij hadden de indruk dat hij deze veel geprezen man zou respecteren.
Deze rede was het enige relaas van zijn basisprincipes dat hij mij deed als Chef van het Opperbevel van de Marine, net als aan de Chef Staf van het Opperbevel van het leger en aan anderen.
Dr. SIEMERS: Grossadmiral, wanneer bracht u voor het eerst verslag uit aan Hitler over de Marine en wat was Hitler’s algemene houding bij deze gelegenheid – ten opzichte van de Marine in het bijzonder?
RAEDER: Het eerste verslag over de Marine dat ik hem deed was een paar dagen later in aanwezigheid van Generaal Von Blomberg die in zijn hoedanigheid van Reichswehrminister mijn meerdere was. Ik kan de precieze datum niet noemen maar het was kort daarna.
Bij die gelegenheid deed Hitler mij een verder relaas over de principes volgens welke ik het bevel over de Marine moest voeren. Ik rapporteerde aan Hitler allereerst over de toestand van de Marine, over de geringe mate waarin de bepalingen van het Verdrag door de Marine waren nageleefd, de minderwaardige sterkte, het scheepsvervangingsprogramma en gebeurtenissen die met het beleid te maken hadden zoals de Overeenkomst van Washington, het Verdrag van Londen van 1930, de positie van de Ontwapeningsconferentie. Hij was al over al deze zaken volledig geïnformeerd.
Hij zei dat hij mij de principes duidelijk wilde maken waarop zijn beleid was gebaseerd en dat dit beleid moest dienen als lange termijn beleid voor de Marine. Ik herinner me die woorden nog heel goed en ook die welke volgden.
Hij wenste onder geen enkele voorwaarde complicaties te krijgen met Engeland, Japan of Italië, boven alles niet met Engeland. En hij wilde dit bewijzen door met Engeland tot overeenstemming te komen met betrekking tot de sterkte die aan de Duitse vloot moest worden toegewezen in vergelijking met die van de Engelse Marine. Door dat te doen wilde hij aantonen dat hij eens en voor altijd bereid was het recht van Engeland te erkennen er een Marine op na te houden die in verhouding stond tot de uitgestrektheid van haar belangen in de hele wereld. De Duitse Marine vroeg alleen om uitbreiding in de mate die werd vereist door een Europees continentaal beleid. Ik achtte dit het tweede belangrijke principe waarop ik mijn leiding over de Marine moest baseren. De werkelijke krachtsverhouding tussen de beide marines werd toen niet besproken, die werd later besproken.
Deze beslissing van Hitler veroorzaakte grote tevredenheid zowel bij mijzelf als bij de Marine als geheel want het betekende dat we niet langer zinloos hoefden te concureren met de grootste zeemacht en ik zag de mogelijkheid om onze Marine geleidelijk aan op een solide basis op te bouwen. Ik geloof dat deze beslissing door de hele Marine met vreugde werd ontvangen en dat het belang ervan werd begrepen. Het Rusland Pact werd later met dezelfde waardering ontvangen want de combinatie van dit pact en de Marineovereenkomst zou een garantie zijn geweest voor een gunstige ontwikkeling. Er waren mensen – maar niet binnen de Marine – die geloofden dat dit neerkwam op het afstaan van terrein maar deze beperking werd door de meerderheid van de Duitsers met veel begrip aanvaard.
Dr. SIEMERS: Grossadmiral, wat waren uw persoonlijke betrekkingen met Hitler? Hoe oordeelde u over hem in de loop der jaren en wat was Hitler’s houding ten opzichte van u?
RAEDER: Ik verwelkomde deze dynamische persoonlijkheid die duidelijk zeer intelligent was, die een enorme wilskracht bezat, een meester was in de omgang met mensen en – zoals ik zelf in de beginjaren opmerkte – een groot en zeer kundig politicus wiens nationale en sociale doelstellingen al zeer goed bekend waren en die in hun geheel door de strijdkrachten en de Duitse bevolking waren aanvaard......
De PRESIDENT: Het Tribunaal is van mening dat dit veel korter kan. We hebben het al van zoveel anderen gehoord.
Dr. SIEMERS: Ja, mag beklaagde zijn betrekkingen met Hitler niet beschrijven? Vindt het Tribunaal dat niet ter zake doend?
De PRESIDENT: Hij zou het kort kunnen houden.
Dr. SIEMERS: Ja, goed. Grossadmiral, houdt u het alstublieft kort.
RAEDER: Ik zou alleen maar willen zeggen wat ik over Hitler dacht om mijn reden hem nooit te verlaten duidelijk te maken, iets wat de Aanklager mij zwaar heeft aangerekend. Zijn eerste stappen op het gebied van zowel de binnenlandse als de buitenlandse politiek gaven aanleiding tot waardering voor zijn politieke vaardigheden en deden de hoop ontstaan dat hij, omdat hij deze stappen zonder bloedvergieten of politieke complicaties had gezet, hij in staat zou zijn om op dezelfde manier ieder probleeem op te kunnen lossen dat later wellicht zou ontstaan.
De PRESIDENT: We hebben – zoals ik al het opgemerkt – over deze kwaliteiten of over Hitler’s vaardigheden al van bijna ieder van de beklaagden gehoord en het dient alleen maar ter aanvulling; als deze beklaagde wil zeggen dat hij zeer onder de indruk was van Hitler’s capaciteiten is dat voldoende. De rest is bijzaak.
RAEDER: Goed, dan zal ik alleen nog zeggen dat ik in de beginjaren geen reden had mij af te vragen of ik op mijn post zou blijven of niet.
Dr. SIEMERS: Grossadmiral, we komen in een latere fase van dit verhoor vanzelf op de latere verwikkelingen.
Ik kom nu toe aan de Duits-Britse Marineovereenkomst en ik zou u kort willen vragen hoe deze Marineovereenkomst van 1935 tot stand kwam. Ik verwijs naar document Raeder-11, documentenboek 1, pagina 59; dat bevat de Marineovereenkomst in de vorm van een bericht van de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken aan de Britse regering. De feitelijke inhoud werd door de Britten vastgesteld, zoals uit de eerste paar woorden blijkt:
“Uwe Excellentie, ik heb de eer de ontvangst van de nota van vandaag van Uwe Excellentie te bevestigen waarin u zo goed bent, mij namens Zijne Majesteit’s Regering van het Verenigd Koninkrijk het volgende mede te delen:
“1 Gedurende de laatste paar dagen zijn vertegenwoordigers van de Duitse regering en van Zijne Majesteit’s Regering van het Verenigd Koninkrijk in gesprekken gewikkeld geweest waarvan het belangrijkste doel is geweest de weg te effenen voor het houden van een grote conferentie over het onderwerp beperking van de maritieme bewapening. Het is mij nu een groot genoegen om Uwe Excellentie op de hoogte brengen van de formele aanvaarding door Zijne Majesteit’s Regering van het Verenigd Koninkrijk van het voorstel van de Duitse regering, tijdens die gesprekken behandeld, dat de toekomstige sterkte van de Duitse Marine in vergelijking met de gezamenlijke sterkte van de Leden van het Britse Gemenebest in de verhouding 35:100 zal zijn. Zijne Majesteit’s Regering van het Verenigd Koninkrijk beschouwt dit voorstel als een bijdragen van het grootste belang aan de kwestie van de toekomstige maritieme beperking. Zij gelooft verder dat de Overeenkomst die nu met de Duitse regering is bereikt en die zij vanaf vandaag beschouwt als een permanente en definitieve overeenkomst tussen de twee regeringen..... “
De PRESIDENT: Dit is een zeer bekend document en het Tribunaal zal het natuurlijk voor kennisgeving aannemen. Het is niet nodig het allemaal voor te lezen.
Dr. SIEMERS: Prima. Ik zou er nochtans op willen wijzen dat op grond van punt 2f van dit document, de Britse regering erkende dat voor zover het U-boote betrof, aan Duitsland hetzelfde aantal moet worden toegestaan als aan Engeland. Destijs bedroeg die hoeveelheid ongeveer 52.000 ton of liever gezegd meer dan 100 U-boote. De regering van het Duitse Reich beperkte zich echter vrijwillig tot 45 procent van het tonnage aan onderzeeboten van het Britse Imperium.
(tot de beklaagde): Beschouwden u en de Marine dergelijke aanzienlijke beperkingen als basis voor Duitsland’s vreedzame ontwikkeling en werd het door de Marine in het algemeen gunstig ontvangen?
RAEDER: Ja, zoals ik al heb gezegd werd dit met de grootste tevredenheid ontvangen.
Dr. SIEMERS: Omdat een oordeel dat enkele jaren geleden is gevormd meer gewicht in de schaal legt dan een verklaring die nu in de loop van dit proces is afgelegd, wens ik document Raeder-12 in te dienen, documentenboek 1, pagina 64. Dit document behelst een bericht van Grossadmiral Raeder ter informatie aan het officierskorps. Het is gedateerd 15 juli 1935, een maand na de ondertekening van het Marineverdrag. Raeder zegt – en ik citeer de tweede alinea:
“De overeenkomst was het gevolg van de beslissing van de Führer om de verhouding tussen de vloten van Duitsland en Groot-Brittannië vast te leggen op 35:100. Deze beslissing, die was gebaseerd op overwegingen van Europese politiek vormde het startpunt voor de conferentie van Londen. Ondanks eerdere weerstand uit Engeland hielden wij onwrikbaar vast aan onze beslissing en aan onze eisen werd in hun geheel voldaan. De beslissing van de Führer was gebaseerd op de wens om de mogelijkheid van vijandigheid tussen Duitsland en Engeland in de toekomst uit te sluiten en zo de mogelijkheid tot maritieme rivaliteit tussen beide landen voor altijd uit te sluiten.”
Een zin op pagina 66 is ook van belang. Ik wil het Tribunaal verzoeken de rest voor kennisgeving aan te nemen:
“Door deze overeenkomst werd de opbouw van de Duitse Marine tot de mate zoals vastgelegd door de Führer door Engeland toegestaan.” Dit wordt gevolgd door individuele uitspraken over tonnage.
Dan zou ik de aandacht willen vestigen op de laatste zin, die tekenend is voor Raeder’s houding van destijds:
“Deze overeenkomst betekent een belangrijk succes op het politieke vlak want het is de eerste stap naar een praktisch begrip en betekent de eerste versoepeling van het starre front dat tot dusverre door onze vroegere tegenstanders tegen Duitsland is gehandhaafd en nogmaals onverbiddelijk is gedemonstreerd in Stresa.”
Grossadmiral, werden de destijds door u vastgelegde lijnen van vreedzame ontwikkeling in de volgende jaren gevolgd?
RAEDER: Ja.
Dr. SIEMERS: In dit verband zou ik document Raeder-13 willen indienen. Dit is een document dat mij in staat stelt – om tijd te winnen – het zonder de getuigenis van vice-Admiraal Lohmann hier voor het Hof te stellen. Dit document zit in documentenboek 1, pagina 68 en is getiteld: “Het nieuwe plan voor de ontwikkeling van de Duitse Marine,” en het is een standaardwerk. Het is een rede, gehouden door vice-Admiraal Lohmann op de Hanze Universiteit in Hamburg in de zomer van 1935. Ik verzoek het Hoge Tribunaal de essentiële delen van dit document voor kennisgeving aan te nemen en omdat dit een gezaghebbend werk is, opgesteld op verzoek van het Opperbevel mag ik misschien het volgende citeren. Admiraal Lohmann stelt eerst, daar we nu de vrijheid hadden om troepen te werven en te bewapenen dat de Marine toen vrij was van beperkingen maar dat het niet Hitler’s mening was. Ik citeer nu:
“De Führer koos echter een andere weg. Hij gaf er de voorkeur aan direct met Engeland, onze voormalige tegenstander, te onderhandelen over de bewapening van de Marine – neem me niet kwalijk, ik citeer van pagina 70 – en heeft jarenlang geprobeerd begrip te tonen voor onze moeilijke situatie.”
En op pagina 71 spreekt Lohmann over misleidende berichten in de pers et cetera en gaat dan letterlijk verder:
“Des te verrassender was toen de ratificatie van de overeenkomst die de volledige instemming van beide regeringen uitdrukte en niet, zoals bewapeningsovereenkomsten uit vroeger dagen, meer bitterheid dan begrip achterliet. De sportiviteit die Britse staatslieden hebben behouden, ondanks de vaak smerige methoden van hogere politiek, werd duidelijk toen ze werden geconfronteerd met de onvoorwaardelijke ernst van de Duitse verklaringen, de waardige vasthoudendheid van de Duitse vertegenwoordigers en de emotionele wens voor vrede die de toespraken en daden van onze Führer inspireerden.
Anders dan vroeger drukten de toespraken van de Britse leiders respect en erkenning uit. We hebben dit erkend als een teken van eerlijke bereidheid tot begrip. De stemmen uit de kringen van Britse oorlogsveteranen zijn nauwelijks minder waard dan de houding van de officiële leiders. In november 1938 bijvoorbeeld, toen de Duitse vloot door Britse eskaders naar Scapa Flow werd opgebracht om te worden geïnterneerd stuurde de Britse Opperbevelhebber, Lord Beatty, de grote tegenstander van onze Admiraal Hipper, het beroemde bericht: “Vergeet niet dat de vijand een verachtelijk beest is.” Deze Admiraal uitte zijn afkeer voor Duitsland bij vele gelegenheden maar op 26 juni stelde deze zelfde Lord Beatty in het Britse Hogerhuis: “Ik ben van mening dat we de Duitsers dankbaar moeten zijn. Ze kwamen naar ons toe met uitgestrekte armen en kondigden aan dat zij akkoord gingen met de verhouding 35:100. Als ze andere voorstellen hadden gedaan hadden we die niet kunnen voorkomen. We kunnen oprecht dankbaar zijn voor het feit dat er tenminste een land ter wereld is waarvan we de concurrentie met betrekking tot bewapening niet hoeven te vrezen.”
Dan zou ik willen verwijzen naar pagina 73, waar slagschepen worden beperkt tot 35.000 ton. Deze beperking speelt een rol in document C-23 van de Aanklager. Het feit dat in dit document, naast de woorden “Panamakanaal” de woorden “slagschepen 35.000 ton” staan heeft een bepaalde betekenis. De beperking tot 35.000 ton is niet zo beslissend en belangrijk als de Aanklager ons wil doen geloven. Dit is de reden: De Verenigde Staten van Amerika wilden destijds de tonnage beperken tot 35.000 ton vanwege de breedte en diepte van het Panamakanaal, want het Panamakanaal zou moeten worden uitgediept en verbreed teneinde schepen van een groter tonnage toe te laten. Ik zal later op dit punt terugkomen omdat die limiet van 35.000 ton niet werd gehandhaafd.
Dan, als bewijs voor de basis voor vergelijking met Duitse U-boote zou ik willen wijzen op pagina 76 waar het cijfer van 52.700 ton wordt genoemd. Het is een historisch feit – wat hier staat vermeld – dat Frankrijk zich niet hield aan deze beperking en destijds de sterkste onderzeevloot had met haar 96.000 ton, 96 afgebouwd en 15 in aanbouw. Het is ook een historisch feit – en dat staat op dezelfde pagina – dat Duitsland erin had toegestemd de onderzeeboten af te schaffen omdat zij er na de Eerste Wereldoorlog 315 had moeten vernietigen.
Grossadmiral, werd deze afspraak met de Britse vloot, die uit dit document blijkt, duidelijk bij andere of bepaalde gelegenheden?
RAEDER: Ik probeerde deze goede verstandhouding te handhaven en deze gevoelens aan de Britse Marine over te brengen toen ik bijvoorbeeld werd ingelicht over de dood van Admiraal Jellicoe door een telefoontje van een Engels nieuwsagentschap. Hij stond in de Eerste Wereldoorlog tegenover ons als hoofd van de Engelse vloot en wij beschouwden hem altijd als een ridderlijke tegenstander. Via dit agentschap stuurde ik een bericht naar de Engelse vloot.
De PRESIDENT: Ik betwijfel of dit enig effect heeft op de zaken die we hier moeten beoordelen.
RAEDER: Hoe dan ook, ik probeerde voor de toekomst een goede verstandhouding te bereiken met de Britse Marine en deze goede verstandhouding te handhaven.
Dr. SIEMERS: Op 17 juli 1937 werd een volgende Duits-Britse Marineovereenkomst getekend. Ik dien dit document in als Raeder-14, documentenboek 1, pagina 81. Dit is een vrij lang document waarvan maar een gedeelte is vertaald en in het documentenboek opgenomen. Om de schendingen te begrijpen waarvan de Aanklager ons beschuldigt, moet ik naar enkele punten in dit document verwijzen.
De overeenkomst betreft de beperking van bewapening van de marine en in het bijzonder de uitwisseling van informatie over scheepsbouw. In Artikel 4 vinden we de beperking tot 35.000 ton voor slagschepen die al is genoemd; in de Artikelen 11 en 12 – die ik niet zal voorlezen vanwege het technische karakter maar ik zou het Tribunaal willen verzoeken er nota van te nemen – wordt van beide regeringen gevraagd jaarlijks verslag te doen over het bouwprogramma voor de marine. Dit moet gebeuren in de eerste vier maanden van het kalenderjaar met details over bepaalde schepen – grote schepen in het bijzonder – 4 maanden voordat de kiellegging plaats vindt. Voor een beter begrip van de hele kwestie, die de basis heeft gevormd voor een beschuldiging tegen de beklaagden in verband met die marineovereenkomst, mag ik verwijzen naar de Artikelen 24 tot 26. De drie artikelen tonen aan ....
De PRESIDENT: Kunt u die artikelen samenvatten?
Dr. SIEMERS: Ja. Ik was niet van plan ze voor te lezen, Meneer de President. Ik wil er alleen een of twee punten uit citeren.
Deze artikelen sommen de condities op waaronder elke partner aan de overeenkomst ervan kon afwijken. Vanaf het begin werd het toelaatbaar gevonden onder bepaalde omstandigheden van de overeenkomst af te wijken, wanneer bijvoorbeeld (Art. 24) een van de partners betrokken raakt bij een oorlog of (Art. 25) een andere mogendheid zoals de Verenigde Staten, Frankrijk of Japan een schip zou bouwen of kopen dat groter was dan voorzien in de overeenkomst. In dit artikel wordt uitdrukkelijk verwezen naar Artikel 4 – naar slagschepen groter dan 35.000 ton – in geval van een afwijking; de enige verplichting was de andere partij in te lichten. Artikel 26 noemt een zeer algemene grond voor een afwijken van de overeenkomst, namelijk in die gevallen waar de veiligheid van de natie zulks vereist wordt een dergelijk afwijking geacht gerechtvaardigd te zijn. Op dit punt zijn verdere bijzonderheden niet nodig.
SIR DAVID: Edelachtbare, de afwijking is volgens Subartikel 2 onderworpen aan mededeling aan de andere partij. Het was alleen van belang bij artikel 26 – elke afwijking moet worden gemeld aan de andere partij die de afwijking doorvoert.
De PRESIDENT: Is dat zo, Dr. Siemers?
Dr. SIEMERS: Ja, natuurlijk. Ik meen ....
De PRESIDENT: Wil de Aanklager hiermee zeggen dat de overeenkomst werd geschonden?
Dr. SIEMERS: Ja. Onder verwijzing naar de opmerkingen die Sir David net maakte zou ik willen zeggen dat ik erop wees dat een dergelijke afwijking onder deze voorwaarden was toegestaan maar er bestond een verplichting de andere partij in te lichten. Misschien is dat eerder niet door gekomen.
(tot de beklaagde): Admiraal, werd deze overeenkomst in 1937 gesloten vanuit dezelfde visie die u al hebt genoemd? Zijn er nog andere opmerkelijke factoren die tot de overeenkomst hebben geleid?
RAEDER: In 1936 liepen, als ik me goed herinner de overeenkomsten die Engeland tot dusverre met andere landen had gesloten af en Engeland verlangde er daarom sterk naar deze overeenkomsten in de loop van 1936 te vernieuwen. Het feit dat wij in 1937 werden uitgenodigd om deel te nemen aan een nieuwe overeenkomst tussen alle mogendheden betekende dat Duitsland vanaf nu volledig werd opgenomen in al deze overeenkomsten.
Dr. SIEMERS: De Aanklager heeft u ervan beschuldigd dit Duits-Britse Marinepact te hebben geschonden en deze beschuldiging is gebaseerd op document C-23, bewijsstuk USA-49 in documentenboek 10 van de Britse delegatie, pagina 3. Dit document is gedateerd 18 februari 1938. Het is tijdens dit proces al herhaaldelijk genoemd en begint als volgt:
“De werkelijke waterverplaatsing van de slagschepen de Scharnhorst, de Gneisenau en F/G is in beide gevallen 20 procent groter dan de verplaatsing die aan de Britten is gemeld.”
Dan vinden we een lijst die aantoont dat de waterverplaating van de Scharnhorst werd opgegeven als zijnde 26.000 ton maar die was in werkelijkheid 31.300 ton en dat de gemelde diepgang een meter minder was dan feitelijk vermeld. De F klasse, de Bismarck en de Tirpitz stonden te boek als 35.000 ton maar hadden een werkelijke waterverplaatsing van 41.700 ton en een verschil in diepgang van 80 centimeter. Daarom is dit, op grond van wat we hebben gezien een duidelijke schending van de overeenkomst.
Grossadmiral, ik neem aan dat u deze schending van de overeenkomst niet bestrijdt?
RAEDER: Nee. Op geen enkele manier.
Dr. SIEMERS: Ten tijde van dit document ging het zeker om slechts vier slagschepen, de Scharnhorst, de Gneisenau, de Bismarck en de Tirpitz .....
De PRESIDENT: Het lijkt erop dat u weer verklaringen aflegt voor het Tribunaal, u doet uitspraken in plaats van dat u vragen stelt aan de beklaagde.
Dr. SIEMERS: Ik meen, Meneer de President, dat ik mijn gedocumenteerde bewijsmateriaal hier aanvoer om het verband aan te tonen, om duidelijk te maken waar we het over hebben. Ik stond op het punt de vraag te stellen: Waren de vier genoemde slagschepen al in dienst toen dit document werd opgesteld?
RAEDER: Nee, die waren nog niet in dienst gesteld.
Dr. SIEMERS: Geen van deze vier slagschepen?
RAEDER: Nee.
Dr. SIEMERS: Als het mij wordt toegestaan, ik kan zeggen dat de juiste data waarop deze schepen in dienst werden gesteld – data die beklaagde nauwelijks uit het hoofd kan herhalen – te vinden zijn onder Punt IV van de verklaring van Lohmann, document Raeder-2.
De PRESIDENT: Ik vind dat u dat moet bewijzen. U kunt ze niet noemen zonder ze te bewijzen.
Dr. SIEMERS: Ja, zeker, Edelachtbare.
Ik verwijs naar document Raeder-2 dat al bij het Tribunaal is ingediend. Dat is de beëdigde verklaring van Lohmann, op pagina 5. Ik citeer uit documentenboek 1, pagina 8:
“Binnen de beperkingen, vastgelegd in de Duits-Britse Marineovereenkomst heeft de Duitse Marine vier schepen besteld. Ik voeg de data van de kiellegging, te waterlating en in dienst stelling eraan toe voor zover ik me die nog herinner. Scharnhorst: kiellegging, juiste datum niet bekend,te water gelaten 3 oktober 1936, in dienst gesteld 7 januari 1939. Gneisenau: kiellegging, juiste datum niet bekend, te water gelaten 8 december 1936, in dienst gesteld 31 mei 1938. Bismarck: kiellegging 1936, te water gelaten 14 februari 1939, in dienst gesteld 2 augustus 1940. Tirpitz: kiellegging 1936, te water gelaten 1 april 1939, in dienst gesteld 1941.”
Admiraal Lohmann was niet in staat de precieze data te achterhalen. De “H” – ik mag eraan toevoegen dat de andere schepen genoemd in document C-23 in aanbouw waren maar later werden gesloopt. Ze waren al in de zomer van 1939 gesloopt en dit geldt alleeen vor de eerste “H“ Tot zover is er geen sprake van een definitieve voorbereiding of de bouw. Omdat er sprake is van een duidelijke schending van het verdrag moeten we nu overwegen in welk licht deze schending moet worden gezien. De Aanklager heeft gezegd dat deze schending misdadig is omdat die een intentie tot agressie inhoudt. Om tijd te besparen – zeker omdat het hier over technische kwesties gaat – zou ik voordat ik beklaagde verder ondervraag, document Raeder-15 willen indienen binnen het kader van het gedocumenteerde bewijsmateriaal dat ik met toestemming van het Tribunaal heb ingediend. Naar mijn mening vormt dit document het bewijs dat er geen sprake was van een intentie tot agressie.
Document Raeder-15 is een beëdigde verklaring – neem me niet kwalijk – hij zit in documentenboek 1, pagina 94. Dit document handelt over een beëdigde verklaring die door Dr. Ing. Wilhelm Schuchting is afgelegd voor een notaris in Hamburg en hij is belangrijk voor het weerleggen van document C-23 en om die reden zou ik willen citeren:
“Ik ben de voormalige directeur van de scheepswerf Blohm & Voss in Hamburg. Ik heb van 1937 tot 1945” – neem me niet kwalijk – “van 1907 tot 1945 bij dat bedrijf gewerkt en ik ben op de hoogte van alle kwesties betreffende de bouw van oorlogs- en koopvaardijschepen. Als ingenieur in het bijzonder beschikte ik over gedetailleerde informatie over de bouw van oorlogsschepen voor de Duitse Marine. Dr. Walter Siemers, advocaat in Hamburg liet mij document C-23 zien, gedateerd 18 februari 1938 en vroeg mij om mijn commentaar. Dit document toont aan dat de Marine, in tegenstelling tot de vorige overeenkomst, de Britten meedeelde dat de slagschepen de Scharnhorst en de Gneisenau – net als andere voorgenomen bouwprojecten – een waterverplaatsing en diepgang hadden van ongeveer 20 procent minder dan in feite het geval was.” “Ik kan enkele bijzonderheden geven om uit te leggen waarom deze informnatie werd verstrekt. Ik neem aan dat de aan de Britten gegeven informatie – informatie die volgens Marineovereenkomst 4 moest worden verstrekt - 4 maanden voor de kiellegging – gebaseerd was op het feit dat beide schepen oorspronkelijk een waterverplaatsing van 26.000 ton en een diepgang van 7.5 meter zouden krijgen en het slagschip “F “ – de Bismarck – een waterverplaatsing van 35.000 ton en een diepgang van 7.9 meter zoals vermeld.”
“Als deze slagschepen later werden gebouwd met een grotere waterverplaatsing en diepgang waren de veranderingen het gevolg van orders gegeven door de Marine terwijl de plannen werden opgesteld en die de werf had uit te voeren. De veranderingen waren gebaseerd op het standpunt, herhaaldelijk door de Marine uitgedrukt, de oorlogsschepen op zo’n manier te bouwen dat ze zo veel mogelijk onzinkbaar waren. De toename van de tonnage was niet bedoeld om de offensieve kracht van het schip te vergroten”- neemt u mij niet kwalijk, Meneer de President, ik ben over enkele ogenblikken klaar – “De toename van de tonnage was niet bedoeld om de offensieve kracht van het schip te vergroten maar was bedoeld voor defensieve doeleinden en bescherming.”
Ik mag er wellicht op wijzen dat er in de Engelse tekst een vertaalfout staat. In deze tekst ontbreekt het woord “niet.” Er moet staan staan “was niet bedoeld” en niet “was bedoeld.”
“Naarmate de tijd verstreek hechtte de Marine steeds meer belang aan het verdelen van de romp van een oorlogsschip in een groter aantal compartimenten teneinde het schip zo onzinkbaar mogelijk te maken en maximale bescherming te bieden in het geval van lekkage. De nieuwe slagschepen werden daarom breed gebouwd met veel tussenschotten, slechts tien meter uit elkaar en veel langs- en dwarsschotten buiten het torpedoschild. Tegelijkertijd was de horizontale en verticale bepantsering, zover mijn informatie reikt, zwaarder en opgebouwd uit dikkere platen dan die welke bij andere marines in gebruik waren. Teneinde ....
De PRESIDENT: Met andere woorden, zijn uitleg is dat ze tijdens de bouw om technische redenen werden gewijzigd. Wat die technische redenen zijn is niet belangrijk.
Dr. SIEMERS: Neemt u mij niet kwalijk, Meneer de President, maar ik geloof stellig dat het hier om een duidelijk omschreven schending van een verdrag gaat, de wijze van schending is van enig belang. Ik geloof niet dat elke schending van een verdrag kan worden omschreven als een oorlogsmisdaad. Het punt is of deze schending een oorlogsmisdaad is in de zin van het Handvest – met andere woorden, of die werd ingegeven door de bedoeling, een aanvalsoorlog te voeren. Een onbelangrijke schending van een soort dat tenslotte in vrijwel ieder burgerlijk proces kan worden aangetroffen kan geen misdaad zijn.
De PRESIDENT: De verklaring ligt voor ons. We zullen hem lezen. In feite hebt u de belangrjkste punten al gehad.
Ik denk dat we nu beter kunnen schorsen. Hoe lang denkt u nog nodig te hebben?
Dr. SIEMERS: Meneer de President, het is erg moeilijk voor mij dat nauwkeurig in te schatten maar ik stel me voor dat ik het morgen kan afronden. Ik hoop, Meneer de President, het tegen de middag af te kunnen ronden maar ik vraag u het feit in overweging te nemen dat ik mijn gedocumenteerde bewijsmateriaal opneem in mijn verhoor en dat dit bewijsmateriaal dat in veel andere gevallen uren heeft gekost om te presenteren, op die manier gelijktijdig kan worden behandeld.
De PRESIDENT: Het Tribunaal hoopt dat u uw presentatie zo kort mogelijk zult houden. We zijn al zo lang met deze beklaagde bezig.
(de zitting wordt geschorst tot 14:00 uur.)

Definitielijst

Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
invasie
Gewapende inval.
Mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
ratificatie
Bekrachtiging, goedkeuring door een regering of parlement van een internationale overeenkomst.
Rijnland
Duitstalig na WO I gedemilitariseerd gebied aan de rechteroever van de Rijn dat door Hitler bezet werd in 1936.
slagschip
Zwaar gepantserd oorlogsschip met geschut van zeer zwaar kaliber.

Middagzitting 1

Dr. SIEMERS: Meneer de President, ik moet eerst een formeel verzoek indienen, namelijk of ik behalve mijn eigen secretaris een andere in de zaal mag hebben. Ze was hier vanmorgen maar haar is net verteld dat ze de rechtszaal niet in mag en ze staat nu buiten de deur.
De PRESIDENT: Goed.
(beklaagde Raeder neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
Dr. SIEMERS: Grossadmiral, u hebt net de verklaring van Dr. Schuchting gezien. Is het waar, of liever – om u niet in verwarring te brengen wil ik vragen – waarop baseerde de Marine haar plannen voor het vergroten van de slagschepen met ongeveer 20 procent?
RAEDER: Oorspronkelijk was het niet de bedoeling de schepen met ongeveer 20 procent te vergroten. Maar in de tijd waarin we de bouw van slagschepen hervatten, toen we konden zien dat we in ieder geval maar een zeer klein aantal slagschepen zouden hebben, kwam het bij ons op dat de weerstand van de schepen tegen het zinken zo groot mogelijk gemaakt moest worden om de weinige die we hadden zo onkwetsbaar mogelijk te maken. Het had niets te maken met een zwaardere bewapening of iets dergelijks maar alleen maar met het verhogen van de weerstand tegen zinken en vijandelijk geschut. Om deze reden werd er toen een nieuw systeem uitgewerkt om de onderverdeling van de ruimte in het schip te vergroten en te versterken. Dat betekende dat er een grote hoeveelheid extra staal in het schip moest worden ingebouwd. Daardoor namen de diepgang en de waterverplaatsing toe. Dat was vanuit mijn standpunt ongelukkig want we hadden onze schepen ontworpen met relaitief weinig diepgang. De mondingen van onze rivieren, de Elbe, de Weser en de Jade zijn zo ondiep dat schepen met een grote diepgang niet alle delen van de rivieren kunnen bevaren. Daarom lieten we brede schepen bouwen met de bedoeling die een geringe diepgang te geven maar door de inbouw van zoveel nieuwe langs- en dwarsscheepse tussenschotten nam de diepgang en ook de waterverplaatsing toe.
Dr. SIEMERS: Waren deze nadelige veranderingen die tijdens de constructie plaatsvonden gedeeltelijk te wijten aan relatief weinig ervaring in het bouwen van oorlogsschepen?
RAEDER: Ja. Omdat de ontwerpers in het Opperbevel van de Marine en de ontwerpers en ingenieurs op de grote scheepswerven in zeer lange tijd geen zware oorlogsschepen hadden gebouwd, ontbrak het hen aan ervaring. Als gevolg daarvan moest het OKM aanvullende orders geven aan de scheepswerven. Dat was op zich al een tegenslag die ik heftig probeerde te voorkomen.
Dr. SIEMERS: Werd met de bouw van deze slagschepen het totale tonnage overschreden dat bij de overeenkomst was toegestaan?
RAEDER: Nee, het totale tonnage werd pas aan het begin van de oorlog overschreden.
Dr. SIEMERS: Heren Rechters, in dit verband zou ik willen verwijzen naar document Raeder-8 dat al is ingediend in het documentenboek Raeder 1, pagina 40 onder II. In deze verklaring geeft Lohmann relaitieve cijfers die aantonen hoeveel ton aan slagschepen aan Duitsland was toegestaan onder de Marineovereenkomst. Neemt u er alstublieft nota van zonder dat ik al die cijfers hoef op te lezen. Wat belangrijk is dat volgens vergelijking met de Britse cijfers, Duitsland over 183.750 ton mocht beschikken. Destijds beschikte zij over drie afgebouwde gepantserde kruisers tot een totaal van 30.000 ton – dat hier staat vermeld – en dus bleven er volgens die verklaring nog 153.750 ton over.
Verwijzend naar document Raeder-127 zou ik een kleine correctie willen aanbrengen want Grossadmiral Raeder ontdekte bij het doorlezen van deze verklaring dat vice-Admiraal Lohmann een fout in een getal heeft gemaakt. In verhouding tot het geheel is de fout onbelangrijk maar om heel eerlijk en correct te zijn vond ik het nodig vice-Admiraal Lohmann hierop te wijzen. In plaats van 30.000 ton moet er in werkelijkheid ongeveer 34.000 staan, zodat er een verschil is, niet van 153.750 maar van 149.750 ton. Volgens de Marineovereenkomst mochten we tot 146.000 ton bouwen, het uiteindelijke cijfer zodat het resultaat niet verandert. De fout van vice-Admiraal Lohmann kan – zoals het Tribunaal weet – worden toegeschreven aan het feit dat we sterk beperkt waren in onze materiële bronnen.
RAEDER: Mag ik een opmerking maken bij wat ik net zei? De cijfers over de waterverplaatsing weken af van de bepalingen in het verdrag in die zin dat alleen de oorspronkelijke waterverplaatsing en diepgang werden vermeld en niet die welke geleidelijk aan ontstonden vanwege de wijzigingen tijdens de bouw.
Dr. SIEMERS: Mag ik het geachte Hof bovendien wijzen op het volgende: De Marineovereenkomst van 1937 werd gewijzigd door het Protocol van Londen van 30 juni 1938. Ik verwijs naar bewijsstuk Raeder-16. Mijn secretaresse vertelt me net dat het niet hier is; ik zal het later meenemen. Het is het laatste document in het documentenboek Raeder 1, pagina 97.
Mag ik het Hof eraan herinneren dat document C-23 van februari 1938 is. Bij dit Protocol van Londen werd op voorstel van de Britse regering de beperking op het tonnage van oorlogssschepen gewijzigd omdat de Britse regering, net als de Duitse, zich realiseerde dat 35.000 ton te weinig was. Zoals het protocol aantoont werd met ingang van 30 juni 1938 het tonnage voor oorlogsschepen verhoogd tot 45.000 ton. Daarmee werd dit verschil in oorlogsschepen, waarnaar in document C-23 wordt verwezen, een paar maanden later rechtgezet.
Nu begin ik aan een nieuw onderwerp, de kwestie van uw deelname aan en voorbereiding op een samenzwering tot het voeren van aanvalsoorlogen. Het gaat hier om de zogenaamde sleuteldocumenten die de Aanklager heeft gepresenteerd. Omdat u, Admiraal aanwezig was tijdens deze toespraken van Hitler tot de opperbevelhebbers, moet ik u vragen commentaar te geven op deze documenten. Het eerste document is document 386-PS, het zogenaamde Hossbach document, bewijsstuk USA-25 in documentenboek 10 van de Britse delegatie, pagina 81. Het is de toespraak van Hitler van 5 november 1937.
Grossadmiral, hebt u dit Hossbach document ooit gezien voordat dit proces begon?
RAEDER: Nee, ik heb geen documenten gezien en ook geen protocollen van toespraken die Hitler hield. Officieel werden er geen notulen gemaakt. Pas in latere jaren – ik meen sinds 1941 – waren er stenografen aanwezig die ieder woord opschreven wat er gesproken werd. Dit zijn echter helemaal geen echte notulen omdat het document niet direct werd opgesteld. Het werd door de schrijver opgesteld, vijf dagen na de eigenlijke toespraak, zoals we hebben gehoord.
Dr. SIEMERS: Hoewel dit een erg belangrijk document is heb ik gemerkt dat het in tegenstelling tot andere documenten geen uitdelingslijst heeft; het is geschreven vijf dagen na de eigenlijke toespraak en is zelfs niet eens gemarkeerd als geheim. Kunt u uitleggen waar deze notulen werden opgesteld?
RAEDER: Ik kan me de destijds heersende situatie niet herinneren. Ik kan me alleen maar voorstellen dat de adjudant in kwestie de notulen in zijn brandkast bewaarde.
Dr. SIEMERS: Dan hebt u na 8 of 9 jaar slechts een algemene indruk van deze toespraak?
RAEDER: Ja.
Dr. SIEMERS: Het document is hier in zijn geheel voorgelezen door de Aanklager en bevat, wat niemand kan ontkennen serieuze verwijzingen naar een aanvalsoorlog. Het vermeldt bijvoorbeeld iets dat als bij testament wordt nagelaten, het probleem van de Lebensraum, de haat tegen Engeland en Frankrijk; er staat dat, nu de bewapening eenmaal compleet is het eerste doel het omverwerpen van Tsjechoslowakije en Oostenrijk is. Legt u alstublieft aan het Hof uit wat voor effect die toespraak destijds op u had en hoe het kwam dat u er niet evenveel belang aan hechtte als bij voorbeeld de heer Von Neurath deed die ook aanwezig was. En ondanks die toespraak, hoe bleef u bij uw mening dat Hitler de oude lijn zou volgen en geen oplossing door geweld zou zoeken.
RAEDER: Mag ik ter inleiding zeggen dat de bewering in de Akte van Beschuldiging, dat een invloedrijke groep Nazis bijeen kwam om de situtie te beoordelen, helemaal geen juist beeld geeft van de situatie. Hitler riep de in het document genoemde personen bijeen om hen de mogelijkheden van de politieke ontwikkeling uit te leggen en hen iedere instructie te geven die hij wellicht wenste.
En hier zou ik iets in het algemeen willen zeggen – want er komt nog een aanzienlijk aantal toespraken van Hitler – over het karakter van zijn toespraken. Hitler sprak zeer langdurig en blikte altijd uitvoerig terug. Bovendien had hij met iedere toespraak een bijzonder doel, afhankelijk van zijn toehoorders. Net zozeer als hij een taalkunstenaar was, was hij ook een meester in het bluffen. Hij gebruikte sterke taal en alweer in overeenstemming met het onderwerp dat hij behandelde. Hij liet zijn fantasie de vrije loop. Hij sprak zichzelf in opeenvolgende toespraken ook regelmatig tegen. Men wist nooit wat zijn uiteindelijke doel; zijn bedoelingen waren. Aan het einde van zo’n toespraak was dat zeer moeilijk vast te stellen. In het algemeen maakten zijn toespraken een grotere indruk op mensen die hem niet regelmatig hoorden dan op diegenen die al gewend waren aan zijn hele manier van spreken bij dergelijke gelegenheden. Het was nooit een kwestie van raad geven maar, zoals gezegd altijd van het geven van onherroepelijke bevelen.
Het doel van de toespraak op 5 november was, zoals Reichsmarschall Göring aan het begin heeft gezegd .....
Dr. SIEMERS: Neemt u mij niet kwalijk. Dat is aan het begin van zijn toespraak op 5 november?
RAEDER: Ja, aan het begin van zijn toespraak.
Hij vertelde me dat hij tevoren met de Führer had gesproken. De Führer wilde het leger aansporen om de herbewapening wat sneller uit te voeren. Het ging de Führer te langzaam. Het onderwerp van zijn rede was Oostenrijk en Tsjechoslowakije waarvan hij op een gegeven moment zei dat hij die omver wilde werpen. Hij zei dat het laatste tijdstip 1943 – 1945 zou zijn want daarna zou onze situatie slechter worden. Maar de kwestie zou al eerder kunnen spelen op twee voorwaarden: allereerst als er binnenlandse onrust in Frankrijk zou ontstaan en in de tweede plaats in geval van het uitbreken van een oorlog in de Middellandse Zee waaraan Engeland, Frankrijk, Italië en waarschijnlijk Spanje zouden deelnemen, iets wat naar mijn mening nogal onwaarschijnlijk was.
Ik kon de bewering dat de bewapening van het leger, de Marine en de Luftwaffe in november 1937 zo goed als voltooid zou zijn niet begrijpen. De Marine had nog geen enkel operationeel oorlogsschip. De situatie was gelijk bij de Luftwaffe en het Leger. We waren op geen enkele manier toegerust voor een oorlog en een oorlog tegen bijvoorbeeld Engeland zou volslagen waanzin geweest zijn. Voor mij waren de beslissende zinnen in zijn rede allereerst dat Engeland en Frankrijk meen ik Tsjechoslowakije al hadden afgeschreven en ten tweede dat hij ervan overtuigd was dat Engeland en Frankrijk niet tussenbeide zouden komen. Op de derde plaats was er het feit dat maar een paar maanden daarvoor, in juli 1937 de tweede Marineovereenkomst was getekend. Deze drie feiten leken mij te garanderen dat Hitler geen gewelddadige oplossing zou kiezen voor de problemen rond Oostenrijk en Tsjechoslowakije. Destijds was het in ieder geval de kwestie rond het Sudetenland en het leek erop alsof hij een vreedzame oplossing nastreefde. Om die reden liet de rede bij mij niet de indruk achter dat Hitler destijds zijn beleid wilde wijzigen – dat hij in plaats van een beleid van vrede een beleid van oorlog wilde voeren. Ik kan me voorstellen dat de heer Von Neurath, die het doel van deze rede niet kende, een andere indruk daarvan kreeg. Maar nu als ik op de zaak terugkijk kan ik me voorstellen dat het overdreven karakter van de rede juist bedoeld was om Von Neurath uit het Kabinett te krijgen omdat ik er ondertussen achter ben gekomen dat de Führer al geneigd was Von Neurath door Von Ribbentrop te vervangen. Dat was maar een veronderstelling die ik later deed.
Voor mij waren de conclusies die uit die rede moesten worden getrokken, niets anders dan deze: de opbouw van de vloot in de verhouding 1 : 3 in vergelijking met Engeland, moest worden voortgezet en er moest nog gewerkt worden aan vriendschappelijke betrekkingen met Engeland. De overeenkomst met betrekking tot de verhouding die net was gesloten, moest worden gerespecteerd.
Dr. SIEMERS: En het is aan het einde van het document duidelijk, namelijk de vierde alinea voor het einde dat Feldmarschall von Blomberg en Generaloberst von Fritsch, bij het geven van hun visie op de situatie herhaaldelijk op de noodzaak wezen dat Engeland en Frankrijk niet de rol van onze tegenstander zouden spelen. Hier wordt verder een opmerking over gemaakt en men kan zien dat Von Blomberg en Von Fritsch overstuur waren en zich voor een keer tegen Hitler keerden.
Na de rede sprak u met Von Blomberg. Is het waar dat Von Blomberg, die helaas niet meer ondervraagd kan worden en Von Fritsch die ook dood is, door deze overdrijving van Hitler heen keken, daardoor hun ongenoegen uitten en op die manier probeerden tussenbeide te komen? En waarover sprak u met Von Blomberg na deze rede?
RAEDER: Op de eerste plaats wilden Von Blomberg en Von Fritsch ....
De PRESIDENT: U moet proberen geen suggestieve vragen te stellen, Dr. Siemers. U legt beklaagde in de mond wat u wilt dat hij antwoordt. Als u .....
Dr. SIEMERS: Het spijt me als ik dat deed. Het is wat moeilijk als die twee mannen die erbij waren dood zijn. Ik kan er alleen maar op wijzen dat ze nu niet meer in leven zijn. Mijn laatste vraag luidt ....
De PRESIDENT: Daar is niets aan te doen, het feit dat ze dood zijn. Maar als u daar iets over wilt inbrengen moet u het van de beklaagde horen, niet van uzelf.
Dr. SIEMERS: Welke indruk had Von Blomberg na deze rede? Wat zei hij na afloop tegen u?
RAEDER: Ik meen dat Von Blomberg zelf in een vragenlijst aan Feldmarschall Keitel meedeelde dat toen de militairen de kamer verlieten, hij, Von Blomberg die regelmatig bij de Führer was, zei dat dit weer niet zo ernstig bedoeld was en niet zo zwaar moest worden opgevat. Hij geloofde dat de Führer deze kwesties ook vreedzaam zou oplossen. En zoals Dr. Siemers al heeft gezegd hadden Von Blomberg en Von Fritsch allebei al de aandacht van de Führer gevestigd op het feit dat Engeland en Frankrijk onder geen enkele voorwaarde tussenbeide mochten komen omdat de Duitse Wehrmacht niet in staat zou zijn het tegen hen op te nemen.
Ik mag eraan toevoegen dat ik in dit geval opzettelijk geen bezwaar maakte want het was per slot een dagelijks voorkomende gebeurtenis dat elke keer wanneer ik de Führer ontmoette, tegen hem zei: "Ceterum censeo, (belangrijke dingen moeten voortdurend worden herhaald) we moeten op deze koers blijven om schermutselingen met Engeland te voorkomen.” En de Führer bevestigde herhaaldelijk die bedoeling van hem. Het is kenmerkend dat zogauw de Opperbevelhebber van het leger, Generaloberst Von Fritsch zei dat hij na deze opmerkingen niet in staat was, in de winter van 1937-1938 in Egypte de vakantie te nemen die hij voor zijn gezondheid van plan was te nemen, de Führer onmiddellijk zijn verklaring introk en zei dat de kwestie niet zo dringend was, dat hij rustig op vakantie kon gaan, hetgeen hij toen ook deed.
Dit toont aan dat het weer ging om het uitoefenen van druk. Dat was de rede van 5 november 1937. In feite verpletterde hij destijds Oostenrijk en Tsjechoslowakije niet maar in 1938 werd de kwestie vreedzaam en zonder bloedvergieten geregeld en zelfs met toestemming van de andere mogendheden.
Dr. SIEMERS: In dit verband mag ik de documenten van het volgende jaar indienen, bewijsstuk Raeder-23, docu¬mentenboek Raeder-2, Page 127. Op 30 september 1938 – meer hoef ik over München niet te zeggen want beklaagde was daar niet rechtstreeks bij betrokken – gaven Hitler en Chamberlain een gezamenlijke verklaring uit die inhield dat de Overeenkomst die de avond daarvoor was gesloten en de Brits-Duitse Marineovereenkomst beschouwd moesten worden als symbool van de wens van beide naties nooit meer oorlog tegen elkaar te voeren. De rest van de inhoud is bekend.
Dan kom ik toe aan het tweede sleuteldocument dat de Aanklager heeft ingediend – document L-79, het zogenaamde Kleine Schmundt document. Dat is bewijsstuk USA-27, nummer 10 in het documentenboek van de Britse delegatie, pagina 24. Dit document is ondanks de verbazende lengte in zijn geheel door de Aanklager voorgelezen zodat ik er niet uit zal citeren. Mag ik het Hof eraan herinneren dat hierin wordt vermeld dat verdere successen niet zonder bloedvergieten konden worden behaald en op 23 mei 1939 wordt met verwijzing naar Polen vermeld dat niet Danzig, maar de herinrichting van Lebensraum het onderwerp van discussie was.
Er wordt gesproken over de herinrichting van Lebensraum en over het feit dat het Poolse probleem niet los kon worden gezien van het probleem in het Westen. Daarop zei Hitler dat de enige uitweg was Polen bij de eerste gunstige gelegenheid aan te vallen. Helaas is dit ook een document dat niet gedateerd is.
Weet u wanneer Oberstleutnant Schmundt dit rapport opstelde?
RAEDER: Nee, helaas kan ik dat niet zeggen.
De PRESIDENT: Waarom zegt u dat het niet is gedateerd?
Dr. SIEMERS: Meneer de President, er staat geen datum waarop dit document werd opgesteld. Er staat alleen een datum die verwijst naar de notulen van de conferentie van 23 mei. In het geval van het Hossbach document was de conferentie op 5 november maar werd pas 5 dagen later door Hossbach uit zijn hoofd op 10 november op papier gezet. In het geval van Schmundt weten we niet of het na 1 dag, 5 dagen of 4 weken op papier werd gezet.
De PRESIDENT: Is er bewijs voor dat het document van 5 november 5 dagen later op papier werd gezet?
Dr. SIEMERS: Nee, het document van 5 november toont aan dat het 5 dagen later op papier werd gezet. Het document is aan de bovenzijde gedateerd: “Berlijn, 10 november 1937; notulen van de conferentie in de Reichskanzlei op 5 november 1937 ..... “
De PRESIDENT: Nou, dat klopt; dan is er dus bewijs van.
Dr. SIEMERS: (tot de beklaagde): In het geval Schmundt is er dus geen aanwijzing?
RAEDER: Nee.
Dr. SIEMERS: U weet niet wanneer dit werd geschreven?
RAEDER: Nee, ik heb nooit gehoord wanneer.
Dr. SIEMERS: Hebt u voor dit proces dit document ooit gezien?
RAEDER: Nee.
Dr. SIEMERS: Geeft dit document op alle punten een juiste weergave van de toespraak van Hitler of geldt ook hier wat u zei over het Hossbach document.
RAEDER: Dat geldt hier zelfs nog sterker. Naar mijn mening is dit het meest duistere document betreffende een toespraak van Hitler dat er bestaat want een groot deel van de uitspraken raken naar mijn mening kant noch wal, zoals ik heb geprobeerd aan te tonen. De adjudant zei dat hij het geheel slechts omschreef.
Dr. SIEMERS: Dit is op de eerste pagina in het midden waar staat: “Samengevat weergegeven.” Legt u alstublieft aan het Hof uit welke indruk deze toespraak destijds op u maakte en waarom u ondanks deze rede geloofde dat Hitler geen enkele aanvalsoorlog voorbereidde.
RAEDER: Ik zou er hier weer op willen wijzen dat in de Akte van Beschuldiging de opmerking wordt gemaakt dat er overleg plaats vond over de schaal waarop het plan zou moeten worden uitgevoerd. In dit geval in het bijzonder toont dit het karakter van die rede helemaal niet juist aan. De betekenis van het eerste deel van de rede is, zoals ik al zei uiterst vaag. Waar hij in zijn rede van 1937 de jaren 1943 tot 1945 als uiterste limiet noemde en de mogelijkheid van een eerdere datum onder bepaalde onwaarschijnlijke omstandigheden, spreekt Hitler hier over een oplossing die na 15 of 20 jaar mogelijk is. Hij zegt dat Polen altijd aan de kant van de vijand staat, ondanks het vriendschapsverdrag, dat het haar geheime bedoeling is te profiteren van iedere gelegenheid om tegen ons op te treden en dat hij daarom Polen bij de eerste gelegenheid wil aanvallen. Het Poolse probleem kan niet los worden gezien van het probleem in het Westen maar het moet worden voorkomen dat er gelijktijdig in het Westen een conflict ontstaat. Als het niet zeker is of een oorlog met het Westen wel of niet zal uitbreken als gevolg van het Duits-Poolse conflict, dan is misschien eerst een front tegen Engeland en Frankrijk belangrijker.
Dan zegt hij dat we het ons niet kunnen veroorloven dat we vanwege Polen in een oorlog met Engeland betrokken raken, een oorlog op twee fronten zoals de onverstandige lieden van 1914 hadden ontketend.
Dan is – en dat is relatief nieuw hier – Engeland de drijvende kracht tegen Duitsland. We moeten ons voorbereiden op een lange oorlog naast een verrassingsaanval, duidelijk tegen Engeland. Het is verbazingwekkend dat we aan het begin van een dergelijke oorlog wilden proberen Engeland een vernietigende slag toe te brengen. Het doel is Engeland op de knieën te dwingen. Dan volgt er een nieuw gedeelte .....
De PRESIDENT: Dr. Siemers, de beklaagde lijkt uit een document een argument over dit document voor te lezen. Dat is geen bewijsmateriaal. Als hij ons iets kan vertellen over wat er tijdens die bijeenkomst gebeurde, staat het hem vrij dat te doen.
Dr. SIEMERS: Hij herhaalt, met behulp van dit document de gedachten die Hitler destijds uitte en hij wijst op de tegenstellingen in Hitler’s toespraak van destijds.
De PRESIDENT: Dat is een punt van discussie, er op te wijzen dat er tegenstellingen zijn tussen een deel van het document en een ander. Dat is niet het onderwerp van bewijs. Hij heeft ons al verteld dat Hitler’s toespraken in het algemeen – dat de ene rede in het algemeen de andere tegensprak, maar we kunnen zelf wel uit dit document zien of een gedeelte een ander tegenspreekt.
Dr. SIEMERS: Is het niet van belang, Meneer de President, dat de duistere uitspraken van Hitler destijds zo’n indruk maakten op de beklaagde dat hij zegt dat die en die punten onjuist zijn? Dan kan de hele strekking die we eruit opmaken niet juist zijn. Zoals ik beklaagde begrijp moet Hitler een geestelijk voorbehoud hebben gemaakt bij zulke tegenstrijdige opmerkingen tegen commandanten. Maar ik meen dat we dit kunnen bekorten.
Grossadmiral, wilt u, volgens de wens van het Hof uitleggen wat het effect op u was en wat naar uw mening de bijzondere plannen waren die met het document in verband staan?
RAEDER: Door de tegenstellingen in deze zinnen aan te geven wilde ik alleen maar aantonen hoe verward die rede was. Aan het einde is er een tweede deel waarin een aantal ideologische en academische meningen over oorlogvoering worden uitgedrukt en een conclusie dat het ook de wens van Hitler was, binnen het OKW een onderzoeksgroep te vormen om al die plannen voor de voorbereiding op een oorlog uit te werken, beoordeling van individuele wapens enzo, zonder deelname van de generale staven waar hij niet graag mee samenwerkte. Hij wilde deze zaken in eigen hand houden. Het was dus de vorming van een onderzoeksgroep die deze rede beïnvloedde.
De PRESIDENT: Dr. Siemers, ik meen dat ik u al heb gezegd dat het Hof van mening is dat argumenten geen bewijsmateriaal zijn. Dit schijnt een zuivere beargumentering van dit document te zijn. Als er iets is in de vorm van een herinnering over wat er tijdens die bijeenkomst gebeurde, zou dat bewijsmateriaal zijn; maar commentaar geven op een document is geen bewijsmateriaal.
Dr. SIEMERS: Meneer de President, mag beklaagde niet zeggen wat voor indruk de gedachtengang van Hitler op hem had? De Aanklager stelt dat Hitler en Raeder samen een samenzwering begonnen.
De PRESIDENT: Hij zou kunnen zeggen dat hij het niet begreep of het niet ernstig opnam.
Dr. SIEMERS: In dit verband zou ik erop willen wijzen dat de beklaagde naar dit punt verwees omdat het de enige passage van het document is dat de Aanklager niet heeft voorgelezen. In dit document zijn de zinnen over de onderzoeksgroep niet voorgelezen. Die groep was iets dat Hitler wilde bereiken.
Grossadmiral, veranderde er iets op uw ministerie na deze rede?
RAEDER: Nee. De getrokken conclusie was: allereerst moest het scheepsbouwprogramma op dezelfe manier worden voortgezet als in het verleden – zei Hitler zelf – en op de tweede plaats zei hij dat de bewapeningsprogramma’s voor de jaren 1943-1944 moesten worden vastgelegd. Dat was de positieve conclusie die ik zelf trok.
Bovendien was ik destijds diep onder de in druk van de rede die Hitler zelf hield bij de tewaterlating van de Bismarck in Hamburg. Daar zei hij dat de Wehrmacht, als het enige instrument voor oorlog, de vrede die op ware gerechtigheid was gebaseerd moest beschermen en handhaven. Dat maakte destijds de grootste indruk op mij betreffende Hitler’s bedoelingen.
Dr. SIEMERS: Was de vloot destijds in een positie om dit te doen?
RAEDER: Nee. Die was daar absoluut niet toe in staat.
De PRESIDENT: Dr. Siemers, als er passages in dit document staan die niet zijn voorgelezen en waar u belang aan hecht kunt u die nu voorlezen; voor de rest, al wat het Tribunaal meent dat u moet doen is de beklaagde vragen wat zijn herinnering was of wat er tijdens die bijeenkomst gebeurde en als hij een aanvulling op het document kan geven over wat er gebeurde, dan heeft hij daartoe het recht. Het Tribunaal is niet van plan u ervan te weerhouden datgene uit het document voor te lezen wat nog niet voorgelezen is of van de beklaagde te vernemen al datgene wat hij zegt wat er tijdens die bijeenkomst gebeurde.
Dr. SIEMERS: Meneer de President, ik begreep dat beklaagde bedoelde dat hij zich de onderzoeksgroep herinnerde die de Aanklager niet heeft genoemd. Daarom gebeurde het dat beklaagde, omdat hij het document ook kent er gelijkertijd op wees dat de onderzoeksgroep ook in het document wordt genoemd. Ik meen dat dat het misverstand verklaart. De situatie is mij duidelijk en misschien mag in dat verband die zin voorlezen.
De PRESIDENT: Ja, zeker.
Dr. SIEMERS: Onder nummer 3, tegen het einde van document L-79 staat er:
“Om de zwakke punten van de vijand te bestuderen. Deze studies moeten niet worden overgelaten aan de generale staven. Geheimhouding zou niet langer zijn verzekerd. De Führer heeft daarom besloten bevel te geven voor het vormen van een kleine onderzoeksgroep binnen het OKW, samengesteld uit vertegenwoordigers van de drie afdelingen van de Wehrmacht en, wanneer de gelegenheid zich voordoet, de drie opperbevelhebbers, dat wil zeggen de chefs van de generale staven.
“De staf zal de Führer voortdurend op de hoogte houden.
“De onderzoeksgroep zal de voorbereiding op theoretisch vlak van operaties op zich nemen en de voorbereidingen die daar noodzakelijkerwijs uit voortvloeien.... “
De PRESIDENT: Wacht even. In de Engelse vertaling is een passage weggelaten. In het exemplaar dat ik voor me heb staat: “Deze studies moeten niet worden overgelaten aan de generale staven. Geheimhouding zou niet langer zijn verzekerd.” En dan gaat het verder met: “Deze staf zal de Führer op de hoogte houden en aan hem verslag uitbrengen.” Ik denk niet dat het erg belangrijk is. Gaat u verder.
Dr. SIEMERS: Blijkbaar is in de Engelse vertaling de alinea over de onderzoeksgroep binnen het OKW weggelaten. Ik ga verder met het document:
“Het doel van bepaalde regelingen gaat niemand buiten de staf iets aan; echter hoe groot de toename in bewapening van onze tegenstanders ook moge zijn, er moet een tijd komen dat hun bronnen zijn uitgeput en onze bewapening groter zal zijn. De Fransen beschikken over 120.000 man in iedere afdeling! We zullen niet tot een oorlog worden gedwongen maar we zullen niet in staat zijn er een te voorkomen.” Deze onderzoeksgroep zette in feite de opperbevelhebbers buiten spel en dat was wat Hitler wilde bereiken.
Als ik goed ben ingelicht is de rest door de Aanklager voorgelezen, namelijk het volgende doel en het principe, om volledig te zijn; het bekende bevel om alles geheim te houden en aan het einde dat wat beklaagde zich herinnerde, dat het scheepsbouwprogramma niet zou worden gewijzigd en het bewapeningsprogramma voor 1943 – 1944 zou worden vastgelegd.
(tot de beklaagde): Als Hitler destijds plannen had om een aanvalsoorlog te voeren, zou hij dan een willekeurig deel van de bewapening van de Marine hebben moeten versnellen?
RAEDER: Ja, inderdaad. Hij had alle bouwprojecten van de Marine moeten versnellen.
Dr. SIEMERS: Zou de bouw van U-boote in het bijzonder niet moeten worden versneld?
RAEDER: Ja, natuurlijk; zeker omdat die het snelst konden worden gebouwd.
Dr. SIEMERS: Over hoeveel U-boote beschikte u destijds?
RAEDER: Ik kan het niet met zekerheid zeggen. Ik denk ongeveer 26.
Dr. SIEMERS: Als ik me goed herinner heeft Admiraal Dönitz al geantwoord dat er 15 in staat waren de Atlantische Oceaan te bevaren – tussen haakjes, samen waren het er 26.
RAEDER: Ja.
Dr. SIEMERS: Admiraal, had u in de winter van 1938-1939 een gesprek met Sir Neville Henderson over de betrekkingen tussen Duitsland en Engeland?
RAEDER: Ja, een heel kort gesprek tijdens een receptie in het huis van de Führer waar ik naast Ambassadeur Henderson en de heer Von Neurath stond en waar de kwestie werd besproken – die door mij was aangekaart – of Engeland het aanbod van Duitsland niet had verwelkomd om de krachtsverhouding op 1 : 4 te zetten en geen bepaalde conclusies uit deze wederzijdse betrekkingen had getrokken. Ambassadeur Henderson antwoordde, zonder dat iemand die kwestie naar voren had gebracht: “Ja, dat zou in de toekomst blijken wanneer de koloniale kwestie is geregeld.” Ik bracht later dit antwoord over aan de Führer om een vriendschappelijk beleid met betrekking tot Engeland te handhaven.
Dr. SIEMERS: We zijn nu in de zomer van 1939. Admiraal, sprak u in de loop van de zomer, na de rede van 23 mei 1939 met Hitler gezien het algemeen bekende gevaar van een oorlog en wat zei hij tegen u?
RAEDER: Wanneer ik ook maar met de Führer sprak, ik bracht altijd de kwestie Engeland ter sprake waarmee ik hem tot op zekere hoogte verveelde. Ik probeerde hem ervan te overtuigen dat het mogelijk zou zijn de vredespolitiek, waarop hij aan het begin van zijn regime had aangedrongen, uit te voeren. Dan verzekerde hij mij er altijd van dat het zijn bedoeling bleef een vreedzame politiek met Engeland te voeren, mij altijd in het geloof latend dat er geen gevaar bestond voor een botsing met Engeland – in elk geval dat op dit moment een dergelijk gevaar niet bestond.
Dr. SIEMERS: Ik kom nu toe aan het derde sleuteldocument – namelijk Hitler’s rede tot de opperbevelhebbers op 22 augustus 1939 op de Obersalzberg. Er zijn twee documenten, document 1014-PS en document 798-PS. Document 1014-PS is bewijsstuk USA-30 in het documentenboek Raeder 10a, pagina 269 en document 798-PS is bewijjstuk USA-29 in documentenboek 10a, pagina 266. In verband met dit document 1014-PS, waarvan ik hier het origineel heb in de vorm zoals dat door de Aanklager is ingediend, wil ik een formeel verzoek doen. Nummer 1014-PS werd voor het verslag voorgelezen tijdens de middagzitting van 26 november 1945 (Deel II, pagina 286.) Ik maak bezwaar tegen het gebruik van dit document. Ik verzoek dat dit document om de volgende reden uit het transcript wordt geschrapt.....
De PRESIDENT: Over welk document hebt u het nu, 1014-PS?
Dr. SIEMERS: In het documentenboek Raeder 10a, pagina 269, bewijsstuk USA-30.
De PRESIDENT: Goed, wat zijn uw redenen?
Dr. SIEMERS: De tekortkomingen die al in de andere transcripts zijn genoemd, zijn hier veel groter. Dit document is niets anders dan twee vellen papier met als kop “Tweede toespraak van de Führer op 22 augustus 1939.” Het origineel heeft geen kop, geen dossiernummer, geen dagboeknummer en geen notitie dat het geheim is, geen handtekening, geen datum, geen .....
De PRESIDENT: Het Tribunaal zou het origineel graag inzien. Ja, Dr. Siemers.
Dr. SIEMERS: Het heeft geen datum, geen handtekening – op het origineel in de map staat geen aanwijzing waar dit document vandaan komt. De kop luidt “Tweede toespraak ....” hoewel vast staat dat Hitler op die dag slechts een toespraak hield en het is nauwelijks 1 ½ pagina lang, hoewel ....
De PRESIDENT: Wanneer u zegt dat er geen datum op staat, dat is een onderdeel van het document zelf waar staat dat het de tweede toespraak van de Führer is, gehouden op 22 augustus 1939.
Dr. SIEMERS: Ik zei, Meneer de President, het heeft een kop maar geen datum.
De PRESIDENT: Maar u zei dat het geen datum heeft.
Dr. SIEMERS: Het heeft geen datum waar het gaat om wanneer deze notities zijn gemaakt. Er staat alleen de datum waarop de toespraak zou zijn gehouden. Op alle documenten die de Aanklager heeft ingediend, ook in het geval van notulen, kunt u de datum van de sessie vinden en de datum waarop de notulen zijn gemaakt; ook de plaats waar de notulen zijn gemaakt, de naam van degene die ze heeft gemaakt, een aanwijzing dat het geheim is of iets dergelijks. Verder staat het vast dat Hitler gedurende 2 ½ uur sprak. Ik meen dat het algemeen bekend is dat Hitler erg snel sprak. Er is absoluut geen sprake van dat de notulen 1 ½ pagina kunnen beslaan als die tot op zekere hoogte de strekking en inhoud kunnen weergeven van een toespraak die 2 ½ uur duurde. Het is belangrijk – ik mag nog op een ander punt wijzen. Ik zal het origineel van document 798-PS later indienen. Ik ben geen kenner op het gebied van handschriften of typemachines maar ik merk op dat dit document, dat ook niet is ondertekend en waarvan we de afkomst niet kennen, geschreven is op hetzelfde papier met dezelfde typemachine.
De PRESIDENT: U zegt dat we niet weten waar het vandaan komt – het is een in beslaggenomen document dat gedekt wordt door de officiële verklaring die met betrekking tot alle in beslaggenomen documenten is opgemaakt.
Dr. SIEMERS: Nou, ik zou de Aanklager dankbaar zijn als hij in het geval van een dergelijk belangrijk document zo vriendelijk zou willen zijn de historische feiten te bepalen om duidelijker aan te geven waar het vandaan komt. Omdat het niet is ondertekend door Schmundt of Hossbach of wie dan ook en het heeft geen nummer, het zijn slechts losse vellen.
De PRESIDENT: Ik weet niet of de Aanklager dat kan doen maar het lijkt me wat laat om er nu nog naar te vragen.
Mr. THOMAS J. DODD: Meneer de President, ik weet zo uit het hoofd niet wat de feitelijke afkomst van dit document is maar ik verwacht wel dat we voor het Tribunaal enige informatie kunnen krijgen als het Tribunaal dat van ons verlangt. Maar zoals de President al heeft aangeduid, het is een in beslaggenomen document en al wat de raadsman erover zegt lijkt eerder te slaan op het belang dan op de toelaatbaarheid ervan.
De PRESIDENT: Het Tribunaal zou willen weten waar dat document gevonden is, als dat mogelijk is.
Mr. DODD: ik zal proberen daar achter te komen.
Dr. SIEMERS: Meneer de President, Mr. Dodd heeft er net op gewezen dat mijn bezwaar wat laat komt. Ik meen me te herinneren dat er herhaaldelijk bezwaar tegen werd gemaakt ....
De PRESIDENT: Ik meen dat ik het was het die daarop wees, niet Mr. Dodd.
Dr. SIEMERS: Neemt u mij niet kwalijk, ik meen dat ik me toch goed herinner dat de Verdediging bij diverse gelegenheden bezwaar heeft aangetekend tijdens de zaak van de Aanklager en er werd gezegd dat alle verklaringen later tijdens de zaak van de Verdediging kunnen worden afgelegd – namelijk wanneer de raadsman voor de Verdediging het woord heeft.
De PRESIDENT: Ik bedoelde alleen maar dat het in deze fase wellicht niet mogelijk is precies uit te zoeken waar dat document vandaan komt maar wanneer de vraag veel eerder tijdens dit proces zou zijn gesteld zou het veel eenvoudiger zijn geweest. Hebt u nog iets toe te voegen aan uw mening waarom dit document uit het transcript moet worden geschrapt?
Dr. SIEMERS: Meneer de President, ik zou erop willen wijzen dat ik dit niet om formele redenen doe maar eerder om een zeer belangrijke reden. Veel belangrijke woorden in dit document zijn voortdurend door de Aanklager herhaald gedurende deze 5 of 6 maanden, namelijk de woorden: “Vernietiging van Polen, het belangrijkste doel .... Doel: uitschakeling van vitale troepen, geen bereiken van een bepaalde linie.” Deze woorden zijn nooit uitgesproken en met een dergelijk oorlogsdoel zouden de Duitse opperbevelhebbers nooit hebben ingestemd. Om die reden is het belangrijk om vast te stellen of dit document authentiek is.
Mag ik het Hof er in dit verband aan herinneren dat er een derde versie van deze toespraak bestaat die in deze zaal al genoemd is, namelijk document L-3 dat nog erger is dan deze en dat door de hele wereldpers werd gepubliceerd. Waar men ook maar met iemand sprak werd deze groteske en wrede toespraak aangehaald. Om die reden is het in het belang van de historische waarheid om vast te stellen of Hitler destijds op die schokkende manier heeft gesproken. Ik geef echter toe dat hij vele uitdrukkingen gebruikte die krachtig waren maar dergelijke woorden heeft hij niet gebruikt en dat is van immens belang voor de reputatie van alle bevelhebbers die daar aanwezig waren.
Laat me op de volgende woorden wijzen: Die zeggen uitdrukkelijk “sluit uw harten voor medelijden en wrede maatregelen.” Dergelijke woorden werden niet gebruikt. Ik ben in een positie dit te bewijzen met behulp van een andere getuige, Generaladmiral Böhm.
Ik verzoek het Hof daarom, een beslissing te nemen op mijn verzoek dit document uit het verslag te schrappen. Ik zou erop willen wijzen dat in het verslag op vele punten naar dit document wordt verwezen. Zou het geachte Hof dit wensen dan zou ik al die punten moeten opzoeken. Ik heb er in het Duitse verslag slechts vier of vijf gevonden. Indien nodig zou ik alle punten in het Engelse verslag willen noemen. Dat is ingediend tijdens de middagzitting van 26 november 1945 (Deel II, pagina 286).
De PRESIDENT: Ik denk niet dat u dat hoeft te doen. U hebt het nu enkel over de vraag of het document uit het verslag moet worden geschrapt. Als het uit het verslag zou worden geschrapt, zouden we uit kunnen zoeken waar het is. Is dat alles wat u wilt zeggen?
Dr. SIEMERS: Een vraag aan Admiraal Raeder.
De woorden die ik net heb voorgelezen, “wrede maatregelen, uitschakeling van vitale troepen” werden deze woorden gebruikt in de toespraak van Hitler van destijds?
RAEDER: Naar mijn mening nee. Ik geloof dat de versie die door Admiraal Böhm is ingediend en die hij opschreef in de middag van dezelfde dag op basis van zijn notities, de versie is die het dichtst bij de waarheid ligt.
Dr. SIEMERS: Meneer de President, om helderheid in deze zaak te krijgen dien ik in als bewijsstuk Raeder-27, documentenboek Raeder 1 pagina 144, een juiste reproductie van deze toespraak.
RAEDER: Mag ik documentenboek 2 ook hebben?
Dr. SIEMERS: Dit is de toespraak volgens het manuscript van Generaladmiral Hermann Böhm. Generaladmiral Böhm was aanwezig bij de toespraak van Hitler op 22 augustus 1939 op de Obersalzberg. Hij maakte deze notities tijdens de toespraak. Hij schreef ze dezelfde avond op in de huidige vorm in hotel Die Vier Jahreszeiten in München. Ik heb de juistheid van het afschrift vastgesteld. Het origineel is in het handschrift van Generaladmiral Böhm. Böhm is door mij opgeroepen als getuige in andere kwesties. Hij zal toegeven dat de toespraak in de vorm is opgesteld zoals ik die hier heb ingediend. Een vergelijking van de twee documenten toont aan dat alle termen zoals “wrede maatregelen” niet in de toespraak voorkomen. Het toont verder aan ....
SIR DAVID: Dit deel van Dr. Siemers’ argument moet zeker enig belang hebben. Hij heeft gezegd dat een vergelijking van de twee documenten dit en dat aantoont. Ik heb net gekeken naar het einde van Admiraal Böhm’s verklaring en die bevat, zou ik zeggen, iedere belangrijke gedachte die in document 1014-PS staat. Maar of dat wel of niet zo is, is zeker een kwestie van belang. We kunnen, naar mijn mening bescheiden mening geen punt voor punt vergelijking trekken om de toelaatbaarheid van dit document vast te stellen. Zoals ik zeg, daar zou ik veel op hebben te zeggen door de twee documenten tot in detail met elkaar te vergelijken. Dat ligt nu niet voor het Hof.
De PRESIDENT: Het Tribunaal wilde alleen maar horen wat Dr. Siemers over dit onderwerp te zeggen heeft.
Dr. SIEMERS: Een vergelijking van het document met document 798-PS, de langere en betere versie, zoals de Aanklager heeft gesteld ....
De PRESIDENT: Dr. Siemers, waar Sir David net op gewezen heeft is dat een simpele vergelijking tussen de twee documenten – tussen die twee of drie documenten – ons niet verder helpt wat de toelaatbaarheid betreft. We kennen de feiten over het document. Het is een document in het Duits en in beslaggenomen met andere documenten.
Dr. SIEMERS: Ik begrijp het. Ik deed de uitsprak alleen maar om aan te tonen dat ik geen bezwaar maakte om formele redenen, maar omdat de kwestie in feite van groot belang is. Als bewijs van mijn ....
De PRESIDENT: Goed dan, u kunt dat beargumenteren wanneer u uw pleidooi houdt als kritiek op dat document betreffende het belang ervan. U kunt er op wijzen dat het een vergelijking met een meer volledig document opgesteld door Admiraal Böhm of een ander document niet doorstaat.
Dr. SIEMERS: Volkomen juist. Als uitleg van mijn formele verzoek verwijs ik naar mijn uitspraak over het formele karakter van het document die ik zojuist heb gedaan.
De PRESIDENT: Ja.
Het verzoek om document-1014-PS te schrappen is geweigerd,
(de zitting wordt geschorst.)

Definitielijst

Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Lebensraum
Nazi-term waarmee werd aan gegeven dat het overbevolkte Duitsland nieuwe gebieden (levensruimte) nodig had om te kunnen bestaan.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
OKM
Ober Kommando der Kriegs Marine. Het Duitse opperbevel over de Kriegsmarine.

Middagzitting 2

De PRESIDENT: Heeft de raadsman voor de Verdediging begrepen dat het Tribunaal informatie wenst over waar dit document is gevonden?
SIR DAVID: Ja, Edelachtbare, we zullen ons best doen die te krijgen.
De PRESIDENT: Ja, en ook het andere, document 798-PS.
SIR DAVID: Ja, Edelachtbare, met uw welnemen.
Dr. SIEMERS: Admiraal, ik heb document Raeder-27, de versie Böhm, aan u overlegd. U hebt de toespraak in deze versie gelezen. Is deze reproductie, voor zover u zich herinnert over het algemeen juis?
RAEDER: Ja, Naar mijn mening is dit de versie die het dichtst bij de waarheid komt. Ik herinner me in het bijzonder dat Hitler een groot deel van zijn opmerkingen besteedde aan het punt dat Engeland en Frankrijk niet tussenbeide zouden komen en gaf de redenen waarom niet. Hij noemde een aantal redenen en ik heb juist dat gedeelte gemist bij de uitwerking van de reproducties van die toespraak.
Dr. SIEMERS: In de versie van de toespraak in document 798-PS of bewijsstuk USA-29 staat letterlijk: "Ik ben alleen maar bang dat een of ander zwijn mij op het laatste moment een plan ter bemiddeling aanbiedt." Werden deze woorden destijds in die rede gebruikt?
RAEDER: Voor zover ik mij herinner, zeker niet. De Führer was niet gewoon dergelijke uitdrukkingen te gebruiken in toespraken die hij tot zijn generaals hield.
Dr. SIEMERS: Aan de andere kant toont de versie van Böhm aan dat Hitler tegen die tijd al had besloten Polen aan te vallen. Ik vraag u in het kort uw indruk te geven die de rede destijds op u maakte. Vertelt u mij ook waarom u, ondanks deze rede die zelfs in deze versie ernstig is, uw functie als Opperbevelhebber van de Marine behield.
RAEDER: Ongetwijfeld had ik de indruk dat de situatie ernstig was en bijzonder gespannen. Het feit echter dat Hitler in zijn rede maar al te graag wilde bewijzen dat Engeland en Frankrijk niet tussenbeide zouden komen en het tweede feit dat de heer von Ribbentrop, de Reichsaussenminister dezelfde dag naar Moskou vertrok om daar een overeenkomst te ondertekenen, zoals ons werd verteld – deze dingen vervulden niet alleen mij maar alle toehoorders met de sterke hoop dat er hier weer sprake was van een knappe zet van Hitler waarmee de kwestie uiteindelijk op vreedzame manier zou worden opgelost.
Daarom zag ik geen reden om op dat moment mijn functie neer te leggen. Ik zou dat pure desertie hebben gevonden.
Dr. SIEMERS: Met welnemen van het Tribunaal wil ik in dit verband, vanwege de chronologische volgorde, de twee documenten indienen, bewijsstuk Raeder-28 en 29 ik verzoek het Tribunaal deze voor kennisgeving aan te nemen zonder dat ik er verder naar hoef te verwijzen.
De Aanklager heeft document C-155 geciteerd en heeft u in dit document beschuldigd van ....
SIR DAVID: Edelachtbare, betreffende de documenten waarnaar Dr. Siemers net heeft verwezen, documenten Raeder-28 en 29; het eerste is een memorandum van Generaal Gamelin en het tweede is een brief van 9 september 1939 van Generaal Weygand aan Generaal Gamelin.
Edelachtbare, u zult zich herinneren dat de Aanklager protest heeft aangetekend tegen deze documenten als zijnde niet ter zake doend en, Edelachtbare, de Aanklager handhaaft dat protest.
Ik wens het verhoor van Dr. Siemers niet meer te onderbreken dan nodig is. Als hij op het moment het Tribunaal alleen maar verzoekt de documenten voor kennisgeving aan te nemen en niet van plan is ze te gebruiken zou het wellicht beter zijn – om het verhoor niet te onderbreken – dat ik formeel aangeef dat we onze bezwaren tegen dat document handhaven. Ik zal mij natuurlijk aan de wens van het Tribunaal onderwerpen.
De PRESIDENT: Is de situatie zo dat het werd toegestaan deze te vertalen en op te nemen in het documentenboek maar dat het Tribunaal daar verder niets over heeft bepaald?
SIR DAVID: Er is niets naders over bepaald en daarom, Edelachtbare, staat het ons nog steeds vrij ertegen te protesteren, als ik de situatie goed begrijp.
De PRESIDENT: Nou, misschien kunnen we die nu beter behandelen.
SIR DAVID: Met uw welnemen, Edelachtbare.
Dr. SIEMERS: Mag ik op dit punt een paar opmerkingen maken? Ik geloof ...
De PRESIDENT: Maar we kunnen beter eerst de bezwaren aanhoren, niet waar? Daarna zullen we u aanhoren.
Dr. SIEMERS: Ja, Meneer de President, zo u wilt. Dit is een puur formeel punt. Ik geloof dat Sir David zich lichtelijk vergiste door te verwijzen naar document Raeder-28. De Aanklager heeft geen protest aangetekend tegen dit document maar alleen tegen document Raeder-29.
SIR DAVID: Mijn collega heeft helemaal gelijk; we hebben niet geprotesteerd tegen het vertalen van 28. Echter, Edelachtbare, dit valt in dezelfde categorie als 29, en ik zou er nog steeds tegen willen protesteren. Ik verontschuldig mij tegenover u, Edelachtbare, wanneer ik de indruk heb gewekt dat we er al eerder tegen hebben geprotesteerd. Edelachtbare, nummer 28 is een brief van Generaal Gamelin aan M. Daladier op 1 september 1939 waarin Generaal Gamelin zijn visie geeft op de kwestie van de neutraliteit van België en Luxemburg en zijn mening stelt tegenover die van de Franse regering.
Nu, Edelachtbare, ik stel dat de meningsuiting van de kant van Generaal Gamelin op zich te ver afstaat van de zaken die voor dit Tribunaal liggen om van enig belang te kunnen zijn. Dan, afgezien van de inhoud van dit document, de situatie is zo dat dit een document was dat, zoals ik opmaak uit de verificatie van Dr. Siemers op pagina 158, is gehaald uit het Witboek van het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken, uit de geheime dossiers van de Franse Generale Staf die pas ergens na juni 1940 in beslag genomen kunnen zijn. Daarom kan, als tweede reden dit van geen enkel belang zijn voor de mening die beklaagde Raeder zich in september 1939 vormde.
Edelachtbare, het tweede document is – zoals ik al tegen het Tribunaal zei – een brief aan Generaal Gamelin van Generaal Weygand, die destijds opperbevelhebber van de Franse strijdkrachten in het Oosten was. Die bevat een plan dat Generaal Weygand in gedachten had met betrekking tot mogelijke operaties in Griekenland. Er kwam van die operaties niets terecht voor juni 1940, toen Maarschalk Pétain namens een deel van de Franse bevolking – hoewel natuurlijk niet namens de hele – een wapenstilstand sloot en dat kan niet van belang zijn voor oktober 1940 toen Italië Griekenland binnenviel of voor de situatie aan het eind van 1940 en begin 1941 toen een invasie van Griekenland werd overwogen in Duitse richtlijnen en operationele orders die bij het Tribunaal zijn ingediend.
Dat is het eerste punt. En het tweede secondaire punt geldt ook, dat het ook een in beslaggenomen document is dat niet kon zijn veroverd voor juni 1940; daarom kan het niet van belang zijn voor de gedachtengang van beklaagde in augustus of september 1939.
Edelachtbare, voor het gemak heb ik net een lijst met documenten opgesteld waartegen bezwaar zal worden gemaakt en, Edelachtbare, er zijn een of twee toevoegingen die mijn Franse en Russische collega’s hebben gevraagd te doen en ik zal ze behandelen wanneer ik eraan toe kom.
Edelachtbare, ik zou het Tribunaal eraan willen herinneren dat er maar vier geografisch gegroepeerde documenten zijn, in tegensteling met de groepen waaronder ze hier zijn ingedeeld dat het Tribunaal even in gedachten moet houden. De ene wordt gevormd door de groep betreffende de Lage Landen, de tweede, groep G op de lijst die ik net bij het Tribunaal heb ingediend, gaat over Noorwegen; een derde gaat over Griekenland, waarvan document Raeder-29 een voorbeeld is; de vierde is groep E op de lijst die ik net heb ingediend, handelend over voorzichtige voorstellen en suggesties gedaan door diverse militaire figuren met betrekking tot de olievelden in de Kaukasus of operaties rond de Donau.
Edelachtbare, dezelfde bezwaren de ik heb gemaakt met betrekking tot in het bijzonder Raeder-28 en 29 zullen in het algemeen ook voor deze groepen gelden en ik heb gemeend de aandacht van het Tribunaal op dat feit te moeten vestigen. Bovendien heeft mijn collega Kolonel Pokrovski mij enige bijzondere bezwaren meegedeeld die we tegen bepaalde documenten hebben en die hij zelf aan het Tribunaal zal meedelen wanneer ze ter sprake komem.
Maar, Edelachtbare, ik vind deze bijzondere gevallen, 28 en 29 op zichzelf al bezwaarlijk en ik vestig de aandacht van het Tribunaal op het feit dat ze ook bezwaarkijk zijn omdat ze tot bepaalde groepen behoren.
De beslissing van het Tribunaal, Meneer de President, is gegeven op de morgenzitting van 2 mei 1946. U zei toen: "Over de vraag van de toelaatbaarheid zal worden beslist nadat ze zijn vertaald."
M. CHARLES DUBOST: Met welnemen van het Tribunaal, ik zou het Tribunaal willen verzoeken mij de gelegenheid te geven mij in het openbaar op de hoogte te stellen van de verklaring die Sir David net heeft afgelegd en een paar voorbeelden te noemen die de mate van belangrijkheid aantonen die aan de documenten in kwestie moet worden toegekend.
De Verdediging verzoekt het Tribunaal een document in overweging te nemen dat is gepubliceerd in het Duitse Witboek deel 5 onder nummer 8. Dit document bevat een verklaring van een Franse krijgsgevangene die zou hebben gezegd dat hij sinds 15 april in België was. Het Duitse Witboek noemt echter noch de naam van deze gevangene, noch enige aanwijzing voor zijn eenheid. We hebben geen enkele informatie die we nodig hebben om vast te stellen of die verklaring van belang is. We hebben hier dus te maken met een document dat niet authentiek is en geen waarde heeft als bewijsmateriaal.
De Verdediging verzoekt dat document Raeder-102 uit hetzelfde documentenboek door het Tribunaal wordt toegelaten. Ik vraag het Tribunaal mij enkele opmerkingen te laten maken om de eenzijdige manier aan te tonen waarmee deze documenten door de Duitse autoriteiten in dit Witboek zijn verzameld. Ik zou allereerst willen zeggen dat document Raeder-102 niet uitvoerig is geciteerd. De Franse delegatie heeft verwezen naar de tekst van het Duitse Witboek. We hebben het zorgvuldig gelezen. Dit document is slechts een voorbereidende order voor defensieve maatregelen die door de Belgen aan de Belgisch-Franse grens zijn genomen. We hebben de Belgische militaire autoriteiten om raad gevraagd. Deze order was een uiting van de vastberadenheid van de Belgische regering om haar neutraliteit aan alle grenzen te verdedigen.
Het is daarom in strijd met de waarheid met dit document te proberen het bestaan van stafcontacten tussen Brussel, Londen en Parijs te bewijzen die, als ze hadden bestaan in strijd geweest zouden zijn met de politiek van neutraliteit.
Het commentaar, gegeven door de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken in de inleiding op het Duitse Witboek, pagina 11 van de Franse tekst heeft het Hof verrast en heeft zeker Admiraal Raeder, een militair niet misleid. In feite is het de prijs van een leugen dat de officiële woordvoerder aan de ene kant bevestigt dat de uitdrukking "Les forces amies" (bevriende troepen) die in dit document wordt gebruikt Franse en Britse troepen betekent terwijl het in werkelijkheid een gangbare uitdrukking is die in het Belgische leger wordt gebruikt om Belgische eenheden mee aan te duiden in de onmiddellijke nabijheid van de werkelijk strijdende troepen. Aan de andere kant stelt de Duitse woordvoerder en ik citeer: "De hoofdlinie Doornik-Antoing, van het kanaal van Bergen naar Conde, St. Ghislain en Binche ligt gedeeltelijk op Frans en gedeeltelijk op Belgisch grondgebied." Het is voldoende op een kaart te kijken om te zien dat al deze plaatsen op Belgisch grondgebied liggen en dat ze allemaal enkele tientallen kilometers van de Belgisch-Franse grens liggen en op sommige plaatsen 60 kilometer van de Franse grens.
Ik verzoek het Tribunaal mij deze onderbreking te vergeven. Ik dacht dat het raadzaam was het Hof iets duidelijk te maken door het geven van een overtuigend voorbeeld van de waarde van het bewijs dat in het Duitse Witboek wordt geleverd.
De PRESIDENT: Dr. Siemers, het Tribunaal is van mening dat het de eenvoudigste weg zou zijn uw argumenten over deze documenten nu aan te horen, niet alleen over 28 en 29 maar over de andere documenten die op de lijst van Sir David worden genoemd; het Tribunaal zal dan na de schorsing die documenten in overweging nemen en morgenochtend de beslissing meedelen.
Dr. SIEMERS: Met welnemen van het Tribunaal, ik zou erg dankbaar zijn wanneer het mogelijk zou zijn op een wat andere manier te werk te gaan. Ik zou de aandacht willen vestigen op het feit dat er al een uitvoerige discussie betreffende documenten is gevoerd en de beslissing van het Tribunaal daarop gevolgd is. Ik meen dat wanneer ik op dit punt commentaar geef op alle documenten er veel tijd verloren zal gaan omdat de samenhang tussen de documenten in de loop van mijn bewijsvoering vanzelf duidelijk wordt. Als ik nu de lijst ga behandelen die Sir David heeft ingediend zou ik, om mijn redenen te noemen, alles moeten zeggen wat later in de loop van mijn bewijsvoering toch ter sprake komt. Ik dacht dat de beslissing van het Tribunaal om eerst de documenten in het documentenboek te presenteren genomen was om tijd te besparen, daarna kan bezwaar worden gemaakt wanneer de afzonderlijke documenten een voor een worden gepresenteerd.
De PRESIDENT: Dat weet ik maar er is een groot aantal documenten. Het Tribunaal zal over ieder document de argumentatie moeten aanhoren als we doen wat u voorstelt, namelijk de lijst van Sir David behandelen. Er staan meen ik 30 of 40 documenten op.
Dr. SIEMERS: Sir David heeft al gezegd dat hij zich zal laten leiden volgens de diverse geografische groepen. Daarom zullen er geen bezwaren zijn met betrekking tot elk document afzonderlijk maar eerder met betrekking tot elke groep documenten en elke groep vragen, bijvoorbeeld een bezwaar in het geval Noorwegen tegen alle Noorse documenten of in het geval van Griekenland tegen alle Griekse documenten. Het zou eenvoudiger zijn de zaken op die manier te behandelen want in mijn bewijsvoering zal ik Noorwegen en Griekenland toch wel behandelen terwijl ik wanneer ik het nu zo doe alles twee keer moet zeggen. Maar ik zal me natuurlijk neerleggen bij de beslissing van het geachte Tribunaal. Ik ben alleen maar bang dat er zo een onnodige hoeveelheid tijd verloren zal gaan.
SIR DAVID: Edelachtbare, ik wil slechts een woord zeggen betreffende de procedure. Ik had gehoopt dat Dr. Siemers en ik al voldoende tijd van het Tribunaal in beslag hadden genomen met het betwisten van dit punt omdat de argumenten met betrekking tot de relevantie natuurlijk gelijk moeten zijn. Of ze zo duidelijk niet relevant zijn dat ze niet te vertalen zijn of dat ze ontoelaatbaar zijn; mijn argumenten waren in elk geval hetzelfde en ik was niet van plan het argument dat ik voor het Tribunaal heb gebruikt te herhalen.
Dr. Siemers heeft het Tribunaal al anderhalf uur lang over dit punt, dat we al eerder hebben besproken bezig gehouden en ik hoopte dat wanneer ik stelde wat ik al heb gezegd dat ik de punten die ik voor het Tribunaal heb besproken tijdens mijn eerdere argumentering, dat Dr. Siemers nu in staat zou zijn de kwestie te bekorten en te zeggen dat hij zich verliet op het – als ik het zo mag zeggen – zeer uitvoerige argument dat het Tribunaal bij de andere gelegenheid heeft gehoord. Daarom dacht ik dat het eenvoudiger zou zijn ze nu te behandelen en de noodzaak tot verdere beschouwing van dit probleem weg te nemem.
De PRESIDENT: Dr. Siemers, het Tribunaal is van mening dat u deze kwesties nu moet beargumenteren en wij hopen dat u het kort zult houden omdat we uw argumenten ten faveure al hebben aangehoord. Maar wij denken dat u ze nu moet behandelen en niet elk afzonderlijk document wanneer het ter sprake komt en wij zullen de zaak in overweging nemen. We hebben de documenten al maar we zullen de kwestie nogmaals overwegen en vanavond over de kwestie beslissen.
KOLONEL Y. V. POKROVSKY: Edelachtbare, aangezien het Tribunaal heeft besloten Dr. Siemers het punt te laten behandelen dat door Sir David en andere aanklagers ter sprake is gebracht beschouw ik het als mijn plicht drie documenten te noemen waartegen onze Aanklager protesteert.
De Sovjet Aanklager zou in totaal tegen vijf documenten bezwaar willen maken. Twee ervan – documenten Raeder-70 en 88 – zijn door mijn collega Sir David al opgenomen in de lijst die aan het Tribunaal is overhandigd. Alles wat ik nu dus hoef te doen is de overblijvende nummers te noemen zodat Dr. Siemers het wat gemakkelijker heeft bij het beantwoorden van allemaal. Ik noem drie documenten, Raeder-13, 27 en 83.
Document Raeder-13 is het verslag van een rapport van Kapitein Lohmann (fout in origineel, dit moet zijn vice-Admiraal, Vert.). Er wordt in dit rapport het idee geopperd dat ik niet anders dan een waanzinnig en propagandistisch idee van een typische Nazi kan noemen. Het idee is dat het doel van het Rode Leger een wereldrevolutie is en dat het Rode Leger in werkelijkheid aanzet tot wereldrevolutie. Ik vind dat het niet gepast zou zijn dat dergelijke nachtmerries en politiek gevaarlijke ideeën worden uitgedrukt in documenten die het Tribunaal moet toelaten.
Mijn tweede bezwaar betreft document Raeder-27. Dit is een verslag dat is opgesteld door een vrijwillige reporter Böhm van een toespraak van Hitler op de Obersalzberg. Het Tribunaal heeft het verzoek van Dr. Siemers om twee documenten die dezelfde kwestie behandelen op te nemen al afgewezen en het feit benadrukt dat het Tribunaal niet wenst de echtheid van verschillende documenten die dezelfde kwesties behandelen te vergelijken.
Ik vind dat aangezien het Tribunaal al beschikt over documenten die zijn toegelaten er twee zijn die Hitler’s toespraak op de Obersalzberg betreffen, er geen noodzaak bestaat het derde verslag van deze toespraak toe te laten, in het bijzonder omdat deze versie bepaald schaamteloze, beledigende en lasterlijke opmerkingen over de strijdkrachten en de leiders van de Sovjet Unie bevat. Noch de strijdkrachten van de Sovjet Unie, noch wij als vertegenwoordigers van de Sovjet staat zouden er ooit mee instemmen dergelijke opmerkingen in het verslag te laten opnemen.
Het derde document is Raeder-83. Document 83 is een uittreksel uit het Duitse Witboek. Omdat de echtheid van dit Duitse Witboek al door Dr. Dubost in twijfel is getrokken, beschouw ik het als materiaal waar niet op vertrouwd kan worden en in het bijzonder met betrekking tot document Raeder-83. Er staan diverse opmerkingen in, schadelijk voor de Sovjet Unie die elke politieke basis ontberen – anders gezegd de passage betreffende de betrekkingen tussen de Sovjet Unie en Finland. Op grond van dergelijke politieke motieven zou ik het Hoge Tribunaal dus willen verzoeken document Raeder-83 uit te sluiten van de lijst documenten die door verdedigend raadsman Siemers bij het Tribunaal is ingediend. Verder is het, strikt genomen, volkomen duidelijk dat dit document niet ter zake doende is. Dat is alles wat ik wilde zeggen.
Dr. SIEMERS: Met welnemen van het Tribunaal, ik merk tot mijn spijt op dat we weer terug zijn aan het begin van onze discussie over documenten want we hebben het nu over documenten die in onze eerste discussie op 1 mei helemaal niet genoemd zijn. Ik had echter gehoopt dat ik op dit ene principe kon vertrouwen dat tenminste die documenten waartegen toen geen bezwaar werd gemaakt als toelaatbaar zouden worden beschouwd. Ik merk echter dat de documenten die destijds niet werden besproken nu wel ter discussie staan. Het is bijzonder lastig ....
De PRESIDENT: Dr. Siemers, het Tribunaal is van mening dat u zich hier volledig in vergist want het is duidelijk dat een document dat niet vertaald is uiteindelijk niet door de Aanklager of het Tribunaal kan worden gepresenteerd en het feit dat de Aanklager er in die fase niet tegen protesteert sluit niet uit dat er in een latere fase wel tegen kan worden geprotesteerd wanneer het is vertaald.
Dr. SIEMERS: Er zijn een aantal documenten waarover mij is verteld dat de Aanklager er niet tegen protesteerde en met betrekking daarmee geloofde ik dat dat definitief was, net als met de verwijzing naar sommige andere documenten ....
De PRESIDENT: Ik dacht dat ik duidelijk was geweest. Wat ik heb gezegd was dit: Bezwaar of geen bezwaar maken tegen een document voordat het is vertaald weerhoudt de Aanklager er op geen enkele wijze van ertegen te protesteren wanneer het eenmaal vertaald is. Is dat duidelijk?
Dr. SIEMERS: Dan zal ik die documnenten een voor een behandelen. Allereerst zou ik willen beginnen met de documenten die Kolonekl Pokrovski ....
De PRESIDENT: Nee, nee, Dr. Siemers, het Tribunaal wenst die documenten niet een voor een aan te horen. Als ze als groep behandeld kunnen worden, moeten ze als groep behandeld worden. Ze zijn door Sir David in groepen behandeld en ik zeg niet dat u zich precies aan die groepen moet houden, maar dat het Tribunaal niet van plan is die documenten een voor een aan te horen.
Dr. SIEMERS: Neemt u mij niet kwalijk. Er is sprake van een misverstand. Ik wilde die documenten in het begin bespreken omdat een aantal zaken niet duidelijk zijn en waartegen Kolonel Pokrovski bezwaar maakte. Ik was me er niet van bewust dat Kolonel Pokrovski de documenten in groepen noemde. Ik meen dat hij vijf documenten noemde – drie ervan afzonderlijk – en ik meen dat, hoewel ik niet alles heb begrepen dat ik deze afzonderlijk genoemde documenten ook een voor een kan behandelen. Ik zal echter graag beginnen met de groep die door Sir David is genoemd als die eerder moet worden behandeld. Zal ik eerst ....
De PRESIDENT: Toen u zei dat u de documenten een voor een ging behandelen, bedoelde u alle documenten een voor een? Ik suggereer niet dat u ....
Dr. SIEMERS: Nee, Edelachtbare.
De PRESIDENT: U kunt eerst de documenten van Kolonel Pokrovski behandelen, als u dat wilt.
Dr. SIEMERS: Kolonekl Pokrovski heeft als eerste bezwaar gemaakt tegen document Raeder-13. Dit is een document uit 1935. Kolonel Pokrovski kan natuurlijk bezwaar maken tegen de inhoud van dit document, maar hoe een document als irrelevant kan worden aangemerkt alleen maar omdat een bepaalde zinsnede propaganda zou bevatten is mij niet helemaal duidelijk. Ik meen dat ik in andere documenten die hier de afgelopen zes maanden zijn gepresenteerd zinnen kan vinden die als propaganda kunnen worden opgevat. Ik kan dat niet als een bezwaar zien en ik zou het Tribunaal eraan willen herinneren dat al aan het begin van de verhandeling, toen we het over Oostenrijk hadden, het Tribunaal een bezwaar van de Verdediging betreffende een brief afwees. De Verdediger maakte bezwaar omdat de schrijver van de brief beschikbaar was als getuige. Daarop, en terecht oordeelde het Tribunaal dat de brief bewijsmateriaal vormde. Het enige punt van discussie is de waarschijnlijkheidswaarde. Het Tribunaal heeft dit document toegelaten. En in verband hiermee zou ik willen opmerken dat een lezing aan een universiteit, die op schrift gesteld is, een document is. De brief handelt over de Marineovereenkomst en ik geloof dat hierdoor de relevantie .....
De PRESIDENT: Dr. Siemers, hebt u uw punt over nummer 13 niet al gemaakt? U zei dat het merendeel hiervan duidelijk relevant is, hoewel er een zin in staat die opgevat kan worden als propaganda en daarom moet het document niet worden geschrapt. Is dat uw punt
Dr. SIEMERS: Nee, ik zeg dat dit een document is dat van belang is voor de bewijsvoering in deze zaak en de Sovjet Aanklager kan dit niet betwisten omdat het een lezing is, gehouden in 1935. Ik begrijp het gebruik door Kolonel Pokrovski van het woord propaganda in verband met dit document in het geheel niet.
De PRESIDENT: Wel, ik begrijp absoluut niet wat u bedoelt. Ik dacht dat ik u het punt heb voorgelegd dat u gemaakt heeft. Ik dacht dat u duidelijk had gemaakt dat het document op zich relevant is en niet kan worden geweigerd omdat het een zin bevat die als propaganda kan worden opgevat. Dat is uw punt en ik wil het in een of twee zinnen horen en het Tribunaal zal het in overweging nemen. Ik zie niet in waarom de tijd van het Tribunaal moet worden verknoeid met een lange redenering over iets anders.
Dr. SIEMERS: Kolonel Pokrovski maakte als tweede, als ik de tolk goed heb begrepen, bezwaar tegen document Raeder-27. In dit geval gaat het om de toespraak van Hitler op de Obersalzberg op 22 augustus 1939. Het is bewijstuk Raeder-27. Het is voor mij erg moeilijk om commentaar te geven op dit document omdat ik de bezwaren van Kolonel Pokrovski niet begrijp. Het gaat om ....
De PRESIDENT: Het bezwaar was dat er geen noodzaak bestaat voor een derde versie van deze toespraak. Er zijn twee versies waartegen u bezwaar maakte en hij zei dat er geen noodzaak bestaat voor een derde versie.
Dr. SIEMERS: Daaraan zou ik dan willen toevoegen, Edelachtbare, dat de Sovjet delegatie het niet eens is met de delegatie van de Verenigde Staten. In het verslag van toen zei de vertegenwoordiger van de Amerikaanse delegatie dat wanneer iemand een betere versie van die toespraak had, hij die zou moeten indienen. Daarom ben ik het eens met de mening van de Amerikaanse Aanklager en daarnaast geloof ik dat er geen woord hoeft te worden besteed aan de relevantie van een toespraak die kort voor het uitbreken van de oorlog werd gehouden.
Document Raeder-83 is het derde document waartegen Kolonel Pokrovski bezwaar maakte. Dit betreft de zesde zitting van de Opperste Raad op 28 maart 1940, het opstellen van een resolutie met als kop "Streng geheim." In dit document stemt de Opperste Raad, vertegenwoordigers van de Geallieerde leiders, ermee in dat de Franse en Britse regeringen op maandag 1 april een nota zullen overhandigen aan de regeringen van Noorwegen en Zweden. De inhoud van de nota wordt dan vermeld; er staat een verwijzing naar het standpunt over vitale belangen en er staat dan dat de positie van de neutralen door de Geallieerden zal worden beschouwd als zijnde in strijd met hun eigen vitale belangen en dat dat een passende reactie zou uitlokken.
Onder figuur 1c van dit document staat:
"Iedere poging van de Sovjet Unie om van Noorwegen een positie aan de Atlantische Oceaan te verkrijgen zou strijdig zijn met de vitale belangen van de Geallieerden en zou de passende reactie uitlokken."
De PRESIDENT: U hoeft het hele document toch niet voor te lezen? Ik bedoel, u kunt ons vertellen wat de strekking is. Het lijkt een bezwaar te zijn tegen iedere verdere aanval op Finland, die door de Geallieerden zou worden beschouwd als strijdig met hun vitale belangen. Dat is alles.
Dr. SIEMERS: Meneer de President, alleen de uitdrukking "vitale belangen" is de beslissende. Ik wens niet, zoals de Aanklager altijd schijnt te denken, een of ander bezwaar te maken vanuit een drogreden. Ik wil alleen maar aantonen hoe de situatie was op grond van internationalwe wetgeving en dat op het zelfde moment waarop Admiraal Raeder bepaalde gedachten had over Noorwegen en Griekenland enzovoorts, de Geallieerde instellingen dezelfde gedachten koesterden en deze gedachten baseerden op dezelfde grondstelling van internationale wetgeving die, zoals ik eerder opmerkte, hoog gehouden werd door Kellogg, namelijk dat het recht op zelfbescherming nog steeds bestaat. Nu kan ik mijn punt met deze documenten bewijzen.
De PRESIDENT: Het punt dat door Sir David tegen u gemaakt werd was dat het document pas na de val van Frankrijk in handen van de Duitsers kon zijn gevallen.
Dr. SIEMERS: Ik ga het nu hebben over de groepen zoals door Sir David aangegeven.
Sir David deed enkele fundamentele uitspraken. Betreffende de documenten Raeder-28 en 29 wees hij er nadrukkelijk op dat dit in het ene geval de gedachten waren van Generaal Gamelin en in het andere geval van Generaal Weygand en dat deze gedachten destijds bij de Duitsers niet bekend waren omdat we die documenten nog niet in handen hadden. Het laatste punt is juist. Het concept en het plan om Griekenland te bezetten, de Roemeense oliebronnen te verwoesten, deze gedachten waren bij de Duitsers bekend – namelijk via hun inlichtingendienst. De Aanklager heeft de datums van het Duitse Opperbevel niet genoemd waarop die rapporten zijn gemeld. Omdat ik niet over die documenten beschik, meen ik dat het juist zou zijn als ik de gelegenheid krijg de ware feiten te noemen die aan de Duitsers bekend waren en ze op die manier te bewijzen. Ik heb geen andere bewijzen. Dat het voor de Aanklager aanvaardbaar is, mij die documenten te onthouden die ik voor mijn verdediging nodig heb, kan ik begrijpen, maar de Aanklager moet ook begrijpen dat ik het belangrijk vind dat deze documenten die definitieve bewijzen vormen mij ter beschikking blijven.
Tegen Admiraal Raeder is de beschuldiging geüit dat het een agressieve daad was – een misdadige actie – om plannen op te stellen voor de bezetting van Griekenland. Document Raeder-29 toont aan dat Generaal Weygand en Generaal Gamelin zich op 9 september bezig hielden met het voorbereiden van de bezetting van het neutrale Salanika. Als dit dus het geval is kan ik niet begrijpen hoe iemand met een beschuldigende vinger naar Admiraal Raeder – aan Duitse zijde – kan wijzen omdat hij zich anderhalf jaar later met gelijksoortige plannen had bezig gehouden. Ik ben daarom van mening dat dit en gelijksoortige documenten mij moeten worden toegestaan want alleen daardoor kan de militaire voorbereiding en de waarde van die voorbereiding – of de bezwaarlijke kant, de misdadige kant van de voorbereiding – worden begrepen. Het strategisch denken van beklaagde kan alleen maar worden begrepen wanneer men ongeveer weet welke strategische gedachten destijds bij de vijand overheersten. De strategische redenering van Admiraal Raeder lag opgesloten in een luchtdicht compartiment maar hing af van de ontvangen rapporten over de strategische planning van de tegenstander. Het is een wederzijdse activiteit. Deze wederzijdse activiteit is noodzakerlijk voor onderling begrip.
Daarom verzoek ik, gezien dit zeer essentiële punt dat mij dit soort documenten wordt toegestaan omdat ik, zoals ik onlangs heb opgemerkt, anders niet weet hoe ik mijn verdediging moet voeren tegen deze ernstige beschuldigingen betreffende Griekenland en Noorwegen als al mijn documenten worden geschrapt. Ik meen dat men mij goed begrijpt wanneer ik beweer dat wij van deze documenten op de hoogte waren. Maar Duitsland kende de inhoud van deze documenten en ik meen dat dat voldoende is.
Met welnemen van het Tribunaal, we komen nogmaals toe aan document Raeder-66 in groep A. Dit document Raeder-66 bevat de mening van Dr. Mosler, een deskundige op het gebied van internationale wetgeving, betreffende de operatie in Noorwegen, gezien vanuit het oogpunt van internationale wetgeving.
Omdat we het hier in deze zaal altijd hebben over het besparen van tijd zou ik mijn twijfels hebben over het afwijzen van dit artikel, want een weigering zou mij ertoe dwingen de gedachtengang punt voor punt en tot in detail weer te geven en ik meen dat het voor het Tribunaal veel gemakkelijker is, voor de Aanklager en voor mijzelf, wanneer ik in dit verband een algemeen juridisch argument ter sprake breng.
SIR DAVID: Edelachtbare, dit document is een kwestie van een juridisch argument. Als het Tribunaal van mening is dat het handig kan zijn om het argument in documentvorm te hebben dan zal ik graag mijn bezwaar hiertegen intrekken. Dat gaat over een heel ander project dan het andere en ik wil helpen waar ik kan.
Nu ik toch de microfoon heb: ik heb wel degelijk gezegd dat er twee andere documenten zijn die in dezelfde groep vallen. Document Raeder-34 valt in groep B en document Raeder-48 in groep E. Edelachtbare, ik heb 28 genoemd toen ik het Tribunaal toesprak.
Dr. SIEMERS: Met welnemen van het Tribunaal, ik wens document Raeder-66 niet te betwisten, ik heb dit alleen maar gedaan om de situatie voor iedereen wat gemakkelijker te maken. De aanvullende documenten in deze groep zijn Raeder-101 tot 107. Ik kan niet zeggen dat dit een homogene groep is. Een document gaat over Noorwegen, een ander gaat over België, een derde gaat over de Donau. De eenheid binnen deze groep ontgaat mij. In principe hebben deze documenten dit punt gemeen dat er, zoals ik al heb gezegd, een plan bestond zowel binnen de Geallieerde Generale Staf als ook in de Duitse en die waren allemaal gebaseerd op de grondstellingen van internationale wetgeving betreffende het recht op zelfbescherming als zijnde een vitaal belang.
Om het op dit punt kort te houden zou ik in het bijzonder willen verwijzen naar document Raeder-66 en om tijd te besparen verzoek ik of de citaten uit dit document beschouwd kunnen worden als basis voor mijn opmerkingen van vandaag over het recht van zelfbescherming. Ik verwijs naar de citaten op pagina 3 en 4 van deze vakkundige verhandeling. De juridische situatie wordt daarin zeer duidelijk gemaakt en er wordt in deze verhandeling duidelijk gesteld dat met betrekking tot de bezetting van Noorwegen we het er niet over hebben of de Geallieerden ook werkelijk in Noorwegen zijn geland maar alleen over het bestaan van een dergelijk plan; dat we het niet hebben over het feit of Noorwegen daar wel of niet mee instemde. Het gevaar van een verandering in neutraliteit geeft volgens internationale wetgeving iemand het recht om bepaalde tegenmaatregelen te nemen of op eigen initiatief aan te vallen en deze grondstelling wordt in de hele literatuur, die in dit document wordt aangehaald, gehandhaafd en waar ik later in mijn slotpleidooi naar zal verwijzen.
Uit groep 101 tot 107 moet ik in het bijzonder document Raeder-107 noemen. Document Raeder-107 handelt helemaal niet over de Witboeken zoals de andeer documenten. 107 is een beëdigde verklaring van Schreiber. Schreiber was Marine attaché in Oslo vanaf oktober 1939. Vanaf het begin heb ik gezegd dat ik Schreiber nodig heb als getuige. Ondertussen heb ik afgezien van Schreiber want hoewel we het wekenlang hebben geprobeerd konden we hem niet vinden. Ik heb deze kwestie besproken met Sir David en met Kolonel Phillimore. Mij werd gezegd dat er tegen dit formele punt geen bezwaar zou worden gemaakt omdat Schreiber plotseling en op eigen initiatief weer verscheen.
Wanneer, zoals de Aanklager wil, mij dit stuk bewijsmateriaal wordt onthouden – namelijk de verklaring van Schreiber over de rapporten die Admiraal Raeder uit Oslo ontving en als aanvulling daarop de documenten waarmee de echtheid van deze documenten kan worden aangetoond – dan heb ik helemaal geen bewijs voor deze kwestie. Bovendien was Schreiber in Oslo tijdens de bezetting en hij heeft in zijn verklaring opmerkingen gemaakt met betrekking tot het gedrag van de Marine en de inspanningen van Admiraal Raeder in verband met het betreurenswaardige burgerlijke bestuur van Terboven. Daarom verzoek ik het Hoge Tribunaal mij deze verklaring toe te staan of mij Schreiber als getuige toe te staan zodat hij persoonlijk kan getuigen. De laatste methode zou echter meer tijd kosten. Ik heb mijn bewijsvoering met getuigen dermate beperkt dat ik meen, gezien de hele tijdsspanne van 15 jaar waar we het over hebben, dat mij tenminste in de zaak van beklaagde Raeder een dergelijke verklaring zou moeten worden toegestaan.
Met betrekking tot groep B zou ik willen verwijzen naar de opmerkingen die ik al heb gemaakt. Voor zover ik het kan zien lijkt deze groep zeer heterogeen te zijn, maar ik geloof dat het allemaal documenten zijn die uit het Witboek zijn genomen. Dezelfde ideeën zouden moeten worden toegepast die ik onlangs voor het Tribunaal heb geüit.
De PRESIDENT: Ik denk dat Sir David erkende dat er een zekere mate van gebrek aan identiteit van deze groepen bestond maar hij suggereerde dat ze allemaal in geografische groepen vallen: een groep, de Lage Landen; een groep Noorwegen; een groep Griekenland en een groep de Kaukasus en de Donau – hetgeen overeenkomt met E. Dat heeft hij gezegd. Kunt u ze niet in die geografische groepen behandelen
Dr. SIEMERS: Goed. Ik heb het al gehad over Noorwegen en in dat verband verwijs ik naar de opmerkingen die ik al heb gemaakt. Ik heb Griekenland al kort genoemd. Ik zou willen zeggen dat er een dubbele beschuldiging is gedaan: ten eerste dat neutrale schepen tot zinken werden gebracht, neutrale Griekse schepen en ten tweede de beschuldiging van een aanvalsoorlog tegen Griekenland – anders gezegd de bezetting van heel Griekenland.
Met betrekking tot het laatste punt heb ik al een paar opmerkingen gemaakt. Over de Griekse koopvaarders zou ik alleen willen zeggen dat de actie en houding van beklaagde gerechtvaardigd lijkt omdat hij rapporten ontving die overeenkomen met de documenten die een maand later in Frankrijk werden gevonden. Dezelfde rapporten werden door Raeder ontvangen toen hij zijn visie aan Hitler bekend maakte. Ik zou willen bewijzen dat deze rapporten die hem via de inlichtingendienst bereikten geen verzinsel van de inlichtingendienst waren maar op harde feiten berustten. Het zelfde geldt voor de oliegebieden. Er bestonden plannen om de Roemeense oliebronnen te verwoesten en verder bestond er een plan om de oliebronnen in de Kaukasus te verwoesten; beide hadden tot doel de vijand schade te berokkenen, in het eerste geval alleen Duitsland – waar het Roemenië betrof – en in het tweede geval Duitsland en Rusland omdat destijds Rusland op vriendschappelijke voet stond met Duitsland.
Deze plannen zijn – en dat wordt door de documenten aangetoond – in dezelfde vorm als alle andere documenten die door de Aanklager zijn gepresenteerd. Deze documenten zijn ook in hun geheel "streng geheim," "persoonlijk" en "vertrouwelijk." Net als de Aanklager altijd heeft gezegd "Waarom deed u alles in het geheim? Dat is verdacht." Deze documenten bevatten ideeën die zijn gebaseerd op strategische voorbereidingen net als de documenten die door de Aanklager zijn gepresenteerd. Dat is iets wat kenmerkend is voor een oorlog en niet is bedoeld als een beschuldiging van mijn kant maar ook moet het door de Aanklager niet worden opgevat als een beschuldiging tegen Raeder.
Dan volgt de groep Von Ribbentrop documenten. Ik kan alleen maar zeggen wat ik onlangs heb gezegd. Zoals ik het nu vluchtig bekijk zijn de documenten in het documentenboek Von Ribbentrop niet zo volledig als ze hier zijn. Daarom meen ik dat het belangrijk is de complete inhoud van de documenten eerder te beoordelen vanuit het standpunt van Raeder dan vanuit het standpunt van Von Ribbentrop. Dat mag misschien gebeurd zijn, zoals het Tribunaal onlangs suggereerde. Dan geloof ik echter, het is geen bezwaar dat door de Aanklager kan worden gebruikt door te zeggen dat ze in het geval van Von Ribbentrop gedeeltelijk werden toegelaten en gedeeltelijk geweigerd. Want enkele documenten die Von Ribbentrop werden toegestaan werden mij geweigerd.
Dan komen we aan groep E en dat is tu quoque (een drogreden. Vert.). Ik meen dat ik het onlangs al uitvoerig over dit punt heb gehad. Ik betwist het nogmaals en kan niet begrijpen waarom de Aanklager het hierover niet met mij eens is. Ik wil er geen bezwaar tegen maken. Ik zeg niet tu quoque, ik zeg alleen dat het gaat om strategische voorbereidingen die in ieder leger worden getroffen en er zijn stellingen in de internationale wetgeving die net zo voor de Geallieerden gelden als voor ons en ik verzoek dat mij de mogelijkheden tot vergelijking van buitenlandse politiek worden gegund.
Ik geloof dat ik hiermee alle punten zo ver mogelijk behandeld heb om in zo’n korte periode mijn positie te bepalen met betrekking tot ongeveer 50 documenten en ik verzoek het geachte Tribunaal mijn werk niet nog moeilijker te maken door mij die documenten te onthouden.
De PRESIDENT: Het Tribunaal zal deze documenten en uw argumenten nauwkeurig bestuderen.
De zitting wordt nu geschorst.
(Het Tribunaal wordt verdaagd tot 17 mei 1946 om 10:00 uur.)

Zie ook: Verhoor Raeder 1, Slotverklaring Raeder, Vonnis Raeder

Definitielijst

Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
invasie
Gewapende inval.
Maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
30-05-2009
Laatst gewijzigd:
16-01-2019
Feedback?
Stuur het in!

Gerelateerde thema's

Gerelateerde personen

Bronnen

Internatrional Military Tribunal, Nuremberg 1947.