De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Ochtendzitting 1 24-06-1946

(beklaagde Von Neurath neemt weer plaats in de beklaagdenbank.)
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer von Neurath, mij is verteld en ik heb het ook op de radio gehoord dat er gisteren blijkbaar een fout is gemaakt, waarschijnlijk vanwege een slechte vertaling, betreffende uw activiteiten tussen 1903 en 1914. Misschien kunt u dat herhalen want ik geloof dat het Tribunaal uw verklaring ook verkeerd heeft begrepen.
VON NEURATH: Het betreft vermoedelijk mijn verblijf in Londen. Tussen 1903 en 1907 was ik in Londen en daarna zat ik op Buitenlandse Zaken in Berlijn.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dan gaan we verder met de presentatie van uw beleid als Minister van Buitenlandse Zaken. Ik zou u de volgende vragen willen stellen:
De Aanklager ziet als bewijs van uw deelname aan de vermeende samenzwering tegen de vrede het feit dat gedurende uw zittingsperiode als Minister van Buitenlandse Zaken in het voorjaar van 1935 met de algehele herbewapening werd begonnen; de militaire dienstplicht opnieuw werd ingevoerd en de Luftwaffe werd opgericht. Wilt u hier iets over zeggen?
VON NEURATH: Allereerst zou ik willen benadrukken dat er in Duitsland in dit en volgende jaren geen sprake was van oorlogsplannen. Ik ben er ook heilig van overtuigd dat destijds noch Hitler, noch zijn entourage agressieve plannen hadden of die zelfs maar overwogen want dat zou zonder dat ik ervan wist onmogelijk zijn geweest.
Herbewapening als zodanig vormt geen bedreiging voor vrede tenzij wordt besloten de nieuw geproduceerde wapens voor andere doelen dan verdediging te gebruiken. Een dergelijk besluit was er destijds niet en dergelijke voorbereidingen ook niet. Dezelfde beschuldiging van het voorbereiden op een aanvalsoorlog kan tegen alle buurlanden van Duitsland worden gedaan die zich op dezelfde manier .....
De PRESIDENT: Een moment, Dr. von Lüdinghausen, dit is argumentatie, geen bewijs.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, ik moet weten hoe hem de zaken toeschenen. Beslissingen voor acties kunnen alleen worden gerechtvaardigd wanneer ik uitleg .....
De PRESIDENT: Nee, we zijn niet bereid argumentatie aan te horen in de loop van de bewijsvoering. Het is bewijsmateriaal wanneer hij zegt dat er destijds geen plannen werden gemaakt voor offensieve acties, maar het is argumentatie om te zeggen dat herbewapening niet noodzakelijkerwijs offensieve actie betekent. We willen in deze fase geen argumentatie horen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja.
Wilt u dan de vraag nogmaals beantwoorden of er in feite geen plannen klaar lagen om de nieuwe wapens te gebruiken voor agressieve doeleinden of voor andere gewelddadige acties?
VON NEURATH: Dat heb ik net gezegd. Ik denk niet dat ik het hoef te herhalen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Welke redenen waren er, welke feiten die de situatie voor Duitsland bijzonder gevaarlijk deden lijken?
VON NEURATH: Destijds kon Duitsland niet onder het gevoel uit dat zij omringd was door haar sterk bewapende buren. Rusland en Frankrijk hadden een verdrag tot onderlinge steun gesloten dat niets anders dan een militair bondgenootschap kon worden genoemd. Daarop volgde direct een soortgelijk verdrag tussen Rusland en Tsjechoslowakije. Volgens eigen zeggen had Rusland de vredessterkte van haar leger met meer dan de helft vergroot. Hoe sterk het feitelijk was kon niet worden vastgesteld. In Frankrijk werden onder leiding van Pétain pogingen gedaan om het leger sterk uit te breiden. Al in 1934 had Tsjechoslowakije een dienstplicht voor twee jaar ingesteld. Op 1 maart 1935 vaardigde Frankrijk een nieuwe defensiewet uit waarbij ook de periode van dienstplicht werd verlengd. Deze hele ontwikkeling, die in een paar maanden tot stand was gekomen, kon alleen maar worden gezien als een onmiddellijke dreiging. Duitsland kon niet langer een weerloze en werkloze toeschouwer blijven. Gezien deze feiten was de beslissing die Hitler toen nam om de dienstplicht opnieuw in te voeren en geleidelijk aan een leger van 36 divisies op te bouwen geen daad die een ernstige bedreiging vormde voor de buurlanden die door allianties waren verbonden.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik u willen vragen de volgende documenten in mijn documentenboek voor kennisgeving aan te nemen:
Nummer 87, een document over de toetreding van de Sovjet Unie tot de Volkenbond van 18 september 1934, in documentenboek 3. Nummer 89, ook in documentenboek 3, is een verklaring van de verslaggever van de Legercommissie van de Franse Nationale Assemblée van 23 november 1931, over het verdrag met Rusland. Nummer 91, in documentenboek 3, is het Russisch-Franse Protocol voor de onderhandeling met het Oostelijke Pact van 5 december 1934.
M. DEBENEST: Meneer de President, ik zou willen opmerken dat document 89 nog niet aan ons is overlegd. Daarom is het nog niet mogelijk geweest dit document te bestuderen en te zeggen of het relevant is.
De PRESIDENT: Als u het boek krijgt, hebt u het recht om zo nodig bezwaar te maken tegen dit document. Dr. von Lüdinghausen vertelt ons alleen van welke documenten hij vindt dat die het bewijs ondersteunen dat zojuist is gegeven, dat is alles. Hij presenteert deze documenten als bewijsmateriaal en zo gauw u het boek krijgt en het document kunt bestuderen zult u de gelegenheid krijgen bezwaar te maken tegen de toelaatbaarheid ervan.
M. DEBENEST: Dat is precies waar het om gaat, Meneer de President. Ik wilde voor mijzelf het recht opeisen dat te doen.
De PRESIDENT: Ja, we zijn het met u eens.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dan komt document 92, in documentenboek 3, de oproep aan het leger door de President van de Tsjechoslowaakse republiek.
In documentenboek 3, nummer 96 de Franse regeringsverklaring van 15 maart 1935.
In documentenboek 3, nummer 79 het verslag van de Tsjechische minister in Parijs, Osusky van 15 juni 1934.
Document 101 is het Frans-Russische verdrag tot onderlinge steun van 2 mei 1935.
Document 94 is een uittreksel van de toespraak van de Franse president Flandin tot de Assemblée Nationale van 5 februari 1935. Ik verzoek u deze documenten voor kennisgeving aan te nemen.
(tot de beklaagde): Was Duitsland’s beslissing om zich te herbewapenen bedoeld om aan te geven dat zij iedere verdere samenwerking met internationale pogingen om de algemene herbewapening te beperken zou beëindigen?
VON NEURATH: Nee, in geen geval. Een Engelse vraag of Duitsland gereed zou zijn deel te nemen aan onderhandelingen over algehele herbewapening op dezelfde manier en tot op dezelfde hoogte zoals vastgelegd in het zogeheten Communiqué van Londen van 5 februari 1935 werd direct bevestigend beantwoord. Op 18 maart – twee dagen na de invoering van de dienstplicht – kreeg de Ambassade in Londen opdracht om de onderhandelingen te hervatten en in het bijzonder een voorstel te doen om de sterkte van de marine te beperken.
In mei 1935 hield Hitler een rede tot de Reichstag waarin hij een concreet Duits plan voor vrede uiteenzette. Hij benadrukte in het bijzonder Duitsland’s verlangen naar vrede en verklaarde zich nogmaals bereid mee te werken aan ieder stelsel van internationale overeenkomsten voor handhaving van de vrede, zelfs aan collectieve overeenkomsten. De enige voorwaarde die hij stelde, en dat had hij altijd al gedaan, was erkenning van Duitsland’s gelijke rechten. Hij verklaarde zich ook bereid weer toe te treden tot de Volkenbond. Door dat te doen wilde hij bewijzen dat Duitsland, ondanks het sluiten van militaire bondgenootschappen die zij als een bedreiging zag, en ondanks onze eigen herbewapening vrede bleef wensen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik verzoek het Tribunaal de volgende documenten in mijn documentenboek 3 voor kennisgeving aan te nemen:
Nummer 95, het antwoord van de Reichsregierung van 15 februari 1935 op het zogeheten Communiqué van Londen.
Nummer 97, een uittreksel uit het verzoek van de Reichsregierung van 16 maart 1935 om herinvoering van de dienstplicht in Duitsland.
Nummer 98 is het communiqué van 26 maart 1935 over het overleg tussen de Britse Minister van Buitenlandse Zaken, Sir John Simon en Lord Privy Seal, Mr. Eden met de Reichsregierung.
Nummer 102 is het communiqué van 15 mei 1935 over de toespraak van de Minister van Buitenlandse Zaken Laval in Moskou.
Nummer 104 Hitler’s toespraak van 21 mei 1935 over het Russisch-Franse verdrag.
Nummer 105 de nota van de Reichsregierung van 25 mei 1935 aan de ondertekenaars van het Verdrag van Locarno.
(tot de beklaagde): Hadden de Duitse pogingen en haar bereidheid tot onderhandelen enig succes?
VON NEURATH: Ja, dat leidde tot het sluiten van het eerste en enige verdrag ter beperking van bewapening dat feitelijk ook werd uitgevoerd op basis van Duitse voorstellen door het ondertekenen van de Anglo-Duitse Marineovereenkomnst in juni 1935. Natuurlijk zou ik er de voorkeur aan hebben gegeven als de onderhandelingen met alle landen over beperking van bewapening succesvol waren geweest. Niettemin werd deze overeenkomst tussen slechts twee landen door ons hartelijk verwelkomd als een stap in die richting. We weten dat in elk geval Engeland zich afzijdig hield van het besluit van de Volkenbond dat Duitsland het Verdrag van Versailles had geschonden door zich te herbewapenen. De Duitse stap werd dus als gerechtvaardigd gezien.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik het Tribunaal willen verzoeken twee documenten uit mijn documentenboek 3 voor kennisgeving aan te nemen:
Document nummer 106 is een radiotoespraak van de First Lord of the Admiralty, Sir Bolton Eyres-Monsell op 19 juni 1935.
Het tweede document is nummer 119, een uittreksel uit de verklaring van de parlementair secretaris van de Admiraliteit, Mr. Shakespeare in het Lagerhuis bij gelegenheid van de ratificatie van de Marineovereenkomst van Londen op 20 juli 1936.
(tot de beklaagde): Bleven de Duitse activiteiten op het gebied van de ontwapening beperkt tot de Anglo-Duitse Marineovereenkomst?
VON NEURATH: Nee, onze bereidheid tot samenwerking op een positieve manier voor de beperking van bewapening die door ons bij vele gelegenheden is geüit werd ook uitgedrukt in de onderhandelingen over ontwapening in de lucht. Direct vanaf het begin, al in 1933 had Hitler het belang van dit punt voor handhaving van de vrede benadrukt. Duitsland was bereid iedere beperking te aanvaarden, zelfs de volledige afschaffing van luchtwapens als dat op wederzijdse basis gebeurde. Maar alleen Engeland reageerde op dergelijke voorstellen. Het probleem was Frankrijk over te halen om deel te nemen aan de onderhandelingen. Zij deed dit pas drie maanden later na inspanningen door Engeland. Maar Frankrijk stelde voorwaarden die het practisch onmogelijk maakten dat deze onderhandelingen zouden slagen.
Naast een algemene overeenkomst die voor alle Europese landen moest gelden, moesten bijzondere bilaterale overeenkomsten worden toegestaan. Bovendien moest de voortgang van de onderhandelingen over luchtbewapening afhankelijk worden gesteld van de onderhandelingen betreffende het Oostelijke Pact. Duitsland kon niet deelnemen aan dit Oostelijke Pact omdat zij militaire verplichtingen zou moeten aangaan waarvan de gevolgen niet te voorzien waren.
Vanwege dit en het uitbreken van de oorlog tussen Italië en Abessynië, die de verschillen tussen de Westerse mogendheden aan het licht bracht, kwamen de onderhandelingen tot stilstand.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Een jaar later, in maart 1936 werd het Rijnland weer door Duitse troepen bezet. De Aanklager ziet hierin een schending van het Verdrag van Locarno en een verder bewijs van uw medeverantwoordelijkheid voor de vermeende samenzwering tegen de vrede. Wilt u alstublieft hier iets over zeggen?
VON NEURATH: Deze bewering is volkomen onjuist. Er was geen besluit of een plan tot het voeren van een aanvalsoorlog net zo min als het jaar daarvoor. Het herstel van de volledige souvereiniteit in alle delen van het Reich was niet van militair maar uitsluitend van politiek belang.
De bezetting van het Rijnland geschiedde slechts met een divisie en dit alleen toont al aan dat het een zuiver symbolisch gebaar was. Het was duidelijk dat een groots en ijverig volk een dergelijke drastische beperking van haar souvereiniteit zoals opgelegd door het Verdrag van Versailles, niet voor eeuwig zou accepteren. Het was gewoon een dynamische ontwikkeling waar de leiders van het Duitse buitenlands beleid niet tegen konden zijn.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Werd de herbezetting van het Rijnland uitgevoerd volgens een plan dat enige tijd te voren was opgesteld of was het een spontaan besluit?
VON NEURATH: Het was een van die plotselinge besluiten van Hitler dat binnen een paar dagen moest worden uitgevoerd.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat waren de gebeurtenissen die tot dit spontane besluit leidden?
VON NEURATH: Op 16 januari kondigde de Franse Minister van Buitenlandse Zaken, Laval aan dat hij na zijn terugkeer uit Genève het Russisch-Franse Pact ter ratificatie zou voorleggen aan de Assemblée Nationale. Het feit dat Hitler in een interview met M. de Jouvenel, de correspondent van de vooraanstaande Franse krant Paris Midi, naast het benadrukken van de gevaren van dit pact nogmaals Frankrijk de hand reikte in een poging een eerbaar en permanent begrip tussen de twee volkeren te bereiken, was zinloos. Ik had van te voren dit interview tot in bijzonderheden met Hitler besproken en ik kreeg sterk de indruk dat het hem ernst was met zijn wens voor een permanente verzoening tussen beide volkeren. Maar deze poging was ook nutteloos. De sterke tegenstand tegen het pact van grote delen van de Franse bevolking onder leiding van de Union Nationale des Combattants en in het parlement zelf kon de Franse regering er niet van weerhouden het pact te ratificeren. De stemming werd op 27 februari 1936 gehouden in de Assemblée Nationale.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou het Tribunaal willen verzoeken, nota te nemen van van de volgende twee documenten uit mijn documentenboek 4: het eerste is 108, Hitler’s interview met de correspondent van de Paris Midi, M. de Jouvenel van 21 februari 1936; het tweede is 107, een uittreksel uit de rede van de afgevaardige Montigny voor de Assemblée Nationale van 13 febrauri 1936.
(tot de beklaagde): Als een soort antwoord op de ratificatie van dit verdrag trokken Duitse troepen op 7 maart 1936 het gedemilitariseerde Rijnland binnen. Welke overwegingen brachten de Duitse regering ertoe, deze ernstige stap te nemen? Gezien de vijandige houding van de Fransen bestond het gevaar dat de Westerse mogendheden zich dit keer niet tevreden zouden stellen met papieren protesten en resoluties van de Volkenbond maar met geweld van wapens zouden optreden tegen deze eenzijdige ....
De PRESIDENT: Dr. von Lüdinghausen, is dit een vraag of een verklaring?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het is een vraag. Ik zou de houding van de regering van destijds willen weten. Als ik een opmerking mag maken, ik moet deze uitleg van de beklaagde zelf horen op grond van welke beslissingen destijds genomen want in mijn slotpleidooi ....
De PRESIDENT: U hebt een aantal feiten genoemd. Het is niet aan u om feiten te noemen. Het is uw plicht de beklaagde daarnaar te vragen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik wilde geen feiten noemen. Ik wilde van beklaagde weten welke overwegingen tot deze beslissing leidden.
(tot de beklaagde): Wilt u alstublieft voor ons beschrijven welke factoren destijds bij uw overwegingen meespeelden?
VON NEURATH: In mijn eerdere antwoorden heb ik al gezegd waarom wij een ernstige bedreiging zagen in het Frans-Russsiche pact en in Frankrijk’s hele houding. Deze concentratie van macht in Franse handen door de diverse verdragen tot onderlinge steun kon alleen maar tegen Duitsland zijn gericht. Er was geen ander land ter wereld waartegen dat gericht zou kunnen zijn. In het geval van vijandelijkheden – een mogelijkheid waarmee, gezien de hele situatie iedere verantwoordelijke regering rekening mee moest houden – lag de westelijke grens van Duitsland helemaal open vanwege de demilitairisatie van het Rijnland. Dit was niet alleen een discriminerende bepaling in het Verdrag van Versailles, maar ook een waardoor de veiligheid van Duitsland het meest werd bedreigd. Die was echter waardeloos geworden door de beslissing van de Vijf Mogendheden in Genève op 11 december 1935.
De PRESIDENT: Dr. von Lüdinghausen, het Tribunaal is van mening dat dit allemaal argumenten zijn. Als er feiten zijn wat de Duitse regering destijds deed na het Frans-Russische pact en voor de inval in het Rijnland dan kan beklaagde die feiten noemen, maar dit zijn alleen maar argumenten en het Tribunaal is daar zeer goed mee op de hoogte. Die hoeven we niet nogmaals te laten verklaren en zeker niet in de loop van de bewijsvoering.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, ik wilde alleen maar voorkomen dat wanneer ik later in mijn slotpleidooi naar dit punt verwijs, het bezwaar wordt gemaakt dat dit mijn mening is. Ik wil aantonen ...
De PRESIDENT: Dr. von Lüdinghausen, dat is een volkomen verkeerde opvatting. Wij horen nu bewijsmateriaal aan. Wanneer u uw pleidooi houdt zullen we argumenten horen en zullen bereid zijn ieder argument van u aan te horen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja, maar ik wil voorkomen dat er wordt gezegd dat het mijn argumenten zijn. Dit zijn de argumenten van beklaagde.
De PRESIDENT: Ik wijs u erop dat de functie van een raadsman is iets te bewijzen en de functie van het Tribunaal is te luisteren naar de argumenten. Het is niet de functie van het Tribunaal te luisten naar argumenten tijdens de bewijsvoering.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Zoals u wilt.
VON NEURATH: Misschien mag ik een opmerking maken. In de loop van de winter van 1936 hadden we via onze militaire inlichtingendienst gehoord dat de Franse Generale Staf al een militair plan klaar had om Duitsland binnen te vallen. Deze invasie moest plaatsviden door het Rijnland en langs de rivier de Main naar Tsjechoslowakije teneinde contact te maken met de Russische bondgenoot.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Op grond van wat de President net heeft gezegd zal ik afzien van bewijsvoering, of liever van uw overwegingen en mij het recht voorbehouden dit in mijn slotpleidooi ter sprake te brengen. Ik zou nog een vraag willen stellen. Betekende het besluit tot herbezetting van het Rijnland een of andere agressieve bedoeling voor het moment of voor later?
VON NEURATH: Nee, niet in het minst. De herbezetting had, zoals uit mijn verklaringen blijkt een zuiver defensief karakter en was niet voor een ander doel bedoeld. De bezetting door zo’n zwakke macht als een enkele divisie maakte wel duidelijk dat het om een zuiver symbolisch gebaar ging. Daarover is hier door de militairen getuigenis afgelegd – getuige Milch bijvoorbeeld – dat de Luftwaffe er part noch deel aan had en pas 2 of 3 dagen tevoren van de actie op de hoogte werd gesteld. Dat er geen agressieve plannen voor de toekomst bestonden blijkt uit het feit dat de Duitse regering, op voorstel van Engeland, op 12 maart 1936 besloot tot aan het moment waarop overeenstemming was bereikt met de Westerse Mogendheden, in het bijzonder met Frankrijk, de garnizoenen in het Rijnland niet uit te breiden en de troepen niet dichter bij de grens te legeren dan ze al waren, op voorwaarde echter dat Frankrijk hetzelfde zou doen. Frankrijk wenste dit aanbod niet te aanvaarden. Daarna, in het memorandum van 7 maart 1936, gericht aan de ondertekenaars van het Verdrag van Locarno, dat de Aanklager hier al heeft ingediend deed Duitsland niet alleen definitieve voorstellen voor een overeenkomst met Frankrijk, België en de andere Locarno mogendheden, maar verklaarde ook bereid te zijn een algemene Luchtovereenkomst te tekenen om het gevaar van plotselinge luchtaanvallen af te wenden en bovendien om weer toe te treden tot de Volkenbond. In een rede voor de Reichstag op 7 maart 1936 legde Hitler aan de wereld de redenen voor de herbezetting van het Rijnland uit. Deze rede had ik, net als het memorandum te voren met Hitler besproken en ik kan alleen maar herhalen dat ik niet het minste vermoeden had dat Hitler niet oprecht was of dat hij zijn ware bedoelingen, die in de richting van oorlog gingen, wilde verhullen. Zelfs vandaag heb ik de stellige overtuiging dat Hitler destijds niet aan oorlog dacht. Ik hoef niet te benadrukken dat een dergelijke bedoeling verre van mij was. In tegendeel, ik beschouwde het herstel van de souvereiniteit in het hele Reich als een stap naar vrede en begrip.
De PRESIDENT: Laten we verder gaan, Dr. von Lüdinghausen; u staat toe dat beklaagde zeer lange redevoeringen houdt. Dat is niet de manier van bewijsvoering.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou in dit verband diverse documenten willen indienen en het Tribunaal willen vezoeken de volgende documenten in mijn documentenboek 4 voor kennisgeving aan te nemen. Allereerst nummer 109, het memorandum van 7 maart 1936 van de Reichsregierung aan de ondertekenaars van het Verdrag van Locarno; nummer 112, de officiële verklaring van de Duitse Reichsregierung van 12 maart 1936; nummer 113, het bericht van de Duitse ambassadeur in Londen aan de Britse Minister van Buitenlandse Zaken, Mr. Eden van 12 maart 1936 en nummer 116, een memorandum van 3 januari 1936 door de Duitse regering gestuurd aan de Britse regering via de Buitengewone Ambassadeur in Londen, de heer von Ribbentrop.
(tot de beklaagde): Wat waren de gevolgen van de herbezetting van het Rijnland voor zover het de buitenlandse politiek betrof?
VON NEURATH: Ingevolge de wensen van de President van het Tribunaal zal ik geen antwoord geven op deze vraag.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat deden de Westerse mogendheden? Namen zij politieke of diplomatieke stappen?
VON NEURATH: Minister van Buitenlandse Zaken Eden zei in het Lagerhuis dat het Duitse optreden geen enkele bedreiging vormde en hij beloofde de Duitse vredesvoorstellen ernstig te overwegen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou de volgende documenten in mijn documentenboek 4 willen indienen en het Tribunaal verzoeken deze voor kennisgeving aan te nemen: nummer 125, uittreksels uit een rede van de Amerikaanse onderminister van Binnenlandse Zaken, Mr. Sumner Welles, over het Verdrag van Versailles en Europa van 7 juli 1937, nummer 120, een uittreksel uit het besluit van de Russische Volkscommissaris over de verlaging van de leeftijd voor militaire dienst en nummer 117, een verslag van de Tsjechoslowaakse minister in Den Haag van 21 april 1936.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, zag u of Buitenlandse Zaken af van verdere stappen en pogingen tot een vreedzaam begrip met de andere Europese mogendheden of werden die voortgezet?
VON NEURATH: Die pogingen werden voortgezet. De volgende gelegenheid ontstond door onze betrekkingen met Oostenrijk. De ontwikkeling van deze betrekkingen sinds 1933 is al uitgebreid voor het Tribunaal beschreven maar ik zou in het bijzonder het feit willen benadrukken dat in onze betrekkingen met Oostenrijk mijn mening van begin tot eind onveranderd bleef, anders gezegd ik wenste een nauwe economische band, zoals een douane-eenheid, tussen de twee landen, een buitenlands beleid dat langs gemeenschappelijke lijnen werd gevoerd op basis van verdragen en een nauw contact tussen de twee regeringen maar wat er ook gebeurde, ik wilde de volledige onafhankelijkheid van Oostenrijk gewaarborgd zien. Om die reden was ik altijd een fel tegenstander van elke inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Oostenrijk, ik was tegen iedere steun die door de Duitse Nationaalsocialisten aan de Oostenrijkse Nationaalsocialisten werd gegeven en ik drong er bij Hitler voortdurend op aan, dezelfde koers te volgen. Ik hoef niet te herhalen dat ik de moord op Dolfuss vanuit moreel als ook vanuit poltiek standpunt scherp veroordeelde en dat Buitenlandse Zaken niets met deze moord te maken had, zoals de Aanklager onlangs beweerde. Maar dat Hitler ook absoluut niets met de moord te maken had kan ik bevestigen met diverse uitspraken die hij tegen mij deed. De moord werd gepleegd door Oostenrijkse Nationaalsocialisten van wie sommigen nog radicaler waren dan de Duitsers. Deze houding van mij wordt het beste bewezen door het feit dat toen kot na de moord op Dolfuss, de Duitse minister in Wenen, de heer Rieth zonder mijn medeweten van de Oostenrijkse regering een vrijgeleide naar Duitsland eiste voor diverse personen die bij de moord waren betrokken, ik hem direct uit Wenen terugriep en hem uit de diplomatieke dienst ontsloeg. Ik zelf was ook, net als vele andere ministers tegen de reisbeperkingen die door Duitslansd aan Oostenrijk werden opgelegd.
Maar ik verwelkomde wel degelijk de pogingen voor een begrip met Oostenrijk die in 1935 begonnen en die met succes door de heer von Papen werden voortgezet; ik probeerde Hitler altijd over te halen dit tot stand te brengen. Wat betreft Von Papen’s activiteiten in Wenen destijds, daarover werd ik slechts onvolledig ingelicht omdat de heer von Papen mijn ondergeschikte niet was en zijn orders direct van Hitler kreeg. Pas tijdens dit proces hoorde ik over de series brieven die Von Papen aan Hitler schreef.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou twee passages willen citeren; een komt uit een brief van de heer von Neurath aan het hoofd van de politieke sectie van Buitenlandse Zaken van 28 juni 1934, nummer 84 in mijn documentenboek 3, pagina 277; die luidt met betrekking tot de situatie van destijds:
“De ontwikkeling der gebeurtenissen in Oostenrijk kan niet worden voorzien. Het lijkt mij echter dat het acute gevaar ..... “
De PRESIDENT: U gaat iets te snel. U hebt niet op het licht gelet. Gaat u verder.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: “De ontwikkeling der gebeurtenissen in Oostenrijk kan niet worden voorzien. Het lijkt mij echter dat het acute gevaar dankzij snel optreden is afgewend. We moeten nu zeer voorzichtig te werk gaan en daarom heb ik gisteren met de Reichskanzler gesproken. Ik ontmoette een volledig begrip”.
Dan zou ik een passage willen citeren uit de beëdigde verklaring van Bisschop Wurm, al door mij ingediend als nummer 1 in mijn documentenboek 1, op pagina 3. Daar staat:
“Ik herinner me in het bijzonder zijn” – Von Neurath’s – “scherpe veroordeling van de gebeurtenissen in Wenen waarbij Kanselier Dolfuss werd vermoord en van de persoon die door Hitler werd ingezet bij de opstand in Oostenrijk,”
Dan zou ik in dit verband willen verwijzen naar een document dat de heer Seyss-Inquart of zijn raadsman al heeft ingediend onder nummer Seyss-Inquart-32, een interview met Staatskanselier Dr. Renner op 3 april 1938. Uit voorzorg heb ik het nogmaals opgenomen in mijn documentenboek 4 onder nummer 130.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, u weet dat tegen u de beschuldiging is geüit dat op 11 juli 1936 in de loop van deze onderhandelingen door de heer von Papen een overeenkomst werd gesloten tussen Duitsland en Oostenrijk en dat die overeenkomst, die hier tot in bijzonderheden is besproken, werd gesloten met als doel misleiding, anders gezegd met als doel Oostenrijk een vals gevoel van veiligheid te geven en haar voor te bereiden op haar toekomstige inlijving in het Reich. Wilt u op dit punt alstublieft iets zeggen?
VON NEURATH: Deze bewering is vokomen onjuist. In feite verwelkomde ik deze overeeenkomst met oprechte vreugde. Die kwam in alle opzichten met mijn standpunt overeen. Ik zag daarin de beste manier om de onnatuurlijke gevoelens op te helderen en om die reden stelde ik alles in het werk om dat tot stand te brengen. Die bewering van de Aanklager is weerlegd door de verklaringen van de voormalige Oostenrijkse Minister van Buitenlandse Zaken Dr. Guido Schmidt. Ik vond voldoening in het feit dat die overeenkomst van bijzonder belang was voor het buitenlands beleid. Door deze overeenkomst, waarij het Reich de Oostenrijkse onafhankelijkheid duidelijk erkende, werden de verschillen tussen Oostenrijk en Duitsland, die een gevaar vormden voor de vrede in Europa weggenomen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik willen indienen de overeenkomst tussen Oostenrijk en Duitsland van 11 juli 1936, nummer 118 in documentenboek 4 en verzoek het Tribunaal deze voor kennisgevng aan te nemen.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, afgezien van het oplossen van de kwestie Oostenrijk in de jaren voor 1937, voerde u ook onderhandelingen met Oost-Europese staten. In de verklaring van de Amerikaanse Consul-generaal Mr. Messersmith, die de Aanklager heeft ingediend onder nummer USA-68, 2385-PS wordt beweerd dat het doel van deze onderhandelingen was deze zuidoostelijke staten te laten toestemmen in de vernietiging en opsplitsing van Tsjechoslowakije die door Duitsland werd overwogen en er zelf actief aan deel te nemen. Tot dit doel zou u, in de loop van de onderhandelingen, deze staten hebben beloofd of door andere hebben laten beloven dat zij als beloning delen van Tsjechoslowakije zouden ontvangen of zelfs Oostenrijks gebied. Wilt hier alstublieft iets over zeggen?
VON NEURATH: Deze beweringen van Mr. Messersmith zijn van begin tot eind pure verzinsels en hersenspinsels. Er staat geen woord van waarheid in. Ik kan deze verklaring alleen maar als absurd omschrijven. Het is zelfs niet eens waar dat hij, zoals hij zegt een goede vriend van mij was. Ik heb de heer Messersmith een paar keer bij grote bijeenkomsten ontmoet maar ik heb altijd politieke discussies met hem ontweken omdat ik wist dat hij in zijn rapporten en andere verklaringen over gesprekken die hij met diplomaten voerde, dingen herhaalde op een manier die niet altijd met de waarheid overeen kwamen. Tussen haakjes, het is opvallend dat deze verklaring nauwelijks enige nauwkeurige aanwijzing bevat voor de bronnen die hij gebruikte. Mijn onderhandelingen met de zuidoostelijke staten, net als mijn persoonlijke bezoeken aan de hoofdsteden hadden in werkelijkheid alleen tot doel de bestaande economische banden te versterken en onderlinge handel en ruil van goederen te beloven. Bovendien wilde ik informatie inwinnen over de politieke toestand op de Balkan, die altijd moeilijk te begrijpen is.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In mijn documentenboek 2 onder nummer 30 op pagina 87 heb ik een kort uittreksel uit een andere verklaring van Mr. Messersmith, gedateerd 29 augustus 1945. De Aanklager heeft dat in een ander verband al ingediend als bewijsstuk USA-750. document 2386-PS. Ik zou een passage uit dit uittreksel willen citeren. Die staat op pagina 87 van mijn documentenboek 2 en luidt:
“Gedurende de jaren 1933 en 1934 liet de Nazi regering voor een groot deel conservatieve ambtenaren uit de oude school aan de leiding van Buitenlandse Zaken. In het algemeen gezegd duurde deze situatie voort gedurende de periode waarin Freiherr von Neurath minister van Buitenlandse Zaken was. Nadat Von Ribbentrop hoofd van Buitenlandse Zaken werd veranderde de situatie geleidelijk wat betreft de politieke ambtenaren. Gedurende de zittingsperiode van Von Neurath werd het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken niet op een lijn gebracht met de Nazi ideologie en de acties op het gebied van het Duitse buitenlandse beleid kunnen Von Neurath en zijn assisitenten nauwelijks worden verweten, hoewel zijn aanblijven een aanwijzing zou kunnen zijn voor zijn instemming met de Nationaalsocialistische doelstellingen. Ter verdediging van deze activiteiten zou Von Neurath gemakkelijk redenen van vaderlandslievende aard kunnen aanvoeren.”
Dan, met betrekking tot deze reizen en het beleid van beklaagde in het zuidoosten dien ik de drie communiquées in over Von Neurath’s bezoek aan Belgrado, Sofia en Boedapest in juni 1937 onder de nummers 122, 123 en 124 in mijn documentenboek 4. Ik verzoek het Tribunaal deze voor kennisgeving aan te nemen.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, de Aanklager gebruikt uw toespraak van 29 augustus 1937 in Stuttgart bij een demonstratie van Duitsers die in het buitenland wonen om een beschuldiging tegen u in te brengen; in zoverre dat hij in een van uw opmerkingen de agressieve bedoelingen van uw beleid ziet. Hij citeert de volgende woorden die u in uw toespraak zou hebben gebruikt:
“De eenheid van de heldhaftige nationale wil, geschapen door het Nationaalsocialisme in zijn ongeëvenaarde elan heeft een buitenlands beleid mogelijk gemaakt waardoor de bepalingen van Versailles worden opgeblazen, de vrijheid tot herbewapening wordt herwonnen en onafhankelijkheid in het hele land wordt hersteld. Wij zijn wederom heersers in eigen huis en wij hebben de middelen geschapen dat in de toekomst te blijven. Bij onze politieke acties in het buitenland hebben wij van niemand iets aangenomen. Uit de woorden en daden van Hitler zou de wereld moeten begrijpen dat hij geen agressieve wensen koestert.”
Ik zou erop willen wijzen dat deze zinnen alleen in hun context kunnen worden begrepen. Ik zou het Tribunaal toestemming willen vragen om kort uit te leggen wat die context is. Dit uittreksel uit de toespraak is door mij ingediend in documentenboek 4, nummer 126. Ik citeer:
“Wij zijn wederom heersers in eigen huis en wij hebben de middelen geschapen dat in de toekomst te blijven.......”
De PRESIDENT: U hebt dat net voorgelezen. U hebt het al eens voorgelezen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja, ik zou de zin die er tussen staat willen voorlezen.
De PRESIDENT: U kunt natuurlijk alles voorlezen wat relevant is en is overgeslagen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het citaat dat ik indien luidt:
“Maar deze houding van het nieuwe Deutsche Reich is in werkelijkheid het sterkste bolwerk voor het behoud van vrede en zal zich altijd als zodanig bewijzen in een roerige wereld. Juist omdat wij de gevaren hebben onderkend van bepaalde destructieve tendenzen die zich proberen te doen gelden, zoeken wij in Europa niet naar verschillen tussen landen en volken maar wij proberen verbindende schakels te vinden. Wij denken niet aan politieke isolatie. Wij wensen politieke samenwerking tussen regeringen, een samenwerking die, wil die succesvol zijn, niet kan worden gebaseerd op theoretische ideeën van collectiviteit maar op levende realiteit en die zich moet wijden aan de concrete taken van het heden. Wij kunnen met voldoening vaststellen dat wij bij het volgen van een dergelijk realistisch vredesbeleid hand in hand werken met onze vriend Italië.
“Dit rechtvaardigt de hoop dat wij ook een vriendschappelijk begrip kunen bereiken met andere regeringen betreffende belangrijke kwesties van buitenlands beleid.
(tot de beklaagde): Wilt u, meneer von Neurath, hier nog iets aan toevoegen?
De PRESIDENT: Ik meen dat dit een geschikt moment is voor een schorsing.

Definitielijst

divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
ideologie
Het geheel van beginselen en ideeën van een bepaald stelsel.
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
ratificatie
Bekrachtiging, goedkeuring door een regering of parlement van een internationale overeenkomst.
Rijnland
Duitstalig na WO I gedemilitariseerd gebied aan de rechteroever van de Rijn dat door Hitler bezet werd in 1936.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.
Volkscommissaris
In de Sovjetunie een minister.

Afbeeldingen

Konstantin Freiherr von Neurath, minister van Buitenlandse Zaken (1932-1938) en daarna Rijksprotector van Bohemen en Moravië. Bron: Bundesarchiv, N 1310 Bild-135 / CC-BY-SA 3.0.

Ochtendzitting 2

Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer von Neurath, net voor de schorsing heb ik u een citaat uit uw rede van 29 augustus 1937 voorgelegd en u gevraagd of u daarover nog iets wilde zeggen
VON NEURATH: Ik zou denken dat deze verklaring precies het tegenovergestelde aantoont van wat de Aanklager probeert te bereiken. Het vreedzame karakter van mijn toespraak kon nauwelijks op meer overtuigende wijze naar voren worden gebracht.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ten bewijze van hun bewering dat uw hele beleid kon worden samengevat als het schenden van een verdrag. voert de Aanklager verder de volgende zinnen aan uit een toespraak die u op 30 oktober 1937 hebt gehouden voor de Akademie für Deutsches Recht waarin u zei, en ik citeer:
“Zich bewust van deze fundamentele feiten is het Reichskabinett er altijd voorstander van geweest elk concreet internationaal probleem met passende methoden op te lossen en was tegen het onnodig vermengen ervan met andere problemen en zo de zaken moeilijker te maken, in zoverre alleen wanneer er problemen tussen twee mogendheden bestonden, een methode te kiezen voor een onmiddellijk begrip tussen deze twee mogendheden. Wij zijn in een positie waarin wij kunnen verklaren dat deze methoden zich als juist hebben bewezen, niet alleen in het belang van Duitsland maar ook in het algemeen belang.”
(tot de beklaagde): Wat is uw commentaar hierop?
VON NEURATH: Allereerst is dit citaat volledig uit zijn verband gerukt. De hele toespraak was een opsomming van de redenen waarom ik, als vertegenwoordiger van het Duitse beleid, vond dat het sluiten van bilaterale overeenkomsten beter werkte in het belang van de vrede dan de zogenaamde collectieve overeenkomsten en alleen vanuit deze hoek kan de zojuist geciteerde passage worden begrepen. Daarom zou ik u willen vragen de passage in het hele verband voor te lezen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Deze toespraak van de heer von Neurath over de Volkenbond en internationaal recht die hij op 30 oktober 1937 hield voor de Akademie für Deutsches Recht kan worden gevonden onder nummer 128 in mijn documentenboek 4. Met toestemming van het Tribunaal zou ik deze specifieke passage in zijn geheel willen voorlezen en we zullen zien dat de door de Aanklager gekozen passage niet de betekenis heeft die de Aanklager eraan geeft. Er staat hier:
“Ik ben ervan overtuigd dat dezelfde of soortgelijke overwegingen ook in andere gevallen zullen ontstaan waar het de bedoeling is, een schematische structuur op te zetten zoals een absoluut systeem van steun voor een min of meer grote groep van landen. Dergelijke projecten zullen, zelfs in gunstige gevallen wanneer die bedoeld zijn als gelijke garantie door alle deelnemers, slechts papieren projecten blijven.........
De PRESIDENT: Is het niet voldoende naar het document te verwijzen? De beklaagde heeft net gezegd dat zijn toespraak de redenen bevatte waarom hij meer mogelijkheden ziet voor bilaterale dan voor algemene overeenkomsten. Dat heeft hij gezegd. Het document schijnt dat te bevestigen. Kunt u niet naar het document verwijzen zonder het voor te lezen?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik heb het voorgelezen omdat het uit zijn verband is gehaald en ik meende dat mij zou worden toegestaan ook de context voor te lezen. Wanneer het Tribunaal echter wenst het document te lezen zal ik er niet verder uit citeren.
De PRESIDENT: Het lijkt mij niets toe te voegen. Het is juist de tekst waarvan beklaagde het belangrijkste heeft weergegeven.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik heb een zin weggelaten omdat ik dacht dat de overbodig was. Maar dat blijkt uit de context. Als het Tribunaal er de voorkeur aan geeft de hele toespraak te lezen met verwijzing naar mijn citaten is dat voor mij natuurlijk voldoende.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, de Aanklager heeft onder nummer L-150, USA-65 een notitie ingediend van Mr. Bullitt, destijds de Amerikaanse Ambassadeur in Parijs, betreffende een gesprek dat hij met u had in mei 1936 en de Aanklager heeft op pagina 8 van de Engelse acte van beschuldiging aangevoerd dat u als Minister van Buitenlandse Zaken deel had aan de voorbereiding van een aanvalsoorlog tegen Oostenrijk en Tsjechoslowakije. Wilt u alstublieft commentaar geven op dit document dat u bekend is en op deze beschuldiging die tegen u wordt ingebracht?
VON NEURATH: Eerst had de bezetting van het Rijnland natuurlijk onrust veroorzaakt in de regeringen, bij de publieke opinie en onder de ondertekenaars van het Verdrag van Versailles. Dit gold in het bijzonder voor Frankrijk en Tsjechoslowakije. Daarom sprak het voor zich, wanneer er een redelijk Duits buitenlands beleid moest worden gevoerd, om de situatie tot rust te laten komen en de wereld ervan te overtuigen dat Duitsland geen agressieve plannen koesterde maar slechts de volledige onafhankelijkheid van het Reich wilde herstellen. De bouw van versterkingen had alleen maar tot doel bij onze zwaar bewapende buren de verleiding kleiner te maken om Duits grondgebied, dat daar onbeschermd lag binnen te trekken op elk moment dat het hen uitkwam. Ondanks alle onderhandelingen en inspanningen was het niet gelukt, hen aan de bepalingen betreffende ontwapening in het Verdrag van Versailles te laten voldoen.
Zoals ik al heb gezegd bleven Frankrijk en in het bijzonder Tsjechoslowakije in plaats van zich te ontwapenen zich bewapenen en door het sluiten van verdragen met Rusland nam hun militair potentieel toe. In mijn gesprekken met Mr. Bullitt probeerde ik dit allemaal ter sprake te brengen toen ik zei dat we voorlopig geen verdere diplomatieke acties zouden ondernemen. Door een militaire aanval moeilijker te maken hoopte ik dat Frankrijk en Tsjechoslowakije hun beleid, dat vijandig stond tegenover Duitsland zouden wijzigen en hoopte in het belang van de vrede betere betrekkingen met beide landen te scheppen. Deze hoop en de mening die ik had kunnen duidelijk worden opgemaakt uit het laatste deel van Mr. Bullitt’s verslag – en daarmee was Mr. Bullitt het volkomen eens.
Wat betreft de opmerking over het Britse beleid op pagina 2, alinea 2 van dit rapport; destijds probeerde Engeland een toenadering tussen Duitsland en Italië te voorkomen met wie haar betrekkingen op springen stonden vanwege de Abessijnse kwestie.
Buitenlandse Zaken meende dat een toenadering kon worden voorkomen door bekend te maken dat zij niet langer tegen een Anschluss tussen Duitsland en Oostenrijk zouden zijn. Destijds was Mussolini nog fel tegen de Anschluss. De realisering van deze huichelachtige bedoeling van de kant van Engeland was een van de oorzaken voor het sluiten van de Duits-Oostenrijkse overeenkomst van 11 juli 1936. De Britse verklaring waarop ik had gezinspeeld en die ik had verwacht, kwam in november 1937 bij gelegenheid van het bezoek van Lord Halifax aan Berlijn. Lord Halifax zei mij destijds – en ik heb met opzet een notitie van zijn verklaring gemaakt die ik woord voor woord in het Engels citeer:
“Het Engels volk zal nooit begrijpen waarom het ten strijde moet trekken, alleen maar omdat twee Duitse naties zich willen verenigen.” Maar op hetzelfde moment riep Buitenlandse Zaken, in een richtlijn aan de Britse Minister in Wenen, waarvan de tekst nu wel bekend is de Oostenrijkse regering op hardnekkig weerstand te bieden aan de Anschluss en beloofde iedere steun.
Het rapport van Bullitt toont ook aan dat ik zei dat het Hitler’s grootste wens was een volledige overeenstemming met Frankrijk te bereiken. Afgezien daarvan vertelde ik Mr. Bullitt ook – en hij stelt dat direct vanaf het begin – dat de Duitse regering er alles aan zou doen om een opstand van de Nationaalsocialisten in Oostenrijk te voorkomen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik verzoek het Tribunaal bijzondere kennis te nemen van deze notities van Mr. Bullitt zodat we tijd kunnen besparen door niet de hele alinea te citeren. Dit is documentenboek 1, document Von Neurath 15, pagina 60, laatste alinea.
(tot de beklaagde): Wat was uw persoonlijke houding en uw mening over het door Duitsland te volgen beleid met betrekking tot Tsjechoslowakije?
VON NEURATH: Het Tsjechische beleid jegens ons werd altijd gekenmerkt door een diep wantrouwen. Dit moet gedeeltelijk worden verklaard door de geografische positie van het land tussen Duitsland en Oostenrijk en gedeeltelijk door de veelheid aan nationaliteiten binnen het land. Die werden door sterke gevoelens beïnvloed. Dat het land het Frans-Russische militaire en vrienschapspact werd binnengehaald droeg niet bij aan de vorming van nauwere banden tussen Duitsland en Tsjechoslowakije.
Als Reichsaussenminister werkte ik altijd aan de verbetering van politieke betrekkingen. Ik probeerde ook onze economische banden die van vitaal belang waren te versterken. Daarbij dacht ik niet meer aan het gebruik van geweld of aan een militaire bezetting dan ik deed bij onze betrekkingen met alle andere buurlanden.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat was uw houding ten opzichte van de Sudeten-Duitse kwestie?
VON NEURATH: Ik moet hier wat uitvoeriger op in gaan.
De Duitsers die als een hechte groep in het Sudetenland woonden hadden bij de vredesonderhandelingen in 1919, toen zij bij de Tsjechoslowaakse staat werden gevoegd, de verzekering gekregen dat zij onafhankelijkheid zouden krijgen naar het voorbeeld van de Zwitserse Confederatie, zoals in 1940 door Mr. Lloyd George uitdrukkelijk verklaard in het Lagerhuis. Destijds had de Sudeten-Duitse delegatie, net als de Oostenrijkse een Anschluss met het Reich geëist.
De belofte van onafhankelijkheid werd door de Tsjechische regering niet gestand gedaan. In plaats van onafhankelijkheid werd er een streng beleid van “Tsjechificatie” gevoerd. Het werd de Duitsers verboden, onder dreiging met straf, hun eigen Duits te gebruiken in de rechtszalen en ook in de omgang met bestuurlijke autoriteiten et cetera.
De PRESIDENT: Dr. von Lüdinghausen, kan beklaagde niet overgaan op de tijd die we hier moeten behandelen, namelijk 1938 en ons vertellen wat destijds zijn beleid was zonder ons van te voren al die feiten uit 1919 mee te delen?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik wilde alleen maar de achtergronden van zijn latere beleid schetsen. Als het Tribunaal echter van mening is dat dit onnodig is, omdat het allemaal bekend is, zal ik mij tevreden stellen met de getuigenis die tot nu toe is afgelegd.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, wat waren uw officiële en persoonlijke banden met Hitler gedurende uw periode als Minister van Buitenlandse Zaken?
VON NEURATH: Vanuit persoonlijk standpunt had ik geen enkele band met Hitler. Ik behoorde ook niet tot zijn innerlijke kring. In het begin had ik regelmatig gesprekken met hem over het buitenlands beleid en vond dat hij in het algemeen open stond voor mijn argumenten. In de loop der tijd veranderde dit echter toen andere organisaties, in het bijzonder de Partij zich met het buitenlands beleid begonnen te bemoeien en met hun plannen en ideeën bij Hitler kwamen. Dit gold in het bijzonder voor het zogenaamde Bureau Von Ribbentrop. Von Ribbentrop werd meer en meer een persoonlijk adviseur van Hitler inzake buitenlands beleid en kreeg steeds meer invloed. Het was vaak moeilijk om Hitler af te brengen van voorstellen die hem via deze kanalen waren gedaan. Het Duitse buitenlands beleid bewoog zich in zekere mate in twee richtingen. Niet alleen in Berlijn maar ook bij de posten in het buitenland moest Buitenlandse Zaken zich voortdurend bezighouden met problemen die waren veroorzaakt door de methode van werken en de informatiebronnen van dit Bureau Von Ribbentrop. Ik persoonlijk was er altijd op tegen dat de Partij enige invloed uitoefende op het buitenlands beleid. In het bijzonder was ik tegen het door Von Ribbentrop direct behandelen van belangrijke kwesties en zijn officiële inmenging in kwesties van buitenlands beleid in gevallen waarin die mij niet uit handen waren genomen. Om die reden diende ik herhaalde malen mijn ontslag in en voor een tijdje slaagde ik erin Hitler zover te krijgen dat hij afstand deed van de bemoeizuchtige methoden van Von Ribbentrop die hij tot dan toe had gesteund.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik willen indienen en het Tribunaal verzoeken voor kennisgeving aan te nemen een uittreksel uit een artikel uit het Amerikaanse weekblad Time van 10 april 1933; nummer 9 in mijn documentenboek 1, pagina 44. Ik zou ook willen verwijzen naar ......
De PRESIDENT: Het Tribunaal is van mening dat krantenartikelen of commentaren geen kracht van bewijs hebben.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Bovendien heb ik in mijn documentenboek 1 onder nummer 17 ingediend een uittreksel uit het bekende boek van Henderson, de voormalige Britse ambassadeur in Berlijn “Failure of a Mission” en verzoek het Tribunaal dit voor kennisgeving aan te nemen zodat ik het niet hoef voor te lezen, met speciale aandacht voor alinea 2 op pagina 69.
De PRESIDENT: Het Tribunaal bepaalt dat dit document – het artikel uit de Time – kan worden toegelaten maar het is niet nodig ernaar te verwijzen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dank u. Dit is document nummer 9, Meneer de President.
De PRESIDENT: Ja ik weet dat het document 9 is. Ik zeg dat het kan worden toegelaten.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dank u.
Tot slot zou ik willen indienen en de aandacht van het Tribunaal vestigen op document nummer 16, een brief van beklaagde Von Neurath aan Hitler van 27 juli 1936 met het verzoek van zijn functie te worden ontheven vanwege de voorgenomen benoeming van de heer von Ribbentrop tot staatssecretaris. Het is niet nodig dit document voor te lezen maar ik zou de aandacht van het Tribunaal niet alleen op de inhoud willen vestigen maar ook op de aanhef en het slot. Hitler wordt slechts aangesproken met “Geachte Rijkskanselier” en het slot luidt: “Met eerbiedige hoogachting.”
Ik noem dit omdat de Aanklager vaak de beschuldiging heeft geüit dat er bloemrijke termen werden gebruikt bij het richten van brieven aan Hitler die ver uitstegen boven de gebruikelijke beleefdheid. De heer von Neurath heeft nooit zoiets gedaan.
Ik vraag ook uw aandacht voor document 14 dat kan worden gevonden in mijn documentenboek 1. Dat is ook een aanbod om af te treden van 25 oktober 1935 en ik verzoek het Tribunaal dit ook voor kennisgeving aan te nemen.
(tot de beklaagde): Meneer von Neurath, afgezien van uw officiële beleid, waren er geen andere organen die onafhankelijk actie ondernamen, die verdragen ondertekenden, waaraan u geen deel had?
VON NEURATH: Ja. Dat was bijvoorbeeld het geval bij het zogenaamde Berlijn-Rome-Tokio beleid. Hitler hield hardnekkig vast aan dit plan en Von Ribbentrop steunde hem daarin. Ik wees dit beleid af omdat ik het nadelig vond en in bepaalde opzichten absurd en ik weigerde mijn staf toe te staan ermee door te gaan. Daarom zette Von Ribbentrop, in zijn hoedanighheid van Buitengewoon Ambassadeur die onderhandelingen zelfstandig voort en sloot op instructie van Hitler het zogeheten Anti-Komintern Pact. Vandaar dat dit verdrag Von Ribbentrop’s handtekening droeg en niet de mijne hoewel ik toen nog steeds minister van Buitenlandse Zaken was en normaal gesproken dat verdrag had moeten tekenen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: We komen nu toe aan de verandering in het beleid. Meneer von Neurath, wanneer merkte u dat Hitler’s plannen voor het buitenlands beleid, vooral het verkrijgen van gelijke rechten voor Duitsland uitgingen boven vreedzame middelen en dat het voeren van oorlogen en het gebruik van geweld als mogelijkheid werd gezien?
VON NEURATH: Dat werd ik mij voor het eerst bewust toen ik Hitler’s toespraak tot de opperbevelhebbers van de strijdkrachten hoorde op 5 november 1935 die hier herhaaldelijk is genoemd en waarbij ik aanwezig was. Het is waar dat de notulen van de inhoud van die toespraak, zoals blijkt uit de Hossbach notulen, 5 dagen later uit het geheugen werden opgesteld als uittreksel uit een toespraak die twee tot drie uur duurde.
Hoewel de plannen die Hitler in die lange toespraak ontvouwde geen concrete vorm hadden en er in diverse mogelijkheden was voorzien, was het mij volkomen duidelijk dat de hele strekking van zijn plannen een agressief karakter had. Ik was zeer verontwaardigd over Hitler’s toespraak omdat die het hele buitenlandse beleid onderuit haalde dat ik voortdurend had gevolgd – een beleid van toepassing van uitsluitend vreedzame middelen. Het was duidelijk dat ik geen verantwoordelijkheid voor een dergelijk beleid kon aanvaarden.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In verband hiermee zou ik willen verwijzen naar de verklaring van Barones Ritter die al door mij is genoemd in nummer 3 van documentenboek 1. Uit die verklaring zou ik een passage willen citeren onder punt 17 van mijn documentenboek, een passage die mij zo belangrijk lijkt dat ik het Tribunaal zou willen verzoeken mij toe te staan de passage te citeren. Ik citeer:
“Toen de heer von Neurath voor het eerst uit Hitler’s verklaringen op 5 november 1937 merkte dat de laatste zijn politieke doelen wilde bereiken met gebruik van geweld tegen de buurlanden was hij zo geschokt dat hij diverse hartaanvallen kreeg.”
“Hij besprak dit met ons in bijzonderheden bij gelegenheid van zijn bezoek op nieuwjaarsdag 1938 en wij zagen dat het hem zowel fysiek als geestelijk had geraakt. Bovenal was hij zeer verontrust omdat Hitler intussen had geweigerd hem te ontvangen en in die omstandigheden zag hij niet in hoe hij Hitler van zijn plannen, die hij scherp veroordeelde, kon afhouden. Hij zei vaak: “het is vreselijk Cassandra te moeten spelen.” Hij verklaarde categorisch dat hij onder geen beding dit beleid kon steunen en dat hij de zaak zou opnemen. Hij week niet van die beslissing af toen Hitler hem op 2 februari 1938, zijn 65ste verjaardag zei dat hij niet buiten hem als Minister van Buitenlandse Zaken kon. Hij vertelde ons dezelfde avond hierover in een telefoongesprek toen wij hem gelukwensen aanboden.”
(tot de beklaagde): Wat deed u toen u door deze toespraak gedwongen werd de zaken onder ogen te zien?
VON NEURATH: Ongeveer twee dagen na deze toespraak zocht ik Generaal von Fritsch op die bij gelegneheid van die toespraak ook aanwezig was; samen met hem en de Chef van de Generale Staf Beck, besprak ik wat er gedaan kon worden om Hitler te bewegen zijn plannen te wijzigen. We werden het erover eans dat Generaal von Fritsch, die gedurende de volgende dagen toch verslag aan Hitler moest doen, hem de militaire overwegingen zou uitleggen waardoor dit beleid niet aan te raden was. Daarna was ik van plan hem de politieke redenen uit te leggen.
Helaas vertrok Hitler kort daarop naar de Obersalzberg en kon of wilde hij mij niet voor zijn vertrek ontvangen. Ik kon Hitler pas op 14 of 15 januari spreken. Bij die gelegenheid probeerde ik hem te laten zien dat zijn beleid tot een wereldoorlog zou leiden en dat ik daar geen deel aan wenste te hebben. Veel van zijn plannen konden met vreedzame middelen worden gerealiseerd, zelfs al was de voortgang langzamer. Hij antwoordde dat hij niet langer kon wachten. Ik vestigde zijn aandacht op het gevaar van een oorlog en op de ernstige waarschuwingen van de generaals. Ik herinnerde hem aan zijn toespraak tot de Reichstag in 1933 waarin hij zelf had gezegd dat elke oorlog pure waanzin was en zo voorts. Toen hij ondanks al mijn argumenten bij zijn mening bleef, zei ik hem dat hij een andere Minister van Buitenlandse Zaken moest zoeken en dat ik niet medeplichtig wilde zijn aan een dergelijk beleid. Eerst weigerde Hitler mijn ontslag te aanvaarden maar ik hield voet bij stuk en op 4 februari willigde hij mijn verzoek zonder verder commentaar in. Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Had u de indruk, meneer von Neurath dat Hitler slechts aarzelend toestemde in uw aftreden of dat uw verzoek tot aftreden hem in staat stelde u halverwege tegemoet te komen?
VON NEURATH: Ik meen dat het laatste het geval was. Ik geloof dat Hitler dit al een tijd had gewild .....
De PRESIDENT: Dat is geen bewijs. U kunt niet zeggen wat u denkt dat iemand anders dacht.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Daarna, tegelijk met uw aftreden als Minister van Buitenlandse Zaken werd u benoemd to president van de nieuw gevormde Geheime Kabinetsraad. Wat betekende die benoeming?
VON NEURATH: Zoals beklaagde Göring hier al heeft gezegd werd de Geheime Kabinetsraad opgezet met als enige doel de wijziging in het buitenlands beleid en de veranderingen aan militaire kant te verhullen. Diverse getuigen hebben verklaard dat de Geheime Kabinetsraad nooit bijeen kwam. Ik zou eraan willen toevoegen dat die in de praktijk niet zou hebben kunnen functioneren, want na mijn aftreden op 4 februari werd mij iedere toegang tot nieuws betreffende het buitenlands beleid ontzegd.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Na uw aftreden als Minister van Buitenlandse Zaken behield u uw titel van Reichsminister maar was u nog lid van het Reichskabinett of niet?
VON NEURATH: Nee, Afgezien van het feit dat voor zover ik weet het Reichskabinett niet langer functioneerde, omdat het geen zittingen hield, was de titel Reichsminister een zuiver formele, niet gebonden aan enige activiteit of enige regeringsinstantie. Anders dan de leden van de Reichsregierung kreeg ik geen enkele wet ter ondertekening.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: De Aanklager stelt dat u in maart 1938 Von Ribbentrop tijdens zijn afwezigheid vertegewoordigde als Minister van Buitenlandse Zaken en hij leidt dit af uit een notitie uit het dagboek van Generaal Jodl die luidt: “In de tussentijd neemt Von Neurath Buitenlandse Zaken over.” Wilt u hier iets over zeggen?
VON NEURATH: Na mijn ontslag op 4 februari had ik geen enkel contact meer met mijn vroegere collega’s en ik trok mij volledig terug. Ik bleef echter in Berlijn. Op 11 maart 1938, laat in de middag belde Hitler mij plotseling in mijn appartement op en vroeg me naar hem toe te komen. In de wachtkamer ontmoette ik naast de heer von Papen, Generaal von Brauchitsch en een aantal andere hoge ambtenaren en officieren uit zijn naaste omgeving. Göring was ook bij Hitler in de kamer toen ik binnen kwam. Hitler vertelde mij dat de Anschluss met Oostenrijk een feit was en dat Duitse troepen in de nacht van 11 op 12 maart de grens zouden oversteken. Toen ik de vraag opwierp of dat zo moest zijn, vertelde Hitler mij de reden waarom hij niet langer wilde wachten. Hij vroeg mij wat Buitenlandse Zaken zou moeten doen omdat de Minister van Buitenlandse Zaken afwezig was en in Londen was. Ik zei hem heel duidelijk dat wij vermoedelijk protesten zouden ontvangen waarop een antwoord zou moeten worden verstuurd. Afgezien daarvan zouden wij van onze kant een verklaring moeten opstellen voor de mogendheden. Er zouden geen formele onderhandelingen plaatsvinden. Ik zei hem ook dat de Minister van Buitenlandse Zaken onmiddellijk uit Londen moest worden teruggeroepen. Göring was hier tegen. Uiteindelijk vroeg Hitler mij de staatsecretaris van Buitenlandse Zaken te vertellen wat hij me zojuist had verteld, zodat Buitenlandse Zaken wist wat er aan de hand was.
Op 12 maart ‘s ochtends deed ik wat Hitler mij had opgedragen en gaf zijn beschrijving door aan de staatssecretaris die de officiële vertegenwoordiger van Von Ribbentrop was. Göring werd door Hitler benoemd tot zijn plaatsvervanger gedurende de tijd dat hij afwezig was. Op 12 maart vertelde ik eerstgenoemde over de aan mij gerichte brief van de Britse Ambassadeur met daarin het Britse protest tegen de bezetting van Oostenrijk. Ik vertelde hem dat Buitenlandse Zaken een nota als antwoord zou sturen.
Toen het ontwerp van de nota klaar was vertelde ik Göring per telefoon over de inhoud. Göring, als Hitler’s vertegenwoordiger, vroeg mij namens hem de nota te tekenen omdat de brief van de Britse Ambassadeur aan mij gericht was. Göring heeft dit al als beklaagde verklaard hier in deze rechtszaal; vandaar de uitdrukking in zijn brief die luidt: “namens de Reichsregierung.”
Ik vroeg Göring herhaaldelijk Von Ribbentrop uit Londen te laten terugroepen en hem op de hoogte te houden. Uit het telefoongesprek tussen Göring en Von Ribbentrop dat hier al is genoemd, lijkt het alsof Göring dat ook deed. De verklaring waarom de Britse nota aan mij was gericht hoorde ik pas hier uit de getuigenis van Göring toen hij zei dat hij op de avond van de 11de zelf de Britse Ambassadeur had verteld dat hij, Göring Hitler tijdens zijn afwezigheid vertegenwoordigde en dat Hitler mij had gevraagd hem zonodig te adviseren over kwesties van buitenlands beleid.
De notitie in Jodl’s dagboek, waarover ik pas hier tijdens dit proces hoorde en die vreemd genoeg, gedateerd is op 10 maart – een tijdstip waarop ik nog niet eens was verschenen – kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan het feit dat iemand mij op 11 maart in de Reichskanzlei had gezien. Hoe dan ook, ik was op geen enkele andere wijze actief als Von Ribbentrop’s vertegenwoordiger.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: U gebruikte ook geen briefpapier met het briefhoofd “Ministerie van Buitenlandse Zaken” of het stempel van Buitenlandse Zaken?
VON NEURATH: Het feit dat ik briefpapier gebruikte met het briefhoofd “President van de Geheime Kabinetsraad” dat ik in een kamer van de Kanselarij vond en dat de enige aanwijzing was dat dit legendarische instituut ook werkelijk bestond toont ook aan dat ik Buitenlandse Zaken niet vertegenwoordigde of de minister van Buitenlandse Zaken, anders zou ik wel briefpapier van Buitenlandse Zaken hebben gebruikt.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Op 12 maart beantwoordde u de nota van de Britse Ambassadeur met de zojuist beschreven brief. De Aanklager maakt u hier een verwijt door te beweren dat de redenen die u in deze brief noemde en de beschrijving van de gebeurtenissen in Oostenrijk die vooraf gingen aan de inval in het land, niet juist zijn. Omdat ik aanneem dat het Tribunaal op de hoogte is van de passages die het onderwerp van deze beschuldiging vormen vind ik het niet nodig deze te citeren. U kent die passages ook en ik zou graag uw meninig hierover willen horen.
VON NEURATH: De beschuldiging dat de inhoud van dit antwoord gedeeltelijk onjuist is, is volkomen waar. Dit is te verklaren uit het feit dat ik geen andere informatie had dan de gegevens van Hitler en de brief is gebaseerd op die gegevens. Dat is de informatie die ik heb doorgespeeld aan Buitenlandse Zaken dat volkomen onkundig was van de gebeurtenissen. Dat was de basis van het ontwerp.
Ik zou eraan willen toevoegen dat de incidenten die aanleiding gaven tot de Oostenrijkse Anschluss tijdens mijn zittingsperiode nooit waren voorbereid en iets dergelijks werd ook nooit genoemd. Hitler had nooit definitieve plannen voor het buitenlands beleid, veeleer nam hij plotselinge beslissingen en bracht die onmiddellijk in praktijk zodat zelfs zijn naaste medewerkers er pas een paar dagen van tevoren kennis van konden nemen. De uitdrukking “Oostenrijkse Anschluss” zoals die hier en in het algemeen wordt gebruikt, geeft ook niet aan wat er later werkeijk gebeurde en dat was in feite de inlijving van Oostenrijk. Het is de inlijving van Oostenrijk waar we het nu over hebben. Deze inlijving van Oostenrijk werd pas op het laatste moment door Hitler bedacht, in Linz toen de troepen al binnen trokken. Verder bewijs dat het plan voor de invasie niet van te voren was opgesteld wordt gevormd door het feit dat Hitler enkele dagen tevoren zijn Minister van Buitenlandse Zaken naar Londen had gestuurd om enkele diplomatieke formaliteiten te vervullen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik willen verwijzen naar een uittreksel uit het boek van Sir Neville Henderson, Failure of a Mission dat al is genoemd. Dit uittreksel is nummer 129 in mijn documentenboek 4. Ik verzoek het Tribunaal dit document voor kennisgeving aan te nemen.
(tot de beklaagde): Tijdens de Oostenrijkse crisis gaf u op 12 maart, de dag na de inval, een verklaring aan de Tsjechoslowaakse minister in Berlijn met betrekking tot de voor Oostenrijk genomen maatregelen en de gevolgen daarvan voor Tsjechoslowakije. Volgens een verslag van dit gesprek door Dr. Mastny, de Tsjechoslowaakse Minister in Berlijn, verklaarde u dat de Duitse regering niet van plan was stappen tegen Tsjechoslowakije te ondernemen maar het verdrag te handhaven dat in de jaren twintig met Tsjechoslowakije was gesloten. Wilt u alstublieft iets zeggen over dit rapport dat u bekend is en dat kan worden gevonden onder nummer 141 in mijn documentenboek 5.
VON NEURATH: Het is volkomen juist dat ik op 12 maart die bedoelde uitspraak tegen Dr. Mastny deed. Alleen de reden voor het gesprek en de inhoud waren iets anders dan de manier waarop hij het beschreef.
Op 12 maart belde Ministerialdirektor von Weiszäcker mij thuis op, zei dat de Tsjechoslowaakse minister Mastny bij hem was en wilde weten of die mij in de loop van de dag kon opzoeken. Ik vroeg Dr. Mastny ‘s middags naar mijn appartement te komen. Dr. Mastny vroeg mij of ik geloofde dat Hitler, na de Oostenrijkse Anschluss nu ook iets tegen Tsjechoslowakije zou gaan ondernemen. Ik antwoordde dat hij gerust kon zijn, dat Hitler mij de vorige avond had verteld, in antwoord op mijn vraag of de Anschluss wellicht ongerustheid in Tsjechoslowakije zou kunnen veroorzaken dat hij er niet aan dacht om iets tegen Tsjechoslowakije te ondernemen. Mastny vroeg me toen of Duitsland zich nog steeds gebonden achtte aan het in 1925 gesloten verdrag. Op grond van het antwoord dat Hitler mij had gegeven kon ik dit met een zuiver geweten bevestigen. Hitler had er in dit verband aan toegevoegd dat hij geloofde dat de betrekkingen met Tsjechoslowakije zelfs enorm zouden verbeteren. De afhandeling van de Oostenrijkse Anschluss was per slot een binnenlandse aangelegenheid.
Het verslag van Dr. Mastny vermeldt dat ik op instructuie van Hitler sprak. Dat is echter niet waar. Ik verwees slechts naar mijn gesprek met Hitler dat mij nog vers in het geheugen lag. Toen Dr. Mastny in zijn verslag benadrukte dat ik sprak als president van de Geheime Kabinetsraad kan hij een manier van uitdrukken hebben gebruikt om meer gewicht aan zijn verslag te geven.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: De Aanklager ziet een zeker verschil tussen de uitspraak die u hebt gedaan en de plannen die Hitler in 1937 ontvouwde en beschuldigt u ervan, zeggend dat u heel goed wist wat die plannen waren, enigszins lichtgelovig te zijn geweest toen u die geruststellende uitspraak tegen Dr. Mastny deed.
VON NEURATH: Tijdens dit gesprek had Hitler het slechts in algemene zin over oorlogsplannen. Er werd niets gezegd over agressieve plannen tegen Tsjechoslowakije. Hitler zei dat wanneer de gebeurtenissen tot oorlog zouden leiden, Tsjechoslowakije en Ooostenrijk het eerst zouden moeten worden bezet om onze rechterflank vrij te houden. De vorm van deze of welke andere aanval op Tsjechoslowakije en of er ook werkelijk in het Oosten een conflict zou ontstaan, was twijfelachtig en discutabel.
In feite werd het Sudetenland, de strategische sleutelpositie van de Tsjechoslowaakse defensie op een vreedzame manier afgestaan door een overeenkomst met de Westerse mogendheden. Concrete plannen voor een oorlog tegen Tsjechoslowakije, zoals Generaal Jodl heeft verklaard, werden pas eind mei 1938 ter bestudering aan de Generale Staf overlegd. Ik hoorde hier pas voor het eerst over het bestaan van dergelijke plannen. Voor de rest, toen Hitler mij vertelde dat hij niets tegen Tsjechoslowakije zou ondernemen kon ik niet anders dan geloven dat dat zijn ware bedoeling was; met andere woorden dat hij zijn plannen voor alternatieve actie, zoals uiteengezet op 5 november 1937, had laten varen.
Dat is alles wat ik over de kwestie Tsjechoslowakije kan zeggen
De PRESIDENT: Zullen we nu pauzeren?
(de zitting wordt geschorst tot 14:00 uur.)

Definitielijst

Anschluss
Duitse term voor aansluiting waarmee de annexatie van Oostenrijk door Nazi-Duitsland in 1938 (12 maart) wordt bedoeld. Hiermee ging Oostenrijk deel uitmaken van het Groot-Duitse Rijk.
invasie
Gewapende inval.
Komintern
Internationaal samenwerkingsverband van communistische partijen tussen 1919 en 1943. De Komintern werd vanuit Moskou geleid.
Rijkskanselier
Benaming voor het Duitse staatshoofd, vanaf 1933 tot 1945 was Hitler Rijkskanselier van Duitsland
Rijnland
Duitstalig na WO I gedemilitariseerd gebied aan de rechteroever van de Rijn dat door Hitler bezet werd in 1936.
Volkenbond
Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in Genève, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), Italië (Abessinië) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.

Middagzitting 1

Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer von Neurath, in de aanklacht wordt melding gemaakt van een conferentie op 28 mei 1938 waar Hitler. Von Ribbentrop, Göring en de opperbevelhebbers van de strijdkrachten aanwezig waren. In de verklaring van de heer Wiedemann wordt beweerd dat u ook daarbij aanwezig was.
VON NEURATH: Ik kan me een dergelijke conferentie helemaal niet herinneren, noch de verklaring van Hitler die door Wiedemann werd genoemd. Bovendien wisten Keitel, Von Ribbentrop, Göring en Raeder ook niets van deze bijeenkomst. Wellicht is hier sprake van een vergissing of hij wordt verward met de bijeenkomst van 22 of 28 april 1938 die door Schmundt wordt genoemd, maar ik was bij die conferentie niet aanwezig; ik was niet eens in Berlijn.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Na uw aftreden had u zich volledig uit het openbare leven teruggetrokken. Tijdens de Sudeten crisis in de herfst van 1938, had u daar actief deel aan en bepleitte u een vreedzaam beleid?
VON NEURATH: Ja, na mijn ontslag in februari 1938 woonde ik op mijn landgoed. Rond 26 september kreeg ik telefoon van een van mijn vroegere collega’s op het ministerie die mij vertelde dat Hitler de strijdkrachten opdracht had gegeven op 28 september klaar te zijn voor vertrek. Blijkbaar wilde hij de Sudetenkwestie met geweld oplossen. Mij werd gevraagd onmiddellijk naar Berlijn te komen en te proberen Hitler van zijn voornemen af te brengen.
Gedurende de nacht ging ik naar Berlijn. Na aankomst vroeg ik op Buitenlandse Zaken naar de situatie en meldde aan Hitler dat ik aanwezig was. Ik werd weggestuurd. Niettemin ging ik op 28 september naar de Reichskanzlei en daar trof ik Hitler en zijn hele entourage, klaar voor vertrek. Ik vroeg naar Hitler en hoorde dat hij in zijn kamer was maar niemand wilde ontvangen. Niettemin ging ik naar de deur en liep Hitler’s kamer in. Toen hij mij zag vroeg hij op barse toon: “Wat doet u hier?” Ik antwoordde dat ik hem wilde wijzen op de gevolgen van zijn voorgenomen stap. Ik legde hem uit dat hij een Europese oorlog zou ontketenen en waarschijnlijk een wereldoorlog wanneer hij Tsjechoslowakije zou binnenvallen terwijl de onderhandelingen over de Sudetenkwestie nog aan de gang waren; dat Tsjechoslowakije ongetwijfeld tegenstand zou bieden en dat het geen gemakkelijke strijd zou worden; in elk geval zouden Engeland, Frankrijk en Polen erbij betrokken raken. Ik zei hem dat het een misdaad zou zijn die hij nooit kon verantwoorden, het verspillen van zoveel bloed voordat alle mogelijkheden voor een vreedzame oplossing zouden zijn uitgeput. Ik wist dat Mr. Chamberlain bereid was tot overeenstemming te komen en dat hij ook bereid was de Tsjechen over te halen het Sudetenland af te staan als daardoor een oorlog kon worden voorkomen.
De PRESIDENT: Hoe wist u dat Mr. Chamberlain bereid was te komen?
VON NEURATH: Omdat ik de Britse Ambassadeur op straat had ontmoet.
De PRESIDENT: Gaat u verder.
VON NEURATH: Hitler weigerde een dergelijke conferentie te overwegen. Tijdens ons gesprek was Göring echter verschenen en hij steunde mij in mijn pogingen Hitler over te halen een conferentie te houden. Uiteindelijk stemde Hitler toe op voorwaarde dat ik Chamberlain, Daladier en Mussolini de volgende dag naar Berlijn kon halen. Omdat dat voor Mussolini onmogelijk was stelde ik München voor als plaats van onderhandeling. Ik nam onmiddellijk contact op met de Britse en Franse Ambassadeurs die beiden op weg waren om Hitler te ontmoeten. Hitler zelf telefoneerde rechtstreeks met Mussolini en tegen 6 uur waren alle beloften en toezeggingen binnen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou het Tribunaal willen verzoeken document nummer 20 in mijn documentenboek 1, pagina 72b voor kennisgeving aan te nemen; een uittreksel uit het boek van Ambassadeur Henderson, Failure of a Mission.
(tot de beklaagde): Nam u persoonlijk deel aan de conferentie van München die toen volgde?
VON NEURATH: Ja. Gezien Hitler’s geïrriteerde toestand was ik bezorgd over het verloop van de conferentie en ik zei hem dat ik het nuttig vond dat ik ook naar München ging omdat ik de buitenlandse vertegewoordigers persoonlijk kende en om die reden als bemiddelaar kon optreden. Toen hij toestemde nodigde Göring mij uit mee te gaan in zijn speciale trein. Later, in de loop van de lange zitting sprak ik regelmatig met de drie personen en met Hitler en probeerde te bemiddelen in de moeilijkheden die ontstonden.
Aan het einde van het overleg vroeg Mr. Chamberlain mij de volgende dag een gesprek met de Führer alleen te regelen, zonder Von Ribbentrop omdat hij een nieuw voorstel wilde doen. De Führer wilde dat eerst niet maar uiteindelijk kon ik hem overhalen. Tijdens dit gesprek werd een overeenkomst tot overleg bereikt tussen Engeland en Duitsland waarbij Frankrijk zich later aansloot. Chamberlain, die in hetzelfde hotel logeerde als ik, toonde mij na het gesprek die overeenkomst met grote vreugde en ook ik was verheugd die te zien. Ik hoopte dat Anglo-Duitse betrekkingen, die na de bijeenkomsten van Bad Godesberg en Berchtesgaden waren verslechterd, door deze overeenkomst weer normaal konden worden en dat de deur naar volgende conferenties zou worden geopend. Omdat Chamberlain mij had uitgenodigd in de zomer van 1937 naar Engeland te komen, zei ik hem onmiddellijk dat ik niet geloofde dat Hitler, die mij had verboden in de zomer van 1937 naar Engeland te gaan, nu zijn toestemming zou geven, te meer omdat ik geen Minister van Buitenlandse Zaken meer was.
In januari 1938 herhaalde de Britse Ambassadeur de uitnodiging maar ik moest hem zeggen dat ik niet de gelegenheid had gehad om Hitler’s toestemming te krijgen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik willen indienen document 21 in mijn documentenboek. Het is een brief van de Franse Ambassadeur destijds, François-Poncet, gedateerd 18 oktober 1938, een paar weken na de Conferentie van München. Ik zou er slechts twee zinnen uit willen citeren:
“Maar van ons beiden ben ik het die u de meeste dank verschuldigd is. Ik heb van u altijd, zelfs op de meest pijnlijke momenten, de meest vriendelijke, de meest voorkomende en de meest vertrouwelijke ontvangst genoten. U hebt een moeilijke taak voor mij gemakkelijk gemaakt. Ik zal nooit vergeten wat ik u schuldig ben.”
Meneer de President, op dit punt zou ik een brief van Ambassadeur Poncet willen indienen die ik een paar dagen geleden heb ontvangen en die ik genoemd heb bij het verzoek aan het begin van mijn zaak. Ik vroeg of de Franse Ambassadeur als getuige kon worden opgeroepen en als antwoord hierop werd op 7 juni een brief van de Ambassadeur gestuurd aan de Franse aanklager waarvan ik vorige week via het bureau van de algemeen secretaris een afschrift heb ontvangen – ik meen donderdag of vrijdag.
Ondanks het feit dat deze brief niet de vorm heeft van een beëdigde verklaring, maar een persoonlijke brief aan de aanklager is, zou ik willen verzoeken hem te aanvaarden als ware het een beëdigde verklaring. Het origineel van deze brief is in het bezit van de Franse aanklager en hij heeft beloofd het origineel op verzoek van het Tribunaal in te dienen. Ik neem de vrijheid om het gewaarmerkte afschrift in te dienen.
De PRESIDENT: Het originele document moet nu bij het Tribunaal worden ingediend, of anders zo spoedig mogelijk.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Eergisteren heb ik met een lid van de Franse aanklagers gesproken die mij zei dat ze hem op het moment niet hier hebben. Ik weet niet waar hij is. Daarom vraag ik om hem in te dienen, anders zou ik hem al hebben ingediend.
De PRESIDENT: Prima, maar hij moet zo snel mogelijk worden ingediend.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja.
De PRESIDENT: U wenst hem als bewijsmateriaakl te presenteren?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ja.
De PRESIDENT: Welk nummer is het?
Dr. VON LUDINGHAUSEN: 162.
De PRESIDENT: Er is geen bezwaar tegen, neem ik aan?
SIR DAVID: Geen bezwaar, Edelachtbare.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Deze brief luidt, als ik tenminste een korte passage mag citeren:
“Hij”- dat is de heer von Neurath – “maakte de incidenten nooit erger; integendeel, hij zocht altijd een persoonlijke en vreedzame oplossing. Hij stelde alles in het werk om de taak van de buitenlandse diplomaten in de Duitse hoofdstad te verlichten. Zij waren hem dankbaar, net als ik. Ik twijfel er niet aan of hij wees Hitler voortdurend op de gevaren waaraan hij Duitsland bloot stelde door de excessen van zijn regime en dat hij hem de stem van de voorzichtigheid en behoudendheid liet horen.”
Nu kom ik aan een ander onderwerp en ik zou het volgende willen presenteren.
(tot de beklaagde): De documenten die door de Aanklager zijn ingediend tonen aan dat gedurende uw zittingsperiode als Reichsaussenminister een vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken deel nam aan zittingen van de Reichsverteidigungsrat en dat u op grond van het Reichsverteidigungsgesetz van 1938 als President van de Geheime Kabinetsraad lid was van deze Reichsverteidigungsrat. Wilt u hier iets over zeggen?
VON NEURATH: Noch als Reichsaussenminister, noch als President van de Geheime Kabinetsraad had ik iets te maken met zaken van de Reichsverteidigungsrat. Ik heb nooit deelgenomen aan enige ziitting of overleg. Zoals hier al is gezegd hadden alle ministeries vanaf 1933 zogenaamde Reichsverteidigungsexperte die zich bezig moesten houden met interdepartementale kwesties die voortkwamen uit een mogelijke mobilisatie in geval van een verdedigingsoorlog. Zoals Dr. Schacht al heeft verklaard was de Reichsverteidigungsrat niets anders dan de legalisering van een commissie die al voor 1933 bestond.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Zag u in het bestaan van een dergelijke commissie of raad voor de verdediging van het Reich tekenen van voorbereiding op een aanvalsoorlog?
VON NEURATH: Nee, in geen geval. De omschrijving geeft al aan dat het te maken had met voorbereidingen voor de verdediging van het Reich tegen een aanval en geen voorbereiding op een aanval. Bovendien weet ik dat in Frankrijk zowel als in Engeland dergelijke regelingen al lang bestonden.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, ik zou willen indienen document 78 op pagina 213 van mijn documentenboek 3. Dat is een uittreksel uit een verklaring op 6 juni 1934 afgelegd door de Franse Minister van Oorlog, Pétain voor de Legercommissie van de Franse Assemblée Nationale waarin de benodigdheden worden genoemd voor een defensieraad of commissie.
De PRESIDENT: Een ogenblik graag. Het Tribunaal denkt niet dat bewijzen dat andere landen andere organisaties hadden van belang zijn voor deze zaak.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: De Aanklager beweert dat Hitler u meer onderscheidingen verleende dan sommige Nazi leiders zelf en concludeert daaruit dat u bijzonder dicht bij Hitler stond. Wilt u hier alstublieft iets over zeggen?
VON NEURATH: Dat is een vrij opmerkelijke veronderstelling. Het was duidelijk dat Hitler mij als oudste minister die de staat langer dan 40 jaar had gediend, niet kon overslaan bij het toekennen van onderscheidingen en eretitels maar die bleven beperkt tot wat gebruikelijk is voor zittende hoge staatsfunctionarissen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou de aparte onderscheidingen willen noemen waarom een beschuldiging tegen u is geüit. U droeg de Orden des Deutschen Adlers en het Kriegsverdienstkreuz 1.
VON NEURATH: Ja, de Orden des Deutschen Adlers werd in 1937 ingesteld en zou alleen aan buitenlanders worden toegekend. Die zou in het buitenland echter niet veel waarde hebben gehad maar zou meer gezien worden als een speciale onderscheiding, zoals een koloniale onderscheiding, als geen enkele Duitser hem had. Om die reden kende Hitler mij in mijn hoedanigheid van Reichsaussenminister direct bij het instellen van de Orde het Grootkruis van de Orde toe en verhoogde daarmee de waarde van de onderscheiding ....
De PRESIDENT: Dr. von Lüdinghausen, is het niet voldoende wanneer beklaagde heeft gezegd dat het gebruikelijk was dat deze titels werden verleend? Wij hoeven de bijzondere waarde van iedere orde niet te onderzoeken, niet waar? Het lijkt me nogal ver gezocht.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, ik noemde het alleen maar omdat de Aanklager het ook specifiek ter sprake heeft gebracht.
(tot de beklaagde): De Aanklager uit verder de beschuldiging dat u op 30 januari 1937, tijdens die wel bekende kabinetszitting het Goldenes Parteiabzeichen van Hitler ontving en zodoende lid werd van de Nazi partij. Hoe staat het daarmee?
VON NEURATH: Voor wat betreft de manier waarop die werd toegekend, daarover hebben de heren Schacht en Raeder hier al verklaringen afgelegd. Ik was lid van geen enkele partij. Tussen 1933 en 1937 werd mij herhaaldelijk verzocht lid te worden van de Partij maar ik weigerde. Mijn houding ten opzichte van de Partij was algemeen bekend. Om die reden werd ik regelmatig door de Partij aangevallen. Ik vind dat de reden waarom deze onderscheiding op 30 januari 1937 werd toegekend aan diverse leden van het Kabinet en ook aan generaals die helemaal geen lid van de Partij konden worden, hier al uitvoerig is beschreven en dat ik er niet nog eens op hoef in te gaan.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Toen, verrassend genoeg kreeg u van Hitler de honoraire rang van SS-Obergruppenführer.
VON NEURATH: Ja, dat was een complete verrassing voor me. In september 1937 had Mussolini zijn bezoek aan Berlijn aangekondigd. Een paar dagen voor dat bezoek was ik niet in Berlijn. Toen ik ‘s ochtends terugkwam trof ik mijn kleermaker bij de deur van mijn huis met het uniform van een SS-Gruppenführer. Ik vroeg hem wat dat betekende. Hij zei me dat de Reichskanzlei hem opdraccht had gegeven onmiddellijk een uniform voor mij te maken. Ik ging toen naar Hitler en vroeg hem waarom hij dat had gedaan. Hij zei dat hij wilde dat alle mensen die bij de ontvangst van Mussolini aanwezig zouden zijn in uniform zouden zijn. Ik vertelde hem dat mij dat niet erg zinde en moest hem uitleggen dat ik in geen geval ondergeschikt wilde zijn aan Himmler en met de SS niets te maken wilde hebben. Hitler verzekerde mij plechtig dat dat niet van mij zou worden gevraagd en dat ik geen enkele verplichting had jegens de SS; en dat gebeurde ook niet. Bovendien had ik niet de bevoegdheid orders te geven en mijn latere promotie tot SS-Obergruppenführer gebeurde blijkbaar in het kader van algemene promoties zonder speciale nadruk.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Droeg u dat uniform ooit?
VON NEURATH: Voor zover ik mij herinner slechts twee keer; tijdens de ontvangst van Mussolini en ook in 1938 toen ik naar Ankara werd gestuurd voor de begrafenis van Kemal Pasha. Bij officiële gelegenheden droeg ik altijd het uniform van de ambtenaar, dat intussen was ontworpen, zonder enige insignes.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Op uw 70ste verjaardag, 2 februari 1943, ontving u van diverse kanten felicitaties en andere uitdrukkingen van waardering voor uw persoon en uw activiteiten. U werd onder andere gefeliciteerd door Hitler en u ontving bovendien een cheque van 250.000 mark. Wilt u ons alstublieft vertellen wat de betekenis van deze donatie was, als men dat zo mag noemen?
VON NEURATH: De Amerikaanse aanklager heeft deze gift onlangs genoemd. Hij vergat alleen eraan toe te voegen dat ik hem weigerde. De gebeurtenissen waren als volgt:
Op de dag van mijn 70ste verjaardag kwam ‘s ochtends een koerier van Hitler bij mij en bracht mij een felicitatiebrief en een olieverfschilderij van een Italiaans landschap van een jonge Duitse schilder. De brief bevatte een cheque van 250.000 mark. Ik was pijnlijk verrast en zei direct tegen de koerier dat ik deze zogenaamde donatie als een belediging zag, dat ik geen lakei was die je met een fooi kon afschepen en dat hij de cheque mee terug moest nemen. Hij zei dat hij niet gemachtigd was dat te doen. De volgende morgen ging ik naar de Rijksminister van Financiën om hem de cheque te overhandigen voor de Rijksschatkist. Hij zei dat hij vanwege formele redenen – ik meen omdat de cheque ten laste kwam van een speciale rekening van Hitler – die niet kon accepteren. Op zijn advies droeg ik de cheque over aan de Reichskreditanstalt ten gunste van een speciale rekening en lichtte de bevoegde financiële autoriteit schriftelijk in. Ik heb nooit een pfennig van dat bedrag aangeraakt. Het schilderij, waarvan de waarde niet bijzonder groot was, weigerde ik niet omdat het volledig binnen het kader van een normaal verjaardagsgeschenk paste en terugsturen zou als een opzettelijke belediging worden gezien.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, ik verzoek in dit verband toestemming twee brieven van de Reichskreditanstalt in te dienen die ik op mijn verzoek zaterdag heb ontvangen. Die bevatten de bevestiging dat dit volledige bedrag van 250.000 mark plus gekweekte rente nog steeds op een speciale rekening bij de Reichskreditanstalt staat. Dit is het bewijs dat de heer von Neurath feitelijk nooit een pfennig van die zogenaamde donatie heeft opgenomen of die op enig andere wijze gebruikt heeft.
De PRESIDENT: Wilt u ons de nummers daarvan geven?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: 160 en 161, Meneer de President; in de haast heb ik alleen de Engelse vertaling door mijn kantoor kunnen laten maken. De Franse en Russische vertaling zal een dezer dagen aan de Franse en Russische aanklager worden gegeven. Zoals ik heb gezegd, ik heb ze pas op zaterdagmiddag ontvangen.
(tot de beklaagde): Een andere beschuldiging wordt tegen u geüit dat u in conservatieve kringen in Duitsland werkte als een soort lid van een Vijfde Colonne om hen over te halen zich met het Nationaalsocialistische regime te verzoenen en die te aanvaarden omdat het feit dat u in de regering bleef door hen als voorbeeld kon worden gezien. Wat hebt u daarop te zeggen?
VON NEURATH: Deze bewering is onzin want het was in heel Duitsland en in het buitenland bekend dat ik geen Nationaalsocialist was, maar eerder dat ik Nationaalsocialistische excessen tegen de Kerk en tegen de Joden bestreed en dat ik bovendien ieder beleid dat een bedreiging voor de vrede vormde, dwarsboomde. Dat werd duidelijk aangetoond door mijn ontslag in februari 1938; dat de algemene opwinding hierover niet in de Duitse pers tot uitdrukking kwam was te wijten aan het feit dat daarvoor geen Duitse pers beschikbaar was. Het is daarom volkomen absurd dat deze conservatieve kringen konden hebben gedacht dat ik in mijn hart een Nazi was, zoals de Aanklacht luidt. Andere landen wisten dit net zo goed en zagen in mij een hindernis voor het beleid van de Nazis. Dat ik niet werd gezien als een slaafse volgeling van de Nazi theoriën, zoals in de Aanklachtt vermeld, is het best bekend bij de buitenlandse diplomaten in Berlijn omdat zij mijn voortdurende strijd tegen de Partij van dichtbij konden meemaken.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik willen indienen een uittreksel uit het tijdschrift Das Archiv van 1937 en een uittreksel uit een artikel in de Pester Lloyd waarin de toespraak staat die de deken van het Berlijnse Corps Diplomatique namens het hele Corps hield tot de heer von Neurath op zijn 65ste verjaardag op 2 februari 1938. Beide documenten bevinden zich in mijn documentenboek 4, nummer 127 en in documentenboek 1, nummer 18.
Daarmee heb ik het gedeelte betreffende de buitenlandse politiek afgerond en de persoonlijke punten in de Aanklacht tegen de heer von Neurath. Ik kom nu toe aan het tweede aspect van de Aanklacht, uw activiteiten als Reichsprotektor van Bohemen en Moravië.
(tot de beklaagde): Na het oplossen van de Sudeten crisis hebt u zich geheel uit het politieke leven teruggetrokken, niet waar?
VON NEURATH: Ja, ik was maar zelden in Berlijn. Voor het merendeel was ik op mijn landgoed in Würtemberg of in de bergen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In september 1939, was u toen in Berlijn en had u enige kennis van Hitler’s plannen voor een inval in Tsjechoslowakije?
VON NEURATH: U bedoelt aan het einde van de winter van 1939?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Aan het einde van de winter, ja.
VON NEURATH: Nee, ik hield me afzijdig. De geschillen tussen Duitsland en Tsjechoslowakije ....
De PRESIDENT: September 1939?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dat was mijn fout. Ik bedoelde aan het einde van de winter.
De PRESIDENT: Van 1938, bedoelt u?
Dr. VON LUDINGHAUSEN: 1939.
VON NEURATH: 1938-1939.
De geschillen tussen ons en Tsjechoslowakije over de behandeling van de Sudeten-Duitsers door de Tsjechen waren opgelost door de afscheiding van het Sudetenland. Het pad naar vriendschappelijke samenwerking was geëffend. Een van de brandpunten voor de bedreiging van de vrede in Europa was weggenomen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Toen kwam in de nacht van 14 op 15 maart 1939 in Berlijn dat beroemde meningsverschil tussen Hitler en de President van de Tsjechoslowaakse republiek, Hacha. Deze conferentie is hier al besproken. Ik denk niet dat ik er tot in bijzonderheden op in hoef te gaan. In elk geval weet u ervan.
Ik zou u willen vragen, wist u van deze gebeurtenissen zoals die beschreven zijn, in het bijzonder zoals vermeld in document 2798-PS?
VON NEURATH: Nee, daar wist ik niets van. Ik hoorde daar pas veel later over, ik hoorde hier pas over de notities van de heer Hewel maar nadat ik over deze gebeurtenissen hoorde, was ik er fel op tegen en ik zou de functie van Reichsprotektor onder geen enkele voorwaarde op mij hebben genomen als ik destijds van die gebeurtenissen had geweten. Ik was volkomen verrast door de gebeurtenissen van maart 1939. Zoals ik al zei, ik kreeg niet langer informatie over buitenlandse politiek. Ik was afhankelijk van de radio en de kranten. Ik vond dat na de Overeenkomst van München de voorbereidingen voor een aanval op Tsjechoslowakije waren verdwenen.
Ik hoorde van Hacha’s bezoek aan Berlijn, net als iedere andere Duitser, de volgende dag via de radio en de kranten. De officiële verklaring over de overname van de bescherming van het restant van Tsjechoslowakije leek me niet onwaarschijnlijk nadat Slowakije onafhankelijk was geworden en nadat ik hoorde dat de Tsjechische Minister van Buitenlandse Zaken, Chvalkovski in de loop van de winter van 1938-1939 in Berlijn had gezegd dat het vroegere beleid van Tsjechoslowakije geheel gewijzigd moest worden en dat er naar nauwere betrekkingen met Duitsland werd gestreefd. Ik maakte me er echter zorgen over hoe de ondertekenaars van München op deze ontwikkeling, die in strijd was met de overeenkomst die in München was gesloten, zouden reageren. Mijn eerste vraag aan Hitler, toen ik op zijn verzoek naar Wenen ging, was of Engeland en Frankrijk van tevoren waren ingelicht en hun toestemming hadden gegeven. Toen hij zei dat dat volkomen onnodig was en dat de Tsjechische regering zelf ons had gevraagd de bescherming over te nemen, was ik mij er direct van bewust hoe gevaarlijk de situatie was en dat zei ik tegen Hitler.
Destijds geloofde ik echter nog steeds dat het in feite een vrije beslissing van de Tsjechische regering was geweest. Hitler’s verzoek, de functie van Reichsprotektor te aanvaarden was een complete verrassing voor mij, te meer omdat ik er achter was gekomen dat hij mij mijn spontane tussenkomst in september 1938, die tot de conferentie van München had geleid ernstig had verweten. Ik had mijn bedenkingen om die functie te aanvaarden, die ik ook tegenover Hitler uitte. Ik realiseerde me dat een invasie in Tsjechoslowakije de ondertekenaars van de Overeenkomst van München in ieder geval sterk zou verontrusten, zelfs wanneer Hacha uit eigen beweging om bescherming had gevraagd en het was me ook duidelijk dat iedere verslechtering van de situatie door een slechte behandeling van de Tsjechen een onmiddellijke oorlogsdreiging zou veroorzaken. Het geduld van Frankrijk en Engeland zou zeker uitgeput raken. Ik zei dit ook tegen Hitler. Hitler’s antwoord was dat dat juist de reden was waarom hij mij vroeg de functie op mij te nemen – om aan te tonen dat hij geen beleid wenste te voeren dat vijandig was tegenover Tsjechoslowakije. In het buitenland stond ik algemeen bekend als een vreedzaam en behoudend man en hij zou mij de meest uitgebreide bevoegdheden geven om tegen alle excessen op te treden, in het bijzonder die van het Sudeten-Duitse element. Omdat ik nog steeds aarzelde en zei dat ik de toestand in Tsjechoslowakije niet kende en geen bestuurder was, zei Hitler mij dat ik het moest proberen, dat ik op ieder moment kon worden afgelost. Hij gaf me twee ervaren heren mee die de toestand kenden. Ik was me destijds niet bewust van het feit dat de politie en de SS, zoals toen al gebruikelijk, niet ondergeschikt waren aan enige hogere autoriteit en het mij dus onmogelijk zou maken het regime van geweld door Himmler en zijn kliek te voorkomen. Maar ik ontkom er niet aan erop te wijzen dat de grote verantwoordelijkheid voor de verdere ontwikelingen bij de andere mogendheden lag, in het bijzonder de ondertekenaars van München. In plaats van een papieren protest had ik verwacht dat zij tenminste hun ambassadeurs zouden terug roepen. Dan zou voor het moment de spanning misschien zijn toegenomen maar het Duitse volk zou zich hebben gerealiseerd hoe gevaarlijk de situatie was, Hitler zou het nemen van verdere agressieve stappen hebben nagelaten en de oorlog kon zijn voorkomen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: De beschuldiging wordt geüit dat u deze functie aanvaardde zodat door misbruik van uw humane en diplomatieke reputatie aan de wereld de indruk kon worden gegeven dat de Tsjechen behoorlijk behandeld zouden worden terwijl het tegendeel het geval was. Wilt u hier kort iets over zeggen?
VON NEURATH: Dat is volkomen onjuist. Hitler zei dat ik moest proberen de Tsjechen aan de nieuwe omstandigheden te laten wennen en de Duitse bevolking, die vervuld was van haat vanwege de jaren van strijd voor hun nationaliteit en maatregelen ter onderdrukking te vrijwaren van excessen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Welke garanties gaf Hitler u met betrekking tot uw functie?
VON NEURATH: Hij verzekerde mij dat hij mij altijd op alle mogelijke manieren zou steunen bij mijn werk van het correct oplossen van nationale conflicten en de Tsjechen tevreden te stellen met een verzoenend en behoudend beleid. In het bijzonder zou hij mijn bestuur vrijwaren van alle aanvallen door politieke radicalen, vooral door de SS, de politie en de Sudeten-Duitsers; ik had in het bijzonder op dat gevaar gewezen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Was u er destijds van overtuigd dat Hitler bij het geven van die garanties voor een humane behandeling van de Tsjechen eerlijk en oprecht was?
VON NEURATH: Ja, die indruk had ik zeker.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: U geloofde dus dat hij zich zou houden aan de garanties die hij u gaf?
VON NEURATH: Ja.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wist u destijds van plannen of voornemens met betrekking tot een gedwongen germanisering van de Tsjechen?
VON NEURATH: Nee, dat was mij volkomen onbekend. Ik zou dat zo’n onzin hebben gevonden dat ik niet zou hebben geloofd dat iemand dergelijke ideeën ook maar kon hebben.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Gelooft u nog steeds dat Hitler’s garanties en bedoelingen destijds eerlijk bedoeld waren en dat ze slechts door verdere ontwikkelingen bedrieglijk werden?
VON NEURATH: Ja, die waren destijds zeker oprecht gemeend.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik willen verwijzen naar een document in mijn documentenboek 5, onder nummer 142, dat bevat een uittreksel uit Henderson’s Failure of a Mission. Ik zou het Tribunaal willen verzoeken dit voor kennisgeving aan te nemen.
(tot de beklaagde): In verband met die periode beschuldigt de Aanklager u van het sluiten van de Duits-Slowaakse Overeenkomst van maart 1939 betreffende de onafhankelijkheid van Slowakije. Had u iets te maken met het opstellen van dit verdrag of met het uitroepen van de onafhankelijkheid van Slowakije?
VON NEURATH: Nee. Ik hoorde pas over de verklaring van onafhankelijkheid van Slowakije en al deze gebeurtenissen nadat die openbaar waren gemaakt.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat waren de beginselen voor uw bestuursprogramma in Praag?
VON NEURATH: Het was mij volkomen dudelijk dat een verzoening van het Tsjechische volk met de nieuw geschapen omstandigheden alleen maar geleidelijk tot stand gebracht kon worden, door zoveel mogelijk hun nationale gevoelens te ontzien en zonder radicale maatregelen. Onder meer gunstige omstandigheden zou dat vele generaties hebben geduurd. Daarom probeerde ik een geleidelijke aanpassing en een verzachting van het vroegere vijandige beleid.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: In dit verband zou ik willen verwijzen naar document 143 in mijn documentenboek. Dat is een reproductie van een artikel over het doel van zijn bestuur in Praag dat de heer von Neurath eind maart 1939 publiceerde in de Europäische Revue. Ik verzoek het Tribunaal dit voor kennisgeving aan te nemen.
Dit artikel toont heel duidelijk aan met welke bedoelingen en plannen de heer von Neurath destijds zijn functie aanvaardde. Ik verzoek het Tribunaal dit voor kennisgeving aan te nemen.
(tot de beklaagde): Wat waren de omstandigheden die u in Praag aantrof toen u die functie in april 1939 aanvaardde?
VON NEURATH: De Tsjechen waren over het algemeen teleurgesteld over het gedrag van hun vroegere bondgenoten van de herfst van 1938. Zij leken in grote mate bereid te zijn tot loyaliteit en samenwerking. De invloed van anti-Tsjechische en Sudeten-Duitse kringen, gesteund door Himmler en de SS, was echter aanzienlijk. Die invloed werd in het bijzonder gepersonifiëerd door de Sudetenleider Karl Hermann Frank, die op aanwijzing van Himmler als mijn staatssecretaris was benoemd. Ik had vanaf het begin de grootste moeilijkheden met hem want hij was voorstander van een volkomen ander beleid jegens de Tsjechen.
De functie van Reichsprotektor moest nog vorm krijgen. Het hoofd van het bestuur was een ervaren bestuursambtenaar, staatssecretaris Von Burgsdorff die hier is verhoord. Onder hem ressorteerden de diverse ministeries die rechtstreeks door de betrokken ministeries in Berlijn werden opgezet. In het provinciaal bestuur werd voor ieder Tsjechisch district een Duitse Oberlandrat benoemd als toezichthouder. Die werden door de Reichsinnenminister benoemd.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Aan wie was de politie ondergeschikt?
VON NEURATH: De politiemacht was volledig onafhankelijk van mijn departement. Die stond direct onder de Reichsführer-SS en Chef van de Duitse politie, Himmler dus.
Himmler benoemde mijn eigen staatssecretaris Frank tot HSSPF, die dus een dubbelfunctie kreeg. Onder Frank stond op zijn beurt de commandant van de SIPO. Alle politiemaatregelen werden door Frank of rechtstreeks door Himmler en het RSHA bevolen zonder verzoek om mijn toestemming, zonder dat ik zelfs tevoren werd ingelicht. Dit feit veroorzaakte de meeste problemen waarmee ik in Praag voortdurend te kampen had.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: De uitleg over de positie van de politie in een Tsjechisch rapport, nummer USSR-60 dat door de Aanklager is ingediend stelt de kwestie in een iets ander licht. Blijft u bij de omschrijving die u zojuist hebt gegeven?
VON NEURATH: Ja, absoluut.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: U werd slechts achteraf ingelicht over politiemaatregelen maar werd nooit van te voren om toestemming gevraagd?
VON NEURATH: Ja en ik werd maar zelden achteraf ingelicht. Ik hoorde vaak slechts van de Tsjechische regering of van individuele personen over incidenten waarover ik zelfs achteraf niet door de politie werd ingelicht; dan moest ik bij Frank navraag doen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband verwijs ik naar het Decreet van 1 september 1939 dat ik woordelijk heb ingediend onder nummer 149 in mijn documentenboek 5 en ik zou op het volgende willen wijzen: Dit decreet is verdeeld in twee volkomen afgescheiden delen. Deel 1 betreft de opbouw van het bestuur van de Reichsprotektor en deel 2, volledig daarvan afgescheiden, betreft de opzet van de Duitse SIPO die rechtstreeks ressorteert onder de Reichsführer-SS en Chef van de Duitse politie. De uiterlijke vorm van dit decreet, deze bewuste scheiding van twee bestuurlijke afdelingen toont al aan, als ik dat zo mag zeggen, dat de politie en de politiemacht uitsluitend onder Himmler of onder zijn Berlijnse ambtenaren vielen. Dit benadrukt al het feit dat de Reichsprotektor daar geen invloed op kon uitoefenen. Dat is de grote tragedie van de activitieten van de heer von Neurath als Reichsprotektor. Hij wordt automatisch beschuldigd van zaken waarvoor hij nooit de verantwoordelijk nam en nooit kon nemen. De Aanklager verwijst in het bijzonder naar paragraaf 13 van dit decreet dat administratieve maatregelen vermeldt, volgens welke de Reichsprotektor en de Reichsführer-SS in overleg met eerstgenoemde administratieve maatregelen kan nemen voor de handhaving van openbare orde en veiligheid in het Protektorat, zelfs tot over de grenzen die voor dit doel zijn gesteld.
Wat betekent dit?
VON NEURATH: Ik weet niet wat in dit decreet wordt bedoeld met administratieve maatregelen. Het lijkt me een zeer algemeen bevel te zijn, vermoedelijk doelend op nog uit te geven algemene instructies. Hoe dan ook, zolang ik in Praag was hebben noch de Reichsführer-SS, noch ik van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Alle arrestaties werden gedaan zonder mij van te voren in te lichten, op basis van paragraaf 11 van deze order die net is voorgelezen en die op geen enkele wijze de politie in het Protektorat aan mij ondergeschikt maakt.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Heeft Hitler u in Wenen niet verzekerd dat u in het Protektorat de volledige uitvoerende macht zou krijgen en dat die zich ook over de politie zou uitstrekken?
VON NEURATH: Nee, dat heb ik al genoemd.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Hebt u geprobeerd die situatie te veranderen en van Hitler controle over de politie te krijgen, of tenminste invloed op de politie te krijgen?
VON NEURATH: Ja. Ik heb herhaaldelijk bij Hitler mijn beklag gedaan in verband met het terugkerende geweld en de excessen door de politie. Hij beloofde me steeds weer dat hij die toestanden zou onderzoeken maar er gebeurde niets. De invloed van Himmler, die de politie in het hele Reich als zijn eigen domein zag, was te sterk.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het Tsjechoslowaakse rapport waarop de Aanklacht is gebaseerd houdt, naast het hoofd van de politie ook de Reichsprotektor – dat bent u – tot september 1941 verantwoordelijk voor de terreurdaden van de Gestapo. Op basis van de uitspraken die u net hebt gedaan, aanvaardt u ook maar enigszins dergelijke verantwoordelijkheid?
VON NEURATH: Nee, ik moet dat ten stelligste ontkennen. Ik heb al uitgelegd hoe de situatie werkelijk was, dat ik geen enkele invloed had.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou in dit verband twee of drie zinnen willen citeren uit document 153 in mijn documentenboek 5, bestaande uit notulen van het verhoor van voormalig staatssecretaris Frank door de Tsjechische delegatie op 30 mei 1945. Deze notulen van Frank’s getuigenis luiden:
“Noch de Reichsprotektor, noch ik was verantwoordelijk voor de acties van de politie. De uiteindelijke verantwoordelijkheid lag bij Heinrich Himmler als hoofd van de Duitse politie. De Gestapo kreeg haar instructies rechtstreeks uit Berlijn, ofwel van Himmler zelf of van het RSHA.”
(tot de beklaagde): Kon u door uw aanwezigheid in Praag in de praktijk iets doen om tenminste de ergste maatregelen af te zwakken die door de politie of de Gestapo werden opgelegd of naderhand de meest ernstige gevolgen doen verminderen? Wilt u alstublieft omschrijven hoe u tussenbeide kwam en hoe u probeerde in deze kwesties Frank te beïnvloeden?
VON NEURATH: Ik kreeg voortdurend verzoeken van President Hacha, de Tsjechische regering en van privé personen. Mijn departement had het voor het grootste deel druk met deze zaken. Ik liet ieder verzoek aan mij persoonlijk doen en in alle gevallen waarin tussenkomst ook maar enigszins gerechtvaardigd was, liet ik Frank of de commandant van de SIPO aan mij rapporteren en probeerde hen ertoe te bewegen de arrestant vrij te laten. Het was echter een voortdurend gevecht met Frank en met de politie hoewel ik in vele gevallen succes boekte. In de loop der tijd werden vele honderden mensen die waren gearresteerd op mijn aandringen vrijgelaten. Bovendien werden vele vonnissen verzacht met betrekking tot briefverkeer, het sturen van voedsel en zo.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Kort nadat u in functie kwam, voorkwam u niet de arrestatie en onderwerping aan maatregelen ter heropvoeding van de in Praag achtergebleven gezinsleden van de ministers Netschas en Feierabend, die naar het buitenland waren gevlucht?
VON NEURATH: Ja, dat is waar. Frank had de arrestatie bevolen van de gezinsleden van deze twee ministers. Toen ik ervan hoorde haalde ik hem over van deze stap af te zien.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, mag ik voorstellen om nu te schorsen want dit gedeelte is afgerond en ik kom nu toe aan persoonlijke vragen?
(de zitting wordt geschorst.)

Definitielijst

Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
invasie
Gewapende inval.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
RSHA
Reichssicherheitshauptambt. De centrale inlichtingen en veiligheidsdienst van het Derde Rijk
SIPO
Sicherheitspolizei. Samenvoegingsverband (sinds 1936) van de Gestapo en Kriminalpolizei
Sudeten-Duitsers
Naam voor de ruim drie miljoen Duitsers die tot 1945 het grensgebied van Tsjechoslowakije bewoonden.
USSR
Unie van Socialistische Sovjet Republieken, ook wel Sovjet-Unie genoemd. Federatie van republieken tijdens de communistische periode van Rusland.

Middagzitting 2

Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Allereerst zou ik nu willen verwijzen naar individuele politiemaatregelen waarvoor u in meer of mindere mate door de Aanklager verantwoordelijk wordt gehouden. Vonden er in de zomer van 1939 al veel arrestaties van Tsjechen plaats?
VON NEURATH: Nee, de activiteit van de politie in de zomer van 1939 was matig en ik hoopte dat het mogelijk zou zijn deze maatregelen steeds verder te beperken.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: De Tsjechische aanklacht, USSR-60, aanhangsel 6, supplement 1 bevat een aankondiging die u in augustus 1939, dat wil zeggen net voor het uitbreken van de oorlog deed als Reichsprotektor. Deze aankondiging moest dienen als waarschuwing aan de bevolking van het Protektorat tegen sabotagedaden. Ik zal u nu deze aankondiging laten geven.
Ik zou willen dat u er commentaar op geeft. Dit aanhangsel is als Aanhangsel 1toegevoegd aan document USSR-60. De aankondiging die ik net aan beklaagde heb laten overhandigen, luidt als volgt – als ik met permissie van het Tribunaal het belangrijkste mag voorlezen:
“1) Elke daad van sabotage tegen de belangen van het Groot-Duitse Rijk, tegen het Duitse bestuur in het Protektorat en tegen de Wehrmacht zal met meedogenloze felheid worden vervolgd en zal ten strengste worden bestraft.
“2) Onder sabotage als vermeld onder punt 1 wordt verstaan elke verstoring van het openbare en economische leven, in het bijzonder het beschadigen van belangrijke installaties zoals spoorwegen, telefoons enzovoorts, verbindingslijnen, water- , electriciteits- en gaswerken en fabrieken alsmede het hamsteren van consumptiegoederen, het opdrijven van prijzen en het in woord of geschrift verspreiden van geruchten.
“3) De bevolking dient alle bijzondere richtlijnen van de organen van het Reich die werkzaam zijn in het Protektorat op te volgen zoals die zijn gepubliceerd of in de toekomst zullen worden gepubliceerd. Weigeren te gehoorzamen of optreden tegen organen van het Reich zal worden beschouwd als sabotage en zal dienovereenkomstig worden bestraft. De verantwoordelijkheid voor sabotagedaden zal niet alleen gelegd worden bij de persoon die deze daden pleegt maar ook bij de gehele Tsjechische bevolking.
“Ik verwacht dat de Tsjechische bevolking zich door een loyaal, vreedzaam en rustig gedrag zich onder alle omstandigheden de onafhankelijkheid waardig zal tonen, welke de Führer aan de landen Bohemen en Moravië heeft gegarandeerd.”
Wilt u hier alstublieft iets over zeggen?
VON NEURATH: Ik kan me niet voorstellen vanuit welk oogpunt de aankondiging van deze openbare waarschuwing tegen sabotage kan worden gebruikt als basis voor een beschuldiging tegen mij. In deze periode van grote politieke spanning moest ervoor worden gevreesd dat radicale elementen de toestand zouden misbruiken om sabotage te plegen die de openbare diensten zou kunnen beschadigen. Naar mijn mening zou dit in geen enkele staat op een dergelijke tijd zijn getolereerd zonder strenge straffen. Met deze waarschuwing wilden we proberen alle plannen voor het plegen van sabotage te verijdelen. Bovendien had deze waarschuwing, voor zover ik me herinner, het gewenste effect en er vond vrijwel geen sabotage plaats. Bovendien wordt dreiging met speciale straffen helemaal niet genoemd in deze waarschuwing maar verwijst die alleen maar naar voorzieningen voor al bestaande strenge straffen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Kort na publicatie van deze waarschuwing brak de oorlog uit. Wat was uw houding ten opzichte van deze oorlog?
VON NEURATH: Ik beschouwde deze oorlog als de grootste stommiteit want op basis van mijn kennis van de Britse psychologie en politiek was ik ervan overtuigd dat Engeland haar belofte aan Polen gestand zou doen en dat daarmee de oorlog tegen Engeland en Frankrijk zou beginnen waarin de Verenigde Staten, met haar gigantische productiecapaciteit achter deze twee mogendheden zou staan. Dat was mij duidelijk uit alle uitspraken die door President Roosevelt voor de oorlog waren gedaan. Ik verwierp en veroordeelde ook het nogal roekeloze begin van deze oorlog vanwege mijn ethische overtuiging en mijn ideologie.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Om welke reden bleef u in functie in plaats van af te treden?
VON NEURATH: Ik zei bij mijzelf dat tijdens de oorlog de Tsjechen aan de ene kant zouden proberen het Duitse bestuur omver te werpen of tenminste al dan niet openlijk de militaire maatregelen die de strijdkrachten in het Protektorat namen te verstoren door opstanden, sabotage en dergelijke en dat aan de andere kant, door Duitsland daarom de meest strenge maatregelen tegen de bevolking zouden worden genomen met als resultaat dat de politie en in het bijzonder de Gestapo allerlei soorten van terreur zouden plegen. Door mijn aanblijven wilde ik beide voorkomen en ik wilde ook een strengere behandeling van de Tsjechen voorkomen met het beleid van verzoening en compromissen dat ik volgde.
Het neerleggen van mijn functie op een dergelijk moment zou desertie zijn geweest. Maar aan de andere kant geloofde ik dat in een oorlog waarin het bestaan van het Duitse volk op het spel stond, ik als Duitser – en dat ben ik met volle overtuiging – mijn diensten en mijn kennis niet kon weigeren. Per slot van rekening was het geen kwestie van Hitler of het Nazi regime maar eerder van mijn volk en haar bestaan.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Met uw in functie blijven wilde u daarom niet uw instemming met deze oorlog aangeven die door Hitler was veroorzaakt?
VON NEURATH: Nooit. Dat was een vaststaand feit waaraan ik niet had bijgedragen; en ik heb Hitler mijn houding en mijn mening over de waanzin van de oorlog heel duidelijk verteld. Maar ik zou mijzelf als een verrader aan het Duitse en Tsjechische volk hebben beschouwd wanneer ik, in dit uur van nood, de moeilijke taak had neergelegd die ik in het belang van beide volken op mij had genomen, zolang ik die zelfs in beperkte mate nog kon waarnemen. Ik geloof niet dat elk eerbaar persoon anders zou hebben gehandeld want boven alles en boven persoonlijke wensen is er nog altijd de plicht tegenover het eigen volk.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Op de dag dat de oorlog uitbrak werden in het Protektorat, net als overal elders in het Reich, zogenaamde preventieve maatregelen genomen in de vorm van talloze arrestaties waarbij zeker meer dan duizend personen waren betrokken, in het bijzonder vertegenwoordigers van de intelligentsia voor zover die politiek onbetrouwbaar werden geacht.
Werd u van te voren over die arrestaties ingelicht zoals gedaan had moeten worden op grond van artikel 11 van het decreet van 1 september 1939 dat eerder is geciteerd?
VON NEURATH: Nee, zelfs niet achteraf. Ik hoorde via President Hacha van die arrestaties.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat hebt u toen laten doen?
VON NEURATH: Allereerst liet ik Frank bij mij komen en protesteerde bij hem. Hij zei dat hij ook niet was ingelicht en dat dit een algemene preventieve maatregel van de politie was.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Die rechtstreeks uit Berlijn kwam?
VON NEURATH: Ja, Himmler had de Gestapo en de SD opgedragen die te nemen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Hebt u toen geprobeerd de mensen vrij te krijgen die waren gearresteerd en die voor het merendel naar het Reich waren afgevoerd?
VON NEURATH: Ja, daarvoor oefende ik voortdurend druk uit op Frank en op Himmler en Heydrich in Berlijn.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: En hoe succesvol waren uw pogingen?
VON NEURATH: In de loop van de tijd werden honderden mensen vrijgelaten die waren opgepakt – waarvan ik de namen met grote moeite van de Tsjechen kreeg omdat de Duitse politie weigerde mij die te geven.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Op 28 oktober 1939 vond er in Praag voor de eerste keer een openbare demonstratie plaats ter gelegenheid van de Tsjechische Onafhandelijkheidsdag. Bij deze gelegenheid werden sommige demonstranten en sommige politiemensen gedood dan wel gewond, want de politie nam vrij strenge maatregelen tegen de demonstranten.
Wat betreft deze politiemaatregelen voor, tijdens en na deze demonstratie, wist u ervan en steunde u die?
VON NEURATH: Destijds was ik niet in Praag en pas op 29 oktober lichtte Frank mij telefonisch in over de ongeregeldheden. De bijzonderheden hoorde ik pas toen ik op 30 of 31 oktober terugkwam. Ik zei tegen Frank dat hij met zijn persoonlijke tussenkomst op straat en met de inzet van de SS het tumult alleen maar had verergerd in plaats van het handhaven van de orde aan de Tsjechische politie over te laten.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Frank stuurde een rapport over deze ongeregeldheden naar Berlijn dat hij noemde toen hij op 5 mei 1945 door de Tsjechische delegatie werd verhoord. Ik heb een uittreksel uit het verslag van dit verhoor ingediend dat kan worden gevonden in mijn documentenboek 5 onder nummer 152. Ik zou een aantal zinnen uit dit rapport willen citeren:
“Dit was de eerste keer dat het publiek openlijk demonstreerde en dat deze leuzen” – die eerder werden genoemd – “in het openbaar werden gehoord. De kwestie werd daarom ernstig genomen en ik rapporteerde persoonlijk aan Berlijn over alle incidenten. Ik zou willen zeggen dat ik ooggetuige was van deze demonstraties en dat ik de indruk had dat die van een gevaarlijke aard waren. In het rapport dat ik naar Berlijn stuurde meldde ik nadrukkelijk dat dit de eerste demonstraties waren en dat er daarom speciaal belang aan moest worden gehecht omdat ze in het openbaar plaatsvonden. Ik vroeg om instructies die ik onmiddellijk van het Führerhoofdkwartier ontving. Deze instructies werden vanuit Berlijn rechtstreeks naar de SIPO gestuurd en ik werd van de inhoud op de hoogte gebracht. De hele operatie werd direct door de politie uitgevoerd.”
Kende u dit rapport van Frank en de maatregelen die daarin worden genoemd voordat het werd verstuurd of daarna?
VON NEURATH: Nee. Dit rapport was mij in Neurenberg tot nu toe volledig onbekend, maar Frank rapporteerde altijd rechtstreeks aan Berlijn. Afgezien daarvan ben ik nooit van mening geweest dat deze demonstratie – die voor het merendeel door jonge mensen werd gehouden – van bijzonder belang moest worden gevonden of dat die speciale politiemaatregelen noodzakelijk maakte.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Bij de begrafenis op 15 november van een van de studenten die op 28 oktober werden gedood waren er nieuwe demonstraties in Praag waar talloze studenten werden neergeschoten, anderen gearresteerd en de universiteiten gesloten. Wat weet u over die incidenten?
VON NEURATH: Toen deze student, Opletal die tijdens het tumult gewond was geraakt aan zijn verwondingen bezweek verbood de politie om nieuwe demonstraties te voorkomen, deelname van studenten aan de begrafenisplechtigheid die op 15 november zou plaatsvinden. Desondanks verzamelde zich een menigte en toen de politie probeerde die te verspreiden braken er nieuwe ongeregeldheden en beschietingen uit. Toen dit door Frank aan Hitler werd gerapporteerd, werd deze woest en riep mij, Frank en de militair gevolmachtigde, Generaal Frederici op voor overleg in Berlijn. Hitler had ook de Tsjechische minister Chvalkovski, de voormalige Minister van Buitenlandse Zaken gevraagd bij dat overleg aanwezig te zijn. Hitler was razend. Ik probeerde hem te kalmeren maar toch uitte hij ernstige beschuldigingen aan het adres van de Tsjechische minister en gaf hem opdracht de Tsjechische regering mee te delen dat wanneer dergelijke voorvallen weer zouden plaatsvinden, hij de meest strenge maatregelen zou nemen tegen de mensen die de rust verstoorden en verder dat hij de hele Tsjechische regering ervoor verantwoordelijk zou houden. De taal die Hitler uitsloeg was ongehoord en het geheel was zeer verontrustend voor ons die het aanhoorden. Nadat de Tsjechische minister was vertrokken bleven wij nog een paar minuten bij Hitler. Hij vroeg mij hoe lang ik in Berlijn zou blijven en ik zei: 1 of 2 dagen. Toen werden we voor het diner uitgenodigd maar over deze incidenten werd verder niet meer gesproken. Hitler vroeg staatssecretaris Frank later terug te komen. Hitler zei geen woord over het neerschieten van de leiders van de demonstratie of het afvoeren van studenten naar concentratiekampen en hij noemde ook niet het sluiten van de universiteiten.
Toen ik tegen de avond naar de piloot van mijn vliegtuig vroeg om hem instructies te geven, werd mij op het vliegveld verteld dat hij met Frank in mijn vliegtuig was terug gevlogen naar Praag. Ik keerde de volgende dag per trein naar Praag terug en pas toen hoorde ik dat Hitler had bevolen alle Tsjechische universiteiten voor drie jaar te sluiten, ongeveer 1.200 studenten te laten arresteren en over te brengen naar een concentratiekamp en de leiders van de demonstratie te laten neerschieten. Op hetzelfde moment werd mij een aankondiging overhandigd, getekend met mijn naam waarin deze bevelen werden aangekondigd die in de pers waren gepubliceerd en al overal waren aangeplakt. Ik liet Frank onmiddellijk bij mij komen en confronteerde hem met deze ongehoorde zaken die zonder mijn medeweten waren gebeurd. Hij beriep zich op een speciaal decreet van Hitler. Ik had die aankondiging zelfs nog nooit gezien. Mijn naam was daar onrechtmatig door Frank onder gezet. Zelfs als mijn vertegenwoordiger had hij het recht niet dat te doen maar later hoorde ik van een ambtenaar op mijn departement dat Frank regelmatig mijn naam op die manier misbruikte. Als ik van te voren ook maar iets had geweten van deze decreten van Hitler – natuurlijk had hij de gelegenheid mij telefonisch in Berlijn te bereiken – dan zou ik natuurlijk tegen deze decreten hebben geprotesteerd en op dat moment mijn ontslag ingediend hebben.
Ik probeerde onmiddellijk deze studenten vrij te krijgen. Ik probeerde het bij Hitler persoonlijk en probeerde naar Himmler te gaan en langzaam aan werden de meesten vrijgelaten – ik meen 800 in totaal, de laatsten werden in de zomer van 1941 vrijgelaten.
Kort na dit incident, toen ik weer eens in Berlijn was, beklaagde ik mij bitter bij Hitler over zijn houding jegens mij. Voor zover ik me herinner ontweek hij een antwoord maar hij beloofde me dat de studenten spoedig zouden worden vrijgelaten en dat de Tsjechische universiteiten na een jaar zouden worden heropend. Hij hield zich aan geen van beide beloften.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou u het antwoord op vraag 21 van het verhoor op 18 mei 1946 van de raadsman van de Legatie von Holleben die destijds lid was van het bestuur van het Protektorat willen voorlezen. Deze ondervraging kan worden gevonden onder nummer 158 in mijn documentenboek 5. Het antwoord van de heer von Holleben luidt als volgt:
“De studentenopstanden van oktober en november 1939 vormden een keerpunt in de geschiedenis van het Protektorat. Ik kan u uit mijn hoofd geen chronologisch verslag verslag doen van de gebeurtenissen. Ik kan echter het volgende verklaren: De manifestaties door voornamelijk de academische jeugd die op 28 oktober 1939 in Praag en Brno plaatsvonden ter gelegenheid van de 20ste verjaardag van de Grondwet van de staat Tsjechoslowakije waren te verwachten. Daarom gaf de heer von Neurath, voorafgaand aan de 28ste opdracht die zo veel mogelijk gewoon te negeren en alleen op te treden wanneer ze uitgroeiden tot een ernstig gevaar voor openbare orde en veiligheid. Het niet opvolgen van dit bevel had het grootste gedeelte, zo niet de hele ramp tot gevolg.
Direct na de conferentie met Hitler keerde Frank naar Praag terug. Het bureau van de Reichsprotektor, die zelf nog in Berlijn was, had pas de volgende morgen informatie gekregen over de maatregelen die op 15 en 16 november tegen de studenten waren genomen, gedeeltelijk door de vele verzoeken die familieleden van de gearresteerde studenten deden aan het kantoor van de heer von Neurath. Naar mijn mening hoorde de heer von Neurath pas over de maatregelen tegen studenten nadat ze waren genomen. Zelf meldde ik deze kwestie niet aan hem en ik kan u niet vertellen wie dat wel deed. Het is mijn vaste overtuiging dat de betreffende proclamatie, gericht aan het Tsjechische volk, zonder medeweten van de heer von Neurath was uitgegeven en met misbruik van zijn naam. Ik herinner me heel goed dat hij hierover heftige discussies had met Frank. Destijds bleef hij in functie want hij geloofde dat hij door aan te blijven verdere rampen kon voorkomen. Hij vond de sluiting van de universiteiten een ongeoorloofde inbreuk op het leven van de Tsjechische bevolking. Hij probeerde met alle middelen die hem ter beschikking stonden de Tsjechische docenten en studenten van de universiteiten die naar Duitse concentratiekampen waren afgevoerd, vrij te krijgen en hen tot aan die vrijlating naar speciale afdelingen over te brengen.”
In dit verband zou ik ook bij het Tribunaal een beëdigde verklaring willen indienen die ik een paar dagen geleden heb ontvangen van de toenmalige secretaresse van de heer von Neurath, mevrouw Irene Friedrich. Die is gedateerd 6 juni 1946 en daaruit valt duidelijk op te maken dat toen deze aankondiging werd uitgegeven en gepubliceerd, de heer von Neurath nog niet uit Berlijn was teruggekeerd en dat het daarom onmogelijk was dat de heer von Neurath van deze proclamatie geweten kon hebben. Ik zou het Tribunaal willen verzoeken deze verklaring voor kennisgeving aan te nemen.
Ik zou ook willen verwijzen naar ......
De PRESIDENT: Wat is het nummer van die verklaring?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Nummer 159, Meneer de President. Ik zou verder willen verwijzen naar een document van de Tsjechische aanklager: Appendix 5 bij Supplement 1; een memorandum van de heer von Neurath gedateerd 26 maart 1940 dat al is ingediend. Dit handelt over het gesprek met President Hacha over de gearresteerde studenten en toont ook aan dat de heer von Neurath probeerde en bleef proberen deze studenten vrij te krijgen.
De PRESIDENT: Hebt u ons het nummer daarvan gegeven? U zei documentenboek 5.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Nee, dat is gevoegd bij het Tsjechische rapport, USSR-60 en het zit niet in mijn documentenboek. Ik verwees er alleen naar.
(tot de beklaagde): Afgezien van deze twee door de Führer bevolen acties, werden er tijdens uw zittingsperiode op redelijk grote schaal nog andere arrestaties gedaan ?
VON NEURATH: Nee, maar individuele arrestaties werden herhaaldelijk gedaan en ik kwam op voorstel van de Tsjechische regering of van privé personen voortdurend opnieuw tussenbeide om die te laten onderzoeken en misschien terug te draaien. Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou nu nog enkele zinnen willen voorlezen uit het document van de Tsjechische aanklager, USSR-60, te vinden op pagina 59 van de Engelse tekst:
“Direct na de bezetting voegden vertegenwoordigers van de “Sokol” (Valk) atletiek organisatie, die 1 miljoen leden had, zich bij een beweging voor de bevrijding van het land; deze omvatte de ondergrondse beweging in het thuisland en de beweging in het buitenland. Het idee achter de Sokol verenigde de leden van het leger in het buitenland en bood zelfs in de moeilijkste tijden kracht en enthousiasme. Dat gold nog sterker in eigen land. De Gestapo was zich van dat gevaar bewust en trad daarom met de grootst mogelijke strengheid op. In het begin waren hun maatregelen soepel maar toen zij zich de vastberadenheid van de Sokols realiseerden begonnen ze geweld te gebruiken. De eerste arrestaties vonden plaats op de dag van de bezetting van Tsjechoslowakije en verder een groter aantal arrestaties op 1 september 1939. Daarna volgden uitgebreide arrestaties van individuele personen en leden van organisaties.”
Wilt u hier alstublieft iets over zeggen?
VON NEURATH: De Sokol was de gevaarlijkste staatsvijandige organisatie binnen het Protektorat. De omvang van haar activiteiten blijken het duidelijkst uit de tekst van de Tsjechische aanklacht die zojuist is voorgelezen. Het sprak vanzelf dat dergelijk gekonkel niet kon worden geaccepteerd, zeker niet in tijd van oorlog en het verslag zelf omschrijft het eerste optreden van de politie als “nog gematigd.” Ik ben ervan overtuigd dat in geen enkel ander land dergelijke ondergrondse bewegingen anders zouden zijn behandeld. In dergelijke gevallen van zuiver hoogverraad of gevallen van sabotage kon ik onmogelijk bemiddelen voor de verantwoordelijke personen en bovendien begreep de Tsjechische regering dit heel goed.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Het Tsjechische rapport maakt verder melding van executies onder krijgstucht. Vonden dergelijke executies tijdens uw zittingsperiode plaats?
VON NEURATH: Nee, afgezien van het geval van de negen studenten dat al is genoemd wist ik niets van executies onder krijgstucht tijdens mijn zittingsperiode.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Probeerde Frank als staatssecretasris, naast zijn rampzalige optreden als HSSPF, zijn invloed aan te wenden op het beleid en het bestuur van het Protektorat en werkte u in dat opzicht nauw met hem samen?
VON NEURATH: Frank vertegenwoordigde éénzijdige, radicale Duitse belangen. Dat was de oude haat van de Sudeten-Duitsers jegens de Tsjechen. Ik probeerde herhaaldelijk die tendenzen te beperken maar als mijn vertegenwoordiger nam hij in de praktijk deel aan het algemene beleid en het bestuur.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat was uw persoonlijke relatie tot Frank?
VON NEURATH: Vanaf het prille begin was die slecht vanwege het feit dat hij zo radicaal was en buiten dat realiseerde ik me al gauw dat hij mij regelmatig de waarheid niet vertelde.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat was uw persoonlijke en officiële relatie tot President Hacha en tot de Tsjechische regering?
VON NEURATH: Over het algemeen goed. De Tsjechische regering van toen was ervan overtuigd dat mijn bedoelingen voor een eerlijke en rechtvaardige behandeling van de Tsjechen oprecht waren en dat ik alles deed wat in mijn macht lag om mijn plannen te verwezenlijken. Wat mijn persoonlijke relatie to President Hacha betreft, ik mag wel zover gaan door te zeggen dat die goed was. Ik probeerde meneer Hacha’s moeilijke taak altijd zoveel mogelijk te verlichten want ik wist dat ook hij, door zijn aanvaarden van de functie van President en door zijn aanblijven een groot persoonlijk offer bracht. Hij en de leden van de regering werden altijd uitgenodigd bij alle gelegenheden die geen zuiver Duits karakter droegen en werden met waardigheid en met in achtneming van hun rang behandeld.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wat was uw methode van werken in Praag? Was u geheel zelfstandig in uw werk of waren u en uw departement gebonden aan richtlijnen uit Berlijn?
VON NEURATH: Mijn antwoord in deze kwestie is nogal saai. De grondslagen van het beleid en het bestuur van de departementen werden in Berlijn bepaald voor zover zij het Protektorat betroffen, anders gezegd door Hitler zelf of zijn ministers. Mijn taak bestond uit het toezicht houden op de uitvoering en toepassing van deze principes voor zover die het Protektorat betroffen, altijd met in achtname van de bijzondere omstandigheden die ontstonden uit de ethische, culturele en economische structuur van het land. Ongetwijfeld, zeker in oorlogstijd kon het Protektorat dat midden in het Reich lag, niet als een onafhankelijke eenheid worden behandeld maar moest worden ingepast in het grote patroon. Zoals ik al heb gezegd, waren de diverse gebieden van mijn gezag vastgelegd door de centrale instellingen in Berlijn. De ambtenaren van deze afdelingen hadden daarom vanaf het begin bepaalde praktische banden met het eigen ministerie, hoewel ze later ondergeschikt waren aan mij. De afzonderlijke hoofden van de afdelingen kregen hun instructies met betrekking tot specifieke problemen rechtstreeks van de eigen ministeries in Berlijn. Daarna werden die richtlijnen overlegd aan onderstaatssecretaris von Burgsdorff die ook aan het hoofd van het bestuur stond of, wanneer het bijzonder principiële zaken betrof ook aan mij. De uitvoering van die maatregelen binnen het Protektorat werden op die manier besproken en vervolgens door de Tsjechische minister afgehandeld. Zo werden de besluiten en richtlijnen die door mij of mijn plaatsvervanger werden ondertekend vastgesteld. Vaak gingen deze over de invoering van wettelijke of bestuurlijke maatregelen die al in het Reich van kracht waren of die als nieuw in het Reich werden ingevoerd. Afgezien daarvan werd een aantal richtlijnen die voor het Protektorat golden rechtsteeks door de bevoegde ministeries in Berlijn uitgevaardigd. De Reichsinnenminister was aangewezen als het centrale punt voor het uitvaardigen van deze Rijksdecreten.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik willen verwijzen naar de volgende documenten in mijn documentenboek 5: Nummer 145, een decreet van de Führer en Reichskanzler betreffende het Protectoraat Bohemen en Moravië in aanvulling op het decreet van 22 maart 1939; nummer 146 van 28 maart 1939, uittreksels uit grondregels geldend voor het Protectoraat betreffende handelstransacties met het Protectoraat; nummer 147, een richtlijn van 14 april 1939 voor het toepassen van strafrecht in het Protectoraat; nummer 148, een decreet van 7 juni 1939 betreffende geschreven wetgeving in het Protectoraat en ik zou willen verwijzen naar een document dat al is ingediend, nummer 149 handelend over de bestuursstructuur en de Gestapo. In dit verband zou ik willen opmerken dat al deze decreten niet door de Reichsprotektor zijn getekend maar eerder door de bevoegde Rijksministers en soms ook door Reichsmarschall Göring als voorzitter van de Reichsverteidigungsrat. De wettelijke basis voor het gezag van de Protektor is het decreet van de Führer en Reichskanzler van 16 maart 1939 betreffende het Protectoraat Bohemen en Moravië, ondertekend door Hitler, Frick .....
De PRESIDENT: Zou u beklaagde willen vragen wat zijn belang was bij al deze decreten van de Reichsführer en die van beklaagde Göring?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Nee, Meneer de President, ik wilde aantonen dat hij niets met al die richtlijnen te maken had maar dat hij verplicht was ze uit te voeren. Volgens het decreet waardoor hij in functie kwam was het zijn plicht toezicht te houden op de maatregelen die uitgegeven werden door organen in het Reich. Dat was wat ik wilde bewijzen, dat al die decreten niet van hem afkomstig waren maar eerder van de Reichsführer.
De PRESIDENT: Is dat waar, beklaagde?
VON NEURATH: Ja, ik zou willen opmerken dat ik mij in hoofdzaak bezig hield met er voor te zorgen dat deze decreten naar behoren in het Protektorat werden gepubliceerd en dan mijn departementen toezicht liet houden op de uitvoering ervan.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Hoever reikte de onafhankeijkheid van het Protektorat bij al deze besluiten?
VON NEURATH: De mate van bevoegdheid was niet duidelijk omlijnd. In principe was het Protektorat onafhankelijk en het werd bestuurd door de eigen Tsjechische autoriteiten en ambtenaren. Maar in de loop van de tijd werden er aanzienlijke beperkingen opgelegd aan deze mate van onafhankelijkheid, zoals vastgelegd in de decreten die u zojuist hebt genoemd. Het opleggen van deze beperkingen werd door de Rijksregering als praktisch gezien en kwam gedeeltelijk voort uit algemene tendenzen in Berlijn naar centralisatie maar werd voor een groot deel ook genoodzaakt door de algemene politieke ontwikkeling gezien de oorlog en gezien de zogenaamde totalisering van de oorlogsinspannig. Ik protesteerde voortdurend tegen deze beperkingen voor zover die naar mijn mening niet overeen kwamen met de vitale belangen van het Protektorat en die van de bevolking.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, in dit verband zou ik willen verwijzen naar Artikel 3 van het decreet dat al is genoemd, een decreet uitgevaardigd door de Führer en Reichskanzler betreffende het Protectoraat Bohemen en Moravië; nummer 144 in mijn documentenboek 5. Dit luidt:
“1) Het Protectoraat Bohemen en Moravië is autonoom en bestuurt zichzelf.
“2) Haar onafhankelijke rechten als Protectoraat worden uitgeoefend op basis van de politieke, militaire en economische belangen van het Reich.
“3) Deze onafhankelijke rechten worden gehandhaafd door haar eigen organisaties, haar eigen autoriteiten en door haar eigen ambtenaren.
(tot de beklaagde): Hoe stond het met de strijdkrachten in het Protektorat? Had u daar bindingen mee?
VON NEURATH: Nee, die waren ondergeschikt aan een bijzondere gevolmachtigde voor de strijdkrachten die mij op de hoogte moest houden van algemene militaire kwesties.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou nu willen overgaan op bijzondere punten die in het Tsjechische rapport, USSR-60 worden genoemd en waarvan u wordt beschuldigd:
Tot op welke hoogte was u bevoegd voor het toepassen van strafrecht in het Protektorat? In het bijzonder, moest u doodstraffen tegen Tsjechen bekrachtigen?
VON NEURATH: De strafrechtsspraak van de Duitse rechtbanken viel onder het gezag van het Ministerie van Justitie in Berlijn. De Tsjechische rechtbanken vielen helemaal niet onder mijn gezag. Ik hield me alleen bezig met besluiten in gevallen van gratieverzoeken tegen vonnissen van Duitse rechtbanken in het Protektorat die mij werden voorgelegd door de President van het Oberlandesgericht.
Deze konden in bijzondere gevallen ook voor Tsjechen gelden. Het ging hier echter niet om politieke misdaden. Politieke processen tegen Tsjechen werden voor zover ik me herinner voor het Volksgerichtshof in Berlijn gevoerd, voor zover het ging om hoogverraad. Voor zover ik weet werden in deze processen tegen Tsjechen dezelfde grondregels gehanteerd die voor Duitsers golden.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Had u het recht gratie te verlenen wanneer het Volksgerichtshof vonnissen tegen Tsjechen uitsprak?
VON NEURATH: Nee, ik had geen mogelijkheid invloed uit te oefenen en ik had niet het recht om gratie te verlenen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Wist u in uw tijd iets over de activiteiten van bijzondere rechtbanken in het Protektorat?
VON NEURATH: Nee, ik kan me niet herinneren dat er in de tijd dat ik er was bijzondere rechtbanken actief waren. Naar mijn mening kon dit alleen maar gelden voor Duitse rechtbanken bij het vervolgen van bijzondere misdaden, bijvoorbeeld overtredingen van radioregels; dergelijke rechtbanken werden in het begin van de oorlog in het Reich ingesteld. Deze hoven vielen echter niet onder mijn gezag maar waren direct ondergeschikt aan de Reichsjustizminister. Hij benoemde de rechters, gaf ze hun instructies en de rechters rapporteerden rechtstreeks aan hem. Ik had op geen enkele manier de mogelijkheid om invloed uit te oefenen.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Met betrekking tot de activiteiten van deze bijzondere rechtbanken zou ik een zin willen citeren uit het Tsjechische verslag, USSR-60. Die staat op pagina 106 van de Duitse tekst en op pagina 92 van de Engelse. Die handelt over orders en decreten die door deze bijzondere rechtbanken moesten worden toegepast. Ik citeer:
“Een groot deel van deze orders en decreten zijn een schending van principes die in alle beschaafde landen als onschendbaar worden beschouwd.”
Is dat verslag juist?
VON NEURATH: Ja, in dit geval ben ik het volkomen met het rapport van de Tsjechische aanklager eens. Maar ik zou me kunnen voorstellen dat door de laatste ontwikkelingen deze principes aanzienlijk zijn afgezwakt, zelfs bij beschaafde volkeren.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Ik zou nu iets willen weten over de veronderstelde plannen voor de germanisering van gebieden in het Protektorat die door Tsjechen werden bewoond. U zei eerder dat u toen u uw functie aanvaardde, niets van deze plannen wist. Wie onthulde later het patroon van deze plannen aan u?
VON NEURATH: Deze plannen waren voor een deel afkomstig uit Sudeten-Duitse kringen, maar konden in het algemeen worden teruggevoerd op de organisaties van Himmler en voor een deel ook op voorstellen van de Gauleiter van Beneden-Donau.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Met betrekking tot dit probleem van veronderstelde pogingen tot germanisering zou ik u een verslag willen voorlezen van het OKW, gedateerd 15 oktober 1940 door de Algemeen Gevolmachtigde voor de Strijdkrachten in het Protektorat, Generaal Friderici. Dit is het document dat door de Aanklager is ingediend onder nummer 862-PS, bewijsstuk USA-313 en het gaat over verklaringen die staatssecretaris Frank heeft gedaan in officiële gesprekken met uw departement betreffende het basisbeleid dat in het Protektorat wordt gevoerd. In dit gesprek noemt Frank een memorandum waarin de Reichsprotektor na zorgvuldig onderzoek zijn houding heeft bepaald ten opzichte van de diverse plannen van de verschillende departementen. Hij noemt drie mogelijkheden voor de oplossing van de kwestie van de mogelijke germanisering van het Tsjechische gebied. U kent dit document waarschijnlijk en ik geloof niet dat ik het hoef voor te lezen. Wat weet u over dit memorandum? Hebt u het zelf opgesteld? Vertelt u ons wat u erover te zeggen hebt.
VON NEURATH: Het memorandum verwijst naar de voorstellen die ik net heb genoemd namens de diverse Partij organen voor de mogelijke herhuisvesting van de Tsjechen. Vanaf het begin maakte ik bezwaar tegen dit plan omdat het volkomen absurd was en onmogelijk uitvoerbaar. Frank, die het op dit punt met mij eens was, stelde daarom op mijn aanwijzingen dit memorandum op dat u net hebt genoemd en waarin de radicale maatregelen van de SS en de Partij worden afgewezen en waarin de zogenaamde geleidelijke gewenning wordt beschouwd als de enige mogelijke oplossing voor dit probleem. Op deze manier probeerde ik de kwestie uit te stellen en de plannen van de SS te dwarsbomen. Omdat deze plannen voor herhuisvesting al door Himmler aan de Führer waren voorgelegd, eiste ik van de laatste een nogal dringend decreet om die de kop in te drukken. Om tactische redenen moest ik echter een soort voorstel doen: vanwege het beleid van assimillatie met dit voorstel de kwestie in feite uitstellen. Om tegenmaatregelen door de SS en Himmler te voorkomen bracht ik persoonlijk over deze kwestie verslag uit aan de Führer en vroeg hem een streng decreet uit te vaardigen, wat hij ook deed. Op die manier werd de kwestie begraven en er werd ook niet meer op terug gekomen. De zin in het memorandum die luidt: “......De germanisering moet gedurende een aantal jaren door het departement van de Reichsprotektor worden uitgevoerd.....” betekent in het bijzonder dat de SS zich niet langer in deze kwestie kon mengen. Alleeen de Reichsprotektor zou de bevoegde autoriteit zijn en de Reichsprotektor deed niets. Bovendien toont de verklaring van Generaal Friderici hetzelfde aandie net zo tegen deze radicale fantasie was en die luidde: “....voor zover het de strijdkrachten betreft, dit geen belangrijke gevolgen zou heben omdat hij dit concept al heeft aanvaard.” Wanneer na dit rapport Frank zei dat “......de elementen die de voorgenomen germanisering tegenwerken grof zouden moeten worden behandeld en geëlimineerd .....” dan waren dat slechts zijn woorden en het soort taal dat in dergelijke toespraken werd gebruikt. In werkelijkheid werd er, zoals ik heb gezegd niets verder gedaan aan de assimilatie van de bevolking.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, ik vraag nu uw toestemming een paar zinnen te citeren uit de verklaring die wij hebben genoemd en die werd afgelgd door Barones Ritter, nummer 3 in mijn documentenboek 1. Ze staan op pagina 187. Er staat hier:
“Met betrekking tot de plannen voor germanisering, anders gezegd de geleidelijke assimilatie van de Tsjechische bevolking, stelde Von Neurath in een brief het volgende: Geheel afgezien van het redelijke roepen de mensen die eenvoudigweg worden geherhuisvest alleen maar medelijden op. Ik geloof echter dat ik nu een manier heb gevonden om de ramp te voorkomen. Gewonnen tijd is alles en vaak betekent uitstel ook afstel.”
Meneer de President, als het mij wordt toegestaan een voorstel te doen, zou ik willen verzoeken nu te stoppen omdat de kwestie van de germanisering nu is afgehandeld.
De PRESIDENT: Hoe lang denkt u nog nodig te hebben? U bent al anderhalve dag bezig.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Meneer de President, de Aanklacht die in het Tsjechische rapport staat is niet goed onderbouwd en niet erg concreet zodat ik ieder afzonderlijk punt daarin moet noemen. Ik heb nog ongeveer 20 vragen.
De PRESIDENT: Hoe lang denkt u dat dat nog zal duren?
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Een uur.
De PRESIDENT: Nou, het Tribunaal verwacht van u dat u met een uur klaar zult zijn.
Dr. VON LÜDINGHAUSEN: Dat hoop ik, Meneer de President.
De PRESIDENT: De zitting wordt nu geschorst.
(het Tribunaal wordt verdaagd tot 25 juni 1946 om 10:00 uur.)

Zie ook: Verhoor Von Neurath 1, Slotverklaring Von Neurath, Vonnis Von Neurath.

Definitielijst

Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
ideologie
Het geheel van beginselen en ideeën van een bepaald stelsel.
Nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
SIPO
Sicherheitspolizei. Samenvoegingsverband (sinds 1936) van de Gestapo en Kriminalpolizei
Sudeten-Duitsers
Naam voor de ruim drie miljoen Duitsers die tot 1945 het grensgebied van Tsjechoslowakije bewoonden.
USSR
Unie van Socialistische Sovjet Republieken, ook wel Sovjet-Unie genoemd. Federatie van republieken tijdens de communistische periode van Rusland.

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
25-12-2009
Laatst gewijzigd:
09-01-2019
Feedback?
Stuur het in!

Gerelateerde thema's

Gerelateerde personen

Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg 1947