De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Vooroorlogse jaren

    Inleiding

    Eén van de meest opmerkelijke Duitse verzetsmensen is de protestantse mijnbouwkundige Kurt Gerstein. Als SS-officier was hij medeverantwoordelijk voor de levering van Zyklon-B aan Auschwitz. In vernietigingskamp Belzec was hij er getuige van hoe honderden Joden vergast werden. Geschokt door wat hij toen zag, zocht hij contact met vertegenwoordigers van neutrale landen, de katholieke en protestantse kerk en het Nederlandse verzet. Hij hoopte dat zijn getuigenis wereldwijd openbaar gemaakt zou worden en dat wereldleiders, waaronder de paus, zich zouden uitspreken tegen de genocide. Maar in plaats daarvan stuitte hij op ongeloof en onverschilligheid.

    Dit artikel is een samenvatting van het boek 'De boodschapper uit de hel' van dezelfde auteur.

    Jeugd- en studiejaren

    Kurt Gerstein werd op 11 augustus 1905 in Münster in Westfalen geboren. Zijn vader, Ludwig Gerstein, was rechter en kwam uit een gerespecteerde Lutherse familie van artsen, juristen en ondernemers. Samen met zijn vrouw, Clara Gerstein Schmemann, kreeg hij zeven kinderen, waarvan Kurt de zesde was. Kurt was geen makkelijke leerling; hij haalde slechte cijfers, spijbelde en was een grappenmaker in de klas. Ook thuis was hij niet makkelijk en gold hij als het zwarte schaap. Opvallend genoeg zocht juist deze opstandige jongeman toenadering tot het christendom en groeide hij uit tot inspirerend jeugdleider in de protestantse jeugdbeweging.

    De opmars van de NSDAP ging niet aan de Gersteins voorbij. Ludwig Gerstein liet zijn zoons op 1 mei 1933 lid worden van de partij. Kurt werd vijf maanden later ook lid van de Sturmabteilung (SA). Kort na de machtsovername leek hij ervan overtuigd te zijn dat hij zijn geloof kon verenigen met loyaliteit aan de partij. Daar kwam verandering in toen de nazi’s een steeds meer antikerkelijk beleid gingen voeren. Hij protesteerde tevergeefs tegen de opname van protestantse jeugdorganisaties in de Hitlerjugend. Tot een openlijke confrontatie tussen Gerstein en nationaalsocialisten kwam het op 30 januari 1935 in het stadtheater van Hagen waar het antichristelijke theaterstuk Wittekind opgevoerd werd. Toen één van de toneelspelers zich in negatieve woorden uitsprak over Christus uitte hij luidkeels zijn protest, waarna partijleden hem een "behoorlijk pak slaag" gaven.

    Conflicten met het regime

    Intussen was Gerstein in juni 1931 afgestudeerd als ingenieur. Hij studeerde verder om in november 1935 een nog hogere graad in de mijnbouwkunde (Bergassessor) te behalen. Diezelfde maand verloofde hij zich in Berlijn met domineesdochter Elfriede Bensch met wie hij in 1937 zou trouwen. In 1936 trad hij in dienst als rijksambtenaar bij de Saarmijnen. Daar zou hij slechts enkele maanden werken, want op 24 september 1936 werd hij in Saarbrücken gearresteerd door de Gestapo. Hij was aangegeven bij de beruchte geheime politiedienst nadat hij een grap op zijn werk had uitgehaald met de uitnodigingen voor een bijeenkomst van de Vereniging van Duitse Mijnwerkers. De tekst bevatte enkele satirische opmerkingen die beledigend opgevat konden worden door partijleden. Bij een huiszoeking in zijn woning werden brieven en christelijke regime-kritische pamfletten aangetroffen die Gerstein had willen verspreiden onder medewerkers van justitie en ministeries. Hij zat zes maanden gevangen, verloor zijn baan bij de Saarmijnen en werd oneervol uit de NSDAP gezet.

    Al vlot na zijn vrijlating probeerde Gerstein gerehabiliteerd te worden in de partij. Zijn eerste poging was tevergeefs en nu hij werkloos was, begon hij in december 1936 een studie medicijnen aan het Deutsches Institut für Ärtzliche Mission in Tübingen. Daar kwam hij in aanraking met een groep Duits-nationalistische Hitler-opponenten, wat hem opnieuw problemen opleverde met de autoriteiten. In mei 1937 kreeg hij een spreekverbod voor het hele rijksgebied en ongeveer een jaar later werden hij en andere leden van de groep gearresteerd. Op 14 juli 1938 werd Gerstein gevangen gezet in kamp Welzheim, waar hij zes en een halve week vastzat. Dankzij hulp van een protestantse Gestapo-medewerker werd Gerstein op 28 augustus 1938 vrijgelaten uit het kamp. Murw geslagen gedurende zijn gevangenschap onthield hij zich voorlopig van oppositionele activiteiten.

    Geholpen door zijn vader probeerde Gerstein zich opnieuw te rehabiliteren in de partij. In augustus 1940 bezocht hij het Braune Haus, het partijhoofdkwartier van de nazi’s in München, waar hij te horen kreeg dat enkel Hitler zelf over volledige rehabilitatie besluiten kon, maar dat die op dat moment geen verzoeken in behandeling nam. Een ambtenaar van het hoogste partijgerechtshof gaf aan dat Gerstein om zijn zaak geloofwaardiger te maken zich moest bewijzen als een ware nationaalsocialist. Een mogelijkheid daartoe was om toe te treden tot de Schutzstaffel (SS). Lidmaatschap van de NSDAP was geen vereiste om lid te worden. Waarschijnlijk datzelfde jaar nog (1940) meldde hij zich als vrijwilliger.

    Definitielijst

    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.
    Sturmabteilung
    Semi-militaire afdeling van de NSDAP. Opgericht in 1922 ter beveiliging van bijeenkomsten en leiders van de NSDAP. Hun toenemende macht werd gebroken tijdens de "Nacht van de Lange messen" (29-30 juni 1934).
    vernietigingskamp
    Kamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog grote groepen mensen (voornamelijk Joden en zigeuners) door de SS werden geliquideerd door middel van vergassing. Auschwitz, Treblinka en Majdanek zijn drie voorbeelden van vernietigingskampen.
    Zyklon-B
    Het gifgas dat in de Duitse vernietigingskampen systematisch werd toegepast om voornamelijk joden te vermoorden.

    Afbeeldingen

    Kurt Gerstein in het begin van zijn carrière in de SS. Bron: Publiek domein.
    Huwelijk van Kurt en Elfriede Gerstein, november 1937. Bron: Berlin Lexikon.

    Nazi en verzetsman

    Aansluiting bij de SS

    In het voorjaar van 1941 trad Kurt Gerstein in dienst van de Waffen-SS. Zelf beweerde hij dat zijn lidmaatschap een weloverwogen daad van verzet was. Hij wilde van binnenuit meer te weten komen over de activiteiten van de SS. Mede bepalend voor zijn indiensttreding was volgens hem de dood van zijn geesteszieke schoonzus Bertha Ebeling in de psychiatrische inrichting in Hadamar. Ze was het slachtoffer geworden van het geheime nazi-euthanasieprogramma dat in het Rijk tussen oktober 1939 en augustus 1941 het leven kostte van 80.000 of meer geestelijk gehandicapten. Zijn aanmelding bij de SS vond in werkelijkheid echter al plaats voordat hij wist van haar dood in het begin van 1941.

    Van maart tot juni 1941 volgde Gerstein een militaire basisopleiding in Hamburg-Langenhorn, Arnhem en Oranienburg. In de tijd dat hij in Arnhem verbleef, bezocht hij regelmatig een oude vriend, de Nederlandse ingenieur Herman Ubbink met wie hij eind jaren ’20 in de christelijke studentenvereniging in Aken had gezeten. Hij bleek zijn kritiek op de nazi’s niet volledig ingeslikt te hebben. “Onze gesprekken hadden als onderwerp de oorlog en het nationaalsocialisme”, aldus Ubbink. “Daarbij toonde hij zich als een zeer grote tegenstander van het nationaalsocialisme.”

    Gerstein sloot zijn trainingsperiode met succes af. Vanwege zijn gecombineerde technische en medische kennis werd hij in juni 1941 overgeplaatst naar het Hygiene-Institut der Waffen-SS. Het instituut hield zich onder meer bezig met onderzoek op het gebied van chemie, parasitologie, bacteriologie en waterhygiëne. Binnen het instituut werkte hij persoonlijk aan twee succesvolle projecten ter verbetering van de hygiëne aan het front: een mobiele ontluizingsinstallatie voor uniformen en ander wasgoed en een mobiele installatie voor het filteren en desinfecteren van water. Zijn superieuren waren tevreden met Gerstein en in november 1941 werd hij bevorderd tot SS-Untersturmführer.

    In januari 1942 werd Gerstein benoemd tot chef van de door hemzelf ontwikkelde afdeling Gesundheitstechnik, waar hij onder meer verantwoordelijk was voor het desinfecteren met hooggiftige gassen. Het was die verantwoordelijkheid die hem in aanraking bracht met de uitroeiing van de Joden in de vernietigingskampen in Polen. Volgens Gerstein begon het met een bezoek van SS-Sturmbannführer Rolf Günther op 8 juni 1942. Deze was de plaatsvervanger van Adolf Eichmann, de leider van de afdeling binnen het Reichssicherheitshauptamt die zich bezighield met de coördinatie van de deportaties van de Europese Joden naar de vernietigingskampen. “Hij [Günther] gaf mij de opdracht om meteen een uiterst geheime rijksbestelling van 100 kg blauwzuur te leveren”, zo beweerde Gerstein, “en deze met een auto te brengen naar een onbekende locatie, die alleen bekend was bij de bestuurder van de auto.” Enkele weken na het bezoek van Günther, in augustus 1942, vertrok Gerstein op zijn speciale missie. Gersteins reisgenoot was SS-Obersturmbannführer Wilhelm Pfannenstiel, een professor in hygiënekunde en bacteriologie.

    Belzec

    Voordat het tweetal het geheime reisdoel Belzec bezocht, werden twee andere locaties aangedaan. Eerst moest er een voorraad Zyklon-B, dat geleverd werd in verzegelde blikken, opgehaald worden in Kolin, vlakbij Praag. Kaliwerke Kolin A.G. was één van de producenten van dit gifgas dat in Auschwitz en Majdanek gebruikt werd om Joden te vergassen. Dat Zyklon-B gebruikt werd voor het doden van mensen was al bij Gerstein bekend, want hij schreef aan het eind van de oorlog in een rapport dat hij “in de fabriek opzettelijk [had] laten doorschemeren dat het zuur voor het doden van mensen bedoeld was.”

    Na het bezoek aan de fabriek was Lublin in het oosten van het Generalgouvernement het volgende reisdoel. Daar ontmoetten ze SS-Brigadeführer Odilo Globocnik, wiens hoofdkwartier als SS- und Polizeiführer van het Lublin-district in de stad gevestigd was. Hij voerde de leiding over Aktion Reinhard, de uitroeiing van de Joden in het Generalgouvernement. Globocnik vertelde Gerstein over de gaskamers van de vernietigingskampen Belzec, Sobibor en Treblinka waar de Joden in gaskamers werden gedood door middel van koolmonoxide uit het uitlaatgas van motoren. Door Gerstein moest onderzocht worden of daarvoor in de plaats Zyklon-B gebruikt kon worden. Na het bezoek aan Globocnik reisden Gerstein en Pfannenstiel naar Belzec, waar ze het vernietigingsproces in de praktijk zouden zien.

    Nadat in februari 1942 enkele kleine transporten met Joden waren gebruikt om te experimenteren met de efficiency en de capaciteit van de gaskamers, was Belzec sinds 17 maart officieel operationeel. Van midden maart tot midden juni 1942 werden er al circa 93.000 Joden omgebracht. De eerste commandant van het kamp was SS-Hauptsturmführer Christian Wirth. Op de tweede dag van hun bezoek aan Belzec maakten Gerstein en Pfannenstiel kennis met hem. Wirth toonde hen hoe die ochtend een transport met Joden in het kamp “verwerkt” werd. Volgens Gerstein betrof het een trein vanuit Lemberg, bestaande uit 45 wagons met 6.700 mensen, waarvan er 1.450 bij aankomst al dood waren. De vergassing duurde langer dan gebruikelijk, omdat de motor die de uitlaatgassen produceerde weigerde. Volgens Gerstein duurde het bijna 3 uur voordat die werkte en daarna was nog ongeveer een half uur nodig voordat alle mensen gedood waren.

    Ondanks dat Gerstein er toevallig getuige van was dat de vergassing vanwege het tijdelijke disfunctioneren van de motor niet probleemloos verliep, werden er geen veranderingen doorgevoerd in het vernietigingskamp. Wirth weigerde over te gaan op het gebruik van Zyklon-B.

    Gersteins missie

    Gerstein was geschokt door de massamoord waar hij in Belzec getuige van was geweest. Op de terugweg van Polen naar Duitsland ontmoette hij in de sneltrein van Warschau naar Berlijn baron Göran von Otter, de secretaris van het Zweedse gezantschap in Berlijn. Gerstein klampte de diplomaat aan en vertelde hem over datgene wat hij gezien had. Hij hoopte dat Von Otter ervoor kon zorgen dat zijn informatie over de vernietigingskampen, via Zweden, de westelijke geallieerden zou bereiken. De geallieerden konden dan pamfletten boven Duitsland uitstrooien, zodat de hele moordoperatie bekend zou worden onder het Duitse volk, dat vervolgens ertegen in verweer kon komen. Gerstein hoopte dat de nazi-regering dan gedwongen was de uitroeiing te stoppen.

    De Zweedse diplomaat stelde een uitvoerig verslag op van zijn gesprek met Gerstein in de trein, dat hij doorgaf aan het gezantschap. Zweden deed echter niets met het rapport en gaf het niet door aan de geallieerden; men was bang om de verhoudingen met Duitsland te schaden. Het land was officieel neutraal, maar als gevolg van de Britse zeeblokkade was het voor de toelevering van noodzakelijke goederen afhankelijk van Duitsland. Behalve via de Zweedse ambassade, zocht Gerstein tal van ingangen om zijn bericht naar de westelijke geallieerden over te brengen. Zo kwam hij in juni 1944 in contact met de persattaché van de Zwitserse ambassade in Berlijn, Paul Hochstrasser, maar ook Zwitserland wilde Duitsland niet provoceren. De Zwitserse neutraliteit werd belangrijker gevonden dan het lot van de Joden.

    Kurt Gerstein zocht ook toenadering tot de rooms-katholieke kerk om de paus aan te zetten tot een publieke veroordeling van de uitroeiing van de Joden. Al snel na zijn bezoek aan de vernietigingskampen probeerde hij in contact te komen met de apostolische nuntius, de vertegenwoordiger van het Vaticaan in Duitsland. Toen hij langsging bij de nuntiatuur in Berlijn werd elk onderhoud met hem afgewezen en werd hem dringend verzocht om de pauselijke ambassade te verlaten. Ook de leiding van de katholieke kerk in Duitsland en het Vaticaan wilden hun verhouding met nazi-Duitsland niet op het spel zetten.

    Nederlandse verzet

    Toen Gerstein in februari 1943 in Duitsland bezoek kreeg van de Nederlander Herman Ubbink zag hij een nieuwe kans om zijn boodschap te verspreiden. Ubbink was de vriend uit de christelijke jeugdbeweging in Aken met wie Gerstein gedurende zijn opleiding voor de SS in Arnhem meerdere keren gesproken had over hun gedeelde afkeer van het naziregime. Gerstein vroeg hem of hij zijn getuigenis door kon geven aan Engeland. Ubbink stemde toe. Hij lichtte een verzetsman in die hij enkel kende onder de schuilnaam Cor. Diens echte naam was Cornelis van der Hooft. Hij was medewerker van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en was actief voor de verzetskranten Vrij Nederland en Trouw. De verzetsman stelde op 25 maart 1943 aan de hand van Gersteins getuigenis een rapport samen, dat hij voorzag van de titel Tötungsanstalten in Polen. Het bericht werd in Nederland nimmer gepubliceerd door de illegale pers, vermoedelijk omdat het niet geloofd werd.

    Een kopie van Gersteins bericht werd door het Nederlandse verzet overgebracht naar Londen. Op 24 april 1943 werd het door de Nederlandse regering in Londen ontvangen. Het duurde tot 16 augustus 1943 voordat minister-president Pieter Gerbrandy de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) de opdracht gaf het door te spelen aan het Inter-Allied Information Committee, het officiële publiciteitsorgaan van de ministeries van Informatie van de geallieerde regeringen in Londen. Ondanks herhaaldelijke aanmaningen van Gerbrandy heeft het comité het verslag waarschijnlijk nooit ontvangen. Gersteins verslag bleef in de Londense archieven liggen, waar het pas in 1992 werd teruggevonden.

    Zyklon-B

    In dezelfde periode dat Gerstein de wereld tevergeefs probeerde aan te zetten om in verzet te komen tegen de uitroeiing van de Joden, werkte hij paradoxaal genoeg zelf mee aan dit vernietigingsprogramma. Hij voerde technische onderhandelingen met de distributeur van Zyklon-B en bestelde persoonlijk een grote hoeveelheid van dit gifgas. Op 20 april in datzelfde jaar werd hij benoemd tot SS-Obersturmführer. Intussen was hij ook onderscheiden met het Kriegsverdienstkreuz 2.Klasse mit Schwertern.

    Over Gersteins precieze activiteiten van 1942 tot 1945 is weinig bekend. Zelf gaf hij later aan dat hij in die periode meerdere concentratiekampen bezocht, waaronder Mauthausen en Auschwitz-Birkenau. Ook zou hij getuige zijn geweest van experimenten op menselijke proefpersonen in vrouwenconcentratiekamp Ravensbrück en was hij ervan op de hoogte dat ook in Buchenwald zulke experimenten plaatsvonden. Meest omstreden is echter zijn betrokkenheid bij de levering van Zyklon-B aan concentratiekampen. Ondanks dat in naoorlogse rechtszaken uitvoerig werd onderzocht of de door Gerstein bestelde hoeveelheid Zyklon-B gebruikt is om mensen te doden, kon daarop geen concreet antwoord gegeven worden.

    Definitielijst

    geallieerden
    Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
    Generalgouvernement
    Dat deel van het Poolse gebied dat sinds september 1939 door de Duitsers was bezet. Was een autonoom deel van Grossdeutschland. In augustus 1941 werd Oost-Galicië aan het Generalgouvernement toegevoegd. Het werd door uitsluitend Duitsers bestuurd onder leiding van Generalgouverneur Hans Frank. Het zou uiteindelijk een volwaardige Duitse provincie moeten worden bevolkt door Duitse kolonisten.
    Mauthausen
    Plaats in Oostenrijk waar de nazi’s van 1938 tot 1945 een concentratiekamp gevestigd hadden.
    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.
    neutraliteit
    Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
    vernietigingskamp
    Kamp waar tijdens de Tweede Wereldoorlog grote groepen mensen (voornamelijk Joden en zigeuners) door de SS werden geliquideerd door middel van vergassing. Auschwitz, Treblinka en Majdanek zijn drie voorbeelden van vernietigingskampen.
    Zyklon-B
    Het gifgas dat in de Duitse vernietigingskampen systematisch werd toegepast om voornamelijk joden te vermoorden.

    Afbeeldingen

    Kurt Gerstein in het uniform van de SS. Bron: Landeskirchliche Archiv der Evangelischen Kirche von Westfalen.
    Rookwolken afkomstig van het crematorium van de euthanasie-instelling in Hadamar. Bron: Holocaust Education & Archive Research Team.
    Blikken Zyklon-B, zoals die door Gerstein opgehaald werden in Kolin, vlakbij Praag. Bron: Michael Hanke.
    Christian Wirth, de commandant van Belzec die Gerstein toonde hoe het vernietigingsproces in zijn werking ging. Bron: Yad Vashem.
    Cornelis van der Hooft, de Nederlandse verzetsman die aan de hand van Gersteins getuigenis een rapport opstelde van de vernietigingskampen in Duitsland. Bron: BeeldbankWO2.

    Overlijden en postume erkenning

    In geallieerde handen

    Het besef van de misdaden die werden gepleegd door de organisatie waarin hij zelf actief was en het mislukken van zijn pogingen de wereld hierover te waarschuwen, hadden een grote invloed op de gemoedstoestand van Gerstein. Zowel in het voorjaar als in de herfst van 1944 werd hij opgenomen in een ziekenhuis, vermoedelijk vanwege gezondheidsklachten in relatie tot zijn suikerziekte. Terwijl hij gekweld werd door het schuldgevoel waren het vermoedelijk zijn geloof en de wil om na de oorlog getuigenis af te leggen die hem op de been hielden.

    In de tweede helft van maart 1945 verliet Gerstein Berlijn. Na kortstondig bij zijn gezin in Tübingen verbleven te hebben, meldde hij zich op 22 april 1945 bij het Franse leger in Reutlingen. Gerstein werd kort daarna door de Franse commandant in Reutlingen naar het zuidelijker gelegen Rottweil am Neckar gestuurd. Hij kreeg een verklaring mee met daarop de volgende tekst: "De bezitter van deze verklaring is geen echte SS’er en mag niet als zodanig behandeld worden, maar met alle tegemoetkomingen." In Rottweil werd hij ondergebracht in hotel Mohren. Hier schreef hij in het Frans een rapport over de massamoord in Belzec, dat hij later vertaalde.

    Gevangenschap

    In mei verzocht Gerstein de geallieerde autoriteiten om terug te mogen keren naar zijn familie in Tübingen. Zover zou het niet komen, want op 26 mei 1945 werd hij in Rottweil door twee officieren van de Franse inlichtingendienst opgehaald. Zij brachten hem naar Konstanz, gelegen aan de Zwitserse grens. Daarvandaan werd hij begin juni overgebracht naar Parijs, dat al sinds augustus 1944 bevrijd was. Ongeveer een maand lang werd hij in de Franse hoofdstad vastgehouden in een gebouw aan de Rue de Villejust, dat de Franse inlichtingendienst toebehoorde. Hij werd meerdere keren verhoord. Gerstein werd niet langer beschouwd als een belangrijke getuige; er werd integendeel overwogen hem als verdachte van oorlogsmisdaden te vervolgen. Gerstein werd op 5 juli overgebracht naar de Parijse militaire gevangenis Cherche-Midi. Er werd een onderzoek naar hem geopend "wegens moord en medeplichtigheid aan moord".

    In de namiddag van 25 juli 1945 werd Gerstein dood in zijn cel aangetroffen. Volgens de officiële versie kwam Kurt Gerstein om door zelfmoord. Er zijn echter ook mensen, waaronder zijn eigen vrouw, die niet geloofden dat hij zelfmoord gepleegd heeft. Ze zijn ervan overtuigd dat hij vermoord is door zijn bewakers of door Duitse medegevangenen die wilden voorkomen dat hij zou spreken over de nazimisdaden. Concreet bewijs hiervoor ontbreekt evenwel. Waarschijnlijk had hij in de eenzaamheid van zijn cel alle hoop verloren, al zijn inspanningen waren voor niets geweest; zelfmoord leek de enige uitweg.

    Oorlogsmisdadiger

    Na zijn dood werd het lichaam van Kurt Gerstein op 3 augustus 1945 begraven op de begraafplaats van de gemeente Thiais vlakbij Parijs. Tot aan de jaren zestig was in het naoorlogse Duitsland vrijwel niemand geïnteresseerd in het lot en de verzetsactiviteiten van Gerstein. Ook de Duitse overheid betoonde weinig waardering voor Gersteins verzetsactiviteiten. Toen zijn vrouw in oktober 1949 haar pensioen aanvroeg, rees de vraag of de weduwe van een voormalig partijlid en SS-officier daar wel voor in aanmerking mocht komen. De rol van haar man werd daarom in 1950 onderzocht door het denazificatietribunaal in Tübingen. Kurt Gerstein werd op 16 november 1950 postuum veroordeeld tot Belastete, de op één na zwaarste categorie waarin Duitsers ingedeeld konden worden door een denazificatietribunaal. De rechtbank kende groot gewicht toe aan Gersteins betrokkenheid bij de levering van Zyklon-B aan Auschwitz.

    Elfriede Gerstein had als gevolg van deze uitspraak geen recht op een pensioen, maar veel erger vond ze het dat haar man beschouwd werd als een oorlogsmisdadiger. Ze tekende beroep aan, maar de hogere rechtbank kwam tot hetzelfde vonnis: het bestellen van Zyklon-B bij Degesch maakte Gerstein medeschuldig aan moord, omdat hij wist waarvoor het gas gebruikt werd. Elfriede liet de zaak enkele jaren rusten, maar in de zomer van 1954 diende ze een verzoek tot gratie voor haar man in bij de minister-president van Baden-Württemberg. Dat werd afgewezen, maar wel werd besloten dat de familie Gerstein niet langer hoefde op te draaien voor de proceskosten.

    Rehabilitatie

    Intussen was in 1953 Gersteins getuigenis van de vergassing in Belzec voor het eerst in Duitsland gepubliceerd door de historicus Hans Rothfels. Hij beschreef Gerstein als een consequente verzetsstrijder die "ondanks zijn vroegere partijlidmaatschap een hartstochtelijke, ethisch-religieuze en uitdrukkelijke tegenstander van de nationaalsocialistische kerken- en rassenpolitiek" geweest was. Van grote invloed op Gersteins bekendheid was het toneelstuk Der Stellvertreter uit 1963 van Rolf Hochhuth. Het was uitgesproken kritisch over het handelen van paus Pius XII tijdens de oorlog en riep de vraag op waarom hij niets gedaan heeft om de deportaties naar de vernietigingskampen te doen stoppen. In het sterk geromantiseerde stuk werd Gerstein opgevoerd als het tegenovergestelde van de paus; zijn moedige handelen werd afgezet tegenover de misdaden en lafheid van anderen. Het toneelstuk droeg er sterk aan bij dat de publieke opinie in Duitsland in het voordeel van Kurt Gerstein keerde.

    Tegelijk met alle aandacht begon er een campagne voor de rehabilitatie van Kurt Gerstein. Die werd niet alleen gesteund door vrienden van Gerstein en protestantse geestelijken, maar ook door de secretaris-generaal van de Centrale Raad van Joden in Duitsland. In 1965 volgde uiteindelijk de rehabilitatie van Gerstein. Op 20 januari 1965 werd hij door Kurt Georg Kiesinger, de minister-president van Baden-Württemberg, die later van 1966 tot 1969 bondskanselier was, ingedeeld in de groep Nichtbelastete (onschuldigen). Gerstein was, zo verklaarde Kiesinger, een man geweest "die probeerde de opdracht van zijn geweten te vervullen".

    Definitielijst

    oorlogsmisdaden
    Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
    Zyklon-B
    Het gifgas dat in de Duitse vernietigingskampen systematisch werd toegepast om voornamelijk joden te vermoorden.

    Afbeeldingen

    De Parijse militaire gevangenis Cherche-Midi, waar Gerstein op 25 juli 1945 zelfmoord pleegde. Bron: Collection Mémoire Vive.
    Affiche van het toneelstuk Der Stellvertreter uit 1963. Bron: DHM.
    Bondskanselier Kurt Georg Kiesinger, die in 1965 als minister-president van Baden-Württemberg Gerstein rehabiliteerde. Bron: Bundesarchiv.

    Informatie

    Artikel door:
    Kevin Prenger
    Geplaatst op:
    03-03-2017
    Laatst gewijzigd:
    11-04-2017
    Feedback?
    Stuur het in!

    Gerelateerde bezienswaardigheden

    Gerelateerde boeken

    De boodschapper uit de hel