Inleiding

    In dit artikel vindt u enkele toespraken van Koningin Wilhelmina uit 1940. De tekst van deze toespraken is integraal overgenomen uit het boek "De Koningin sprak". De proclamaties van Koningin Wilhelmina uit 1940 vindt u in het artikel Proclamaties Koningin Wilhelmina.

    Mocht u nog andere toespraken van Koningin Wilhelmina uit 1940 kennen, dan vernemen wij het graag.

    Radiotoespraak Koningin Wilhelmina (24-05-1940)

    Het is mij een behoefte in deze voor ons allen zo moeilijke en donkere dagen een persoonlijk woord te richten tot de ingezeten van Nederland overzee.

    In de eerste plaats een woord van dank voor uw hartelijk medeleven met het onnoemelijke leed dat zo volkomen onverdiend over het moederland is gekomen en zijn hoogtepunt heeft bereikt in de bezetting door de vijand van ons grondgebied in Europa ondanks de hardnekkige weerstand door onze weermacht, gesteund door de koelbloedigheid van ons volk, geboden. Hun ongekende moed en vastberadenheid onder de hachelijkste omstandigheden hebben de bewondering van vriend en vijand gaande gemaakt. Ondanks de ondervonden tegenslag blijft mijn vertrouwen in de toekomst ongeschokt. Ook in het verleden heeft ons volk benarde tijden gekend, die het dankzij zijn Godsvertrouwen en zijn vrijheidszin is te boven gekomen.

    Het is daarom dat ik een woord van bemoediging tot u wil richten. Noch mijn volk, noch mijn ministers, noch ik hebben in deze donkere dagen ook maar een ogenblik geweifeld te doen wat onze plicht ons voorschreef en wij zullen daarmede rustig en moedig voortgaan, vertrouwend op de rechtvaardigheid van onze zaak. Wij allen zullen ons boven de wederwaardigheden van het ogenblik weten te verheffen, omdat wij een vaste lijn en een groot beginsel volgen, de enige die een krachtig en zelfbewust volk passen en die meebrengen dat men zich tegen onrecht te weer stelt. En thans een woord van vertrouwen in u allen overzee. Eeuwen zijn wij bij elkaar geweest en daaruit zijn banden van genegenheid en van waardering ontstaan, zo sterk dat zij in de zware dagen van thans ons wederkerig tot hulp en steun zijn.

    Onze grondwet maakte de gebieden van overzee tot een onverbrekelijke eenheid en het is mij tot meer voldoening dan ik onder woorden kan brengen, te ervaren, dat dit voorschrift geen lege letter is. Gij hebt daar een inhoud aan gegeven zo diep, zo rijk dat daarin alleen al een waarborg ligt voor een betere toekomst, berustend op de eenheid des Rijks, welke juist in deze dagen zo sterk en levend is gebleven. Het op Nederlands-Indië gedane beroep tot hulpverlening aan de bevolking in het moederland is door alle lagen der Indische bevolking in het moederland is door alle lagen der Indische maatschappij geestdriftig beantwoord en grote bedragen zijn en zullen voor dat doel te mijner beschikking worden gesteld. Ik dank hen meer dan ik zeggen kan daarvoor, mede uit naam van het moederland, dat stellig nimmer zal vergeten hoe in deze beproeving Indië’s bevolking de helpende hand heeft uitgestoken aan het broedervolk overzee.

    Onze driekleur, symbool van rust, orde, veiligheid en handhaving van het recht, ook tegenover de minste en de zwakste, wappert fier boven het grootste deel van het Rijk. Met Gods hulp zal het zo blijven tot in lengte van dagen. Schaart u om de Landvoogd, steunt hem in zijn zware taak, zet alle geschillen opzij en weest eensgezind, want onthoudt, dat het gaat om het behoud en het heil van het Koningkrijk. Mijn gedachten zijn met u.

    God zegene u allen.

    Afbeeldingen

    Koningin Wilhelmina spreekt voor Radio Oranje Bron: Rijksvoorlichtingsdienst.

    Radiotoespraak Koningin Wilhelmina (25-05-1940)

    In dit onmetelijk ernstige ogenblik in de geschiedenis der mensheid is een zwarte, zwijgende nacht gedaald over weer een deel der aarde. Boven het vrije Nederland zijn de lichten gedoofd; de raderen der industrie en de ploegen op de akkers, die slechts voor het geluk van een vredelievend volk werkten, staan ineens stil of worden misbruikt door een doodbrengende veroveraar; de stemmen van vrijheid, naastenliefde, verdraagzaamheid en godsdienst zijn tot zwijgen gebracht. Waar nog twee weken geleden een vrij volk van mannen en vrouwen bestond, die in de zorgvuldig gehandhaafde tradities der christelijke beschaving werden gevoed, waar een volk leefde, dat zelf de historische bron van vele door alle weldenkende mensen vereerde waarden en idealen was, heerst nu verwoesting des doods, slechts onderbroken door het bitter geween van hen, die de dood der hunnen en de brute vernietiging van hun rechten en vrijheden hebben overleefd.

    Alleen de hoop leeft nog tussen de rokende puinhopen, de hoop en het geloof van een godvruchtig volk, dat door geen menselijk geweld, hoe verdorven ook, te gronde kan gaan; geloof aan de alles te boven gaande macht der goddelijke gerechtigheid, geloof, dat door de fiere herinnering aan vroegere, manhaftig gedragen en uiteindelijke met succes doorstane beproevingen wordt gesterkt; geloof, dat is verankerd in de rotsvaste overtuiging dat een onrecht, zoals het volk van Nederland heeft ondergaan, niet blijvend kan zijn. Maar al hoopt het volk van Nederland ook op uiteindelijke bevrijding, die niet kan uitblijven, en al klampt het zich daaraan vast, het is uiterst moeilijk in dit geloof stand te houden, want in stilte moet Nederland hopen en in stilte geloven. Het heeft niet de troost van een geloof, dat met openlijk belijdt, niet de zielversterkende verkwikking van een in het openbaar met anderen gedeelde en verkondigde verwachting. Onderdrukt, bedreigd van alle kanten, bewaakt door een macht, die alle hoop uit de menselijke ziel zou willen rukken, kan het slechts in de stilte van een bezwaard hart bidden. Zijn stem, die de eeuwen door het evangelie van Christus hielp uitdragen en die zich verhief voor vrijheid, verdraagzaamheid, geestelijke moed en voor menselijke waardigheid, kortom voor alles, wat waarde geeft aan het leven van de mens op aarde, aan deze stem is nu het zwijgen opgelegd.

    Zo was het vier eeuwen geleden, toen de godsdienstvrijheid op het spel stond. De wereld weet, hoe het volk van Nederland toen zijn stem herwonnen heeft. Zo zal het wederom gaan. Maar tot de nieuwe dageraad jubelend aanbreekt, zal ook deze laatste bitterheid aan dit volk niet bespaard blijven, dat het de vlam van zijn hoop levend moet houden in de doodse stilte van een nacht, waaruit geen stem en geen lichtstraal naar buiten komt.

    Omdat de stem van Nederland niet stom kan blijven, neen in deze dagen van verschrikkelijke beproeving niet gesmoord mag blijven, heb ik ten laatste het besluit genomen het symbool van mijn natie, zoals dit in mijn persoon en in de regering is belichaamd, over te brengen naar een plaats, waar het kan voortwerken als een levende kracht die zich kan doen horen. In dit uur van universeel lijden zal ik niet spreken over folterende strijd, welke deze beslissing berokkend heeft aan het hart van een vrouw, die weinig meer dan een jaar geleden tot in het diepst van haar ziel geroerd is door de algemene afhankelijkheid van een warmvoelend volk dat het jubileum vierde van een koningin en een vrouw, die gedurende veertig jaar gepoogd heeft haar volk te dienen, zoals zij getracht heeft het te dienen op de dag dier ingrijpende beslissing en zoals zij zal trachten het te dienen tot haar laatste ademtocht.

    Ik zal alleen spreken over redenen, welke mij uiteindelijk hebben doen beslissen zoals ik dat deed. Nuchtere en gewichtige redenen streden tegen het natuurlijke gevoel, dat mij en de mijnen drong om te blijven en met mijn ongelukkige volk te lijden, wat het lijden moest. Plannen, op de invaller gevonden op de eerste dag van zijn baldadige overval en bevestigd door de actie van zijn parachutetroepen, brachten spoedig aan het licht, dat zijn eerste doel was de Koninklijke familie en de regering gevangen te nemen, teneinde op deze wijze het land lam te leggen door het te beroven van elke leiding en elke wettige autoriteit. Toen kort daarna de waarschijnlijkheid onder de ogen moest worden gezien, dat de verraderlijke methoden, door de vijand gebruikt, er tenslotte toe zouden leiden, dat de dappere weerstand der Nederlandse strijdkrachten ondermijnd werd, kon de beslissing niet langer worden uitgesteld.

    Als het gezag zijn spontane drang volgend - wat waarlijk zij, die zoals wij, deze dagen hebben beleefd, weten dat het niet ging om persoonlijk lijfsbehoud of persoonlijke vrijheid- gebleven zou zijn, zou de stem van Nederland, hét symbool van Nederland, van de aardbodem verdwenen zijn.

    Er zou slechts een herinnering blijven, een herinnering, welke wellicht spoedig zou vervagen in deze wereldschokkende tijden, waarin de gedachtenis van gisteren vergetelheid van heden is. Een hulpeloze sombere stilte had zich dan over ons eens zo gelukkig land gespreid, waarvan de bewoners niet eens de hoopvolle gedachte meer zouden bezitten, dat een koningin en een regering daar voor een wederopstanding strijden, waar die strijd nog mogelijk is. Er was echter nog meer. Het eigenlijke Holland mocht voor het ogenblik verloren zijn, maar toen deze kritieke beslissingen genomen moesten worden, bestond de hoop, dat één provincie in het zuiden nog enige weerstand zou kunnen bieden. Mijn vloot met zijn glorierijke tradities was nog onaangetast, gereed om deel te nemen aan de strijd, waar dat ook nodig mocht zijn en, het belangrijkst van alles: er bleef een vrij Rijk, verspreid over de ganse oppervlakte van de aardbol, een Rijk, dat 65 miljoen inwoners telt en dat een deel vormt van die natie van vrije mensen, die niet zal en die niet kan verdwijnen van de aarde.

    Moest dit alles losgeslagen worden op een woest bruisende zee zonder leiding of gezag? Plicht, verantwoordelijkheid en verziend staatsmansbeleid zeiden anders.

    Teneinde de stem en het symbool van Nederland levend te houden, als een bezieling en verzamelpunt voor de mannen van ons leger, onze vloot en de talloze onderdanen van ons imperium – neen, Nederlandse mannen en vrouwen over de gehele wereld, die bereid zijn alles te offeren voor de wederopstanding van het innig geliefde moederland;
    Teneinde de banier ontplooid te houden, ongezien en toch altijd aanwezig ter wille van hen, die hun stem verloren hebben, maar niet hun hoop en niet hun uitzicht;
    Teneinde namens Holland te spreken tot de wereld, niet om te pleiten voor het recht van zijn zaak, die immers geen pleidooi behoeft in de ogen van eerlijke mannen, noch over de onuitsprekelijke verschrikkingen en de minderwaardige trucs uitgespeeld tegen het dappere leger en de onschuldige bevolking, maar om te spreken over de waarden, de idealen, de christelijke beschaving, welke Nederland aan de zijde van zijn bondgenoten helpt verdedigen tegen de overval van het barbarendom;
    Teneinde trouwe te blijven aan de leuze van het Huis van Oranje van Nederland, van dat ganse geweldige deel der wereld, voor wat kostbaarder is dan leven:

    zal ik handhaven – Je maintiendrai.

    Radiotoespraak Koningin Wilhelmina (28-07-1940)

    Het verheugt mij bijzonder, dat dankzij de welwillende medewerking van de Engelse autoriteiten, dit Nederlandse kwartier in de uitzendingen van de Britse radio is ingelast, en ik spreek de hoop uit dat vele landgenoten, waar zij zich ook mogen bevinden, voortaan getrouwe luisteraars zullen zijn van de vaderlandse gedachten, die hen langs deze weg bereiken. En thans is het mij een waar genoegen, met dit korte woord de eerste te zijn, die in dit kwartier tot u spreekt.

    In de eerste plaats wil ik met u allen in diepe ontroering het vaderland gedenken, dat zo zwaar getroffen is door de ramspoed van de oorlog. Wij gedenken daarbij het onnoemelijke leed, dat over ons volk is gekomen en dat het bij voortduring drukt. Wij willen hulde brengen aan de helden, die bij de verdediging van ons Nederland ten offer vielen aan hun plicht; hulde aan de moed van onze weermacht, die te land, ter zee en in de lucht, met inspanning van haar uiterste kracht, de zoveel sterkere aanrander veel langer heeft weten te weerstaan dan deze had verwacht. Na al hetgeen er reeds over de oorlog, waarin wij gewikkeld zijn, gezegd en geschreven is, zult ge zeker niet verwachten, dat ik in dit korte ogenblik zal ingaan op de krijg zelf en de vele vraagstukken die darmee verband houden. Maar wel moeten wij ons er rekenschap van geven, dat de oorlog hoe langer hoe meer zich openbaart, als zijnde in zijn diepste wezen voor ons een strijd tussen het goede en het kwade, een strijd tussen God en ons geweten enerzijds en anderzijds de duistere machten die in deze wereld hoogtij vieren. Het betreft een strijd, die –behoef ik het te zeggen- op geestelijk gebied thuis behoort en diep verborgen in het hart van de mens wordt uitgevochten, maar die thans op de meest onstellende wijze aan het daglicht is getreden in de gedaante van deze grote wereldworsteling, waarvan wij de ongelukkige slachtoffers zijn en waaronder alle volken lijden.

    Bij deze oorlog gaat het er om aan de wereld een waarborg te geven, dat zij die het goede willen, niet belet worden dat tot stand te brengen. Zij die menen, dat de geestelijke waarden, die de mensheid zich heeft verworven, door de scherpte des zwaards kunnen worden vernietigd, moeten de ijdelheid daarvan leren beseffen. Ruw geweld is niet in staat een volk zijn overtuiging te ontnemen.

    Gelijk eertijds noch wapengeweld, noch de vlammen van de brandstapel, noch verarming en lijden onze vrijheidszin, onze gewetensvrijheid en onze geloofsvrijheid ooit hebben kunnen uitroeien, zo houd ik mij overtuigd, dat ook in het huidige tijdperk wij en allen, die denken zoals wij –tot welk volk zij ook mogen behoren- uit deze beproeving gesterkt en gelouterd in en door al wat hun heilig is, zullen herrijzen. Dat het voor dit verheven doel is, dat reeds duizenden van onze dapperen het offer van hun leven brachten en dat dit offer dus niet vergeefs is geweest, strekke hun nabestaanden en ons allen tot troost. Al heeft de vijand de vaderlandse bodem bezet, Nederland zal de strijd volhouden zolang tot voor ons een vrije gelukkige toekomst opdaagt. Onze geliefde driekleur wappert fier op de zeeën, in groter Nederland in Oost en West; en zij aan zij met onze bondgenoten zetten onze wakkere mannen de strijd voort.

    De delen van het Rijk overzee, die zo treffend in hun denken en voelen blijk gaven van hun medeleven in de ramp, die het moederland trof, zijn meer dan ooit nauw met ons verbonden in hun denken en voelen. In onverbrekelijke eenheid willen wij handhaven onze vrijheid, onze onafhankelijkheid en het grondgebied van het gehele Rijk.

    Ik wek mijn landgenoten in het vaderland en overal waar zij zich bevinden, op om, hoe donker en moeilijk de tijden ook zijn, te blijven vertrouwen in de eindoverwinning van onze zaak, die niet alleen sterk staat door kracht van wapenen, doch niet minder door het besef, dat het thans gaat om onze heiligste goederen.

    Ik heb gezegd.

    Radiotoespraak Koningin Wilhelmina (12-09-1940)

    De wijze waarop mijn zestigste verjaardag is herdacht en de vele uitingen van aanhankelijkheid en medeleven, die mij bereikten, zowel uit Nederland onder de keerkringen als van overal waar Nederlanders vertoeven, die vrijelijk uiting kunnen geven aan hun gevoelens, doen mij andermaal mijn toevlucht nemen tot de microfoon, teneinde allen persoonlijk mijn diepgevoelde dank te betuigen. Gaarne zou ik ieder afzonderlijk hebben beantwoord, maar dit is mij niet mogelijk, want meer dan drie dagen lang stroomden, zonder ophouden, telegrammen mij toe en ontving ik bovendien ontelbare brieven, terwijl fraaie bloemstukken uit Oost en West, uit Engeland en van elders, mijn huis in een tuin herschiepen.

    In het kort wil ik u zeggen van wie ik heilwensen ontving. Zij kwamen niet alleen van hoge autoriteiten en colleges, van vorstel, zelfbestuurders, regenten en landschapshoofden, van onze weermacht en tal van hare onderdelen, van vele leden van civiel bestuur, van de wakkere bemanningen onzer koopvaarders, maar ook van gehele groepen der bevolking van alle landaarden, van kerkelijke gemeenten en autoriteiten, van zendingsposten, van tal van verenigingen, instellingen en ondernemingen op allerlei gebied, van bijeenkomsten, grote en kleine, tot in de meest afgelegen plaatsen gehouden, en van talrijke particulieren, zo ingezetenen als vreemdelingen. De gelukwensen en betuigingen van aanhankelijkheid en trouw gingen gepaard aan de verzekering van bereidheid tot het brengen van elk offer voor de bevrijding des vaderlands en spraken de overtuiging uit: Nederland zal herrijzen, Nederland zal weer vrij worden.

    Zo heeft deze herdenking zich ontwikkeld tot een overweldigende betoging voor het herstel van Neerlands onafhankelijkheid en voor de hereniging in ongestoorde vrijheid van onze gemeenschap van 70 miljoen ingezetenen in het Nederlands staatsverband. Dit is een historisch feit van blijvende betekenis. Ware het mogelijk geweest onder de inwoners van Nederland en onder de vrije Nederlanders in het buitenland een vrije stemming te houden, evenals onder de ingezetenen van Groter Nederland in Oost en West, deze had geen overtuigender en welsprekender uitkomst kunnen opleveren.

    Allen die aan deze spontane nationale onafhankelijkheidsuiting deelnamen, zijn daarmede aan onze landgenoten in het bezette vaderland tot een grote steun in hun lijden geweest en zullen hun vast vertrouwen in de toekomst nog gesterkt hebben. Ik dank u alle namens hen, wie op vaderlandse bodem het zwijgen is opgelegd voor uw grootse nationale uiting. Vol geestdrift en van heler harte sluit ik mij bij u aan. Een volk, dat over levenskracht en een vaste wil beschikt, kan niet zonder meer door wapengeweld worden ten onder gebracht. De wapenspreuk van mijn geliefde moeder, de palm groeit tegen de druk in, vindt thans hare toepassing; onze nationale polsslag is krachtiger, doelbewuster dan te voren. Als een eendrachtig en aaneengesloten volk doorstaan wij de beproeving.

    Een nieuwe bewijs hiervoor is de spontane vrijgevigheid in Nederlands-Indië voor het te mijner beschikking gestelde Koningin Wilhelmina Fonds. De vaderlandsliefde van de gevers, hun vaste wil de oorlog te winnen ter bevrijding van Nederland heeft bij hen de wens doen opkomen een deel der ingekomen gelden, ten bedrage van 5 miljoen gulden, te zien besteed voor militaire doeleinden in de bondgenootschappelijke strijd. In overeenstemming met de bedoeling van de schenkers heb ik Zijne Majesteit de koning van Groot-Brittannië in kennis gesteld met de voorgenomen schenking van een aantal militaire vliegtuigen, waartoe het Prins Bernhard Fonds, waarin het bedrag zal worden gestort, zijn bemiddeling zal verlenen.

    Grootse uitingen van eenheid en onafhankelijkheidszin, gepaard aan dergelijke blijken van nationale offervaardigheid en doortastendheid, kunnen niets anders dan ons opheffen boven de moeilijkheden en bekommernissen van het ogenblik en doen ons met vertrouwen de toekomst tegemoet zien, welke ons allen onder Gods zegen een vrij en onafhankelijk Nederland zal teruggeven. In een land met beperkte vrijheid is voor Oranje geen plaats.

    Is eenmaal de vrijheid herwonnen, dan wacht ons het werk van de wederopbouw. Gemakkelijk zal dit niet zijn, want het zal daarbij niet eenvoudig gaan om een herbouw naar een oud model. Een open oog voor de fouten, die in de loop der jaren in ons staatsbestel waren geslopen, zal gepaard moeten gaan aan het inzicht en de moed om de veranderingen aan te brengen, die nodig zijn gebleken. Ik zie hier een arbeidsveld in het bijzonder voor de jongeren, die, vasthoudende aan onze aloude vrijheidszin, op de bodem van ons roemrijk verleden een gebouw zullen hebben op te trekken in overeenstemming met het karakter van ons volk, dat aan het Christendom zijn beschaving dankt.

    Luisteraars, Radio Oranje heeft u over zeer uiteenlopende onderwerpen ingelicht; het heeft u ook mededelingen gedaan over het hier te Londen gevoerde beleid mijner regering. Het is mij een genoegen u zelf te kunnen mededelen, dat mijn ministers en ik thans reeds alles in het werk stellen om, zodra het ogenblik daarvoor zal zijn aangebroken, onmiddellijk aanvang te kunnen nemen met de bevoorrading van Nederland, zowel wat de voedselvoorziening betreft als met betrekking tot de grondstoffen voor de economische wederopbouw. Wij geven ons volkomen rekening van het feit dat, ondanks onze aanzienlijke koopvaardijvloot, het niet mogelijk zal zijn iedereen onmiddellijk te geven wat hij wenst, doch wij vertrouwen dat de Nederlandse degelijkheid van de opzet een geregeld en toenemende toevoer zal waarborgen.

    Aan het einde gekomen van hetgeen ik u wilde mededelen, wens ik ten besluite een woord, dat zo vaak voorkwam in de tot mij gerichte telegrammen, te herhalen en tot het mijne te maken. Dat woord is: Nederland zal herrijzen!

    Leve het vaderland!

    Definitielijst

    Radio Oranje
    Radiozender die gedurende WO II vanuit Londen uitzond. Speciaal gericht op het bezette Nederland.

    Radiotoespraak Koningin Wilhelmina (25-12-1940)

    In deze zware tijd, nu Nederlands grondgebied in Europa onder de dwingelandij van de overweldiger ligt, voel ik mij gedrongen, heden een bijzonder woord te richten, vooreerst tot allen, die onder onze eigen driekleur leven in Oost- en West-Indië en daarnaast tot alle landgenoten, die deze driekleur vrij ontplooien kunnen onder vreemde, maar bevriende volkeren.

    Ik ben diep onder de indruk van uw gevoelens van medeleven en vooral van uw daden, die zo duidelijk spreken van saamhorigheid met het overweldigde Nederland. Bij voortduring vloeien die bewijzen van medeleven mij toe; zij vinden uiting in het uwerzijds even onvermoeid als door onze bondgenoten en ons bewonder streven, om zelf bij te dragen tot de bevrijding van het bezette gebied en tot leniging van de nood der zwaar beproefde bevolking,

    De grote persoonlijke offers, die zovelen ook uit alle kringen van het Koninkrijk buiten Europa brengen, hebben mij zeer getroffen. Boven alles bewijzen zij mij, hoe sterk alle Nederlandse onderdanen, zonder onderscheid en waar zij zich ook bevinden zich zo één gevoelen met de velen uit ons midden, met name onze wakkere mannen van oorlogs-, handels-, vissers-, en luchtvloten, die hun levens offerden of dagelijks wagen voor de zaak van recht en vrijheid.

    Ik weet met wat weemoed velen van u denken aan verbroken betrekkingen, hoe velen in onrust verkeren over het lot van hun geliefden, hoe velen treuren over smartelijke verliezen en vooral welk leed door velen gedragen wordt over het wegvoeren in ballingschap van talrijken van uw nabestaanden en bekenden. Indien iets de band van saamhorigheid tussen de Rijksdelen heeft samengesmeed, dan is het dit lijden, dat wij samen doorstaan en dat ons allen zo onuitsprekelijk ontroert.

    Gemeenschappelijk lijden en gemeenschappelijk gevaar hebben ons allen, die ons zo veilig wisten en weten onder de Nederlandse vlag, van welke godsdienst, van welk ras of van welke kleur wij ook zijn, tot nog nauwer aaneensluiting gebracht. Zij hebben ons één gemaakt tin onze wil om het grondgebied en de vrijheid van alle onze gewesten ongeschonden te handhaven en met onze bondgenoten de ons opgedrongen strijd tot een zegevierend einde te brengen. Met spanning de loop der gebeurtenissen volgend, geloof ik te mogen vaststellen, dat de vooruitzichten in de laatste maanden aanmerkelijk verbeterd zijn. Met nog versterkt vertrouwen in de uiteindelijke zegen gaan wij de toekomst tegemoet.

    Velen van ons worden in deze dagen van kerstmis er meer dan anders aan herinnerd, dat het in waarheid gaat om de strijd tussen het goede en het kwade, een strijd van het duisternis tegen het licht. Het is dezelfde strijd, die in elk mensenhart wordt gevoerd en waarbij de overwinning alleen mogelijk is, indien de krachtige wil daartoe door het geloof wordt gestaald. Moge die sterke wil ons allen blijvend bezielen en moge ieder onzer al zijn krachten inzetten om de macht van de boze te overwinnen. Dan mogen wij hopen, dat het ogenblik niet ver meer zal zijn, waarop het Licht de duisternis zal doorbreken en, met Gods hulp, vrijheid en recht wederom heersen.

    En hoe natuurlijk is ook niet veler gevoel, om bij de wisseling van het jaar de balans op te maken, niet slechts van het eigen streven nu, maar ook de strijd, die om het bestaan van het Koninkrijk zelf wordt gevoerd.

    Tot de miljoenen, die in andere werelddelen, maar vast verbonden met Nederland leven, tot de velen, die op zee varen, of die in den vreemde leven en zich daar met trots Nederlanders noemen, ook nu het land in nood is, tot u allen, die mij nu hoort, zeg ik, dat wij het oude jaar uitgaan met diepe dank voor uw aller aandeel in de reeds ten dele achter ons liggende wereldworsteling en dat wij het nieuwe jaar gezamenlijk ingaan met het vaste vertrouwen, dat God de ware vrede schenken zal aan mijn Koninkrijk en aan de gehele wereld.

    Radiotoespraak Koningin Wilhelmina (Kerstboodschap 1940)

    Sedert ik het laatst door de radio tot u sprak staan voor onze bondgenootschappelijke strijd de zaken er reeds veel beter voor en kunnen wij met toenemende hoop en vertrouwen in de toekomst zien. Dat deze hoop spoedig in vervulling moge gaan is uw en mijn vurigste wens. Tot dat ogenblik is een geduldig afwachten, zonder overijld handelen, voor u allen verstandig beleid en wel begrepen landsbelang. Ook daarin ligt grote kracht. Uw standvastigheid, uw eensgezindheid, uw vastberaden, lijdelijke weerstand onder de dwingelandij, die u wordt opgelegd, geven mij grote voldoening en vervullen mij met rechtmatige trots. Wees verzekerd, dat ik mij rekenschap geef van al uw moeilijkheden en beproevingen en dat ik daarin voortdurend met u medeleef.

    Ik bid God dat, ondanks al hetgeen u dit jaar het komen in de ware kerststemming zo heel moeilijk kan maken, het toch in de volle, diepe zin kerstfeest voor u zij. Er staat mij voor de geest een Schriftwoord, dat de kerstboodschap in haar geheel bevat; het luidt in de nieuwe vertaling: “Het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet overmocht”. Al het kwaad in deze wereld, door alle eeuwen heen is niet bij machte geweest Gods eeuwige, ondoorgrondelijke, onuitputtelijke, ontfermende liefde, die zich in haar volle heerlijkheid aan ons geeft in het Kindeke in de kribbe van Bethlehem, te veranderen of te verzwakken. Christus’ licht schijnt door alle duisternis heen. Dit Schriftwoord getuigt van een weergaloze worsteling van alle donkere, boze machten, gevoerd met alle geestelijke en stoffelijke wapentuig, waarover zij maar kunnen beschikken, met als doel de onderwerping van de mens, de samenleving en het wereldbestel aan hun heerschappij; de vrijheid en alle goederen die voor de mensheid een heilig bezit zijn, met vernietiging bedreigend. Daar tegenover Christus, strijdend in de wapenrusting van de liefde, met alle wapens, welke deze weet te smeden; onoverwinnelijk omdat Hij zich gedragen weet door de liefde zijns Vaders; met dat ene vaste doel voor ogen: de redding der mensen uit de macht van de boze.

    Deze kerstboodschap zij het geheim van onze kracht en weerstand, ook in het huidige tijdsgewricht; het anker, waaraan ons innerlijk leven vastligt. Ons geestelijk leven is gebouwd op een overwinning, die wij ieder persoonlijk tot de onze moeten maken op soortgelijke wijze als wij in de oorlog, die wij thans voeren ieder onze bijdragen moeten leveren tot de algemene en algehele zege; namelijk door de inzet van ons gehele willen en kunnen. Slechts het strijdend geloof is levend geloof, waarmee men wonderen van kracht kan volbrengen. Alleen levend geloof stelt onze harten open voor de vrede en de grote blijdschap van het Kerstevangelie.

    Ik besluit met een persoonlijk woord tot allen, die het moeilijk hebben en in zorgen verkeren. Ik denk hier aan de dreigende honger en koude, het gebrek aan kleding en dekking, ik denk niet minder aan de vele tranen die geschreid worden om het gemis van dierparen, die heengingen; ik denk aan de smartelijke scheiding en de zorgen over hen die weggevoerd werden; ik denk aan al dat diepen innerlijke lijden bij aangedaan onrecht, bij vertrapte vrijheid, om verwoest geluk en uitgedoofde blijdschap. Spoedt u allen zoals gij zijt, met uw lasten en zorgen naar het Kindeke in Bethlehem in ootmoed en overgave. Daar zal zich het wonder van Zijn geheimenis aan u voltrekken; daar zal allengs de nacht in uw leven veranderen in de heerlijkheid van de kerstnacht.