De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Inleiding

Operatie Barbarossa is misschien wel één van de meest tot de verbeelding sprekende gebeurtenissen uit de krijgsgeschiedenis. De Duitse invasie van de Sovjet-Unie was in ieder geval de grootst opgezette militaire operatie tot dan toe. Meer dan 3.000.000 Duitse soldaten, verdeeld over drie legergroepen rukten op 22 juni 1941 op in oostelijke richting met de opdracht het Rode Leger voor eens en voor altijd van de aardbodem weg te vagen.

Definitielijst

invasie
Gewapende inval.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.

Afbeeldingen

Voorafgaand aan de invasie

Hitlers persoonlijke veldtocht

In de jaren twintig had Adolf Hitler in zijn politieke testament Mein Kampf al aangegeven dat Duitslands ultieme doel in het oosten lag. Daar zou volgens Hitler genoeg ruimte (Lebensraum) zijn om de Duitse bevolking in al zijn behoeften te voorzien. Daar kwam nog eens bij dat Hitler het communisme beschouwde als zijn aartsvijand. Hij verkondigde dat het communisme deel uitmaakte van een internationale Joodse samenzwering. Het was Hitler's intentie dat de oorlog tegen de Sovjet-Unie de grootste vernietigingsoorlog moest worden sinds mensenheugenis. Deze doelstelling werd bekrachtigd door het beruchte Kommissarbefehl waarin opdracht werd gegeven tot de onmiddellijke executie van gevangengenomen Sovjetcommissarissen. Bovendien voerde Hitler het argument aan dat de Sovjet-Unie de Conventies van Genève en van Den Haag niet had ondertekend, waardoor Duitse militairen een vrijbrief kregen voor het op grote schaal plegen van oorlogsmisdaden, zonder verantwoording aan militaire rechtbanken te hoeven afleggen.

De moorddadige doelstellingen van Operatie Barbarossa waren duidelijk uiteengezet, dit in tegenstelling tot de militaire doelen. Het ontbrak de Wehrmacht namelijk aan een strategisch einddoel. In de marsorders van Operatie Barbarossa werd alleen maar melding gemaakt van de noodzaak om de Sovjetstrijdkrachten te vernietigen. Er bestond echter onduidelijkheid over het geografische einddoel. Hierdoor ontstonden onzekerheden over de te voeren strategie tussen Hitler enerzijds en de generale staven van het OKW (het Oberkommando der Wehrmacht) en het OKH (Oberkommando des Heeres) anderzijds. Ook de bevelhebbers te velde, die in feite het beste overzicht hadden op de strategische situatie konden zich moeilijk vinden in de hen aangewezen opdrachten en lagen in de loop van de campagne met Hitler én met de generale staven overhoop. Op die manier creëerde Adolf Hitler wellicht doelbewust onzekerheden en rivaliteit tussen de betrokken organen en bevelhebbers. Operatie Barbarossa was duidelijk zijn persoonlijke veldtocht. Dit zou steeds duidelijker aan het licht gaan komen naarmate de oorlog met de Sovjet-Unie voortduurde.

Joseph V. Stalin had de onvermijdelijke confrontatie tussen de twee totalitaire staten juist willen voorkomen. Het Molotov-Ribbentrop Pact van augustus 1939 had bij Stalin de illusie gewekt dat hij de Sovjet-Unie buiten de oorlog kon houden. In geheim toegevoegde protocollen werd Oost-Europa verdeeld tussen Duitsland en de Sovjet-Unie. Duitsland had in de veldtocht tegen Polen in september 1939 de kastanjes uit het vuur gehaald, waarna het Rode Leger Oost-Polen binnenviel en zijn deel had opgeëist. Terwijl Hitler ervan verzekerd was dat de Sovjet-Unie zich niet zou mengen in een oorlog tegen Frankrijk en Groot-Brittannië richtte Stalin zijn ogen op de Baltische staten en Finland, die in de geheime clausules aan de invloedssfeer van de Sovjet-Unie waren toegewezen. In Estland, Letland en Litouwen werden Sovjetgarnizoenen en -marinebases gevestigd, maar Finland was niet bereid toe te geven aan de Sovjeteisen om een dergelijke regeling overeen te komen en gebiedsafstand te doen. Daardoor ontstond een militair conflict in december 1939, dat bekend werd als de Winteroorlog.

Blamage voor het Rode Leger

Het Rode Leger viel met een overmacht aan manschappen en materieel het nietige Finland aan. De uitstekend getrainde Finse troepen wisten de Sovjets echter te overklassen door het toepassen van guerrillatactieken, waarbij skibrigades in de besneeuwde bossen de gemotoriseerde colonnes van de Sovjets in stukken hakten (tactiek van de motti’s) en vernietigden. De verliezen aan Sovjetzijde waren desastreus en in januari 1940 werden er reorganisaties doorgevoerd in de Sovjetbevelvoering. Na aanvoer van extra versterkingen werd de Mannerheimlinie uiteindelijk doorbroken, waarna op 13 maart 1940 een vredesverdrag werd overeengekomen. De Sovjet-Unie had in de Winteroorlog weliswaar zijn militaire doelstellingen bereikt, maar dat was gepaard gegaan met verschrikkelijk hoge verliezen. Het Rode Leger had een dermate gebrek aan efficiëntie getoond dat het in de jaren dertig opgebouwde prestige grotendeels verloren ging.

Hitler richtte zijn blik nu echter in westelijke richting, waar de Wehrmacht in april 1940 een briljante operatie uitvoerde in Noorwegen: Operatie Weserübung. Door de gecombineerde inzet van land-, zee- en luchtstrijdkrachten werden Noorwegen en de aldaar opererende Franse en Britse strijdkrachten op de knieën gedwongen.

Mei 1940

Nog voordat de strijd in Scandinavië werd beëindigd sloeg de Wehrmacht ook in West-Europa toe. Op 10 mei vielen Duitse troepen Nederland, België en Luxemburg binnen en werd via Luxemburg na enige dagen de grens van Frankrijk overschreden. In deze actie met de codenaam Fall Gelb lokten de Duitse troepen de geallieerde legers naar het noorden om ze daarna met een krachtige aanval door de Ardennen en verder langs de Frans-Belgische grens af te snijden van de rest van Frankrijk.

De afgesneden troepen konden deels ontkomen tijdens de spraakmakende evacuatie uit Duinkerken, maar deze manschappen waren voorlopig niet meer inzetbaar. Ze hadden alle zware wapens en uitrustingen op de stranden van Duinkerken achter moeten laten en vervanging was niet voorhanden. Wat volgde was de strijd om Frankrijk, een strijd die eindigde zoals deze begon: met een Franse overheid die niet in staat was initiatief te nemen en zich schikte in Duitse controle: Vichy-Frankrijk.

Stalin was verbijsterd door de snelle Duitse overwinningen in het westen, want hij had namelijk serieus rekening gehouden met een uitputtingsslag. Stalin nam veiligheidsmaatregelen en besloot diezelfde zomer nog de Baltische staten geheel van hun onafhankelijkheid te beroven en Estland, Letland en Litouwen officieel in te lijven bij de Sovjet-Unie. Hij haalde zich de ergernis van Hitler op de hals door eveneens het Duitse deel van Litouwen te bezetten. Daarop haastte de Sovjet-Unie zich om niet alleen Bessarabië op te slokken, maar ook Noord-Bukovina, dat geen deel uitmaakte van de afspraak. Daardoor kwamen de Roemeense olievelden dicht binnen het bereik van het Rode Leger.

Hitler was ondertussen aanbeland op het hoogtepunt van zijn macht na de val van Frankrijk. Hij was ervan overtuigd dat de Britten zo goed als verslagen waren en hij wilde onmiddellijk de Sovjet-Unie aanvallen. De Duitse generaals waren verbijsterd en wisten Hitler te overtuigen dat een aanval tegen de Sovjet-Unie in het najaar van 1940 een onmogelijke onderneming was.

De Slag om Engeland

Intussen richtte de Wehrmacht zijn pijlen op Groot-Brittannië. De Britten hadden het merendeel van hun strijdkrachten kunnen terughalen tijdens de evacuatie uit Duinkerken en zij waren zich aan het voorbereiden op een Duitse invasie. Voordat de campagne tegen Frankrijk en de Lage Landen begon hadden de Duitsers nog geen plannen klaarliggen voor een invasie van het Britse eiland. De Duitsers waren inderhaast begonnen met de planning van een invasie van Groot-Brittannië welke de codenaam Operatie Seelöwe droeg. Hitler was met zijn gedachten echter nauwelijks bezig met de strijd tegen Engeland. In gesprekken op 21 juli 1940 met de opperbevelhebber van het leger Generalfeldmarschall Walther von Brauchitsch en de stafchef van het OKH Generaloberst Franz Halder onthulde Hitler in het diepste geheim zijn duistere voornemen: 'Wij moeten met Rusland afrekenen'.

De Slag om Engeland begon desondanks halverwege augustus 1940 met grootschalige acties van de Luftwaffe boven het Kanaal en Zuidoost-Engeland. Duitsland hoopte met de luchtaanvallen de RAF te vernietigen en daarmee een vredesverdrag af te dwingen zodat een bloedige invasie overbodig zou worden. De Britse jachtpiloten wisten de Luftwaffe echter op het nippertje te verslaan in de heroïsche luchtgevechten boven Zuidoost-Engeland, zodat het Duitse opperbevel genoodzaakt werd Operatie Seelöwe voor onbepaalde tijd uit te stellen.

De Duitsers liepen tijdens de Slag om Engeland dus tegen de eerste strategische nederlaag aan. Vanaf toen richtte Hitler al zijn aandacht op de planning van een invasie van de Sovjet-Unie. Hij dacht met het verslaan van het Rode Leger de enige potentiële bondgenoot van Groot-Brittannië op het Europese vasteland uit te schakelen, zodat de Britten uiteindelijk wel gedwongen werden tot capitulatie.

Hitler was nu net datgene van plan wat hij steeds had willen voorkomen in zijn politieke en militaire strategie, namelijk het voeren van een oorlog op twee fronten. De Britten waren inderdaad niet in staat om op korte termijn een amfibische aanval te ondernemen op het Europese vasteland, maar ze hadden reeds bewezen dat ze niet bereid waren de strijd op te geven.

Overmoedig geworden door de voorgaande successen begonnen Duitse stafofficieren met de planning van een veldtocht tegen Rusland. Enkele Duitse generaals (o.a. Großadmiral Erich Raeder en Generalfeldmarschall Wilhelm Keitel) stonden in eerste instantie zeer sceptisch tegenover een aanval op de Sovjet-Unie. Zij hadden in hun achterhoofd de nederlaag van de Franse krijgsheer Napoleon Bonaparte die in 1812 in het koude en uitgestrekte Rusland werd verslagen. Maar als het dan toch moest, dan zou het een snelle en allesbeslissende overwinning moeten gaan worden.

Definitielijst

capitulatie
Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.
communisme
Politieke stroming, ontstaan uit het werk Das Kapital van Karl Marx, geschreven in 1848, als een reactie op de door Marx omschreven klassenstrijd tussen de arbeiders (het proletariaat) en de bourgeoisie. Volgens Marx zouden de arbeiders via een revolutie de macht overnemen van de welgestelde klasse. De communistische stroming streeft naar een ideale situatie waarin de productie- en consumptiemiddelen gemeenschappelijk eigendom van de staatsburgers zijn. Dit zou een einde aan armoede en ongelijkheid moeten maken (communis = gemeenschappelijk).
invasie
Gewapende inval.
invloedssfeer
Gebied waar een staat veel invloed kan laten gelden, meestal onder stilzwijgende goedkeuring van andere staten.
Lebensraum
Nazi-term waarmee werd aan gegeven dat het overbevolkte Duitsland nieuwe gebieden (levensruimte) nodig had om te kunnen bestaan.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Mein Kampf
Boek geschreven door Hitler, waarin hij de grondslagen van het nationaal socialisme uiteenzet.
oorlogsmisdaden
Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
Operatie Seelöwe
Codenaam voor de nooit uitgevoerde Duitse invasie van Groot-Brittannië.
Operatie Weserübung
Codenaam voor de Duitse inval in Denemarken en Noorwegen. Deze operatie, die begon op 9 april 1940, was bedoeld om Engelse acties in Scandinavië te voorkomen.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.

Afbeeldingen

Hitler op het hoogtepunt van zijn macht in Parijs in 1940. Met Groot-Brittannië geïsoleerd in het westen was de weg vrij voor veroveringen in het oosten.
Duitse propagandaposter

Het Duitse aanvalsplan

Op 31 juli 1940 gaf Adolf Hitler de opdracht voor de uitwerking van de eerste plannen voor een invasie van de Sovjet-Unie. Generaloberst Franz Halder gaf de getalenteerde stafchef van de 18. Armee Generalmajor Erich Marcks het bevel een onderzoek in te stellen naar de problemen die zich zouden voordoen bij een aanval in het oosten.

Het ‘Plan Marcks’

Op 5 augustus presenteerde Generalmajor Erich Marcks zijn eerste rapport aan Halder. Dit was de eerste versie van het operationele plan voor het oosten. In het ‘Plan Marcks’ moesten twee legergroepen de doelen Moskou en Kiev aanvallen. De grootste legergroep (met het merendeel van de pantserstrijdkrachten) moest oprukken naar Moskou en tegelijkertijd troepen ontplooien voor de verovering van de Baltische staten en Leningrad. Deze secundaire opdracht mocht niet ten koste gaan van de hoofdopmars naar Moskou. De zuidelijke legergroep moest doorstoten in de richting van Kiev, bijgestaan door een strijdmacht die vanuit Roemenië opereerde. Na de inname van Moskou zou de noordelijk ontplooide legergroep in zuidwaartse richting afbuigen om de zuidelijke legergroep bij te staan in de verovering van de Oekraïne.

Het ‘Plan Marcks’ ging uit van een Duitse troepenmacht van 110 infanteriedivisies, 24 pantserdivisies en 12 gemotoriseerde divisies tegenover 96 Russische divisies fuseliers, 23 cavaleriedivisies en 28 gemechaniseerde brigades. Als reserve had Marcks 40 divisies achtergehouden om de doorbraken uit te buiten. Het Rode Leger moest in feite worden vernietigd tussen de rivieren de Dvina en de Dnjepr en de gehele operatie mocht niet langer dan 17 weken in beslag nemen. In 4 maanden tijd moest het Rode Leger dus verslagen worden en zouden Sovjetverzetshaarden moeten zijn opgeruimd.

Het belangrijkste kenmerk van het ‘Plan Marcks’ was de bestempeling van Moskou als militair hoofddoel. De staf van het OKH was er van overtuigd dat de Sovjets voor Moskou de hoofdmacht van hun troepen zouden concentreren en dat daar dus de genadeklap toegebracht moest gaan worden. Het OKH was van mening dat na de verovering van de hoofdstad van het Sovjetimperium er een grote mogelijkheid bestond dat het Rode Leger en de Sovjetbevolking het gewapende verzet zouden staken.

‘Aufbau Ost’

Maar niet alleen het OKH was betrokken bij de beginfase van de planning voor de veldtocht tegen de Sovjet-Unie. Op 9 augustus vaardigde het OKW het bevel uit voor ‘Aufbau Ost’. Dit hield in dat aan de oostgrenzen werd begonnen met de troepenopbouw voor een aanval tegen de Sovjet-Unie. Wegen, spoorwegen en vliegvelden werden aangelegd, de communicatienetwerken werden uitgebreid en er werd begonnen met het aanleggen van voorraden wapens en munitie. Tevens gaf het OKW de Duitse militaire inlichtingendienst (Fremde Heere Ost onder leiding van Oberst Eberhard Kinzel) de opdracht de activiteiten tegen de Sovjet-Unie te intensiveren en gegevens te verschaffen over Sovjetstrijdkrachten en locaties waar deze gelegerd waren.

Begin september had Generalleutnant Friedrich Paulus de coördinatie van de planning voor de veldtocht tegen de Sovjet-Unie op zich genomen. De Duitse troepenbewegingen naar het oosten begonnen op gang te komen toen begin september met Roemenië een overeenkomst werd gesloten voor het zenden van een Duitse militaire missie die instructies moest geven aan het Roemeense leger. Tevens werden er specialisten op het gebied van luchtafweer naar de olievelden van Ploiesti gestuurd, in oktober gevolgd door Duitse troepen. Om de Sovjet-Unie gerust te stellen verklaarde de nazi-regering dat er in het oosten grootschalige militaire oefeningen werden gehouden.

Terwijl in het westen de luchtgevechten tijdens de Slag om Engeland hun climax bereikten en Hitler het invasieplan voor Engeland, Operatie Seelöwe, begon uit te stellen, voltooide het OKW zijn eigen onderzoek naar de problemen die verband hielden met een veldtocht tegen de Sovjet-Unie. Het plan van het OKW, dat uitgewerkt was door Oberstleutnant Bernhard Lossberg omvatte drie legergroepen. De noordelijke troepenmacht moest oprukken naar Leningrad, de middelste troepenmacht via Smolensk naar Moskou en tenslotte moest de zuidelijke troepenmacht doorstoten naar Kiev. De legergroepen kregen dan ook de benamingen Heeresgruppe Nord, Heeresgruppe Mitte en Heeresgruppe Süd. Het belangrijkste verschil tussen het plan van Marcks en het plan van Lossberg was dat de laatste de legergroepen in hetzelfde tempo wilde laten oprukken en daarom eiste dat Heeresgruppe Mitte bij Smolensk zou halt houden totdat Heeresgruppe Nord even ver gevorderd was.

Het vergaren van inlichtingen

De Sovjetveiligheidsdienst maakte een doelmatige en uitgebreide spionage uiterst moeilijk. In oktober werd dan ook begonnen met verkenningsvluchten boven Sovjetgrondgebied. Vanaf die tijd verkenden Duitse vliegtuigen met fototoestellen een steeds groter deel van Europees Rusland, legden Sovjettroepenconcentraties vast, verzamelden bijzonderheden over grensverdedigingswerken en bepaalden nauwkeurig de plaats waar de Sovjetvliegvelden zich bevonden. Het gevolg was dat de Duitse schattingen over de Sovjettroepensterkte in het centrum van het potentiële front aanzienlijk naar boven moesten worden bijgesteld.

Eind oktober werden de Duitse plannen voor een invasie van de Sovjet-Unie echter verstoord door de Italiaanse invasie in Griekenland. Op dat ogenblik waren Adolf Hitler en Stalin het zojuist eens geworden over een uitwisseling van gedachten, waarvoor Vyacheslav M. Molotov, de Sovjetvolkscommissaris van Buitenlandse zaken op 12 november in Berlijn werd verwacht, want de Sovjet-Duitse betrekkingen begonnen langzaamaan gespannen te worden.

Diezelfde dag nog, voordat de besprekingen met Molotov begonnen, vaardigde Hitler een directief uit, waarin hij aangaf dat ongeacht de afloop van de diplomatieke besprekingen de voorbereidingen voor de aanval door moesten gaan. De gesprekken met de volkscommissaris verliepen uiterst stroef en Molotov moest zelfs onderduiken in een schuilkelder vanwege een Brits bombardement op Berlijn. Molotov bleek een stugge onderhandelaar, maar ook Hitler en Rijksminister van Buitenlandse Zaken Joachim von Ribbentrop gingen niet op Russische diplomatieke eisen in. Molotov keerde dan ook onverrichterzake terug naar Moskou.

Eind november en begin december 1940 hielden de officieren die waarschijnlijk aan het hoofd zouden staan van de drie legergroepen strategische oefeningen op de kaart voor de veldtocht tegen Rusland onder supervisie van Generalleutnant Friedrich Paulus. Daaruit werd geconcludeerd dat het van groot belang was de Sovjettegenstand te breken op of vóór een lijn die van Kiev naar Minsk liep en verder naar het Peipus Meer, een conclusie die in feite ook al uit eerdere onderzoeken was getrokken.

Halders plan: Operatie Otto

Op 5 december 1940 maakte Generaloberst Franz Halder de definitieve plannen van het OKH bekend. Halder maakte drie offensieven van wat er in het ‘Plan Marcks’ oorspronkelijk twee waren. Het gehele operationele gebied werd in twee helften verdeeld, een noordelijke en een zuidelijke helft, gescheiden door de onbegaanbare geachte Pripjatmoerassen. Leningrad werd het hoofddoel van het offensief in het noorden en de doorstoot naar Moskou werd versterkt ten koste van het offensief tegen Kiev. Het einddoel van de operatie moest de Volga en het gebied bij Archangelsk worden en er moesten 105 infanterie- en 32 gepantserde en gemotoriseerde divisies worden ingezet. Dit aanvalsplan werd bekend onder de naam Otto. Hitler verklaarde zich akkoord met de schets en voegde er vervolgens enkele persoonlijke opmerkingen aan toe. Hoewel Hitler over het algemeen akkoord was met het plan van Halder sprak hij over het na verloop van tijd losmaken van mobiele strijdkrachten van Heeresgruppe Mitte om naar het noorden te laten afzwenken.

Op deze bijeenkomst had Hitler niet alleen lange besprekingen gevoerd over de voorgestelde militaire operaties tegen de Sovjet-Unie, maar ook over de strategische consequenties van zijn plannen en besluiten. Aangezien de Italiaanse veldtocht tegen Griekenland allesbehalve voorspoedig verliep had Hitler inmiddels besloten in het voorjaar van 1941 zelf een aanval op Griekenland te laten uitvoeren. De op de Balkan gebruikte strijdkrachten moesten na het verslaan van de Grieken beschikbaar worden gemaakt voor de veldtocht tegen de Sovjet-Unie. Hitler verwachtte dat Joegoslavië zich bij de As zou aansluiten. Finland en Roemenië zouden eveneens worden overgehaald bondgenoot te worden in de aanval tegen de Sovjet-Unie.

De voorgenomen bezettingspolitiek

Hitler had geen hoge dunk van de militaire capaciteiten van het Rode Leger. Hij beweerde: 'Trap de deur in en het hele verrotte bouwwerk stort in!'. Het tijdstip voor een aanval op de Sovjet-Unie was volgens Hitler nog nooit zo gunstig geweest als nu. Hij dacht het Sovjetleger te verpletteren in een nederlaag die nog vernederender zou zijn dan die van de Franse legers in 1940. Als de Duitse troepen de Volga hadden bereikt, zou de veldtocht zijn afgelopen en van deze linie uit zouden uitvallen worden gedaan op vijandelijke bewapeningscentra diep in het Russische achterland. Daarna zou Duitsland bufferstaten stichten. Deze bufferstaten zouden worden: de Oekraïne, Wit-Rusland, Litouwen en Letland. Het Generaalgouvernement Polen zou eveneens vergroot worden en Finland en Roemenië zouden met gebiedsuitbreiding worden beloond voor hun deelname aan de veldtocht tegen de Sovjet-Unie.

Het was een geweldig groot, agressief en wreed plan, hoewel de militaire bevelhebbers, de partijbonzen en de moordeskaders van de SS nog even zouden moeten wachten voor ze te weten zouden komen hoe monsterachtig onmenselijk het was, aangezien Hitler nog zat te piekeren over het ideologische aspect van zijn "antibolsjewistische en anti-Slavische kruistocht", een mengsel van nazi-rassenbedenksels en bruut kolonialisme. Voor de geminachte ‘Untermenschen’, de Slavische ‘minderwaardigen’, die aan daadwerkelijke vernietiging ontsnapten, zou geen ander lot overblijven dan slavernij en uitbuiting.

De strijd om de meeste macht in de organisaties en lichamen die deze aspecten van de ‘politiek in het Oosten’ moesten gaan uitvoeren was hiermee ook begonnen. Eén voor één begonnen de verschillende regeringsinstanties zich te bemoeien met de plannen voor de uitbuiting van de veroverde gebieden. De ministeries van Landbouw en Economie, het bewapeningsbureau van het OKW, Reichsmarschall Hermann Goering en zijn medewerkers van het Vierjarenplan en tenslotte Alfred Rosenberg met zijn Ostbüro, dat in het voorjaar van 1941 werd opgericht, betwistten elkaar over wie welke opdracht kreeg te vervullen. Onder hen bevond zich ook Heinrich Himmler, Reichsführer SS, die in het voorjaar eveneens zijn deel kwam opeisen.

Tot aan de eerste week van december had het OKH het grootste deel afgehandeld van de planning voor de veldtocht tegen de Sovjet-Unie. General der Artillerie Alfred Jodl gaf nu het OKW opdracht de plannen uit te werken in een ontwerpdirectief. Op 16 december waren de eerste twee ontwerpdirectieven klaar. Ze kregen als naam Operatie Fritz en als nummer Directief 21. De volgende dag overhandigde Alfred Jodl het ontwerpdirectief aan Hitler.

Hitlers nieuwe plan: Barbarossa

En toen kwam Hitler met een ingrijpende verandering in het ontwerpdirectief. Zoals hij al in de bespreking op 5 december 1940 had aangegeven wilde hij een deel van de mobiele strijdkrachten van Heeresgruppe Mitte nadat de vernietiging van de Sovjetstrijdkrachten in Wit-Rusland was voltooid, naar het noorden laten zwenken om samen te werken met Heeresgruppe Nord, die vanuit Oost-Pruisen moest oprukken naar Leningrad om de vijandelijke formaties in de Baltische staten te vernietigen. Pas na de zuivering van het Oostzeegebied en na de val van Leningrad en de marinehaven Kronstadt moest de opmars naar Moskou in gang worden gezet.

Door deze ingreep had Hitler het voornaamste kernpunt van de militaire planning terzijde geschoven, want het plan voor de directe opmars naar Moskou had vanaf het begin deel uitgemaakt van de Duitse aanvalsplannen. Op aandringen van Hitler werd deze volledig afleidende manoeuvre in het directief opgenomen. Zowel het OKW als het OKH ondernam geen enkele poging deze wijzigingen ongedaan te maken.

Op 18 december 1940 ondertekende Hitler het directief met het nummer 21 voor de aanval tegen de Sovjet-Unie met de sinistere codenaam Barbarossa. Hitler had zich laten inspireren door Frederik Barbarossa die in 1189 de Derde Kruistocht had geleid tegen de moslimlegers van Saladin. In Hitler’s ogen was het plan Barbarossa ook een kruistocht, nu echter tegen de "bolsjewistische ongelovigen". een plan dat spoedig met eenzelfde middeleeuwse wreedheid zou worden uitgevoerd.

Het directief Barbarossa was lang en ingewikkeld. De Duitse strijdkrachten moesten ‘Sovjet-Rusland verpletteren’ in een snelle bliksemcampagne, waarvoor de voorbereidingen op 15 mei 1941 voltooid moesten zijn. De hoofdmacht van het Rode Leger moest in het westen van Rusland worden vernietigd en zijn terugtocht ‘naar de uitgestrektheden van het Russische grondgebied’ moest worden verhinderd. Het einddoel voor de Duitsers was de vestiging van een ‘verdedigingslinie tegen Aziatisch Rusland’, lopende van de Volga naar Archangelsk. ‘Het laatste industriegebied dat Rusland dan nog overheeft in de Oeral, kan door de Luftwaffe worden geëlimineerd.’

Roemenië en Finland, springplanken voor de aanvallen op de zuidelijke en de noordelijke flank zouden ‘waarschijnlijk bondgenoten zijn’ en in het noorden zouden ook de Zweedse spoorwegen vermoedelijk beschikbaar zijn om de aanvoer van voorraden naar Duitse troepen in Finland te vereenvoudigen.

Uitwerking van de marsorders

Nu de grote lijnen van Operatie Barbarossa bekend waren, kon worden begonnen met het opstellen van de marsorders. Heeresgruppe Mitte zou onder bevel staan van Generalfeldmarschall Fedor von Bock en kreeg het merendeel van de pantserstrijdkrachten toegewezen. Heeresgruppe Mitte kreeg in de frontlinie ten noorden van de Pripjatmoerassen de opdracht de Sovjetstrijdkrachten in Wit-Rusland te vernietigen. Er moest een mogelijkheid worden opengelaten sterke mobiele eenheden naar het noorden te laten afbuigen om Heeresgruppe Nord bij te staan in haar operaties. Heeresgruppe Nord, onder leiding van Generalfeldmarschall Wilhelm Ritter von Leeb was namelijk op papier het zwakst toegerust van de drie legergroepen. Het kreeg de taak de door de Sovjet-Unie geannexeerde Baltische staten Estland, Letland en Litouwen onder de voet te lopen en daar de Sovjetmarinehavens in te nemen om vervolgens naar Kronstadt en Leningrad door te stoten.

Ten zuiden van de Pripjatmoerassen moest Heeresgruppe Süd onder commando van Generalfeldmarschall Gerd von Rundstedt doordringen in de uitgestrekte Oekraïne. Heeresgruppe Süd zou zowel vanuit zuidelijk Polen als Roemenië oprukken. Von Rundstedt moest de Sovjetformaties in het westen van de Oekraïne en in Galicië vernietigen om vervolgens bruggenhoofden te slaan aan de oostelijke oever van de Dnjepr om daarna naar Kharkov of naar Rostov door te stoten.

De rol van de bondgenoten

Roemenië was ondertussen vrijwel een Duitse militaire satellietstaat geworden. Terwijl Hitler zelf de Roemeense dictator maarschalk Ion Antonescu inpalmde, zorgde een contingent van de Luftwaffe voor de verdediging van de olievelden bij Ploiesti. Een militaire missie coördineerde de hervormingen van het Roemeense leger en werkte plannen uit voor een Roemeense aanval op de Sovjet-Unie onder Duitse leiding.

De Finnen namen een speciale plaats in. Laat in de zomer van 1940 werden zij gepolst over een Duits-Finse militaire samenwerking. Spoedig daarna sloten zij zich bij Duitsland aan, niet in een strikt bondgenootschap, maar in ‘Waffenbruderschaft’ (militair kameraadschap). Duitse troepen trokken Finland binnen en de hoofdmacht van het Finse leger kreeg de taak om met Heeresgruppe Nord samen te werken voor de aanval tegen Leningrad.

Het is buitengewoon eigenaardig dat de Italianen totaal niet betrokken werden in de planning van Operatie Barbarossa. Pas een dag voordat de invasie begon werd de fascistische dictator Benito Mussolini door middel van een door Hitler zelf geschreven brief ingelicht over de Duitse plannen om de Sovjet-Unie aan te vallen. Ook de Japanners waren niet op de hoogte van Hitlers plannen. Het driemogendhedenpact van 1940, ondertekend door Duitsland, Italië en Japan, werd dus alleen als militair verdrag beschouwd als het Hitler uitkwam. In april werd zelfs een neutraliteitsverdrag overeengekomen tussen Japan en de Sovjet-Unie. Een verdrag dat verstrekkende gevolgen zou hebben voor de Sovjetstrategie.

Op 17 maart 1941 besliste Hitler dat Hongarije niet betrokken zou worden in Operatie Barbarossa en dat Slowakije alleen gebruikt zou worden als bevoorradingsbasis en opstellingsgebied. In februari hadden Duitse troepen overigens al toestemming gekregen voor een vrije doortocht door Bulgarije, waarvan de ligging echter van meer belang was voor de aanval tegen Griekenland dan voor de veldtocht tegen de Sovjet-Unie.

Verdere aanpassingen aan het aanvalsplan

Na december 1940 veranderde het Duitse aanvalsplan slechts in twee opzichten. In het uiterste noorden van het bezette Noorwegen werden Duitse troepen gestationeerd (AOK Norwegen) voor een aanval op Petsamo om vervolgens in samenwerking met de Finnen naar Moermansk op te rukken. Hitler hoopte hiermee eventuele Britse amfibische landingen voor te kunnen zijn en die eventueel in de kiem te smoren. Deze militaire actie kreeg de codenaam Silberfuchs.

De andere verandering in het aanvalsplan had betrekking op de zuidelijke sector. Hitler was ongerust over een eventuele Britse interventie in Griekenland, waardoor hij bevel gaf troepen van Heeresgruppe Süd naar Bulgarije te verplaatsen. Daardoor raakte Generalfeldmarschall Gerd von Rundstedt een aanzienlijk deel van zijn strijdkrachten kwijt en moest hij afzien van de eerder geplande dubbele tangbeweging in de Oekraïne. Op 17 maart 1941 besliste Hitler dat de legergroep zijn hoofdaanval moest concentreren aan de linkerflank van het operationele gebied. Hitler verlangde van Heeresgruppe Süd een directe opmars naar Kiev vanuit het zuiden van Polen. De 11. Armee aan de rechterflank moest in de beginfase van de invasie de beveiliging van de Roemeense olievelden waarborgen. De linkerflank (6. Armee en Panzergruppe 1) moest na de inname van Kiev doorstoten naar de Zwarte Zee. Deze veranderingen in het aanvalsplan zouden beslissende gevolgen hebben voor het verdere verloop van Operatie Barbarossa.

Gebeurtenissen op de Balkan

Op 25 maart had de Joegoslavische pro-Duitse regering het Driemogendhedenpact ondertekend en zich daardoor aangesloten bij de Asmogendheden. Een dag later werd er echter een militaire staatsgreep gepleegd door Servische officieren. Hitler was woedend en gaf op 27 maart bevel voor een Duitse verovering van Joegoslavië in Führer Directief nr. 26. De Servische bevolkingsgroep had van oudsher goede betrekkingen met Rusland en op 5 april werd dan ook een niet-aanvalsverdrag getekend tussen de nieuwe Joegoslavische regering en de Sovjet-Unie. Een dag later bombardeerde de Luftwaffe Belgrado (Operatie Bestrafung) en vielen Duitse troepen zowel Joegoslavië als Griekenland binnen.

Doordat de Wehrmacht onverwacht in actie diende te komen in Joegoslavië was Hitler gedwongen Operatie Barbarossa uit te stellen. Na beëindiging van de operaties in het zuidoosten zou het nog vier tot zes weken duren voordat de veldtocht tegen Rusland kon beginnen. Het is echter maar de vraag of de aanval tegen de Sovjet-Unie daadwerkelijk eerder had kunnen beginnen, want door de extreme regenval in Oost-Europa in het voorjaar van 1941 waren de Russische wegen onbegaanbaar en had het oversteken van rivieren waarschijnlijk grote problemen opgeleverd omdat deze ver buiten hun oevers waren getreden.

Na de verovering van de Balkan keerden de Duitse formaties die aan de verovering van Rusland gingen deelnemen weer terug naar hun oorspronkelijke opstellingen aan de grens met de Sovjet-Unie. Op 5 juni keurde Hitler het nieuwe tijdschema goed. Operatie Barbarossa zou van start gaan op 22 juni 1941 om 03.15 uur.

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
Artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
onderduiken
Het verstoppen voor de vijand.
Operatie Bestrafung
Codenaam voor de Duitse luchtaanval op Belgrado in april 1941.
Operatie Seelöwe
Codenaam voor de nooit uitgevoerde Duitse invasie van Groot-Brittannië.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
staatsgreep
Poging om met geweld de macht in de staat over te nemen.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.
volkscommissaris
In de Sovjetunie een minister.

Afbeeldingen

Adolf Hitler tijdens de planning voor Operatie Barbarossa. Links van hem Generalleutnant Friedrich Paulus, die in 1942 het commando kreeg over de 6. Armee, welke vernietigd werd te Stalingrad.
Het plan van Generalmajor Erich Marcks, 5 augustus 1940.
Het plan van Generaloberst Franz Halder (OKH), 5 december 1940.
Adolf Hitler's plan: Barbarossa, 18 december 1940.

De Wehrmacht in 1941

Tijdens de veldtochten tegen Polen in 1939 en tegen Frankrijk en de Lage Landen in 1940 hadden de Duitsers bewezen één van de best functionerende oorlogsmachines ter wereld te hebben. De Wehrmacht had de westelijke geallieerden een gigantische nederlaag toegebracht door middel van bliksemcampagnes. Polen werd binnen een maand verslagen en Frankrijk binnen zes weken op de knieën gedwongen. Het moreel van de Duitse soldaat was daardoor hoger dan ooit tevoren. In het voorjaar van 1941 hadden de Duitse strijdkrachten in de veldtochten tegen Joegoslavië en Griekenland opnieuw bewezen dat zij vrijwel iedere tegenstander kon verslaan.

De doorslaggevende factoren in de Duitse overwinningen waren superioriteit in het luchtruim boven het slagveld en de flexibiliteit van de pantserstrijdkrachten geweest. In de veldtocht tegen de Sovjet-Unie draaide de gehele Duitse strategie opnieuw om de snelheid van de tanks.

De pantserstrijdkrachten
Voor het doelmatig uitvoeren van Operatie Barbarossa hadden de Duitsers echter meer pantserdivisies nodig dan in de zomer van 1940 voorhanden waren. Op 10 september werden op persoonlijk bevel van Adolf Hitler de pantserdivisies gereorganiseerd en het aantal verdubbeld. Dit ging echter ten koste van de getalsterkte. De pantserdivisie van 1941 had slechts een enkel pantserregiment van twee bataljons, hoewel zes divisies er drie hadden. De pantserbataljons hadden twee compagnieën lichte en één compagnie middelzware tanks, terwijl de infanteriebrigade in elke pantserdivisie bestond uit twee gemotoriseerde regimenten, een bataljon motorrijders, drie middelzware artilleriebataljons en een bataljon luchtafweergeschut met de uitstekende 88mm kanonnen. Elke pantserdivisie had dus slechts 150 tot 200 tanks, die slechts de halve getalsterkte had van de oorspronkelijke pantserformaties. In totaal waren er dus 46 pantserbataljons voor de 20 pantserdivisies van het Duitse leger. Voor Operatie Barbarossa werden maar liefst 19 van de 20 pantserdivisies ontplooid.

Op 22 juni 1941 hadden de Duitsers ongeveer 3.750 tanks ter beschikking. Het merendeel van de tanks was van het type PzKpfw III en PzKpfw IV. Deze tanks hadden in de veldtocht tegen Frankrijk en de Lage Landen bewezen dat zij voldeden aan de vereisten van de moderne oorlogvoering. Er was echter nog steeds een groot aantal verouderde lichte tanks in gebruik, zoals de PzKpfw I, PzKpfw II en de oorspronkelijk Tsjechische PzKpfw (35)t en PzKpfw (38)t. Deze verouderde modellen waren in de voorgaande Duitse campagnes al zeer kwetsbaar gebleken voor vijandelijk pantserafweergeschut en waren in feite dringend aan vervanging toe. Maar door gebrek aan tanks waren de Duitsers gedwongen deze lichte tanks opnieuw in te zetten. Verontrustender voor de Duitsers was het gegeven dat de jaarproductie van de PzKpfw III en PzKpfw IV ver beneden het vereiste aantal lag. Dit zou de Wehrmacht in de loop van de veldtocht tegen Rusland gaan opbreken, omdat de Sovjetproductiecijfers aanzienlijk hoger lagen. Het Duitse opperbevel was zich hier terdege van bewust, ondanks Hitlers minachting voor de rapporten over een massale Sovjetsterkte aan tanks. Bovendien bestond er het vermoeden dat het Rode Leger een nieuw model tank bezat, zwaarder dan de PzKpfw IV. Ondanks deze problemen vertrouwde het Duitse leger op de technische superioriteit van haar uitrusting en de genialiteit van de tankcommandanten.

De infanterie
In tegenstelling tot wat vaak verondersteld wordt was het Duitse leger tijdens de Tweede Wereldoorlog verre van een volledig gemechaniseerde strijdmacht. Omdat Duitsland een groot gebrek had aan motorvoertuigen, was slechts een beperkt aantal formaties geheel gemotoriseerd. Het merendeel van deze gemotoriseerde formaties werd toegewezen aan de pantserdivisies, hoewel de Duitsers voor Operatie Barbarossa ook de beschikking hadden over 15 gemotoriseerde infanteriedivisies. Deze divisies waren wel in staat om in de voorhoede van het front door middel van snelheid en flexibiliteit successen te behalen en belangrijke veroverde gebieden of knooppunten in de achterhoede van de vijand te consolideren. Een ernstig nadeel bleek echter dat deze divisies deels waren uitgerust met in 1940 buitgemaakte Franse vrachtwagens, die niet zo goed bestand waren tegen de zware omstandigheden in de Sovjet-Unie als de vrachtwagens van Duitse makelij.

Een deel van de gemotoriseerde divisies behoorde tot de Waffen-SS. De SS-divisies Leibstandarte, Das Reich, Totenkopf en Wiking maakten deel uit van de slagorde van de Wehrmacht op 22 juni 1941. De Waffen-SS had in voorgaande campagnes reeds bewezen dat het niet onderdeed voor de reguliere troepen. Hoewel de gemiddelde verliescijfers van deze formaties aanzienlijk hoger waren geweest dan bij andere Duitse eenheden, had de Waffen-SS uitzonderlijke moed en doorzettingsvermogen getoond en had het in Joegoslavië en Griekenland zelfs een hoofdrol opgeëist.

Het merendeel van de infanterieformaties was echter niet gemotoriseerd en moest de onmetelijk lange afstanden in de Sovjet-Unie te voet afleggen. Het vervoeren van voorraden en artilleriestukken geschiedde voor het grootste deel door middel van paarden. In totaal had het Duitse leger 600.000 paarden in gebruik voor aanvang van Operatie Barbarossa. Nadat Hitler besloten had de Sovjet-Unie aan te vallen werd ook het aantal infanteriedivisies uitgebreid. In totaal hadden de Duitsers voor de veldtocht tegen de Sovjet-Unie de beschikking over 119 infanteriedivisies. Eerdere campagnes hadden al aangetoond dat de vijand vaak uit een door de pantserstrijdkrachten gecreëerde omsingeling kon ontsnappen als de infanterie niet snel genoeg kon opmarcheren om de omsingeling af te grendelen. Al waren de pantserstrijdkrachten nog zo succesvol, het succes van de Duitse opmars bleef afhankelijk van de snelheid waarmee de infanterie kon oprukken.

Tijdens de gevechten in Frankrijk was al gebleken dat de Duitse infanteristen grote moeilijkheden hadden in de verdediging tegen vijandelijke tanks. Het 3,7cm pantserafweergeschut was niet krachtig genoeg gebleken om een tank met een redelijke bepantsering uit te schakelen. Na de veldtocht in Frankrijk werd dan ook besloten het 3,7cm pantserafweerkanon te vervangen door een krachtiger 5cm pantserafweerkanon. In juni 1941 was echter het merendeel van de Duitse infanteriedivisies nog steeds uitgerust met het 3,7cm pantserafweerkanon.

Voor het uitvoeren van speciale operaties in de Sovjetachterhoede werden de Brandenburg-eenheden aangewezen. Deze uitstekend opgeleide commando's moesten verwarring en chaos stichten in de Sovjetverbindingen of speciale tactische doelen veiligstellen zoals bruggen en kruispunten. Deze commando's infiltreerden op de avond voor de Duitse invasie in de Sovjetlinies of werden per parachute afgeworpen achter de vijandelijke linies. Ook werden er in de maanden voorafgaand aan Operatie Barbarossa door de Duitse geheime dienst Oekraïense nationalisten gerekruteerd die zich eveneens met sabotage-acties bezig moesten gaan houden (Nachtigal Regiment). In de Baltische staten, waar het Sovjetbestuur nog maar kort gevestigd was, werden door de Duitse geheime dienst eveneens contacten gelegd met verzetsgroepen die bereid waren mee te werken aan Duitse plannen om de achterhoede van de Sovjets te ontwrichten.

De Luftwaffe
Het Duitse luchtwapen had in de voorgaande campagnes een groot aandeel gehad in de strijd. Voor Operatie Barbarossa waren 2.770 toestellen (65% van het totale aantal vliegtuigen die de Luftwaffe tot haar beschikking had) aangewezen om het luchtoverwicht te verkrijgen en daarmee de Rode Luchtmacht te vernietigen. Tevens was de Luftwaffe een onmisbare ondersteuning voor de Duitse grondtroepen.

De standaardjager van de Luftwaffe was de Messerschmitt Bf 109. Dit jachtvliegtuig was een formidabel toestel. Hoewel de Duitsers dus de beschikking hadden over een uitstekend jachtvliegtuig, waren andere Duitse toestellen sterk verouderd. De beruchte Junkers Ju 87 kon alleen overleven bij een luchtoverwicht, terwijl de Heinkel He 111, Dornier Do 17 en de Junkers Ju 88, Duitslands voornaamste bommenwerpers, zowel in bereik als in laadvermogen tekort schoten.

Tijdens de Slag om Engeland had de Luftwaffe een pijnlijke nederlaag geleden en de Duitse industrie had de verliezen nog steeds niet gecompenseerd. In juni 1941 had de Luftwaffe in totaal zelfs 200 minder toestellen beschikbaar dan een jaar eerder. Gezien deze tekortkomingen en de noodzaak om te opereren vanaf geïmproviseerde vliegvelden was het voor Duitse piloten uitermate lastig een effectief luchtoverwicht te creëren, mede ook omdat het luchtruim boven de Sovjet-Unie zo uitgestrekt was. De Luftwaffe was in de jaren dertig opgezet als een tactische luchtmacht, die uitstekend in staat was grondsteun te verlenen op korte afstand, maar vanwege het gebrek aan lange-afstandsbommenwerpers geen effectieve luchtcampagne kon voeren tegen verafgelegen vijandelijke doelen.

De Kriegsmarine had een ondersteunende rol in Operatie Barbarossa. Ze kreeg de taak mijnen te leggen in Russische territoriale wateren, blokkades op te werpen en had bovendien een belangrijk aandeel in de artillerieondersteuning van Heeresgruppe Nord tijdens aanvallen tegen Sovjetgrondeenheden in het Oostzeegebied.

Roemeense troepen
De belangrijkste bondgenoot van Duitsland was Roemenië, dat geregeerd werd door dictator maarschalk Ion Antonescu, die tevens opperbevelhebber was van de Roemeense strijdkrachten. Een Duitse delegatie had vanaf oktober 1941 meegewerkt aan hervormingen binnen het Roemeense leger. Ondanks inspanningen om de gevechtswaarde van de Roemenen te verbeteren, bleef het Roemeense leger qua gevechtskwaliteit ver beneden het Duitse niveau. Het Roemeense leger droeg bij aan Operatie Barbarossa door het inzetten van 358.140 manschappen verdeeld over twee legers. Deze twee legers (Derde en Vierde Leger) maakten samen met de Duitse 11. Armee deel uit van de Heeresgruppe Antonescu.

In het noorden waren er door de overeenkomst met Finland Duitse troepen gestationeerd die in samenwerking met het Finse leger onder aanvoering van veldmaarschalk Carl Mannerheim operaties zouden uitvoeren om het in de Winteroorlog van 1939-1940 verloren gegane gebied te heroveren (zie: Vervolgoorlog). In het uiterste noorden werden in Noorwegen en Finland troepen verzameld die een aanval zouden ondernemen op Moermansk. Ook dit zou een gecombineerde Fins-Duitse operatie worden. In totaal mobiliseerden de Finnen 302.600 manschappen voor het ondernemen van offensieve operaties tegen het Rode Leger.

‘Vernichtungskrieg’
In een rede tot zijn generaals op 30 maart 1941 had Adolf Hitler al aangegeven dat Operatie Barbarossa een vernietigingsoorlog moest worden. De verantwoordelijkheid van het leger werd beperkt tot de gevechtszone. De militairen moesten dan ook de grenzen van hun eigen geweten vaststellen… of vergeten. In het beruchte commissarissenbevel van 6 juni 1941 werd deze politiek nog eens bekrachtigd. Communistische commissarissen en autoriteiten, zowel burgerlijke als militaire, werden volledig buiten de wet gesteld. Ze werden zonder enige vorm van proces tot onmiddellijke terechtstelling veroordeeld. Begin maart 1941 had Hitler al bepaald dat krijgsraden alleen voor militair personeel zouden gelden. Commissarissen zouden, als ze gevangengenomen werden, onmiddellijk worden geëxecuteerd. Als dat niet door Duitse gevechtstroepen werd gedaan, zouden de moordbrigades daar wel voor zorgen.

Deze moordbrigades, beter bekend als de Einsatzgruppen werden in 1941 door Reinhard Heydrich, de rechterhand van Heinrich Himmler, in het leven geroepen. Aan iedere legergroep werd zo’n moordbrigade toegevoegd. Hoewel ze onafhankelijk van het leger werkten en alleen verantwoording schuldig waren aan Heinrich Himmler, werkten zij in feite nauw met de legerleiding samen, die bijvoorbeeld verantwoordelijk was voor hun transport en verzorging. Het voornaamste doel van de Einsatzgruppen was het uitroeien van de Joodse bevolking in de veroverde gebieden in de Sovjet-Unie.

Logistieke problemen
De grootste zwakte van Duitsland lag op het logistieke vlak. In de uitgestrekte Sovjet-Unie waren er nauwelijks verharde wegen aanwezig en de spoorbreedte verschilde ook van de spoorlijnen die in Duitsland aanwezig waren. De Wehrmacht was voor haar bevoorrading dus afhankelijk van buitgemaakt Sovjet-spoorwegmaterieel. De diversiteit van de Duitse wapens vereiste bovendien een uitgebreid onderhouds- en reparatiesysteem. Hier was in de planning van Operatie Barbarossa echter nauwelijks rekening mee gehouden.

Misschien was Duitslands grootste fout wel het feit dat het de economie niet geheel had aangepast aan de oorlogsomstandigheden. Tekorten aan grondstoffen en brandstoffen werkten bovendien ernstig in het nadeel van de Duitse industrie. De Duitse industriële economie was in juni 1941 inmiddels afhankelijk geworden van 3.000.000 buitenlandse dwangarbeiders en bij het oproepen van lichtingen dienstplichtigen namen de tekorten aan arbeiders alleen nog maar toe. Net zoals in de voorgaande operaties rekende Hitler op een bliksemoverwinning en er werd dan ook geen rekening gehouden met een eventuele voortzetting van de oorlog in de winter. Het moest en het zou een snelle overwinning worden, anders zou het Derde Rijk wel eens in ernstige problemen kunnen komen.

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Kriegsmarine
Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
Totenkopf
Letterlijk: doodshoofd. Symbool dat door de SS werd gevoerd. Ook de naam van een SS divisie.

Afbeeldingen

Duits halfrupsvoertuig.
De glorieuze Wehrmacht in Parijs in de zomer van 1940.

Het Rode Leger in 1941

Tegenover het beste leger ter wereld stond een leger dat in 23 stormachtige en woelige jaren een grote verscheidenheid van organisatorische, theoretische en operationele ervaring had opgedaan. In de begintijd van de Russische revolutie en de daaropvolgende Burgeroorlog hadden de bolsjewistische leiders strijdkrachten nodig om hun greep naar de macht te kunnen verdedigen. Op basis van vrijwillige deelname van partijleden en andere bereidwillige verdedigers van het regime werd het Rode Leger van Arbeiders en Boeren (RKKA=Raboche Krestyanskaya Krasnaya Armia) gevormd, kortweg het Rode Leger.

Maar om over voldoende manschappen te beschikken besloot Lenin de dienstplicht in te voeren. Het Rode Leger groeide uit tot een leger van 5.000.000 manschappen, maar als gevolg van de overal voorkomende oorlogsmoeheid en de sterke vooroordelen tegen discipline en de orthodoxe militaire organisatie kwam veel desertie voor, waardoor eenheden werden ontbonden en weer opnieuw gevormd werden, al gelang naar de stemming van de boerensoldaten ter plaatse.

Ongeregelde roversbende
Over het geheel genomen leek het Rode Leger op een ongeregelde roversbende dat op de één of andere manier door politieke commissarissen tot een soort strijdmacht bijeengehouden werd. Dit leger werd geleid door een beroepsstaf in Moskou, welke bestond uit voormalige tsaristische officieren.

De Burgeroorlog was een bewegingsoorlog, waarin de cavalerie van beide partijen diep in het door de vijand bezette gebied doordrong om plundertochten uit te voeren en daarmee verwarring zaaide in de achterhoede van hun tegenstander. De slecht uitgeruste infanterie nam het opruimen van verzetshaarden voor haar rekening. Het Rode Leger wist uiteindelijk aan het langste eind te trekken waardoor het communistisch regime gevestigd bleef in Moskou.

Het Rode Leger werd na de Burgeroorlog deels ontbonden en gereorganiseerd. Langs de grenzen en in dichtbevolkte gebieden werden de voornaamste eenheden gelegerd, terwijl grote cavalerieformaties werden achtergehouden voor het uitvoeren van offensieve operaties. Het was de tijd van de half-ontwikkelde "rode commandant", de ex-guerrillastrijder, die het voor het zeggen had. De werkelijke militaire specialisten, die meestal geen proletarische achtergrond hadden, kwamen nauwelijks aan bod. Daar kwam verandering in door de publicaties van M.V. Frunze, een succesvol legercommandant uit de Burgeroorlog. Hij ontwierp een geheel nieuwe militair-politieke denkwijze die grote invloed zou krijgen op de doctrine van het Rode Leger. De belangrijkste kenmerken van zijn denkwijze waren het door middel van offensieve operaties en ideologische scholing afdwingen van de wereldrevolutie. Frunze maakte eveneens een zeer belangrijk begin met de daadwerkelijke modernisering van de Sovjetstrijdkrachten. De macht van de politieke commissarissen in de operationele bevelvoering werd door toedoen van Frunze voor een groot deel aan banden gelegd.

Geheime overeenkomst met Duitsland
In het Verdrag van Versailles, opgesteld door de westelijke geallieerden na de Eerste Wereldoorlog, werd Duitsland beperkingen opgelegd voor het ontwikkelen en produceren van bepaalde wapens. Doordat zowel Duitsland als de Sovjet-Unie internationaal in een geïsoleerde positie waren terechtgekomen werd er op 16 april 1922 in het Italiaanse Rapallo een politiek verdrag overeengekomen, waarin Duitsland de Sovjets als officiële regering van de Sovjet-Unie erkende. In het geheim werden er echter ook economische en militaire overeenkomsten gesloten. In de Sovjet-Unie werden Duitse wapenfabrieken aangelegd, terwijl er bovendien opleidingsfaciliteiten werden gecreëerd door officieren van de Reichswehr. In ruil hiervoor kregen Sovjetmilitairen de gelegenheid deel te nemen aan technische en tactische lessen.

Hoewel M.V. Frunze in 1925 overleed, werden zijn denkbeelden door een nieuwe generatie militaire intellectuelen verder uitgewerkt tot bruikbare strategieën. Geïnspireerd door de lessen die zij van Duitse officieren hadden geleerd werd er naar oplossingen gezocht om een loopgravenoorlog te voorkomen zoals die in de Eerste Wereldoorlog had plaatsgevonden. Hierbij gebruikten de Sovjets tevens de lessen die zij uit de Burgeroorlog hadden geleerd met betrekking tot het uitbuiten van een doorbraak door middel van cavalerie-formaties. De uiteindelijke oplossing werd gevonden in het vormen van gemechaniseerde en gemotoriseerde formaties. Hierbij werd door onder andere Svechin en Triandafilov een strategie uitgewerkt die bekend werd als de 'diepteaanval' (gluboki boy). In de theorie van de 'diepteaanval' moest een overwinning worden bewerkstelligd door middel van een gecombineerde inzet van infanterie, cavalerie, tanks, artillerie en luchtstrijdkrachten. Tukhachevsky, één van de meest invloedrijke rode commandanten, zorgde ervoor dat deze revolutionaire doctrines werden opgenomen in het Rode Leger en diende bij Stalin verzoeken in voor de benodigde wapens.

De Vijfjarenplannen
De door Joseph V. Stalin ingevoerde Vijfjarenplannen moesten de toekomstige formaties van deze wapens gaan voorzien. Het Rode Leger had echter nauwelijks ervaring in de productie van tanks. In Groot-Brittannië werd een licentie gekocht om in Rusland de Vickers-tank te kunnen produceren, die doorontwikkeld werd en uiteindelijk als T-26 werd gefabriceerd, terwijl in de Verenigde Staten de Christie-tank werd aangekocht die de Sovjets zouden doorontwikkelen tot de BT-2 en later tot de BT-5 en BT-7.

In 1930 werd de eerste tankbrigade opgericht en in 1932 waren er inmiddels vier van deze brigades. Door de toegenomen productie van tanks waren de Sovjets in 1936 in staat om maar liefst vier gemechaniseerde korpsen te formeren. Bovendien was er in 1936 een veelvoud aan onafhankelijke gemechaniseerde brigades, tankregimenten en tankbataljons. Een gemechaniseerd korps in 1936 had de beschikking over 560 tanks en 12.700 manschappen. Cavaleriekorpsen en cavaleriedivisies werden in stand gehouden, maar aan deze eenheden werden tankformaties toegevoegd.

De Sovjets waren ook de eersten die het nut inzagen van het op grote schaal inzetten van luchtlandingstroepen. Begin jaren dertig begonnen de eerste experimenten met luchtlandingstroepen. Er werd besloten om het gebruik van luchtlandingen in de achterhoede van de vijand op te nemen in de Sovjet militaire doctrine. Nadat de legerleiding overtuigd was van het nut van luchtlandingen werd er begonnen met de creatie van luchtlandingsbrigades, die begin jaren veertig zelfs werden uitgebreid tot volledige korpsen.

Halverwege de jaren dertig oefende het Rode Leger jaarlijks in de zomer in het uitvoeren van grote militaire manoeuvres. Westerse waarnemers waren diep onder de indruk van hetgeen het Rode Leger aan de dag legde in deze grootscheepse militaire oefeningen. In 1934 werden persoonlijke rangen ingevoerd en werd de macht van de politieke commissaris nog verder beperkt. Bovendien werd er opnieuw een Generale Staf met de benodigde opleidingsfaciliteiten geïnstalleerd. Er mag dan ook met recht gesproken worden dat de ongeorganiseerde roversbende uit de jaren twintig volwassen was geworden en halverwege de jaren dertig was uitgegroeid tot één van de meest vooruitstrevende legers ter wereld.

Experimenten in Spanje
In 1936 brak de Spaanse Burgeroorlog uit, waarin Duitsland en Italië de Nationalisten onder leiding van Franco steunden in hun strijd tegen de Republikeinen door middel van het leveren van wapens en troepencontingenten. Stalin besloot hierop de Republikeinen te gaan steunen en stuurde gevechtsvliegtuigen, tanks en 'adviseurs' naar Spanje. Tijdens de gevechten bij Guadalajara versloeg een Sovjettankeenheid onder bevel van Dmitry G. Pavlov, twee Italiaanse gemotoriseerde divisies. Dmitry G. Pavlov trok hieruit de conclusie dat de Franse manier om tanks te gebruiken, als rechtstreekse steun van de infanterie, de beste was en dat de Sovjettheorieën met gemotoriseerde eenheden ondeugdelijk waren. Nadat Dmitry G. Pavlov terugkeerde naar de Sovjet-Unie legde hij dit voor aan de Volkscommissaris van Defensie Kliment E. Voroshilov, die toch al niet overtuigd was van de vooruitstrevende denkbeelden binnen de intellectuele top in het Rode Leger. In navolging van de ervaringen in Spanje werden de gemechaniseerde formaties ontbonden en de tanks verdeeld over de infanterieformaties en apart onderverdeeld in kleinschalige tankbrigades, die nauwelijks beschikten over ondersteunende eenheden.

De zuivering van het officierenkorps
Op dat ogenblik werden de strijdkrachten door Stalins zuivering getroffen. Weinig gebeurtenissen hadden zo veel invloed op het Rode Leger in 1941 als de stelselmatige vernietiging van het Sovjetopperbevel, die Stalin tussen 1937 en 1939 doorvoerde. Stalins motief bij het zuiveren van het leger was in de eerste plaats zijn positie als absoluut heerser over de Sovjet-Unie veilig te stellen. En aangezien het leger over wapens beschikte en bovendien leiders bezat die hun positie, gezag of prestige niet aan Stalin te danken hadden, moesten die leiders worden vernietigd, net zoals dat in de partij was gebeurd. Drie van de vijf maarschalken, waaronder Tukhachevsky, 11 gevolmachtigde commissarissen van defensie, 13 van de 15 legerbevelhebbers en alle militaire districtsleiders van mei 1937, evenals de voornaamste leden van de marine- en luchtmachtstaven, werden in deze periode geëxecuteerd of verdwenen spoorloos. Het politieke apparaat, dat verondersteld werd de beroepsmilitairen van raad te voorzien, onderging hetzelfde lot. In totaal werden 54.714 officieren weggezuiverd, waarvan er 15.000 werden geëxecuteerd of spoorloos verdwenen. De rest werd veroordeeld tot het uitzitten van straffen in gevangenissen of strafkampen. Tegelijkertijd werden de vooruitstrevende ideeën over de manier van oorlogvoering deels naar de prullenbak verwezen. In wezen werd het Rode Leger ontdaan van zijn hersens.

Een gedeelte van de militaire doctrine werd in stand gehouden, maar er waren nog maar weinig officieren overgebleven die de revolutionaire tactieken konden toepassen. De weggezuiverde officieren werden vervangen door politiek betrouwbare, maar onervaren en bovendien voor het merendeel ongeschoolde bevelhebbers. Dit had grote gevolgen voor de organisatie, coördinatie en daarmee de efficiëntie van de Sovjetstrijdkrachten. Angst voor het stalinistische regime weerhield de overgebleven en nieuwbenoemde bevelhebbers van het ontplooiien van eigen initiatief. Om zijn controle op het Rode Leger kracht bij te zetten, had Stalin de rechten van de commissaris in ere hersteld. Elk bevel dat uitgevaardigd werd door een officier, moest weer door de commissaris bekrachtigd worden.

Ervaringen in het Verre Oosten, Polen en Finland
In het Verre Oosten had het Rode Leger al sinds begin jaren dertig een goedgetrainde strijdmacht opgesteld aan de oostgrenzen van de Sovjet-Unie vanwege de dreiging die uitging van de Japanners. In 1938 en 1939 werden er op grote schaal grensgevechten geleverd tussen Siberische Sovjetsoldaten en het Kwantoengleger. Aangezien Moskou in het Verre Oosten minder invloed had op de bevelvoering wist korpscommandant Georgy K. Zhukov met zijn troepenmacht de Japanners te verslaan door een gecombineerd gebruik van tanks, infanterie, artillerie en gevechtsvliegtuigen.

Ook in het westen kwam het Rode Leger in actie in september 1939. Hoewel de Duitsers de Polen al zo goed als verslagen hadden eiste het Rode Leger op 17 september haar deel op van het Poolse grondgebied. Dit was zo afgesproken in geheime toegevoegde protocollen bij het op 23 augustus van datzelfde jaar overeengekomen Molotov-Ribbentrop Pact. Gedurende de inname van oostelijk Polen werd duidelijk dat er grote problemen waren bij de gemotoriseerde eenheden. Twee tankkorpsen namen deel aan de opmars naar het westen. Deze werden echter voortdurend opgehouden door mechanische en logistieke problemen.

In december 1939 brak er eveneens een conflict uit met Finland, bekend als de Winteroorlog. De prestaties van het Rode Leger in de eerste maand van het conflict voldeden niet aan de verwachtingen en er werden rampzalige verliezen geleden, zonder dat de voorafgestelde doelen werden bereikt. De verrichtingen van de tankformaties tijdens de Winteroorlog waren armoedig. Veel tanks gingen verloren vanwege technische mankementen en opnieuw schoot de logistiek ernstig tekort. De tankformaties werden daardoor voornamelijk ingezet als ondersteuning van de infanterie.

Hervormingen
Gezien de Duitse successen in Polen en Noorwegen en de armoedige prestaties van het Rode Leger in Finland werd er in mei 1940 besloten tot een grootschalige reorganisatie. Ten eerste werden er in de hoogste posten van het militaire apparaat wijzigingen aangebracht in de bevelvoering. De ondeskundige maarschalk Kliment E. Voroshilov, Volkscommissaris van Defensie, werd vervangen door maarschalk Semyon K. Timoshenko en Chef van de Generale Staf maarschalk Boris M. Shaposhnikov werd vervangen door kolonel-generaal Kirill A. Meretskov. Semyon K. Timoshenko verscherpte de discipline door het opleggen van zware straffen voor kleine overtredingen. De in het tijdperk van de tsaar gebruikelijke rangen van generaal werden in ere hersteld en een deel van de weggezuiverde officieren werd gerehabiliteerd (waarvan het bekendste voorbeeld de vrijlating van de latere maarschalk Konstantin K. Rokossovsky). In juni werden ongeveer 1.000 officieren bevorderd. Dit had tot gevolg dat een officier gemiddeld genomen een positie bekleedde die twee rangen hoger lag dan waarvoor hij was opgeleid.

Na de Duitse verovering van West-Europa en de toegenomen spanningen met de nazi's werd het in de Sovjet-Unie duidelijk dat er wat moest worden ondernomen om het in geval van een Duitse invasie een weerwoord te kunnen bieden. Eind 1940 werd dan ook besloten de gemechaniseerde korpsen in ere te herstellen. De gemechaniseerde korpsen waren echter groter dan de gemechaniseerde korpsen uit de jaren dertig. Op papier had een gemechaniseerd korps in 1941 de beschikking over 1.031 tanks en 36.080 manschappen. Toch waren de gemechaniseerde korpsen qua organisatie en structuur nauwelijks te vergelijken met de flexibel, maar wel gecompliceerd opererende Duitse pantserformaties.

Maarschalk Semyon K. Timoshenko werkte plannen uit voor een uitbreiding van het Rode Leger die in 1942 voltooid moest zijn. De verouderde tanks moesten vervangen worden door modellen die aan de eisen van het moderne slagveld voldeden. Deze nieuwe tanks moesten ingedeeld worden in maar liefst 29 gemechaniseerde korpsen. De gemechaniseerde korpsen werden opgebouwd rondom de kaders van bestaande cavalerieformaties en zouden voorlopig worden uitgerust met de verouderde T-26, BT-2, BT-5, BT-7 en T-28 tanks, totdat deze vervangen waren door de nieuwe modellen T-34 tank en KV-1. Om de mobiliteit te garanderen van de gemotoriseerde infanterieformaties, die tot de gemechaniseerde korpsen behoorden, werden vrachtwagens en tractoren weggenomen bij artillerieformaties van de reguliere divisies. Het grootste probleem bij de mobiele eenheden van het Rode Leger was het gebrek aan coördinatie. Manschappen werden slecht getraind (nieuwe voertuigen waren geheim, waardoor training nog nauwelijks was begonnen) en maar bij enkele voertuigen was er communicatie-apparatuur aan boord. De manier van communiceren geschiedde nog door middel van het seinen met vlaggen.

Infanterieformaties
In 1939 werd er reeds begonnen met een gigantische uitbreiding van het Rode Leger, vanwege de groeiende internationale spanningen. Hoewel de nadruk in een bewegingsoorlog ligt bij de gemechaniseerde formaties, bestond het Rode Leger toch nog altijd voor het merendeel uit infanterieformaties (In 1939 zo'n 65% van het aantal grondtroepen). Door Stalins zuiveringen waren er echter veel te weinig officieren voorhanden die de nieuwe formaties op een professionele manier konden opleiden en aanvoeren.

Op 16 augustus 1940 werd besloten tot een herziening van de bestaande mobilisatieplannen. Er werd een speciale commissie in het leven geroepen, voorgezeten door Alexandr M. Vasilevsky, die lid was van de Generale Staf. De nieuwe mobilisatieplannen werden bekend onder de benaming MP-41 (Mobilisatie Plan 41) en zouden in de loop van 1941 steeds weer worden aangepast. MP-41 voorzag in een geheim mobilisatieproces waardoor reservisten op beperkte schaal werden opgeroepen onder de dekmantel van oefenmanoeuvres, waarmee in mei 1941, en dus veel te laat, werd begonnen. Toen de Duitsers op 22 juni de Sovjet-Unie binnenvielen had het Rode Leger in haar westelijke militaire districten slechts 2.901.000 manschappen onder de wapenen.

Op papier was een Sovjetdivisie vrijwel gelijk aan een Duitse infanteriedivisie met een totaal van 14.483 manschappen, verdeeld over drie regimenten van drie bataljons, twee regimenten artillerie, een licht tankbataljon en ondersteuningseenheden. In juni 1941 waren de divisies fuseliers echter sterk onderbemand en hadden gemiddeld genomen niet meer dan 8.000 manschappen onder de wapenen. Doordat er in mei 1941 een beroep werd gedaan op 800.000 reservisten, waren de divisies mondjesmaat aangevuld, maar het ontbrak de reservisten aan ervaring. Een Sovjetleger bestond in juni 1941 uit drie korpsen fuseliers, die op hun beurt weer waren samengesteld uit twee tot drie divisies fuseliers. In de praktijk bestond een Sovjetleger in juni 1941 dus maar uit zes tot tien divisies, ondersteund door een onderbemand gemechaniseerd korps en een groot gebrek aan ondersteunings- en verbindingseenheden.

Overige grondtroepen
De Sovjettroepenmacht die in juni 1941 tegenover de Duitsers stond, bestond niet alleen uit reguliere legereenheden. Aan de grenzen waren speciale eenheden van de Russische veiligheidsdienst, de NKVD (Narodniy Kommissariat Vnutrennikh Del) opgesteld. Dit waren lichtbewapende formaties die zich voor het merendeel bezighielden met de grensbewaking, vergelijkbaar met de huidige douane. Deze NKVD-formaties stonden onder het directe bevel van Moskou en de districts- en legercommandanten werden buiten deze bevelstructuur gehouden. Ook voor de luchtverdediging hadden de Sovjets een aparte afdeling binnen de krijgsmacht, namelijk de PVO-Strany (Voiska Protivovozduchnoi Oboroni). De PVO was verantwoordelijk voor het bemannen van luchtafweergeschut rondom de steden en belangrijke strategische doelen zoals luchthavens. Het had zelfs de beschikking over eigen luchtstrijdkrachten.

De Rode Luchtmacht
De Sovjetluchtmacht (RKKVF= Raboche Krestyanskaya Krasnaya Armia) was in juni 1941 met 19.533 toestellen numeriek gezien de grootste luchtmacht ter wereld, waarvan 7.133 stuks zich bevonden in de westelijke militaire districten. De toestellen waren echter voor het merendeel hopeloos verouderd en de zuivering van het officierskorps had ook bij de Rode Luchtmacht desastreuze gevolgen. Ook werden getalenteerde en vooruitstrevende ontwerpers op bevel van Stalin weggezuiverd. Het overgrote merendeel van de Sovjetjachtvliegtuigen was van het type Polikarpov I-16, die zich op geen enkele wijze kon meten met zijn Duitse tegenhanger de Messerschmitt Bf 109. Er waren in juni 1941 bij de Rode luchtmacht ook nog tweedekkers in gebruik (Polikarpov I-15, Polikarpov I-152 en Polikarpov I-153). Gelijktijdig met het besluit om de uitrusting van het Rode Leger te vernieuwen werd bij de Rode Luchtmacht eveneens begonnen met grootschalige hervormingen.

Eind jaren dertig waren Sovjetontwerpers gestart met het ontwikkelen van moderne eendekkers, zoals de Mikoyan MiG-1, die uiteindelijk doorontwikkeld zou worden tot de Mikoyan MiG-3. De volledig van hout vervaardigde Lavochkin LaGG-1 en de Lavochkin LaGG-3 begonnen in het voorjaar van 1941 eveneens te arriveren bij de luchtmachteenheden. De Yakovlev Yak-1 en de Yakovlev Yak-3, waren ook mondjesmaat verdeeld over de Sovjetjachtregimenten. De productie van de nieuwe toestellen verliep echter langzaam en er waren te weinig piloten die deze nieuwe toestellen konden besturen.

De bommenwerpervloot van de Rode Luchtmacht was ook hopeloos verouderd. De Tupolev SB-2, Sukhoi SU-2 en de Ilyushin Il-4 (DB-3F) waren de meest gebruikte toestellen. In 1940 was men eveneens begonnen met de productie van nieuwe, verbeterde modellen, die zich later in de oorlog zouden gaan onderscheiden, zoals de Petlyakov PE-2 en de formidabele Ilyushin Il-2 'Shturmovik'. In juni 1941 waren er echter maar enkele van deze toestellen beschikbaar. Bij de bommenwerper-regimenten was er eveneens een groot gebrek aan geoefende bemanningen om deze nieuwe toestellen te kunnen bedienen. Bovendien waren de meeste toestellen niet voorzien van radio-uitrusting.

Door de gebiedsuitbreiding naar het westen moesten nieuwe vliegvelden worden aangelegd. In juni 1941 waren er nog weinig luchthavens volledig operationeel. Het merendeel van de toestellen stond in de openlucht opgesteld omdat er te weinig hangars beschikbaar waren om de vliegtuigen voor het oog van de Luftwaffe te verbergen en tegen de weersinvloed te beschermen. Ook was er op de luchthavens een groot gebrek aan luchtafweergeschut.

De bevelvoering bij de Rode Luchtmacht was ook verwarrend. Er waren luchtdivisies die waren toegewezen voor het ondersteunen van grondeenheden (legers en fronten), andere stonden onder direct bevel van de Generale Staf, terwijl weer andere eenheden waren ingedeeld in een bevelstructuur van regionale luchtverdediging (PVO). Het ontbrak de Rode Luchtmacht aan een gecoördineerde bevelstructuur, waardoor het moeilijk was om een gecombineerd inzet van land- en luchtstrijdkrachten te verwezenlijken. Bovendien waren de gebruikte tactieken hopeloos verouderd.

De Rode Marine
Ook de Rode Marine (RKKF= Raboche Krestyanskaya Krasnaya Flot) werd zwaar getroffen door de zuiveringen in de bevelvoering. Net zoals bij de landstrijdkrachten werd er in 1940 bij de Rode Marine op grote schaal gereorganiseerd. De traditionele rangen uit de tijd van de tsaar, namelijk die van admiraal en vice-admiraal, werden weer ingevoerd. De Rode Marine had de verantwoordelijkheid voor de verdediging van de Oostzeekust (Baltische Vloot met als thuisbasis Kronstadt), de kust in het hoge noorden (Noordelijke Vloot met haar basis in Moermansk) en de Zwarte Zeevloot had de taak om de Russische kust aan de Zwarte Zee te verdedigen (basis te Sevastopol). De Rode Marine had er door de inlijving van de Baltische staten een aantal nieuwe vlootbases bij, waardoor ze strategisch gezien haar positie had verbeterd om het tegen de Kriegsmarine in de Oostzee op te nemen in het geval van een oorlog. De Rode Marine was gedwongen een defensieve strategie te ontwikkelen bij een oorlog met Duitsland. Het merendeel van de productiemiddelen werd toebedeeld aan de bouw van onderzeeboten. De Rode Marine had overigens haar eigen luchtmachteenheden en grondtroepen ter verdediging van haar thuisbases en voor het ondernemen van amfibische landingen.

De Sovjet-Unie werd op 22 juni 1941 aangevallen toen ze in feite op haar zwakst was. Het grote gebrek aan goed opgeleide officieren, de uit de zuiveringen voortgekomen angst voor het ontplooien van eigen initiatief, de rigoreuze reorganisaties, de halfslachtige mobilisatie en het ontbreken van moderne communicatiemiddelen droegen in grote mate bij aan de desastreuze nederlagen van het Rode Leger in het openingsjaar van de Duits-Russische oorlog.

Definitielijst

artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
cavalerie
In het Engels Calvary. Oorspronkelijk een aanduiding voor bereden troepen. In de Tweede Wereldoorlog de aanduiding voor gepantserde eenheden. Belangrijkste taken zijn verkenning, aanval en ondersteuning van infanterie.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Kriegsmarine
Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
Mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
NKVD
Benaming van de veiligheidsdienst van de Sovjetunie ten tijde van WO II.
Reichswehr
Duitse leger in de tijd van de Weimarrepubliek.
revolutie
Meestal plotselinge en gewelddadige ommekeer van bestaande (politieke) verhoudingen en situaties.
RKKA
Officiële naam van het Rode Leger, de Landmacht van de Sovjet-Unie. Voluit Rabotsje Krestjanskaja Krasnaja Armiya, wat Rode Leger van Arbeiders en Boeren betekent.
RKKF
Officiële naam van de Rode Vloot, de Vloot van de Sovjet-Unie. Voluit Rabotsje Krestjanskaja Flot, wat Rode Vloot van Arbeiders en Boeren betekent.
RKKVF
Officiële naam van de Rode Luchtmacht, de Luchtmacht van de Sovjet-Unie. Voluit Rabotsje Krestjanskaja Vozdoesjny Flot, wat Rode Luchtvloot van Arbeiders en Boeren betekent.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
Volkscommissaris
In de Sovjetunie een minister.

Afbeeldingen

Halverwege de jaren dertig genoot het Rode Leger een hoog aanzien in Europese militaire kringen.
Het merendeel van het Russische materieel was in 1941 hopeloos verouderd.
De opleiding van Russische infanteristen.

Sovjet-verdedigingsplannen

Over de Sovjetplannen aan de vooravond van de Duitse invasie bestaan al tientallen jaren verwoede meningsverschillen en discussies. Stalin werd door tientallen verschillende bronnen ingelicht over de aanstaande Duitse invasie en het is dan ook bijna onvoorstelbaar dat het Rode Leger in de openingsfase van Operatie Barbarossa zo overrompeld werd. Er lagen echter meerdere oorzaken ten grondslag aan de ramp die de Sovjet-Unie trof in juni 1941. De catastrofe was een samenloop van omstandigheden, waarbij Stalins persoonlijke inmenging een beslissende rol speelde.

De Sovjet-Unie bevond zich net zoals Duitsland na de Eerste Wereldoorlog in een geïsoleerde positie op internationaal niveau. Er waren in Europa maar weinig regeringen waarmee de Sovjets vriendschappelijke en openhartige diplomatieke banden onderhielden en doordat de internationale spanningen halverwege de jaren dertig stegen werd er begonnen met de ontwikkeling van verdedigings- en mobilisatieplannen.

De eerste gedetailleerde verdedigingsplannen
In 1935 onderkende maarschalk Mikhail N. Tukhachevsky reeds het gevaar van de dreiging die uitging van nazi-Duitsland. Een jaar later stelde hij aan de Generale Staf voor een speciaal oorlogsspel te organiseren om te onderzoeken welke situatie er zou ontstaan door een Duitse invasie. Tukhachevsky ging uit van een gezamenlijke invasie ondernomen door Duitsland en Polen, die een troepenmacht ten noorden van de Pripjatmoerassen zouden concentreren om van daar uit via Smolensk door te stoten naar Moskou. Een bondgenootschap tussen Duitsland en Polen lijkt achteraf onwaarschijnlijk, maar men moet bedenken dat Duitsland en Polen in 1934 een niet-aanvalsverdrag overeengekomen waren. Aan de hand van zijn bevindingen uit het onderzoek verklaarde Tukhachevsky begin 1937: 'Operaties zullen onvermijdelijk intensiever en heviger zijn dan tijdens de Eerste Wereldoorlog. Toen duurden de grensgevechten in Frankrijk hooguit twee dagen. Nu kunnen offensieve operaties in de openingsfase van een oorlog weken gaan duren. De Blitzkrieg, die de Duitsers constant verkondigen in hun propaganda, kan alleen doelmatig zijn als het de tegenstander aan de wil ontbreekt om terug te slaan. Als de Duitsers een tegenstander treffen, die het initiatief overneemt, verandert het gehele verloop van de situatie.'

Aan de hand van deze bevindingen ontwikkelde Tukhachevsky in samenwerking met de Generale Staf een verdedigingsplan. Aan de grenzen moest het eerste echelon worden opgesteld, het zogenaamde 'schild'. Dit eerste echelon zou moeten bestaan uit zogenaamde 'gefortificeerde regio's' (UR= Ukreplenny Raion), voornamelijk samengesteld uit infanterie. De gefortificeerde regio's kregen de taak om het offensief van de vijand op te vangen, te vertragen en uiteindelijk een halt toe te roepen. Het tweede echelon, de 'geheime operationele groepen' zou moeten bestaan uit een combinatie van gemechaniseerde strijdkrachten en stoottroepen. Het tweede echelon, door Tukhachevsky bestempeld als de 'hamer', moest nadat de gefortificeerde regio's het vijandige offensief eenmaal vertraagd hadden een gigantische tegenaanval ondernemen en de vijand verdrijven van Sovjetgrondgebied om hem vervolgens te vernietigen aan de andere kant van de grens.

Aan de hand van deze strategie werd het Rode Leger voorbereid op een oorlog. Aan de westgrenzen van de Sovjet-Unie werden gefortificeerde regio's geïnstalleerd. Deze verdedigingslinie zou bekend worden als de Stalinlinie. Een half jaar nadat maarschalk Tukhachevsky de verdedigingsplannen had opgesteld werd hij echter samen met zijn voornaamste medewerkers geëxecuteerd. Dit betekende het begin van de terreurgolf die het Rode Leger zou gaan treffen.

Ontmanteling van de Stalinlinie
Nadat het officierenkorps was gedecimeerd en in Europa de spanningen stegen werd er door Hitler en Stalin een niet-aanvalsverdrag overeengekomen, het beruchte Molotov-Ribbentroppact. In de geheime clausules van het verdrag werd Oost-Europa door de twee totalitaire regimes verdeeld. Joseph V. Stalin hoopte met het Molotov-Ribbentroppact de Sovjet-Unie buiten de oorlog te houden en door Oost-Polen en de Baltische staten in te lijven een extra bufferzone te creëeren. Het gevolg van de bezetting van Oost-Polen en de annexaties in het Oostzeegebied was dat Duitsland en de Sovjet-Unie direct aan elkaar grensden en de Stalinlinie in feite overbodig was geworden. Nu de grenzen honderden kilometers in westelijke richting waren verplaatst werden de stellingen van de Stalinlinie dan ook ontmanteld en nam het Rode Leger verdedigende posities in langs de nieuwe grenzen. Dit betekende dat de bestaande verdedigingsplannen herzien moesten worden.

Geheel tegen Stalin's verwachting in overrompelden de Duitsers in mei en juni 1940 Frankrijk en de Benelux. De Sovjets hadden er serieus rekening mee gehouden dat de strijd in het westen een uitputtingsslag zou worden, maar in plaats daarvan werd het een Duitse bliksemoverwinning. In juli 1940 begon de Generale Staf in allerijl met de uitwerking van aangepaste verdedigingsplannen, waarbij Duitsland werd aangeduid als meest waarschijnlijke potentiële tegenstander. De Generale Staf bestempelde de regio ten noorden van de Pripjatmoerassen als de meest voor de hand liggende plaats waar de Duitsers hun hoofdmacht zouden concentreren.

Stalin moest dus in de tussentijd koste wat kost voorkomen dat de Sovjet-Unie in conflict zou raken met Duitsland. Op 12 november 1940 bracht Volkscommissaris van Buitenlandse Zaken Vyacheslav M. Molotov een bezoek aan Berlijn voor een gesprek met Hitler en Von Ribbentrop. Molotov reageerde terughoudend op een Duits voorstel om een overeenkomst te sluiten tussen de Sovjetunie en de leden van het Driemogendhedenpact. Molotov sprak zich uit over Stalins bezorgdheid over de Duitse bemoeienissen op de Balkan en in Finland en eiste garanties en concessies van de Duitsers. Bovendien vroeg Molotov het recht militaire en marinebases te vestigen in het gebied van de Bosporus en de Dardanellen, waardoor de Sovjet-Unie controle zou krijgen over de zeestraat naar de Zwarte Zee. De onderhandelingen verliepen stroef en Molotov keerde uiteindelijk onverrichterzake terug naar Moskou. Dit waren de eerste openlijke aanwijzingen dat de spanningen tussen de twee supermachten stegen.

Inlichtingen over Duitse plannen
Al in januari 1941 vergaarden Sovjetagenten van de GRU (Glavnoye Razvedivatel' noye Upravlenye), de Sovjet militaire inlichtingendienst, informatie over Hitlers bedoelingen en Duitse troepenverplaatsingen naar het oosten. De NKVD had ook een eigen afdeling die zich uitsluitend bezighield met het verkrijgen van inlichtingen, de GUGBEZ (Glavnoye Upravlenye Gosudarstvennoi Bezopasnosti). Deze organisatie had in het door de nazi's bezette Polen en Tsjechoslowakije een uitgebreid spionagenetwerk opgezet en was goed op de hoogte van de Duitse troepenopbouw aan de grenzen. Maar ook vanuit het buitenland stroomden aanwijzigingen Moskou binnen dat Hitler van plan was de Sovjet-Unie aan te vallen. Vanuit Washington, Londen en Stockholm werd Stalin gewaarschuwd voor een Duitse verrassingsaanval in het komende voorjaar.

Later in de maand januari vonden er in het geheim oorlogsspelen plaats om de bestaande verdedigingsplannen te toetsen. Het verdedigingsplan dat de Chef van de Generale Staf Kirill A. Meretskov aan Stalin voorlegde voldeed schijnbaar niet aan de verwachtingen en K.E. Meretskov (Meretskov ging namelijk uit van een Duitse aanval ten noorden van de Pripjatmoerassen) werd ontheven uit zijn functie en vervangen door de jonge, talentvolle, maar agressieve legergeneraal Georgy K. Zhukov. Stalin was er namelijk net zoals maarschalk Semyon K. Timoshenko en legergeneraal Georgy K. Zhukov van overtuigd dat de hoofdmacht van een eventuele Duitse invasie ten zuiden van de Pripjatmoerassen zou worden gelanceerd. Zij gingen er namelijk van uit dat Hitler het had gemunt op de rijke graanvelden en industriegebieden in de Oekraïne. Dit betekende dat de Sovjetstrategie geheel moest veranderen. Zhukov kreeg de taak het verdedigingsplan te gaan uitwerken en de benodigde troepenverplaatsingen te coördineren.

Staatsverdedigingsplan 41
Legergeneraal Zhukov ging spoedig aan de slag met de uitwerking van Staatsverdedigingsplan 41 (DP 41). Hij greep terug naar de oude vertrouwde verdedigingsplannen van de weggezuiverde maarschalk Tukhachevsky. Volgens de nieuwe Chef van de Generale Staf zouden de allesbeslissende grensgevechten 10 tot 15 dagen in beslag nemen. Het Rode Leger zou tijdens de grensgevechten een verdedigende tactiek moeten innemen om vervolgens een grote tegenaanval te openen, waarna de oorlog ten westen van de grens verder uitgevochten moest worden. Zoals Tukhachevsky in de dertiger jaren al had uitgedacht werden er twee echelons geconcentreerd. In de voorste verdedigingsgordel (het 'schild') moest het merendeel van de divisies worden ontplooid en wel in het Speciale Baltische Militaire District (kolonel-generaal Fyodor I. Kuznetsov), het Speciale Westelijke Militaire District (kolonel-generaal Dmitry G. Pavlov), het Speciale Militaire District Kiev (kolonel-generaal Mikhail P. Kirponos) en het onafhankelijke 9e Leger (luitenant-generaal Cherevichenko). Deze zouden zodra de oorlog uitbrak respectievelijk worden omgedoopt in het Noordwestelijke Front, het Westelijke Front, het Zuidwestelijke Front en het Zuidelijke Front. Het eerste strategische echelon moest worden ondergebracht in drie verdedigingsgordels langs de nieuwe grenzen. De eerste verdedigingsgordel (in totaal 57 divisies) bestond uit lichtbewapende infanterieformaties en NKVD-grensposten, terwijl de tweede (52 divisies) en derde (62 divisies) gordel bestonden uit stoottroepen en gemechaniseerde korpsen om locale tegenaanvallen te ondernemen. Het tweede strategische echelon (de 'hamer') zou bestaan uit 57 divisies, en werd verdeeld over vijf legers die werden ontplooid langs de oevers van de Dnjepr en de Dvina. Het kreeg de opdracht om in samenwerking met de tweede en derde verdedigingsgordels uit het eerste echelon het grote tegenoffensief uit te voeren. Het tweede echelon werd door de Duitse inlichtingendiensten overigens niet opgemerkt en toen de Duitsers eenmaal doordrongen in het achterland van de Sovjet-Unie bleken deze een onaangename verrassing.

Opnieuw waarschuwingen voor een Duitse aanval
De waarschuwingen voor een Duitse invasie bleven binnenstromen in Moskou. Er werd zelfs al doorgegeven dat de Duitsers op 15 mei 1941 zouden aanvallen. Het effect van deze waarschuwingen was een intensivering van de Sovejtpogingen om een oorlog te voorkomen. Er werden diverse berichten naar Berlijn gestuurd waarin de Sovjet-Unie aangaf dat het het niet-aanvalsverdrag trouw zou blijven. Stalin gebruikte zelfs het overeenkomen van het niet-aanvalsverdrag met Japan op 13 april 1941 om te benadrukken dat de vriendschap met Duitsland gegarandeerd was.

In mei 1941 kwamen er steeds meer berichten binnen in Moskou dat Hitler op een oorlog met de Sovjet-Unie aanstuurde. Sovjetagenten in Duitsland bevestigden Duitslands militaire voorbereidingen, maar garandeerden dat een Duitse invasie voorafgegaan zou worden door een ultimatum. Dit zorgde ervoor dat Stalin zijn vredespolitiek alleen maar verhevigde, hoewel hij op 5 mei een betoog hield in het Kremlin tegenover legerofficieren waarin hij verklaarde dat een Duitse aanval in de nabije toekomst niet kon worden uitgesloten. Stalin gaf in zijn rede aan dat de Sovjet-Unie door middel van diplomatie alles in het werk zou stellen om de Duitse aanval minstens tot de herfst uit te stellen. Zou dat lukken, dan werd volgens Stalin de oorlog vrijwel zeker in 1942 uitgevochten, in veel gunstigere omstandigheden. Diezelfde dag rapporteerden de inlichtingendiensten van het Rode Leger dat zich aan de grenzen 103 tot 107 Duitse divisies concentreerden, waarvan 12 pantserdivisies.

Hoewel er met Japan een niet-aanvalsverdrag was overeengekomen, was Stalin er niet van overtuigd dat de Japanners niet gelijktijdig met de Duitsers zouden aanvallen in het Verre Oosten. Ondanks de inlichtingen van meesterspion Richard Sorge dat Japan niet zou aanvallen, liet Stalin de troepenmacht in het Verre Oosten eveneens uitbreiden.

Het plan van generaal Zhukov
Op 15 mei 1941 gebeurde er echter niets en Stalins vermoeden dat de Britten hem in de oorlog wilden betrekken werd hierdoor alleen nog maar versterkt. Desalniettemin was het moment van de waarheid aangebroken voor de Generale Staf van het Rode Leger. Generaal Zhukov stelde diezelfde dag nog voor een preventieve aanval met 152 Sovjetdivisies te lanceren tegen de 100 zich aan de grens verzamelende Duitse divisies. Stalin voelde hier niets voor en toen Zhukov hierop een verzoek indiende om over te gaan tot een algehele mobilisatie stemde Stalin evenmin in. Daardoor kwam het Rode Leger in de knel, het mocht zich niet voorbereiden op een aanvallende strategie, noch op een verdedigende strategie. Stalin verbood met nadruk aanvallen van luchtdoelgeschut en jachtvliegtuigen tegen Duitse verkenningsvliegtuigen. Stalin wilde koste wat kost voorkomen dat de Duitsers geprovoceerd werden.

Op 10 mei 1941 ontpopte zich een nieuwe dreiging voor de Sovjetdictator. Rudolf Hess, Hitlers plaatsvervanger, vloog naar Schotland om met de geallieerden te onderhandelen om de Sovjets af te leiden van de Duitse dreiging en Stalin te laten geloven dat er een Britse samenzwering tegen de Sovjet-Unie overwogen werd. Stalin vatte na de merkwaardige vlucht de eerdere Britse waarschuwingen dat Duitsland tegen de Sovjet-Unie ten strijde zou trekken op als misleidende informatie. Was de vlucht van Hess een teken van een Duits-Britse overeenkomst om Hitler de vrije hand in het oosten te geven, of was het een zoveelste Britse poging om de Sovjet-Unie in de oorlog te betrekken? De weloverwogen Britse misleidende informatie, die de vlucht van Hess uitbuitte, zorgde er alleen maar voor dat Stalin's grootste angst voor een samenzwering tegen de Sovjet-Unie werd verhevigd.

Gedeeltelijke mobilisatie
De politieke strategie om koste wat kost een oorlog te voorkomen werkte ernstig in het nadeel van de Sovjet militaire voorbereidingen. De propaganda stelde het volk gerust dat er geen sprake was van een oorlogsdreiging. Hierdoor werd het Rode Leger zelf ook misleid. De voorbereidingen voor de mobilisatie vonden daardoor maar gedeeltelijk plaats.

Dit had tot gevolg dat Sovjeteenheden ver beneden de vereiste getalssterkte waren toen de Duitsers de Sovjet-Unie binnenvielen. De onderbemande formaties lagen bovendien ver verspreid van elkaar en er waren tal van eenheden die zonder de benodigde wapens en munitie de strijd aan moesten gaan met de Duitsers. Daar kwam nog eens bij dat de beschikbare voertuigen waren verplaatst naar de grens om de voltooiing van de gefortificeerde regio's te bespoedigen. Daardoor ontbraken de vereiste transportmiddelen om geschut te vervoeren.

Begin juni 1941 waren de herziene mobilisatieplannen verre van voltooid. Operationele plannen voor de militaire districten waren nog niet volledig uitgewerkt en er waren geen plannen voorhanden om alle troepen gevechtsklaar te maken. Het plan van de Generale Staf voor de verdediging van de staatsgrenzen voorzag in het stationeren van troepen, maar uitgewerkte operationele bevelen ontbraken. Er werd bij de organisatie van de verdediging bovendien geen rekening gehouden met een Duitse verrassingsaanval. Volgens de inlichtingendiensten zou een Duitse aanval voorafgegaan worden door een oorlogsverklaring en de openingsaanvallen zouden van beperkte schaal zijn, zodat het Rode Leger tijd had zich te mobiliseren. Stalin was zich er terdege van bewust dat de algehele mobilisatie in 1914 de oorlog had doen losbarsten en daarom legde hij een verbod op voor een totale mobilisatie. Mobilisatie Plan 1941 werd dus maar gedeeltelijk in werking gesteld, want de enige concessie die Stalin had gedaan was het oproepen van 800.000 reservisten voor de jaarlijkse zomermanoeuvres.

Stilte voor de storm
De Sovjetdiplomaten volhardden in hun mening dat een nieuwe overeenkomst met Berlijn mogelijk was, zelfs in de nabije toekomst. Stalin stond er daarom op dat de Sovjet-Unie zijn economische verplichtingen aan Duitsland strikt naleefde. De leveringen van grondstoffen aan Duitsland werden zelfs verder opgevoerd. Berlijn calculeerde dat het economische eisen kon stellen aan de Sovjet-Unie in navolging van het in 1941 overeengekomen handelsverdrag. Het was dit punt dat velen overtuigde, inclusief de Britten, van het feit dat de Duitse troepenconcentraties dienden om de druk op de Sovjet-Unie op te voeren voor het verkrijgen van economische toezeggingen. Bovendien was Stalin er nog altijd van overtuigd dat Hitler nooit de fout zou maken om een oorlog op twee fronten te voeren. Berlijn gaf ondertussen stilletjes aan dat onderhandelingen nog altijd tot de mogelijkheden behoorden.

Op 14 juni 1941 liet Stalin een perscommuniqué publiceren in de staatskrant Pravda. Er stond in dat Duitsland, net als de Sovjet-Unie, het niet-aanvalsverdrag nakwam en dat de geruchten over een bedoeling het pact te verscheuren ongegrond waren omdat ze afkomstig zouden zijn van ‘valse vrienden’. De recente Duitse troepenverplaatsingen nadat de operaties in de Balkan voltooid waren in de richting van de grens zouden niets van doen hebben met de Duits-Russische betrekkingen.

Stalin wachtte vergeefs op een officiële reactie uit Berlijn. Hitler stelde de tijd van de Duitse aanval vast als ‘B-dag, Y-uur’, oftewel 22 juni 1941, 03.15 uur. Na 18 juni moest er worden begonnen met het innemen van startposities. Pantserdivisies zouden ’s nachts naar deze posities worden gedirigeerd. Wanhopige Sovjet-frontcommandanten waren zeer verontrust door de Duitse troepenopbouw aan de grenzen en telefoneerden met Moskou, waarvan ze alleen maar te horen kregen dat er geen oorlog zou komen.

NKO Directief nr. 1
Net voor middernacht op zaterdagavond 21 juni 1941, werden er door het Volkscommissariaat van Defensie operationele orders (NKO Directief nr. 1) getelegrafeerd naar de frontcommandanten, waarin het Rode Leger werd gewaarschuwd dat het de komende uren een Duitse aanval kon verwachten. Veel eenheden ontvingen door Duitse sabotageacties het bevel niet eens, en de weinigen die het bevel wel ontvingen waren niet in staat een effectieve verdediging te organiseren in de paar uren die ze tijd hadden voordat de Duitse invasie van start ging.

Het Duitse leger in het oosten bewaarde radiostilte. Er stonden 3.050.000 Duitse manschappen gereed voor de aanval tegen de Sovjet-Unie, ondersteund door 3.350 pantservoertuigen, 7.184 artilleriestukken, 600.000 motorvoertuigen en meer dan 600.000 paarden. Terwijl de Duitse artillerie op de Sovjetdoelen werd gericht, zag de infanterie de staartlichten van de Duitse jachtvliegtuigen en bommenwerpers verdwijnen, die in oostelijke richting wegvlogen naar hun doelen. Het was zondagmorgen 22 juni 1941...

Definitielijst

artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Blitzkrieg
De Nederlandse betekenis van dit Duitse woord is 'bliksemoorlog'. Zeer snel verlopende veldtocht. In tegenstelling tot een loopgravenoorlog is de Blitzkrieg erg snel en beweeglijk. Lucht- en grondstrijdkrachten werken nauw samen. Voor het eerst toegepast door de Duitsers (september 1939 in Polen)
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Kremlin
Het Russisch bestuurscentrum in Moskou.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
NKVD
Benaming van de veiligheidsdienst van de Sovjetunie ten tijde van WO II.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
Stalinlinie
Verdedigingslinie die in het interbellum door de Russen werd aangelegd aan hun westgrens, maar door de expansies in het (Baltische Staten, Polen, Bessarabië, etc.) westen schoof de grens op en was de Stalinlinie niet meer de eerste linie bij de Duitse inval in 1941.
Volkscommissaris
In de Sovjetunie een minister.

Afbeeldingen

Molotov's bezoek aan Berlijn, november 1940.
Volkscommissaris van Defensie Maarschalk-van-de-Sovjetunie S.K. Timoshenko (links) en chef van de Generale Staf Legergeneraal G.K. Zhukov.
Meesterspion Richard Sorge waarschuwde verscheidene malen voor de op handen staande Duitse invasie.

Openingsaanvallen

In de vroege morgen van zondag 22 juni 1941 om 3.15 uur opende de Duitse artillerie langs een front van maar liefst 1.800 kilometer het vuur op de Sovjetgrenzen. Ze mikten op communicatiecentra, brandstof- en munitiedepots, grensposten en barakken, die genadeloos met de grond gelijk gemaakt werden. Tijdens het spervuur vlogen Duitse bommenwerpers hun eerste missie naar het oosten om Sovjetvliegvelden en steden te bombarderen. Enkele minuten later weerklonk door de Duitse radio het codewoord 'Dortmund' dat het startsein betekende voor de 3.050.000 Duitse soldaten, 3.350 tanks en 600.000 paarden voor de grootste militaire operatie die ooit door een leger ondernomen was. Operatie Barbarossa was begonnen en daarmee de allesvernietigende, lange, uitputtende en barbaarse strijd aan het Oostfront…

Hoewel de vorige avond duidelijk geworden was dat een Duitse invasie verwacht kon worden, kwam de aanval als een complete verrassing voor het overgrote deel van de Sovjetverdedigers. Veel fronteenheden hadden NKO directief nr. 1 niet ontvangen, en als het directief al ontvangen werd, was er nauwelijks tijd geweest om zich gevechtsklaar te maken. Binnen enkele uren waren vrijwel alle grensposten door de Duitsers overrompeld of vernietigd. Bij zonsopgang voerde de Luftwaffe een gigantische aanval uit met 500 bommenwerpers, 270 duikbommenwerpers en 500 jachtvliegtuigen, met als doel de Sovjetvliegvelden in de grensgebieden, waar jachtvliegtuigen en bommenwerpers open en bloot stonden opgesteld. Deze aanvallen vernietigden maar liefst 1.200 vliegtuigen van de Rode Luchtmacht op de eerste dag van operatie Barbarossa, waarvan de meeste nog voordat ze konden opstijgen. De verouderde jachtvliegtuigen die wel konden opstijgen hadden geen schijn van kans tegen de Messerschmitt Bf 109, die veruit de betere was ten opzichte van de Polikarpov I-16, zowel qua snelheid als bewapening. De grootste luchtmacht van de wereld werd in een tijdsbestek van twee dagen zo goed als geëlimineerd. Doordat de Rode Luchtmacht in het westen in die eerste dagen zo goed als weggevaagd werd, verkreeg de Luftwaffe een luchtoverwicht boven het slagveld, waardoor het Rode Leger en zijn aanvoerlijnen ongestoord gebombardeerd konden worden.

Op de meeste plaatsen werd tegen de Wehrmacht in die eerste dagen weinig tegenstand geboden. Duitse stoottroepen overrompelden de grensposten, vaak nog voordat de grenswachten van de NKVD zich hadden kunnen verzamelen. Er waren enkele uitzonderingen zoals het fort van Brest-Litovsk dat het moedig uithield totdat het zich na drie weken strijd uiteindelijk overgaf. Terwijl de grensposten overrompeld werden ondernamen grensdivisies van het Rode Leger verwoede pogingen de hen aangewezen posities te bemannen, waar ze bij aankomst vaak moesten constateren dat deze al door de Duitse voorhoede ingenomen waren.

Nog voordat de Luftwaffe aan zijn eerste luchtaanvallen begonnen was, waren speciaal opgeleide Russisch sprekende commando's van het Brandenburger Regiment in de achterhoede van de Sovjets per parachute afgeworpen. De in uniformen van het Rode Leger gestoken commando's saboteerden verbindingen en namen bezit van belangrijke bruggen en verkeersknooppunten. Vervolgens veroorzaakten zij paniek door aan passerende Sovjets misleidende bevelen te geven en melding te maken van grote Duitse successen. De in de maanden voor Barbarossa door de Duitsers getrainde Oekraïense nationalisten namen in het zuidelijke gedeelte van het front eveneens deel aan sabotageacties. Binnen enkele uren waren de Sovjetverbindingen zo goed als uitgeschakeld.

Terwijl de grenzen en gebieden in de achterhoede gebombardeerd en beschoten werden probeerden de bevelhebbers van het Rode Leger de instructies uit Moskou te begrijpen. Ze hadden voordat de invasie begon immers het bevel gekregen dat ze niet mochten reageren op Duitse provocaties. Maar de verwarring was groot en de commandanten te velde hadden het overzicht over het slagveld al zo goed als verloren want communicatie tussen de verschillende eenheden was in de meeste gevallen niet meer mogelijk. Het gevolg was dat Sovjetsoldaten vergeefs wachtten op antwoord nadat ze hun meerderen per radio toestemming hadden gevraagd om terug te schieten. Niemand had hen namelijk verteld wat het verschil was tussen een provocatie en een gerichte aanval. In de ontstane chaos werden bevelen gegeven die daarna weer werden tegengesproken, veel eenheden ontvingen door de gesaboteerde verbindingen zelfs helemaal geen bevelen.

Terwijl de Duitse pantsercolonnes tussen de Sovjetlegers oprukten, begreep het opperbevel in Moskou totaal niet welke catastrofe de Sovjet-Unie overkomen was. Ze waren door de gecentraliseerde bevelstructuur helemaal niet in staat gecoördineerde tegenmaatregelen te treffen. Volkscommissaris van Defensie maarschalk Semyon K. Timoshenko gaf op de avond van de eerste dag om 7.15 uur NKO directief nr. 2, waarin hij de bevelhebbers van de militaire districten opriep tot een algehele tegenaanval, maar de oude grens met Duitsland mocht niet overschreden worden. Een halve dag later kwam Timoshenko met een nieuw bevel. In dit nieuwe NKO directief (nr. 3) stelde maarschalk Semyon K. Timoshenko de eisen bij en de oude grenzen mochten nu wel overschreden worden. Het was wel strikt verboden de grenzen met Finland en Roemenië te overschrijden, aangezien deze (nog) niet tot de (verwachte) aanval waren overgegaan.

Timoshenko's bevelen waren een illusie, de reserves waren namelijk nog lang niet gemobiliseerd en er waren geen gedetailleerde aanvalsplannen. Omdat er geen communicatie mogelijk was aan het front, de depots in brand stonden en de Luftwaffe het luchtruim beheerste waren die aanvallen gedoemd te mislukken.

De openingsdag van Operatie Barbarossa betekende meteen ook de laatste dag van officiële diplomatieke betrekkingen tussen het Derde Rijk en de Sovjet-Unie. Dekanozov, de Sovjetambassadeur in Berlijn, had al om 4.00 uur een ontmoeting met Joachim von Ribbentrop, de Duitse Rijksminister voor Buitenlandse Zaken, om een verklaring te eisen voor de Duitse aanval. Daarop overhandigde Joachim von Ribbentrop de Sovjetambassadeur verrassend genoeg een uitgewerkte schriftelijke oorlogsverklaring, zonder verder de vragen van Dekanozov te beantwoorden. In de schriftelijke oorlogsverklaring werd als hoofdreden voor Barbarossa de 'vijandelijke politiek van de Sovjet-Unie tegenover het Derde Rijk' genoemd. Toen de Sovjetambassadeur terugkeerde naar zijn ambassade om de verklaring aan Moskou door te bellen, bleek de telefoonlijn dood. Enkele uren later las de Rijksminister van Propaganda Joseph Goebbels de officiële oorlogsverklaring van Hitler voor op de Duitse staatsradio.

Nog voordat Joseph Goebbels zijn radiotoespraak hield vroeg Schulenburg, de Duitse ambassadeur in Moskou, om een gesprek met Vyacheslav M. Molotov, de Volkscommissaris van Buitenlandse Zaken. Vyacheslav M. Molotov eiste daarop een verklaring, waarop Schulenburg antwoordde: 'Als gevolg van onverdraaglijke druk van Russische troepen op de Duitse troepen langs de door Polen lopende demarcatielijn, hebben Duitse troepen opdracht gekregen het Russische grondgebied binnen te trekken.' Niet lang daarna gaf Molotov via de staatsradio een toespraak, waarin hij de Duitse invasie bekendmaakte en de Sovjetbevolking opriep het Rode Leger zoveel mogelijk medewerking te verschaffen.

Rond hetzelfde tijdstip zond het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken het nieuws van de Duitse inval naar Chequers, het buitenverblijf van Winston Churchill. De Britse premier besteedde vervolgens de hele dag aan het schrijven van een gepaste toespraak, die hij om 21.00 uur voorlas op de radio. In zijn toespraak verklaarde Winston Churchill: 'Iedere man en iedere staat die strijdt tegen het nazisme kan op onze steun rekenen.' Tevens verklaarde hij: 'Wij zullen alles in het werk stellen om Rusland en de Russische bevolking te helpen.'

Definitielijst

artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
nazisme
Afkorting van nationaal-socialisme.
NKVD
Benaming van de veiligheidsdienst van de Sovjetunie ten tijde van WO II.
Propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
Volkscommissaris
In de Sovjetunie een minister.

Afbeeldingen

De vliegtuigen van de Rode luchtmacht werden grotendeels door de Luftwaffe uitgeschakeld nog voordat deze op konden stijgen.
Duitse troepen steken de grens met de Sovjet-Unie over, 22 juni 1941.
Brandend Bialystok, 22 juni 1941.
De eerste Sovjetsoldaten geven zich over, 22 juni 1941.

Operaties in het Oostzeegebied

Heeresgruppe Nord, onder leiding van Generalfeldmarschall Wilhelm Ritter von Leeb, was het zwakst uitgerust van de drie legergroepen. Volgens het Barbarossa-bevel van het OKH, dat op 31 januari 1941 werd uitgevaardigd, kreeg Heeresgruppe Nord de volgende taken toegewezen: 'De vijandelijke strijdkrachten in het Oostzeegebied te vernietigen en door het bezetten van de Oostzeehavens en vervolgens van Leningrad en Kronstadt de Russische vloot van haar bases te beroven.' Heeresgruppe Nord had voor het ten uitvoer brengen van deze operaties de beschikking over twee infanterielegers en een pantsergroep.

Legergroep Noord
De 18. Armee onder bevel van Generaloberst Georg von Küchler bestond uit zeven infanteriedivisies en kreeg de taak de Oostzeehavens te bezetten. Von Küchler zou deze opdracht uitvoeren door vanuit Tilsit vanaf zijn rechterflank de hoofdaanval uit te voeren in de richting van Riga, waardoor de vijandelijke strijdkrachten ten zuidwesten van Riga omsingeld en vervolgens vernietigd konden worden.

In het centrum van de frontlinie van Heeresgruppe Nord in het noorden van Oost-Pruisen werd Panzergruppe 4 onder commando van Generaloberst Erich Hoepner geconcentreerd. In tegenstelling tot wat in de andere legergroepen gebruikelijk was besloot Wilhelm Ritter von Leeb Panzergruppe 4 onder zijn rechtstreeks bevel te houden. Panzergruppe 4 vormde de speerpunt van de aanval en bestond uit drie pantserdivisies, drie gemotoriseerde infanteriedivisies en twee infanteriedivisies, verdeeld over twee pantserkorpsen. General der Panzertruppen Georg Reinhardt's XXXXI. Panzerkorps vormde de linkerkant van de aanvalsmacht en het LVI. Panzerkorps onder bevel van Generaloberst Erich von Manstein de rechterkant. De instructie aan Panzergruppe 4 luidde als volgt: 'Panzergruppe 4 moet een brede en snelle aanval op Leningrad mogelijk maken. Om het einddoel te bereiken is het noodzakelijk zoveel mogelijk op te rukken, zover als tijd en ruimte dit toelaten en op die wijze de vijand geen gelegenheid te geven nieuwe defensieve stellingen in de diepte in te nemen.'

De 16. Armee onder leiding van Generaloberst Ernst Busch nam posities in aan de rechterkant van Panzergruppe 4 en was samengesteld uit acht infanteriedivisies. De 16. Armee moest de rechterflank van Panzergruppe 4 beschermen en de voornaamste aanval uitvoeren in de richting van Kaunas (Kovno) en Daugavpils (Dvinsk). De legergroepreserve bestond uit drie infanteriedivisies, die moesten volgen als steun voor de 16. Armee.

Het eerste tussenliggende doel voor Heeresgruppe Nord was de rivier de Dvina (Düna), op 300 kilometer afstand gelegen, terwijl het tweede doel het gebied bij Ostrov en Pskov aan de rivier de Velikaya was, nog eens 250 km verder. Luchtsteun bij deze operaties werd verzorgd door Luftflotte 1 onder bevel van Generaloberst der Luftwaffe Alfred Keller.

Het Speciaal Baltisch Militair District
Tegenover Legergroep Noord stond het Speciaal Baltisch Militair District onder bevel van kolonel-generaal F.I. Kuznetsov. Het Speciaal Baltisch Militair District (omgedoopt in Noordwestelijk Front op 22 juni) was het zwakst uitgerust van de drie speciale militaire districten. Het had de opdracht de strategische noordwestelijke as en de toegangswegen naar Leningrad te verdedigen. Het eerste verdedigingsechelon langs de grens bestond uit het 8e Leger onder bevel van luitenant-generaal P.P. Sobennikov en het 11e Leger, dat werd aangevoerd door luitenant-generaal V.I. Morozov. De te verdedigen frontlinie strekte zich uit van Libau tot Grodno en werd bezet door acht divisies fuseliers die over een gemiddelde troepensterkte beschikten van ruwweg 8.700 man. Op de kwetsbare scheidslijn tussen het Speciaal Baltisch Militair Mistrict en het Speciaal Westelijk Militair District had het 11e Leger maar acht onderbemande bataljons ontplooid die de toegangswegen naar Vilno (Vilnius) moesten verdedigen. Deze acht bataljons namen stellingen in langs een frontlinie met een lengte van maar liefst 80 km.

Het 8e Leger werd ondersteund door majoor-generaal N.M. Shestopalov's 12e Gemechaniseerde Korps, dat beschikte over ongeveer 750 verouderde tanks. Het 3e Gemechaniseerde Korps, aangevoerd door majoor-generaal A.V. Kurkin, ondersteunde het 11e Leger en was geconcentreerd rond de plaats Kaunas. Het 3e Gemechaniseerde Korps had de beschikking over 650 tanks, waarvan 110 van de nieuwe modellen KV-1, KV-2 en T-34 tank. Majoor-generaal A.V. Kurkin had echter de vrijwel onmogelijke taak om zowel de toegangswegen naar Leningrad als die naar Vilno te verdedigen. Beide gemechaniseerde korpsen lagen zo'n 100 kilometer landinwaarts en hadden hun eenheden ver van elkaar verspreid.

Het tweede echelon waar kolonel-generaal F.I. Kuznetsov de beschikking over had, was het 27e Leger onder commando van majoor-generaal M.E. Berzarin. Dit leger was echter nauwelijks gemobiliseerd en nam posities in langs de westelijke Dvina.

De strijd brandt los
In het noordwesten bombardeerde de eerste golf Duitse bommenwerpers de marinebases te Riga en Kronstadt, vliegvelden en communicatiecentra in Kovno en Vilno, maar vooral de vooruitgeschoven vliegvelden van de Rode Luchtmacht. Niet lang daarna stak Heeresgruppe Nord de grens met Oost-Pruisen over. De Sovjetdivisies die waren opgesteld aan de frontlinie van Panzergruppe 4 werden compleet overrompeld en in noordelijke richting teruggeworpen, waardoor de grensplaats Tauruggen in Duitse handen viel. De 1. Panzerdivision en de 6. Panzerdivision profiteerden van de bres in de Sovjetverdediging en koersten hierna in de richting van Raseiniai. Het LVI. Panzerkorps onder leiding van Erich von Manstein wist de brug bij Airogola over de Dubisa ongeschonden in handen te krijgen, waarna de 8. Panzerdivision op de eerste dag van de invasie maar liefst 60 kilometer in oostelijke richting wist op te rukken naar Kedainai. Verder naar het zuidenoosten werd het 11e Leger uiteengeslagen door de oprukkende tanks van Generaloberst Hermann Hoth's Panzergruppe 3 (Heeresgruppe Mitte), die er in slaagden de bruggen over de Nyemen ongeschonden in handen te krijgen.

De verwarring bij het hoofdkwartier van het Noordwestelijk Front was groot. F.I. Kuznetsov gaf laat op de avond van de openingsdag het 12e en het 3e Gemechaniseerde Korps de opdracht een tegenaanval voor te bereiden op de flanken van Panzergruppe 4. De volgende dag begonnen de tankdivisies aan hun opmars door een gebied waarboven de Luftwaffe het luchtruim domineerde. De Sovjetcolonnes werden bestookt met fosforgranaten, waardoor het merendeel van de tanks werd uitgeschakeld nog voordat er contact werd gemaakt met Duitse grondeenheden.

Op 23 juni vond er een gigantisch treffen plaats tussen tanks van de 6. Panzerdivision en de 2e Tankdivisie (3e Gemechaniseerde Korps) ten oosten van Raseinai. Twee bataljons uitgerust met de KV-1 en de T-34 tank overrompelden de verkenningseenheden van de 6. Panzerdivision en bezorgden de Duitsers zware verliezen aan manschappen en materieel. De 6. Panzerdivision werd aanvankelijk verdreven naar de buitenwijken van Raseinai, maar de ongecoördineerde inzet van de tanks weerhield de Sovjets van het uitbuiten van deze successen. De 6. Panzerdivision werd de volgende dag versterkt door eenheden van de 1. Panzerdivision, die er gezamenlijk in slaagden de eenheden van de 2e Tankdivisie te omsingelen en uiteindelijk met behulp van genietroepen te vernietigen.

Bruggenhoofden over de Dvina
Deze overwinning werd door het LVI. Panzerkorps uitgebuit. Laat op dezelfde middag (24 juni) bereikten Duitse verkenningseenheden de hoofdweg van Kaunas naar Daugavpils en rukte daarlangs zonder halt te houden verder op. Dicht op de hielen van zich terugtrekkende Sovjetformaties baande een speciale gevechtsgroep zich in de vroege ochtend van 26 juni een weg naar Daugavpils en veroverde ondanks hardnekkige tegenstand de beide bruggen. Hoewel de positie van deze groep in de loop van de ochtend door herhaaldelijke tegenaanvallen kritiek werd, kwamen spoedig de tanks van de 8. Panzerdivision de gevechtsgroep te hulp. Tegenaanvallen werden afgeslagen en de stad zelf was tegen het einde van de dag volledig van Sovjetverdedigers gezuiverd.

Het 8e en het 11e Leger waren inmiddels in volle aftocht. Het 8e Leger trok zich terug naar Riga, terwijl de overblijfselen van het 11e Leger vluchtten naar het gebied ten oosten van Vilno. Panzergruppe 4 was erin geslaagd een gigantische bres te slaan in de frontlinie van het Noordwestelijke Front. Maarschalk Semyon K. Timoshenko had op 25 juni aan kolonel-generaal F.I. Kuznetsov reeds opdracht gegeven voor het organiseren van een sterke verdedigingslinie langs de Dvina. De teruggetrokken eenheden van het 8e Leger moesten worden ontplooid langs de Dvina tussen Riga en Livani, terwijl het 11e Leger posities in moest nemen tussen Livani en Kraslana. Kolonel-generaal F.I. Kuznetsov besloot het 27e Leger in de strijd te werpen, terwijl vanuit Moskou het 21e Gemechaniseerde Korps, onder leiding van majoor-generaal D.D. Lelyushenko werd aangevoerd ter ondersteuning van het 27e Leger.

De sterke natuurlijke barrière die de rivier de Dvina vormde werd echter snel doorbroken. Generaloberst Erich Hoepner, die terecht vermoedde dat de Sovjetverdediging aan de Dvina slechts zwak was, had inmiddels Reinhardt's XLI. Panzerkorps over een breed front ten zuiden van Daugavpils over de Dvina laten trekken. Daardoor troefden de Duitsers de Sovjets af. Toch wist D.D. Lelyushenko in de vroege morgen van 28 juni met zijn 21e Gemechaniseerde Korps een aanval te ondernemen tegen het bruggenhoofd bij Daugavpils. Met precies 98 tanks, waarvan het merendeel van het verouderde type T-26, werd het 21e Gemechaniseerde Korps in de strijd geworpen. Na enkele kritieke momenten werden de tanks echter stuk voor stuk uitgeschakeld en Erich von Manstein's LVI. Panzerkorps zette koers naar Ostrov.

Aan de linkerflank wisten Reinhardt's troepen op 30 juni eveneens de Dvina over te steken bij Livani en Jekabpils (Jakobstadt) en tegen de avond van 1 juli was een breed bruggenhoofd met een diepte van 30 kilometer na zwakke Sovjettegenstand in Duitse handen. Ondanks de tegenaanvallen bij Daugavpils door het 21e Gemechaniseerde Korps, was de Panzergruppe 4 op 2 juli gereed om op te rukken naar het tweede doel van het offensief, namelijk het gebied van Ostrov en Pskov, waar belangrijke overgangen over de rivier de Velikaya gelegen waren.

De Stalinlinie doorbroken
Maarschalk Semyon K. Timoshenko had op 29 juni orders gegeven dat indien de verdedigingslinie langs de Dvina doorbroken werd, er nieuwe stellingen moesten worden opgetrokken langs de Velikaya, waar delen van de oude Stalinlinie gelegen waren. Vervolgens werd kolonel-generaal F.I. Kuznetsov ontheven uit zijn functie en opgevolgd door de commandant van het 8e Leger, luitenant-generaal P.P. Sobennikov. Deze stond voor een bijna onmogelijke taak. De wanorde bij de verdedigers was groot en hij had nauwelijks reserves om een nieuwe linie in te nemen.

In de ochtend van 2 juli hervatte Panzergruppe 4 over een breed front de opmars naar het noordwesten. Op 4 juli hadden de 8. Panzerdivision, de 3. Infanteriedivision (motorisiert) en de SS-Division Totenkopf aan de zuidelijke flank, op vele plaatsen de oude grens tussen Letland en de Russische Sovjetrepubliek bereikt. Daar werden zij tegengehouden door fortificaties die deel uitmaakten van de deels ontmantelde Stalinlinie. Diezelfde dag veroverde de 1. Panzerdivision op de noordelijke vleugel Ostrov en na zware gevechten doorbraken eenheden van de 6. Panzerdivision de sterke verdedigingswerken van de Stalinlinie, aan weerszijden van de weg tussen Daugavpils en Ostrov, ongeveer 30 kilometer ten zuiden van laatstgenoemde plaats.

Op 7 juli was de voornaamste vraag van het hoofdkwartier van Heeresgruppe Nord hoe de onverwacht snelle opmars van de Panzergruppe 4 naar het gebied van Pskov het best kon worden uitgebuit. Sinds de ochtend van 4 juli was de hoofdmacht van de infanterie begonnen over een breed front de Dvina over te steken. Maar als Panzergruppe 4 in hetzelfde tempo zou blijven oprukken, was het aangewezen op de eigen gevechtskracht, want hoe verder er werd opgerukt, hoe minder bescherming de flanken kregen. De Sovjetstrijdkrachten trokken zich echter in grote wanorde terug en Generaloberst Erich Hoepner was van mening dat de snelle opmars helemaal tot bij Leningrad kon worden gehandhaafd. Hij hoopte dat de eigen gevechtskracht voldoende zou zijn voor een verrassingsaanval op de buitenwijken van de stad die Lenins naam droeg.

Diezelfde dag trokken de beide pantserkorpsen verder langs de beide wegen naar Leningrad (de enige wegen in een geweldig uitgestrekt gebied). Aan de rechterkant rukte het LVI. Panzerkorps vanuit Ostrov op naar Porkhov, terwijl op de linkerflank het XIL. Panzerkorps18. Armee dreef inmiddels de overblijfselen van het 8e Leger door Letland naar het noorden. Deze zwaar gehavende formaties moesten voorkomen dat de landengte bij Narva in Duitse handen viel.

De stand van zaken
De eerste drie weken strijd in de noordwestelijke sector van het Oostfront waren onverwacht succesvol geweest voor Legergroep Noord. Von Leebs legergroep was maar liefst 450 kilometer opgerukt en de Baltische staten waren vrijwel geheel in Duitse handen gevallen. Het ultieme doel Leningrad was nog maar 250 kiloemeter verwijderd van zijn voorhoede en het had er alle schijn van dat deze afstand in een korte tijd overbrugd kon gaan worden. Het Noordwestelijk Front was uiteengeslagen en had ongeveer 90.000 manschappen, meer dan 1.000 tanks, 4.000 kanonnen en mortieren en 1.000 gevechtsvliegtuigen verloren. De zich terugtrekkende overblijfselen van het 8e en het 11e Leger waren er bovendien niet in geslaagd een nieuwe verdedigingslinie te creëren, waardoor er een acute dreiging ontstond voor de troepen van het Noordelijk Front (voormalig Militair District Leningrad), dat inmiddels met alle macht een Fins aanval op de Karelische Landengte probeerde af te slaan (zie: Vervolgoorlog). De bevelhebber van het Noordelijk Front, luitenant-generaal M.M. Popov zag al op 25 juni in dat Leningrad bedreigd werd vanuit het zuiden en besloot dan ook om zo'n 50 tot 100 kilometer ten zuiden van de stad een verdedigingslinie op te werpen langs de oevers van de Luga.

Popov wist een aantal divisies aan zijn frontlinie ten westen en noorden van de stad te onttrekken en te ontplooien aan de Lugalinie. Meer dan 50.000 inwoners van Leningrad werden opgeroepen voor het aanleggen van loopgraven, tankgrachten, schuttersputten en prikkeldraadversperringen, terwijl fabrieksarbeiders en studenten zich vrijwillig opgaven om dienst te nemen bij militiedivisies (DNO= Divizy Narodnovo Opolchenia), die eveneens aan de Lugalinie werden ontplooid. Spoedig zou de Slag om Leningrad ontbranden en de vooruitzichten voor de verdedigers waren allesbehalve rooskleurig.

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
Stalinlinie
Verdedigingslinie die in het interbellum door de Russen werd aangelegd aan hun westgrens, maar door de expansies in het (Baltische Staten, Polen, Bessarabië, etc.) westen schoof de grens op en was de Stalinlinie niet meer de eerste linie bij de Duitse inval in 1941.
Totenkopf
Letterlijk: doodshoofd. Symbool dat door de SS werd gevoerd. Ook de naam van een SS divisie.

Afbeeldingen

Kaart van de operaties in het Oostzeegebied.
Duitse troepen marcheren door Litouwen, juni 1941.
Duitse soldaten tijdens een aanval op een Russisch dorp, juni 1941.
Duitse genisten tijdens aanvallen op de Stalinlinie, juli 1941.

De dubbele omsingeling bij Bialystok en Minsk

Nergens was de vernietiging zo groot als in het gebied ten noorden van de Pripjat-moerassen waar Heeresgruppe Mitte zijn mars naar het oosten inzette. Heeresgruppe Mitte had de taak om door de Sovjetlinies aan beide flanken van de Bialystok-saillant te dringen en daarna via de snelweg op te trekken naar Minsk en Smolensk richting Moskou. Door deze acties zouden de Sovjetdivisies ten westen van de rivier de Dnjepr omsingeld en vernietigd moeten worden. De uiteindelijke opdracht van Legergroep Midden was om in samenwerking met Heeresgruppe Nord de vijandelijke troepen in de Baltische staten en het gebied ten westen hiervan te vernietigen en vervolgens de opmars naar Moskou in te zetten.

Legergroep Midden
Generalfeldmarschall Fedor von Bock had de leiding over de operaties van Heeresgruppe Mitte. De legergroep was samengesteld uit de 9. Armee, onder leiding van Generaloberst Adolf Strauß, de 4. Armee onder commando van Generalfeldmarschall Günther von Kluge, Generaloberst Hermann Hoth's Panzergruppe 3III. Armeekorps, Förster's VI. Armeekorps, Schmidt's XXXIX. Armeekorps (motorisiert) en Kuntzen's LVII. Armeekorps) en Panzergruppe 2 (Schroth's XII. Armeekorps, Von Schweppenburg's XXIV. Armeekorps, Von Vietinghoff-Scheel's XLVI. Panzerkorps en Lemelsen's XLVII. Panzerkorps), aangevoerd door Generaloberst Heinz Guderian. Hermann Hoth kreeg de opdracht met Panzergruppe 3 ten noorden van de Bialystok-saillant door te breken en koers te zetten via Vilno (Vilnius) naar Minsk. Heinz Guderian's Panzergruppe 2 moest de rivier de Bug oversteken ter hoogte van Brest-Litovsk en eveneens oprukken naar Minsk om zich aan te sluiten bij Hoth's Panzergruppe 3. Het was de bedoeling dat de Sovjettroepen ten westen van Minsk dan omsingeld zouden worden en de beide infanterielegers zouden dan de taak op zich nemen deze troepen te vernietigen. Luchtsteun bij de operaties van Heeresgruppe Mitte werd verzorgd door Luftflotte 2 onder bevel van Generalfeldmarschall Albert Kesselring.

Het Speciaal Westelijke Militaire District
Tegenover Legergroep Midden stonden vier Sovjetlegers, van noord naar zuid waren dat het 11e, het 3e, het 4e en het 10e Leger. Luitenant-generaal V.I. Morosov's 11e Leger, bijgestaan door het 3e Gemechaniseerde Korps behoorde tot het Speciaal Baltisch Militair District. De andere drie legers behoorden tot kolonel-generaal Dmitry G. Pavlov's Speciaal Westelijk Militair District. Dmitry G. Pavlov had in zijn achterhoede ook nog luitenant-generaal P.M. Filatov's 13e Leger tot zijn beschikking. Deze had echter alleen een hoofdkwartier, maar was zich aan het mobiliseren. In de punt van de Bialystok-saillant bevond zich het 10e Leger onder luitenant-generaal K.D. Golubev dat ondersteund werd door het goed uitgeruste 6e Gemechaniseerde Korps en het vrijwel zonder tanks opererende 13e Gemechaniseerde Korps. Aan de linkerflank van het 10e Leger nam het 4e Leger onder majoor-generaal A.A. Korobkov verdedigende stellingen in, ondersteund door het 14e Gemechaniseerde Korps. Aan de rechterflank van het 10e Leger was luitenant-generaal V.I. Kuznetsov's 3e Leger gestationeerd dat ondersteuning kreeg van het 11e Gemechaniseerde Korps.

De Duitse doorbraak
Na de inleidende artilleriebeschieting op de verdedigende stellingen van het 4e Leger rukte Guderian's Panzergruppe 2 in de vroege ochtend van 22 juni 1941 ter hoogte van Brest-Litovsk op naar de rivier de Bug. Bij de rivier de Bug aangekomen trof hij tot zijn grote verbazing de twee bruggen onverdedigd en onbeschadigd aan. Ten noorden van Brest-Litovsk wist de 18. Panzerdivision met de voor Operatie Seelöwe waterdicht gemaakte PzKpfw III (Tauchpanzer) tanks de rivier de Bug over te steken en op te rukken naar de Rivier de Lesna, waar de bruggen ook intact bleken te zijn. Maar doordat er te weinig bruggen ter beschikking waren (de belangrijkste bruggen over de Bug lagen in Brest-Litovsk, waar hevige tegenstand werd geboden) om de gigantische hoeveelheden aan troepen en materieel over de rivier te verplaatsen ontstonden er verkeersopstoppingen. Om deze te verhelpen werden er ten zuiden van Brest-Litovsk pontonbruggen aangelegd zodat de gemotoriseerde formaties hun opmars naar het oosten konden blijven voortzetten. De enige zware tegenstand die Guderian ontmoette was zoals al eerder vermeld in Brest-Litovsk zelf. De tegenstand was hier dermate heftig, dat Guderian het gevaar liep achter te raken op zijn tijdschema. Daarom verzocht hij de bevelhebber van de 4. Armee of diens infanterie het innemen van het fort van Brest-Litovsk voor zijn rekening wilde nemen, zodat Panzergruppe 2 de opmars naar het oosten met een grote troepenmacht kon blijven voortzetten. Generalfeldmarschall Günther von Kluge stemde daarmee in, op voorwaarde dat Heinz Guderian met zijn Panzergruppe 2 onder direct bevel kwam te staan van de 4. Armee (en dus van hemzelf). Nadat Von Kluge de 45. Infanteriedivision aangewezen had om Brest-Litovsk te veroveren was Guderian's gemotoriseerde infanterie niet meer gebonden en kon deze zijn opmars naar het oosten voortzetten, waardoor Pruzhani de dag erna (23 juni) veroverd werd.

Voor Hoth’s Panzergruppe 3 was de eerste dag uitermate goed verlopen. Na het voorbereidende spervuur was de Panzergruppe 3 aan de linkerflank van Heeresgruppe Mitte door de kwetsbare linie gebroken die de scheidslijn vormde tussen de legers van het Westelijk (V.I. Kuznetsov's 3e Leger) en het Noordwestelijk Front (Morosov's 11e Leger). Er waren vier bruggen over de rivier de Nyemen in Hoth's sector, waarvan de belangrijkste drie 45 tot 70 kilometer landinwaarts gelegen waren. Bij de bruggen te Olita versperden de Sovjet 126e Divisie en de 5e Tankdivisie echter de oversteekplaatsen. Hermann Hoth verzocht om extra luchtsteun waarna de Luftwaffe korte metten maakte met de Sovjetverdedigers. De Sovjets hadden tijd genoeg om de bruggen op te blazen, maar doordat de bevelhebber van het 4e Bruggenbouwers Regiment geen antwoord kreeg op zijn verzoek de overgangen op te blazen, bleven deze onbeschadigd en vielen in Duitse handen. Hoth kon daardoor in rap tempo een stevig bruggehoofd vormen aan de oostelijke oever van de Nyemen. Het 11e Leger had zich inmiddels in paniek teruggetrokken en het 3e Leger werd verdreven naar het zuiden. Daardoor was de opening tussen het 11e en het 3e Leger 150 kilometer breed geworden wat tot gevolg had dat de weg naar Vilno geheel onverdedigd open lag.

Sovjet-tegenmaatregelen
Pavlov had helemaal niet in de gaten in welke penibele situatie het Westelijk Front beland was geraakt; zo waren bijvoorbeeld de verbindingen naar het hoofdkwartier van het 4e Leger door sabotageacties verbroken. Korobkov's 4e Leger was op de eerste dag hard getroffen door de Duitse invasie; zo werd hij gedwongen zijn hoofdkwartier te verplaatsen van Kobrin naar Pruzhani na zware bombardementen van de Luftwaffe. Bovendien werden zijn verbindingen met het 10e Leger verbroken door Guderian's doorbraak. Zoals al eerder beschreven werden de verdedigers van Brest-Litovsk geïsoleerd van het 4e Leger. Korobkov wilde in de middag van de 22e juni Brest-Litovsk ontzetten door een tegenaanval in te zetten in samenwerking met het 10e Leger. Maar doordat er geen verbinding was stond Korobkov er alleen voor en had hij alleen het 14e Gemechaniseerde Korps tot zijn beschikking dat ten noordoosten van Brest-Litovsk gestationeerd was. Na een aantal uren voorbereiding verschenen Duitse duikbommenwerpers boven de regio waar het 14e Gemechaniseerde Korps zich opstelde, wat tot gevolg had dat de tegenaanval nooit plaatsvond. Hierna werden de overblijfselen van Korobkov's 4e Leger teruggeworpen naar het oosten.

Pavlov had wel nog incidenteel contact met het 10e en het 3e Leger. In navolging van NKO directief nr. 3 liet Pavlov zijn plaatsvervanger luitenant-generaal Ivan V. Boldin overvliegen naar het hoofdkwartier van het 10e Leger bij Bialystok om een tegenaanval te organiseren. Gobulev rapporteerde aan Boldin dat zijn infanterie zwaar gehavend was door de Duitse aanvallen en dat bovendien zijn luchtdoelgeschut vernietigd was. Gobulev liet de reserves van zijn leger verzamelen voor de tegenaanval die in de vroege morgen van 23 juni uitgevoerd moest worden door de weinige overgebleven troepen. De bedoeling was om vanuit de lijn Bialystok-Grodno aan te vallen om een Duitse penetratie naar Volkovysk te voorkomen. Ivan V. Boldin en Gobulev hadden echter weinig troepen tot hun beschikking. Onder deze troepen viel het onvolledig uitgeruste 13e Gemechaniseerde Korps dat bovendien samengesteld was uit verouderde lichte T-26 tanks. Verder hadden Boldin en Gobulev de beschikking over de 3e Cavaleriedivisie. Beide formaties vormden een gevechtsgroep die zich in de vroege morgen van 23 juni verzamelde om de aanval te openen. Enkele ogenblikken nadat de mars ingezet was, werd de gevechtsgroep door de Luftwaffe aangevallen. Wegens gebrek aan luchtdoelgeschut werd het treffen een waar bloedbad en binnen een mum van tijd had de geïmproviseerde gevechtsgroep opgehouden te bestaan. Enkele dagen zouden de overblijfselen van het 10e Leger zich nog wanhopig blijven verzetten, maar het 10e Leger hield in feite op te bestaan als een georganiseerde gevechtseenheid, met uitzondering van samengeraapte overblijfselen, die wanhopig uit de Duitse omsingeling probeerden te breken.

In Moskou heerste algehele verwarring tijdens die desastreuze eerste dagen van Operatie Barbarossa. Er was nauwelijks informatie beschikbaar over de situatie aan het front en als er al informatie binnenkwam, was deze meestal al achterhaald. Op het moment dat de generale staf in Moskou enigszins begon in te zien welke catastrofe er zich aan het front aan het ontwikkelen was zond het stafofficieren op patrouille die dan iedere avond aan Moskou verslag uitbrachten van de actuele situatie aan het front. Ook werd er beroep gedaan op leden van de Communistische Partij in de door de Duitsers veroverde gebieden om gegevens over de Duitse sterkte en troepenbewegingen te verzamelen en deze door te geven aan Moskou.

De beide Duitse infanterielegers waren inmiddels begonnen aan omtrekkende bewegingen om de troepen rond Bialystok te omsingelen. Vanuit het zuiden rukte Generalfeldmarschall Günther von Kluge met zijn 4. Armee op richting het gebied ten oosten van Bialystok, waar een aansluiting tot stand moest komen met het 9. Armee onder leiding van Generaloberst Adolf Strauß dat vanuit het noorden zou arriveren. Het XX. Armeekorps (9. Armee) had ondanks verbitterde tegenstand op 23 juni de 56e, 85e en 27e Divisies verdreven uit Grodno en deze teruggeworpen op de rechteroever van de Nyemen. Kolonel-generaal Dmitry G. Pavlov stuurde zijn afgevaardigde Boldin opnieuw er opuit voor het organiseren van een tegenaanval met de bedoeling Grodno te heroveren (om zo een omsingeling van de troepen rondom Bialystok te voorkomen) en, zoals Pavlov veronderstelde, Panzergruppe 3 in de rechterflank aan te vallen. Hoth's Panzergruppe 3 bevond zich echter in werkelijkheid al veel verder naar het oosten en had in de ochtenduren van 24 juni Vilno veroverd en inmiddels koers gezet richting Molodechno.

De slag bij Grodno
Op 24 juni begaf I.V. Boldin zich ten oosten van Bialystok waar hij het bevel kreeg over het 6e en het 11e Gemechaniseerde Korps. Verder had Boldin nog de beschikking over het 6e Cavaleriekorps. Het 6e Gemechaniseerde Korps was één van de best uitgeruste korpsen van het hele Rode Leger. Bevelhebber Khatskilevich had de beschikking over 1.022 tanks, waarvan 352 van de nieuwe types KV-1 en T-34 tank, terwijl Mostovenko's 11e Gemechaniseerde Korps het moest doen met verouderde tanks. De voorraden brandstof en munitie waren beperkt, omdat de Luftwaffe hevige bombardementen had uitgevoerd op de depots.

Toch ging Boldin met zijn gehavende strijdkrachten over tot de aanval. Het 11e Gemechaniseerde Korps trok als eerste ten strijde, Grodno vanuit het zuiden naderend, gevolgd door het 6e Gemechaniseerde Korps dat vanuit het noordoosten van Bialystok oprukte naar het zuidoosten van Grodno. De aanval kwam langzaam op gang, het 11e Gemechaniseerde Korps moest 50 km en het 6e Gemechaniseerde 70 km afleggen naar hun startposities door gebieden, waar de Luftwaffe een luchtoverwicht had. Het merendeel van de tanks bereikte daarom nooit zijn startposities. Brandstofgebrek en mechanische defecten waren de andere oorzaken waardoor veel tanks hun verzamelpunt voor de aanval nooit bereikten. Toch wisten nog zo'n 200 tanks uiteindelijk in contact te komen met de Duitse infanterie, die aanvankelijk geen schijn van kans had. De granaten van het 37mm anti-tankkanon konden met geen mogelijkheid door de dikke bepantsering van de moderne Sovjettanks dringen. Anderen probeerden wanhopig met handgranaten de zware KV-1 en de middelzware T-34 tanks tot stilstand te brengen, maar ook deze pogingen mislukten. De Duitsers werden van het zuidwesten van Grodno naar het noorden teruggedreven met kolonel N.P. Studnev's 29e Tankdivisie, in de speerpunt van de Sovjetaanval. General der Infanterie Friedrich Materna, bevelhebber van het XX. Armeekorps, verzocht om extra luchtsteun en het was General der Flieger Wolfram Freiherr von Richthofen's VIII. Fliegerkorps dat een einde maakte aan de 7 kilometer lange Sovjetopmars. De Stuka's die in sommige gevallen gebruik maakten van fosforbommen bleken uiterst effectief in het vernietigen van de lange tankcolonnes waardoor de Sovjet-tegenaanval uiteindelijk doodbloedde.

De Sovjetverliezen liepen op tot meer dan 50% en er zat voor Boldin niets anders op dan de aftocht te blazen. De overblijfselen van de Sovjetformaties trokken zich terug in de bossen ten oosten van Bialystok. Boldin's tegenaanval had niet het gewenste resultaat opgeleverd, maar doordat de Duitse opmars vertraagd werd konden veel Sovjettroepen zich vanuit de regio rond Bialystok naar het oosten terugtrekken om uit de tangbeweging van de 9. Armee en de 4. Armee te ontsnappen (al bleek deze ontsnapping uiteindelijk maar tijdelijk).

Sovjet-aftocht
Op 25 juni gaf maarschalk Semyon K. Timoshenko aan Pavlov het bevel zijn troepen terug te trekken uit de Bialystok-saillant om een verdedigingslinie te vormen langs de lijn Lida-Slonim-Pinsk. Met deze formaties en het zwaar onderbemande 13e Leger moest Pavlov de gefortificeerde districten Slutsk en Minsk verdedigen. De voorgenomen terugtocht moest plaats gaan vinden in de nacht van 25 op 26 juni. Dit was echter onmogelijk, want het 4e Leger zat opgesloten langs de westoever van de Schlara en het 10e en 3e Leger probeerden zich wanhopig in oostelijke richting terug te trekken, waar nog maar een corridor met een breedte van 50 kilometer open was tussen Volkovysk en Skydel. Toch gaf Pavlov na het inzien van de onmogelijke situatie die 25e juni orders aan de verschillende legercommandanten. Het 13e Leger moest verdedigende stellingen innemen bij Molodechno, het 3e Leger bij Lida, het 10e Leger bij Slonim (dat inmiddels al door de Duitsers onder de voet was gelopen) en het 4e Leger in het zuiden in de regio van Pinsk. De volgende morgen evacueerde Pavlov zijn hoofdkwartier naar Mogilev.

Het XXIV. Panzerkorps, deel uitmakend van Generaloberst Heinz Guderian's Panzergruppe 2, stootte na de verovering van Pruzhani door naar de rivier de Schlara. De rivier werd overgestoken en er werd koers gezet richting Slonim. Daardoor werd de ontsnappingsroute van Korobkov's 4e Leger geblokkeerd. Korobkov reageerde hierop door twee divisies (55e en 121e) van Slutsk en Bobruisk naar de regio rond Slonim en Baranovici over te plaatsen. Intussen had Heinz Guderian op 25 juni Baranovici veroverd en stuurde de 17. en 18. Panzerdivision richting Minsk. Om de ring gesloten te houden en dus te voorkomen dat Sovjettroepen oostwaarts zouden kunnen uitbreken had de 29. Infanteriedivision (motorisiert) posities ingenomen ten noordwesten van Slonim. Een samenraapsel van Sovjettanks en -infanterie van het 47e Korps Fuseliers en het 17e Gemechaniseerde Korps opende op de 26e juni de tegenaanval op de colonnes van de 29. Infanteriedivision (motorisiert). De verliezen aan beide zijden waren hoog en het Duitse anti-tankgeschut had opnieuw geen schijn van kans tegen de Sovjettanks. Genietroepen moesten opnieuw in actie komen om de tanks met zware explosieven te vernietigen.

Aan de linkerflank van Heeresgruppe Mitte was Hoth's Panzergruppe 3 inmiddels opgerukt richting Molodechno. De weg naar Molodechno werd geblokkeerd door de 100e Divisie. Maar ook deze divisie werd vernietigd door de pantserstrijdkrachten, hoewel er ook aan Duitse zijde aanzienlijke verliezen werden geleden. Het 13e Leger onder luitenant-generaal Filatov bestond uit restanten van vijf divisies en de 5e Tankdivisie. Na Pavlov's bevel op 25 juni voor het innemen van verdedigende posities bij Lida ging het 13e Leger op weg naar zijn stellingen. Filatov's hoofdkwartier werd echter diezelfde avond nog overrompeld, wat tot gevolg had dat de Duitsers gedetailleerde verdedigingsplannen van de Sovjets in handen kregen. Molodechno werd de volgende dag veroverd door Hoth's pantsertroepen.

Aan de rechterflank van Heeresgruppe Mitte waren eenheden van de 1. Kavaleriedivision en 4. Panzerdivision (beide deel uitmakend van Guderian's Panzergruppe 2) langs de noordelijke uiteinden van de Pripjat-moerassen opgerukt. Op 27 juni bevonden zij zich in de omgeving van het plaatsje Slutsk. Pavlov had echter eenheden van het 20e Gemechaniseerde Korps en 4e Luchtlandingskorps opdracht gegeven voor een laatste tegenaanval. De eenheden van het 20e Gemechaniseerde Korps hadden alleen de beschikking over 94 verouderde tanks en rukte vanuit Minsk op richting Slutsk. De twee Luchtlandingsbrigades (7e en 8e) moesten een landing uitvoeren bij Slutsk. Maar door gebrek aan transportvliegtuigen werden zij te voet richting Slutsk gestuurd. Daar kwam het tot een confrontatie met eenheden van de en Walter Model's 3. Panzerdivision. Het gevolg was een waar bloedbad met hoge verliezen aan Sovjetzijde. Na het neerslaan van de tegenaanval veroverde Walter Model's 3. Panzerdivision dezelfde avond nog het stadje Bobruisk en zette koers richting de Berezina.

De val klapt dicht
Ondanks Pavlov's verwoede pogingen werd de tangbeweging om de overblijfselen van het 10e, 3e, 4e en delen van het 13e Leger gesloten op 30 juni toen Hermann Hoth's Panzergruppe 3 en Heinz Guderian's Panzergruppe 2 elkaar ontmoetten even ten westen van Minsk. In feite hield het Westelijk Front op te bestaan als een georganiseerde gevechtsformatie. De 9. Armee en 4. Armee kregen de opdracht het karwei af te maken. De gedesorganiseerde Sovjetstrijdkrachten bleven zich echter hevig verzetten. Doordat Heeresgruppe Mitte simpelweg te weinig troepen had om de 'ring' rond de omsingelde Sovjetlegers geheel te sluiten gaf Hitler het bevel aan de commandanten van Heeresgruppe Mitte om de opmars naar het oosten stop te zetten. Zeer tegen de wil van Fedor von Bock, Heinz Guderian en Hermann Hoth namen de mobiele formaties aan de oostkant van de Minsk-pocket verdedigende posities in. Bovendien werd de 2. Armee onder bevel van Generalfeldmarschall Maximilian Freiherr von Weichs vanuit de OKH reserve toegewezen aan Heeresgruppe Mitte om de verzetshaarden op te ruimen. Toch stuurden Guderian en Hoth eenheden van de 3., 17. en 18. Panzerdivision richting de Berezina en de Dnjepr om bruggenhoofden te veroveren, wat zorgde voor een hevig meningsverschil tussen Günther von Kluge en Heinz Guderian. Dat nam niet weg dat Operatie Barbarossa in een volgende fase was beland: de Slag om Smolensk.

Pas op 9 juli gaven de omsingelde troepen zich over, nadat ze door hun munitievoorraden heen waren. De Duitsers claimden 287.704 Sovjetmilitairen krijgsgevangen te hebben genomen en 2.585 tanks te hebben buitgemaakt. De verliezen van het Westelijk Front bedroegen volgens Sovjet-opgaven 417.790 slachtoffers, waarvan 341.073 soldaten werden gedood, krijgsgevangen genomen of vermist werden. Het Westelijk front verloor ook nog eens 4.799 tanks, 9.427 artilleriestukken en 1.777 gevechtsvliegtuigen. Maar doordat de Duitsers niet voldoende troepen hadden om de omsingeling geheel te sluiten, wisten grote aantallen Sovjetsoldaten door de bressen te ontsnappen en zich terug te trekken over de rechteroever van de Berezina. Zo wist Boldin bijvoorbeeld met 1.654 soldaten oostwaarts uit te breken en zich bij de hoofdmacht van het Rode Leger te voegen. Anderen, zoals bijvoorbeeld kolonel Nikiporovich, wisten aan krijgsgevangenschap te ontkomen en partizaneneenheden op te zetten die het de Duitsers de komende jaren behoorlijk moeilijk zouden gaan maken. De uit de omsingeling ontkomen Pavlov werd op 29 juni opgevolgd door luitenant-generaal Andrei I. Yeremenko, die de bijna onmogelijke taak kreeg de Duitsers er van te weerhouden door te breken naar Smolensk. Deze positie bekleedde hij echter maar twee dagen, want Stalin besloot om zijn meest ervaren bevelhebber, maarschalk Semyon K. Timoshenko het bevel te geven over het belangrijke Westelijke Front. De ongelukkige Pavlov werd teruggeroepen naar Moskou om verantwoording af te leggen voor de catastrofe die het Westelijke Front was overkomen. Een maand later werd kolonel-generaal D.G. Pavlov samen met enkele leden van zijn staf op persoonlijk bevel van Stalin geëxecuteerd.

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
Divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
Operatie Seelöwe
Codenaam voor de nooit uitgevoerde Duitse invasie van Groot-Brittannië.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.

Afbeeldingen

Kaart van de dubbele omsingeling bij Bialystok en Minsk.
PzKpfw III van de 18. Panzerdivision tijdens de oversteek van de Bug, 22 juni 1941.
Halfrupsvoertuigen van Generaloberst Heinz Guderian's Panzergruppe 2 in Wit-Rusland, juni 1941.
Duitse troepen marcheren langs achtergelaten Russisch materieel van het 3e en 4e Leger.

De gevechten in de Oekraïne

Generalfeldmarschall Gerd von Rundstedt, de commandant van Heeresgruppe Süd had de meest ambitieuze opdracht van de drie legergroepen. Heeresgruppe Süd opereerde ten zuiden van de Pripjatmoerassen, terwijl de voornaamste machtsconcentratie (Heeresgruppe Nord en Heeresgruppe Mitte met drie van de vier pantsergroepen) zich ten noorden daarvan bevond. Von Rundstedt's legergroep was verdeeld in twee vleugels. De noordelijke vleugel die opereerde vanuit het zuidoosten van het Generaalgouvernement (het in 1939 door de Duitsers bezette Polen) bestond uit twee legers en een pantsergroep, in totaal 34 divisies. De zuidelijke vleugel die de sector omvatte van de Karpaten tot aan de Zwarte Zee bestond slechts uit de 11. Armee onder leiding van Generaloberst Eugen Ritter von Schobert (acht divisies). Er waren ook twee Roemeense legers (het Derde en het Vierde), maar deze waren slecht uitgerust en qua gevechtskwaliteit niet te vergelijken met een Duits veldleger. De zuidelijke vleugel kreeg de benaming Heeresgruppe Antonescu, omdat deze onder commando stond van de Roemeense dictator maarschalk Ion Antonescu.

De taken werden als volgt verdeeld: De 6. Armee onder leiding van Generalfeldmarschall Walther von Reichenau moest een bres slaan in de Sovjetverdedigingslinie, waardoorheen de Panzergruppe 1, aangevoerd door Generaloberst Ewald von Kleist, snel moest oprukken, eerst in de richting van de Dnjepr ten zuiden van Kiev, waarna het zuidwaarts langs de rivieroever achter het Russische Zuidwestelijk Front moest doorstoten naar de Zwarte Zee. De 17. Armee onder commando van General der Infanterie Carl-Heinrich von Stülpnagel moest oprukken naar Vinnitsa en dan zijn weg oost- of zuidoostwaarts vervolgen om Panzergruppe 1 te ontmoeten. Het resultaat dat men hiervan verwachtte, was de vernietiging van het gehele vijandelijke Zuidwestelijk Front ten westen van de Dnjepr en de verovering van het noordwestelijke deel van de Oekraïne tot aan de rivier.

In het zuiden moest Heeresgruppe Antonescu de olievelden van Ploiesti bewaken, de noordelijke vleugel beschermen tegen een eventuele Sovjetpoging haar te omtrekken en vervolgens meehelpen het verwachte succes uit te buiten door naar het oosten op te rukken, daarbij het Zuidelijke Front te vernietigen en het zuidwestelijke deel van de Oekraïne te veroveren. Zo zou de gehele Oekraïne ten westen van de Dnjepr (het gebied dat in Oost-Europa bekend staat als de 'rechteroever-Oekraïne') in Duitse handen moeten vallen.

De militaire districten Kiev en Odessa
Het Militaire District Kiev, op de dag van de Duitse invasie omgedoopt in Zuidwestelijk Front, was de krachtigste Sovjettroepenmacht aan de westelijke grenzen. Bevelhebber kolonel-generaal Mikhail P. Kirponos beschikte over vier legers, acht gemechaniseerde korpsen en een luchtlandingskorps. Van noord naar zuid waren langs de grens opgesteld: Luitenant-generaal M.I. Potapov's 5e Leger, luitenant-generaal N.I. Musichenko's 6e Leger, luitenant-generaal F.I. Kostenko's 26e Leger en luitenant-generaal P.G. Ponedelin's 12e Leger. Deze legers vormden het eerste verdedigingsechelon. Het 5e Leger werd ondersteund door majoor-generaal Konstantin K. Rokossovsky's 9e Gemechaniseerde Korps en het 22e Gemechaniseerde Korps onder leiding van majoor-generaal S.I. Kondrusev. Het 6e Leger werd bijgestaan door het goed uitgeruste 4e Gemechaniseerde Korps onder commando van majoor-generaal Andrei A. Vlasov en door majoor-generaal I.I. Karpezo's 15e Gemechaniseerde Korps. Het 26e en het 12e Leger kregen respectievelijk komdiv A.D. Sokolov's 16e Gemechaniseerde Korps en luitenant-generaal D.I. Ryabishev's 8e Gemechaniseerde Korps toegewezen.

De Generale Staf had kolonel-generaal M.P. Kirponos aanzienlijke reserves toegewezen, waaronder majoor-generaal N.V. Feklenko's 19e Gemechaniseerde Korps en majoor-generaal V.I. Chistiakov's 24e Gemechaniseerde Korps. Enkele dagen voor het begin van Operatie Barbarossa begonnen de eerste eenheden van luitenant-generaal M.F. Lukin's 16e Leger en luitenant-generaal Ivan S. Konev's 19e Leger te arriveren bij de oevers van de Dnjepr. Deze twee legers moesten worden aangevoerd uit het achterland en waren ten tijde van de Duitse aanval verre van geheel gemobiliseerd. Deze strijdkrachten moesten het tweede verdedigingsechelon gaan vormen.

In tegenstelling tot het Baltische en het Westelijke militaire district had Mikhail P. Kirponos in zijn noordelijke sector een diep geëchelonneerde verdediging gecreëerd. In de week voorafgaand aan de Duitse invasie had Kirponos er op eigen initiatief voor gezorgd dat zijn grenstroepen extra waakzaam waren, door middel van het vormen van een samenwerkingsverband met NKVD-eenheden. Bovendien waren de verbindingen in een veel betere conditie dan elders aan frontlinie. Aan de vooravond van de Duitse invasie bevond de oplettende M.P. Kirponos zich in zijn commandopost, klaar om de Duitse invasie op te vangen.

Ten zuiden van het Militaire District Kiev was het Militaire District Odessa gelegen, dat de verdediging van de grens met Roemenië voor haar rekening nam. Hoewel Heeresgruppe Antonescu niet aanviel op 22 juni was het Militaire District Odessa, net zoals zijn noorderbuur in opperste staat van paraatheid, ondanks dat bevelhebber kolonel-generaal I.V. Tyulenev in het weekend van de Duitse aanval in Moskou verbleef. Dit was te danken aan het oplettende optreden van stafchef majoor-generaal M.V. Zakharov. Het Militaire District Odessa werd pas op 25 juni geactiveerd als Zuidelijk Front en was samengesteld uit kolonel-generaal I.T. Cherevichenko's 9e Leger en luitenant-generaal A.K. Smirnov's 18e Leger. Het 2e Gemechaniseerde Korps onder bevel van luitenant-generaal I.V. Novoselsky ondersteunde deze twee legers.

De Duitse invasie
In de vroege morgen van 22 juni raasden de voorste eenheden van Ewald von Kleist's Panzergruppe 1 oostwaarts en wisten enkele overgangen over de Westelijke Bug ongeschonden in handen te krijgen. Hoewel de grensposten beter bemand waren dan in het gebied ten noorden van de Pripjatmoerassen wisten de Duitsers deze te omsingelen, maar het duurde wel drie dagen totdat deze geheel waren vernietigd. Op de scheidslijn tussen het 5e en het 6e Leger sloeg de Panzergruppe 1 genadeloos toe. In navolging van NKO Directief nr. 3 ging kolonel-generaal Kirponos aan de slag met het uitwerken van de plannen voor een gigantisch tegenoffensief. Vanuit Moskou werd chef van de Generale Staf legergeneraal Georgy K. Zhukov naar het hoofdkwartier van het Zuidwestelijk Front gestuurd om kolonel-generaal Kirponos bij te staan in het coördineren van de tegenaanval. De gemechaniseerde korpsen in het achterland werd opdracht gegeven startposities te bemannen en voorbereidingen te treffen voor het geplande tegenoffensief.

Inmiddels had Panzergruppe 1 en Walther von Reichenau's 6. Armee op de tweede dag van de Duitse invasie een bres van meer dan 50 kilometer breed geslagen in de Sovjetverdediging, waardoorheen Eberhard von Mackensen's III. Armeekorps (13. Panzerdivision en 14. Panzerdivision) en Werner Kempf's XLVIII. Panzerkorps in rap tempo oprukten in de richting van Dubno. Ten zuiden hiervan stuitte Von Stülpnagel's 17. Armee op een vastberaden Sovjetverdediging ten westen van Lvov (Lemberg), maar wist toch een bres te slaan tussen het 6e en het 26e Leger. Kirponos besloot om het 15e Gemechaniseerde Korps in de strijd te werpen om de Duitse voorhoede een halt toe te roepen. Doordat er onvoldoende tijd was zich degelijk voor te bereiden, werd het 15e Gemechaniseerde Korps op 23 juni gedwongen zijn troepen in kleine gedeelten tegelijk in te zetten, waardoor de tegenaanvallen gemakkelijk door de Duitse infanterie konden worden afgeslagen. De 11. PanzerdivisionXLVIII. Panzerkorps slaagde er in 60 kilpometer door te dringen in de Sovjetverdediging. Een dag later ging het 22e Gemechaniseerde Korps over tot de tegenaanval. Ten oosten van Vladimir-Volinski kwam het tot een treffen tussen de voorhoede van Von Mackensen's III. Korps (elementen van de 13. en 14. Panzerdivision) en de 215e Gemotoriseerde Divisie en de 19e Tankdivisie. Het 22e Gemechaniseerde Korps werd met behulp van de Luftwaffe gedecimeerd en de Duitsers slaagden er in de buitenwijken van Lutsk te bereiken. Hier ontstonden opnieuw zware gevechten en het duurde tot 26 juni voordat Lutsk geheel in Duitse handen was, terwijl de 11. Panzerdivision zonder noemenswaardige tegenstand Dubno innam.

Op 26 juni was de Panzergruppe 1 in een ideale uitgangspositie beland om door te stoten naar Kiev, het politieke en industriële centrum van de Oekraïne. Inmiddels had Mikhail P. Kirponos echter voldoende troepen verzameld voor het lanceren van een groot tegenoffensief. Op aandringen van chef van de Generale Staf legergeneraal Georgy K. Zhukov gaf Kirponos het 19e en het 9e Gemechaniseerde Korps de opdracht de Duitse voorhoede bij Dubno en Lutsk aan te vallen. De beide korpsen waren echter zwaar onderbemand. Luitenant-generaal M.I. Potapov, de bevelhebber van het 5e Leger, kreeg de supervisie over de tegenaanval die vanuit Rovno in westwaartse richting moest worden ingezet. Zijn staf was echter onervaren, de verbindingen waren deels verbroken en er was nauwelijks luchtsteun voorhanden. Verder naar het zuiden moest het 15e en het 8e Gemechaniseerde Korps de Duitsers in de rechterflank aanvallen, eveneens in de richting van Dubno. Deze twee korpsen waren eveneens zwaar onderbemand. Het krachtige 4e Gemechaniseerde Korps, aangevoerd door Andrei A. Vlasov, bevond zich nog te ver naar het oosten om op tijd aanwezig te zijn om aan het tegenoffensief deel te nemen.

De tankslag bij Dubno
Ondanks alle problemen begon op 26 juni de tegenaanval ten noorden en zuiden van Dubno, waardoor een tankslag ontstond van een tot dan toe ongekende schaal, waarbij meer dan 2.000 tanks waren betrokken. Aanvankelijk boekten het 8e en het 15e Gemechaniseerde Korps succes door de 57. Infanteriedivision in de flank aan te vallen en 10 kilometer terug te werpen. Diezelfde avond gaf legergeneraal G.K. Zhukov het 8e Gemechaniseerde Korps de opdracht door te stoten naar Dubno, waar het echter op een vastberaden verdedigingsschild stuitte van de 16. Panzerdivision. De volgende dag probeerde de 34e Tankdivisie het nogmaals, maar opnieuw zonder de gewenste resultaten. Duitse artillerie en duikbommenwerpers konden ongestoord het 8e Gemechaniseerde Korps blijven bestoken en door de superieure Duitse tactieken werd het 8e Gemechaniseerde Korps omsingeld en vernietigd. Het 15e Gemechaniseerde Korps werd eveneens verpulverd door vernietigende luchtaanvallen en bij een uitwijkactie liep het 15e Gemechaniseerde Korps vast in een moeras, waardoor het merendeel van de voertuigen en tanks achtergelaten moest worden.

Ten noorden van Dubno probeerde het 19e Gemechaniseerde Korps op 26 juni eveneens op te rukken naar Dubno. De 11. Panzerdivision en de 13. Panzerdivision gingen over tot de tegenaanval en wierpen de 40e en de 43e Tankdivisie terug naar Rovno. Verder naar het zuiden viel majoor-generaal Konstantin K. Rokossovsky's 9e Gemechaniseerde Korps eveneens aan in de richting van Dubno. De verbindingen met het 19e Gemechaniseerde Korps werden echter verbroken en de verliezen onder de lichte tanks (T-26 en BT-7) waren extreem hoog. Na het mislukken van deze tegenaanval kreeg Rokossovsky de volgende dag de opdracht zijn tegenaanval te hernieuwen, maar in de plaats daarvan besloot hij verdedigende stellingen in te nemen en de 13. Panzerdivision, die Rovno naderde, in een hinderlaag te lokken. Voor de eerste maal in de oorlog werden de Duitsers op grote schaal bestookt door Sovjetartillerie en leden ze zware verliezen. De verliezen voor Rokossovsky waren door toedoen van de Luftwaffe opgelopen en een dag later kreeg de jonge bevelhebber de opdracht zich terug te trekken. De zwaar gehavende eenheden van het 5e Leger trokken zich in noordelijke richting terug in de uitlopers van de Pripjatmoerassen. Generalfeldmarschall Gerd von Rundstedt besloot zijn ondergeschikten geen toestemming te geven de achtervolging in te zetten. Zijn voorzichtigheid had wel gevolgen voor het verdere verloop van de operaties. De bevelhebber van de 6. Armee was hierdoor gedwongen eenheden achter te houden voor de verdediging van zijn linkerflank.

De Sovjet-terugtocht
De Sovjet-tegenoffensieven vertraagden Heeresgruppe Süd voor minstens een week. De vastberaden en stugge tegenstand hielp mee aan Hitler's latere beslissing om generaloberst Heinz Guderian's Panzergruppe 2 naar het zuiden te laten afbuigen om de Oekraïne van Sovjet-tegenstand te zuiveren. Dat nam niet weg dat door de Duitse overwinningen bij Dubno en Brody M.P. Kirponos gedwongen werd zijn verdediging ten zuiden van Lvov op te geven. Het 6e Leger trok zich in noordelijke richting terug naar Lvov, maar moest na drie dagen de stad aan de Duitsers laten om aan omsingeling te ontsnappen. Diezelfde dag (9 juli) kreeg Kirponos van Moskou de opdracht de overgebleven troepen van het 6e Leger terug te trekken naar de Stalinlinie. Verder naar het zuiden werd ook aan het 26e en het 12e Leger de opdracht gegeven zich in zuidelijke richting terug te trekken.

Tijdens hun terugtocht werden het 6e, 26e en 12e Leger contstant op de hielen gezeten door de Panzergruppe 1 en de 17. Armee. Begin juli rukte Mackensen's III. Korps gestaag op vanuit Rovno naar de Dnjepr. Ten zuiden van deze opmars stootte Kempf's XLVIII. Panzerkorps door naar Shepetovka. Hierdoor werden de naar het zuiden terugtrekkende Sovjettroepen bedreigd met omsingeling. Kirponos reageerde hierop door het naar de Pripjatmoerassen verdreven 5e Leger een aanval te laten uitvoeren tegen de linkerflank van Mackensen. Hoewel deze tegenaanvallen mislukten werd Mackensen twee dagen opgehouden, waardoor Kirponos de tijd kreeg zijn troepen terug te trekken naar nieuwe verdedigingslinies.

De paniek onder de Sovjeteenheden nam echter toe. Kirponos besloot hierop zogenaamde 'blokkeer-detachementen' te creëeren die de opdracht kregen iedere soldaat die zich terugtrok zonder hiervoor bevel te hebben gekregen te executeren. Terwijl de terugtocht voortduurde wisten Mackensen's III. Korps en Kempf's XLVIII. Panzerkorps verder naar het oosten door te stoten en Berdichev en Zhitomir te veroveren. Doordat Berdichev door de Duitsers onder de voet was gelopen dreigde de linkerflank van het Zuidwestelijk Front opnieuw omsingeld te worden. Om dit te voorkomen gaf Kirponos het 6e Leger de opdracht, versterkt met het 16e Gemechaniseerde Korps en de overblijfselen van het 15e Gemechaniseerde Korps, de posities ten zuiden van Berdichev koste wat kost te behouden. Tegelijkertijd werden er in Kharkov en Kiev volksmilities geformeerd om stellingen in te nemen in het gefortificeerde district Kiev.

Het offensief in Moldavië
Op 2 juli ging de zuidelijke vleugel van Heeresgruppe Süd (Heeresgruppe Antonescu) over tot de aanval tegen Sovjettroepen langs de grens met Moldavië. Het Zuidelijk Front, aangevoerd door kolonel-generaal I.V. Tyulenev had zijn verdediging echter goed georganiseerd en liet zich niet verrassen door de Duits-Roemeense troepen. Generalfeldmarschall Von Rundstedt wilde de 11. Armee een omtrekkende beweging laten uitvoeren om zich samen te voegen met de 17. Armee, welke de rechterflank vormde van de noordelijke vleugel, met de intentie de Sovjettroepen tussen de Karpaten en de 11. Armee te omsingelen. Het Roemeense Derde en Vierde Leger moesten de kust van de Zwarte Zee zuiveren en de belangrijke havenplaats Odessa innemen.

Op de eerste dag van de aanval in het zuiden boekte de 11. Armee aanzienlijke vooruitgang. De Sovjets voerden echter een tactische terugtocht uit, waardoor het aantal slachtoffers aan Sovjetzijde beperkt bleef. Von Schobert wist de oevers van de Prut te bereiken en Iassy te veroveren, maar had zware tegenaanvallen te verduren van Cherevichenko's 9e Leger en luitenant-generaal I.V. Novoselsky's 2e Gemechaniseerde Korps. Kolonel-generaal I.V. Tyulenev overschatte echter de sterkte van de Duitse aanval en hij diende een verzoek in bij het Sovjet-opperbevel om zijn troepen terug te trekken naar een verdedigingslinie langs de rivier de Dnjestr. Het opperbevel stemde toe, maar kwam enkele dagen later tot de conclusie dat de kracht van het Duitse offensief beperkt was. Hierop gaf het I.V. Tyulenev de opdracht om het verloren gegane gebied te heroveren en opnieuw verdedigende stellingen in te nemen langs de oevers van de Prut. De Sovjet-tegenaanval werd echter geen succes en tussen de rivier de Prut en de Dnjestr werden de Sovjets tegengehouden, waarna de frontlinie zich stabiliseerde. Smirnov's 18e Leger groef zich in en blokkeerde de Duitse opmars in het uiterste zuiden.

Tijdens de grensgevechten in de Oekraïne werd het duidelijk dat de Duitse pantsertroepen zeker niet onoverwinnelijk waren, maar ondanks de relatief succesvolle defensieve gevechten waren de verliezen van het Zuidwestelijk Front hoog. Met inbegrip van de verliezen van het 18e Leger bedroegen deze 241,594 manschappen, waarvan 172,324 dood, vermist of gevangengenomen. De materiële verliezen waren ook zeer aanzienlijk. In totaal verloor het Rode Leger in de Oekraïne maar liefst 4,381 tanks, 5,086 kanonnen en mortieren en 1,218 gevechtsvliegtuigen. Het was echter verontrustender dat Heeresgruppe Süd in een ideale uitgangspositie was gekomen om zuidwaarts in de achterhoede van het Zuidwestelijk en het Zuidelijk Front door te stoten.

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
NKVD
Benaming van de veiligheidsdienst van de Sovjetunie ten tijde van WO II.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Stalinlinie
Verdedigingslinie die in het interbellum door de Russen werd aangelegd aan hun westgrens, maar door de expansies in het (Baltische Staten, Polen, Bessarabië, etc.) westen schoof de grens op en was de Stalinlinie niet meer de eerste linie bij de Duitse inval in 1941.

Afbeeldingen

Kaart van de Duitse aanval op de Oekraïne.
Tanks van Generaloberst Ewald von Kleist's Panzergruppe 1 in de Oekraïne, juni 1941.
In sommige delen van de Oekraïne werden de nazi's als bevrijders onthaald.
Russische tankstrijdkrachten in de tegenaanval.

Nawoord

Hitler's 'kruistocht tegen het bolsjewisme' kende een uiterst succesvolle beginfase. Door de toegepaste Blitzkrieg-tactieken waren de Duitsers in de eerste drie weken van Operatie Barbarossa maar liefst 600 kilometer doorgedrongen op het grondgebied van de Sovjet-Unie. Wit-Rusland was zo goed als geheel veroverd en grote delen van de Baltische staten en de Oekraïne waren eveneens onder de voet gelopen. De Wehrmacht was er in geslaagd het eerste verdedigingsechelon van het Rode Leger te verpulveren. Het merendeel van het Westelijk Front was omsingeld ten westen van Minsk en de voorhoede van Heeresgruppe Mitte had de oevers van de Dnjepr inmiddels bereikt. Tijdens de wanhopige defensieve gevechten had het Rode Leger tenminste 747.870 slachtoffers geïncasseerd, waarvan 588.598 doden, gewonden en vermisten. Bovendien waren er 10.180 tanks en 3.995 gevechtsvliegtuigen verloren gegaan.

Onvolledige overwinning
Maar ondanks de uitermate succesvolle beginfase begonnen zich de eerste twijfels te ontwikkelen bij het Duitse opperbevel. Hoewel een aanzienlijk aantal Sovjetsoldaten krijgsgevangen werd genomen, vochten anderen zich letterlijk dood. Dit was de Wehrmacht nog niet eerder overkomen. Tijdens de veldtocht in het westen tegen de West-Europese democratieën een jaar eerder vochten de Duitsers tegen een vijand die de wil niet had zich tot het uiterste te blijven verzetten. Nu vocht het echter tegen een tegenstander die door het communistische regime gedwongen werd tot het bittere einde toe te strijden.

Ten tweede lag de Wehrmacht na drie weken strijd achter op zijn tijdschema, vooral in de Oekraïne. Evenmin was het merendeel van het Rode Leger verslagen zoals was voorzien. De Duitse inlichtingendiensten waren er niet in geslaagd een juist beeld te geven van de Sovjet-troepenconcentraties. Steeds maar weer opnieuw doken nieuwe Sovjetformaties op naarmate de Duitsers verder doordrongen in de Sovjetachterhoede. Het Duitse opperbevel had een ernstige misrekening gemaakt over de hoeveelheid troepen die de Sovjet-Unie kon inzetten.

Ten derde verliep de opmars van de drie legergroepen niet gelijk. Heeresgruppe Nord en Heeresgruppe Mitte waren veel verder opgerukt dan Heeresgruppe Süd en in de door de Duitsers ondoordringbaar geachte Pripjatmoerassen begon het 5e Leger uitvallen te ondernemen tegen de flanken van Fedor von Bocks's Heeresgruppe Mitte en Gerd von Rundstedt's Heeresgruppe Süd. Als deze situatie zich voort zou zetten kon Adolf Hitler's voorgenomen strategie om direct naar Leningrad en Moskou op te rukken wel eens niet ten uitvoer gebracht kunnen worden en zouden de aanvalsplannen moeten worden aangepast.

Tenslotte begonnen ook de eerste logistieke problemen te ontstaan. Het Sovjetwegennet was veel minder ontwikkeld dan het wegennet in Frankrijk een jaar eerder, waardoor de voorhoede van de Duitse pantserspitsen niet op tijd bevoorraad konden worden. De aanvoerlijnen waren bovendien kwetsbaar voor uitvallen van ontsnapte Sovjetsoldaten. De breedte van de spoorlijnen verschilde van die in West-Europa, waardoor de Duitsers afhankelijk waren van buitgemaakt Sovjet-spoormaterieel. Deze moeilijkheden zouden later ontaarden in een ware nachtmerrie voor de Duitse bevoorradingstroepen, maar vooralsnog waren de problemen redelijk te overzien.

De Duitse bezettingspolitiek
In het spoor van de reguliere Duitse gevechtsformaties volgden de Einsatzgruppen, de moordcommando's van het Derde Rijk. Deze richtten ware bloedbaden aan onder de Joodse bevolking in het onder de voet gelopen gebied. Sovjet-krijgsgevangenen werden nauwkeurig ondervraagd en onder druk gezet om politieke commissarissen en leden van de Communistische Partij in hun gelederen aan te wijzen. Deze werden door de Wehrmacht overgedragen aan de SS voor standrechtelijke executie. De overige krijgsgevangenen werden eveneens aan hun lot overgelaten in de overvolle krijgsgevangenkampen. Het Duitse opperbevel had in haar planning nauwelijks tot geen rekening gehouden met de gigantische massa's krijgsgevangenen, wat tot gevolg had dat deze niet of nauwelijks verzorgd werden. In de broeiende zomerhitte van 1941 stierven daardoor grote aantallen Sovjetsoldaten van honger en dorst, terwijl onverzorgde wonden en epidemieën spoedig hun tol gingen eisen; het aantal doden kreeg hierdoor een monsterachtige dimensie.

De Duitse bezettingsmacht zaaide ook dood en verderf onder de burgerbevolking. Hoewel de Duitsers in de Oekraïne en in de Baltische staten aanvankelijk als bevrijders van het juk van het stalinisme werden binnengehaald, werd spoedig de ware aard van de Duitse bezetter duidelijk. Hitler beschouwde niet alleen de Joden als minderwaardige mensen, ook de slavische bevolking werd door de nazi's bestempeld met de nazi-term 'Untermensch'. Het waren echter niet alleen de nazi's die zich schuldig maakten aan oorlogsmisdaden. Ook de Sovjets martelden en executeerden krijgsgevangengenomen Duitse militairen en piloten. Het gegeven dat de Sovjets geen voorzieningen hadden om krijgsgevangenen onder te brengen, deels omdat de frontlinie zich in een rap tempo in oostelijke richting verplaatste, maakt deze toestanden enigszins begrijpelijk, maar mag toch zeker niet dienen als een excuus. Het werd stilaan duidelijk dat de Duits-Russische oorlog een ideologische botsing was, waarbij door beide strijdende partijen ongekende wreedheden werden begaan.

Maatregelen van het Sovjetbewind
Operatie Barbarossa kwam aan als een mokerslag voor Stalin en zijn handlangers. Wat de Sovjetdictator gehoopt had te voorkomen was een huiveringwekkende werkelijkheid geworden. Toen duidelijk geworden was dat de verdedigingsplannen hadden gefaald, begon Stalin met het nemen van drastische maatregelen.

Op 23 juni 1941 werd Stavka (SGK= Stavka Glavnokogo Komandovania) geïnstalleerd, het hoofdkwartier van het opperbevel, een raad die het hoogste orgaan werd van de Sovjet-strijdkrachten en die de verantwoording kreeg voor het nemen van belangrijke strategische beslissingen. De leden van Stavka bestonden uit een militaire tak (Georgy K. Zhukov, Kliment E. Voroshilov, Semyon M. Budenny, N.G. Kuznetsov) en een politieke tak (Joseph V. Stalin en Vyacheslav M. Molotov), voorgezeten door de voormalig Volkscommisaris van Defensie, maarschalk Semyon M. Timoshenko. De Generale Staf werd ondergeschikt gemaakt aan Stavka en had de taak deze te voorzien van adviezen.

De meest verstrekkende maatregel die genomen werd was de vorming van een oorlogskabinet, het zogenaamde Staatsverdedigingscomité (GKO= Gosudarstvenny Komitet Oboroni) op 30 juni 1941. Het GKO had de bevoegdheid alle werkzaamheden te coördineren van alle regeringsinstanties en instituten, inclusief Stavka en de Generale Staf. De eerste leden van het GKO waren naast Joseph V. Stalin: Vyacheslav M. Molotov, Lavrenty P. Beria en G.M. Malenkov.

Doordat de Duitsers een gigantische bres hadden geslagen in de Sovjetverdediging kwamen de belangrijkste industriegebieden in gevaar. In deze industriegebieden vond ook de productie van wapens plaats en het GKO besloot dat de fabrieken, inclusief de arbeiders moesten worden geëvacueerd naar de Oeral en Siberië, buiten het bereik van de Luftwaffe. Tegelijkertijd werden reservisten door de gehele Sovjet-Unie opgeroepen om nieuwe eenheden te formeren. Stalin zag in tegenstelling tot Hitler al in een vroeg stadium in dat dit een totale oorlog was, waarbij het uiterste werd gevraagd van zowel militairen als burgers.

Het GKO besloot het opperbevel in zekere mate te decentraliseren door het enorme front te verdelen in drie hoofdsectoren, elk onder een eigen commando. Maarschalk Kliment E. Voroshilov werd belast met het bevel over de Noordwestelijke Sector, met inbegrip van de Baltische Vloot en de Noordelijke Vloot. Maarschalk Semyon K. Timoshenko werd chef van de Westelijke Sector en maarschalk Semyon M. Budenny van de Zuidwestelijke Sector, de Zwarte Zeevloot inbegrepen. Er werden eveneens voorbereidingen getroffen voor een overgang naar een systeem van kleine legers, bestaande uit maximaal vijf of zes divisies. Toen deze maatregelen tenslotte waren genomen, verbeterde de reactiesnelheid in hoge mate, grotendeels doordat het commando op korpsniveau, tussen divisie en leger, werd uitgebannen.

Vanwege het grote aantal Sovjetsoldaten dat zich had overgegeven besloot Stalin ook de macht van de politieke commissarissen opnieuw uit te breiden. Deze voor het merendeel niet-militair geschoolde commissarissen kregen weer dezelfde bevoegdheden als militaire commandanten. De terreur bereikte een nieuw dieptepunt toen uit omsingeling ontsnapte Sovjetsoldaten werden opgepakt, ondervraagd en in sommige gevallen werden geëxecuteerd door de NKVD, omdat zij zich niet tot het einde toe hadden verzet.

Stalins radiotoespraak
Op 3 juli 1941 sprak Stalin voor het eerst zijn natie toe in een korte radio-toespraak. Hij deed een beroep op de vaderlandsliefde van de bevolking van de Sovjet-Unie en sprak nauwelijks over het communistische ideaal. Stalin riep op tot genadeloze maatregelen tegen deserteurs en paniekzaaiers. Krijgsraden moesten onverwijld iedereen berechten, die door paniek of lafheid de verdediging van de Sovjetstaat hinderde, ongeacht de positie of rang van de verdachte. Vervolgens gaf Stalin instructies voor het ten uitvoer brengen van de 'tactiek der verschroeide aarde'. Er mocht voor de vijand niet één locomotief, niet één wagon, geen pond brood en geen liter olie overblijven. Alle waardevolle goederen moesten worden afgevoerd naar het achterland en bezittingen die niet konden worden weggevoerd, moesten worden vernietigd. Tenslotte deed Stalin een beroep op de bevolking in de inmiddels door de Duitsers onder de voet gelopen gebieden. Stalin riep op tot het voeren van een meedogenloze partizanenstrijd. Stalin's radiotoespraak had een enorme uitwerking op de nerveuze en veelal angstige en verbijsterde bevolking van de Sovjet-Unie.

Ondertussen begonnen Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie toenadering tot elkaar te zoeken. Winston Churchill schreef Stalin een brief en de Britse ambassadeur in Moskou Stafford Cripps voerde gesprekken met Stalin en V.M. Molotov, waarin de eerste basis werd gelegd voor de Geallieerd-Russische Alliantie. Daar stond tegenover dat het aantal bondgenoten van Duitsland toenam. In het uiterste noorden probeerden de Finnen het in de Winteroorlog verloren gegane gebied te heroveren, terwijl Roemenië in het zuiden oprukte door Moldavië. Maar ook Hongarije verklaarde de Sovjet-Unie de oorlog, terwijl Benito Mussolini ook zijn steentje wilde bijdragen aan de 'Kruistocht tegen het bolsjewisme'. De Hongaren stuurden drie zwak uitgeruste divisies naar het Oostfront, terwijl de Italianen een heel expeditieleger naar de Sovjet-Unie stuurden. Deze troepen werden alle ingedeeld bij Heeresgruppe Süd.

Naarmate de Duitsers verder doordrongen in het Russische achterland nam de lengte van de frontlinie toe. Er ontwikkelden zich nieuwe gevechten toen de Duitsers in aanraking kwamen met het tweede verdedigingsechelon van het Rode Leger. Heeresgruppe Nord rukte gestaag op naar Leningrad (zie: Slag om Leningrad), Heeresgruppe Mitte koerste in de richting van Smolensk (zie: Slag om Smolensk), met de bedoeling om door te stoten naar Moskou, terwijl Heeresgruppe Süd zware tegenstand ondervond van het Zuidwestelijk Front, wat uiteindelijk zou ontaarden in een verandering in het Duitse aanvalsplan (zie: Slag om Kiev). Vooralsnog leek het er echter op dat niets en niemand de Duitse oorlogsmachine kon stoppen, maar de vraag was voor hoe lang nog?

Definitielijst

Blitzkrieg
De Nederlandse betekenis van dit Duitse woord is 'bliksemoorlog'. Zeer snel verlopende veldtocht. In tegenstelling tot een loopgravenoorlog is de Blitzkrieg erg snel en beweeglijk. Lucht- en grondstrijdkrachten werken nauw samen. Voor het eerst toegepast door de Duitsers (september 1939 in Polen)
democratie
Letterlijk: demos (volk) kratein (regeert). Democratie is een bestuursvorm waar de regering door een meerderheid van het volk gekozen wordt en waarbij het volk de leiders op het rechte pad houdt door de mogelijkheid deze regering weg te sturen als een meerderheid van het volk het niet meer eens is met de regering.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
nazi
Afkorting voor een nationaal socialist.
NKVD
Benaming van de veiligheidsdienst van de Sovjetunie ten tijde van WO II.
oorlogsmisdaden
Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
Sovjet-Unie
Sovjet Rusland, andere naam voor de USSR.
stalinisme
Periode uit de geschiedenis van de Sovjetunie waarin Stalin de onbetwiste leider was. Het regime was totalitair. Persoonsverheerlijking, terreur van de geheime politie, zuiveringen, liquidaties en een overtrokken chauvinisme waren kenmerken van het Stalinisme. Vele Oost-Europese landen namen na de oorlog deze vorm van dictatuur over.
Stavka
Het opperbevel van de Russische strijdkrachten in WO II, voorgezeten door Stalin.
totale oorlog
Een oorlog waarbij ook de burgerbevolking betrokken is en waarin alles in dienst is gesteld van de oorlogsvoering.
Untermensch
In de nazifilosofie in tegenstelling tot de Übermensch de mens met de meest negatieve geestelijke en lichamelijke eigenschappen.

Afbeeldingen

Honderdduizenden Russische krijgsgevangenen marcheren hun dood tegemoet.
In het voetspoor van de Duitse legers volgden de moordeskaders. Communistische volkscommissarissen, maar vooral joden moesten het ontgelden.
Stalin doet zijn beroemde radiotoespraak, 3 juli 1941.

Bronnen

  • Bagramian, Ivan K. Tak Nachinalas' Voina. Moskou: Voenizdat: 1971
  • Barrett R.W. & Jackson W.E. (red.), Nazi Conspiracy & Aggression Volume 1. Washington D.C.: United States Government Printing Office, 1946
  • Barrett R.W. & Jackson W.E. (red.), Nazi Conspiracy & Aggression Volume 2. Washington D.C.: United States Government Printing Office, 1946
  • Bartov, Omer. The Eastern Front 1941-1945: German troops and the Barbarization of Warfare. New York: Palgrave Macmillan, 2001
  • Blau G.E., The German Campaign in Russia: Planning and Operations (1940-1942). Washington D.C.: US Government Printing Office (Pamphlet no. 20-291), 1955
  • Blau G.E., The German Campaigns in the Balkans (Spring 1941). Washington D.C.: US Government Printing Office (Pamphlet no. 20-260), 1953
  • Boldin, Ivan V. Stranitsy Zhizni. Moskou: Voenizdat, 1961
  • Boog, Horst (red). Das Deutsche Reich und der Zweite Weltkrieg. Band 4: Die Angriff auf die Sowjetunion. Stuttgart: Deutsche Verlags-Anstalt, 1987
  • Bullock, Alan. Hitler and Stalin: Parallel lives, Londen: HarperCollins Publishers, 1992
  • Burdick, Charles & Jacobsen, Hans-Adolf (red). The Halder War Diary, 1939-1942. Londen: Greenhill, 1988
  • Carell, Paul. Unternehmen Barbarossa: Der Marsch nach Rußland. Frankfurt am Main: Ulstein Verlag, 1976
  • Charles de Beaulieu, A.D.W. Der Vorstoß der Panzergruppe 4 auf Leningrad. Neckargemund: Kurt Vowinckel Verlag, 1961
  • Churchill, Winston. De Tweede Wereldoorlog (12 delen). Amsterdam: Elsevier, 1979
  • Clark, Alan. Barbarossa: The Russian-German Conflict 1941-1945. Londen: Orion Publishing, 2001
  • Erickson, John. The Soviet High-Command 1918-1941: A Military-Political History. Londen: MacMillan, 1962
  • Erickson, John. The Road to Stalingrad: Stalin's War with Germany Volume 1. New Haven: Yale University Press, 1999
  • Freidin, S. & Richardson, W. (red.). Fatal Decisions. New York: William Sloane Associates, 1956
  • Glantz, David M. Barbarossa 1941: Hitler's Invasion of Russia. Gloucestershire: Tempus Publishing, 2001
  • Glantz, David M. Forgotten Battles of the German-Soviet War (1941-1945) Volume 1: The Summer-Fall Campaign (22 June-4 December 1941). Carlisle PA: David M. Glantz, 2000
  • Glantz, David M. Stumbling Colossus: the Red Army on the Eve of World War. Lawrence KS: University Press of Kansas, 1998
  • Glantz, David M. (red.), The Initial Period of War on the Eastern Front 22 June-August 1941. Londen: Frank Cass, 1999
  • Glantz, David M. The Soviet Airborne Experience (Research Survey No. 4). Fort Leavenworth: Combat Studies Institute, 1984
  • Glantz, David M. & House, Jonathan. When Titans Clashed: How the Red Army Stopped Hitler. Lawrence KS: University Press of Kansas, 1996
  • Görlitz, Walter (red). In the Service of the Reich: The Memoirs of Field-Marshal Keitel. Londen: Focal Point Publications, 2003
  • Gorodetsky, Gabriel. Grand Delusion: Stalin and the German Invasion of Russia. New Haven: Yale University Press, 1999
  • Griess, Thomas E. The Second World War: Europe and the Mediterranean (The West Point Military History Series). New York: Square One Publishers, 2002
  • Guderian, Heinz. Panzer Leader. Londen: Penguin books, 2000
  • Hitler, Adolf. Mein Kampf. München: Zentralverlag der NSDAP, 1940
  • Hoek, K.A. van den. Veldtocht tegen Rusland. Rotterdam: Lecturama, 1978
  • Hoth, Hermann. Panzer-Operationen: Die Panzergruppe 3 und die operative Gedanke der deutsche Führung. Sommer 1941. Heidelberg: Kurt Vowinckel Verlag, 1956
  • Hubatsch, Walter (red). Hitlers Weisungen für die Kriegführung: Documente des Oberkommando der Wehrmacht. Frankfurt am Main: Bernhard & Graefe Verlag, 1962
  • Irving, David. Hitler's war and the war path. Londen: Focal Point Publications, 2002
  • Irving, David. The Rise and Fall of the Luftwaffe. Londen: Focal Point Publications, 2002
  • Kershaw, Ian. Hitler 1936-1945: Vergelding. Utrecht: Het Spectrum, 2000
  • Kipp, Jacob W. Barbarossa: Soviet Covering Forces and the Initial Period of War. Fort Leavenworth: Foreign Military Studies Office, 1989
  • Kipp, Jacob W. Mass, Mobility, And The Red Army's Road To Operational Art 1918-1936. Fort Leavenworth: Foreign Military Studies Office, 1988
  • Klaus, Gerbert (red). Generalfeldmarschall Fedor Von Bock: The War Diary 1939-1945. Atlgen PA: Schiffer Publishing, 1996
  • Krivosheev, G.F., Soviet Casualties and Combat Losses in the Twentieth Century. Moskou: Voenizdat, 1997
  • Leach, Barry. German Strategy Against Russia 1939-1941. Londen: Oxford University Press, 1973
  • Liddell Hart, Basill H., German Generals Talk. New York: William Morrow, 1968
  • Mackensen, Eberhard von. Vom Bug zum Kaukasus: Das III. Panzerkorps im Feldzug gegen Sowjetrussland 1941/42. Neckargemünd: Scharnhorst Buchkameradschaft, 1967
  • Mackintosh, Malcolm. Juggernaut: A History of the Soviet Armed Forces. Londen: Secker & Warburg, 1967
  • Manstein, Erich von. Verlorene Siege. Bonn: Athenäum Verlag, 1955
  • Maslov A.A., How Were Soviet Blocking Detachments Employed?. Fort Leavenworth: Foreign Military Studies Office
  • Moskalenko, Kirill S., Na Iugo-zapadnom Napravleni 1941-1943 kniga 1. Moskou: Nauka, 1969
  • Moynahan, Brian. The Claws of the Bear: A History of the Soviet Armed Forces from 1917 to the Present. Londen: Hutchinson, 1989
  • Overy, Richard. Russia's War. Londen: Penguin books, 1998
  • Philippi, Alfred & Heim, Ferdinand. Der Feldzug gegen Sowjetrußland 1941-1945: Ein operativer Überblick. Stuttgart: Kohlhammer Verlag, 1962
  • Ratley L., A lesson of history: the Luftwaffe and Barbarossa. Air University Review 34 no. 3: 50-65, 1983
  • Reinhardt, Klaus. Die Wende vor Moskau: Das Scheitern der Strategie Hitlers im Winter 1941/42 (Beiträge zur Militär- und Kriegsgeschichte). Stuttgart,1972
  • Rokossovski, Konstantin K., Soldatskii Dog. Moskou: Voenizdat, 1988
  • Salisbury, Harrison E. 900 Dagen: het beleg van Leningrad 1941-1944. Zwolle: Uitgeverij Erven J.J. Tijl, 1969
  • Schramm, Percy E. (red.). Kriegstagebuch des Oberkommando der Wehrmacht 1939-1945 (8 delen). Frankfurt am Main: Bernhard & Graefe Verlag, 1965
  • Seaton, Albert. The battle for Moscow. Edison NJ: Caste books, 2001
  • Seaton, Albert. The Russo-German War 1941-45. Londen: Arthur Barker, 1971
  • Segbers, Klaus. Die Sowjetunion im Zweiten Weltkrieg. Die Mobilisierung von Verwaltung, Wirtschaft und Gesellschaft im "großen Vaterländischen Krieg" 1941-1943 (Studien zur Zeitgeschichte Band 32). München: Oldenbourg Verlag, 1987
  • Shirer, William L. Opkomst en ondergang van het Derde Rijk. Amsterdam: H.J.W. Becht uitgeversmaatschappij
  • Shtemenko, Sergei M. The Soviet General Staff at War 1941-1945. Moskou: Progress Publishers, 1970
  • Shukman, Harold (red.). Stalin's Generals. Londen: Phoenix Press, 2001
  • Sontag R.J. & Beddie J.S. (red.), Nazi-Soviet relations: Documents from the archives of the German Foreign Office. Washington: Department of State, 1948
  • Stalin, Joseph V. On the Great Patriotic War of the Soviet Union. Moskou: Foreign Languages Publishing House, 1946
  • Tippelskirch, Kurt von. Geschichte des Zweiten Weltkriegs. Bonn: Athenäum Verlag, 1954
  • Vasilevski, Alexander M. Delo vsei Zhizni. Moskou: Politizdat, 1978
  • Verkijk, Dick. Operatie Barbarossa: De Duitse inval in Rusland 1941. Amsterdam: Moussault, 1966
  • Vladimirski, A.V. Na Kievskom Napravleni. Moskou: Voenizdat, 1989
  • Volkogonov, Dimitri A. Triomf en tragedie: Een politiek portret van Josef Stalin. Houten: De Haan, 1990
  • Warlimont, Walter. Im Hauptquartier der Deutschen Wehrmacht 1939-1945. Frankfurt am Main: Bernard & Graefe Verlag, 1962
  • Werth, Alexander. Rusland in Oorlog 1941-1945. Amsterdam: Omega, 1979
  • Whaley, Barton. Codeword Barbarossa. Cambridge MA: MIT Press, 1973
  • Wray, Timothy A. Standing Fast: German Defensive Doctrine on the Russian Front During World War II. Research Surveys (Combat Studies Institute) no. 5, 1986
  • Zhukov, Georgy K. Marshal Zhukov's Greatest Battles. New York: Cooper Square Publishing, 2002

Gerelateerde bezienswaardigheden