Sporen van de Strijd: Nederlandse vuurdoop bij Château Saint-Côme

2019 en 2020 zijn bijzondere jubileumjaren: we vieren 75 jaar vrijheid. Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) staat uitgebreid stil bij deze zwaar bevochten vrijheid, waarbij ons accent ligt op Nederland en de Nederlandse bijdragen. De onderstaande bijdrage van Tessa Mulders is overgenomen van de website www.75jaarvrij.nl.

Moffen, mortieren en muggen: in augustus 1944 onderging de Nederlandse Irenebrigade haar vuurdoop in Normandië. Bron: NIHM


Twee maanden na D-Day op 7 augustus 1944, kwamen de eerste gevechtstroepen van de Prinses Irene Brigade bij Arromanches in Normandië aan land. De overtocht was rustig verlopen. “Het weer was voortreffelijk, ieder vermaakte zich zo goed mogelijk met kaartspel of ‘Community Singing’ en zelfs de acoustische mijnen en het duikboot-alarm, dat zo nu en dan klonk, vermochten niet de uitstekende stemming en het rustige vertrouwen op de toekomst te verstoren”, schreef kapitein Robert Fack vlak na de oorlog.[1] De in januari 1941 opgerichte Koninklijke Nederlandse Brigade ‘Prinses Irene’ bestond grotendeels uit Nederlandse militairen die in mei-juni 1940 naar Groot-Brittannië hadden kunnen uitwijken. Ook Engelandvaarders en in het buitenland wonende Nederlanders meldden zich aan voor deze eenheid.

Hellfire Corner
Op 12 augustus namen de Irenemannen de stellingen bij Bréville-les-Monts over van de Britse 1st Battalion Royal Ulster Rifles en de Oxs en Bucks (2nd Oxfordshire en Buckinghamsire light Infantry). De brigadestaf nam zijn intrek in een villa tegenover het zwaar beschadigde Château Saint-Côme. Zowel het kasteel als de villa waren gelegen op een strategische heuvelkam. Deze sector maakte deel uit van het operatiegebied van de Britse 6th Airborne Division. De Duitsers en de geallieerden hadden hier verbeten gevochten in de weken voor de Irenebrigade arriveerde. Het gebied werd daarom ook wel “Hellfire Corner” genoemd.

De stellingen deden hun naam eer aan. Zoals een veteraan later vertelde: “Het was een strijd van de drie M’s: Moffen, mortieren en muskieten.” Alsof dat nog niet genoeg was, werd de villa omgeven door een ondragelijke stank. Jaren later wist een Ireneman zich deze nog altijd te herinneren: “Bij het kasteel hoorde ook een stoeterij, waarvan tientallen dode paarden her en der verspreid lagen. Er werd wel kalk overheen gegooid, maar er was nog geen gelegenheid ze op te ruimen. […] Al met al veroorzaakte dit een hele penetrante geur, die niet was uit te houden.” De hitte in die dagen aan het front bij Bréville-les-Monts - het werd overdag rond de 35 graden - droeg bij aan het rottingsproces van de dierenkadavers.

Onder deze omstandigheden beleefde de brigade haar vuurdoop. Al tijdens hun eerste dag vielen de eerste gewonden. De spanningen liepen op. “Er werd vandaag praktisch door het personeel niet gegeten; meerderen zitten wezenloos vanuit hun dug-out te staren”, schreef wachtmeester Leendert van Vliet in zijn dagboek.[2] Kapitein Fack herinnerde zich later: “Het gedreun van de kanonnen was eigenlijk geen moment van de lucht.”[3]

Herinneringsplaquette voor de Irenebrigade bij Château Saint-Côme. Bron: NIMH


Eerste doden
Vanaf 14 augustus namen de Duitsers de Nederlandse stellingen zwaar onder vuur. Een regen van mortiergranaten maakte het eerste dodelijke slachtoffer onder de mannen van de Irenebrigade: wachtmeester Piet Lammers. In de daaropvolgende nacht sneuvelde Nicolaas den Breejen als gevolg van eigen vuur nadat een achttienjarige wachtpost om zich heen begon te schieten toen een trip wire afging.

In de vroege morgen van 17 augustus bleek dat de Duitsers hun stellingen hadden verlaten. Voor de ‘Irenemannen’ was hun Normandische vuurdoop ten einde. Ter nagedachtenis aan de twee gesneuvelde militairen volgde in 2003 de plaatsing van een gedenkplaquette bij het kasteel en het voormalig hoofdkwartier. Lammers en Den Breejen vonden hun laatste rustplaats dichter bij huis; op het militair ereveld Grebbeberg bij Rhenen.

[1] NIMH, Collectie Losse Stukken 057, inventarisnummer 3978, Kapitein Robert Fack, ‘De Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene”, p.4.
[2] NIMH, Collectie Losse Stukken 057, inventarisnummer 3978. ‘Uittreksel uit het dagboek (Oorlog 1940-1945) van de Adj. O.O. der Kon.Mar. L.R. van Vliet.’
[3] Ibidem.

Gebruikte bron(nen)