TracesOfWar heeft jouw hulp nodig! Wij missen foto's van belangrijke bezienswaardigheden in Nederland, België, Frankrijk en Duitsland. Stuur uw foto's in naar input@tracesofwar.com en wordt gepubliceerd!

Allen tegen allen

Titel:Allen tegen allen - De lange winter van 1933 en het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog
Schrijver:Jankowski, P.
Uitgever:Spectrum
Uitgebracht:2020
Pagina's:544
ISBN:9789000348527
Omschrijving:

Eeuwige vrede, dat was wat idealisten wilden bewerkstelligen gedurende de conferentie van Genčve die duurde van 1932 tot 1934. Vertegenwoordigers van 31 landen namen in de Zwitserse stad deel aan vergadersessies die in het teken stonden van ontwapening. De organisator was de in 1919 opgerichte Volkenbond, waarbinnen landen door middel van diplomatie – en niet met oorlog – internationale geschillen moesten oplossen. Nationale belangen zouden echter prevaleren boven de wil om een nieuwe wereldoorlog te voorkomen. Het jaar 1933, toen zowel Japan als Duitsland uit de Volkenbond stapte, wordt door de Amerikaanse hoogleraar Geschiedenis Paul Jankowski benoemd als keerpunt op de weg naar de Tweede Wereldoorlog. Volgens hem veranderde de naoorlogse wereld in dat jaar in de vooroorlogse wereld.

In ‘Allen tegen allen’ legt de Amerikaan uit welke gebeurtenissen in 1933 het startschot gaven tot de ontwikkeling van de oorlog die in 1939 zou losbarsten. De titel slaat op het feit dat er ondanks alle goede bedoelingen van de Volkenbond en de ontwapeningsconferentie er van constructieve internationale samenwerking amper sprake was. Daarbij speelden ontwikkelingen in Japan en Duitsland een belangrijke rol. De auteur wijst erop dat het Japanse leger in 1931 Mantsjoerije was binnengevallen, zogenaamd om de Japanse belangen in de regio veilig te stellen. In werkelijkheid streefden nationalistische militairen naar kolonisatie en beschouwden ze Mantsjoerije volgens Jankowski als "poort naar de bevrijding van Azië van het Westen". Een in het boek aangehaalde Japanse generaal pleitte ervoor dat het Keizerrijk zijn "goddelijke beschaving" verder moest verspreiden, ten koste van onder meer het imperialistische Verenigde Koninkrijk. "Japan moest de westerse beschaving de rug toekeren", aldus de schrijver, "na deze zestig jaar lang slaafs te hebben nagebootst, en terugkeren naar Azië."

In januari 1933 werd Adolf Hitler in Duitsland tot rijkskanselier benoemd. Over de Duitse dictator haalt Jankowski een symbolische anekdote aan. In de theezaal van een hotel in München had iemand voorafgaand aan Hitlers machtsgreep eens opgemerkt hoe de nazileider "met een infantiele en roofdierachtige vraatzucht het ene na het andere aardbeiengebakje" verslond. De observator geloofde er niets van dat dit kleine mannetje met zijn komische snorretje de toekomstige heerser van Duitsland zou zijn. Naar buiten toe zou Hitler in 1933 een boodschap van vrede verkondigen, maar de auteur betoogt dat hij in zijn niet gepubliceerde tweede boek (geschreven na de eerste twee delen van Mein Kampf) zijn oorlogszuchtige ambities al kenbaar maakte. Hierin beschreef Hitler dat de enige redding voor Duitsland gebiedsverovering en germanisering van het oosten waren. Ook benadrukte hij het belang van het voeren van strijd tegen de Joden. "Dit was geen revisionistisch verhaal waarin werd aangedrongen op het herstellen van Duitslands oude kolonies en grenzen", aldus de hoogleraar, "dit was de aankondiging van een onophoudelijke rassenoorlog." Hitlers ambities hadden volgens hem "niets vandoen met Versailles", waarmee hij doelt op de herstelbetalingen en grensverschuivingen waarmee Duitsland na de Eerste Wereldoorlog gestraft was.

Ook de positie van andere mogendheden droeg niet bij aan het streven naar vrede. In de Sovjet-Unie schreef het marxisme-leninisme voor "dat een uiteindelijke confrontatie tussen kapitalisme en socialisme onvermijdelijk was" en de Italiaanse dictator Benito Mussolini had in 1930 een oorlogszuchtige toespraak gehouden waarin hij met betrekking tot het internationale streven naar vrede had verkondigd dat woorden "echt iets moois zijn, maar geweren, mitrailleurs, schepen, vliegtuigen en kanonnen zijn nog veel mooier". Aan de andere kant van de oceaan won in 1932 democraat Franklin D. Roosevelt de Amerikaanse presidentsverkiezingen. De man die wij kennen als pleitbezorger van internationale vrede had gedurende zijn campagne, evenals zijn tegenstrever Herbert Hoover, nauwelijks belangstelling getoond voor de wereld buiten de Verenigde Staten en de kiezers al helemaal niet. Jankowski haalt een verslag aan van een journalist die opmerkte dat tijdens een campagnebijeenkomst van Roosevelt het publiek pas echt los kwam toen het woord "bier" viel. "Daar waren ze voor gekomen", zo wordt de verslaggever geciteerd, "daar en nergens anders voor. Bier morgen. Bier vanmiddag. Bier nu meteen." De in 1920 ingevoerde drooglegging – het verbod op de productie en verkoop van alcohol – zou door Roosevelt in 1933 worden afgeschaft.

Terwijl de Verenigde Staten geen lid van de Volkenbond waren en de stemming in het land erop gericht was om zich niet te mengen in Europese aangelegenheden, heerste in Groot-Brittannië en Frankrijk onder grote delen van de bevolking een antipathie tegen oorlog als gevolg van de grote verliezen die beide landen geleden hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op 11 november 1932, Wapenstilstandsdag, waren de Britten en Fransen volgens de schrijver "in rouw gedompeld, alsof zij het oorlogsenthousiasme van veertien jaar gelden in diezelfde straten en op diezelfde pleinen ongedaan wilden maken". In het bijzonder binnen Frankrijk was de haat en het wantrouwen ten opzichte van Duitsland (terecht) nog steeds groot, wat overeenstemming over ontwapening bemoeilijkte. Binnen het Verenigd Koninkrijk was ontwapening politiek gezien evenmin populair, gezien de macht die het land wereldwijd in haar koloniën in stand wilde houden. Winston Churchill, de latere premier, noemde in het Lagerhuis, elf dagen na de herdenking van de Grote Oorlog, de besprekingen in Genčve een "treurige vertoning". De wens van Duitsland om gelijk berecht te worden ten opzichte van andere landen vond hij dwaasheid.

Jankowski haalt een opmerkelijk voorval aan om de impopulariteit van Duitsland in Genčve mede te benadrukken. Toen Reinhard Heydrich, de chef van de Duitse Sicherheitsdienst, een commissievergadering bijwoonde, weigerde hij van de diensten van een Joodse tolk gebruik te maken. Bij het Carlton Hotel verving hij de vlag van Weimar-Duitsland door de nazivlag met het hakenkruis, indertijd al het symbool van het antisemitisme en andere duistere kanten van het regime. Er heerste grote opwinding in de stad, totdat het hoofd van de delegatie de vlag verwijderde. "Woedend en met een rood aangelopen hoofd vertrok Heydrich uit Genčve", aldus de auteur. "Had de delegatie, met haar Joodse tolk, vlag van Weimar, en reactionaire oude afgevaardigden dan niet gehoord van de nationaalsocialistische revolutie? Dan zouden de nazi’s er de bezem wel door halen." Opmerkelijk is dat de Sovjet-Unie in tegenstelling tot nazi-Duitsland op minder internationale afkeuring kon rekenen. Ook in het Westen waren velen zelfs opgetogen over de bolsjewistische revolutie. Jankowski concludeert hierover: "Als de verre bewonderaars van het communistische experiment hadden geweten dat het Sovjetregime miljoenen meer burgers om het leven bracht, opsloot en deporteerde dan het naziregime, zou hun verontwaardiging over het eerste bewind misschien groter zijn geweest dan over het tweede."

In zijn uitstekend onderbouwde boek legt Paul Jankowski gedetailleerd uit hoe ondanks alle goede bedoelingen een nieuwe wereldoorlog in 1933 reeds in de maak was. Onderling wantrouwen en imperialistische belangen en plannen veroorzaakten een nieuwe wapenwedloop in plaats van een wereld zonder wapens. De landen die hierin een rol speelden, waaronder naast de bovengenoemde bijvoorbeeld ook Polen, Oostenrijk en Hongarije, worden allemaal objectief en vanuit zowel nationaal als internationaal perspectief belicht door de schrijver. Behalve de ontwapeningsconferentie speelt ook de Economische Wereldconferentie van 1933 in zijn boek een rol. Ook hier was onderlinge overeenstemming ver te zoeken, met name wat betreft het loslaten van de goudstandaard. De lezer kan concluderen dat in onze huidige tijd er stappen vooruit zijn gezet op het gebied van internationale samenwerking, maar dat dezelfde sentimenten – eigenbelang en onderling wantrouwen – nog steeds spelbrekers zijn. Net als de Volkenbond toen hebben ook de Verenigde Naties nu ook niet altijd genoeg invloed om oorlogen af te wenden en het internationale recht te laten zegevieren.

De auteur citeert veel uit historische kranten en heeft een katern opgenomen met relevante politieke cartoons uit verschillende landen. Een makkelijk leesbaar boek is ‘Allen tegen allen’ helaas niet. De publicatie lijkt meer gericht op academisch opgeleide, goed geďnformeerde lezers dan op een breed lezerspubliek. In het bijzonder de inleiding (die eventueel gerust overgeslagen kan worden) is nogal hoogdrempelig geschreven. Desalniettemin is het voor de geďnteresseerde in de geschiedenis van de wereldpolitiek de moeite waard om deze publicatie te lezen. Jankowski geeft een leerzame en verhelderende kijk op de desastreuze internationale betrekkingen van 1933, die zes jaar later leidden tot het begin van het bloedvergieten gedurende de oorlog die men in Genčve juist had willen voorkomen.

Beoordeling: Goed

Informatie

Artikel door:
Kevin Prenger
Geplaatst op:
06-10-2020
Feedback?
Stuur het in!

Afbeeldingen