De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Isaac Lipschits, Onbestelbaar

    Onbestelbaar. Herinneringen in briefvorm is in januari 2008 gratis verspreid in Rotterdam ter nagedachtenis aan alle Rotterdamse Joodse slachtoffers. Dit initiatief is genomen door Uitgeverij Verbum. Met deze uitgave wil Uitgeverij Verbum inhoud geven aan het blijvend herdenken van de mensonterende en schaamteloze Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. De schrijver van dit boek, Isaac Lipschits, overleed op 24 mei 2008.

    Nooit meer Auschwitz
    Nooit meer antisemitisme
    Nooit meer discriminatie

    Isaac Lipschits is in Rotterdam geboren en opgegroeid (Agniesenstraat 59b) tot hij in 1942 moest onderduiken. Zijn vader was marktkoopman. Zijn ouders hebben Ies en zijn jongere broer laten onderduiken en zodoende hebben de beide broers de oorlog kunnen overleven. De rest van de familie is een droeve dood gestorven in Oost-Europa. In zijn boek Onbestelbaar schrijft hij een brief aan zijn moeder, waarin hij vertelt wat er met hem en de rest van de familie gebeurd is. Het resultaat is een indringende aanklacht tegen onrecht, de jodenvervolging en een roep om respect. Door zijn treffende eenvoud is Onbestelbaar een boek voor iedereen, jong en oud, allochtoon, moslim, jood of christen, gelovig of niet-gelovig, politiek bewust of niet politiek bewust...

    Op de volgende pagina is het tweede hoofdstuk uit het boek weergegeven. De volledige tekst kunt u downloaden op www.verbum.nl.

    Definitielijst

    Jodenvervolging
    Een door de nazi’s opgelegde actie om Joden het leven moeilijk te maken, actief te vervolgen en zelfs uit te roeien.
    onderduiken
    Het verstoppen voor de vijand.

    Afbeeldingen

    Herinneringen in briefvorm aan de Jodenvervolging in Rotterdam

    Groningen, 5 februari 1992


    Toen de oorlog in Nederland begon, was U veertig jaar en Vader één-en-veertig.

    Levi, Uw oudste zoon, was drie-en-twintig jaar. Hij was eind 1939 getrouwd en met zijn vrouw Martha woonde hij in Schiedam in de Stationsstraat. U stuurde me vaak naar ze toe. Zogenaamd voor een boodschap, maar ik geloof dat U het wel prettig vond dat ik daarheen ging en U alle aandacht kon geven aan Alex. Ik vond het fijn om het kleine stukje met de trein te reizen en de paar minuten naar het huis van Martha en Levi te lopen. Het was een klein huisje en de woonkamer was altijd rommelig en gezellig. Martha was een jiddisje memme voor me. Ze verlangde naar een eigen kind en dat kreeg ze in februari 1941. U was zo trots op Uw eerste kleinkind, nog wel een kleindochter die naar U werd genoemd: Grietje. Ik heb een foto van U in de Agniesestraat. Levi stond, net als Vader, als standwerker op de markt. Niet met fruit, maar met plakken chocolade.

    Bep de enige dochter in het gezin, vierde haar 21ste verjaardag een dag voor de inval in Nederland. Ze was al verloofd met Izak; zij trouwden in de zomer van 1940. Bep zal voor de oorlog wel een baan hebben gehad, maar ik heb geen idee wat ze deed. Na het bombardement ging ze met een bakfiets het gebombardeerde Rotterdam in en verkocht ze de puinruimers koeken, kogelflesjes limonade, chocolademelk en chocoladerepen. In die zomervakantie mocht ik vaak met haar mee en dan moest ik van U die blauwe overall aantrekken.

    Nadat ze waren getrouwd gingen Bep en Izak op een bovenhuis aan de Noordsingel wonen. Dat was veel deftiger dan de Agniesestraat of de Schiedamse Stationsstraat. Ik heb in die dagen dingen raar gevonden die ik pas veel later ben gaan begrijpen. Dat ik hun buren nooit mocht zeggen dat Izak met een voddenkar door de stad liep. Dat Izak met de voddenkar nooit in de buurt van de Noordsingel mocht komen. Dat hun meubels chic waren en hun zondagse kleren modieus. Nu begrijp ik dat Bep en Izak probeerden zich te ontworstelen aan het armoedige milieu waarin ze opgegroeid waren.

    Maup was negentien jaar toen de oorlog in Nederland begon. Hij stond ook op de markt, als ik het goed heb met gereedschap. Hij was ook verloofd en zijn meisje had zwart haar, zwarte ogen en een wat donkere gelaatskleur. Ik vermoed dat zij een Portugese jodin was. Ik herinner me haar naam niet. U zult wel gemerkt hebben dat ik hartstikke verliefd op haar was. Maup had een grammofoon en ik denk dat hij alle plaatjes bezat van Jhonny en Jones. Ik had een liedje uit mijn hoofd geleerd en als ik dat zong gaf Maup me een cent.

    Meneer Dinges
    Weet niet wat swing is
    Hij weet niet wat een saxofoon voor een ding is
    Als zijn radio kapot is
    Wat voor de buren een genot is

    Verder ken ik het niet meer.

    Daarna kwam Jaap. Hij was dertien jaar toen de oorlog uitbrak. Een paar maanden daarvoor deed hij zijn bar mitswe in de sjoel aan de Botersloot. Er is een foto van hem als barmitswejongen: tefille in zijn handen, talles om zijn schouder, hoed op zijn hoofd, stropdas voor, glimmende schoenen (vast door mij gepoetst) en in plus-four–drollenvanger noemden we dat, maar dat mocht niet van U. Jaap hield Vader op de markt.

    In de rij van kinderen volgde ik, negen jaar bij het uitbreken van de oorlog, en ten slotte Alex, de jongste, die zijn eerste verjaardag nog moest vieren.

    Dat waren ze, Uw ene dochter en vijf zonen.

    Ik herinner me van voor de oorlog al de spanning thuis. We hadden een radio en als iemand onder het nieuws praatte werd Vader driftig en begon hij te schreeuwen. Hij heeft een keer naar een redevoering van Hitler geluisterd en hij was daar zo mee bezig dat hij vergat mij naar bed te sturen, terwijl het al lang mijn bedtijd was.

    U moet in die oorlogsjaren wel veel zorgen hebben gehad. U hebt moeten toezien hoe het gezin uit elkaar viel en vernietigd werd. Vader en de thuiswonende oudere kinderen brachten het geld binnen waarmee U alles moest regelen. Met alles, grote en kleine problemen, kwamen we bij U en U zult zich wel voor de ondergang van ons gezin verantwoordelijk hebben gevoeld. Ik weet dat U vóór de oorlog het gezin in stand hebt moeten houden in armoedige omstandigheden en U zult wel voldoende ervaring hebben opgedaan in het opvangen en oplossen van moeilijkheden. Maar de problemen die de oorlog voor U met zich meebracht waren niet te voorzien en ten slotte bestond er voor die problemen geen oplossing meer.

    Vader die altijd met bananen op de markt had gestaan kon niet meer aan handel komen. De bananen waren op en er kwamen geen nieuwe. Hij ging, nog steeds als standwerker, druiven verkopen. Niet meer op zijn vaste plekje aan de weggebombardeerde Goudsche Singel, maar op het Noordplein. Het ging hem niet goed af. Dat soort fruit lag hem niet. Hij moest er veel voorzichtiger mee omgaan dan met de bananen; de grappen die hij op de markt maakte over bananen waren niet grappig als ze over druiven gingen. Het lukte hem allemaal niet en hij werd thuis driftiger. Ten slotte werd hem, als jood, verboden op de markt te staan.

    Daarna kregen we in de kelder een atelier voor inlegzolen. Behalve Alex werkte alle gezinsleden mee. In de kelder lagen dozen met uit karton gesneden afdrukken van voetzolen waarop we stukjes stof moesten plakken. De randjes werden bijgeknipt. Het was een vreselijk werk. Uw mooie kelder met die bruin glanzende Keulse pot en met die rijen volle weckflessen werd stoffig en vies. Aan de ruzies in de kelder merkte ik dat het niet zo goed ging met ons fabriekje. En even onverwacht als voor mij dat fabriekje in de kelder begonnen was, kwam er een eind aan. Zo maar, van de ene dag op de andere.

    Vader werd nu in de straathandel gedrongen en dat betekende in die tijd de zwarte handel. Hij zat meestal in het café op de hoek van het Noordplein en de Rembrandtstraat (de straat waar mijn oude bewaarschool stond). Behalve de Boerenjongens op Oudejaarsavond heb ik Vader nooit alcohol zien drinken. Ook in dat café voor zwart-handelaars niet. Hij zat er met een kopje koffie, dat wel surrogaatkoffie geweest zal zijn. Nadat het voor joden verboden was cafés binnen te gaan, stond hij buiten op de stoep te handelen. Ik moest nu niet meer op de autoped met een pakje boterhammen naar zijn plekje op de Goudsche Singel, maar met een pakje distributiebonnen van het Noordplein naar de Agniesestraat, waar het veilig opgeborgen werd. Ik was tien jaar een het vervoer van die bonnen was mijn eerste onwettige daad.

    Ik geloof dat Vader in die tijd goed verdiende. We hadden weer te eten, zelfs meer en beter eten dan vroeger: boter in plaats van margarine. Op een keer kwam Vader met een nog levende kip thuis. Ik weet niet waar hij de bijl vandaan haalde, maar ik stond erbij toen hij de nek van het beest tegen de keldervloer drukte en de kop eraf sloeg. Vader schrok meer dan het beest. Hij liet de kip-zonder-kop los en het beest deed, bloedend, nog een paar stappen en maakte de rommel nog erger dan die al was. Vader had met de bijl een buts gemaakt ik de gladde stenen vloer. Die buts ergerde mij iedere keer als ik ernaar keek. Maar lang heb ik me er niet aan geërgerd, want snel daarna zouden we voorgoed vertrekken uit de Agniesestraat.

    Bij dat vertrek speelde oom Piet van Maris een belangrijke rol. Oom Piet was helemaal geen oom. Hij was de man van de verzekeringen. Zoals ieder fatsoenlijk arm gezin hadden wij een begrafenispolis zodat we niet van de armen hoefden te worden begraven. Iedere week kwam oom Piet de centjes voor de verzekering ophalen. Voor zover ik me de tijd van voor ons vertrek uit de Agniesestraat kan herinneren, was er altijd dat wekelijkse bezoek.

    Oom Piet deed aan politiek. Hij was communist. Hij praatte over Stalin en over dingen die Hitler met de joden van plan was te doen. Hij heeft Vader en U overgehaald om iedere zaterdagavond twee mannen mee te laten eten zonder ze iets te vragen. Hij beloofde ons te zullen helpen ‘als de joden aan de beurt’ waren.

    We kwamen al gauw aan de beurt. Eerst met allerlei regels en voorschriften waaraan de joden zich moesten houden. Ik merkte wel dat de zorgen van Vader en U groter werden, maar voor mij als jongetje waren die regels en voorschriften niet allemaal even belangrijk. Dat joden niet meer naar de bioscoop mochten kon me eigenlijk niks schelen. Vader had me dat al eerder verboden en mijn ‘eigen’ Asta in de Hoogstraat was bij het grote bombardement met de grond gelijk gemaakt. Veel erger vond ik dat ik van mijn vertrouwde school weg moest om naar een school voor joodse kinderen te gaan. In het jaar dat ik op die school zat heb ik vaak gespijbeld. Dan zwierf ik door de platgebombardeerde stad. In de vijfde klas ben ik blijven zitten – het was de eerste (en de laatste) keer dat mij zoiets overkwam. Ik vraag me nu wel eens af of U geweten hebt dat ik zo vaak spijbelde.

    Ik vond het vreselijk toen ik niet meer in de trein mocht, want ik miste de bezoekjes aan Martha en Levi. En in de laatste zomer dat we in de Agniesestraat woonden mochten de joden na acht uur ’s avonds niet meer naar buiten. Ik stond voor het raam van de slaapkamer te kijken hoe mijn vriendjes op straat speelden – behalve natuurlijk Loetje Swaab, die ook niet naar buiten mocht.

    We moesten in die zomer al de ster dragen. Ik heb daar in die tijd wel flink over gedaan, trots om zoiets te mogen dragen alsof het een onderscheiding van de Koningin was; maar ik weet hoe bang die gemeen-gele ster mij maakte en hoe afschuwelijk ik het vond. Het jood-zijn riep helemaal geen trotse gevoelens bij mij op. Op de radio heb ik een keer een liedje horen zingen bij het Zondagmiddagcabaret:

    En de Jood Cohen
    met zijn zweetvoeten

    Die woorden en die melodie raakte ik niet kwijt. Ik was bang met de ster zweetvoeten te krijgen. Ik vroeg me af of ik de enige jood zonder zweetvoeten was.

    Waren alle joden bang en laf?

    Op 27 september 1941 waren Vader en U 25 jaar getrouwd. Ondanks alle misère en ellende hebben we nog feest gevierd. Ik herinner me bloemen en taartjes en de zenuwen die ik had omdat ik een liedje tussen de schijfdeuren moest zingen:

    Ik schenk U rozen, rode rozen
    Kleur van liefde en van trouw
    Ik schenk U rozen, rode rozen
    Omdat ik zoveel van U houd.

    Het was de laatste keer dat er zoveel tantes en ooms bij ons waren in de Agniesestraat. Tien maanden later werden de eerste oproepen bij joden thuisbezorgd om zich te melden voor de gedwongen arbeidsinzet. Vader en U troffen voorbereidingen voor onze reis: rugzakken, blikken borden, kampeerbestek, blikje vis, warme kleren voor het Poolse klimaat, van alles wat. De ouders van de verloofde van Maup kregen een oproep en zij moesten hun dochter meenemen. Maup ging vrijwillig met zijn verloofde mee. Levi kreeg een oproep, voor zichzelf, voor Martha en voor kleine Grietje. En zo werden de eerste bressen geslagen in onze zeer directe omgeving.

    Nadat ze al op transport waren gesteld kwam iemand – Vader? Bep? – op het idee nog een gezinsfoto te maken. Aan de rechthoekige tafel in de huiskamer werd daarover beraadslaagd. U voelde er niet veel voor, want het gezin was niet meer compleet. Ze hebben U overgehaald: van de reeds op transport gestelde gezinsleden zou een bestaande foto zichtbaar bij ons worden neergezet bij het nemen van de nieuwe foto.

    Het was een hele gebeurtenis. De fotograaf kwam met zijn fototoestel en grote lampen op drie poten bij ons thuis. Hij stelde ons op voor de groepsfoto. U en Vader zaten ieder op een stoel. U had Alex op schoot en ik stond naast Vader. Achter ons stonden Jaap, Bep en haar man Izak. We waren schuin voor de grote buffetkast geplaatst en naast mij, op de plank van het brede middenstuk, stonden drie foto’s: een trouwfoto van Levi en Martha, een foto van kleine Grietje en een groepsfoto waar Maup op stond. Het was een van de laatste keren dat we met Bep en Izak bij elkaar waren. Zij kregen hun oproep en gingen op transport.

    Natuurlijk hebt U mij in die dagen niet alles verteld. Er zijn veel dingen die ik nooit meer te weten zal komen; maar sommige dingen die U toen voor mij verzwegen hebt, heb ik na de oorlog toch nog ontdekt. Van de Joodsche Raad zijn allerlei papieren bewaard gebleven, ook van het Bureau Rotterdam. Op dat bureau werd een paar keer per week spreekuur gehouden. Van iedereen die daar kwam werden naam en adres genoteerd en ook werd opgeschreven waarover gesproken werd. In die papieren zag ik dat U op 20 september 1942 op het spreekuur bent geweest. Daar kan geen twijfel over bestaan. U had nummer 27: ‘G. Lipschits-Grootkerk, Agniesestraat 59b’. U vertelde dat ons gezin zich op 3 augustus 1942 voor deportatie had moeten melden, maar dat U die oproep met een briefje van de dokter had teruggestuurd naar de Zentralstelle für jüdische Auswanderung. Volgens de dokter leed Vader aan ‘angstpsychose op hysterische grondslag’. Zo staat het er. Simuleerde Vader? Hij was toch niet de enige jood die toen bang was? Was het gewoon bluf? Zonder die ‘angstpsychose op hysterische grondslag’ waren we met ons allen op 3 augustus 1942 op transport gegaan en had vast niemand van ons gezin de oorlog overleefd.

    Steeds meer joden die hun oproep voor deportatie hadden gekregen kwamen op de verplichte dag en het uur van transport niet opdagen bij loods 24 in de Entrepotstraat. Omdat te weinig joden aan de oproep gehoor gaven, werd het systeem veranderd: ze gingen de joden van huis ophalen. ’s Avonds na acht uur, als we toch thuis moesten blijven, werden vrachtauto’s de straat op gestuurd om joden op te halen.

    Op een vrijdagavond in de late herfst van 1942 kwamen de vrachtauto’s in de Agniesestraat. Zoals ik me zo veel fijne vrijdagavonden thuis en ik Huis ter Heide herinner, zo zal ik nooit die ene afschuwelijke vrijdagavond vergeten. Het was buiten al donker toen we geschreeuw op straat hoorden. U was de eerste die begreep wat er aan de hand was. Zoals de fotograaf ons voor de buffetkast had opgesteld, zo stelde Vader ons op langs de muur in de gang: U met Alex op de arm. Jaap en ik daarachter. Met de jassen aan en de rugzakken tegen de muur aan de andere kant van de gang. Waarom deed Vader dat? Wilde hij de jodenophalers behulpzaam zijn? Wilde hij voorkomen dat de buren te veel last zouden hebben van ons onvrijwillig vertrek? Of was Vader bang dat we in paniek zouden raken als we gewoon aan tafel waren blijven zitten wachten? Of toch die ‘angstpsychose op hysterische grondslag’?

    Hoe lang hebben we zo in de gang gestaan? Van twee gebeurtenissen kan ik niet vertellen hoe lang ze geduurd hebben: in onze kelder op die lentemiddag tijdens het bombardement en in onze gang op die herfstavond bij het ophalen van joden in de Agniesestraat. Het verwachte aanbellen bij ons kwam maar niet. Vader hield de orde niet meer in de hand en we liepen door elkaar in de gang. Ik heb door de brievenbus naar buiten gekeken. Er liepen mannen met helmen en petten. Ik heb maar één grote vrachtauto gezien, zo’n met zeil overkapte wagen. Die auto stond schuin tegenover ons huis, links als je door de brievenbus keek. Ik zag dat mijn vriend Loetje Swaab uit de voordeur stapte en hoe hij geholpen werd bij het klimmen achterin die grote auto. Daarna heb ik Loetje nooit meer gezien.

    Er is die avond helemaal niet bij ons aangebeld. Het zal wel altijd een raadsel blijven waarom niet. We maakten geen deel uit van de groep van prominente joden die – voorlopig – niets te vrezen had. Voor zover we iets met de Joodsche Raad te maken hadden, was dat in de rol van slachtoffers en niet in die van onmisbare die – voorlopig – waren vrijgesteld van het transport. Misschien is er wel een heel logische verklaring waarom we werden overgeslagen. Dat ze die avond alleen maar bij joden zijn geweest die op de even huisnummers in de Agniesestraat woonden. Of dat de vrachtauto net vol was en dat wij voor onze beurt op een volgende rit moesten wachten. Of dat ze dachten dat Vader gek was en gekke joden nog niet aan de beurt waren.

    U zult die nacht wel veel met Vader besproken hebben. De volgende ochtend moesten Jaap en ik onze ‘nette kleren’ aantrekken. U en Vader trokken ook zondagse kleren aan en U kleedde Alex netjes aan. Zo zijn we weggegaan. We gingen onderduiken. We mochten niets meenemen, geen boek, geen speelgoed, geen tas. Alles bleef in huis staan zoals het die avond ervoor gestaan had, zelfs de rugzakken tegen de muur in de gang. We zijn de voordeur van ons huis uitgegaan. Vader trok hem achter zich dicht en we zijn er nooit meer terug gekomen. Met ons vijven liepen we de Agniesestraat uit in de richting van de Bergweg, op we naar het huis van oom Piet en tante Nel.

    Toen we de deur uitgingen, droegen we sterren op onze bovenkleren, maar we hadden de jassen niet aan. Thuis had U de sterren van onze jassen gehaald. Aan het einde van de Agniesestraat, net voordat we de hoek van de Bergweg omsloegen, trokken we onze jassen aan. We hadden onszelf ‘ontsterd’.

    Nog iedere dag ben ik trots op U en Vader dat U dit gedurfd hebt. Dat U beiden de moed had om al het materiële achter te laten en om de ‘levensgevaarlijke’ onderduik in te gaan. U nam het onzekere voor het zekere. Het zekere was: thuis blijven, opgehaald worden, Westerbork, Polen. Maar het zekere was ook dat U zich dan zou houden aan de wetten, regels, voorschriften en opdrachten met als beloning een reis naar Polen. Daat stond het onzekere tegenover, het handelen tegen al die wetten, regels, voorschriften en opdrachten in. En daar waren zulke strenge straffen op gesteld, dat het onderduiken als ‘levensgevaarlijk’ beschreven werd.

    Wat een moed om met drie kinderen te gaan onderduiken. Durven kiezen, niet blindelings met de grote stroom meemarcheren, zelf nadenken en niet altijd voor je laten denken. Voor die daad heb ik U beiden nog iedere dag lief.

    Met z’n vijven gingen we op stap. Twee van ons hebben het gered. Twee van de vijf, 40%. Een heel hoog percentage vergeleken met dat van de joden die op transport gingen naar de kampen in het oosten. Dat twee van ons het hebben overleefd is te danken aan de moed waarmee U de risico’s nam om het aanbod van oom Piet te aanvaarden.

    © 2007 Prof. Dr. I. Lipschits en Uitgeverij Verbum

    Definitielijst

    onderduiken
    Het verstoppen voor de vijand.

    Informatie

    Geplaatst door:
    Kevin Prenger
    Geplaatst op:
    24-01-2008
    Laatst gewijzigd:
    29-05-2008
    Feedback?
    Stuur het in!