TracesOfWar heeft jouw hulp nodig! Wij missen foto's van belangrijke bezienswaardigheden in Nederland, BelgiŽ, Frankrijk en Duitsland. Stuur uw foto's in naar input@tracesofwar.com en wordt gepubliceerd!

Nieuwste artikelen

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 1 augustus 2020

Britse escortevliegdekschepen van de Attacker-klasse

De Amerikaanse escortevliegdekschepen van de Bogue-klasse waren ontworpen op basis van het US Maritime Commissionís C3-type koopvaardijschip. Bij de Bogue-klasse schepen werd door de commerciŽle werven echter, in opdracht van de US Navy, vanaf de kiellegging rekening gehouden met de afbouw tot vliegdekschip. Een aantal verbeteringen ten opzichte van de voorgangers werd meteen al doorgevoerd. De belangrijkste aanpassing was het vervangen van de diesels door stoomturbines. De dieselmotoren zelf waren niet zozeer het probleem geweest, maar de elektromagnetische koppelingen, die ervoor moesten zorgen dat de motoren met behulp van tandwielen aan de enkele schroefas gekoppeld werden, leverden veel complicaties op. Verder kregen de schepen meerdere compartimenten die door waterdichte schotten van elkaar gescheiden werden. Tevens werd het hangaardek vrijwel geheel dichtgemaakt en kregen de schepen de beschikking over een tweede vliegtuiglift.

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 1 juli 2020

Franse slagschepen van de Richelieu-klasse

De Franse Marine Nationale was net voor de Tweede wereldoorlog, na de Royal Navy, de US Navy, de Keizerlijke Japanse Marine en de Italiaanse Regia Marina de grootste ter wereld. Tussen de twee wereldoorlogen in had Frankrijk een grote vloot opgebouwd om de dreiging van de groeiende Duitse en vooral Italiaanse marines het hoofd te kunnen bieden. In 1934 kondigde de Regia Marina aan twee slagschepen van de Littorio-klasse te bouwen met een primaire bewapening van 38cm kanonnen. De Franse zeemacht reageerde meteen door voorbereidingen te treffen voor de bouw van slagschepen met eenzelfde kaliber hoofdbewapening. Dit zouden de slagschepen van de Richelieu-klasse worden.

  • Artikel door Wilco Vermeer
  • Geplaatst op 24 juni 2020

Britse Troepentransportschip HMT Lancastria

De HMT Lancastria werd na Duinkerken ingezet als troepentransportschip en werd op 17 juni 1940 door de Luftwaffe tot zinken gebracht. Het totale aantal slachtoffers is nooit geheel bekend geworden. Schattingen lopen uiteen dat er zich tussen de 4000 en 9000 militairen aan boord bevonden.

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 15 juni 2020

Brits escortevliegdekschip HMS Activity

Ondanks dat de Royal Navy escortevliegdekschepen geleverd kreeg van de Verenigde Staten, gingen de Britten zelf ook door met het laten (om-)bouwen van dergelijke schepen. Op de Caledon Shipyards te Dundee, Schotland, werd in 1940 de kiel gelegd van het koelschip Telemachus voor de Alfred Holt Line. In februari 1941 liet het Ministry of War Transport beslag leggen op het casco dat afgebouwd zou worden als transportschip Empire Activity. In januari 1942 werd het schip gevorderd door de British Admiralty om te worden omgebouwd tot escortevliegdekschip Activity.

  • Artikel door Wilco Vermeer
  • Geplaatst op 13 juni 2020

A6M, Mitsubishi

Begin 1937, was de Mitsubishi A5M pas kort in dienst als de standaard jager voor de Japanse marine. Duidelijke werd al snel dat men hiermee een technische voorsprong had op landen in de omgeving, inclusief de Verenigde Staten. Japan wilde, op basis van de ervaringen uit de 2e Chinees-Japanse oorlog, deze voorsprong vergroten. Men besloot zo snel mogelijk een nog modernere jager te ontwikkelen voor de vliegkampschepen en de aan land gestationeerde marine squadrons. Dit werd uiteindelijk de Mitsubishi A6M Zero.

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 1 juni 2020

Amerikaanse escortevliegdekschepen van de Bogue-klasse

De Bogue-klasse escortevliegdekschepen waren net als USS Long Island, HMS Archer, de Britse Avenger-klasse schepen en USS Charger ontworpen op basis van het US Maritime Commissionís C3-type koopvaardijschip. Bij de Bogue-klasse schepen werd echter vanaf de kiellegging door de koopvaardijwerven rekening gehouden met de afbouw tot vliegdekschip. De ervaringen met de voorgangers van de nieuwe klasse leerden van de tekortkomingen van die hulpvliegdekschepen. Een aantal verbeteringen werd daarom meteen al doorgevoerd. De belangrijkste aanpassing was het vervangen van de dieselmotoren door stoomturbines. De diesels zelf waren niet zozeer het issue geweest, maar de elektromagnetische koppelingen, die ervoor moesten zorgen dat de motoren met behulp van tandwielen aan de enkele schroefas gekoppeld werden, leverden veel problemen op. Verder kregen de schepen meerdere compartimenten die door waterdichte schotten van elkaar gescheiden werden. Ook werd het hangaardek vrijwel geheel dichtgeplaat en kregen de schepen een tweede vliegtuiglift.

  • Artikel door Wilco Vermeer
  • Geplaatst op 26 mei 2020

Britse Landing Ship Infantry HMS Prince Charles

De Belgische veerboot Prince Charles, voor de veerdienst Oostende-Dover diende tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de Royal Navy als Landing Ship Infantry (LSI) HMS Prince Charles.

  • Artikel door Wilco Vermeer
  • Geplaatst op 13 mei 2020

Duitse Onderzeeboot U 621

Geschiedenis en beschrijving van de Duitse onderzeeboot U 621 die van 7 mei 1942 tot 18 augustus 1944 diende bij de Duitse Kriegsmarine

  • Artikel door Wilco Vermeer
  • Geplaatst op 12 mei 2020

Britse Landing Ship Infantry HMS Prince Leopold

De veerboot van de lijndienst Oostende Dover, diende tijdens de tweede Wereldoorlog als Landing Ship Infantry Small (LSI (S)) met de naam HMS Prince Leopold.
Het schip werd op 29 juli 1944 tot zinken gebracht door U 621.
De Prince Leopold was het tweede schip van vier Belgische Ontwerp Plan No E schepen gebouwd door de scheepswerf Cockerill in Antwerpen.

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 12 mei 2020

Amerikaanse escortevliegdekschepen van de Sangamon-klasse

Begin 1942 draaide het Amerikaanse programma voor hulpvliegdekschepen op volle toeren en waren alle C3-type koopvaardijrompen al snel besproken om verbouwd te worden. Om aan de grote vraag naar escortevliegdekschepen te voldoen gaf de Secretary of the Navy opdracht om vier vloottankers om te bouwen tot hulpvliegdekschepen. De US Navy zelf was hier niet blij mee omdat de dubbelschroeftankers zeer geschikt waren voor langeafstandsoperaties op de Atlantische Oceaan en in de Pacific. De rompen van de tankers, die waren gebouwd volgens het T3-type koopvaardijtanker, bleken echter zeer geschikt om als basis te dienen voor een vliegdekschip. Ze waren langer dan de van het C3-type afgeleide schip en konden daardoor uitgerust worden met een groter vliegdek en een grotere hangaar. De compartimentering was ook veel beter en de vele brandstoftanks konden tevens dienen als ballast- en trimtanks, zodat het storten van permanente ballast niet nodig was. De bunkerruimte was tachtig procent groter dan die van een C3, waardoor de schepen met een vaart van vijftien knopen de wereld konden rondvaren zonder bij te tanken. De extra brandstof kon uiteraard ook gebruikt worden om de altijd dorstige escortes van olie te voorzien.

  • Artikel door Wilco Vermeer
  • Geplaatst op 11 mei 2020

Belgische Plan No E Veerboten

In de jaren 1929-1930 kwamen op de veerdienst Oostende-Dover, vier veerboten in dienst. Deze schepen vetrokken na de Belgische capitulatie in mei 1940 allen naar Engeland en werden daar uiteindelijk omgebouwd tot Landing Ship Infantry (LSI). Als zodanig deden zij dienst bij de Royal Navy. Na de Tweede Wereldoorlog werden de drie overgebleven schepen wederom omgebouwd tot veerboot en gingen wederom dienst doen op de lijn Oostende-Dover.

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 1 mei 2020

Amerikaans escortevliegdekschip USS Charger

In navolging van HMS Archer, een Amerikaanse escort carrier die in het kader van de Leen- & Pachtwet aan de Royal Navy geleverd werd, werden in de USA nog eens vier van dergelijke schepen op Britse kosten omgebouwd. Wederom betrof het C3-type koopvaardijschepen die tijdens de afbouw door de US Navy gevorderd werden van de Sun Shipbuilding and Drydock Company te Chester, Pennsylvania. Dit waren de Rio Hudson, de Rio Parana, de Rio de Janeiro en de Rio de la Plata. De Rio de la Plata zou na ombouw overgedragen worden aan de Royal Navy en werd inderdaad op 2 oktober 1941 in dienst gesteld als HMS Charger met naamsein D27 (Amerikaans naamsein BAVG-4), maar kwam terug in Amerikaanse dienst. De US Navy wilde zelf USS Long Island door ontwikkelen om meer kennis op te doen en bovendien wilden ze de beschikking hebben over een opleidingsschip voor piloten. De Royal Navy kreeg de toezegging dat er ook Britse piloten opgeleid konden worden aan boord van de Charger. Op 24 januari 1942 werd de Charger geclassificeerd als AVG-30 en op 3 maart in dienst gesteld als USS Charger.

  • Artikel door Wilco Vermeer
  • Geplaatst op 17 april 2020

T.VIII W (T-8 W), Fokker

De Fokker T.VIII W werd het eerste toestel van de in 1938 opgerichte torpedodienst van de MLD. Het toestel was in 1937 ontworpen en markeerde tegelijk voor Fokker de overgang naar een nieuwe constructie. Waar eerdere Fokkers nog opgebouwd werden uit een geheel metalen framewerk dat aan de voorzijde met aluminiumplaat was bewerkt en de achterzijde overtrokken met linnen, werd voor het eerst de voorzijde van de romp geheel uit aluminium vervaardigd. Het middenstuk van de romp en de vleugels waren van hout en de achterzijde nog steeds met linnen overtrokken. De geheel aluminium voorzijde markeerde echter de overstap naar Fokkers die geheel uit aluminium werden opgebouwd.

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 13 april 2020

Britse escortevliegdekschepen van de Avenger-klasse

In navolging van HMS Archer, een Amerikaanse escortcarrier die in het kader van de Leen- & Pachtwet aan de Royal Navy geleverd werd, werden in de USA nog eens vier van dergelijke schepen op Britse kosten omgebouwd. Ook nu betrof het C3-type koopvaardijschepen die tijdens de afbouw door de US Navy gevorderd werden van de Sun Shipbuilding and Drydock Company te Chester, Pennsylvania. Dit waren de Rio Hudson, de Rio Parana, de Rio de Janeiro en de Rio de la Plata. Dat laatstgenoemde schip zou overgedragen worden aan de Royal Navy en werd inderdaad op 2 oktober 1941 in dienst gesteld als HMS Charger met naamsein D-27, maar kwam op 4 oktober van datzelfde jaar terug onder Amerikaanse controle. De US Navy wilde zelf een doorontwikkeling van USS Long Island doorvoeren om meer kennis op te doen en bovendien om de beschikking te hebben over een opleidingsschip voor piloten. De Royal Navy kreeg de toezegging dat er ook Britse piloten opgeleid konden worden aan boord van de Charger. Op 24 januari 1942 werd de Charger geclassificeerd als AVG-30 en op 3 maart in dienst gesteld als USS Charger.

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 1 april 2020

Brits escortevliegdekschip HMS Archer

In navolging van de US Navy kreeg de Royal Navy, op basis van de Leen- & Pachtwet, eind 1941 de beschikking over een tot hulpvliegdekschip omgebouwd C3-type koopvaarschip. C3 was de benaming van de US Maritime Commission voor een standaard type koopvaardijschip dat met een snelheid van zestien knopen een last van 12.193 tot 13.209 ton voort kon stuwen met een enkele schroef, aangedreven door dieselmotoren en dat een totale lengte van zoín 150 meter had. De Britse tegenhanger van USS Long Island werd HMS Archer. De schepen waren niet helemaal identiek, maar konden toch doorgaan voor zusterschepen.

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 15 maart 2020

Amerikaans escortevliegdekschip USS Long Island

Om de haalbaarheid van het ombouwen van een koopvaarder tot een vliegdekschip te onderzoeken, besloot de US Navy een koopvaardijschip te vorderen. De keuze viel op het in afbouw zijnde motorschip Mormacmail. Het schip was onder een Maritime Commission contract gebouwd door de Sun Shipbuilding & Drydock Company te Chester, Pennsylvania, voor de Moore-McCormack Lines. Op 6 maart 1941 werd de Mormacmail gevorderd door de US Navy en verhaald naar de Newport News Shipbuilding & Drydock Company te Newport News, Virginia, om te worden omgebouwd tot vliegdekschip. Op 2 juni van datzelfde jaar werd het schip door commandant Commander Donald B. Duncan in dienst gesteld als USS Long Island. Het nieuwe schip zou naamsein AVP-1 (Auxiliary Seaplane Tender) krijgen, maar werd in dienst gesteld als AVG-1 (Auxiliary Aircraft Ferry).

  • Artikel door Peter Kimenai
  • Geplaatst op 3 maart 2020

Brits escortevliegdekschip HMS Audacity

De Britse marine had al in de eerste fase van de Tweede Wereldoorlog grote behoefte aan escorteschepen voor de vele konvooien, die hun eilandenrijk vanuit de Verenigde Staten en Canada bevoorraadden. Vooral escortevliegdekschepen zouden een uitkomst bieden om de zogenaamde Mid-Atlantic Gap te vullen. Dit was het stuk van de Atlantische Oceaan dat niet te bereiken was voor geallieerde vliegtuigen vanuit de Verenigde Staten, Canada, Groot-BrittanniŽ en IJsland. Omdat het lang zou duren om meer oorlogsschepen te bouwen, onderzocht de Royal Navy al snel mogelijkheden om koopvaardijschepen om te bouwen tot escortevliegdekschepen. Ook de Amerikanen waren, onafhankelijk van de Britten, al bezig met dit soort onderzoeken. De US Navy zag dergelijke schepen niet zozeer als escorteschepen, maar eerder als uitbreiding van de bestaande vloot, als hulpvliegdekschepen. De vaartuigen konden huns inziens ingezet worden als opleidingsschepen en voor het transporteren van vliegtuigen. In het kader van de Lend & Lease Act, de Leen- en Pachtwet, zouden de Amerikanen escortevliegdekschepen kunnen leveren aan de Royal Navy.

  • Artikel door Ruben Krutzen
  • Geplaatst op 17 november 2019

Vuurkracht T-34-85 tegen Duitse tanks (1944-1945)

De Duitse invasie in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941 toonde niet alleen aan dat de Sovjet-Unie in staat was tanks op grote schaal te produceren, maar ook dat er sterke middelzware en zware Sovjettanks bestonden die het merendeel van de Duitse tanks wat betreft bepantsering en vuurkracht aan konden. Daarvan waren veel Duitse frontsoldaten en zelfs militairen in hogere rangen niet op de hoogte. Het ging daarbij vooral om de middelzware Sovjet T-34 (T-34-76) en zware KV-1 (KV-1, KV-2 en varianten). De genoemde Sovjettanks konden in theorie alle Duitse tanks tot op een halve kilometer of verder met 76,2mm pantsermunitie vernietigen. Daarbij hadden de Duitse tanks moeite om het frontale romppantser (soms ook koepelpantser) van beide Sovjettanks met standaard 2, 3,7, 5 of 7,5 cm pantsermunitie tot op grote afstand te doorboren. Dit verhevigde het probleem.

  • Artikel door Ruben Krutzen
  • Geplaatst op 26 oktober 2019

KV-122

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zette de Sovjet-Unie verschillende tanks in. Tijdens en na Operatie Barbarossa (22 juni 1941) was het Rode Leger uitgerust met de lichte T-26, de BT-series, de middelzware T-28, de zware T-35, KV en de middelzware T-34 tanks. De aanvankelijke 'tankschok' die de zware KV (KV-1 en KV-2) en de middelzware T-34 tank bij de Duitsers veroorzaakten, zorgde ervoor dat het Duitse tankapparaat nieuwe tanks ging produceren en eerder gelanceerde tankontwerpen (zoals de vanaf 1938 ontwikkelde PzKpfw VI Tiger) prioriteit kregen. Zodoende ontstonden in 1942 PzKpfw VI Tiger (Tiger I) en in 1943 PzKpfw V Panther (de D versie was het eerste geproduceerde model). De Tiger- en Panther tanks waren in staat alle Sovjettanks op grote afstand te vernietigen, zonder dat de Duitse modellen aan de voorkant op middellange of lange afstand kwetsbaar waren. Tijdens de Slag om Koersk in juli 1943 werd duidelijk dat de Duitse Tiger- en Panther tanks beter in staat waren de Sovjetmodellen op grotere afstand uit te schakelen dan omgekeerd. Aan Sovjetzijde moest gesleuteld worden om nieuwe wapens en nieuwe tanks te ontwerpen die in staat waren de Tiger en Panther aan de voorkant, zijkant of achterkant op korte, middellange of grote afstand te vernietigen.

  • Artikel door Ruben Krutzen
  • Geplaatst op 27 juni 2019

Vuurkracht T-34 tegen Duitse tanks (1941-1945)

De middelzware Sovjet T-34 tank, ook wel 'T-34-76' genoemd, werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in groten getale geproduceerd. De Duitsers gaven tijdens de oorlog eigen namen aan T-34 tanks (bijvoorbeeld 'T-34/76A'). In totaal zijn ongeveer 80,000 (84,070) T-34 tanks tijdens en na de oorlog (1940-1958) geproduceerd. De eerste T-34 modellen (T-34 model 1940, 1941, 1942 en 1943) waren met 76,2mm kanonnen bewapend. Later (1943-1944) werd een nieuw type T-34 tank met sterkere bewapening ingezet (T-34-85). De confrontatie met de T-34 tanks, door de Wehrmacht en Waffen-SS aan het Oostfront, zorgde bij het Duitse leger voor een schok of in ieder geval een verrassing. Sommige militairen in de Duitse legertop waren wellicht op de hoogte van het bestaan van sterke, goed bepantserde Sovjettanks (dat kwam o.a. door onderlinge wapeninspecties en de Fins-Russische Winteroorlog), maar de Duitse frontsoldaat waarschijnlijk niet. De eerste, door de Sovjet-Unie ingezette T-34 tank (T-34 model 1940 oftewel T-34 Model 1940) had een 76,2mm L-11 kanon met een grotere vuurkracht dan de meeste Duitse tanks zoals de Panzerkampfwagen II/PzKpfw II (2 cm KwK 30 L/55 of 2 cm KwK 38 L/55), Panzerkampfwagen III (3,7 cm KwK 36 of 5 cm KwK 38 L/42) en Panzerkampfwagen IV (7,5 cm KwK 37 L/24). Latere T-34 modellen hadden een langer kanon (F-34) en konden dikker staal doorboren dan het T-34 model 1940.

  • Artikel door Ruben Krutzen
  • Geplaatst op 7 juni 2019

ChTZ S-65 Sovjettractor

De industriŽle revolutie die in Europa rond 1850-1900 op gang kwam zorgde ervoor dat grootschalige mechanisering (ontwikkeling en inzet van machines) in fabrieken plaatsvond. Tientallen jaren later (1930-1950) waren machines ontstaan die het (fysieke) werk van mensen vereenvoudigden. Bijvoorbeeld tractoren die in de landbouwsector op steeds grotere schaal gebruikt werden. De Sovjet-Unie was lange tijd een overwegend agrarisch land waar mechanisering en machines aan het begin van de 20ste eeuw een zeldzaamheid waren. De 'Vijfjarenplannen' van Joseph V. Stalin (1878-1953) zorgden ervoor dat het land voor een groot deel geÔndustrialiseerd werd en er op steeds grotere schaal machinebouw plaatsvond. Tractoren en andere machines konden toentertijd, ongeveer vanaf 1930, gebouwd worden door grote staatsfabrieken. Rond 1933 werden de eerste tractoren in de Sovjet-Unie gebouwd. Het eerste model, de S-60, was een tractor met rupsbanden. Dat model werd tussen 1933 en 1937 gefabriceerd. Een ander, nieuwer model was de S-65 (1937-1941). De S-65 Sovjettractor had een vrij krachtige motor en prominente voorkant, rupsbanden en was ook geschikt om artilleriewapens zoals kanonnen of houwitsers (152 mm M1937 (ML-20) voort te slepen. Uiteraard was de tractor geschikt om landarbeid (ploegwerkzaamheden) te verrichten.

  • Artikel door Ruben Krutzen
  • Geplaatst op 19 mei 2019

Britse bommen (1940-1945)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren vliegtuigen uitgerust met bommen om gronddoelen aan te vallen. Grondaanvalsvliegtuigen (jachtbommenwerpers) en bommenwerpers waren met name geschikt om bommen te vervoeren.

  • Artikel door Ruben Krutzen
  • Geplaatst op 2 mei 2019

Laatste Japanse tanks (1944-1945)

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikten verschillende landen tanks om infanterie te ondersteunen, gebieden te veroveren en versterkte verdedigingsstellingen zoals machinegeweernesten en kleine kanonnen uit te schakelen.

  • Artikel door Ruben Krutzen
  • Geplaatst op 19 april 2019

Vuurkracht M4 Sherman tegen Duitse tanks (1942-1945)

Deze tank was bewapend met een 45mm 20-K kanon. Van deze lichte tank werden duizenden stuks geproduceerd. Het voertuig was een nagenoeg exacte kopie van de Britse Vickers 6-Ton tank.