Voorwoord

    Vaak heb ik onze kinderen verteld over mijn ervaringen als kind in de Tweede Wereldoorlog. Meestal waren het korte herinneringen en losse verhalen. Ik vertelde hen de gebeurtenissen, die mij op zo’n moment te binnen schoten.

    Op een dag zei een van onze zonen tegen mij: ‘Pa, waarom zet je een en ander niet eens op papier. Er zijn maar weinig verhalen bekend van kinderen, die vertellen hoe zij de oorlog hebben beleefd’. Hun vraag was onder andere: ‘Hoe heb je het ervaren om als jong kind in een concentratiekamp te zitten?’ Dit zette mij wel aan het denken. Ik kroop achter mijn PC en begon te schrijven. Beelden uit mijn jeugd kwamen als een caleidoscoop op papier terecht.

    Het werd een toch wat ‘hap snap’ verhaal, want natuurlijk vertoonde mijn geheugen de nodige hiaten. Om er toch een vloeiend verhaal van te maken heb ik de verhalen, die mijn moeder later vertelde, door mijn herinneringen heen geweven. Er zaten echter nogal hiaten in mijn feitenkennis. Dus ben ik onderzoek gaan doen. Terzijde gestaan door mijn jongste zoon David heb ik diverse archieven bezocht, waar veel materiaal beschikbaar was. Wij bezochten onder andere het Nationaal Archief in den Haag en het NIOD in Amsterdam. Ook werd mij archiefmateriaal opgestuurd door het Nederlandse Rode Kruis.

    Om het verblijf in kamp Vught in een kader te plaatsen heb ik iets geschreven over de voorgeschiedenis van ons gezin en ook over wat er na ons ontslag uit het kamp met ons gezin is gebeurd: de slag om Arnhem, de evacuatie, de bevrijding, de hereniging van het gezin en de terugkeer naar Arnhem.

    Mijn vrouw Bep en onze zonen Sjon en David hebben het boekje grondig doorgelezen en van kanttekeningen voorzien. Hen allen wil ik op deze plaats heel hartelijk bedanken voor hun hulp. Zonder die hulp was het boek niet geworden wat het nu is. En ten slotte, last but not least, dank aan mijn zus Wil van Ingen – zij was destijds twee jaar oud – die de illustraties met veel zorg en toewijding heeft geaquarelleerd.

    Ugchelen, November 2008

    Afbeeldingen

    Een wachttoren in kamp Vught.

    Oorlog

    Hoe het begon

    Bijna vier jaar was ik, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak in mei 1940. Ons gezin woonde in het park Zijpendaal in Arnhem, in het zogenoemde `Gouverneurs-huisje`. Het huisje staat op een steenworp afstand van het `Kasteel`, zoals de Arnhemmers het statige buitenhuis noemen. Begin negentiende eeuw werd het omliggende park, toen nog één geheel met het park Sonsbeek, in Engelse landschapsstijl aangelegd. De Jansbeek werd op diverse plekken uitgegraven en verbreed, waarbij drie vijvers ontstonden.

    In diezelfde tijd, omstreeks 1850, werd het `Gouverneurshuisje` gebouwd op een kunstmatig aangelegde heuvel. Het landgoed Zijpendaal was tot 1926 in bezit geweest van de familie Brantsen. In 1930 werd het landgoed aangekocht door de Gemeente Arnhem, die het enkele jaren later openstelde voor het publiek.

    Mijn ouders waren in het najaar van 1935 getrouwd, maar hadden nog geen definitieve woonruimte. Mijn vader was rechercheur bij de politie te Arnhem en zocht, zoals al opgemerkt, woonruimte. De Gemeente Arnhem wilde graag permanent toezicht in het park. Daarvoor werd mijn vader aangezocht. Hem werd aangeboden dat hij het huisje mocht huren met de vraag of hij toezicht wilde houden op het park. En zo betrokken mijn ouders in januari 1936 het huisje, als eerste permanente bewoners. Uit het huwelijk van mijn ouders werden vier kinderen geboren, waarvan ik de oudste ben. Tot mei 1940 leefde het gezin ongestoord, toen brak de oorlog uit. Ook ons gezin werd toen rechtsreeks geconfronteerd met de oorlog.

    Mijn vader moet vluchten

    Vrijwel direct na de capitulatie had mijn vader met enkele vrienden een illegale organisatie opgericht, genaamd `Pugno Pro Patria` Deze organisatie werd in augustus 1940 ondergebracht in de `Oranjewacht`. Maar al in December van datzelfde jaar werd de landelijke leiding van de `Oranjewacht’ door de SD gearresteerd. Op 17 december 1940 was mijn vader achter onze schuur in het bos, samen met Piet Hoefsloot, wapens aan het begraven. Toen ze daarmee klaar waren, zag hij tussen de bomen door een overvalwagen in de richting van ons huis komen. Hij kon net op tijd vluchten.

    Even later ging de bel, mijn moeder deed open. Daar stonden een paar mannen van de Grüne Polizei, de militaire tak van de SD, de gevreesde Sicherheitsdienst, voor de deur. ‘Ist Herr Onnekink zu Hause?’ Mijn moeder antwoordde ontkennend. Ook op de vraag waar hij dan was, antwoordde ze, dat ze dat niet wist. Daar namen ze echter geen genoegen mee. Ze stapten binnen en zijn een paar dagen in ons huis blijven wachten, in de hoop dat mijn vader alsnog terug zou komen. Zij losten elkaar af en ´s nachts sliepen zij in de fauteuils in de zitkamer. Na enkele dagen zijn zij onverrichter zake afgedropen. Het gezin leefde verder, zonder man en vader. In maart 1941, vier maanden na mijn vaders vertrek, werd mijn zus Willie geboren. Nu moest mijn moeder, helemaal alleen, voor vier kleine kinderen zorgen.

    Mijn vader was een 'Engelandvaarder'

    Er werd nog steeds door de SD jacht gemaakt op mijn vader. Hij verhuisde van het ene naar het andere onderduikadres. In de landelijke dagbladen, evenals in politiebladen, werd een oproep gedaan hem aan te houden. Nadat mijn vader op eenentwintig adressen ondergedoken had gezeten, besloot hij te vluchten. Met behulp van de illegaliteit vluchtte hij het land uit. Via de zogenaamde "van Niftriklijn" vluchtte hij via België en Frankrijk naar Zwitserland. Daar heeft hij zes weken in diverse gevangenissen doorgebracht.

    Begin 1943 reisde hij vanuit Zwitserland via Spanje naar Portugal. Van daar vloog hij met een KLM-vlucht naar Engeland. Via de illegaliteit en het Rode Kruis vernam mijn moeder dat hij daar in juni 1943 was gearriveerd. Hij werd ingelijfd bij de Irene Brigade. Daarna werd hij met groot verlof gezonden en ingedeeld bij de Nederlandse Geheime Dienst. (zie: Mijn vader was een Engelandvaarder)

    Definitielijst

    Brigade
    Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
    capitulatie
    Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.

    Afbeeldingen

    Ons huis met op de voorgrond de 4-jarige Joop.
    Het jonge gezin.
    Ontsnapt. Tekening door Jo Grosman, een broer van mijn moeder.

    Gijzelaars van de SS

    Opgepakt

    Oom Wout en tante Bab logeerden bij ons. Tante Bab, een nicht van mijn moeder, woonde met haar man in Amsterdam. Vooral oom Wout hield van het buitenleven en het platteland. Het was voor hen dan ook het ultieme uitje om een paar dagen bij ons in het bos te komen logeren. Zij genoten met volle teugen, heeft hij me later verteld. Mijn vader was al twee jaar afwezig en zat ergens ondergedoken, omdat hij door de Duitsers werd gezocht wegens illegale activiteiten. Des te gezelliger voor mijn moeder om logees te hebben. Hen werd de ouderlijke slaapkamer aangeboden. Waarom weet ik niet meer, maar ik sliep dan op een veldbedje, dat was opgemaakt aan het voeteneind van het grote bed. Soms werd ik 's nachts wakker van het gesnurk van oom Wout en lag dan wakker, starend in het donker.

    Het was een prachtige zomerdag in augustus (de 12e) 1943. Ik herinner me dat wij achter het huis in de tuin waren. Vaag zie ik nog voor me hoe oom en tante met mijn moeder aan het praten waren, terwijl wij, kinderen, aan het spelen waren. De bel ging. Een hele gewone ouderwetse bel, waarbij je aan een grote knop moest trekken, om een halfwas kerkklok in beweging te zetten. Mijn moeder liep door de openslaande tuindeuren naar binnen, door de hal heen en deed open. Voor de tweede keer stond er een SS-er op de stoep. Aan de voorkant van het huis stond een grauw gelakte limousine met chauffeur op de oprijlaan. Bang was ik niet, eerder wat verwonderd. Hij kwam door het huis de tuin in en zei op rustige toon dat we even mee moesten naar het bureau. Wij hoefden ‘nichts mit zu nehmen’ want we zouden zo weer terugkomen. Dat ‘zo’ was echter een rekbaar begrip, want het duurde ruim vier maanden voor wij weer thuis waren. Wij werden met zijn vijven achter in die grote auto gezet en naar de Utrechtseweg 55a gebracht. De ‘Utrechtseweg 55a’ was een begrip in Arnhem, het hoofdkwartier van de SD in Gelderland. Eén van de beruchte ‘ondervragingsadressen’ in de oorlog.

    Het ‘bezoek’ aan de Utrechtseweg, staat me nog heel vaag bij. Wij werden op transport gesteld naar het kamp Vught. Ook opa en oma Onnekink en een broer van mijn vader, oom Frans, werden op diezelfde dag opgepakt. Tante Joop was die dag toevallig niet thuis en is daardoor de dans ontsprongen. Oom Kees, de jongste broer van mijn vader, was daarvoor opgeroepen voor de Arbeidsdienst in Nederland. De Nederlandsche Arbeids Dienst (N.A.D.) werd in het voorjaar van 1941 door de Duitsers ingesteld als dienstplicht voor jongens tussen de 18 en 25 jaar. Zij werden opgeroepen om een half jaar dienst te doen. Men werd onder toezicht van de Nederlandse Heide Maatschappij ingezet bij ruilverkavelingprojecten en ook, in de zomer, bij de oogst. Daar zit ook nog een bijzonder verhaal aan vast. Zijn eerste reactie was te weigeren en onder te duiken. ‘Daar komt niets van in’, had opa gezegd. ‘Want als jij onderduikt, komen ze hier huiszoeking doen. Dat kunnen we niet hebben want we hebben een Joodse onderduikster in huis.’ Dus oom Kees kon niet anders doen dan zich melden. Het bijzondere is dat toen mijn grootouders uit huis werden gehaald door de SS, men de onderduikster niet heeft gevonden. Zij zat verborgen in een kast.

    Met de trein naar kamp Vught

    Met z'n achten werden we nog diezelfde dag als gijzelaars per trein naar kamp Vught op transport gesteld. De Duitsers hoopten door ons te gijzelen mijn vader te pakken te krijgen. Zij gingen er van uit dat mijn vader zich wel zou aangeven om zo zijn gezin en ouders uit het kamp vrij te krijgen. Toen ik ouder was heeft mijn vader mij verteld, dat er door heel het land aanplakbiljetten met zijn foto erop waren verspreid. Er was 1000 gulden beloning uitgeloofd voor diegene die de tip zou geven die tot zijn aanhouding zou leiden. De gijzeling van ons gezin was dus een volgende zet. Achteraf gezien had deze gijzeling geen enkele zin, want mijn vader was op 16 juni 1943, dus twee maanden tevoren, per vliegtuig vanuit Lissabon naar in Bristol gevlogen.

    De treinreis naar Vught is uit mijn geheugen verdwenen. Wat me nog wel heel scherp voor de geest staat is de mars van het station Vught naar het kamp. Hoewel we met een transport dat verder geheel uit Joden bestond werden vervoerd, werden er geen veewagens gebruikt, maar reisden wij met een normale trein. Op het station van het dorp Vught werden de gevangenen opgesteld in een lange colonne. Van daar moesten wij door het dorp naar het kamp lopen. Ik herinner mij nog dat toen wij door de straten liepen er op de trottoirs mensen stonden te kijken. Naast de colonne liepen Duitse soldaten met grote pothelmen op en pistoolmitrailleurs op hun borst. ‘Mam, wij zijn toch geen Joden hè?’ Ik hoor het mijzelf nog vragen. Het was de enige keer in de oorlog dat ik echt heel bang ben geweest. Waarom ik die vraag stelde weet ik nu, na zestig jaar, nog niet. Mijn moeder stelde me gerust. ‘Nee, hoor wij zijn geen Joden’. Gedwongen door de dappere helden van het Derde Rijk, liepen we door een grote poort het kamp binnen.

    Afbeeldingen

    Op weg naar kamp Vught. Bron: Nationaal Monument Kamp Vught.
    Moeder (33), Willie (2), Joop (6) , Emmie (4), Margo (5). Foto gemaakt vlak voor onze gijzeling.

    In het kamp

    Aankomst

    Kamp Vught of ‘Konzentrationslager Herzogenbusch’, zoals het officieel heette, was gelegen in de bossen bij het plaatsje Vught. De kampen Amersfoort en Westerbork konden de toevloed van de vele gevangenen niet meer verwerken. Daarom begon men in 1942 met de bouw van dit kamp. Het kamp was nog niet af toen de eerste gevangenen in januari 1943 arriveerden. Het was een model nazi-concentratiekamp. Overigens het enige SS-kamp in Nederland. Gelukkig was het regime niet zo streng als in de overige SS-kampen.

    Een halve eeuw later ben ik nog eens naar het kamp gegaan. Ik stond voor een grote poort, denkend dat dit de oude toegangspoort was, naar binnen te staren door de spijlen van het hek. Er kwam een man met een geweer op me af. Hij zei: "Het is verboden zich bij dit hek op te houden, ik wil u dringend verzoeken weg te gaan". Hij onderstreepte dit "verzoek" met een gebaar van zijn geweer. Even moest ik in mijzelf glimlachen. Jaren geleden ben ik met een geweer gedwongen naar binnen te gaan en nu werd ik er met een geweer uitgehouden. 'Het kan verkeren' zei Brederode al. Zonder het te weten stond ik voor de poort van de jeugdgevangenis, die later op een deel van het terrein werd gebouwd.

    Met z'n allen werden we naar een groot gebouw gebracht. In de kamer waar wij binnen gingen waren veel schappen langs de wand vol met kleren. Van Jo, het beruchte hoofd van de vrouwenafdeling, kregen wij allemaal andere kleren. Later kwam ik er achter dat die kleren gestolen waren van Joodse kinderen. Omdat ik nog erg jong was mocht ik mee naar het vrouwenkamp, opa en oom Frans gingen naar het mannenkamp elders op het terrein. Nog vaag staat mij bij dat een jongen, die Lubbert heette, jarig was en daarmee de leeftijd bereikte dat hij niet langer in het vrouwenkamp mocht blijven. Nog diezelfde dag werd hij naar het mannenkamp gebracht.

    ‘Staat je sjiek’ zei Jo tegen mij toen ik mijn kampkleren aanhad. Waarop ik prompt antwoordde: ‘Ik ben helemaal niet ziek. Mijn moeder en grootmoeder kregen ‘prachtige streepjesjurken’ aan. Op de linkerborst een rood driehoekje: gijzelaar. Opa, (Geis. 7033') en oom Frans (Geis. 7034) werden naar het mannenkamp afgevoerd en hebben in Block 9 resp. Block 12 gezeten. Oma, (Geis. 0392), mijn moeder (Geis. 0390) en wij alle vier, aangeduid als ‘Geis. 0390 Kind’, vonden een onderkomen in Block 24 B.

    Op appèl

    Losse flarden van herinneringen zitten nog in mijn hoofd. Bijvoorbeeld hoe de barak er uitzag; hoe ik als klein jongetje in het grote washok een beetje verloren tussen al die vrouwen stond. Mijn moeder en oma stonden zich te wassen boven een groot soort trog. Om vier uur in de morgen werd er appèl gehouden. Dan moesten alle bewoners van de barak op een plein aantreden en werden wij geteld. Het tellen ging de bewaaksters niet goed af; telkens weer moesten wij opnieuw worden geteld. Nog niet zolang geleden vertelde tante Bets, de vrouw van oom Kees, mij hoe mijn moeder het tellen bij het appèl had gesaboteerd. Als er een grote vrouw voor haar stond ging zij daar pal achter staan. Aangezien zij nogal klein van stuk was werd zij dan niet gezien en ook niet meegeteld. Dan kwam men een gevangene tekort en begon het tellen overnieuw. Inmiddels deed zij dan weer een stap achteruit en dan klopte de boel weer. Overigens was het ook wel erg koud 's morgens vroeg in onze zomerse kampkleren. Naderhand, heb ik me laten vertellen, hoefden de kinderen niet meer mee op appèl.

    In mijn verbeelding is het heel lang mooi weer geweest. Aan het eind van de straat, die tussen de barakken doorliep, was de appèlplaats. Als je over de appèlplaats heen liep kwam je op een brede zandstrook. Aan het eind van die zandstrook stonden twee metershoge prikkeldraadversperringen, gescheiden door een diepe, brede sloot. Om de honderd meter stonden wachthuisjes op palen, waarin hoog boven de begane grond een met pothelm versierde held van het Duitse Rijk compleet met machinepistool over onze ‘veiligheid’ waakte. Als kinderen speelden we vaak op de zandstrook. Het zand leek wel wat op het zand dat je op stranden vindt. Je kon erin graven, met je handen natuurlijk, en forten bouwen met stukjes steen en takken.

    Van het eten kan ik me alleen nog de vorm en de smaak van het brood herinneren. Brood met een bolletje boter en een likje rode jam. Het was een soort kuch, bruin, zuurachtig brood. Soms was het feest, dan kwam er een pakketje van het Rode Kruis. Er staat me bij dat daar onder andere een rode zakdoek in zat en een klein medicijnflesje met limonadesiroop ! Ik heb daar nog een ander feest meegemaakt, want op 2 september 1943 werd ik 7 jaar.

    Dwangarbeid

    Mijn moeder moest op het land werken en sjouwde iedere dag met kruiwagens vol zand. Ergens op een veld lag een grote berg zand, die naar de andere kant van het terrein moest worden gekruid. Als dat werk af was moest diezelfde berg zand weer naar de oorspronkelijke plaats worden getransporteerd. Mam vertelde mij dat ze vaak met bloed in haar klompen van het werk op het land in de barak terugkwam. Nog niet zolang geleden ben ik erachter gekomen dat mijn grootvader en oom Frans bij het Philips-Kommando hebben gewerkt. Maanden later is mijn moeder daar ook tewerkgesteld.

    Het initiatief om een Philips werkplaats op te zetten in Kamp Vught kwam, in tegenstelling tot wat velen dachten, vanuit de hoogste regeringskringen in Berlijn. Volgens onderzoeker prof. Dr. P. Klein was het SS-commandant Himmler zelf, die begin jaren veertig het idee lanceerde om met Philips in zee te gaan. Het idee om een particulier bedrijf tot een concentratiekamp toe te laten was uniek. Het is dan ook in geen enkel ander kamp gebeurd. Aanvankelijk weigerde ir. Frits Philips aan het plan van de SS mee te werken. Toen hij zich echter realiseerde dat hij door mee te werken werknemers kon behoeden voor deportatie naar Duitsland stemde hij toe. De werknemers hadden inderdaad betere bescherming en beter voedsel. Er werden onder andere radio's, radiobuizen, scheerapparaten en ‘knijpkatten’ (een zaklantaarn met een door hand aangedreven dynamo) gefabriceerd. Het is zeker dat bijna vierhonderd joodse Philips-medewerkers zo de oorlog hebben overleefd.

    Psalm 42

    Aan één ding hadden wij als kinderen geen gebrek: tijd. Mijn grootmoeder werkte in de keuken van het kamp, maar had voldoende tijd over om zich met ons bezig te houden. Zij was een zeer gelovige vrouw en vertelde ons veel verhalen uit de Bijbel. Ook leerde zij mij psalmversjes. Uren en dagen lang is zij geduldig bezig geweest om mij drie coupletten van Psalm 42 uit het hoofd te laten leren. Nooit ben ik die drie coupletten meer vergeten. En in welke variant ik die Psalm nu ook zing, nog steeds word ik door die woorden ontroerd.

    't Hijgend hert, der jacht ontkomen,
    schreeuwt niet sterker naar 't genot
    van de frisse waterstromen,
    dan mijn ziel verlangt naar God.
    Ja, mijn ziel dorst naar den Heer;
    God des levens, ach, wanneer
    zal ik naad'ren voor uw ogen,
    in uw huis uw naam verhogen?

    O mijn ziel, wat buigt g' u neder,
    waartoe zijt g' in mij ontrust?
    Voed het oud vertrouwen weder,
    zoek in 's Hoogsten lof uw lust!
    Want Gods goedheid zal uw druk
    eens verwiss' len in geluk.
    Hoop op Hem, sla 't oog naar boven,
    Want ik zal zijn naam nog loven.

    Maar de Heer zal uitkomst geven,
    Hij, die 's daags zijn gunst gebiedt.
    'k Zal in dit vertrouwen leven
    en dat melden in mijn lied:
    'k zal zijn lof zelfs in de nacht
    zingen, daar ik Hem verwacht,
    en mijn hart, wat mij moog' treffen,
    tot de God mijns levens heffen.

    Op een gegeven moment kregen we gezelschap in onze barak: luizen. Tijdelijk kregen we andere huisvesting en de ramen en deuren van onze barak werden dichtgeplakt met grauw pakpapier. Ik weet nog wel dat ik dat maar een raar gezicht vond. Pas veel later heb ik begrepen, dat de barak met gas werd gedesinfecteerd. Het heeft enkele dagen geduurd voor wij weer in onze "eigen" barak terugkeerden.

    Nog een herinnering: het incident met Pollie. Pollie, een klein, dik meisje, zat op de pot in de eetzaal. Toen zij klaar was stond zij op pakte de pot, een witte van porselein, zette die aan haar mond en dronk hem leeg. Ook weet ik nog dat er op een avond een feest werd georganiseerd. Het enige wat ik daar nog van weet is dat er een vrouw, in een donkerrood zwempak, voor de deur van de eetzaal met een echt stokpaard geinig stond te doen. Later heeft mijn moeder me verteld, dat zij een Joodse cabaretière was.

    Op de Joden waren de SS-ers extra ‘zuinig’. Zij waren ondergebracht in barakken, die van het ‘gewone’ kamp waren afgescheiden door een extra hek van prikkeldraad. Nooit zal ik het beeld vergeten wat ik bij de ingang van dat kamp heb gezien. Bij de poort stonden vrouwen hartverscheurend te huilen en te jammeren. Er werden mensen uit het kamp weggevoerd en degenen die achterbleven waren de wanhoop nabij. Wie er afgevoerd werden, mannen of kinderen, weet ik niet meer. Alleen de intense smart en wanhoop van die vrouwen staan op mijn netvlies gebrand.

    In de barak

    De indeling van de barak staat mij nog heel helder voor de geest. Je kwam binnen in een soort hal. Linksaf was de toiletruimte en rechtdoor kwam je in het washok. Rechts, tegenover de toiletruimte, was de ingang naar de eetzaal. Daar stonden de schragentafels met daaromheen banken. In het midden stond een grote potkachel. Achter de eetzaal was de slaapzaal. Hoeveel vrouwen en kinderen daar sliepen weet ik niet meer, maar het waren er wel veel. De slaapzaal bestond uit vele rijen stapelbedden. Drie bedden boven elkaar. Met mijn moeder sliep ik in een onderbed vlakbij de deur. Daar, tegen de wand van de eetzaal, stonden drie ledikantjes, waarin mijn drie zusjes sliepen. De SS dacht toch ook aan alles. Zelfs aan ledikantjes voor de kinderen in het concentratiekamp. Hoewel dat heel wat voeten in de aarde schijnt te hebben gehad, want men was niet ingesteld op kind-gevangenen.

    Toen ik in oktober 2004 het Nationaal Monument Kamp Vught bezocht en de nagebouwde barak inging, was ik er verbaasd over hoe scherp die barak in mijn geheugen is gegrift. ‘Op een gegeven moment’, vertelde mijn moeder later, ‘kwam er een bewaker de barak binnen en liep door naar de slaapzaal. Hij stond bij de ledikantjes. Met een vinger priemde hij in de richting van het ledikantje waarin Margo lag te slapen. ‘Van wie is dat kind?’, vroeg hij. ‘Van mij’, antwoordde mijn moeder. ‘En die?’ zei hij wijzend op de slapende Emmie. ‘Ook van mij’, was haar antwoord. ‘Is die derde soms ook van jou?’, vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen. Daarmee bedoelde hij Willie. ‘Ja’, was weer het antwoord. Hoofdschuddend verliet de man de barak.

    Oorontsteking

    Ik kon niet slapen van de pijn; ik had een oorontsteking opgelopen en was grieperig. Naar mij is verteld heb ik een paar dagen in het kampziekenhuis doorgebracht, elders op het terrein. Van die gebeurtenis staat me alleen nog bij, dat ik in een stoel zat en een verpleegster een ovaal schaaltje onder mijn oor vasthield. Een ander stak een lange naald in mijn trommelvlies. Margo heeft ook oorontsteking gehad waar zij geweldig veel pijn van had. Gelukkig hoefde zij daarvoor niet naar het ziekenhuis.

    Bij een archiefonderzoek bij het NIOD ben ik te weten gekomen dat ik in november elf dagen (van 11 – 22 november) in dat ziekenhuis heb gelegen. Samen met onze jongste zoon heb ik een hele middag in de archieven zitten snuffelen. Wij ontdekten een dossier van ongeveer twee centimeter dik met de naam ‘Onnekink’ erop. Er bleken acht medische rapporten in te zitten van de hele familie. Wij waren allemaal in het ziekenhuis behandeld of hadden daar een poosje gelegen. Het is na te gaan waaraan wij leden en er waren zelfs temperatuurlijsten bij.

    Sinterklaasfeest

    Begin december werd er voor de kinderen een Sinterklaasfeest georganiseerd. Het enige wat ik daar nog van weet is een vage voorstelling van een Sinterklaas. Van hem kregen we allemaal een beschuitje met daarop een laag pudding, afgemaakt met een likje jam en een vlaggetje op een stokje.

    Definitielijst

    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.

    Afbeeldingen

    De hoofdpoort van het kamp.
    Luchtfoto van kamp Vught. Bron: Nationaal Monument Kamp Vught.
    Mijn moeder achter de kruiwagen.
    Drie ledikantjes.
    Mijn ziekenhuiskaart. Bron: Archief NIOD.

    Terugkeer naar huis

    Het laatste beeld in de barak

    In de eetzaal stond een man in uniform met een hoge pet op, rijlaarzen en een pofbroek aan, tegen ons te praten. Wie dat was en wat hij tegen ons zei heeft mijn moeder ons later verteld. Het was luitenant-generaal Hanns Rauter, hoofd van de SS in Nederland, die ook de SD onder zijn beheer had. Het was binnenkort "Weihnachten" en als goed gebaar heeft hij toen enkele vrouwen en gezinnen aangewezen die naar huis mochten. Daar hoorden ons gezin, mijn grootouders en oom Frans ook bij.

    Merkwaardig is overigens dat op de ontslaglijst maar drie in plaats van vier kinderen worden genoemd. Oma werd een week eerder vrijgelaten. Ze gaf bloed op en men was doodsbang voor TBC. Voor ons werd Psalm tweeënveertig bewaarheid: De Heer had uitkomst gegeven! Toen wij door de poort de vrijheid tegemoet liepen, stonden oom Henk en oom Kees, broers van mijn vader, ons op te wachten. Het grondige Duitse systeem liet echter niet toe dat zij ons zo maar mee konden nemen. Nee, wij werden, begeleid door enkele SS-ers met honden, naar het station van Vught gebracht. Zelfs tot in de trein. Zij wilden kennelijk zeker weten dat we weg waren. De SS-ers stapten met ons de trein in en begonnen te brullen: ‘Aufstehen, aufstehen!!’ Die arme reizigers moeten de schrik van hun leven hebben gekregen. ‘Die Frau und die Kinder müssen sitzen, aufstehen’. Ja, het waren echte ‘heren’ die SS'ers. Van de thuisreis herinner ik me niets meer.

    Verblijf in Oosterbeek

    Thuisgekomen bleek het dat ons huisje was geconfisqueerd door officieren van de Wehrmacht. Daarom werden wij liefdevol opgenomen door mijn grootouders van moederskant in Oosterbeek. Het werd mijn moeder toegestaan om wat winterkleren en speelgoed van ons uit het huisje mee te nemen naar Oosterbeek. Al gauw ging ik weer naar school. Ons gezin kwam weer tot rust na alle doorstane verschrikkingen. Oosterbeek was een rustig dorp en wij merkten (althans ik als kind) weinig van de oorlog. Dat veranderde op die beruchte 17e september 1944 (zie ook: Zeven dagen in de heksenketel).

    De slag om Arnhem

    Nog steeds woonden we bij onze grootouders in Oosterbeek in hun mooie huis aan de Parallelweg, die evenwijdig aan de spoorlijn liep. We zaten met z’n allen in de tuin koffie te drinken toen er plotseling met donderend geraas een tweemotorig vliegtuig laag over ons huis kwam. We holden allemaal naar de voortuin aan de noordkant van het huis en zagen in het westen, richting Wolfheze, een spektakel dat ik mijn hele leven niet meer zal vergeten. In de lucht zagen we honderden kleine gekleurde stippen, parachutes, met daarboven grote zwermen vliegtuigen. Het was zo'n prachtig gezicht, al die kleuren: rood, zwart, geel en groen, schitterend. Dat was het begin van een strijd, die negen dagen zou duren. Die nacht sliepen we in de kelder. De volgende dag zijn wij naar het zuiden van Oosterbeek gevlucht.

    Daar hebben wij al die tijd in een kelder gezeten in een huis aan de Weverstraat, vlakbij de NH Kerk. Wij hebben ons in leven gehouden met de inhoud van de vele ‘weckflessen’ die op de planken in de kelder stonden. Negen gruwelijke dagen en nachten heeft de slag geduurd. Zo nu en dan kregen wij bezoek. Dan kwam er een Britse militair de kelder in om even uit te rusten en te praten. Mijn ooms kregen sigaretten en wij een stukje chocolade. Na negen dagen strijd moesten de geallieerde troepen zich echter terugtrekken. De hele Oosterbeekse bevolking werd door de Duitsers gesommeerd het dorp te verlaten. Wij trokken naar het noorden het dorp uit en kwamen ten slotte terecht in Otterlo, waar wij in een school werden opgevangen. Zo begonnen wij aan onze evacuatie die tot april 1945 zou duren.

    De evacuatie

    Ons gezin werd ondergebracht bij een heel vriendelijk boerengezin in het dorpje De Valk. Omdat men geen slaapruimte had voor zoveel mensen – ons gezin bestond uit vijf personen en mijn grootouders – kregen we een plekje in de paardenstal. De overheidsinstanties vonden dat, in verband met de naderende winter, geen goed plan. Wij zijn daarop doorgetrokken naar het westen, naar Delft, waar we bij familie terecht konden. Door de hongersnood gedwongen trokken we in januari 1944 door naar Scheemda, een dorpje ten oosten van de stad Groningen. Daar hebben we de rest van de oorlog gewoond bij een tante van mijn moeder.

    Bevrijding en terugkeer

    In April 1945 werden wij door de Canadezen bevrijd. Veel strijd is er niet geleverd. Het hele dorp stond op zijn kop. Ik weet nog dat ik uren aan de kant van de weg heb staan kijken naar al het materieel dat voorbijkwam.

    Op een dag stopte er een luxe wagen voor de deur met op de zijkant een grote, witte ster gevat in een cirkel. Daar stapte een militair uit. Het bleek mijn vader te zijn. Via zijn connecties in de illegaliteit had hij ons weten op te sporen. Zo werd het gezin weer herenigd. Enkele dagen daarna reisden we met een dichte bestelbus terug naar Arnhem. Twee weken hebben we gelogeerd bij vrienden van mijn ouders in Schaarsbergen. In die tijd hebben mijn ouders ons huis opgeknapt, want het was letterlijk uitgewoond door de Canadezen, die er na de bevrijding waren ingetrokken. Na bijna twee jaar zwerven waren we weer thuis.

    Afbeeldingen

    Deel van de ontslaglijst.
    Het huis van mijn grootouders aan de Parallelweg.
    Een prachtig gezicht al die kleuren.
    Het gezin herenigd.

    Informatie

    Artikel door:
    Joop Onnekink
    Geplaatst op:
    08-07-2015
    Laatst gewijzigd:
    25-07-2015
    Feedback?
    Stuur het in!

    Bronnen

    Archieven

    • Archieven van het Nationaal Monument Kamp Vught (Vught)
    • Nederlands Rode Kruis (Rotterdam)
    • Nationaal Instituut voor Oorlogs Documentatie, NIOD (Amsterdam)

    Krantenartikelen

    • ‘Philips: lichtpuntje in Kamp Vught’, de Stentor, 23 februari 2006
    • ‘Berlijn gaf aanzet tot Philips-Kommando’, Eindhovens Dagblad, 12-11-2002
    • ‘Leven aan Frits Philips te danken’, De Telegraaf, 16 april 2008
    • ‘Bevrijding van Nederland 1944-1945, Trouw 16 september 2008

    Diversen

    • Expositie, ‘Licht in het duister’, het Philips-Kommando , Nationaal Bevrijdings Museum te Groesbeek, maart 2006