De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Inleiding

    Titus Brandsma was een karmelietenpater, geleerde, publicist en Nederlands verzetsstrijder. Voor de oorlog was hij al actief in een groot aantal bewegingen op het terrein van cultuur, natuur, emancipatie, onderwijs en journalistiek. In de dertiger jaren was hij een van de eersten die actief in verzet kwam tegen de opkomst van het nationaalsocialisme. Een lijn die hij na de bezetting onverkort en openlijk doorzette. Vanwege zijn verzet tegen Duitse maatregelen om de vrije meningsuiting te belemmeren en de onderwijsvrijheid in te perken, alsmede zijn protesten tegen de maatregelen jegens de Joodse bevolking, werd hij gearresteerd. Na verhoor in Scheveningen werd hij via kamp Amersfoort en de gevangenis van Kleef gedeporteerd naar het concentratiekamp Dachau, waar hij op 26 juli 1942 overleed. Nog tijdens de oorlog werd hij een lichtend voorbeeld van verzet tegen onderdrukking en symbool voor een wereld van begrip en verdraagzaamheid. In 1985 verklaarde paus Johannes Paulus II hem zalig.

    Afbeeldingen

    Titus Brandsma, martelaar voor de vrije meningsuiting en onderwijsvrijheid.

    1892-1909: Opleiding en vorming

    Anno Sjoerd Titus Brandsma werd op 23 februari 1881 geboren in Oegeklooster, een gehucht bij Bolsward. De familie Brandsma had in Oegeklooster een statige boerderij, tamelijk afgelegen in het toch al lege en weidse Friese land. De naam Oegeklooster verwijst naar de naam van een uithof van een middeleeuws Cisterciënzerklooster, het Sint Hugoklooster. Constant Dölle beschrijft in zijn biografie van Titus Brandsma hoe het leven in het gezin Brandsma werd gedomineerd door plichtsgetrouwe arbeid, door de rust van het platteland en door het getrouw vervullen van de kerkelijke verplichtingen. Een foto geeft een mooie illustratie van het karakter van het oude katholieke Friese boerengeslacht Brandsma. Deze foto is genomen op 15 augustus 1911 (*) toen ook dochter Siebrigje haar Eeuwige Geloften deed in de Congregatie van de Missiezusters van het Kostbaar Bloed te Beek en Donk. Ze was daarmee de vijfde van de zes kinderen Brandsma die koos voor het religieuze leven. Dit typeert de sterke religiositeit van het gezin. Even typerend was de intrede van de vijf kinderen in een andere kloosterorde. De oudste dochter Baukje en tweede dochter Plone waren al ingetreden bij respectievelijk de zusters Clarissen in het Brabantse Megen en de zusters Franciscanessen in Rotterdam. Anno Sjoerd was ingetreden bij de Karmelieten in Boxmeer en Hendrik was ingetreden bij de Minderbroeders Franciscanen. Gatske, de andere dochter, was de enige die wel trouwde en door haar twee kinderen het voortbestaan van de familie verzekerde.

    Op een vroege ochtend in september 1892 moest de elfjarige Anno zich melden bij de tramhalte in Bolsward om van daaruit door te reizen naar Megen. Aan het eind van de dag meldde hij zich bij het Minderbroedersklooster Sint Antonius van Padua om leerling te worden aan het gymnasium. Doel was om priester te worden. Megen lag in die tijd in de Vrije Heerlijkheid Ravenstein en behoorde met de kernen van Boxmeer, Gemert en enige andere omliggende dorpen en buurtschappen tot de zogenaamde niet-staatse gebieden. Bij de Vrede van Munster in 1648 was bepaald dat in dit gebied vrijheid van godsdienst zou heersen. Dat betekende dat in dit gebied de kloosterordes die gedurende de Tachtigjarige Oorlog al hun bezittingen hadden verloren, opnieuw hun kloosters en studiehuizen mochten bouwen. De Latijnse scholen van Boxmeer en Megen waren vanaf dat moment zeer populair bij de katholieken in de diaspora.

    Na zijn studietijd in Megen maakte Brandsma een weinig gebruikelijke overstap. Hij besloot niet in te treden bij de Franciscanen. Op 17 september 1898 deed hij zijn intrede in het noviciaat van de paters Karmelieten te Boxmeer en nam hij definitief de naam Titus aan. Zijn beweegreden voor de overstap was tweeledig. Op de eerste plaats was hij zich terdege van bewust van zijn zwakke gezondheid. De Franciscanen waren vooral actief in het ambt van pastoor en rondtrekkend prediker. Titus realiseerde zich dat zo’n ambt als gevolg van zijn zwakke gestel waarschijnlijk te zwaar zou zijn. Nog belangrijker voor hem was dat de Franciscanen zich meer bezighielden met het tijdgebondene, met het actuele, met de zaken die gedaan moesten worden. De Karmelieten daarentegen waren meer gericht op het tijdloze, op het contemplatieve, op het mystieke, op de zuiverheid van de leer. Deze kant sprak de jonge Titus meer aan. Dat naar binnen gekeerde leven van de Karmelieten ziet men het meest treffend terug in de sobere cel die elk der broeders er krijgt voor het steeds meer verdiepen van hun spiritualiteit. De eerstvolgende twee jaren van zijn noviciaat werden gekenmerkt door een strakke regelmaat van gebed, arbeid, bezinning en rust. Na zijn noviciaat begon vanaf 1900 tot 1906 een periode van studie en vorming. Hij verdiepte zich er zeer in de wijsbegeerte en theologie. Ook schreef hij er zijn eerste publicatie, een bloemlezing uit de werken van Teresa van Avila. Titus liet weten van deze Teresa iets in zichzelf te herkennen: rusteloos bezig zijn met diverse uiteenlopende zaken zonder zichzelf te verliezen en het besef als klein radertje in het grote geheel slechts te kunnen doen wat men vermag te doen. Teresa werd als gevolg daarvan door de machtige Inquisitie ter verantwoording geroepen. We kunnen hierin een voorbode zien van het leven dat de nog zeer jonge Titus te wachten stond. In de daaropvolgende jaren publiceerde hij voor allerlei religieuze bladen en tijdschriften artikelen. Op 17 juni 1905 werd hij in de Sint-Jans-kathedraal in Den Bosch tot priester gewijd.

    Hij had gehoopt daarna te kunnen gaan studeren aan de Gregoriaanse Universiteit in Rome, zoals hem altijd was toegezegd. Zijn provinciale overste vond het echter op dat moment vanwege zijn precaire gezondheid niet verantwoord. Iets later volgde voor een tweede maal uitstel omdat men vond dat Titus de neiging had "een voorliefde voor gevaarlijke stellingen" te hebben. Al jong manifesteerde zich bij Brandsma het karakter om vastomlijnde ideeën te ontwikkelen en deze ook luid en duidelijk uit te spreken, ongeacht de consequenties die eraan verbonden waren. Hij kreeg voor een half jaar administratief werk opgedragen. Iets later ging zijn wens echter alsnog in vervulling. Van 1906 tot 1909 studeerde hij wijsbegeerte en sociologie te Rome.

    De jeugd- en vormingsjaren van Brandsma vonden plaats in een periode dat de katholieke kerk in Nederland zich in een fase van snel herstel bevond. Vanaf de 17e eeuw was de katholieke kerk ten noorden van de grote rivieren bijna geheel verloren gegaan. Vanaf halverwege de 19e eeuw kwam een voorzichtig herstel op gang, waarbij in eerste instantie kerken en kloosters herbouwd werden. Er was echter in deze periode een ernstig gebrek aan kader, omdat men de katholieken vooral onder de boeren en neringdoende middenstand vond. De emancipatiebeweging van de katholieken werd dan ook vooral gedragen door de priesters en religieuzen, die vele taken op zich namen, vooral in het onderwijs, de verpleging en de bejaardenzorg. Er werd echter al snel erkend dat om de katholieke emancipatie goed op gang te laten komen en een blijvend zichtbare, brede kerk te realiseren er gezorgd moest worden voor een verbreding van het wetenschappelijke of hoger opgeleid kader waaruit men kon putten. Brandsma zou in deze ontwikkeling een sleutelpositie innemen.

    (*) Na uitgebreid archiefonderzoek is Godfried van Agthoven van het Titus Brandsma Museum te Bolsward er in geslaagd de exacte datum, locatie en gelegenheid van de foto te achterhalen. Eerder vermeldden alle bronnen een onjuiste datum. We zijn het museum en de heer Van Agthoven zeer erkentelijk voor de door hen verschafte informatie ter zake.

    Afbeeldingen

    Anno Sjoerd op 15-jarige leeftijd. Bron: www.carmelnet.org.
    Frater Titus op 20-jarige leeftijd. Bron: Titus Brandsma Museum.
    Familiefoto (15 augustus 1911). Bron: www.carmelnet.org.

    1909-1941: Het drukke maatschappelijke leven

    Nadat hij in 1909 aan Pontificia Università Gregoriana was gepromoveerd tot doctor in de wijsbegeerte, keerde Brandsma terug naar Nederland. Hij kwam terecht in Oss, waar hij aan het studiehuis (Filosoficum) van de Karmelieten docent werd in filosofie, sociologie en kerkgeschiedenis. Hij deed dat tot 1923, toen hij in de pas opgerichte Katholieke Universiteit in Nijmegen de leerstoel van hoogleraar in de wijsbegeerte en geschiedenis van de vroomheid kreeg toegewezen. In Oss was hij behalve docent ook de stichter van de katholieke HBS en hij zorgde ervoor dat er een openbare katholieke leeszaal kwam. Daarnaast blies hij de plaatselijke krant “De Stad Oss” nieuw leven in. Brandsma werd van het blad tevens hoofdredacteur.

    Daarnaast bleef hij op tal van andere maatschappelijke terreinen actief. Hoewel hij al als elfjarige het Friese land verliet, bleef zijn liefde voor de Friese taal, cultuur en geschiedenis altijd prominent aanwezig. Toen op 21 augustus 1917 “It Roomsk Frysk Boun” werd opgericht, was Titus de secretaris van het eerste bestuur van de bond die de belangen van de Friese katholieke minderheid wilde dienen. Vanaf 1937 ging deze vereniging in aangepaste vorm en onder de naam Frisia Catholica verder met Titus Brandsma als de eerste voorzitter. Er waren nog andere Friese verenigingen waarvan hij lid werd, niet zelden ook actief lid door zitting te nemen in het bestuur of andere activiteiten op zich te nemen. Daartoe behoorden onder meer het Friese genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, It Fryske Gea, de provinciale Onderwijsraad van Friesland (die ijverde voor een Friese leerstoel) en de Fryske Akademy, die het volkskarakter en de geschiedenis van de Friezen bestudeert. Daarnaast was hij actief in de Dokkumer Sint Bonifatiusbroederschap en werkte hij mee aan een tijdschrift Frisia Catholica met een stortvloed aan artikelen over het Friese katholieke leven van vòòr de Reformatie.

    Vanzelfsprekend was Brandsma ook lid van het bestuur van de Nederlandse Karmelieten en speelde hij een belangrijke rol in de vernieuwingsbeweging binnen de orde. Binnen de beweging was hij de mede-oprichter van het spirituele tijdschrift “Ons geestelijk Erf”. Onder de titel “Van ons Geestelijk Erf” schreef hij tussen 1938 en 1941 wekelijks een column in De Gelderlander, waarin hij het religieuze en mystieke leven voor een breder publiek toegankelijk wilde maken. Brandsma ontwikkelde zich tot een van de grootste kenners van de Karmelitaanse en Middeleeuws-Nederlandse mystiek. Hij legde al doende een unieke verzameling kopieën van Middeleeuwse mystieke handschriften aan. De verzameling stond later aan de basis van de oprichting van het huidige Titus Brandsma-Instituut te Nijmegen.

    Verder was hij betrokken bij tal van rooms-katholieke organisaties, onder meer als voorzitter van de Bond van Besturen voor het Rooms-Katholieke Voorbereidend Hooger en Middelbaar Onderwijs, bestuurslid van de RK Vredesbond, lid van de katholieke vereniging van Nederlandse Esperantisten en bestuurslid van het Apostolaat der Hereeniging, een van de voorlopers van wat we momenteel de oecumenische beweging noemen.

    In de loop der jaren werd de positie van Brandsma steeds aanzienlijker. Hij bleef onveranderd verbonden met de meeste bovengenoemde activiteiten. Binnen de Nijmeegse universiteit bekleedde hij diverse functies en in het jaar 1932-1933 was hij aan de Katholieke Universiteit de rector magnificus. In 1935 werd hij door de aartsbisschop van Utrecht benoemd tot geestelijk adviseur van de RK Journalistenvereniging. In die functie zorgde hij ervoor dat er steeds meer katholieke bladen verschenen en regelde hij voor de journalisten goede arbeidsvoorzieningen. Een van zijn stokpaardjes werd pas na de oorlog gerealiseerd: het oprichten van een goede journalistenopleiding.

    In 1938-1939 werd hij het boegbeeld van het langzaam op gang komende protest tegen het opkomende nationaalsocialisme in Duitsland: hij hield een aantal opzienbarende colleges over de opkomst van deze beweging en de desastreuze effecten die dat op de sociale orde had. Het Bureau voor Publiciteit ging in een artikel dieper in op het katholieke verzet tegen het nazisme voor, tijdens en ook nog na de oorlog. Daarbij zette men zich op overtuigende wijze af tegen het beeld dat vanuit de confessionele hoek niets ondernomen was. Zij plaatsten daarmee Brandsma in het brede en internationale kerkelijke verzet.

    Vanwege zijn intense inzet en inbreng in tal van emancipatoire organisaties benoemde Koningin Wilhelmina hem in 1939 tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

    Definitielijst

    nazisme
    Afkorting van nationaal-socialisme.

    Afbeeldingen

    Pasfoto rond 1940 Bron: Titus Brandsma Museum.

    1940-1942: Brandsma en het verzet

    Titus Brandsma was een van de eersten in Nederland die al vroegtijdig de gevaren van het opkomende nationaalsocialisme zag. Reeds begin jaren dertig waarschuwde hij via artikelen in diverse dag- en weekbladen, via colleges aan de universiteit en door middel van talrijke lezingen in het land tegen de effecten van de nazistische leer en veroordeelde hij de anti-joodse maatregelen die door het Hitlerregime werden genomen. In 1936 was hij korte tijd lid van het Comité van Waakzaamheid tegen het Nationaalsocialisme, een club die werd opgericht door bezorgde Nederlandse geleerden en kunstenaars zoals Jan Romein, Eddy du Perron en Menno ter Braak. De vereniging publiceerde in korte tijd tientallen brochures tegen het fascisme en nazisme. Ook aartsbisschop mgr. Jan de Jong ondernam diverse acties om het gevaar van het opkomende nazisme te bezweren en telkens was Brandsma als naaste adviseur en trouwe vriend daarbij betrokken. Op 6 mei 1936 schreef Mgr. De Jong mede namens de andere bisschoppen een brief waarin werd bepaald dat iedereen die in belangrijke mate steun zou verlenen aan de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) niet langer de heilige sacramenten kon ontvangen. Een beleidslijn die de daarop volgende jaren consequent werd aangehouden en via vervolgbrieven aan de katholieke kerken werd meegedeeld.

    Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland bezetten, werd Arthur Seyss-Inquart benoemd tot Reichskommissar für die besetzten Niederländischen Gebiete. Zijn overplaatsing vanuit Wenen naar Nederland werd overigens binnen de partijgelederen gezien als een degradatie, omdat de als gematigd bekende staande Seyss-Inquart er niet in was geslaagd in Wenen de “joodse problematiek” op te lossen. In Nederland probeerde hij eerst met zachte hand de bevolking te winnen voor het nationaalsocialisme door veelvuldige publieke optredens waarin hij een begripvolle toon aansloeg. Ook legde hij de Duitse en Oostenrijkse soldaten strikte gedragsregels op en zorgde voor de oprichting van een aantal Duits-Nederlandse vriendschapsinitiatieven. Zonder enig succes, de anti-Duitse houding veranderde geen millimeter. Hij werd dan ook al snel door de SS onder druk gezet harder op te treden.

    Na de Februaristaking in 1941 werd in versneld tempo het proces van “Gleichschaltung” toegepast, waarmee de nazi’s in de jaren 1933-1937 in Duitsland zo succesvol waren. “Gleichschaltung” was de eufemistische term waarmee de nazi’s alle maatregelen aanduidden die erop gericht waren de hele bevolking te “synchroniseren” in het totalitaire keurslijf van de nationaalsocialisten. Dat hield in de praktijk in dat elke organisatie, van de kleinste hobbyclub tot grote organisaties als de vakbonden en onderwijsinstellingen, ondergeschikt werden gemaakt aan de NSDAP of in Nederland de NSB. Deze NSDAP en NSB kregen dan het monopolie op alle verenigingsleven en domineerden daardoor elk aspect van ieders leven. In de praktijk betekende dit: het opheffen van vakbonden en politieke partijen, aanpassen van de statuten van elke vereniging en stichting, lidmaatschap van partijleden in het dagelijks bestuur van elke organisatie, het creëren van staatsinstanties of ministeries die toezien op de uitvoering, het in het leven roepen van nieuw organisaties om te concurreren met organisaties die men het functioneren lastig wilde maken, het opschorten van grondrechten, het aannemen van repressieve wetgeving en de intimidatie en terreur van iedereen die niet meewerkte aan de Gleichschaltung.

    In Duitsland moesten in de vooroorlogse jaren velen hun weigering mee te werken aan de “Gleichschaltung” bekopen met zware straffen, waaronder doodstraffen en veroordelingen naar concentratiekampen. Deze kennis betekende echter niet dat Titus Brandsma na de bezetting van Nederland zijn openlijk verzet staakte en andere wegen zocht om zich tegen het nieuwe gezag te verzetten. Waarschijnlijk realiseerde hij zich dat zijn jarenlange en veelzijdige betrokkenheid bij allerlei instellingen en de uitgesproken standpunten die hij voor mei 1940 stelselmatig had ingenomen, voor de Duitsers voldoende reden was om hem op voorhand te zien als een van de grootste “Volksfeinden”. Geweldloos, maar dreigend effectief. Een plotseling veranderen van standpunten zou ook niet erg geloofwaardig zijn geweest. Hij bleef dus maar openlijk ageren tegen maatregelen die gerust als “zijn terrein” omschreven mogen worden: de vrijheid van onderwijs en de persvrijheid.

    Al enkele dagen na de Duitse inval liet mgr. de Jong weten dat de in mei 1936 uitgezette lijn tegen de NSB kost wat kost gehandhaafd moest blijven. Dit standpunt werd nogmaals krachtig herhaald als reactie op de rede die rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart op 29 mei 1940 in de Ridderzaal hield bij zijn benoeming. De aartsbisschop liet publiekelijk weten te weigeren te verklaren de Duitsers loyaal tegemoet te treden, als de bezetter het kerkelijk leven, de katholieke scholen, de charitatieve instellingen en de sociale en culturele organisaties niet met rust zou laten. Op 13 januari 1941 verklaarde het episcopaat nogmaals dat voor katholieken vanwege godsdienstige en zedelijke overwegingen het lidmaatschap van de NSB in hoge mate ongeoorloofd was. In een schrijven van 25 juli 1941 liet mgr. de Jong weten dat de sancties tegen de NSB ook hun mantelorganisaties betroffen. De aanleiding voor dit nieuwe schrijven was het besluit van Seyss-Inquart dat in het kader van de enkele maanden eerder gestarte Gleichschaltung het Roomsch-Katholiek Werklieden Verbond (RKWV) in dienst van de NSB werd gesteld. Hierdoor dreigden de katholieken hun eigen communicatiemiddelen als de radio en de dagbladpers kwijt te raken. In de brief van het bisdom werd betoogd dat hiermee het voortbestaan van de katholieke kerk in gevaar was en dat het van wezenlijk belang was dat het katholieke volksdeel verenigd bleef. Een verder lidmaatschap van de RKWV zou dan ook betekenen dat men niet langer de sacramenten kon ontvangen. Datzelfde gold ook voor nadere mantelorganisaties zoals het Agrarische Front, de Kultuurkamer, het Medische Front en het Rechtsfront. Andere lidmaatschappen, zoals aan de Waffen-SS en het Vrijwilligerslegioen, werden tactvol niet gebruikt: iedereen begreep dat deze organisaties sowieso helemaal uit den boze waren.

    Deze brief werd op zondag 3 augustus 1941 in alle kerken voorgelezen. Seyss-Inquart had in de nacht van zaterdag 2 augustus op zondag 3 augustus 1941 nog wel het bevel afgegeven de voorlezing van de brief te staken, maar mgr. de Jong weigerde het bevel telefonisch aan de pastoors door te geven. Dat bleef niet zonder consequenties. Als vergelding arresteerden de Duitsers in de eerste week van augustus een aantal priesters en leken, die voor de verspreiding van de brief hadden gezorgd. De aartsbisschop zelf werd aanzienlijk milder aangepakt met een boete van 500 gulden.

    Deze sancties schokten de initiatiefnemers wel, maar tegelijkertijd kan men met recht concluderen dat het protest succesvol was geweest. Binnen een paar weken liep de RKWV leeg: van de circa 180.000 leden die men in juli 1941 nog had, bleven er eind augustus nog slechts een schamele 7.000 man over. Ook andere katholieke organisaties die na 3 augustus 1941 onder de NSB werden gesteld ondergingen hetzelfde lot. Ook de Katholieke Nederlandsche Boeren- en Tuindersbond (KNBTB) en het Katholieke Onderwijzers Verbond (KOV) stroomden leeg. Alle personen die door deze principiële houding in financiële nood kwamen, konden rekenen op hulp via het “Fonds voor Bijzondere Nooden”, dat op initiatief van mgr. de Jong in het leven werd geroepen.

    Vanuit het episcopaat zou de beleidslijn dus in de daarop volgende jaren consequent worden volgehouden. Zo was al in begin 1941 contact gelegd met de andere christelijke kerken om een gezamenlijk protest te laten horen tegen de Jodenvervolging. In eerste instantie kon dat vanwege allerlei interne procedurele problemen niet doorgaan. Op 11 juli 1942 echter werd een telegram verstuurd naar Seyss-Inquart, waarin de tien Nederlandse kerkgenootschappen verklaarden diep geschokt te zijn door de nieuwe maatregelen waardoor Joodse gezinnen uit Nederland naar het Duitse rijksgebied werden vervoerd. De rijkscommissaris werd gevraagd geen uitvoering te geven aan deze maatregelen, die “….tegen het diepste zedelijke besef van het Nederlandsche volk streden en indruisten 'tegen hetgeen van Godswege als eisch van gerechtigheid en barmhartigheid wordt gesteld”.

    Dit telegram had tot gevolg dat op 14 juli 1942 namens de rijkscommissaris werd toegezegd dat christen-joden die vóór 1 januari 1941 tot een der christelijke kerken behoorden, niet zouden worden weggevoerd. In een interkerkelijk overleg werd besloten dat op zondag 26 juli 1942 (nota bene de sterfdag van Brandsma in Dachau) de tekst van het protest-telegram aan de Duitse overheid plus de daarop ontvangen positieve reactie voor te lezen, plus een speciaal gebed te laten uitspreken. Seyss-Inquart reageerde furieus op dit voornemen en eiste dat in elk geval de tekst van het telegram vanwege de harde en verwijtende bewoordingen niet werd voorgelezen. De Hervormde Kerk zwichtte voor zijn bevel. De andere negen christelijke kerken lazen de tekst wel integraal voor, inclusief de toezegging aan de christen-Joden.

    Als tegenmaatregel werden op zondagmorgen 2 augustus 1942 over het hele land 245 katholieke Joden gearresteerd en naar het concentratiekamp Amersfoort gebracht. Hiervan werden er 44 spoedig vrijgelaten, de rest kwam in Westerbork terecht. In dezelfde maand werden hiervan 92 personen naar Auschwitz gevoerd.

    Hoezeer de beleidslijn ook allerlei priesters en leken trof, het episcopaat onder leiding van mgr. De Jong liet deze beleidslijn niet varen. Titus Brandsma werd uiteindelijk één van de slachtoffers van de Duitse repercussies als gevolg van het beleid dat mede door hemzelf was opgezet.

    Binnen het onderwijs en de journalistiek werden vanaf februari 1941 allerlei maatregelen opgelegd om verzet tegen de nieuw ideologie te breken, Joden te weren en NSB’ers en sympatisanten op sleutelposities in besturen te zetten. En steeds was Brandsma een van de leidende figuren in het verzet. Hij deed dat onmiddellijk aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, waar één hoogleraar zich als nazi ontpopte. In een senaatszitting veegde Brandsma deze ongenadig de mantel uit en kreeg die te horen dat hij als verrader en aanhanger van een verderfelijke leer niet langer thuishoorde binnen de wetenschappelijke wereld.

    Het was duidelijk dat een dergelijk verzet niet zonder gevolgen kon blijven. Zo verzette Brandsma zich als voorzitter van de katholieke Schoolraad en van de Bond van Besturen voor het Rooms-Katholieke Voorbereidend Hooger en Middelbaar Onderwijs tegen het besluit van 21 februari 1941 vanuit het ministerie dat kloosterlingen veertig procent van hun salaris moesten inleveren en niet langer leidinggevende functies binnen het onderwijs mochten bekleden. Titus zorgde voor een eenheidsfront onder de schoolbesturen en werd daarom al snel door iedereen gezien als “de ziel van het onderwijsverzet”.

    Dat verzet kreeg in augustus 1941 een sterkere lading toen het ministerie bepaalde dat Joodse kinderen de toegang tot de scholen ontzegd moest worden. Opnieuw was Titus de woordvoerder namens alle katholieke schoolbesturen als hij in Den Haag de boodschap afgaf “dat de kerk geen enkel onderscheid van geslacht, ras of volk zal maken”. Op de Karmelscholen bleven de Joodse leerlingen dan ook welkom, totdat ook dat als gevolg van andere maatregelen niet langer houdbaar bleek.

    Vanwege de vooraanstaande positie die Brandsma in het verzet innam, lag het voor de hand dat de Duitsers hem nauwlettend in de gaten hielden en was het voor hen in feite wachten op het geschikte moment om deze lastpak op te pakken. Vooralsnog probeerde de bezetter echter het verzet op andere manieren te breken.

    Op 18 december 1941 deelde het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten aan alle dagbladbureaus per telex mee dat het de Nederlandse pers niet langer was toegestaan op principiële gronden de advertenties te weigeren die de NSB ter publicatie aanbood. Op 30 december 1941 had Brandsma over dat bevel een gesprek met mgr. dr. Jan de Jong, de aartsbisschop van Utrecht. Daarin besloten ze dat Brandsma alle directeuren en hoofdredacteuren van de katholieke dagbladen zou aanschrijven met het dringende verzoek de aangeboden advertenties niet te plaatsen. Als alternatief bij niet voldoen aan het herderlijk schrijven werd aangedragen dat het bisdom alle katholieken zou vragen hun abonnement op het dagblad op te zeggen. Brandsma sloot de brief af met de opmerking “God spreekt het laatste woord en loont zijn trouwe knecht”, een tekst die nu gebeiteld staat op de altaartrede van de Titus Brandsma Gedachteniskapel in Nijmegen. Ook werd besloten dat Brandsma alle directeuren en hoofdredacteuren persoonlijk zou bezoeken om de brief persoonlijk te overhandigen, het verzoek nader toe te lichten en een schriftelijke verklaring van ondersteuning van het herderlijk schrijven mee in ontvangst te nemen.

    Brandsma werd door iedereen gezien als de architect van beide besluiten. Zowel mgr. de Jong als de geconsulteerde mgr. Huibers van Haarlem onderkenden het levensgevaarlijke karakter van de onderneming, maar Brandsma verklaarde hierop: “Ik ben wel wat ongerust, maar niet bang en me schuilhouden, daar voel ik niets voor”.

    Brandsma ging dus op pad voor de gevaarlijke missie. Bovendien zou het resultaat van het protest wel eens kunnen tegenvallen. Veel directeuren en hoofdredacteuren schatten goed in wat de consequenties zouden zijn bij een mogelijke boycot van het bevel van de SD. Ze hadden behalve de persoonlijke veiligheid ook nog te maken met de gevaren voor gezinsleden, met de gevaren en belangen van personeelsleden en met het voortbestaan van de bladen.

    Op Nieuwjaarsdag 1942 begon Brandsma aan zijn reis, die negen dagen duurde. Al tijdens zijn rondreis werd hij verraden. Janke, de persoon binnen de SD die de opdracht had toe te zien op de uitvoering van de “Gleichschaltung” berichtte begin januari 1942 aan General-Kommissar Fritz Schmidt: “Pater Titus Brandsma (Nijmegen) dient wegens systematische voorbereiding van een tegen de Duitse bezettingsoverheid gerichte verzetsbeweging (oppositionelle Bewegung) onmiddellijk gearresteerd en naar een concentratiekamp gestuurd te worden.”

    Definitielijst

    fascisme
    De oorspronkelijke naam van de antidemocratische politieke beweging in Italië onder leiding van de dictator Benito Mussolini. Mussolini was leider van Italië van 1922 tot 1943. Tegenwoordig is fascisme een veelgebruikte term voor antidemocratische politieke stromingen. Ook het Duitse nationaalsocialisme wordt in de geschiedenis wel eens fascisme genoemd.
    Gleichschaltung
    Letterlijk: gelijkschakeling. Streven van de nazi-partij om alle maatschappelijke en culturele organisaties te modelleren naar de nationaal-socialistische geest.
    ideologie
    Het geheel van beginselen en ideeën van een bepaald stelsel.
    Jodenvervolging
    Een door de nazi’s opgelegde actie om Joden het leven moeilijk te maken, actief te vervolgen en zelfs uit te roeien.
    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.
    nazisme
    Afkorting van nationaal-socialisme.
    NSB
    Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
    rijkscommissaris
    Titel van onder andere Arthur Seyss-Inquart, de hoogste vertegenwoordiger van het Duitse gezag tijdens de bezetting in Nederland.

    Afbeeldingen

    Titus Brandsma in 1932 als rector magnificus. Bron: Titus Brandsma Instituut.
    Titus Brandsma rond 1940. Bron: Titus Brandsma Museum.
    Aartsbisschop mgr. Jan de Jong. Bron: www.inghist.nl.
    Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart. Bron: ANP Fotoarchief.

    1942: Arrestatie en dood

    Op 19 januari 1942 werd Brandsma in zijn klooster aan de Doddendaal te Nijmegen gearresteerd. Hij was net terug van zijn rondreis langs de kranten en overlegde op dat moment met zijn vriend Gerard Bodewes, tevens de directeur van dagblad De Gelderlander. Deze wilde weten welke voortgang hij met het verzet had gemaakt en hij vroeg ook Brandsma advies over de benoeming van een nieuwe hoofdredacteur bij zijn krant, waarbij hij vanuit Den Haag onder zware druk werd gezet een NSB’er te benoemen. Hemels kwam in zijn recent uitgebrachte boek met de verklaring dat de zoon van een Eindhovense hoofdredacteur aan de Duitsers heeft verraden op welke tijdstippen Brandsma op verschillende locaties zou zijn. De vader heeft de Nijmeegse prior gewaarschuwd, waarop Brandsma vervolgens een aantal dagen uit voorzorg niet is verschenen op zijn woonadres. Prior Verhallen had telefonisch na een paar dagen aan Titus laten weten "dat in Nijmegen de kust veilig was en dat hij best terug kon keren".

    Twee SD’ers voerden hem weg en brachten hem over naar de Koepelgevangenis in Arnhem. Van daaruit werd hij op 20 januari 1942 overgebracht naar het beruchte “Oranjehotel” in Den Haag en in cel 577 opgesloten. Hij verbleef er zeven weken en werd herhaaldelijk verhoord door SD-Hauptscharführer Hardegen. Deze deed dat aan de hand van een geheim stuk uit Berlijn, waarin Titus Brandsma werd genoemd als de jarenlange leidende man van perscampagnes tegen het nationaal-socialisme. Op de derde dag in Scheveningen moest Brandsma een schriftelijke verklaring opstellen waarin hij diende aan te geven waarom het Nederlandse volk en met name het katholieke deel daarvan zich verzette tegen de NSB.

    Brandsma’s antwoord behelsde drie pijlers. De eerste was dat de NSB een anti-nationaal karakter had dat op geen enkele manier aansloot bij de historische ontwikkeling van Nederland. Er was dan ook in de gehele samenleving geen enkele aansluiting tussen de NSB en bestaande sociaal-culturele organisaties, noch met de normen en waarden in de Nederlandse samenleving. Het was in heel haar wezen dus een vreemde eend in de bijt. Als tweede argument voerde hij aan dat iedereen inzag dat de leiders van de NSB in verregaande mate onbekwaam en ongeschikt waren om leiding te geven. Op de derde plaats wees hij op een psychologische factor ten aanzien van de afwijzing van de NSB. Omdat zij onbekwaam waren zelf het programma uit te voeren, had de NSB de hulp ingeroepen van de Duitsers, een grotere macht. Deze stap werd ervaren als krenkend voor het besef van nationale eigenwaarde.

    Brandsma deed nog meer dan enkel het verweerschrift schrijven. Hij had in Scheveningen een eenzame cel ter beschikking, iets wat bijna ieder ander als afschrikwekkend zou ervaren. Brandsma had echter vanaf zijn zeventiende jaar (1898) in een karmelietenklooster geleefd waar het verblijf in een kale cel gebruikelijk was. Hij ervoer de cel in het Oranjehotel dan ook niet bepaald als een al te grote inperking van zijn vrijheid, want hij kon er immers neerschrijven wat zijn standpunten en visies waren. De plaats en ruimte waar dat geschiedde, was van ondergeschikt belang.

    Hij had er ook nog gelegenheid brieven te schrijven, waarin hij nauwgezet, haast als een buitenstaander, zijn cel beschreef. Dölle vergeleek zijn observaties met de manier waarop ongeveer tegelijkertijd Etty Hillesum in haar dagboeken (verschenen in 1986 als “De nagelaten geschriften van Etty Hillesum, 1941-1943”) haar isolatie beschreef, de wijze waarop de Russische schrijver Alexander Solsjenitsyn (zie “De Goelag Archipel” uit 1974) zijn verblijf in de Siberische kampen weergaf en de beschrijving die weer later de Egyptische president Anwar Sadat in “Op zoek naar een eigen identiteit” (1978) van zijn jarenlange eenzame opsluiting gaf. Vanuit katholieke, joodse, islamitische en atheïstische hoek wordt hetzelfde proces beschreven, namelijk de ervaring dat de cel ook gezien kan worden als symbool voor bescherming, als ruimte waarin je je helemaal kunt terugtrekken, als plaats voor langdurige en intensieve bezinning en die daardoor de gelegenheid geeft als sterker en gelouterd persoon naar voren te komen. Ook schreef Brandsma er een gedicht, "O Jezus als ik U aanschouw..". De geest bleef vrij, maar de gezondheid van Brandsma ging wel snel achteruit.

    Uit de verhoren concludeerde Hardegen al snel dat duidelijk bleek dat aartsbisschop de Jong en Brandsma de drijvende krachten waren achter de sabotageplannen tegen het Duitse streven de Nederlandse bevolking via de pers in nationaalsocialistische richting te krijgen. In een latere verklaring gaf Hardegen aan welke andere overweging een belangrijke rol speelde: “De deutschfeindliche houding van pater Brandsma is van oude datum. Hij heeft tegen de Jodenpolitiek geschreven, zeer krasse uitdrukkingen gebruikt; hij heeft een militant anti-nationaal-socialistisch standpunt; ja, hij is principieel anti-nationaal-socialist en laat dat overal blijken, onder professoren, als voorzitter van de scholen, etc”. Voor Hardegen was de conclusie dan ook volstrekt logisch en duidelijk, namelijk dat “…het gewettigd lijkt professor Brandsma gedurende lange tijd in verzekerde bewaring te stellen”.

    De gevangene werd op 12 maart 1942 vervoerd naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, waar hij tot 28 april 1942 verbleef. Hoewel zelf behoorlijk verzwakt, zag Brandsma er de gelegenheid andere zieke gevangenen te bezoeken en waar nodig te troosten. Hij hield er ook nog een aantal lezingen. In latere getuigenissen van gevangenen die Titus in zijn verschillende gevangenissen tegenkwamen, komt steeds hetzelfde beeld terug: iemand die de kunst verstond ten allen tijde rustig en zachtmoedig te blijven, die het vermogen had zijn rust over te brengen op anderen, die ook vanwege zijn onaantastbaarheid van denken en handelen een stimulans was voor anderen om vol te houden en iemand die door iedereen gezien werd als tegelijkertijd zachtaardig als de natuurlijke leider. John Dons maakte gedurende zijn korte verblijf in Amersfoort nevenstaande tekening van Brandsma. Op 27 april 1942 kreeg Brandsma via via te horen dat hij voor verder verhoor opnieuw naar Den Haag zou worden gebracht en dat hij daarop waarschijnlijk op transport naar Duitsland zou worden gezet.

    Titus wist dat dit het einde betekende. Zijn hele leven sukkelde hij al met een zwakke gezondheid. Zijn strenge ascese en overvolle agenda hadden er altijd voor gezorgd dat hij met zijn gezondheid steeds bleef kwakkelen. De situatie in de gevangenissen in Scheveningen en Amersfoort had zijn wankele gezondheid totaal ondermijnd. De laatste dagen in Amersfoort zorgden bevriende gevangenen er al voor dat hij via een doktersattest een licht baantje als kamerwacht kon krijgen om verdere achteruitgang te voorkomen.

    Lang had Brandsma gedacht dat de gevangenistijd een tijdelijke onderbreking zou zijn, dat hij weldra terug zou kunnen keren naar zijn vertrouwde cel aan de Doddendaal in Nijmegen en dat hij wellicht snel in een wat aangepaste vorm zou kunnen doorgaan met zijn werk voor het episcopaat, aan de universiteit, in de journalistiek en in alle andere baantjes die hij op zich genomen had. Voor het eerst drong het goed tot hem door dat er geen weg terug meer was.

    Op dinsdag 28 april 1942 werd hij teruggebracht naar de gevangenis in Scheveningen. Ditmaal kwam hij terecht in cel 623, waar hij tot 16 mei 1942 bleef. Zijn dag begon er met een lang verhoor met een oude bekende, SD-Hauptscharführer Hardegen. Een herhaling van zetten, die niks nieuws opleverde maar de gezondheid en het moreel van de gevangene wel verder ondermijnde. Op 6 mei 1942 sloot Hardegen de verhoren af. Zijn onverbiddelijke uitspraak luidde: “Deportation nach Dachau-Deutschland für die ganze Kriegsdauer”.

    In de vroege morgen van zaterdag 16 mei 1942 werd Titus Brandsma samen met een aantal andere gevangenen vanuit de Polizeigefängnis Scheveningen op transport gezet naar de gevangenis van Kleef, waar hij dezelfde avond aankwam. Deze gevangenis aan de rand van de stad Kleef, vlak bij de Duits-Nederlandse grens en Nijmegen, was een gewone gevangenis die nog niet helemaal was doordrongen van het nazi-formalisme. Een directeur die nog de gebruikelijke fatsoensnormen in acht nam, ook bewakers die niet politiek georiënteerd waren en gewoon hun werk deden en de gevangenen wat bewegingsvrijheid gunden. Dat alles zou een verademing moeten zijn na een verblijf van enkele weken of maanden in Scheveningen.

    Maar juist daar waar het gevangenisklimaat aanzienlijk verbeterde, ging het met Brandsma zienderogen slechter. Zijn gezondheid liet hem meer en meer in de steek, maar bovenal leek zijn verzet beetje bij beetje te breken. “Al wankelt alles, het kruis blijft onze hoop”, plakte hij met wit papier nog wel op de muur, maar voor iedereen was duidelijk dat hij zijn kenmerkende innerlijke rust kwijt was. De angst en het vooruitzicht van een snelle en misschien wel pijnlijke dood kreeg hem in zijn greep. “De beschermende kracht van een innerlijk geordend leven werkt niet langer meer”, verklaarde een medegevangene.

    Hij probeerde zijn hulpeloosheid voor zijn omgeving verborgen te houden, praatte af en toe met de gevangenispastor Ludwig Deimel en verborg de laatste aantekeningen die hij maakte, niet meer dan wat korte angstkreten op losse snippers papier, in de rand van zijn hoed. Toen de nazi’s na zijn dood zijn koffer terugstuurden naar het klooster in Nijmegen, zat die hoed daarbij en kwamen zijn laatste geschreven woorden uit Kleef tevoorschijn. Ze lieten zien welke pogingen Brandsma nog had ondernomen om deportatie naar Dachau te voorkomen, bijvoorbeeld door in plaats daarvan onder strenge voorwaarden opgesloten te worden in het Duitse Karmelietenklooster van Mainz, Wenen, Bamberg of Straubing. Ook gevangenispastor Deimel en de prior van de Karmel in Nijmegen deden pogingen, maar alle inspanningen hem te behoeden voor het kamp Dachau bleven vruchteloos.

    Op 13 juni 1942 werd hij samen met ds. Johan Kapteyn op de trein naar Zuid-Duitsland gezet. De beide gevangenen kregen handboeien om en werden opgesloten in de zgn. “Zellenwagen”, die achteraan de trein was gekoppeld. Kort daarop werden in de kleine ruimte van één vierkante meter nog twee Belgische geestelijken toegevoegd en iets later volgde nog een vijfde, een Duitse geestelijke. In Nürnberg was er een oponthoud van drie dagen in de Turnhalle, van waaruit Brandsma en zijn lotgenoten met andere gevangenen in een vrachtauto werden gepropt.

    Op 19 juni 1942 werden ze afgeleverd in het concentratiekamp dat een paar kilometer buiten het stadje Dachau verscholen in de bossen lag. Brandsma kwam terecht in barak 28, kreeg een rode driehoek en het nummer 30492 op zijn grauwe kiel en werd zo goed als kaal geschoren.

    Het leed is het kamp was onbeschrijflijk. Loodzware dwangarbeid, allerlei vernederingen door de brute SS-bewaking, een altijd aanwezige en verlammende doodsangst bij alle gevangenen, vooral een constante honger die van iedereen brute egoïsten maakte en de voortdurende aanwezigheid van de dood met zijn deprimerende werking.

    Brandsma werd tewerkgesteld in de “Liebhof”, een boerderij in de omgeving van het kamp. Vanwege de velen die daar onder het werk bezweken werd het door de gevangenen ook wel “Friedhof” genoemd. De dagelijkse drie kilometer heen en terug en het harde werk op het land verzwakten Brandsma zienderogen. De tweede week van juli 1942 stortregende het zeven dagen aan een stuk. De gevangenen moesten echter eerst gewoon doorwerken, pas op de zesde dag werd het werken op het land gestaakt om de kruiden die er werden geteeld niet nog verder te vernielen. De gevangenen dienden echter wel onbeschermd de dagelijkse kilometers heen en weer af te leggen en de hele dag in de stromende regen te blijven staan. Op die kruidenakkers van de “Liebhof” stroomden zijn laatste krachten weg. Het spaarzame en weinig voedzame eten en een paar afranselingen die hij kreeg, deden de rest.

    Op 18 juli 1942 werd Titus opgenomen in de ziekenbarak van het kamp. Na een week raakte hij er in coma en besloten de artsen hem het “genadespuitje” te geven. Alles volgens plan, want hij stond van begin af op hun dodenlijstje. Op zondag 26 juli 1942 om tien voor twee uur ’s middags kreeg hij van een verpleegster de dodelijke injectie, die tien minuten later een eind aan zijn leven maakte. De verpleegster zei in een verklaring van mei 1956: “De arts en ik zijn toen weggegaan. Daarna is zoals gebruikelijk het lijk uitgekleed en in een kuil gegooid. Er werd ongebluste kalk overheen gegooid. Soms werd er benzine overheen gegoten en stak men de vlam erin. Wat ze met het lijk van Titus hebben gedaan, weet ik niet”.

    In augustus 1942 kreeg zijn familie in Friesland het leugenachtige officiële bericht uit Dachau, dat pater prof. dr. Titus Brandsma in het concentratiekamp Dachau was overleden “an den Folgen vom Darmkatarrh” en op 29 juli 1942 “im staatlichen Krematorium in Dachau eingeäschert” was.

    Definitielijst

    Goelag
    Officieel de naam van de overheidsinstantie verantwoordelijk voor het beheer van de werkkampen van de Sovjet-Unie, maar vaker gebruikt als benaming voor deze kampen. De kampen bevonden zich in het Russische noordpoolgebied en waren een belangrijk onderdeel van het systeem van Sovjetrepressie. Gevangenen waren vaak vermeende tegenstanders van het regime. Van 1929 tot Stalins dood in 1953 werden 18 miljoen Sovjetburgers afgevoerd naar de Goelag, geschat wordt dat 4 ½ miljoen gevangenen hier stierven.
    nationaal-socialisme
    Een door Hitler opgestelde politieke ideologie, die gebaseerd was op de superioriteit van het Germaanse ras, het leidersprincipe en een fel nationalisme dat gevoed werd door de harde Vrede van Versailles. Het Nationaal-socialisme was anti-democratisch en racistisch. De leer werd uitgewerkt in Mein Kampf en georganiseerd in de NSDAP. Het Nationaal-socialisme vormde van 1933-1945 het fundament van het totalitaire Hitler-Duitsland.
    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.
    NSB
    Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
    socialisme
    Politieke ideologie die streeft naar geen of geringe klassenverschillen. Produktiemiddelen zijn in handen van de staat. Ontstaan als reactie op het kapitalisme. Karl Marx probeerde het socialisme wetenschappelijk te onderbouwen.

    Afbeeldingen

    Biografie van Theresia van Avila, door Titus Brandsma tussen de regels van een bestaand boek van Cyriel Verschaeve geschreven. Bron: www.carmelnet.org.
    Interieur van een cel in het "Oranjehotel". Bron: Stichting Oranjehotel.
    Tekening van Titus Brandsma in Amersfoort. Bron: www.carmelnet.org.
    Toegangshek van concentratiekamp Dachau. Bron: Bert Jans / Oorlogsmusea.nl.
    Bidprentje van Titus Brandsma, 1881-1942. Bron: René ten Dam.

    Een heilige van onze tijd

    Het bericht van zijn dood verspreidde zich snel over het land, in het bijzonder uiteraard onder het katholieke deel van Nederland. Velen plaatsten een foto van hem op hun dressoir, vaak naast die van de andere grote katholieke verzetsheld, de aartsbisschop van Utrecht mgr. Jan de Jong. De verzetsmensen die na de oorlog terugkeerden, verhaalden steeds van dezelfde “heilige pater Titus” die hen in woord en daad zo gesteund had en die de uiterste consequentie had gedragen van zijn openlijk verzet tegen het Duitse regime. Er ontstond al snel een breed gedragen stroming van aanhangers van Titus, die er naar streefden zijn leven en werk in gedachten te houden. De devotie rond de dood van Titus bereikte een (voorlopig) hoogtepunt toen hij in 1985 door Paus Johannes Paulus II zalig werd verklaard. Er loopt inmiddels een proces tot heiligverklaring.

    Al snel na de oorlog werd aan de Doddendaal, precies op de plek waar Brandsma in januari 1942 gearresteerd werd, de Titus Brandsma-Gedachteniskapel gebouwd, geheel gewijd aan de “kleine, moedige, ‘gevaarlijke’ en karaktervolle Karmeliet”. Die kapel staat er nog steeds, maar heeft inmiddels een andere bestemming gekregen. De Titus Brandsma-Gedachteniskapel, bedoeld als nationaal monument voor de nagedachtenis van Titus Brandsma, verhuisde in 1995 naar het Keizer Karelplein waar een geschikte bestemming werd gezocht voor de voormalige Jozefkerk. In de kerk zijn door de kunstenaars Arie Trum en Coen Tuerlings grote wandpanelen geïnstalleerd waarin het leven en de geestelijke ontwikkeling van Brandsma wordt verbeeld. Verder kent de kerk vitrines waar correspondentie, voorwerpen en documenten uit zijn leven zijn uitgestald en is er een Tituskapel ingericht. De kerk kent daarnaast nog enkele andere mooie kapellen en vele mooie glas-in-loodramen. De architectuur, inrichting en iconografische vormgeving maken de kerk daardoor tot een indrukwekkende geestelijke ruimte en oase van rust midden in de stad. De kerk is in de loop van 2004 geheel ontheven van haar parochiële functie en werd een open kloosterkerk van de Karmelieten.

    De Karmelieten verhuisden namelijk mee van Doddendaal naar de Stijn Buijsstraat. Daar zetelt ook de stichting Titus Brandsma-Memorial, die behalve de Gedachteniskerk ook het beheer heeft over het Titus Brandsma-Instituut en het Titushof. Het Instituut is in 1968 ter nagedachtenis aan Brandsma opgericht als samenwerking tussen de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen (momenteel Radboud Universiteit) en Nederlandse Karmelietenprovincie. Het TBI is het spirituele centrum van de Nederlandse Provincie van de Orde der Karmelieten, waar men een groot aantal cursussen en workshops verzorgt en het onderwijs wordt gedaan van de School voor Spiritualiteit met opleidingen Geestelijke Begeleiding, Pastoraat en Spiritualiteit en Religieus Leven en Spiritualiteit. De Titushof is het voorplein van de kerk, waar een plaquette is aangebracht van de beeldhouwer Jos Mertens ter herinnering aan het feit dat Titus Brandsma eind 2005 door de bevolking werd uitgekozen als Grootste Nijmegenaar alle Tijden.

    Ook in andere plaatsen in Nederland wordt Brandsma herdacht. Als belangrijkste geldt dan het aan hem gewijde museum te Bolsward, dat in eerste instantie gewijd is aan het leven, de persoon en de betekenis van Brandsma. Er is echter ook veel aandacht voor al hetgeen Brandsma heeft betekend voor het Friese religieuze en culturele erfgoed. De stichting Archief en Documentatiecentrum voor RK Friesland doet dat ook. Zij beheert het familiearchief van de familie Brandsma, dat in 1992 door de kleinkinderen van Gatske de Boer-Brandsma werd afgestaan. Het familie-archief bevat honderden brieven, foto’s, ansichtkaarten, documenten, knipsels, etc. Dit archief wordt aangevuld met stukken over of van Titus Brandsma die door anderen zijn aangedragen. Een deel van dit archief wordt overigens permanent uitgestald in het Titus Brandsma Museum.

    De door hem in 1923 opgerichte katholieke HBS te Oss heette aanvankelijk het Carmelcollege en ging na een uitbreiding in september 1948 verder onder de naam Titus Brandsma Lyceum. Vanaf augustus 2000 maakte dat lyceum onderdeel uit van Het Hooghuis, een nieuwe en grote scholengemeenschap in Oss. De persoon Titus Brandsma wordt voor de school van een zo grote waarde geacht dat bij de fusie de afkorting TBL (voor Titus Brandsma Lyceum) als locatienaam werd gehandhaafd. Ze heet dus “Het Hooghuis locatie TBL”.

    In het buitenland wordt hij herdacht door een portret aan de kerkmuur van de Karmelieten in Gdansk (Polen), in Frankrijk door middel van de Allée Titus Brandsma te Nantes en het Centre Catholique Titus Brandsma te Lyon (met een jaarlijkse prijs aan de journalist, publicatie of instelling die “…geleden heeft van bedreigingen of vervolgingen vanwege zijn/haar engagement in de pers ten gunste van een belangrijk humaan of christelijk onderwerp. Verder heeft de IKUE (de Internationale Vereniging van Katholieke Esperantisten) van Titus Brandsma een van zijn patronen gemaakt. Daarnaast, met een verder wat onbegrijpelijke logica, hebben de openbaar-vervoerbedrijven Veolia en Arriva een van hun Velios/Spurttreinen naar hem genoemd. Wie weet is het een verwijzing naar een opmerking van Godfried Bomans, die Brandsma ooit betitelde als “de mysticus met het treinabonnement”. Met die spurttreinen zitten we dan inmiddels in het dagelijkse jachtige leven, dat weinig te maken heeft met de contemplatie die Brandsma zocht.

    Afbeeldingen

    De Titus Brandsma Gedachteniskerk (tot 1 maart 2004 Sint-Jozefkerk) in Nijmegen. Bron: Frans van den Muijsenberg.
    De Tituskapel in de Gedachteniskerk. Bron: Frans van den Muijsenberg.
    Wandpaneel in de Gedachteniskerk met daarop het leven van Titus afgebeeld. Bron: Frans van den Muijsenberg.
    "Mijn cel, dagorde van een gevangene", geschreven door Titus Brandsma. Bron: Frans van den Muijsenberg.
    Plaquette bij het Titus Brandsma Memorial aan het Keizer Karelplein in Nijmegen. Bron: Frans van den Muijsenberg.