Middagzitting 1 11-02-1946

GEN. ZORYA: Meneer de President, in navolging van de verklaring, afgelegd door de Sovjet delegatie, wil ik toestemming vragen de veldmaarschalk van het voormalige Duitse leger, Friedrich Paulus voor een rechtstreeks verhoor voor het Tribunaal te dagen; hij zal worden verhoord door de Hoofdaanklager namens de U.S.S.R., Generaal Rudenko.
De PRESIDENT: Prima, de getuige mag binnenkomen.
(De getuige, Paulus, gaat naar de getuigenbank.)
De PRESIDENT: Wilt u mij uw naam zeggen?
FRIEDRICH PAULUS: (Getuige) Friedrich Paulus.
De PRESIDENT: Wilt u mij deze eed nazeggen: Ik zweer bij God, de Almachtige en Alwetende dat ik de zuivere waarheid zal spreken, niets zal achterhouden en niets zal toevoegen.
(de getuige herhaalt de eed.)
De PRESIDENT: Wilt u gaan zitten?
GEN. RUDENKO: Uw naam is Friedrich Paulus?
PAULUS: Ja.
GEN. RUDENKO: U bent geboren in 1898?
PAULUS: 1890.
GEN. RUDENKO: U bent geboren in het dorp Breitenau, Kreis Kassel in Duitsland?
PAULUS: Ja.
GEN. RUDENKO: U hebt de Duitse nationaliteit?
PAULUS: Ja.
GEN. RUDENKO: U bent veldmaarschalk van het voormalige Duitse leger?
PAULUS: Ja.
GEN. RUDENKO: Uw laatste officiële functie was Opperbevelhebber van het 6de Leger in Stalingrad?
PAULUS: Ja.
GEN. RUDENKO: Wilt u ons alstublieft vertellen, getuige; hebt u op 8 januari 1946 een verklaring afgelegd voor de regering van de Unie van Socialistische Sovjet Republieken?
PAULUS: Ja, dat heb ik gedaan.
GEN. RUDENKO: U bevestigt deze verklaring?
PAULUS: Ik bevestig die verklaring.
GEN. RUDENKO: Vertelt u ons alstublieft, getuige; wat weet u van de voorbereidingen door de Hitlerregering en het Duitse Opperbevel op de gewapende aanval op de Sovjet Unie?
PAULUS: Op basis van persoonlijke ervaringen kan ik het volgende zeggen:
Op 3 september 1940 kwam ik in functie bij het Opperbevel van het leger als Oberquartiermeister I (O.Qu I) van de Generale Staf. Als zodanig was ik de plaatsvervanger van de Chef van de Generale Staf en moest bovendien de instructies van algemene operationele aard uitvoeren die hij aan mij delegeerde.
Toen ik in functie trad trof ik op mijn werkterrein ondere andere een nog onvoltooid operatieplan aan voor een aanval op de Sovjet Unie. Dit operatieplan was uitgewerkt door de toenmalige Generaal-majoor Marx, Chef van de Generale Staf van de 18.Armee, die tot dat doel tijdelijk was gedetacheerd bij het Opperbevel van het leger.
De Chef van de Generale Staf van het leger, Generaloberst Halder droeg de voortzetting van het werk, waartoe door het Opperbevel der Strijdkrachten was bevolen, aan mij over op basis van het volgende:
Er moest onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheden van een aanval op de Sovjet Unie, met betrekking tot het terrein, de aanvalspunten, de benodigde mankracht enzovoorts. Bovendien werd er gemeld dat er in totaal zo’n 130 tot 140 Duitse divisies voor deze operatie beschikbaar zouden zijn. Er moest verder rekening mee worden gehouden dat vanaf het begin Roemeens grondgebied zou moeten worden gebruikt voor de opstelling van de Duitse Heeresgruppe Süd. Aan de noordelijke flank moest rekening worden gehouden met Finse deelname aan de oorlog maar die werd in dit operatieplan van het leger genegeerd. Daarna werden, als aanvulling op het uit te werken plan de doelstellingen - de instructies van het OKW – gegeven: Ten eerste de vernietiging van die delen van het Russische leger die in het westen van Rusland lagen om te voorkomen dat de eenheden die gevechtsklaar waren diep Rusland in zouden ontsnappen; ten tweede, het bereiken van een linie van waaruit de Russische luchtmacht niet in staat zou zijn Duits gebied met succes aan te vallen en het uiteindelijke doel was het bereiken van de lijn Wolga-Archangel.
Het operatieplan dat ik zojuist heb geschetst werd begin november voltooid en gevolgd door twee kaartoefeningen waarover de Generale Staf van het leger mij het bevel toevertrouwde. Hoofdofficieren van de Generale Staf van het leger werden daar ook aan toegevoegd. De basisvoorwaarden voor de sterkte die bij deze oefeningen werden aangenomen waren: De inzet van een legergroep ten zuiden van het Pripjet gebied, in het bijzonder vanuit Polen en vanuit Roemeens grondgebied, met het doel de lijn Dniepr - Kiev te bereiken en het zuiden daarvan; ten noorden van het Pripjet gebied nog een legergroep, de sterkste vanuit het gebied rond Warschau en noordelijk, de generale richting van de aanval naar de lijn Minsk – Smolensk met de bedoeling die later naar Moskou te dirigeren; dan nog een legergroep, namelijk Heeresgruppe Nord vanuit het gebied van oost-Pruissen, de aanvankelijke richting van de aanval liep door de Baltische staten naar Leningrad.
De conclusie die destijds uit deze oefeningen werd getrokken was dat er in het geval van feitelijke vijandelijkheden voorzieningen moesten worden getroffen voor ten eerste het bereiken van de lijn Dniepr – Smolensk – Leningrad en daarna moest de operatie worden voortgezet al naar gelang de situatie zich gunstig ontwikkelde, bevoorradingslijnen enzo dienovereenkomstig aangepast. In verband met deze oefeningen en voor de evaluatie van de daaruit opgedane theoretische ervaringen volgde er nog een conferentie van de Chef van de Generale Staf van het leger en de chefs van de generale staven van de legergroepen die voor het Oosten waren bedoeld. En verder, in verband met deze conferentie was er een lezing over Rusland door de toenmalige chef van de buitenlandse legers in het Oosten, Oberst Kinsel over de geografische en economische situatie van Rusland, het Rode Leger enzovoorts. Het meest belangrijke punt hier was dat er geen enkele voorbereiding op een aanval door de Sovjet Unie onder onze aandacht was gekomen.
Met deze oefeningen en conferenties die ik net heb beschreven waren de theoretische overwegingen en plannen voor dit offensief voltooid. Direct daarna, anders gezegd op 18 december 1940 werd door het Opperbevel van de Strijdkrachten Weisung Nummer 21 uitgegeven. Dat was de basis voor alle militaire en economische voorbereidingen die moesten worden getroffen. Binnen het opperbevel van het leger had deze richtlijn tot gevolg dat men verder ging met het opstellen en uitwerken van de instructies voor de opstelling van de troepen voor deze operatie. Deze eerste instructies voor de opstelling van de troepen werden op 3 februari 1941 door Hitler goedgekeurd na een verslag van de opperbevelhebber van het leger op de Obersalzberg; daarna werden die doorgegeven aan de troepen. Later werden er diverse aanvullingen uitgegeven. Voor het begin van de aanval had het opperbevel van de strijdkrachten de tijd berekend voor de grote troepenbewegingen die op Russisch grondgebied moesten worden gemaakt. Die werden vanaf midden mei verwacht. De voorbereidingen werden in overeenstemming hiermee getroffen. Toen, eind maart, onderging deze datum een wijziging toen Hitler besloot, op grond van de ontwikkelingen in Joegoslavië om dit land aan te vallen. Dus, in de orders die begin april werden uitgegeven werd de voorlopige datum voor de start van de operatie......
De PRESIDENT: Ik vrees dat u iets te snel gaat. Ik meen dat u beter kunt beginnen bij toen u zei dat Hitler eind maart een wijziging in het plan aanbracht.
PAULUS: (hij gaat verder) Vanwege de beslissing om Joegoslavië aan te vallen moest het tijdstip, bedoeld voor het begin van de aanval ongeveer vijf weken worden uitgesteld, anders gezegd tot de tweede helft van juni.
En inderdaad, de aanval vond dan in feite plaats op 22 juni 1941.
Ter afsluiting: ik bevestig het feit dat de voorbereiding op de aanval op de Sovjet Unie, die in feite plaats vond op 22 juni 1941, al begon in de herfst van 1940.
GEN. RUDENKO: Op welke manier en onder welke omstandigheden......
De PRESIDENT: Een ogenblik. Heeft getuige de datum genoemd? Hij zei dat de voorbereiding voor deze aanval waren getroffen en wat ik wil weten is: heeft hij de datum genoemd vanaf welke die werd voorbereid?
(tot de getuige): Heeft u de datum genoemd waarop de voorbereidingen begonnen?
PAULUS: Die heb ik aan het begin genoemd: vanaf het moment waarop ik mijn eerste persoonlijke ervaringen opdeed, toen ik op 3 september 1940 in functie trad.
GEN. RUDENKO: Op welke manier en onder welke omstandigheden werd deelname van de satellietstaten verzekerd?
PAULUS: Op grond van persoonlijke ervaringen kan ik hierop het volgende zeggen:
Ongeveer in september 1940, net in de periode waarin ik de operationele studie voor de aanval op Rusland had ontvangen, lag er van het begin af aan een plan om Roemeens grondgebied te gebruiken voor de opstelling van de Duitse rechterflank, of anders gezegd de zuidelijke vleugel en daarmee werd vanaf het begin rekening gehouden. Er werd een militaire missie onder leiding van de Luitenant-generaal van de Cavalerie Hansen naar Roemenië gestuurd; een volledige pantserdivisie, de 13de werd als trainingseenheid naar Roemenië overgeplaatst. Voor diegenen die van de toekomstige plannen wisten was het duidelijk dat deze stap alleen tot doel had de toekomstige partner voor te bereiden op de voor hem bedoelde taak.
Verder, wat betreft Hongarije: In december 1940 kwam Kolonel Laszlo, de chef van de groep operaties van de Hongaarse Generale Staf naar het hoofdkwartier van het OKH in Zossen. Hij vroeg om een bespreking met betrekking tot kwesties van organisatie. Het Hongaarse leger was destijds bezig met de reorganisatie van haar eenheden, die ingedeeld waren in brigades, in te delen in divisies en ook met het vormen van gemotoriseerde eenheden en pantsereenheden. De Chef van de afdeling organisatie van de Generale Staf van het leger, toen Generaal-majoor Buhle en ikzelf adviseerden Kolonel Laszlo. Op hetzelfde tijdstip waren er diverse Hongaarse miltaire commissies in Berlijn en met hen ook de Hongaarse Minister van Oorlog, Generaal Von Bartha en zij bespraken met de Duitse autoriteiten wapenleveranties aan Hongarije.
Het was voor ons allemaal die ingelicht waren over de toekomstige plannen duidelijk dat al die maatregelen, waaronder het leveren van wapens aan andere legers, destijds alleen maar denkbaar waren als die wapens werden ingezet voor toekomstige militaire projecten.
Met betrekking tot Hongarije is er nog een punt. Vanwege de ontwikkeling van de gebeurtenissen in Joegoslavië besloot Hitler eind maart 1941 dat land aan te vallen. Op 27 of 28 maart werd ik op de Reichskanzlei in Berlijn ontboden waar net een conferentie had plaatsgevonden tussen Hitler, Keitel en Jodl en waaraan de opperbevelhebber en de Chef Staf van het leger hadden deelgenomen, anders gezegd, hadden bevel gekregen aanwezig te zijn. Toen ik aankwam werd mij door de Chef Staf van het leger, Generaal Halder verteld dat Hitler had besloten om Joegoslavië aan te vallen ten eerste om een dreiging aan de flank van de voorgenomen operatie tegen Griekenland weg te nemen en de spoorlijn van Belgrado naar het zuiden naar Nish in handen te krijgen en ook met het oog op de toekomst – op Operatie Barbarossa – om vanaf het begin de rechterflank vrij te houden.
Mij werd bevolen naar Wenen te gaan met een aantal bevoegde officieren van de Generale Staf van het leger om aan Duitse commandanten duidelijke orders over te brengen en die uit te leggen en daarna onverwijld naar de Hongaarse Generale Staf in Boedapest door te reizen en met hen overeenstemming te bereiken over de opstelling van Duitse troepen op Hongaars grondgebied en de deelname van Hongaarse troepen aan de aanval op Joegoslavië.
Op 30 maart kwam ik ‘s ochtends vroeg in Boedapest aan en had een onderhoud met de Chef van de Hongaarse Generale Staf, Generaal Werth van de infanterie en daarna met de chef van de afdeling operaties van de Hongaarse General Staf, Kolonel Laszlo. Deze gesprekken verliepen in goede sfeer, eindigden spoedig en het gewenste resultaat werd bereikt. Het resultaat werd toen op kaarten getekend. De kaart die ik van de Hongaarse Generale Staf kreeg toonde niet alleen de opstelling van de troepen bedoeld voor de aanval op Joegoslavië maar ook troepen aan de grens tussen de Karpathen en de Oekraïne die daar gelegerd moesten worden om ons in de rug tegen de Sovjet Unie te beschermen.
Het feit van de vorming en het bestaan van deze troepen is een teken dat zelfs aan Hongaarse kant het besef heerste dat een aanval van Duitsland op Joegoslavië beschouwd zou moeten worden als een daad van agressie door de Sovjet Unie.
Wat betreft het principe de hulp van Hongarije in te roepen bij de voorbereiding en later bij de uitvoering van de voorgenomen operaties kwam ik achter Hitler’s mening in die tijd. Hij was van mening dat Hongarije erop was gebrand, met Duitse hulp, de gebieden te veroveren en uit te breiden die in 1918 verloren waren gegaan en bovendien dat zij bang was achter te raken op Roemenië dat een bondgenoot van Duitsland was. Hitler zag Hongarije vanuit dit standpunt ook met betrekking tot zijn eigen beleid. Maar hij was, zoals ik bij vele gelegenheden kon opmerken zeer gereserveerd jegens Hongarije en wel om twee redenen. Ten eerste geloofde hij niet dat Hongarije geheimhouding met betrekking tot toekomstige plannen kon garanderen vanwege haar nauwe betrekkingen met landen die Duitsland vijandig gezind waren en ten tweede wilde hij Hongarije niet te veel voorbarige beloften doen met betrekking tot grondgebied. Ik kan een voorbeeld noemen: De kwestie van het olieveld bij Dragowitsch. Later, toen de aanval op de Sovjet Unie begon, had de Duitse 17.Armee die daar vocht uitdrukkelijk opdracht van het opperbevel de olievelden bij Dragowitsch koste wat kost in te nemen voordat de Hongaren arriveerden.
Met betrekking tot deze toekomstige partner was volgens mijn waarneming Hitler’s procedure zo dat hij rekende op haar zekere deelname en daarom de wapens leverde en hielp bij de training maar dat hij het tijdstip waarop hij de bondgenoot zijn plannen ging meedelen voor zichzelf hield.
Ten derde, de Finse kwestie. In december 1940 werd het eerste bezoek gebracht van de Chef van de Finse Generale Staf, Generaal Heinrichs aan het hoofdkwartier van het leger in Zossen. Luitenant-generaal Heinrich had een onderhoud met de Chef van de Staf van het leger – de inhoud daarvan herinner ik me niet meer; maar hij hield voor de officieren van de Generale Staf van het leger – en voor de stafofficieren van de legergroepen die toevallig aanwezig waren in verband met de bespreking van de militaire oefeningen - een voordracht over de Russisch-Finse oorlog van 1939-1940.
Deze voordracht voor deze stafofficieren was destijds van groot belang vanwege het feit dat die gehouden werd op hetzelfde moment waarop Weisung 21 van 18 december werd uitgegeven. Deze voordracht was belangrijk, hij handelde over ervaringen opgedaan in de strijd tegen het Rode Leger en bood bovendien een inzicht in de waarde van de Finse troepen als mogelijke toekomstige partners in de oorlog.
Ik nam deel aan een tweede conferentie met de Chef van de Finse Generale Staf op het hoofdkwartier van het OKW in Zossen, in de tweede helft van mei 1941. De Chef van de Finse Generale Staf kwam uit Salzburg waar hij overleg had gevoerd met het opperbevel van het leger. Het onderwerp van de volgende conferenties in Zossen met de Generale Staf van het opperbevel van het leger was de samenwerking van de Finse troepen in het zuiden in het plan Barbarossa – in samenwerking met Heeresgruppe Nord – die vanuit het verzamelgebied in Oost-Pruissen op moest trekken naar Leningrad. Destijds werd er overeenstemming bereikt dat de Finse troepen in het zuiden hun bewegingen zouden synchroniseren met de opmars van de Duitse Heeresgruppe Nord en ook dat de gezamenlijke doorstoot later naar Leningrad onderwerp zou zijn van overleg en afspraken al naar gelang de ontwikkeling van de gebeurtenissen.
Dat zijn de persoonlijke waarnemingen die ik deed met betrekking tot de eerste verschijning en het werven van bondgenoten als voorbereiding op de agressieve actie.
GEN. RUDENKO: Hoe en onder welke omstandigheden werd de gewapende aanval op de Sovjety Unie uitgevoerd – de aanval die was voorbereid door de Hitlerregering en het Opperbevel van de Duitse Strijdkrachten?
PAULUS: De aanval op de Sovjet Unie werd gelanceerd, zoals ik heb verteld, volgens een nauwkeurig en ver van te voren opgesteld plan. De troepen voor deze aanval werden eerst achter in het verzamelgebied gelegerd. Op speciaal bevel werden ze daarna in groepen naar hun startposities verplaatst en daarna namen ze hun stellingen in langs het hele lange front van Roemenië naar Oost-Pruissen voor een gelijktijdige aanval. Het Finse strijdtoneel was van deze operatie uitgesloten.
Net als het grootschalige operatieplan dat tot op zekere hoogte in theorie was getest, zoals ik in het begin heb verteld, werd de gedetailleerde inzet van de troepen tijdens kaartoefeningen door de staven van de legergroepen, korpen en divisies besproken en lang voor het begin van de oorlog tot in bijzonderheden in orders vastgelegd.
Een grootschalige afleidingsmanoeuvre, die in Noorwegen en aan de Franse kust moest worden gehouden, werd ontworpen om een invasie van Engeland in 1941 te simuleren en zo de aandacht van Rusland af te leiden. Er werden allerlei maatregelen getroffen niet alleen voor operationele maar ook voor tactische verrassing zoals bijvoorbeeld het verbod op openlijke verkenningen langs en over de grens voor het begin van de oorlog. Dat betekende aan de ene kant dat er met mogelijke verliezen die zouden worden veroorzaakt door een gebrek aan verkenningen rekening moest worden gehouden omwille van het verrassingseffect maar het betekende aan de andere kant dat er voor een aanval over de grens door de vijand niet werd gevreesd.
Al die maatregelen tonen aan dat het een kwestie van een misdadige aanval was.
GEN. RUDENKO: Hoe zou u de doelen omschrijven die Duitsland nastreefde bij haar aanval op de Sovjet Unie?
PAULUS: De doelstelling om de lijn Wolga-Archangel te bereiken, iets dat wat Duitsland’s kracht ver te boven ging, is op zich kenmerkend voor het grenzenloze beleid van verovering van Hitler en de Nationaalsocialistische leiders. Uit strategisch oogpunt gezien zou het bereiken van deze doelen de vernietiging van de strijdkrachten van de Sovjet Unie hebben betekend. Met het bereiken van die lijn heb ik de belangrijkste gebieden van de Sovjet Unie genoemd, met de hoofdstad Moskou, die zouden worden veroverd en onderworpen, samen met de belangrijke politieke en economische centra van de Sovjet Unie. Economisch gezien zou het bereiken van deze lijn betekenen het bezit van belangrijk landbouwgebied, de belangrijkste natuurlijke bronnen waaronder de olievelden van de Kaukasus en de belangrijkste productiecentra in Rusland, en ook het belangrijkste verbindingsnetwerk in Europees Rusland.
Hoezeer Hitler gebrand was op het veroveren van economische doelen in deze oorlog kan het best worden aangetoond met een voorbeeld uit mijn persoonlijke ervaring.
Op 1 juni 1942, ter gelegenheid van een conferentie in Poltava met opperbevelhebbers in het gebied van Heeresgruppe Süd verklaarde Hitler: “Als ik de olie van Maikop en Grosny niet krijg, moet ik deze oorlog beëindigen.”
Voor het gebruik van en het bestuur over de te veroveren gebieden waren er al bestuurlijke en economische organen gevormd en die lang voor het begin van de oorlog in gereedheid werden gehouden.
Samenvattend zou ik willen zeggen dat de gegeven doelen de verovering van Russisch grondgebied aangeven met het doel kolonisatie en uitbuiting van de bronnen waarmee de oorlog in het Westen tot een einde gebracht moest worden met het uiteindelijke doel de overheersing van Europa.
GEN. RUDENKO: En een laatste vraag: Wie acht u schuldig aan het beginnen van de misdadige oorlog tegen Sovjet Rusland?
PAULUS: Mag ik de vraag laten herhalen?
GEN. RUDENKO: Ik herhaal de vraag ......
De PRESIDENT: Het Tribunaal staat op het punt een opmerking te maken tegen Generaal Rudenko. Het Tribunaal is van mening dat een vraag zoals u die zojuist heeft gesteld, wie schuldig was aan de agressie tegen Russisch grondgebied, een van de belangrijkste vragen is waarover het Tribunaal een beslissing moet nemen en daarom geen vraag is waarover de getuige zijn mening moet geven.
Is dat hetgene waartegen de raadsman voor de Verdediging wenst te protesteren?
Dr. LATERNSER: Ja, Meneer de President, dat is wat ik wilde doen.
GEN. RUDENKO: Dan zal het Tribunaal mij wellicht toestaan de vraag iets anders te stellen?
De PRESIDENT: Ja.
GEN. RUDENKO: Wie van de beklaagden was een actief deelnemer bij het aanzetten tot agressie tegen de Sovjet Unie?
PAULUS: Van de beklaagden, voor zover ik ze heb ontmoet, de belangrijkste militaire adviseurs van Hitler. Dat zijn de Chef van het OKW, Keitel; de Chef van de afdeling Operaties, Jodl; en Göring in zijn hoedanigheid van Reichsmarschall, van Opperbevelhebber van de Luftwaffe en Gevolmachtigde voor de Bewapeningseconomie.
GEN. RUDENKO: Om het verhoor af te sluiten zal ik het samenvatten. Heb ik uit uw getuigenis de juiste conclusie getrokken dat al lang voor 22 juni, de Hitlerregering en het Opperbevel van de Strijdkrachten een aanvalsoorlog tegen de Sovjet Unie voorbereidden met als doel het grondgebied van de Sovjet Unie te koloniseren?
PAULUS: Dat volgt zonder enige twijfel uit alle ontwikkelingen zoals ik die heb beschreven en ook in het verband met alle richtlijnen die in het bekende Grüne Heft zijn uitgevaardigd.
GEN. RUDENKO: Ik heb verder geen vragen, Meneer de President.
De PRESIDENT: Wenst een van de leden van de Franse Aanklager nog vragen te stellen?
De FRANSE AANKLAGER: Nee.
De PRESIDENT: De Britse?
De BRITSE AANKLAGER: Nee.
De PRESIDENT: De Amerikaanse?
De AMERIKAANSE AANKLAGER: Nee.
De PRESIDENT: Iemand van de Verdediging?
DR. LATERNSER: Meneer de President, als raadsman van de Generale Staf verzoek ik u mijde gelegenheid te bieden de getuige morgenochtend te verhoren. Het oproepen van deze getuige door de Aanklager kwam voor de Verdediging in elk geval als een verrassing en ik meen dat overleg betreffende de te stellen vragen, in het bijzonder gezien het belang van de getuigenis, absoluut noodzakelijk is. Ik verzoek daarom dat mij wordt toegestaan morgenochtend aan het begin van de zitting het verhoor af te nemen.
De PRESIDENT: Generaal Rudenko, mits de Aanklager geen bezwaar heeft, is het Tribunaal van mening dat dit verzoek moet worden toegestaan.
GEN. RUDENKO: Als het Tribunaal dat zo wenst, zal de Aanklager geen bezwaar maken.
De PRESIDENT: Ja, prima. Ik weet niet of een van de andere leden van de Verdediging er de voorkeur aan geeft nu een verhoor af te nemen.
Dr. NELTE: Meneer de President, ik neem aan dat alle raadslieden voor de Verdediging hun verhoor van de getuige, Generaal Paulus, morgenochtend kunnen afnemen?
De PRESIDENT: Ja zeker. Ik vroeg alleen maar of een van de leden van de Verdediging er de voorkeur aan geeft nu een verhoor af te nemen.
Dr. NELTE: Persoonlijk zou ik liever mijn vragen na het reces wilen stellen.
De PRESIDENT: Prima. Dan kan de getuige gaan en gaan we met de zaak verder. Hij zal morgenochtend weer worden opgeroepen en in de tussentijd kunt u met uw zaak verder gaan.
(De getuige verlaat de getuigenbank en Generaal-majoor Zorya gaat naar het spreekgestoelte.)

De PRESIDENT: Generaal, u zult het neem ik aan niet nodig vinden nog meer verklaringen van Feldmarschall Paulus voor te lezen?
GEN. ZORYA: Nee.
De PRESIDENT: Prima. Gaat u dan maar verder.
GEN. ZORYA: Onder verwijzing naar de uitleg betreffende het begin van de misdadige aanval van Fascistisch Duitsland op de Sovjet Unie zou ik het Tribunaal eraan willen herinneren dat in de ochtendzitting van het Tribunaal op 30 november 1945 getuige Lahousen werd verhoord en bewijzen heeft geleverd die van voldoende belang voor onze zaak zijn. Onder andere heeft deze getuige, toen hij de meer intieme leden van de kring rond Admiraal Canaris, Chef van de Inlichtingen- en Contraspionagedienst van het Duitse leger opnoemde Pieckenbrock met name genoemd.
Ik dien bij het Tribunaal in Document USSR-228, de getuigenis van de voormalige chef van Sectie I van de Duitse Inlichtingen- en Contraspionagedienst, Luitenant-generaal van het voormalige Duitse leger Hans Pieckenbrock, de voormalige meerdere en collega van Lahousen. Pieckenbrock legde zijn getuigenis af in Moskou op 12 december 1945 op de door de wetten van de Sovjet Unie voorgeschreven wijze.
Voor het moment zou ik slechts enkele regels uit de getuigenis van Pieckenbrock voor het verslag willen voorlezen, die betrekking hebben op de zaak die we nu onderzoeken. Deze regels staan op pagina 1 van de Russische tekst van zijn getuigenis en ze zijn met rood gemarkeerd. Deze pagina 1 komt overeen met pagina 34 van het documentenboek.
“Ik moet zeggen,” zei Pieckenbrock, “dat al sinds augustus en september 1940 van de Buitenlandse Legers Oost van de Generale Staf van het leger de inlichtingstaken ten behoeve van de Abwehr met betrekking tot de U.S.S.R. aanzienlijk toenamen. Deze taken stonden ongetwijfeld in verband met de voorbereidingen op oorlog tegen de Sovjet Unie.”
“Ik kwam de meer nauwkeurige data voor de aanval op de Sovjet Unie in januari 1941 te weten van Admiraal Canaris. Ik weet niet op welke bronnen Canaris zich baseerde maar hij vertelde mij dat de datum voor de aanval op de Sovjet Unie was vastgesteld op 15 mei.”
De Sovjet Aanklager beschikt ook over de getuigenis van de voormalige chef van Amt III van de Duitse Inlichtingen- en Contraspionagedienst, Luitenant-generaal Franz von Bentivegni, dat door hem op 28 december 1945 werd afgelegd. Ik dien deze documenten in onder document nummer USSR-230.
Ik zal op hetzelfde moment ook alleen voor het verslag die delen van Bentivegni’s getuigenis voorlezen die met rood zijn gemarkeerd en die direct betrekking hebben op het begin van de militaire voorbereidingen tegen de Sovjet Unie. Deze twee uittreksels uit de getuigenis staan op pagina 37 van het documentenboek dat bij het Tribunaal is ingediend:
“Ik hoorde in augustus 1940 voor het eerst over Duitsland’s voorbereiding op een militaire aanval op de Sovjet Unie van het hoofd van de Duitse Inlichtingen- en Contraspionagedienst, Admiraal Canaris. Tijdens een onofficieel gesprek dat gevoerd werd in het kantoor van Canaris vertelde hij mij dat Hitler was begonnen maatregelen te nemen voor een campagne in het Oosten, waarover hij in 1938 al had gesproken in zijn toespraak tijdens een bijeenkomst van Gauleiter in Berlijn.
“Canaris vertelde mij dat deze plannen van Hitler nu concrete vormen aan gingen nemen. Dit werd duidelijk uit het feit dat divisies van het Duitse leger in grote getale van het Westen naar het Oosten werden verplaatst en op grond van een bijzonder bevel van Hitler stellingen gingen innemen van waaruit zij de komende invasie van Rusland zouden beginnen.”
Dat zijn de eerste twee alinea’s van de getuigenis van Bentivegni.
En tenslotte, om de kwestie van het uiteindelijke tijdstip van de militair voorbereidingen van Fascistisch Duitsland op de verraderlijke aanval op de Sovjet Unie af te sluiten, zou ik even willen stilstaan bij de getuigenis van Generaal Müller. Deze getuigenis, gedateerd 8 januari 1946, is opgesteld in een krijgsgevangenenkamp. Ik dien het bij het Tribunal in onder nummer U.S.S.R.-149.
Al het materiaal waarnaar ik tot nu toe heb verwezen is afkomstig uit kringen van de hoogste bevelvoerende officieren van het Duitse leger.
De PRESIDENT: Generaal, staat op dit document van Generaal Müller waar dat document is opgesteld en waar Generaal Müller zich nu bevindt?
GEN. ZORYA: Op de fotostaat staat een datum geschreven in het handschrift van Generaal Müller. Deze datum is 8 januari 1946.
De PRESIDENT: Waar?
GEN. ZORYA: Als ik even naar de fotostatische afdruk mag kijken die ik zojuist bij het Tribunaal heb ingediend, zou ik u kunnen vertellen waar het document is geschreven.
De PRESIDENT: Ja, maar er zijn zoveel krijgsgevangenenkampen. Wij willen weten welk kamp en waar het is.
GEN. ZORYA: In een kamp bij Moskou.
De PRESIDENT: Heeft dit document eigenlijk een handtekening van echtheid? Wat ons betreft, is het geen gewoon fotostatisch afschrift of een document van iemand?
GEN. ZORYA: Meneer de President, dit document is, net als alle andere documenten die tot dusverre door de Sovjet delegatie zijn ingediend, een niet gewaarmerkt fotostatisch afschrift.
Rekening houdend met de wens van het Tribunaal en ter uitvoering van die wens heeft de Sovjet Aanklager maatregelen genomen om te garanderen dat alleen de originelen van deze documenten of documenten waarvan de echtheid is vastgesteld in hun complete vorm aan de Griffier zullen worden overlegd. Dat zal in de loop van enkele dagen gebeuren en al het materiaal zal in de best mogelijke staat aan de Griffier worden gegeven.
De PRESIDENT: Kunt u ons vertellen waar de schrijver van dit document zich nu bevindt?
GEN. ZORYA: Ik ben nauwelijks in een positie meer te zeggen dan ik al heb gezegd. Als het Tribunaal mij dat toestaat zal ik mijn confrères raadplegen, inlichtingen inwinnen en het Tribunaal zo spoedig mogelijk mededeling doen omtrent de verblijfplaats van de Generaal.
De PRESIDENT: Goed, ik schors nu de zitting. Dat geeft u de gelegenheid uw confrères te raadplegen.

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
Cavalerie
In het Engels Calvary. Oorspronkelijk een aanduiding voor bereden troepen. In de Tweede Wereldoorlog de aanduiding voor gepantserde eenheden. Belangrijkste taken zijn verkenning, aanval en ondersteuning van infanterie.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
USSR
Unie van Socialistische Sovjet Republieken, ook wel Sovjet-Unie genoemd. Federatie van republieken tijdens de communistische periode van Rusland.

Middagzitting 2

Dr. NELTE: Meneer de President, tot mijn spijt moet ik hetzelfde bezwaar maken tegen dit document dat door de Aanklager namens de Sovjet Unie is ingediend onder nummer USSR-149 en ik moet hetzelfde verzoek indienen dat ik vanochtend heb gedaan. Voor zover ik weet heeft het Hoge Tribunaal nog geen beslissing genomen betreffende deze kwestie.
De PRESIDENT: Neemt u mij niet kwalijk, Dr. Nelte. Het Tribunaal heeft al een beslissing genomen. Ik meen dat het beter zou zijn dat wanneer de raadslieden naar de plek gaan vanwaar zij wensen te spreken, zij de koptelefoon opzetten voordat zij spreken.
Ik zeg dat het Tribunaal al een beslissing heeft genomen die deze kwestie betreft. Wij hebben onlangs de raadslieden namens de Sovjet Unie erop gewezen dat documenten die niet als authentiek zijn gewaarmerkt, als authentiek moeten worden gewaarmerkt en dat de Sovjet Aanklager toen stappen heeft ondernomen om te verzekeren dat alle documenten die hij heeft gebruikt als authentiek zouden worden gewaarmerkt. Als die niet als zodanig zijn gewaarmerkt worden die uit het verslag geschrapt. Die regel geldt voor dit document.
Dit document is een document dat een document lijkt te zijn, een brief of een verslag aan de regering van de Sovjet Unie maar het bevat geen enkel waarmerk dat het een authentiek document is. De raadsman van de Sovjet Unie heeft voor de schorsing gezegd dat hij stappen zou ondernemen – zoals hij dat al heeft gedaan – om een certificaat te overleggen dat aantoont dat het een authetiek document is; anders gezeg dat het is opgesteld door de persoon van wie wordt verondersteld dat hij het heeft opgesteld en in die situatie aanvaardt het Tribunaal het document voorlopig. Als een dergelijk certificaat niet kan worden overlegd dan wordt het document uit het verslag geschrapt.
Dr. NELTE: Als ik u goed begrijp dan zal het Tribunaal een brief, geschreven aan de Sovjet regering of een verklaring aanvaarden als gedocumenteerd bewijsmateriaal voor de inhoud van deze verklaring.
De PRESIDENT: Zeker, ik heb al gezegd, aangenomen dat het gewaarmerkt is als een authentiek document. Dat heb ik al meerdere malen gezegd.
Dr. NELTE: Op die manier zou iedere brief, gericht aan de Aanklager of aan de Sovjet regering of aan welke andere raadsman ook, gedocumenteerd bewijsmateriaal worden door het waarmerk dat het in feite is geschreven door de persoon die het heeft ondertekend; hetgeen het voor de Verdediging onmogelijk zou maken, de getuige te verhoren.
De PRESIDENT: Dat hangt ervan af waar de getuige zich bevindt. We hebben hier te maken met getuigen die over de hele wereld verspreid zijn en daar ons is gezegd dat het in de Sovjet Unie niet de gewoonte is in dergelijke gevallen een beëdigde verklaring op te stellen, beschouwt het Tribunaal een dergelijk document als vallend binnen Artikel 19, voorop gesteld dat het een authentiek document is.
Wij verlenen de Verdediging de grootst mogelijke steun bij het dagvaarden van getuigen voor dit Hof maar we kunnen er niet aan beginnen, getuigen van over de hele wereld op te roepen voor vragen die van weinig belang zijn.
Dr. NELTE: Ik ben mij volledig bewust van de problemen en ik ben het Tribunaal dankbaar voor de bereidheid ons te helpen. Daarom verzoek ik alleen maar om in elke zaak vast te stellen waar de persoon die die verklaring heeft opgesteld, zijn woonplaats heeft zodat de Verdediging kan proberen hem te bereiken.
De PRESIDENT: Ja. Wanneer de getuige zich in of in de directe omgeving van Neurenberg bevindt, zou het Tribunaal van mening zijn dat het slechts gepast is wanneer een document als dit als bewijs wordt gepresenteerd dat de getuige moet worden opgeroepen om door de Verdediging te worden gehoord maar we begrijpen dat de man die deze brief heeft geschreven zich niet in de omgeving van Neurenberg bevindt. We hebben geen reden om aan te nemen dat hij dat wel is en ik herinner de Verdediging eraan dat zij altijd, wanneer zij dat juist achten, vragenlijsten kunnen gebruiken om aan personen zoals deze te overleggen die een document als dit hebben opgesteld.
Dr. NELTE: Dank u.

GEN. ZORYA: Ik heb van de schorsing gebruik gemaakt om te informeren naar Generaal Müller. Hij bevindt zich in een krijgsgevangenenkamp, nummer 27 in Krasnogorsk in het gebied rond Moskou. Mag ik verder gaan met mijn verklaring?
De PRESIDENT: Zeker.
GEN. ZORYA: Heren Rechters, al het materiaal dat ik tot nu toe heb genoemd is afkomstig uit kringen van het Oppercommando van de Duitse Strijdkrachten. Als ik het zo mag zeggen, Generaal Müller behoort tot de middenklasse van de Duitse generaals. Hij was Chef Staf van een leger; hij voerde het bevel over een legergroep. Zijn getuigenis handelt over een reeks gebeurtenissen die het waard zijn dat er aandacht aan wordt geschonken omdat die de omstandigheden verklaart die samenhingen met Duitsland’s voorbereidingen tegen de Sovjet Unie.
Ik wil verwijzen naar pagina 40 van het documentenboek. Daar zult u de eerste pagina vinden van de verklaring van Generaal Müller. De eerste alinea, pagina 1 van de verklaring is met rood gemerkt. Ik ga er nu uit citeren:
“De voorbereiding voor de aanval op de Sovjet Unie begon al in juli 1940. Destijds was ik eerste officier van de Generale Staf van Legergroep C in Dijon in Frankrijk. Generalfeldmarschall von Leeb was de opperbevelhebber. Deze legergroep bestond uit het 1ste, het 2de en het 7de leger, alle drie bezettingslegers in Frankrijk. Daarnaast lag Legergroep A (Von Rundstedt) ook in Frankrijk, wiens taak het was Operatie Seelöwe (de invasie van Engeland) door Legergroep B, Von Bock voor te bereiden. De staf van Legergroep B werd in juli naar het Oosten (Posen) overgeplaatst en daaraan werden de volgende eenheden toegevoegd, overgeplaatst uit Frankrijk – delen van het bezettingsleger - : het 12de Heereskommando (List), het 4de Heereskommando (Von Kluge) en het 18de Heereskommando (Von Küchler) en diverse algemene commando’s en ongeveer 30 divisies. Het grootste deel van dit aantal werd aan Legergroep C onttrokken (Von Leeb).
“Direct na de campagne in het westen gaf het OKH bevel tot de demobilisatie van 20 divisies. Dit bevel werd ingetrokken en de 20 divisies werden niet gedemobiliseerd. In plaats daarvan werden ze, na terugkeer in Duitsland met verlof gestuurd en zo in gereedheid gehouden voor een snelle mobilisatie.
“Beide maatregelen, de overplaatsing van ongeveer 500.000 man naar de Russische grens en het intrekken van het bevel waardoor ongeveer 300.000 man gedemobiliseerd zou worden, tonen aan dat er al in juli 1940 plannen bestonden voor oorlogshandelingen in het Oosten.
“Het volgende bevel dat een bewijs levert voor Duitsland’s voorbereidingen om de Sovjet Unie aan te vallen, was de schriftelijke order van het OKFd, uitgegeven in september 1940 betreffende de instelling van een nieuw legercommando (AOK II), van diverse algemene commando’s en ongeveer 40 divisies en pantserdivisies. Deze eenheden werd vanaf september 1940 geformeerd door de commandant van het Ersatzheer, Generaloberst Fromm, gedeeltelijk in Frankrijk maar grotendeels in Duitsland. Tegen september 1940 liet de OK I mij naar Fontainebleau komen. De Oberquartiermeister I van de Generale Staf van het leger, toen Luitenant-generaal (later Feldmarschall) Paulus lichtte mij, eerst mondeling in over de order op grond waarvan mijn staf (Heeresgruppe C) tegen 1 november naar Dresden moest worden overgeplaatst en dat het OKW II (Generaloberst Weichs), die onder bevel van de staf stond, op hetzelfde tijdstip naar München moest worden overgeplaatst. Hun taak bestond uit het opleiden van de eerder genoemde 40 divisies die moesten worden geformeerd. Op grond van deze order, later bevestigd door de handtekening van de Chef van de Generale Staf Halder, werd verplaatsing van deze eenheden op tijd uitgevoerd. Deze 40 divisies werden voor de invasie van de Sovjet Unie ingezet.
Aldus werd in een verhoogd tempo begonnen met de voorbereidingen voor de militaire aanval op de Sovjet Unie met de gebruikelijke Duitse grondigheid.
Heren Rechters, ik zou het Tribunaal eraan willen herinneren dat getuige Paulus ter zitting heeft gesteld dat in augustus 1940 de uitwerking van het eerdere plan voor een aanval op de Sovjet Unie al zover was gevorderd dat het mogelijk werd gemaakt dat er twee kaartoefeningen werden gehouden onder leiding van Paulus.
De PRESIDENT: Generaal, ik denk niet dat het nodig is de verklaring van Feldmarschall Paulus voor te lezen, omdat hij het bewijsmateriaal al in de getuigenbank heeft gegeven.
GEN. ZORYA: Ik lees het niet voor het verslag voor. Ik verwijs alleen maar naar een situatie waardoor ik in staat ben verder te gaan met de verklaring van Generaal Müller dat deze reeks kaartoefeningen, die ontstond in de Generale Staf van het leger, zich geleidelijk over het hele leger uitbreidde en dat de hele strijdmacht deelnam aan die oefeningen die duidelijk een voorbereiding waren op een aanval op de Sovjet Unie. Voor het verslag lees ik de passage van de verklaring voor die met blauw is gemerkt, pagina 41 van het documentenboek:
“Voor zover” – verklaart Generaal Müller – “het leger in de toekomst de Sovjet Unie moet aanvallen, was het eerste plan de soldaten en de officieren van de generale staven op te leiden. Tegen eind januari 1941 kreeg ik telegrafisch bevel van de Chef van de Generale Staf Halder om de kaartoefeningen van de legergroep van Von Rundstedt in St. Germain bij Parijs bij te wonen. Het doel van deze kaartoefening was de aanval en de opmars vanuit Roemenië en zuid Polen in de richting van Kiev en zuidelijker. Het plan omvatte ook de deelname van Roemeense troepen. In het algemeen liep deze kaartoefening vooruit op de voorwaarden van de toekomstige order betreffende de strategische opstelling van de troepen waar ik later op terug kom.
“De leider van de kaartoefeningen was de Chef van de Generale Staf van de legergroep van Von Rundstedt. Aanwezig waren Von Rundstedt, Halder, de Chefs van de Generale Staf van het 6.Armee, Oberst Heim, van de 11.Armee Oberst Wohler en van de tankgroep van Von Kleist Oberst Zwickler en diverse generaals van de pantsertroepen. De kaartoefeningen werden gehouden op de plaats die bezet werd door Von Rundstedt’s legergroep, zo tussen 31 januari en 2 februari 1941. De oefening toonde de noodzaak van sterke pantsertroepen aan.”
De documenten die ik tot nu toe heb gepresenteerd kenmerken de maatregelen door het militaire commando van de Duitse strijdkrachten voor de voorbereidingvan de strategische opstelling van de Duitse legers voor het lanceren van een aanval op de Unie van Socialistische Sovjet Republieken.”
Wat tijd betreft, deze maatregelen besloegen een groot deel van 1940 en werden tenminste zes maanden voor het verschijnen van Weisung 21 betreffende het plan Barbarossa in praktijk gebracht.
Ik zal nu verder gaan met de tweede groep documenten die door de Sovjet Aanklager zijn ingediend en die de spionagemaatregelen kenmerken die door de fascistische samenzweerders zijn genomen ter voorbereiding op de oorlog tegen de Sovjet Unie.
De trend en de taken van de spionage in verband met Barbarossa waren, zoals wij weten, bepaald door een richtlijn van het OKW van 6 september 1940, gericht aan de contraspionagedienst en getekend door beklaagde Jodl.
Dit document is door de Amerikaanse Aanklager ingediend onder nummer 1229-PS; het kan worden gevonden op pagina 46 en 47 van ons documentenboek. Ik ben niet van plan dit document nogmaals te citeren maar ik acht het essentieel u eraan te herinneren dat de inlichtingendienst eist dat het hergroeperen van legers aan het Duitse Oostfront op alle mogelijke manieren moet worden gecamoufleerd en dat de Sovjet Unie de indruk moet behouden dat er een of andere actie tegen de Balkan op stapel staat.
De activiteiten van de inlichtingendiensten waren streng gereguleerd. Deze activiteiten omvatten maatregelen voor het zo goed mogelijk verbergen van het aantal Duitse troepen in het Oosten en het wekken van de indruk van een onbelangrijke samentrekking van troepen in het noorden van de Oostelijke provincies; gelijktijdig moest de indruk worden gewekt van aanzienlijke troepenconcentraties in het zuidelijke deel, in het Protectoraat en in Oostenrijk.
Er werd gewezen op de mogelijkheid van het vestigen van de indruk van een overdreven aantal luchtafweereenheden en van een onvoldoende mate van wegenbouw activiteiten.
Ik neem hier de vrijheid om twee duidelijk opmerkingen te maken. Volgens de getuigenis van Pieckenbrock begon de uitbreiding van dit spionagewerk tegen de Sovjet Unie al voor de uitvaardiging van die richtlijn in augustus 1940. En dit werk beperkte zich uiteraard niet tot het verspreiden van valse informatie over de hergroepering van troepen van West naar Oost.
Ik verzoek u, Heren Rechters, terug te gaan naar de getuigenis die ik al heb gepresenteerd, die van de voormalige chef van Amt III van de Inlichtingen- en Contraspionagedienst van de Duitse strijdkrachten, Von Bentivegni.
Op pagina 1, 2 en 3 van de Russische tekst van Bentivegni’s verklaring staat – ik citeer de met blauw onderstreepte passage – beginnend met de laatste alinea op pagina 1 van het document die overeenkomt met pagina 37 van het documentenboek:
“In verband hiermee kreeg ik al in november 1940 orders van Canaris om het werk van de contraspionage uit te breiden in de gebieden waar samentrekking van Duitse legers aan de Duits-Russische grens plaats vonden.”
Op pagina 2 van de verklaring, pagina 38 van het documentenboek, alinea 1 gaat Bentivegni verder:
“In overeenstemming met dit bevel heb ik onmiddellijk een gelijksoortig bevel gegeven aan de afdelingen van de Abwehr in Danzig, Konigsberg, Posen, Krakow, Breslau, en Wenen."
En tenslotte lees ik op pagina 3 van de verklaring, die overeenkomt met pagina 39 van het documentenboek:
“In maart 1941 kreeg ik van Canaris de volgende richtlijnen voor de voorbereidingen op de uitvoering van Plan Barbarossa.
“a) Voorbereiding van alle afdelingen van Abwehr III op het uitvoeren van contraspionagewerk tegen de Sovjet Unie, zoals bijvoorbeeld het formeren van de noodzakelijke contraspionagegroepen, de verdeling daarvan over de diverse gevechtseenheden die aangewezen zijn voor deelname aan de operaties aan het Oostfront en het verlammen van de activiteiten van de Russisiche organen voor inlichtingen en contraspionage.”
“b) Het verspreiden van valse informatie via hun buitenlandse inlichtingendiensten, gedeeltelijk door het voorwenden van verbeterde betrekkingen met de Sovjet Unie en het voorwenden van voorbereidingen op een offensief tegen Groot-Brittannië.”
“c) Maatregelen van contraspionage om de voorbereidingen op oorlog tegen de Sovjet Unie geheim te houden en te garanderen dat de verplaatsing van troepen naar het Oosten geheim wordt gehouden.”
Dezelfde kwestie wordt aangeroerd in het verslag van het verhoor van de chef van Abwehr I van het Duitse leger, Pieckenbrock, dat ik al als bewijsmateriaal heb ingediend. Deze verklaring bevat de volgende passage betreffende de activiteiten van de inlichtingendienst van het Duitse leger in verband met de voorbereidingen op het verwezenlijken van Plan Barbarossa. Ik zou u willen verwijzen naar pagina 35 van het documentenboek en naar alinea 2 van boven af. Dit komt overeen met pagina 2 van Pieckenbrock’s getuigenis. Pieckenbrock zegt:
“In maart 1941 was ik aanwezig bij een onderhoud van Canaris met de chef van de afdeling spionage (Abwehr II) Oberst Lahousen, over maatregelen die verband houden met Plan Barbarossa. Tijdens dit gesprek kwamen ze steeds terug op een schriftelijke order over dit onderwerp die Lahousen had. Ik heb zelf, als hoofd van Abwehr I, beginnend in februari 1941 en tot aan 22 juni 1942 meer dan eens een officieel onderhoud gehad met de O.Qu IV, Generalleutnant Tippelskirch en met het hoofd van de afdeling Buitenlandse Legers Oost, Oberst Kienzl. Deze gesprekken gingen over de meer nauwkeurige definities van de diverse taken die aan de Abwehr waren opgedragen met betrekking tot de Sovjet Unie en in het bijzonder met het verifiëren van oude informatie over het Rode Leger en ook bijzonderheden over de verplaatsingen van de Sovjet legers in de periode van voorbereiding op de aanval op de Sovjet Unie.
Ik sla nu een alinea van Pieckenbrock’s verklaring over en citeer verder:
“Alle afdelingen van de Abwehr die werkten aan spionage tegen Rusland kregen tot taak het sturen van meer agenten naar de U.S.S.R. Een gelijksoortige taak – het intensiveren van spionagewerk tegen de Sovjet Unie – werd opgelegd aan alle inlichtingendiensten in de legers en legergroepen. Voor een betere leiding over al deze Abwehr organen te velde werd er in mei 1941 een bijzondere inlichtingenstaf ingesteld met de codenaam Wally I. Deze staf lag in de omgeving van Warschau in het dorp Sulajewek. Majoor Baun, de beste specialist in werk tegen de Sovjet Unie, werd tot chef van de staf van Wally I benoemd. Later, ons voorbeeld volgend, hadden ook Abwehr II en Abwehr III staven als Wally II en Wally III opgericht, dit orgaan werd later beked als de hele staf van Wally en leidde het gehele inlichtingenwerk, de contraspionage en het afleidende werk tegen de Sovjet Unie omdat een staf actief moest zijn in de frontlinie. Aan het hoofd van de staf Wally stond Oberstleutnant Schmalschlager.”
Ik ga nu verder met de laatste alinea van Pieckenbrock’s verklaring op pagina 36 van het documentenboek:
“Uit vele verslagen, gedaan door Oberst Lahousen en Admiral Canaris waar ik ook bij aanwezig was, weet ik dat er door deze afdeling een grote hoeveelheid voorbereidend werk op de oorlog tegen de Sovjet Unie werd gedaan. In de periode februari tot mei 1941 vonden er vele conferenties plaats met de leiders van Abwehr II in het onderkomen van Jodl’s plaatsvervanger, Generaal Warlimont. Die werden gehouden in een cavalerieschool in Krampnitz. Op de conferentie werd een bijzondere kwestie volgens de behoeften van de oorlog met Rusland geregeld, de uitbreiding van de “Eenheden met bijzondere taken,” Brandenburg 800 en de verdeling van contingenten van deze eenheden over de afzonderlijke legergroepen.
In Pieckenbrock’s getuigenis die net voor het verslag is voorgelezen wordt speciaal de aandacht gevestigd op zijn verwijzingen naar de bijzondere taken die aan Lahousen’s afdeling waren toevertrouwd en aan eenheden met bijzondere taken die onder de codenaam Brandenburg 800 bekend stonden.
Hier worden die punten opgehelderd door de getuigenis van een voormalig kolonel van het Duitse leger, Erwin Stolze, Lahousen’s plaatsvervanger op Amt II, Ausland Abwehr en die was toegevoegd aan het opperbevel van de Duitse strijdkrachten. Stolze werd door het Rode Leger gevangen genomen. Ik wil als bewijsmateriaal bij het Tribunaal indienen Stolze’s getuigenis van 25 december 1945, afgelegd voor Luitenant-kolonel Burashnikov van de Contraspionagedienst van het Rode Leger en dat ik bij het Tribunaal indien als document U.S.S.R.-231 (Bewijsstuk U.S.S.R.-231) en ik verzoek u dit als bewijsmateriaal te aanvaarden. Ik zal afzonderlijke passagers uit deze getuigenis, welke met rood zijn gemarkeerd voor het verslag voorlezen. Ik begin te citeren vanaf pagina 48 van het documentenboek. Stolze verklaart het volgende:
“Ik kreeg instructie van Lahousen om een bijzondere groep met de codenaam A op te richten en te leiden die zich bezig moest houden met de voorbereiding van afleidingsmaatregelen en in het ontregelen van het Sovjet achterland in het kader van de voorgenomen aanval op de Sovjet Unie. Tegelijkertijd, om mij ermee vertrouwd te maken en als steun gaf Lahousen mij een bevel dat afkomstig was van de Staf Operaties van de strijdkrachten dat basisrichtlijnen bevatte voor het uitvoeren van ondergrondse activiteiten op het grondgebied van de U.S.S.R. na Duitsland’s aanval op de Sovjet Unie. Deze order was ondertekend door Feldmatschall Keitel en geparafeerd door General Jodl (of door General Warlimont op instructie van Jodl; ik weet niet meer wie.)
Ik sla twee regels over die voor onze zaak niet van belang zijn en lees verder:
“Er werd in die order op gewezen dat voor het doel, de Sovjet Unie een vernietigende slag toe te brengen, Abwehr II bij het voeren van ondergrondse acties tegen Rusland met behulp van een netwerk van V-mannen, haar agenten moet gebruiken voor het aanwakkeren van nationaal antagonisme onder de bevolking van de Sovjet Unie.”
Ik verzoek u nu de bladzijde om te slaan en op pagina 49 van het documentenboek op de tweede pagina van het verslag van het verhoor en aandacht te schenken aan de volgende passages in zijn getuigenis:
“Voor het uitvoeren van bovengenoemde instructies van Keitel en Jodl heb ik contact opgenomen met de Oekraïnse Nationaalsocialisten binnen de Duitse Inlichtingendienst en andere leden van nationalistische fascistische groeperingen die ik binnen heb gehaald om de taken zoals boven omschreven uit te voeren.
“In het bijzonder werden door mij persoonlijk instructies gegeven aan de leiders van de Oekraïnse Nationalisten, Melnik (codenaam Consul I) en Bandara om zich onmiddellijk na de Duitse aanval op de Sovjet Unie te organiseren en in de Oekraïne demonstraties uit te lokken om het achterland van de Sovet legers te ontregelen en ook om de internationale publieke opinie te overtuigen van de vermeende ineenstorting van het Sovjet achterland. Wij hebben ook bij Abwehr II bijzondere afleidingsgroepen geformeerd voor ondergrondse activiteiten in de Baltische republieken van de Sovjet Unie.”
Ik moet u nogmaals verzoeken de pagina om te slaan. Op pagina 40 van het documentenboek, beginnend met de derde regel van boven vindt u Stolze’s getuigenis:
“Bovendien werd een bijzondere militaire eenheid getraind voor ondergrondse activiteiten op Sovjet grondgebied, een opleidingsregiment voor bijzonder opdrachten, Brandenburg 800 onder direct bevel van de chef van Abwehr II, Lahousen. De taken van deze bijzondere eenheid, opgericht in 1940, bestonden uit het veroveren van strategisch belangrijke punten, zoals bruggen, tunnels, belangrijke militaire installaties en die te behouden tot aan de komst van de voorste eenheden van het Duitse leger. In tegenstelling tot de internationale regels betreffende oorlogvoering maakte het personeel van dit regiment, voornamelijk samengesteld uit Duitsers van over de grens, veelvuldig gebruik van vijandelijke uniformen en uitrusting om hun operaties te camoufleren.
“Tijdens de voorbereidingen op Duitsland’s aanval op de Sovjet Unie legde het commando van het Brandenburg Regiment ook voorraden aan van Sovjet uniformen, uitrusting en wapens en vormde afzonderlijke detachementen Duitsers die met de Russische taal vertrouwd waren.”
Heren Rechters, de getuigenissen van Stolze, Bentivegni en Pieckenbrock die ik hier als bewijs heb gepresenteerd onthullen de methoden van de Duitse Inlichtingendienst bij de voorbereiding en uitvoering van Plan Barbarossa.
Ik zal het Tribunaal niet langer met deze kwestie bezig houden. Maar voordat ik overga tot een volgende presentatie zou ik erop willen wijzen dat de afdeling van beklaagde Kaltenbrunner ook geïnteresseerd was in inlichtingenwerk. Ik zal mij beperken tot het indienen van een document dat kenmerkend is voor de wijze waarop de Hitlerianen door het uitbuiten van hun relaties, problemen veroorzaakten in Iran waar, zoals bekend de aanvoerroutes doorheen liepen voor de levering van motorvoertuigen en oorlogsmateriaal in allerlei soorten aan de U.S.S.R.
Het document dat ik bij het Tribunaal zal indienen als Bewijsstuk U.S.S.R.-178 werd door ons gevonden in de archieven van het Duitse Aussenministerium dat in handen viel van vooruitgeschoven eenheden van het Rode Leger. Dit document is een brief van beklaagde Kaltenbrunner aan beklaagde Von Ribbentrop. De brief is getypt op papier met het briefhoofd van de Chef van de SIPO en SD. In het documentenboek dat voor u ligt, zult u dit document vinden op pagina 52. Ik lees voor het verslag de onderstreepte passages uit deze brief voor:
“28 juni 1943; Streng geheim. “Aan de Minister van Buitenlandse Zaken de heer von Ribbentrop; Berlijn; Onderwerp: parlementsverkiezingen in Iran. “Zeer geëerde heer Reichsminister: We hebben rechtstreeks contact gelegd met Iran en hebben informatie ontvangen over de mogelijkheden Duitse invloed uit te oefenen op de loop van de komende parlementsverkiezingen.” En een paar regels verder staat: “Om een beslissende invloed uit te oefenen op de resultaten van de verkiezingen is omkoping noodzakelijk. Voor Teheran 400.000 toman en voor de rest van Iran is minstens 600.000 toman nodig........Ook moet worden opgemerkt dat nationalistisch geörienteerde kringen in Iran tussenkomst van Duitsland verwachten.
“Ik verzoek u mij mee te delen of het mogerlijk is 1.000.000 toman van Buitenlandse Zaken te krijgen. Dat geld kan worden meegenomen door de mensen die we daar per vliegtuig heensturen.
“Heil Hitler. Uw toegenegen Kaltenbrunner, SS-Obergruppenführer.”
Dit document zal u helpen zich een idee te vormen van de kwesties die voor de Duitse Minister van Buitenlandse Zaken interessant waren. Een dergelijke vreemde activiteit van Buitenlandse Zaken was geen toeval.
In de loop der tijd breidde de samenwerking tussen het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Reichsführer-SS steeds zich steeds meer uit en ontwikkelde zich meer en meer. Het gevolg was dat er een zeer vreemd document verscheen dat zou kunnen worden beschouwd als een overeenkomst tussen Himmler en Von Ribbentrop over de organisatie van het spionagewerk.
Ik dien dit document in als bewijsstuk U.S.S.R.-120 en verzoek het Tribunaal dit als gedocumenteerd bewijsmateriaal te accepteren. Dit document staat op pagina 53 en 54 van het documentenboek dat voor u ligt. De tekst van deze overeenkomst zal met een paar opmerkingen voor het verslag worden voorgelezen. De tekst van de overeenkomst luidt:
“Met het bevel van 12 februari 1944 heeft de Führer aan de Reichsfüher-SS de vorming van een gezamenlijke Duitse Geheime Inlichtingendienst toevertrouwd. De Geheime Inlichtingendienst heeft tot doel, voor zover het het buitenland betreft, voor het Reich inlichtingen in te winnen op politiek, militair, economische en technisch gebied. Bovendien heeft de Führer bepaald dat de leiding van de Inlichtingendienst, voor zover het het buitenland betreft, moet worden gevoerd in overeenstemming met de Aussenminister. In dit verband is tussen de Reichsaussenminister en de Reichsführer-SS de volgende overeenkomst gesloten:
“1) De Geheime Inlichtingendienst van de Reichsführer-SS vertegenwoordigt een belangrijk instrument voor het verkrijgen van inlichtingen op het gebied van de buitenlandse politiek en dit instrument wordt ter beschikking gesteld van de Aussenminister. De eerste voorwaarde hiervoor is nauwe, kameraadschappelijke en loyale samenwerking tussen Buitenlandse Zaken en het RSHA. Het verzamelen van inlichtingen over buitenlandse politiek door de diplomatieke dienst wordt hierdoor niet beïnvloed.
“2) Buitenlandse Zaken stelt de informatie over de toestand op het gebied van buitenlandse politiek, noodzakelijk voor het uitoefenen van de Inlichtingendienst en de richtlijnen betreffende de Duitse buitenlandse politiek ter beschikking van het RSHA. Zij draagt haar taken op het gebied van inlichtingen en andere gebieden van buitenlandse politiek die door de organen van de Geheime Inlchtingendienst moeten worden uitgevoerd, over aan het RSHA.
“3) Inlichtingenmateriaal op het gebied van buitenlandse politiek dat door de Geheime Inlichtingendienst is verkregen wordt ter beschikking gesteld ......
De PRESIDENT: Zou het een voldoende samenvatting zijn van het document dat u nu behandelt om te zeggen dat het een document is, getekend door Himmler en Von Ribbentrop dat aantoont dat er een fusie was van de Duitse Geheime Inlichtingendiensten. De bijzonderheden van die fusie zijn niet echt een zaak die het Tribunaal aangaat en daarom, omdat we op grond van het Handvest zo snel mogelijk moeten werken, is het niet nodig om alle bijzonderheden van die fusie voor te lezen.
GEN. ZORYA: Ik vat dit document samen en zou eraan willen toevoegen dat deze overeenkomst, getekend door Himmler en Von Ribbentrop een situatie schiep waarin het uiterst moeilijk werd onderscheid te maken tussen de heersende toestanden in fascistisch Duitsland of te bepalen waar de activiteiten van Himmler’s Gestapo ophielden en die van Buitenlandse Zaken van beklaagde Von Ribbentrop begonnen.
Ik zal nu met toestemming van het Tribunaal verder gaan met de presentatie van het volgende document. Het document dat ik zojuist heb voorgelezen – ik bedoel de Himmler-Von Ribbentrop overeenkomst betreffende het doen van inlichtingenwerk in het buitenland – rechtvaardigt ook de veronderstelling dat onder de vlag van de Duitse diplomatieke vertegenwoordiging in die landen die normale diplomatieke betrekkingen met Duitsland onderhielden, een heel inlichtingennetwerk van de Gestapo functioneerde. Als deze samenvatting naar de mening van het Tribunaal overeenkomt met de inhoud van het document, zal ik verder gaan met de volgende sectie van het rapport, “De satellieten van Duitsland.”
Toen het Plan Barbarossa hier voor het verslag werd voorgelezen was er één onderdeel van de hele zaak dat naar mijn mening relatief weinig aandacht kreeg. Ik verwijs naar Deel II van Plan Barbarossa, document 446-PS. Dit deel heeft als titel “Vermoedelijke bondgenoten en hun taken.” Ik zou nu hier de aandacht van het Tribunaal willen vestigen op de kwesties die in dit deel behandeld worden. Allereerst acht ik het van essentieel belang u te herinneren aan de inhoud van dit gedeelte door het te herhalen. Document 446-PS, Operatie Barbarossa staat op pagina 14 van het documentenboek dat bij het Tribunaal is ingediend. Ik acht het van groot belang deel II van deze zaak voor te lezen:
“1. Aan de flanken van onze operatie kunnen we rekenen op de actieve deelname van Roemenië en Finland aan de oorlog tegen Sovjet Rusland.
Het OKW zal op het geschikte tijdstip regelen en vastleggen op welke wijze de strijdkrachten van de twee landen ondergeschikt zullen zijn aan het Duitse commando bij hun toetreding tot de oorlog.
“2. De taak van Roemenië zal zijn, in samenwerking met de daar oprukkende strijdkrachten, de tegenover haar liggende vijandelijke troepen te binden en voor de rest de ondersteunende diensten in het achterland te handhaven.
“3. Finland zal de voortgang van de Duitse noordelijke landingsgroep (eenheden van Groep XXI) die uit Noorwegen komen moeten dekken en daarna ermee samenwerken. Bovendien zal het aan Finland zijn Hango uit te schakelen.
“4 Er kan op worden gerekend dat de Zweedse spoorwegen en kolen niet later dan aan het begin van de operatie beschikbaar zijn voor de verplaatsing van de Duitse noordelijke groep.
In het pleidooi van de Hoofdaanklager van de U.S.S.R., Generaal Rudenko, werd de aandacht gevestigd op de openingszin van dit gedeelte:
“Aan de flanken van onze operatie kunnen we rekenen op de actieve deelname van Roemenië en Finland aan de oorlog tegen Sovjet Rusland.”
Zo rechtvaardigde de Hoofdaanklager van de U.S.S.R., door er in zijn pleidooi op te wijzen dat op 18 december 1940, de datum van het Barbarossa document, Roemenië en Finland de voetsporen van het roofzuchtige beleid van de Hitleriaanse samenzweerders al volgden.
Er is nog een document dat is ingediend door de Amerikaanse Aanklager waarin de veronderstelde bondgenoten van Duitsland in haar agressie tegen de U.S.S.R. worden genoemd. Dat document, C-39, is getiteld “Voorlopig Plan Barbarossa.” Het is, zoals beklaagde Keitel in zijn begeleidende brief schreef, een tijdschema voor de voorbereidingen op Barbarossa na juni 1941. Dit tijdschema werd door Hitler bevestigd. De tekst van dit plan staat op pagina 57 van het documentenboek. In deel I van dit document, getiteld “Onderhandelingen met bevriende mogendheden” lezen wij:
“a) Er is aan Bulgarije een verzoek gedaan het aantal eenheden dat om veiligheidsredenen aan de Turkse grens is gelegerd, niet in grote mate te verminderen.
“b) De Roemenen zijn op advies van de Opperbevelhebber van de Duitse troepen in Roemenië begonnen met een gedeeltelijke, heimelijke mobilisatie om haar grenzen te sluiten voor een veronderstelde aanval door de Russen.
“c) Hongaars grondgebied zal slechts worden gebruikt voor de opstelling van Heeresgruppe Süd voor zover het nuttig is voor de aanvoer van Duitse eenheden om contact te maken tussen de Hongaarse en Roemeense troepen. Tot half juni zal er echter geen verzoek over dit onderwerp worden gedaan.
“d) Er zijn twee Duitse divisies opgesteld in het oostelijke deel van Slowakije; de volgende zullen in het gebied rond Prosov worden gelegerd.
“e) Inleidende onderhandelingen met de Finse Generale Staf vinden vanaf 25 mei plaats.
Meneer de President, om de volgende documenten in verhouding te brengen tot de getuigenis, afgelegd door Paulus zal ik slechts verwijzen naar het feit dat deze getuige verklaringen aflegde over de eerdere voorbereidingen op militaire agressie in het fort Roemenië; daarmee bewees hij dat overeenkomstige maatregelen voor de reorganisatie van het Roemeense leger, opgericht en gevormd naar het voorbeeld van het Duitse leger, al in september 1940 waren genomen toen er een bijzondere militaire missie naar Roemenië werd gestuurd. Het hoofd van deze missie was de Generaal der Cavalerie Hansen. Zijn ChefStaf was generaal-majoor Hauffe, zijn kwartiermeester-generaal Majoor Merk. Generaal-majoor Von Rotkirch voerde het bevel over de 13de pantserdivisie.
De taak van deze militaire missie bestond uit het reorganiseren van het Roemeense leger en de voorbereiding op de komende aanval op de Sovjet Unie in de geest van Operatie Barbarossa. De eerste aanzet tot deze taak, zoals Paulus heeft verklaard, werd door Paulus aan Hansen en zijn ChefStaf gegeven en zij kregen de laatste richtlijnen van de opperbevelhebber, Feldmarschall Von Brauchitsch.
Generaal Hansen kreeg zijn richtlijnen uit twee bronnen: het OKW waar het zijn militaire missie betrof en het OKH voor alle kwestie die op het leger betrekking hadden. Richtlijnen van een militair en politiek karakter werden alleen maar van het OKW ontvangen.
De militaire missie fungeerde als bemiddelaar tussen de Duitse en de Roemeense generale staven. De vorm die in de overeenkomst werd aangenomen en nog meer, het publiceren van de werkelijke doelen van de hooggeplaatste fascistische leiders in het land zinden de satellieten niet altijd.
Ik dien nu in als bewijsstuk nummer U.S.S.R.-233 (document U.S.S.R.-233) de aantekeningen van een gesprek tussen Ion Antonescu en beklaagde Von Ribbentrop dat plaats vond op 12 februari 1942. Dit document is afkomstig uit de persoonlijke archieven van Maarschalk Antonescu die door vooruitgeschoven eenheden van het Rode Leger werden buitgemaakt. Dit document, Heren Rechters, staat op pagina 59 tot 62 van uw documentenboek.
In verband met de toespraak van Von Ribbentrop in Boedapest over Transsylvanië, maakt Antonescu in de loop van het gesprek de volgende aantekening – laatste alinea, pagina 2 van de Russische tekst van het document, pagina 60 van het documentenboek:
“Zonder aarzelen benadrukte ik het punt dat ik al op 6 september verklaarde, toen ik de regering van het land overnam, alleen gesteund door Monsieur Mihai Antonescu, zonder naar de mening van mijn volk te vragen, dat we een beleid van steun aan de Axis mogendheden moeten voeren. Ik zei dat dit het enige voorbeeld in de geschiedenis der naties was dat twee personen een openlijke verklaring afleggen en hun volk oproepen een beleid te volgen dat ongetwijfeld alleen maar afschuwelijk kon lijken....”
Toen hij deze cynische aantekening maakte, kon Antonescu nauwelijks hebben vermoed dat die zo’n ruime publiciteit zou krijgen.
Meneer de President, ik ben van plan een groot document voor het verslag voor te lezen dat aanzienlijk veel tijd zal kosten.
De PRESIDENT: Ik schors nu de zitting.
(Het Tribunaal wordt verdaagd tot 12 februari 1946 om 10:00 uur.)

Zie ook: Verhoor Paulus 2

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
Cavalerie
In het Engels Calvary. Oorspronkelijk een aanduiding voor bereden troepen. In de Tweede Wereldoorlog de aanduiding voor gepantserde eenheden. Belangrijkste taken zijn verkenning, aanval en ondersteuning van infanterie.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
invasie
Gewapende inval.
Maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
Operatie Seelöwe
Codenaam voor de nooit uitgevoerde Duitse invasie van Groot-Brittannië.
regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Rode Leger
Leger van de Sovjetunie.
RSHA
Reichssicherheitshauptambt. De centrale inlichtingen en veiligheidsdienst van het Derde Rijk
SIPO
Sicherheitspolizei. Samenvoegingsverband (sinds 1936) van de Gestapo en Kriminalpolizei
USSR
Unie van Socialistische Sovjet Republieken, ook wel Sovjet-Unie genoemd. Federatie van republieken tijdens de communistische periode van Rusland.

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
12-12-2010
Laatst gewijzigd:
27-12-2018
Feedback?
Stuur het in!

Gerelateerde thema's

Gerelateerde personen

Bronnen

International Military Tribunal, Nuremberg 1947.