De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Inleiding

    In juni 1940 werd het Nederlandsch Flottielje Onderzeeboten, dat bestond uit een aantal uit het bezette Nederland uitgeweken Nederlandse onderzeeboten, gestationeerd in het Schotse Dundee. De Nederlandse onderzeeboten stonden onder Brits operationeel bevel en maakten deel uit van het Britse 9th Submarine Flotilla. Het Nederlandse flottielje stond onder bevel van de Nederlandse kapitein-luitenant-ter-zee (KLTZ) C. Hellingman en bestond uit de oude Nederlandse onderzeeboten Hr. Ms. O 13 en Hr. Ms. O 14 en de moderne onderzeeboten Hr. Ms. O 21, Hr. Ms. O 22, Hr. Ms. O 23 en Hr. Ms. O 24.

    KLTZ Hellingman was voorstander van een andere onderzeeboottactiek dan die door de Royal Navy werd toegepast. De Britten pasten een tactiek toe waarbij onderzeeboten geheel alleen op oorlogspatrouille gingen en vijandelijke schepen aanvielen als zij daartoe de kans kregen. Hellingman was voorstander van een tactiek die Nederlandse onderzeeboten in Nederlands Oost-Indië hadden ontwikkeld en waarbij zij in flottielje verband opereerden. Door gecoördineerde aanvallen uit te voeren met meerdere boten was de kans op succes groter. Zijn gelijk werd min of meer bewezen doordat er in zes maanden tijd reeds twintig geallieerde onderzeeboten verloren waren gegaan terwijl de successen van deze boten niet alleen gering geweest waren, maar ook leken af te nemen. Daarom wilde hij zijn onderzeeboten zoveel mogelijk gescheiden houden van de Britse. Hoe zelfstandiger het door hem gecommandeerde deel van de Nederlandse onderzeedienst was, hoe gemakkelijker hij volgens eigen inzichten kon opereren, zo was zijn betoog.

    Om als Nederlandse eenheid onafhankelijk van de Britten te kunnen opereren was een depot- of moederschip nodig. Een groot deel van de jongere officieren van de Onderzeedienst, waaronder een aantal onderzeebootcommandanten, pleitten voor een andere aanpak. Zij stelde de technische bedrijfsefficiency primair en betoogden: “… dat meer rendement van ons goed en ervaren personeel kan worden verkregen door de onderzeeboten over meer dan één Britsch flottielje te verdeelen en, zoo spoedig zulks mogelijk zou blijken, van de Nederlandsche op Britsche onderzeeboten over te stappen. Op deze wijze zou het vraagstuk van de instandhouding van het materieel tot eenvoudiger proporties worden teruggebracht, hetgeen ook een bezuiniging op walpersoneel zou meebrengen en bovendien zou de gedachte, verspreiding over meer dan één oorlogstoneel, leiden tot een nog grootere samenwerking met de geallieerde strijdmakkers.”

    Een groot deel van de staf van de Nederlandse Onderzeedienst, de meer oudere officieren, was echter voorstander van een meer onafhankelijke en Nederlands georiënteerde onderzeedienst en pleitbezorger van een moederschip. Eén van hun belangrijkste argumenten was het feit dat met een eigen onderzeebootmoederschip een verplaatsbaar onderzeebootcentrum kon worden verkregen, dat kon dienen als mobiele basis voor Nederlandse onderzeeboten. Hierdoor zouden de Nederlandse boten meer bewegingsvrijheid krijgen en op grotere afstand van de walbasis kunnen opereren. Hierbij doelden de officieren vooral op de inzet van de Nederlandse onderzeeboten in de uitgestrekte Nederlands Oost-Indische archipel.

    Deze overwegingen leidden ertoe dat de plannen voor het verkrijgen van een eigen onderzeebootmoederschip al in het najaar van 1940 vaste vorm had gekregen. De Bevelhebber der Zeestrijdkrachten in Londen, vice-admiraal Johannes Theodorus Furstner, begon onderhandelingen met de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (KNSM) om het motorpassagiersschip Colombia te kunnen charteren. De KNSM voelde er weinig voor om haar vlaggeschip af te staan, maar de oorlogsomstandigheden lieten de rederij geen keus. Op 8 november 1940 werd de Colombia door de Koninklijke Marine gevorderd.

    Afbeeldingen

    Het motorschip Colombia voor de Tweede Wereldoorlog. Bron: P. Kimenai Go2War2.
    De Colombia was geregistreerd in Amsterdam. Bron: P. Kimenai Go2War2.
    Ms. Colombia aan de KNSM steiger in New York in 1940, kort voor de verbouwing. Bron: Kombuispraat.
    De Colombia in het vooroorlogse Hamburg. Bron: Collectie Dannenburg.
    Ms. Colombia in Funchal, Madeira. Bron: Collectie Dannenburg.

    Van motorschip tot oorlogsschip

    Het motorschip Colombia, dat een standaard waterverplaatsing had van 10.782 ton, werd door de KNSM vooral ingezet als mail-, pakket- en passagiersschip tussen West-Europa en het Caribische zeegebied, maar ook voor het maken van cruises naar Noorwegen en IJsland. Het was een voor die tijd zeer luxe schip met een zwembad, een lift en accommodaties voor 278 passagiers. Het schip was door haar eigenaar op 16 april 1929 besteld bij P. Smit Jr. te Rotterdam, die de kiel van het schip in 1930 legde onder werfnummer 454. Op 24 mei van datzelfde jaar werd de Colombia te water gelaten en op 26 oktober 1930 opgeleverd aan de KNSM. Het schip was bijna 140 meter lang, ruim 18 meter breed en had een diepgang van 8,1 meter. De twee 4-takt 8-cilinder Werkspoor dieselmotoren leverden een machinevermogen van 8.000 pk waardoor het schip een maximale snelheid kon bereiken van 15,5 knopen.

    De Colombia arriveerde in januari 1941 vanuit de West in Glasgow, Schotland. Het schip ankerde op 12 maart 1941 op de Firth of Tay voor Dundee en ging daarna door naar de werf van de Caledon Shipbuilding & Engineering Company. Deze scheepswerf bouwde eigenlijk alleen vrachtschepen, maar sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voerde de werf ook onderhouds- en reparatiewerk uit voor de Royal Navy, voornamelijk aan onderzeeboten en andere kleine oorlogsschepen. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de Colombia een zeer beperkte verbouwing zou ondergaan tot accommodatieschip, maar op aandringen van de British Admiralty werd besloten het schip te verbouwen tot volwaardig Submarine Depot Ship.

    Op de bak werden twee 7,5cm kanonnen geplaatst die afkomstig waren van de Nederlandse mijnenlegger Hr. Ms. Douwe Aukes. Op het achterschip verschenen twee dezelfde soort kanonnen van Britse makelij. Op het tentdek werd een luchtafweerbatterij opgesteld die bestond uit acht 20mm Oerlikon-, zes 12,7mm en vier 7,7mm mitrailleurs. Alle stukken werden aangesloten op een telefoonnet, dat centraal door de vuurleider, voor wie een onderkomen was aangebracht achter het peilkompas op de brug, kon worden bediend. Verder werd op de bak een installatie aangebracht voor het voeren van twee paravanen, torpedovormige drijvers waaraan mijnenveegkabels bevestigd konden worden.

    Op het achterkuildek werden zowel aan stuurboord als aan bakboord hijsstoelen aangebracht ten behoeve van de snelle communicatie- en hulpmotorboten Hr. Ms. M 73 en Hr. Ms. M 74, die afkomstig waren van vliegkamp de Mok op Texel. Deze boten, die in 1938 als vliegtuigassistentievaartuigen gebouwd waren op de Rijkswerf Willemsoord in Den Helder voor de Marine Luchtvaart Dienst (MLD), waren in de meidagen van 1940 ontkomen naar Engeland en in Portsmouth bij de Onderzeedienst terecht gekomen. Na de verhuizing van de Onderzeedienst naar Dundee, volgden de boten over land, getransporteerd op vrachtwagens. Aan boord van de Colombia zouden de M 73 en M 74 wederom hun taken als communicatieboten gaan uitvoeren.

    Naast de oorspronkelijke woonruimte voor de bemanning werd de 3e klasse passagiersruimte bestemd voor manschappen en korporaals. Ruim I werd omgebouwd tot cafetaria en ruim II tot slaapverblijf. De 2e klasse passagiersruimte werd voorbestemd voor de onderofficieren en diende nauwelijks aangepast te worden. De 2e klasse rooksalon zou gaan fungeren als longroom voor de tien adelborsten, die aan boord van het schip het praktische gedeelte van hun opleiding zouden gaan volgen. De ruime muzieksalon werd de longroom voor de officieren en in de 1e klasse rooksalon werd het stafbureau ondergebracht. Ruim III werd omgebouwd tot torpedowerkplaats en om hoge druk lucht te kunnen maken ten behoeve van de torpedo`s werd de ruimte voorzien van een Junkers compressor. In het onderruim werden de reserve torpedo`s opgeslagen met in de midscheeps een aparte ruimte ten behoeve van de explosieve torpedokoppen. In ruim IV werd de machinewerkplaats ondergebracht en deze ruimte werd voorzien van draaibanken en ander mechanisch gereedschap. Verder werden enkele 1e klasse hutten omgebouwd tot kantoorruimtes en de ziekenboeg werd vergroot tot drie maal de oorspronkelijke ruimte. Tenslotte werd de Colombia voorzien van een destilleerinrichting, om de accu`s van de onderzeeboten te voorzien van gedestilleerd water, en werd het nodige leidingwerk aangelegd om de onderzeeboten te voorzien van dieselolie en drinkwater.

    De gehele oorspronkelijke, 273 koppen tellende bemanning werd gemilitariseerd en voor vijf jaar verbonden aan de Koninklijke Marine waarbij de officieren werden beëdigd als officier KMR (Koninklijke Marine Reserve). Door de plaatsing van gespecialiseerd marinepersoneel, zoals torpedomakers en monteurs, en enige stafofficieren met hun gevolg van schrijvers en hofmeesters zou de bemanning uitgebreid worden tot in totaal 326 koppen.

    Op 20 mei 1941 werd de Colombia in dienst gesteld ondanks dat de verbouwing nog niet voltooid was. KLTZ Hellingman werd voorlopig aangesteld als commandant van Hr. Ms. Colombia. Op 18 augustus loste kapitein-luitenant-ter-zee J.L.K. Hoeke, die op 15 november 1941 bevorderd werd tot kapitein-ter-zee (KTZ), Hellingman af als commandant van Hr. Ms. Colombia. Op 26 september was de verbouwing van de Colombia voltooid en vanaf die dag deed het schip dienst als onderzeebootmoederschip te Dundee. De geringe maximale vaart van 15,5 knopen, het feit dat het schip over weinig waterdichte compartimenten beschikte en het feit dat voor de gehele verbouwing tot onderzeebootmoederschip alleen hout was gebruikt, zorgden er voor dat Hr. Ms. Colombia bij voorbaat een zeer kwetsbaar oorlogsschip was.

    Definitielijst

    torpedo
    Oorlogswapen, met van een explosieve lading voorzien sigaarvormig lichaam met een voortstuwings- en besturingsmechanisme, bestemd om na lancering via het water zijn weg te zoeken naar vijandelijke schepen en deze door een onderwaterexplosie uit te schakelen.

    Afbeeldingen

    Ms. Colombia in Herok, IJsland. Bron: Kroonvaarders.
    Communicatieboot Hr. Ms. M 73 in Den Helder. Bron: Dutchfleet.
    Luxe hut aan boord van de Colombia. Bron: Geheugenvannederland.
    1e klasse rooksalon aan boord van de Colombia. Bron: Geheugenvannederland.
    Eetsalon van de Colombia. Bron: Geheugenvannederland.

    Onderzeebootmoederschip Hr. Ms. Colombia

    Gedurende het verdere verloop van 1941 bleef Hr. Ms. Colombia in Dundee. Omdat de Nederlandse onderzeeboten Hr. Ms. O 22 en Hr. Ms. O 13 respectievelijk in november 1940 en juni 1941 verloren waren gegaan en Hr. Ms. O 21, Hr. Ms. O 23 en Hr. Ms. O 24 vanaf begin 1941 waren gestationeerd in Gibraltar, verleende de Colombia eind 1941 assistentie en service aan Hr. Ms. O 14, diverse Britse onderzeeboten en de Franse onderzeeboten Minerve en Rubis.

    Op 5 januari 1942 verliet Hr. Ms. Colombia Dundee met als eindbestemming Nederlands Oost-Indië. Van 7 tot en met 10 januari lag het nieuwe onderzeebootmoederschip eerst nog voor anker nabij Greenock op de rivier de Clyde. Hier werden torpedo`s geladen terwijl zich bovendien een detachement van de Prinses Irene Brigade inscheepte. Op 10 januari lichtte de Colombia het anker en vertrok naar de verzamelplaats van een groot konvooi bestaande uit 25 koopvaardijschepen. Op 12 januari sloot de Colombia zich aan bij het konvooi dat zich tussen Schotland en Noord-Ierland bevond en begeleid werd door zeven Britse torpedobootjagers en de lichte Nederlandse kruiser Hr. Ms. Jacob van Heemskerck. Tijdens het eerste traject van de reis, dat via Freetown, Sierra Leone, naar Kaapstad in Zuid-Afrika ging, werd het troepentransportschip Llanibby Castle door een Duitse U-boot getorpedeerd waarbij het roer en het achterschip zwaar beschadigd raakten. Desondanks kon het schip, sturend met de schroeven, zonder escorte, ontkomen naar Gibraltar. De Aagtekerk, een Nederlands koopvaardijschip in het konvooi had kans gezien de Duitse onderzeeboot te rammen, maar deze liep slechts lichte schade op. Het konvooi bereikte zonder verdere problemen Kaapstad. Hr. Ms. Colombia ging vervolgens alleen door en bereikte op 4 maart Colombo, de hoofdstad van Ceylon, het huidige Sri Lanka.

    Omdat de geallieerde vloot in de Javazee in de nacht van 27 op 28 februari 1942 verslagen was en de Japanners inmiddels Java, als laatste geallieerde bolwerk in Nederlands Oost-Indië, hadden bezet, werd besloten dat Colombo de nieuwe basis voor Hr. Ms. Colombia zou worden. Het Nederlandse onderzeebootmoederschip kwam, net als alle andere Nederlandse oorlogsschepen die gestationeerd waren in Colombo onder Brits operationeel bevel te staan als onderdeel van de Britse Eastern Fleet onder commando van Admiral Sir James Somerville. In het overvolle Colombo, waar steeds meer ontkomen geallieerde schepen binnenliepen, was de Colombia een ware uitkomst voor de Nederlandse onderzeeboten. Hr. Ms. K XIV, Hr. Ms. K XI en Hr. Ms. O 19 meerden achtereenvolgens af langszij het Nederlandse onderzeebootmoederschip. De Colombia kon service en luxe faciliteiten, zoals een echt bed en een eetsalon, bieden aan de vermoeide bemanningsleden, privileges die na het wegvallen van de Nederlandse marinebasis te Soerabaja op Java nergens anders meer te vinden waren.

    De Nederlandse onderzeeboten die langszij de Colombia lagen moesten enkele reparaties ondergaan die niet door de bemanning van het Nederlandse onderzeebootmoederschip uitgevoerd konden worden. Daarom vertrokken de drie onderzeeboten naar een werf in Bombay, Brits Indië. Ook de zojuist in Colombo gearriveerde Nederlandse onderzeeboot Hr. Ms. O 23 werd naar Bombay gezonden. Hr. Ms. Colombia werd eveneens naar de haven in Brits Indië gezonden om te fungeren als werk- en logementschip. Op 13 mei 1942 verliet de Colombia de haven van Colombo onder escorte van de oude Britse torpedobootjager HMS Scout. De Commandant Zeemacht (CZM) in de Oost, vice-admiraal Conrad Helfrich, maakte de reis mee op het in zijn eigen woorden “prachtige en comfortabele schip”.

    Het verblijf van Hr. Ms. Colombia in Bombay was slechts van korte duur. De Britse Eastern Fleet kampte met een ernstig tekort aan reparatie- en moederschepen en het Britse onderzeebootmoederschip in Colombo, HMS Lucia, was door een Japanse bom beschadigd en moest in reparatie. Daarom riep Admiral Somerville de Colombia naar Kilindini bij Mombasa in Kenia waar het grootste deel van de Eastern Fleet inmiddels gestationeerd was. De Britse vloot was uitgeweken naar de haven in Kenia omdat Ceylon regelmatig gebombardeerd werd door Japanse vliegtuigen die afkomstig waren van vliegdekschepen. Vice-admiraal Helfrich protesteerde tegen deze beslissing. Zoals hij later in zijn memoires schreef: “ik voelde er niets voor Colombia uit veilig Bombay te halen en wat zou men later met het schip doen?” De bezwaren van Helfrich werden door Somerville echter niet gehonoreerd en op 20 juli 1942 vertrok Hr. Ms. Colombia uit Bombay, geëscorteerd door Hr. Ms. K XV en Hr. Ms. O 19. Op 8 augustus liepen de Nederlandse schepen behouden de haven in Kenia binnen.

    In Kilindini bleek echter al gauw dat het niet de bedoeling was om Hr. Ms. Colombia in Kenia te stationeren maar in East-London, in het zuidoosten van Zuid-Afrika. Tien dagen na haar aankomst in Kenia vertrok de Colombia naar East-London waar het onderzeebootmoederschip op 24 augustus aankwam. In de Zuid-Afrikaanse haven kreeg de Colombia de taak om als moederschip te fungeren voor geallieerde onderzeeboten die op weg waren van Europa en de Verenigde Staten naar de Indische Oceaan en vice versa. Tot januari 1943 kwamen Hr. Ms. K XIV, Hr. Ms. K XV en Hr. Ms. O 19 op weg naar Europese werven voor groot onderhoud, Hr. Ms. O 21 en Hr. Ms. O 24 op weg naar Colombo en drie Britse onderzeeboten van de Truant-klasse langszij Hr. Ms. Colombia. Het Nederlandse schip verrichtte verder nuttig werk ten behoeve van de in East-London gestationeerde Britse korvetten en mijnenvegers. Verder werden de M 73 en de M 74, gewapend met dieptebommen, ingezet bij de verdediging van de haven.

    Definitielijst

    kruiser
    Snelvarend oorlogsschip van 8000-15000 ton, geschikt voor diverse taken als verkenning, verkenningsafweer en konvooibescherming.
    torpedo
    Oorlogswapen, met van een explosieve lading voorzien sigaarvormig lichaam met een voortstuwings- en besturingsmechanisme, bestemd om na lancering via het water zijn weg te zoeken naar vijandelijke schepen en deze door een onderwaterexplosie uit te schakelen.
    torpedobootjager
    (Engels=destroyer) Zeer lichtgebouwd, snel en wendbaar oorlogsschip, bestemd om door verrassingsaanvallen grote vijandelijke schepen met de torpedo tot zinken te brengen.
    U-boot
    Duitse benaming voor onderzeeboot. Duitse U(ntersee)-boten hebben tot in mei 1943 een belangrijke rol gespeeld in de oorlogvoering. Ook veel vracht- en passagiersboten werden door deze sluipmoordenaars van de zee getorpedeerd en tot zinken gebracht.

    Afbeeldingen

    Hr. Ms. Colombia in marinegrijs. Bron: Kombuispraat.
    Hr. Ms. Jacob van Heemskerck maakte deel uit van het escorte van Hr. Ms. Colombia op weg naar de Oost. Bron: Courtesy of M. Thijs.
    Hr. Ms. O 23 was één van de Nederlandse onderzeeboten waaraan Hr. Ms. Colombia service verleende. Bron: P. Kimenai Go2War2.

    Ondergang van Hr. Ms. Colombia

    Nadat Hr. Ms. K XIV, Hr. Ms. K XV en Hr. Ms. O 19 uit Colombo waren vertrokken om afgelost te worden door Hr. Ms. O 21, Hr. Ms. O 23 en Hr. Ms. O 24 drong vice-admiraal Helfrich er bij de commandant van de Eastern Fleet op aan Hr. Ms. Colombia weer naar Colombo te zenden. Hij argumenteerde dat de Colombia niet alleen nodig zou zijn om de drie laatstgenoemde O-boten te faciliteren, maar er bestond ook een zeer grote kans dat het Nederlandse logementschip Hr. Ms. Plancius, dat nog in Colombo lag, naar Fremantle in West-Australië gezonden zou worden. De Koninklijke Marine zou dan helemaal geen logementschip meer hebben in Colombo. Admiral Sommerville stemde in, maar voordat het Nederlandse schip de reis naar Colombo kon maken moest zij eerst voor groot onderhoud naar Simonstown bij Kaapstad waar zich een droogdok bevond dat de Colombia kon opnemen.

    Omdat tussen 11 en 17 februari 1943 al vier geallieerde koopvaardijschepen door Duitse onderzeeboten tot zinken waren gebracht in Zuid-Afrikaanse wateren zou Hr. Ms. Colombia tijdens de korte reis een behoorlijk escorte nodig hebben. De Britse opperbevelhebber in het zuidelijke Atlantische gebied, Vice Admiral Sir Campbell Tait, beschikte op dat moment echter over heel weinig escortevaartuigen omdat er niet minder dan zeven konvooien onderweg waren in zijn gebied. Toch ontving commandant Hoeke op 20 februari een bericht van Tait dat Hr. Ms. Colombia van 2 tot 6 maart in Simonstown kon dokken. Het Britse Flower-class korvet HMS Genista (K 200) zou op 24 februari in East-London aankomen en de Colombia escorteren.

    Op 25 februari vond aan boord van Hr. Ms. Colombia een bespreking plaats tussen de commandanten van de Colombia en de Genista en de Britse marinecommandant van East-London. Zij kwamen overeen om ongeveer tien zeemijlen uit de wal te blijven en zich via Port Elizabeth en Mosselbaai naar hun bestemming te begeven. De marinecommandant van East-London zou er voor zorgen dat het kleine konvooi vanuit de lucht beschermd zou worden door enkele vliegtuigen van de Royal Air Force (RAF) en dat Vice Admiral Tait op de hoogte gebracht zou worden van de nemen route. Op 27 februari om 07:00 uur vertrokken Hr. Ms. Colombia en HMS Genista uit East-London en zetten een zigzag koers in, in zuidwestelijke richting waarbij de Genista 900 meter voor de Colombia uitging. Om 09:15 uur ontving men aan boord van beide schepen het bericht dat een toestel van de RAF een onderzeeboot had gezien, die ongeveer 38 mijl van het kleine konvooi verwijderd was en in een snelduik was verdwenen. Aan boord van de Colombia werd uitgerekend dat de onderzeeboot mogelijk rond 01:00 uur een kans had om aan te vallen. Commandant Hoeke had natuurlijk kunnen terugkeren naar East-London, maar hield zijn koers aan omdat hij zich voldoende beschermd voelde door de aanwezigheid van de Genista en de vliegtuigen. Bovendien achtte Hoeke het zeer waarschijnlijk dat er zich meerdere vijandelijke onderzeeboten in de nabijheid ophielden waardoor een eventuele koerswijziging weinig nut had.

    De Duitse U-boot U 516, onder commando van Korvettenkapitän Gerhard Wiebe, was op 23 december 1942 vertrokken uit Lorient, de Duitse U-bootbasis aan de zuidkust van Bretagne. U 516 behoorde tot een flottielje van vijf U-boten aangeduid als Gruppe Seehund en bestond verder uit U 160, U 506, U 509 en U 182. Gruppe Seehund werd eind `42 naar het zeegebied rond Kaap de Goede Hoop gezonden waar een druk scheepvaartverkeer gaande was. U 516 kreeg de kustwateren tussen Port Elizabeth en East-London als patrouillegebied toegewezen. In de nacht van 9 op 10 februari arriveerde Wiebe voor de kust van Port Elizabeth. De vuurtoren van Kaap St. Francis, 30 mijl ten zuidwesten van deze haven, brandde als in vredestijd terwijl de lichten van Port Elizabeth duidelijk zichtbaar waren in de nacht. Vier vliegtuigen, met brandende navigatielichten, cirkelden rond boven de havenstad. Hoewel de Britten, door hun uitstekende inlichtingennetwerk, op de hoogte waren van de aanwezigheid van de Duitse onderzeeboten in de Zuid-Afrikaanse wateren, hadden zij vooralsnog verzuimd om defensieve maatregelen te treffen.

    In de vroege morgen van 11 februari boekte Wiebe zijn eerste succes door het alleen varende Britse koopvaardijschip Helmspey van 4.764 ton te torpederen. Het duurde tot 17 februari voor hij een volgend slachtoffer kon maken: de Amerikaanse Deer Lodge van 6.187 ton. Op 26 februari bevond de U 516 zich `s avonds voor East-London, dat helder verlicht was, maar rond 21:00 uur werd de stad plotseling verduisterd en was de bemanning van de boven water varende U-boot getuige van een oefening met zoeklichten. Toen het de volgende morgen licht werd ging de U 516 onder water. Om 10:00 uur kwam de Duitse onderzeeboot tot op periscoopdiepte en zag Wiebe op zeven mijl afstand een zigzaggend schip dat vooraf gegaan werd door een korvet. “Het naderende schip lag hoog op het water en was naar schatting 10.000 ton” schreef Wiebe in zijn logboek. Om 11:38 uur had hij zijn U-boot in de juiste lanceerpositie gemanoeuvreerd en vuurde, op een afstand van ongeveer 1.500 meter een gespreid salvo van drie torpedo`s af.

    Het was nog net geen kwart voor twaalf toen Hr. Ms. Colombia aan stuurboord, ter hoogte van ruim II door een torpedo getroffen werd. De bemanning nam een enorme waterzuil waar en stukken hout vlogen door de lucht en kwamen bovenop de brug en de dekken terecht. Alle waterdichte deuren werden meteen gesloten, maar al snel bleek dat de Colombia reddeloos verloren was. Commandant Hoeke gaf het bevel “schip verlaten” en sprong als laatste bemanningslid overboord toen de brug gelijk stond met het wateroppervlak. De bemanning was intussen op een zeer gedisciplineerde wijze in de sloepen gegaan. Een minuut later stond het schip verticaal, het achterschip hoog in de lucht, roer en schroeven staken 25 meter boven het water uit. Om 11:55 uur verdween Hr. Ms. Colombia onder de zeespiegel. De M 73 en de M 74 verdwenen met de Colombia naar de zeebodem voor de Zuid-Afrikaanse kust.

    HMS Genista ging meteen nadat de Colombia getroffen was, met hoge vaart op de U-boot af maar deze verdween meteen onder water. Om 11:44 uur viel de eerste dieptebom en twee minuten later volgden er nog twee. Om 11:56 uur kon men in de U-boot duidelijk de geluiden horen van het zinken van de Colombia en het breken van haar waterdichte schotten. De bemanning van de U 516 volgde nog een kwartier de bewegingen van de Genista, maar het korvet zette de jacht op de Duitse onderzeeboot niet lang door en begon zich om de bemanning van de Colombia in de sloepen te bekommeren. Terwijl Wiebe in oostelijke richting verdween nam de Genista het leeuwendeel van de bemanning van Hr. Ms. Colombia aan boord. De overigen werden aan boord genomen van een toegesnelde reddingsboot van de RAF. Om ongeveer 20:00 uur waren alle drenkelingen terug in East London en werd appel gehouden. Er bleken acht bemanningsleden te ontbreken. De overlevenden waren hiervan diep onder de indruk omdat zij allemaal dachten dat iedereen veilig van boord was geraakt.

    Definitielijst

    dieptebom
    Een projectiel met een grote hoeveelheid springstof, dat vanaf schepen en vliegtuigen wordt afgeworpen naar onder water varende onderzeeboten. De dieptebom veroorzaakt een grote schokgolf in het water, die zoveel schade aan de onderzeeboot kan toebrengen dat hij zinkt of gedwongen wordt boven water te komen.
    torpedo
    Oorlogswapen, met van een explosieve lading voorzien sigaarvormig lichaam met een voortstuwings- en besturingsmechanisme, bestemd om na lancering via het water zijn weg te zoeken naar vijandelijke schepen en deze door een onderwaterexplosie uit te schakelen.
    U-boot
    Duitse benaming voor onderzeeboot. Duitse U(ntersee)-boten hebben tot in mei 1943 een belangrijke rol gespeeld in de oorlogvoering. Ook veel vracht- en passagiersboten werden door deze sluipmoordenaars van de zee getorpedeerd en tot zinken gebracht.

    Afbeeldingen

    Het Flower-class korvet HMS Genista. Bron: Theflowerclasscorvetteforums.
    De U 516 bracht Hr. Ms. Colombia tot zinken. Bron: Uboat.

    Besluit

    In Kaapstad werd eind maart 1943 door een commissie van de Britse Admiralty een uitvoerig onderzoek ingesteld naar de ondergang van Hr. Ms. Colombia. Deze commissie achtte het niet waarschijnlijk dat de eerder verkende onderzeeboot dezelfde was die de aanval op de Colombia had uitgevoerd. De in East-London getroffen maatregelen vond de commissie bevredigend al was zij van mening dat Vice Admiral Tait op de hoogte had moeten worden gebracht over de afgesproken route. De leden van de commissie meenden dat KTZ Hoeke zijn koers belangrijk had moeten wijzigen na de melding van de eerste onderzeeboot.

    De conclusies van de commissie van de Britse Admiralty waren op zijn minst niet erg objectief te noemen. Zij hadden zelf betoogd dat de eerste onderzeeboot waarschijnlijk niet dezelfde was geweest dan de aanvallende U-boot. Waarom zou commandant Hoeke dan zijn koers moeten wijzigen? De Britse admiraliteit had de hand in eigen boezem moeten steken. Men had dan kunnen concluderen dat het escorte van Hr. Ms. Colombia niet voldaan had en dat het Nederlandse onderzeebootmoederschip in East-London had moeten wachten op een betere bescherming. Bovendien was de Admiralty rijkelijk laat met het doorvoeren van voorzorgsmaatregelen om de scheepvaart in de wateren rond Zuid-Afrika te beschermen. Brandende vuurtorens en verlichte havens pasten niet aan een kust waar vijandelijke onderzeeboten aanwezig waren.

    Vice-admiraal Helfrich schreef in zijn memoires: “Wij wisten dat dit fraaie schip niet veel waterdichte compartimenten had en dus zeer gevoelig was voor treffers onder water. De commandant had mij daarop reeds dadelijk gewezen. Vandaar dat ik het schip niet veel verplaatsen wilde en mij had verzet tegen het gebruik op de Afrikaanse kust. Ceylon of Bombay moest zijn basis blijven, terwijl het later te Fremantle (1944-`45) en daarna onschatbare diensten had kunnen bewijzen”.

    Het was inderdaad een gevoelige klap voor de Nederlandse Onderzeedienst om haar enige echte onderzeebootmoederschip na een dergelijke korte loopbaan te moeten verliezen. Hr. Ms. Colombia, het luxepaard van de Onderzeedienst in ballingschap, kon niet worden vervangen en de Koninklijke Marine was de rest van de oorlog afhankelijk van Britse en Amerikaanse onderzeebootmoederschepen. Vooral toen Fremantle, aan de Australische westkust, de voornaamste basis werd voor Nederlandse onderzeeboten in het Verre Oosten, ondervond de Onderzeedienst daarvan de terugslag. De Britse en Amerikaanse onderzeebootmoederschepen die daar aanwezig waren, verleenden in eerste plaats hun service aan de eigen onderzeeboten. Hierdoor raakten de Nederlandse onderzeeboten in onderhoud achterop waardoor zij minder goed inzetbaar werden.

    Matroos Manuel Avelino

    Eén van de bemanningsleden van Hr. Ms. Colombia was de 45-jarige matroos der 2e klasse Manuel Ernesto Avelino. Hij werd in 1898 geboren op het Kaapverdische eiland Fogo. De Kaapverdische Eilanden behoorden bij Portugal en dus had hij de Portugese nationaliteit. Omdat het op school niet wilde vlotten, ging hij varen. Zo belandde hij in 1920 in Nederland. Via een collega leerde hij de Brielse Willempje Heijndijk kennen en hij trouwde met haar in 1929. Sindsdien beschouwde de Portugese zeeman Brielle als zijn thuis. Manuel en Willempje kregen drie kinderen.

    In 1939 was Manuel Avelino in dienst bij de KNSM en bemanningslid van de Colombia. Toen de Colombia door de Koninklijke Marine gevorderd werd en verbouwd werd tot onderzeebootmoederschip, werd de bemanning gemilitariseerd. Omdat Manuel een Portugees paspoort had, was hij niets verplicht omdat Portugal neutraal was. Toch bleef hij aan boord en varen in Nederlandse dienst, in een Nederlands marine uniform.

    Tijdens de noodlottige ondergang van Hr. Ms. Colombia bevond Manuel Avelino zich al in bakboordsreddingboot no. 2. Hij zag echter dat deze en drie andere sloepen in touwen bleven vastzitten aan het snel zinkende onderzeebootmoederschip. Hij sprong overboord en maakte de sloep vrij. Zijn sloepcommandant riep hem daarna toe om terug aan boord te komen waarop Manuel Avelino hem toeriep: “gaat u maar alvast, ik kom er nog wel af”. Hij klom terug aan boord en zorgde er voor dat drie andere sloepen, die ook problemen hadden te water te geraken, vrij kwamen en konden afsteken. Enkele seconden voordat Hr. Ms. Colombia voorgoed in de golven verdween, sprong hij vanaf het achterschip in zee en zwom tussen het roer en de schroeven door en wist op miraculeuze wijze één van de sloepen te bereiken. Door zijn optreden bleef het aantal slachtoffers van Wiebe`s geslaagde torpedoaanval beperkt tot acht.

    De overlevenden van de Colombia werden later met de snelle oceaanstomer Queen Mary naar Groot-Brittannië gebracht. Op 6 mei 1943 werd Manuel Avelino door Koningin Wilhelmina voorgedragen voor het Kruis van Verdienste voor moedig, bekwaam en doortastend optreden. De Portugese matroos in Nederlandse dienst voer de rest van de oorlog op andere schepen van de KNSM waarmee hij onder andere geallieerde troepen naar Sicilië bracht. Hij werd pas in de zomer van 1945 met zijn vrouw en kinderen herenigd. In 1947 werd de in Kaapverdië geboren zeeman tot Nederlander genaturaliseerd. Op 23 maart 1953 werd Avelino ook het Oorlogsherinneringskruis met de gespen toegekend. Hij overleed op 8 juni 1980 op 81-jarige leeftijd in Brielle.

    Ondanks zijn verdiensten en decoraties bleef Manuel Avelino na de oorlog buiten beeld. Zelfs bij zijn voormalige werkgever KNSM staat hij niet bekend als gedecoreerde werknemer. In de geschiedschrijving over de koopvaardij wordt hij slechts één keer vernoemd als die matroos die in het water sprong toen de Colombia zonk. Al jaren vechten zijn dochter Luzia Lobs en zijn zoon André Avelino voor erkenning, met wisselend succes. Zo kreeg André het in 1995 voor elkaar dat het rijk de vaartplicht beloning uitkeerde, die normaal gesproken vlak na de oorlog werd uitgekeerd aan gemilitariseerde bemanningsleden van Nederlandse koopvaardijschepen.

    Op 9 november 2012 kreeg Manuel Avelino eindelijk de erkenning die hij verdiend heeft. In Brielle werd een rotonde naar hem vernoemd. Dochter Luzia: “Vader was bescheiden, sprak amper over zijn rol in de oorlog. Daarom zou het mooi zijn als eindelijk eens bekend wordt wat hij toen gedaan heeft. Want Manuel Avelino handelde op zaterdag 27 februari 1943 met zijn hart en met zijn ziel. Daar kunnen veel mensen een voorbeeld aan nemen”.

    Definitielijst

    U-boot
    Duitse benaming voor onderzeeboot. Duitse U(ntersee)-boten hebben tot in mei 1943 een belangrijke rol gespeeld in de oorlogvoering. Ook veel vracht- en passagiersboten werden door deze sluipmoordenaars van de zee getorpedeerd en tot zinken gebracht.

    Afbeeldingen

    HMS Genista in dok in Port Elizabeth, Zuid-Afrika, in 1945. Bron: Theflowerclasscorvetteforums.
    De bemanning van HMS Genista in 1945. Bron: Theflowerclasscorvetteforums.
    Matroos Manuel Avelino in dienst bij de Koninklijke Marine.
    De toekenning van het Kruis van Verdienste aan Manuel Avelino door Koningin Wilhelmina.

    Informatie

    Artikel door:
    Peter Kimenai
    Geplaatst op:
    04-06-2012
    Laatst gewijzigd:
    12-11-2012
    Feedback?
    Stuur het in!

    Gerelateerde boeken