Bunkerdrama in kamp Vught

    Inleiding

    Het Bunkerdrama deed zich in de nacht van 15 op 16 januari 1944 voor in kamp Vught in Nederland. 74 vrouwelijke gevangenen werden in opdracht van kampcommandant Adam Grünewald in een cel opgesloten omdat ze hadden geprotesteerd tegen de opsluiting van een medegevangene. De ruimte met een oppervlakte van 9 vierkante meter was slecht geventileerd en tien vrouwen stikten tijdens de opsluiting. Het drama raakte al snel buiten het kamp bekend en werd uitgebreid beschreven door de illegale pers. Dit was een doorn in het oog van de nazileiding in Nederland, die zulke gewelddadige incidenten in modelkamp juist wilde beperken om het verzet in Nederland niet aan te wakkeren.


    De nagebouwde cel in Nationaal Monument Kamp Vught. Bron: Anneke Moerenhout

    Modelkamp Vught

    Het in 1942 gebouwde kamp in Vught was het enige in Nederland dat opgezet werd volgens hetzelfde model als de concentratiekampen in Duitsland. De eerste gevangenen arriveerden in januari 1943 en als gevolg van de erbarmelijke omstandigheden vielen gedurende de eerste maanden de meeste slachtoffers. In totaal zouden er tussen januari 1943 en september 1944 ruim 31.000 mensen voor korte of langere tijd gevangen zitten. Onder de gevangenen waren circa 12.000 Joden die vanuit het kamp, meestal via doorgangskamp Westerbork, werden gedeporteerd richting de vernietigingskampen in Polen.

    In totaal stierven 421 gevangenen in het kamp als gevolg van honger, ziekte en mishandeling. 329 gevangenen werden op de fusilladeplaats buiten het kamp geëxecuteerd. Naar verhouding met de concentratiekampen in Duitsland en Polen was het sterftecijfer echter klein. Het Duitse bezettingsbestuur in Nederland, onder aanvoering van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, die bijgestaan werd door de Hogere SS- en Politieleider Hanns Rauter, beschouwde kamp Vught als een modelkamp. Het naar verhouding minder zware regime en het vermijden van excessen moesten voorkomen dat de Nederlanders zich tegen de aanwezigheid van het kamp zouden verzetten.[1]

    "De politieke verhoudingen in Nederland vereisen […] een bijzondere fijngevoeligheid, omdat voorvallen in het kamp ook voor de buitenwereld niet verborgen blijven", zo werd vastgesteld door de rechtbank die zich bezig hield met de rechtszaak tegen Grünewald. Het waren onder andere Nederlandse kampbewakers die de samenleving informatie verstrekten over gebeurtenissen in het kamp. Deze informatie kon op "buitengewone wijze door de vijandelijke propaganda ruimschoots benut worden", waarmee "de doelen van de Rijkscommissaris in Nederland aanzienlijk verstoord kunnen worden." Voordat hij benoemd was als kampcommandant was Grünewald gewezen op "de bijzonderheid van de politieke situatie in Nederland en de voor hem daaraan verbonden consequenties"[2], maar desondanks ging het in de nacht van 15 op 16 januari 1944 ontzettend mis.

    Opsluiting in de Bunker

    Voorafgaand aan het Bunkerdrama was er een ruzie uitgebroken in de vrouwenafdeling van het kamp. Eén van de vrouwelijke gevangenen in barak 23 werd door de andere vrouwen beschuldigd van verraad en uiteindelijk hadden ze voor straf haar haar afgeknipt. De volgende dag werd de belangrijkste daderes door de kampleiding opgesloten in een cel in de kampgevangenis, de Bunker. Ze weigerde de namen van de overige vrouwen die bij de ruzie betrokken waren te noemen. De vrouwen van barak 23 besloten zich solidair op te stellen en verklaarden zich allemaal schuldig in de verwachting hiermee de strafmaat voor hun opgesloten medegevangene te verlichten. Dat was een fatale misrekening, want Grünewald vatte de solidariteitsactie van de vrouwen op als muiterij en besloot keihard in te grijpen. Hij liet op 15 januari alle vrouwen oppakken en ze onder aanmoediging van SS-Obersturmführer Hermann Wicklein opsluiten in twee cellen in de Bunker. 74 vrouwen werden samengepropt in cel 115, terwijl de overige 17 in de nabijgelegen cel 117 gestopt werden.


    De Bunker, waar zich het Bunkerdrama afspeelde. Bron: www.philips-kommando.nl

    Normaal gesproken was de cel waarin de 74 vrouwen die nacht verbleven bestemd voor twee tot drie gevangenen. Met een grondoppervlak van krap 9 vierkante meter waren de vrouwen gedwongen om tegen elkaar aangedrukt te blijven staan en niet te gaan liggen. Er was nauwelijks ventilatie.[3] Tineke Wibaut overleefde het drama. Ze herinnerde zich dat de paniek "in volle hevigheid" uitbarstte toen het licht in de afgesloten cel uitging:

    "Het was een vreemd aanzwellend geluid, dat af en toe wat afebde en dan weer opnieuw aanzwol. Het werd voortgebracht door biddende, gillende en schreeuwende vrouwen. Sommigen probeerden er doorheen te roepen om de vrouwen tot kalmte te manen en geen zuurstof te verspillen. Soms hielp dat, heel even, maar dan begon het weer. Het hield niet op, die hele nacht niet, het werd alleen minder luid. De hitte werd verstikkend."[4]

    Tien doden

    De volgende dag tegen 7:00 uur werd de deur van de cel 115 geopend. Sommige vrouwen konden uit eigen beweging uit de cel komen, terwijl de rest bewegingloos bleef liggen op de vloer. De lichamen werden uit de cel gehaald. De toegesnelde kamparts kon twintig bewusteloze slachtoffers nog redden, maar tien anderen hadden de nacht niet overleefd. Op 21 januari voerde de kamparts autopsie uit op de lichamen, daarbij gesteund door twee artsen van de Luftwaffe. De artsen concludeerden dat door het lange staan het bloed uit de bovenste lichaamsdelen van de vrouwen was weggevloeid met bewusteloosheid als gevolg. Bovendien was er volgens hen als gevolg van de uitgebroken paniek een verhoogd zuurstofgebruik ingetreden, dat niet bevredigd kon worden vanwege een gebrek aan luchttoevoer.[5]


    Adam Grünewald, commandant van kamp Vught. Hoofdverantwoordelijk voor het Bunkerdrama. Bron: www.philips-kommando.nl

    Grünewald had de vrouwen zelf de schuld willen geven en probeerde de kwestie in de doofpot te stoppen door de overlijdensaktes te vervalsen. Ondanks dat hij het hun verboden had om over het overlijden van de vrouwen te spreken, brachten twee van zijn personeelsleden verslag uit aan de Sicherheitsdienst (SD) in Den Haag. Op 24 januari werd Grünewald bij Rauter ontboden om rapport uit te brengen.[6] Het verslag dat de kampcommandant en zijn collega’s samengesteld hadden, rammelde aan alle kanten: het exacte aantal doden werd verzwegen, net als het feit dat Grünewald het verboden had om de raampjes van de cel te openen voor voldoende zuurstoftoevoer. Ook werd in het verslag beweerd dat de cellen "naar verhouding erg groot en ruim" waren.[7] Rauter liet zich echter niet voor de gek houden en zou woedend zijn geweest over het gedrag van Grünewald. Een naaste medewerker van de Hogere SS- en Politieleider verklaarde: "Hij [Rauter] was verontwaardigd over zoveel onmenselijkheid en noemde Grünewald een dier dat men moest opsluiten."[8]

    Rauter bracht Himmlers staf op de hoogte van het voorval. De kwestie werd blijkbaar zo hoog opgenomen dat de Reichsführer-SS op 3 februari een persoonlijk bezoek bracht aan het kamp. De vrees dat het incident onder de Nederlandse bevolking bekend raakte, werd werkelijkheid op 15 februari toen Vrij Nederland als eerste illegale krant berichtte over het voorval. Ook andere ondergrondse kranten zouden er daarna nog over schrijven. Op 21 februari werd Grünewald ontslagen als kampcommandant en vervangen door SS-Sturmbannführer Hans Hüttig.


    Artikel uit het illegale dagblad De Waarheid van 16 februari 1944 over het Bunkerdrama. In plaats van tien, wordt melding gemaakt van veertien doden. Bron: Delpher

    Onderzoek en rechtszaak

    SS-rechter Konrad Morgen reisde af naar Vught om een onderzoek in te stellen.[9] Over de duur van zijn onderzoek en zijn ervaringen is weinig bekend. Tijdens het proces van Neurenberg verklaarde hij enkel dat hij het kamp bezocht had. Ook vertelde hij dat Oswald Pohl het volgende tegen hem gezegd zou hebben: "Wat maken de levens van tien vrouwen uit met het oog op de duizenden Duitse vrouwen die elke nacht tijdens luchtbombardementen omkomen?"[10] Ondanks pogingen van Pohl om dit tegen te houden, vond op 6 maart 1944 het proces plaats tegen Grünewald en zijn medeverdachte Hermann Wicklein. De rechtszaak werd behandeld door het X SS- en Politiegerecht in Den Haag, maar vond plaats in het Gelderse Velp, vlakbij Arnhem, waarheen de rechtbank in februari 1944 was uitgeweken. De rechtszaak werd voorgezeten door SS-rechter SS-Sturmbannführer Look, die werd bijgestaan door twee "bijzittende rechters". De uitspraak van het gerechtshof was karakteristiek voor de rechtspraak binnen de SS.

    Na gewezen te hebben op de bijzondere politieke situatie in Nederland stelde de rechtbank uitvoerig en waarheidsgetrouw vast wat er in de bewuste nacht gebeurd was. Zowel het exacte formaat van de cel als het aantal opgesloten vrouwen, het dodenaantal en de door de kamparts vastgestelde doodsoorzaak werden opgesomd in het rechtbankverslag. Opgemerkt werd dat Grünewald uitdrukkelijk het openen van de celraampjes verboden had en dat hij de vrouwen had gewaarschuwd dat hij ze met de brandslang zou laten besproeien als ze niet rustig zouden zijn. Met het oog op het economische belang van het concentratiekamp werd opgemerkt dat "veel van de in leven gebleven vrouwen […] gedurende de volgende dagen niet in staat [waren] in de arbeidsinzet in de industrie ingezet te worden, zodat bijvoorbeeld in de handdynamofabriek van de Philips-werkplaats een snelle instorting van de productie intrad […]." Grünewalds pogingen om de zaak in de doofpot te stoppen werden ook genoemd, al was het volgens de rechtbank Wicklein die aan de kamparts gevraagd had "of het in verband met het vermijden van een schandaal mogelijk [was] om enkele van de doden achteraf aan een andere doodsoorzaak te laten sterven."

    Voordat het gerechtshof tot een oordeel kwam, werden de grenzen van "het disciplinaire gezag" van kampcommandanten afgebakend. "In het geval de situatie dat vereist" waren kampcommandanten gemachtigd om straffen uit te voeren die "het lichamelijke welbevinden aanzienlijk benadelen kunnen." Zulke lijfstraffen waren legaal en "kunnen nooit als mishandeling bestraft worden." Dat was echter niet het geval als "de disciplinaire maatregelen bij hun uitvoering tot gezondheidsschade leiden, die de gelegaliseerde maat te boven gaat. De opsluiting van een veelvoud aan gevangenen in een cel met onttrekking van zit- en slaapgelegenheid mag op zich nog als een onder omstandigheden maatregelen noodzakelijke maatregel beschouwd worden. […] Is de bestrafte gevangene echter lichamelijk niet in staat de straf zonder een aanzienlijke gezondheidsschade te ondergaan […] dan overstijgt het de maat van het toelaatbare."

    Grünewald had die maat volgens de rechtbank overschreden, want hij had moeten weten dat de luchttoevoer in de cellen, die normaal bestemd waren voor enkele personen, niet toereikend was voor meer dan twintig personen. Hij wist dat de ventilatie-installatie slecht of helemaal niet functioneerde en had desondanks het openen van de raampjes verboden. Bovendien had hij ook kunnen vaststellen dat meerdere vrouwen "als gevolg van hun leeftijd en hun lichamelijke toestand niet in staat waren de maatregel te doorstaan." De rechtbank kwam aldus tot de conclusie dat de Grünewald het hem toegestane strafgeweld had overschreden, waardoor zijn optreden als mishandeling beoordeeld werd.

    Uitspraak van het SS-gerechtshof

    Het gerechtshof besloot mild te zijn, want ze was ervan overtuigd dat Grünewald "de dood van de tien vrouwen niet gewild had". Verwezen werd naar Grünewalds jarenlange dienst in de Reichswehr en naar zijn militaire inzet voor de SS waar hij "zijn mannetje [had] gestaan". De rechtbank had "de volle overtuiging" dat Grünewalds "daad niet in het geringste uit oneervolle motieven voortkwam." Hij werd weliswaar schuldig verklaard aan dood door schuld, maar kwam er met drie en een half jaar gevangenisstraf vanaf. Hoewel Wicklein werd beschouwd als de initiatiefnemer van de strafmaatregel en volgens de rechtbank "moreel gezien de meest schuldige" was, kwam hij ervan af met zes maanden gevangenisstraf. Niet hij, maar Grünewald droeg namelijk als superieur de strafrechtelijke verantwoording.

    Lang hebben beide mannen niet gevangen gezeten, want al in maart werden ze in opdracht van Heinrich Himmler op vrije voeten gesteld. Om onduidelijke redenen besloot Himmler dat Wickleins rechtszaak overgedaan moest worden, maar zover is het nooit gekomen. Tot het einde van de oorlog werkte hij als adjudant in concentratiekamp Flossenbürg. Hij overleefde de oorlog en woonde na 1945 in Oberhausen.[11] Grünewald mocht in maart acht dagen bij zijn familie doorbrengen en volgde daarna een korte training in Breslau. Met de laagste rang van SS-Mann diende hij vervolgens vanaf juni aan het front in de 3. SS-Panzer-Division "Totenkopf". In oktober 1944 kreeg hij de rang van SS-Obersturmführer, twee rangen lager dan die hij had als kampcommandant. Aangenomen wordt dat hij op 22 januari 1945 aan het front sneuvelde in Hongarije.[12]

    Tegenwoordig

    De originele cel waarin het Bunkerdrama zich heeft afgespeeld is niet bewaard gebleven. Een in 1990 herbouwde versie in het voormalige crematoriumgebouw fungeert in het Nationaal Monument Kamp Vught als gedenkplaats. Op een gedenkplaat worden hier de namen van de slachtoffers genoemd. Een in 1996 onthuld door Marius de Leeuw ontworpen herdenkingsraam van glas-in-lood bevindt zich in Sint-Petruskerk te Vught en herinnert eveneens aan de dood van de tien vrouwen. Op het raam zijn vrouwfiguren afgebeeld.

    Noten

    1. Uijland, M. & Tijenk, C., Eindpunt of tussenstation / Gids Nationaal Monument Kamp Vught, p. 9.
    2. Personeelsdossier Adam Grünewald, Das Bundesarchiv.
    3. Olink, H., Vrouwen van Vught, p. 38, 40, 42, 48, 49.
    4. Uijland, M. & Tijenk, C., Eindpunt of tussenstation / Gids Nationaal Monument Kamp Vught.
    5. Personeelsdossier Adam Grünewald, Das Bundesarchiv.
    6. Olink, H., Vrouwen van Vught, p. 53, 59-61, 71.
    7. Personeelsdossier Adam Grünewald, Das Bundesarchiv.
    8. Olink, H., Vrouwen van Vught, p. 72.
    9. Olink, H., Vrouwen van Vught, p. 66-73.
    10. IMT Neurenberg, verhoor Konrad Morgen, 08-08-1946.
    11. Personeelsdossier Adam Grünewald, Das Bundesarchiv; Klee, E., Das Personenlexikon zum Dritten Reich, p. 675.
    12. Personeelsdossier Adam Grünewald, Das Bundesarchiv; Klee, E., Das Personenlexikon zum Dritten Reich, p. 206; MacLean, F.L., The Camp Men, p. 93.

    Definitielijst

    Luftwaffe
    Duitse luchtmacht.
    muiterij
    Opstand van soldaten of schepelingen tegen het gezag.
    propaganda
    Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
    Reichswehr
    Duitse leger in de tijd van de Weimarrepubliek.
    Rijkscommissaris
    Titel van onder andere Arthur Seyss-Inquart, de hoogste vertegenwoordiger van het Duitse gezag tijdens de bezetting in Nederland.
    Sicherheitsdienst (SD)
    De nationaal-socialistische inlichtingen en (contra)spionagedienst van de SS.
    Totenkopf
    Letterlijk: doodshoofd. Symbool dat door de SS werd gevoerd. Ook de naam van een SS divisie.

    Informatie

    Artikel door:
    Kevin Prenger
    Geplaatst op:
    07-01-2019
    Laatst gewijzigd:
    22-02-2019
    Feedback?
    Stuur het in!

    Gerelateerde bezienswaardigheden

    Gerelateerde boeken

    Een rechter in Auschwitz