TracesOfWar heeft uw hulp nodig! Elke euro die u bijdraagt steunt enorm in het voortbestaan van deze website. Ga naar stiwot.nl en doneer!

Als gevangene naar kamp Erika

    De jaren voor 1942

    Over de vooroorlogse jaren van Marinus "Rien" J. de Rijke is weinig bekend. Volgens de beschikbare gegevens werd hij op 6 maart 1919 geboren in het Zuid-Hollandse gereformeerde dorp Monster en stond hij bekend als een vechtersbaas.


    Gevangene met Oberkapo Rien de Rijke in Kamp Erika. Bron: Niod Beeldbank

    Oorlog

    Tijdens de mobilisatie, 1939-1940, was De Rijke gelegerd in de Isabella kazerne bij Vught. Als dienstplichtig korporaal vocht hij op 10 mei 1940 bij Mill. Volgens zijn meerdere, ritmeester bij de Huzaren-motorrijders H.J. Scheffer was hij een moedige soldaat die de strijd aanbond met de vijand.

    Diefstal

    Aan het begin van de oorlog brak hij in een depot van de Duitsers in. Het was geen verzetsdaad, maar zuiver een kwestie van winstbejag. In juni 1942 werd hij overgebracht naar Kamp Erika om zijn straf van drie jaar uit te zitten wegens diefstal van en handel in distributiebonnen. Voor die tijd zat hij gevangen in Breda en Amersfoort.

    Kamp Erika


    Plattegrond van Kamp Erika. Bron: Historische Kring Ommen

    In juni 1941 werd met de opbouw van het kamp in de bossen bij Ommen begonnen. Aanvankelijk zou het worden opgezet als een openluchtkamp voor asociale Joden. Een jaar later kwamen als eerste gevangenen circa twaalfhonderd zwarthandelaren en andere gevangenisbewoners het kamp bevolken. In Kamp Erika kwamen die personen terecht die door de Nederlandse justitie wegens economische delicten waren veroordeeld en niet meer in reguliere gevangenissen terecht konden. In het kamp zaten zwarthandelaren, fietsendieven en verkrachters. Kamp Erika werd geleid door de Bereitsschaftsführer Werner Schwier. Hij was een oud paardenslager die zich Herr Dokter liet noemen.


    Nederland 26 mei 1941: Tijdens de rondgang op een tentoonstelling over vrijmetselarij, Dr. Werner Schwier en Dr. Tobie Goedewaagen bij een vitrine met documenten. Bron: GaHetNa -Nationaal Archief (NL)

    De paardenslager Schwier

    Schwier en zijn luitenant Eckert zochten de bewakers uit. De bewakers droegen een grijsgroen uniform met een band om de mouw. Daarop stonden de woorden Kontroll-Kommando en op de kraag van de tuniek stonden de letters KK. Ze werden bewapend met een geweer. Later kregen ze een zwart uniform en werden ze bewapend met een cilinder revolver. De bewakers werden eveneens als zg. hulppolitie bij de arbeidsbureaus ingezet. De aangehouden onderduikers werden veelal overgebracht naar het kamp Erika.[1]


    Poort A van de buitenring, hier vond de overdracht van de gevangenen plaats. Bron: Historische Kring Ommen

    Een oud-gevangene verklaarde: "Voor hem (Schwier) was ik zoo bang, dat ik bijna begon te braken, als ik hem zag aankomen." Schwier was een persoonlijke vriend van Hanns Rauter en beriep zich bij al zijn wandaden gaarne op die vriendschap. Toen de Arbeidsinzet ingevoerd werd, voerde hij op eigen initiatief, met een selecte groep handlangers, een waar schrikbewind uit in de omgeving van het kamp. De groep maakte jacht op onderduikers, Joden en sluikslachters. Zo werden "arrestanten" zwaar mishandeld om locaties waar onderduikers verborgen zaten prijs te geven. Uit getuigenverklaringen is komen vast te staan, dat hij gevangenen voor zich liet knielen en ze dan met een staafijzer, met leer omkleed, op het hoofd sloeg, teneinde ze tot een bekentenis te dwingen. Hij sloeg net zolang, tot de mensen bewusteloos in elkaar zakten met gespleten lippen, weggeslagen tanden enz.

    Meer sadisten

    Lagerführer was de beruchte Karel L. Diepgrond[2], een gewezen agent van politie te Amsterdam. Hij was het, die reeds in het beginstadium van het kamp opdracht gaf gevangenen dertig slagen met de karwats op het blote lichaam toe te dienen als straf voor een ontvluchtingspoging. Deze marteling geschiedde in het openbaar en maakte zo'n indruk, dat verschillende gevangenen flauwvielen. Zij zagen de rode striemen opkomen en daarna openbarsten, aldus verklaringen van ooggetuigen: "Na de mishandeling kroop de afgebeulde als een dier naar de barak terug. Ze sloegen maar, de beulen." In het wachtboek wordt herhaaldelijk gerapporteerd, dat bewaker die en die zijn geweer had stukgeslagen op gevangene nummer zoveel. In het gezelschap van Diepgrond bevond zich Hauptzugführer De Jong. Een ex-bokser en een gewezen sergeant van de mariniers, die ook buitengewoon hard optrad. Met het korte stompje hand, dat hij had overgehouden aan een ongeluk met een zaagmachine, mepte en mishandelde hij dagelijks de gevangenen. Van hem was de „uitvinding" om uitgehongerde gevangenen gloeiend heet voedsel voor te zetten. Zij moesten binnen 5 minuten klaar zijn met het eten en hadden dus de keuze of niet eten en hongerig blijven of de mond en maag branden.[3]

    Personeel

    Het personeel (600 à 700 bewakers zijn het kamp gepasseerd) werd gerekruteerd uit ‘t aanslibsel van de maatschappij; velen kwamen uit Amsterdam. Het waren natuurlijk NSB’ers, personeel van het Nederlands Arbeidsfront (NAF) e.d., die zich voor het baantje van wachtsman of bewaker meldden. Hen was voorgespiegeld, dat ze in Polen een boerderij zouden krijgen. Als ze eenmaal in het kamp zaten, kwamen ze er niet gemakkelijk meer uit, want dan werden ze bedreigd met dit en met dat. Ze werden langzaam maar zeker rijp gemaakt voor hun beulswerk. Wee hunner, die gesnapt werden, als zij te zachtzinnig optraden, of als zij een sigarettenpeukje durfden weg te geven aan een gevangene. Dan kwam de opzichter zelf in de bunker, dan werd hij opzichter af en dan was hij zelf gevangene. Het wachtboek staat er vol van: ex-opzichter die en die in den bunker gesloten, die straf schrok wel af. Soms tot drie, vier dagen werden mensen geboeid in zo’n onderaardse cel opgesloten zonder eten.

    Opzichters moesten beestmens zijn. Vandaar, dat het systeem werd gevolgd om aan de asociale elementen onder de gevangenen de vraag voor te leggen, wie bewaker wilde worden. Zoo werden de gevangenen ook nog door de ongure elementen uit eigen rijen gemarteld. Ook waren er de "Oberkaput" en de "kaput" (kamp-oudste en barak-oudste onder de gevangenen), die moesten toekijken op de binnendienst in het kamp. Ook zij werden meegezogen in het keiharde systeem, en dat ging vaak gemakkelijk, omdat zij meestal uit misdadigerskringen voortkwamen.

    Zelfs te erg voor de SD

    De geruchten over de misstanden in het kamp werden zo erg dat de Sicherheitsdienst in het voorjaar 1943 een overval deed op het kamp. De bewakers werden gearresteerd en weggevoerd en de kampcommandant Diepgrond werd voor een dag ingesloten. Het gros van de gevangenen werd op vrije voeten gesteld. De zwaardere gevallen werden in andere kampen ondergebracht. In mei 1943 was Kamp Erika leeg en moest dienstdoen als doorgangskamp voor studenten die te werk zouden worden gesteld in Duitsland. In de zomer werd Erika een Arbeitseinsatzlager dat onder het gezag van Werner Schwier viel. Schwier beschikte zelfs over een eigen knokploeg die de omgeving van Ommen teisterde. De groep voerde razzia’s uit en pleegde overvallen, waarbij brandstichting, roof en moord schering en inslag waren.

    Definitielijst

    mobilisatie
    Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
    NSB
    Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
    razzia
    Georganiseerde drijfjacht op een groep mensen. Dat konden joden zijn, maar ook onderduikers of andere groeperingen.

    In dienst als Oberkapo

    Een Knacker

    Aanvankelijk was De Rijke een Knacker, een gewone gevangene. De officier van justitie nam in 1988 aan dat Rijke destijds verminderd toerekeningsvatbaar was. Hij kwam ongewild in het kamp als gevangene van de Nederlandse justitie, die in gewone gevangenissen geen plaats meer had.

    In kamp Erika werd De Rijke verdacht van het beramen van een vluchtpoging en daardoor ingedeeld bij de Straf Kompagnie (SK). "Ik werd vogelvrij verklaard en tegen de vogelvrijen mocht iedereen aanpissen. Ik werd geslagen en gestompt."De Rijke moest ongeveer een week doorbrengen in een zelf gegraven put en kreeg geen voedsel. Daarna werd hij kapo, iets wat hij volgens eigen zeggen niet kon weigeren: "Ik werd geslagen, erin getrapt." Naast De Rijke was ook Doornbosch, een medegevangene, die door de kampleiding ertoe werd overgehaald om andere gevangenen te mishandelen. In ruil voor hun medewerking kregen ze als beloning goed eten en drinken en meer vrijheid.

    Taken

    Als kapo moest De Rijke toezicht houden op een groep medegevangenen. Een machtspositie die hij naar eigen inzicht mocht invullen. Een van zijn meest favoriete strafmaatregelen opleggen was "grammofoonplaatje draaien". Daarover straks meer.

    De Rijke viel echter in de smaak bij de nationaalsocialistische kampleiding – hij zou een flinke hekel aan Joden hebben gehad en maakte daardoor snel carrière. Hij werd eerst "kaput" (kapo) en vervolgens oberkapo. De kapo’s werden door de SS uitgezocht om als contactpersoon te dienen tussen de kampleiding en de gevangenen. Er waren kapo’s die er voor de gevangenen het beste van trachtten te maken, maar ook die aan de koppelriem het recht ontleenden staaltjes van sadisme te tonen. De SS had er een gevoel voor om sadisten voor de functie van kapo naar voren te halen. Zo’n kapo kon dan een verschrikking worden. Volgens de 91 getuigen in het proces tegen De Rijke was hij zo’n beul. Er werd geramd met gummistokken, knuppels en karwatsen. De bewakers kregen speciale methoden aangeleerd. Een gevangene moest bijvoorbeeld zijn linker wijsvinger in zijn rechteroor steken en zijn rechterwijsvinger in de grond. Onder stokslagen moest hij dan net zo lang om zijn as draaien tot hij neerviel. Dat heette "grammofoonplaatje draaien". Robben was een andere sanctie: de gevangene moest plat op de grond liggen en zich alleen met zijn ellebogen voortbewegen. Bewoog hij iets anders, dan werd meteen gemept. Tanden en vingers werden vervolgens kapot getrapt. Er werd echter wel een einde gemaakt aan het slaan met de geweerkolf omdat deze braken. Sindsdien werd er alleen geschopt tegen geslachtsdelen, of de vingertoppen op rand van een ton geslagen totdat de nagels ervan af vielen.


    Een knuppel, gebruikt door een bewaker van Erika. Bron: Historische Kring Ommen

    Andere slachtoffers werden door hem opgesloten in de bunker: een ondergrondse kelder zonder licht. De slachtoffers kregen 1 schijf brood per dag en water. De behoeften werden eens per 24 uur met eigen handen naar buiten geschept. Velen werden gestraft met bunker en SK (strafkolonie). Een klasse die extra hard werden aangepakt: vier dagen bunker en zes weken SK. De meesten haalden het niet, want met vier à vijf weken waren ze dood. Mochten de mishandelingen niet genoeg zijn, dan vielen de gevangenen vaak ten prooi aan longontsteking, pleuritis, bloeddiarree, ondervoeding, etc. Vanwege zijn sadisme werd De Rijke betiteld als beestmens, sadist, onmens en slechter dan de Duitsers.

    Sadisme werd botgevierd op Joodse slachtoffers

    Bertus Grootjes uit Middelharnis verklaarde:

    "Een geliefkoosde bezigheid van hen was om de kiepeltonnen waar het menselijk afval in terecht kwam, door de Joden te laten leegstorten en na leegstorting verder door de Joden te laten schoonlikken. Bijna elke dag zag men minder Joden totdat hun bestaan geheel was opgehouden. Waar de bewakers met de lijken gebleven zijn is mij onbekend. Dezelfde bewakers verzorgden de transporten naar de werkkampen in Duitsland. Velen kwamen na ondervoeding en uitputting na enkele maanden terug als ze het overleefden."

    Johan de Vroege uit Den Haag:

    "Speciaal de Joden die in het kamp waren, werden door Boxmeer als beesten behandeld. Bij voorkeur haalde hij de Joden ‘s morgens om 4 uur uit de barakken, waarna hij hen, terwijl ze spiernaakt waren, afranselde, onder het uitschreeuwen van liederlijkste gemeenheden, waarvan geen beschrijving te geven is. Boxmeer was een buitengewone ploert die een viertal personen onder zich had, die voor hem de straffen uitdeelden. Onder hen was een zekere De Rijke die gevangenen op last van Boxmeer mishandelde. Als het dan nog niet goed genoeg ging, kwam Boxmeer er zelf bij en hielp dan een handje mee."[4]


    Toegang tot het palissaden kamp. Bron: Gemeente Ommen

    De Joodse gevangene Salomon Roet (Amsterdam 13-06-1890) had hij zo mishandeld dat deze op 19 januari 1943 overleed. Roet moest tussen brandende strobalen door lopen, terwijl hij dit deed vatte zijn kleding vlam. Een getuige tijdens het proces:

    „Zekere Salomon Roet werd gestraft, omdat hij, naar ik meen, een stuk brood had gestolen. De bewaker Johnny Boxmeer (sergeant bij de koloniale troepen) zei tegen dezen man in tegenwoordigheid van den Kaput Rien de Rijke en den toenmalige Hauptzugführer De Jong: "Binnen een week ben je dood. De man werd toen gestraft, dat hij een week lang geen eten zou krijgen. Hij moest voortdurend hout kappen in het 'palissade kamp' en moest op last van Boxmeer hierbij zoo nu en dan een liedje zingen. Door de koude waren zijn vingers bevroren, doch moest hij maar door kappen. Tenslotte was hij hiertoe niet meer in staat. Hij hield de bijl wel vast, doch kapte niet meer. Na vier dagen zag ik hem in het ziekenzaaltje liggen, waar hij, naar ik hoorde, kort daarna is overleden."

    Overige getuigen

    J. Krijt:

    "Ik heb ook te maken gehad met De Rijke in Ommen. Ik heb hem persoonlijk twee mensen in één week tijd zien doodtrappen en bij een derde persoon was hij aanwezig in gezelschap van Boxmeer en De Jong. Hij heeft ook mijn vinger kapotgetrapt …"[5]

    Betonwerker Arie Beij (Leiden 13-02-1910) werd opgepakt wegens schuldheling. Op 13 of 14 september 1942 ging hij op transport.

    "Deze De Rijke sloeg zijn medegevangene op bevel van hogerhand. Tijdens het drillen sloeg De Rijke ons met een leren dienstriem die voorzien was van een gesp."

    Bij het appel waren Halbzugführer Johannes Driehuis, Unterführer Jaap de Jonge, De Rijke en een andere Oberkaput en de KK-bewakers altijd aanwezig. Tijdens het appèl werd geslagen, vooral door de man met de ongelukkige hand en ook door De Rijke. De Rijke sloeg met zijn handen. Dat varieerde van mishandeling tot het aanbrengen van zwaar lichamelijk letsel.

    Leendert van der Meijden uit Middelharnis:

    "De Rijke was ook als een gevangene in het kamp gekomen en waagde al vlug een ontvluchtingspoging, waarbij hij gegrepen werd. Hij werd hiervoor mishandeld en is na deze mishandeling omgedraaid als een blad aan de boom. Hij werd spoedig kaput en werd belast met het toezicht op de Jodenafdeling in het kamp. Hoe De Rijke zo spoedig na zijn aanstelling tot kapo zich de dierlijke gedragingen van zijn opzichters had toegeëigend is mij een raadsel. Toen hij de enige kaput was, was hij meer gevreesd dan vele opzichters. De in het kamp aanwezige Joden hebben onder zijn toezicht dan ook geen leven gehad."

    Dirk van ’t Zand: "Op 8 maart 1942 werd ik gearresteerd door de politie in Zaltbommel vanwege een rijwieldiefstal. Ik kwam via diverse detentiecentra en werkkampen in Erika aan." Van ’t Zand was getuige toen een gevangene die tot driemaal aan toe uit het kamp was gevlucht en opgepakt, door Boxmeer en De Rijke tijdens appel naar voren werd gebracht.

    "De gevangene werd door Boxmeer met de kolf van een geweer geslagen. De Rijke en Doornbosch sloegen hem met een karwats totdat het bloed uit zijn rug en benen liep. Ook werd hij door De Rijke in een barak getrapt en door Boxmeer er aan de andere kant weer uitgeschopt, zodat hij in elkaar zakte. De Rijke sloeg hem net zo lang tot hij van de pijn weer opstond. Een week lang moest deze gevangene elke avond alleen gekleed in een kort hemd langs de barakken lopen, ’s Nachts moest hij in de bunker. De eerste vier maanden waren er ongeveer 35 Joden, waarvan er door de onmenselijke behandeling zoveel zijn gestorven dat er maar drie of vier overbleven."

    De schilderende beul

    Volgens een getuige die in Erika terecht was gekomen wegens het stelen van distributiebonnen had De Rijke er plezier in realistische tekeningen van de geterroriseerde gevangenen te maken. "Wie niet angstig genoeg keek kreeg klappen."[6]

    Rien stond bekend als een soort kunstschilder die voor zijn talent een speciaal voor hem ingericht kamphuisje kreeg om zijn "kunst" te beoefenen. Hij selecteerde zijn modellen tijdens het appèl: "Jouw kop is goed, maar ik wil meer angst in je ogen zien. Wacht ik zal je helpen." Vervolgens sloeg hij met een gummiknuppel op het gezicht van zijn "schildersmodel". In ruil voor een dubbele portie eten konden gevangenen voor hem poseren. Het zijn schetsen van martelscenes waarvoor Rien gaat. Een van de tekeningen beeldde een gevangene uit wiens lichaam over een strafblok gebogen lag. Een bullenpees zweefde boven zijn hoofd. Rien was niet geïnteresseerd in wat hij noemde stillevens. Dode gevangenen…[7]

    Bijnaam de Beul van Ommen

    De bijnaam de Beul van Ommen verdiende niet alleen Rien de Rijke, maar ook SS Sturmmann Hubertus Bikker en gevangenenbewaarder Maarten Scheffers uit Koog aan de Zaan. Alle drie lieten de gedetineerden "robben en grammofoonplaatjes draaien".[8]

    "Het kamp zat er vol mee", aldus de naar Duitsland gevluchte opzichter Toon Soetebier. Hij ontkende dat er in kamp Erika doden waren gevallen.

    "Nee, Joden waren er ook niet geweest. Het was meer een kamp voor landlopers, zwarthandelaren en stropers. In het kamp zaten veel rotzakken, Hubertus Bikker, de Amsterdammer Focke Kermer (23-10-1903)[9] en Japie de Jonge. Dat waren allemaal van die achterbuurt jongens uit Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. En dan die dokter Schwier, de kampcommandant. Die werd de bruine beer genoemd. Dat was ook een misdadiger van het zuiverste water."[10]

    Definitielijst

    kapo
    Een Kapo was een gevangene in een concentratiekamp van nazi-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog, die als taak had op de andere gevangenen toe te zien. Een Kapo moest voor de SS het werk van de gevangenen begeleiden en hij was verantwoordelijk voor hun resultaten.

    Na de oorlog

    Bondsrepubliek Duitsland

    Na de oorlog week De Rijke naar Duitsland uit. "Ik vierde de bevrijding in Rotterdam mee. Daarna ben ik per fiets naar Duitsland gevlucht." Hij ging wonen in het West-Duitse Wedel, vlakbij Hamburg, waar hij een tuindersbedrijf had.


    Bron: Collectie Jochem Botman

    Op 19 mei 1987 werd hij op weg naar zijn zus Jannie in het Zuid-Hollandse Monster door de Koninklijke Marechaussee aan de grenspost Denekamp aangehouden . Na de oorlog was hij met een Fremdenpass regelmatig op bezoek geweest bij zijn zus. In september 1975 woonde hij de begrafenis van zijn moeder bij. Rechercheur Hiemstra van de politie in Monster was hem toen op het spoor en wist van zijn komst. Toen de politie in Monster vroeg of er actie ondernomen moest worden, kwam er vanuit Den Haag geen bevestigend antwoord. Het hof van Justitie antwoordde dat in verband met te verwachten bewijsproblematiek signalering hen niet opportuun voorkomt. Men liet zich niet impliciet uit over de vraag of al dan niet van een verjaard strafbaar feit sprake was. Pas in 1983 onder Brilman wordt het onderzoek voortgezet. De Rijke had toen een visum aanvraag ingediend. Toen begon de zaak "te rollen". Er werd door justitie niet besloten om De Rijke in de Bondsrepubliek Duitsland te verhoren. Pas in maart 1986 werd het verzoek tot herstel van signalering uitgedaan.


    Bron: Het Binnenhof, 20 mei 1987

    Gratie?

    Bij justitie kwamen regelmatig verzoeken tot gratie binnen van gevallen van in het buitenland verblijvende politieke delinquenten. Deze vroegen dan om aan hun "verbanning" een eind te maken door gratie.

    "Wij doen dat in de "lichtere" gevallen, waarin geen of nauwelijks sprake is van mishandelingen, doden van slachtoffers e.d. De daden door De Rijke gepleegd zijn zo ernstig dat van eventuele gratie, zeker alleen op grond van gewenste terugkeer naar Nederland, geen sprake kan zijn. Mede op grond hiervan zou ik, ondanks de omstandigheid dat de foutieve verjaringsdatum bij toeval werd ontdekt, ervoor zijn om deze zaak aan het OM voor te leggen."

    Straf

    De officier van justitie bij de rechtbank in Den Haag, mr. F. Straelen had vijf jaar gevangenisstraf geëist tegen de van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid verdachte 68-jarige Nederlander M. de Rijke. De misdaden zouden in 1942 en 1943 in Arbeitseinsatzlager kamp Erika in Ommen zijn gepleegd. De Rijke hield daar als kapo en oberkapo toezicht op een groep medegevangenen.

    De officier van Justitie stelde dat De Rijke zijn daden had begaan als ambtenaar in dienst van de vijand. Als hij inderdaad als kapo en oberkapo ambtenaar was, geldt dat als een strafverzwarende omstandigheid. De advocaat van De Rijke verklaarde echter dat De Rijke niet als ambtenaar in dienst van de vijand was, maar gewoon een gevangene van de Nederlandse justitie. Mocht het laatste waar zijn dan zouden de feiten in 1971 zijn verjaard en De Rijke op vrije voeten komen.

    De Rijke had de mishandelingen bekend, maar het grote probleem was of het te bewijzen viel dat die in enkele gevallen tot de dood hebben geleid. Hij moest gevangenen drillen, hun weerstand breken. Hij ontkende afschuwelijke spelletjes met Joden te hebben uitgehaald. Volgens de officier van Justitie had De Rijke wel meegedaan aan het "feestje bouwen bij de Joden". Die werden in het holst van de nacht uit hun bed geslagen en moesten op hun knieën, met een stormlantaarn aan het geslachtsdeel en hun neus in de anus van hun voorganger, rondjes draaien.

    Brilman was tot de conclusie gekomen dat de wijze waarop de zaak tegen De Rijke was aangepakt "een heilloze weg" was. Volgens hem betekende een en ander dat in vergelijkbare gevallen vervolging nagenoeg uitgesloten zou zijn. Hij wees op het probleem rond de vraag in hoeverre De Rijke als Oberkapo in kamp Erika in Ommen wel of niet gehandeld heeft in dienst van de vijand. "Voor deze zaak wisten we ook al dat het heel moeilijk is om een dergelijk iemand veroordeeld te krijgen."[11]

    Waarom justitie na de oorlog hem niet zocht

    In de jaren 1946-47 vond er een summier strafonderzoek plaats naar de gedragingen van De Rijke in het kamp Ommen. In dit kader werden er wel een aantal getuigen gehoord die refereerden aan zware mishandelingen en de dood van ten minste een gevangene door zijn toedoen. Ze waren niet naar hem op zoek. Aan het opsporen van kampbewakers werd pas veel later aandacht besteed. In de jaren vijftig en zestig was er sowieso een terughoudender beleid ten aanzien van oorlogsmisdadigers. Volgens de officier van justitie Van Straelen werd De Rijke in 1969 met honderd anderen van de lijst met signalementen afgevoerd. Hun misdaden zouden in 1971 verjaard zijn, werd gedacht. In 1971 werd echter de verjaring opgegeven en werd vervolging wegens misdaden tegen de menselijkheid mogelijk. Herstel van de signaleringen had volgens de officier van justitie nauwelijks plaatsgehad.

    Mager bewijs

    De bewijzen die de officier van justitie had aangevoerd, bestonden uit tientallen getuigenverklaringen van voornamelijk ex-kampbewoners. Maar die verklaringen, afgelegd na zoveel jaren, waren in het proces onbruikbaar als overtuigend bewijs, aldus de advocaat van De Rijke. Veroordeling kon alleen in zo’n geval als die verklaringen worden ondersteund door bewijsstukken van toen.

    [Advocaat van De Rijke J. Sjöcrona:] "De bewijzen die de officier van justitie heeft aangevoerd, bestaan uit tientallen getuigenverklaringen van voornamelijk ex-kampbewoners. Maar die verklaringen, afgelegd na zo veel jaren, zijn in het proces onbruikbaar als overtuigend bewijs. Veroordeling kan in zo’n geval alleen als die verklaringen worden ondersteund door bewijsstukken van weleer. En daarvan is geen sprake. Bijvoorbeeld over de vraag of De Rijke wapens had, of hij een uniform droeg en of hij iets te maken had met de Joodse gevangenen in het kamp, zijn tegenstrijdige verklaringen afgelegd."

    Bovendien onthulde de raadsman dat er mannen met gelijksoortige namen als die van De Rijke in het kamp hadden gezeten." Verder was de foto-identificatie van De Rijke zo verkeerd aangepakt dat er geen objectief betrouwbaar bewijs uit is gekomen. Ex-kampbewoners schrijven mogelijk aan De Rijke wandaden toe die zij van andere kapo's hebben gezien of ondergaan," meende hij.

    "Voorts was er geen fractie van een bewijs," aldus de advocaat, "dat De Rijke de Joodse gevangene Salomon Roet had gedood. Er is maar één getuigenverklaring hierover en één getuige is geen getuige. Medische verklaringen ontbreken trouwens."Ook de officier van justitie erkende dat de bewijsmiddelen mager zijn. Hij heeft de beschuldiging van moord dan wel opzettelijke doodslag dan ook moeten laten vallen.[12]

    1988 vrijspraak

    In februari 1988 achtte de Haagse rechtbank niet bewezen dat de verdachte de hem verweten mishandeling heeft begaan, "in staats- of publieke dienst van de vijand". De Rijke werd vrijgesproken van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Sterker nog De Rijke was een slachtoffer.

    Bovendien had hij een soort hersenspoeling ondergaan en verkeerde, aldus het rapport van prof. Bastiaans;" maandenlang in een psychische uitzonderingstoestand. Hij volgde slaafs het bevel om anderen te martelen, zoals hij zelf was gemarteld. Hij was zowel slachtoffer als dader", aldus Bastiaans. Prof. Zeegers noemde De Rijke: "een willig werktuig van zijn beulen".[13]

    Het OM ging in beroep tegen de vrijspraak, maar het mocht niet baten. Een jaar later besloot de Hoge Raad de vrijspraak van De Rijke te handhaven. De Rijke was ondertussen teruggekeerd naar het Duitse dorpje Wedel.

    Noten

    1. Provinciaal Drentsche en Asser Courant 18 mei 1946, ‘Als schurken de baas spelen’. Overijssel dagblad, 18-05-1946, 'De barbaren van Ommen’. Schwier was Referent van Rijkscommissaris voor internationale Organisationen. Hij had de opdracht alle internationale organisaties te liquideren. Pas eind 1942 kwam hij van zijn bureau aan de Fluwelen Burgwal in Den Haag naar het kamp. Limburgs Dagblad, 02-11-1967, ‘De beul van Erika loopt nog steeds ongestraft rond’.
    2. Karel Lodewijk Diepgrond, 11-06-1896 Amsterdam, chauffeur, kampcommandant, Lagerführer.
    3. Provinciaal Drentsche en Asser Courant 18 mei 1946.‘Als schurken de baas spelen’.
    4. De Rijke was bevriend met Boxmeer als ook met opzichter Daalhuizen. Andere collega’s van De Rijke vonden hem zo erg dat iedereen opgelucht was toen hij in maart 1943 werd overgeplaatst.
    5. Jacobus Franciscus Johannes Boxmeer, Den Haag 26-11-1909 Halbzugführer Arbeitslager Erika.
    6. De Telegraaf, 23-05-1987.'Hij schilderde het liefst gevangenen in doodsangst’.
    7. ibid
    8. Bikker ontsnapte samen met 7 anderen uit de koepelgevangenis van Breda. Werner Schwier dook na de oorlog onder in de mijnen van het Ruhrgebied.
    9. De sadist Kermer Platzmeister van het kamp Herthe in Brunswijk en bewaker van strafkamp Erika. Betrokken bij de overplaatsing van gevangen van Erika naar werkkamp Herthe waar de gevangenen bunkers moesten bouwen en wegen aanleggen. Ook hij hanteerde de bullenpees tot bloedens toe, liet de gevangenen "plaatje draaien" en uithongeren.
    10. Algemeen Dagblad, 09-12-1978, Soetebier (14-07-1918) vluchtte met een van de laatste boten uit Delfzijl naar Eemden. Dat was dezelfde route als Siert Bruins had genomen. Soetebier was lid van het Arbeids Kontroll Dienst en voerde razzia’s uit.
    11. Een andere zus Henny woonde en tijdje in Zuid-Amerika, Argentinië. Hij had voor haar en haar man Louis de passage in de jaren vijftig besteld om daar een nieuw leven te beginnen. Argentinië was toen het immigratieland, niet alleen voor nazi’s maar iedereen die daar een nieuw bestaan wilde opbouwen.
    12. Het Parool, 21-01-1988, 'Eén getuige is geen getuige’. Algemeen Dagblad, 21-01-1988, ‘Kampbeul ten einde raad’.
    13. Leeuwarder Courant, 20-01-1988, 'Officier eist vijf jaar tegen kampbeul in Ommen’.

    Definitielijst

    kapo
    Een Kapo was een gevangene in een concentratiekamp van nazi-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog, die als taak had op de andere gevangenen toe te zien. Een Kapo moest voor de SS het werk van de gevangenen begeleiden en hij was verantwoordelijk voor hun resultaten.
    oorlogsmisdaden
    Misdaden die in oorlogstijd worden begaan. Vaak betreft het hier misdaden van militairen ten opzichte van burgers.

    Informatie

    Artikel door:
    Jochem Botman
    Geplaatst op:
    16-03-2021
    Laatst gewijzigd:
    21-03-2021
    Feedback?
    Stuur het in!

    Gerelateerde bezienswaardigheden

    Gerelateerde bezienswaardigheden