Op ontdekkingsreis naar historische bezienswaardigheden? Download de TracesOfWar-app direct in Google Play of in de Apple App Store.

Koosje Hogendijk en het geheim van de knokploeg Noord Drenthe

    Artikel door Tjerk Karsijns / geredigeerd en geplaatst door George Möller op 29 september 2022.

    Dit artikel is gebaseerd op bandopnamen van gesprekken van Tjerk Karsijns uit Roden met mevrouw J. (Koosje) Hogendijk en Hendrikus Gerard.

    Inleiding

    Jacoba (Koosje) Sophia Maria Magdalena Hogendijk zag het levenslicht in Groningen, op maandag 17 mei 1926. Haar vader Evert Gerardus Christiaan Hogendijk werd geboren in Zutphen. Koosjes moeder Elisabeth Maria Nanninga kwam in Groningen ter wereld. De ouders van Koosje trouwden in 1923. Koosje had een oudere broer, Christiaan, eveneens in Groningen geboren, op 13 maart 1924.

    Koosjes vader, die Chris werd genoemd, begon zijn loopbaan in 1922 als klerk bij de gevangenis aan de Hereweg in Groningen, waar hij in maart 1923 werd bevorderd tot commies. Op 27 juli 1935 vertrok het gezin van Groningen naar Arnhem, na Chris’ benoeming tot commies bij de gevangenis aldaar. Zij woonden in de Witsenstraat 37 en in de Van Goghstraat 84. Op 31 december 1936 verhuisden ze naar Utrecht, waar Chris commies werd ter directie van de gevangenis in die stad. Per 26 april 1940, even voor het begin van de oorlog, volgde zijn benoeming tot directeur van het Huis van Bewaring in Middelburg.

    Middelburg

    De verhuizing van Utrecht naar Middelburg stond gepland op 10 mei, maar het uitbreken van de oorlog gaf de nodige problemen. De treinen reden niet meer. Daarom werd een verhuiswagen ingeschakeld. Om de handen even vrij te hebben, stuurden Koosjes ouders hun dochter en zoon voor een paar uur weg. Koosje raakte verzeild in de Utrechtsestraat. Twee chique, hooggehakte dames kwamen aanlopen, hielden halt bij een reclamezuil en begonnen te pulken aan een poster van Persil-waspoeder die over een kaart van Utrecht was geplakt. De dames rolden de kaart op en namen hem mee. Kennelijk mochten de Duitsers die niet zien.

    De gevangenis in Middelburg lag op een soort eiland. Het gezin Hogendijk woonde daar ook. Vlak na de verhuizing zou Koosje jarig zijn en de verrassing voor haar was een nieuwe fiets. Die had zelfs een pakjesdrager en verlichting. Hij stond geparkeerd in de garage. Zij moest nog even geduld hebben. Even voor de heuglijke dag werd het rijwiel echter gestolen. Een vriendin bracht Koosje een dag voor haar verjaardag naar school en de meiden liepen langs de haven aan de Kousteensedijk. Op een boot vol met Duitse soldaten, die wachtten op het sein om op weg te gaan om Engeland binnen te vallen, zag Koosje haar fiets staan. Zonder enige schroom sprong ze op het schip en eiste het rijwiel terug. De soldaten weigerden.

    Bij een brug waren de meisjes getuige van een schokkend voorval. Een man stond gebogen over de brugleuning. Naast hem stonden vijf emmers met vloeibaar teer. Woedende omstanders smeerden hun slachtoffer met een blokkwast in met het kleverige zwarte goedje. Kennelijk was hij een ‘foute’ Nederlander. Op de dag van haar verjaardag, 17 mei, was Koosje getuige van het zware bombardement op Middelburg.

    Betrokken bij het verzet

    Chris Hogendijks benoeming tot onderdirecteur van de R.W.I. in Veenhuizen volgde in september 1941. Opnieuw werd er verhuisd. Het gezin woonde in ‘Arbeid Adelt’, aan de Meidoornlaan 67. Met vele anderen in Veenhuizen raakten Chris en zijn gezin betrokken bij het verzet. Joden werden ondergebracht, bemanningsleden van neergestorte vliegtuigen vonden een tijdelijke schuilplaats in de gevangenis in Veenhuizen, verstopt in gecapitonneerde cellen en er vonden droppings plaats. Koosjes broer ontfermde zich dikwijls over Joodse kinderen.

    Toen de Duitsers gedetineerden uit Veenhuizen wilden inzetten voor de aanleg van een vliegveld bij Havelte, weigerde de directie haar medewerking. De directeur Josias Pieter Andrė Welleman (geboren in het Zeeuwse Hoedekenskerke), die in 1924 naar Veenhuizen kwam, zich opwerkte en in oktober 1941 werd benoemd tot directeur van het Tweede Gesticht in Veenhuizen, dook direct onder in Sneek. Hij werd echter gearresteerd door Max Strobel van de Sicherheitsdienst en opgesloten in het politiebureau.

    Vanuit Sneek kreeg Koosjes vader bericht dat Welleman was gearresteerd. De voor de duvel niet bange Koosje werd op een nacht op pad gestuurd om de directeur te bevrijden. Dat was geen eenvoudige zaak. Veenhuizen-Sneek was een zeer lange tocht en de route werd heel zorgvuldig doorgenomen. Op de fiets ging Koosje al vroeg op een avond op pad. Urenlang was zij onderweg, in het begin zo veel mogelijk door de bossen en over binnenweggetjes, om controles te ontwijken. In de donkere vroege morgen bereikte zij Sneek en ging naar het bureau. Al bekend was dat de die nacht aanwezige agenten te vertrouwen waren. Welleman weigerde echter mee te werken omdat hij van mening was dat hij bij de politie kon gaan werken. Die naďeve instelling werd hem uiteindelijk noodlottig. Hij stierf op 12 februari 1945 in Neuengamme.

    Koosje restte slechts terug te fietsen, wat de nodige problemen gaf. Omdat het al licht was, was zij natuurlijk extra kwetsbaar voor een controle. In de omgeving van Veenhuizen kreeg zij de Landwacht achter zich aan. Koosje, goed bekend in de bosrijke omgeving, ontsnapte. Het volledig uitgeputte meisje keerde uiteindelijk terug in Veenhuizen.

    Onderduiken

    Het eerste contingent gevangenen voor Havelte moest op 24 oktober 1944 worden geleverd. Omdat de directie haar medewerking had geweigerd en vanwege het feit dat onder anderen lieden van de Bloedploeg uit Norg nogal wat verzetsmensen uit Veenhuizen op de hielen zaten, besloten de nog in Veenhuizen aanwezige directieleden met hun gezinnen onder te duiken. Bij de Bloedploeg zat daarbij dikwijls de Landwacht, onder wie Jacob Luitjens, die later de ‘Schrik van Roden’ werd genoemd. Het gezin Hogendijk werd, samen met veertien anderen, ondergebracht bij boer Aize Tolsma. In de Weperpolder werden regelmatig razzia’s gehouden en bijna altijd ‘s nachts. Tijdig op de hoogte gesteld door de jonge Koosje, die een soort van zesde zintuig had voor wat er te gebeuren stond, konden de onderduikers bij Tolsma steeds wegkomen, wat trouwens niet eenvoudig was in het vlakke Friese land. Niet altijd echter luisterden haar mede-onderduikers. Op een nacht was er opnieuw een razzia. Koosje had al een voorgevoel. De anderen dachten dat het niet zo’n vaart zou lopen en bleven in het hooi liggen. Bijna ging het mis. Koosje, die als laatste vluchtte, kwam in tijdnood.

    Boer Aize Tolsma greep zijn Belgisch paard dat naast de boerderij liep en hees Koosje, die heel erg bang was voor paarden, op het ros. Hij gaf het beest een klap op de kont en in een drafje ging het weg van de boerderij. Koosje hield zich vast aan de manen van de Belg. Het paard, onwennig in de donkere nacht, kwam in een ondiepe sloot terecht. Daar bleef het zeer gemoedelijke dier staan tot het licht werd. Koosje, die uiteindelijk was ingedommeld, werd door een van de onderduikers gevonden, hangend over de hals van het dier, zich nog stevig vasthoudend.

    Opgepakt

    In een nacht onweerde het hevig. Opnieuw moest er worden gevlucht. Niet ver van de boerderij, terwijl het groepje dicht bijeen bleef, werd een jongen op doornatte klompen getroffen door de bliksem en was op slag dood. Een meisje dicht bij hem liep brandwonden op. Koosjes broer ging terug naar de boerderij en haalde een kruiwagen. Daarin werd de gedode jongen teruggebracht. Begin november 1944 was er vroeg in de morgen een razzia. De onderduikers, onder wie Koosjes vader en broer ontsnapten, maar zij en haar moeder werden opgepakt. Bij de arrestatie was onder anderen Jacob Luitjens, de ‘Schrik van Roden’, aanwezig. Bij omliggende boerderijen werden eveneens onderduikers ingerekend.


    Voormalig Huis van Bewaring in Assen. Bron: Gerrit Hazenberg

    Alle gearresteerden werden naar Assen gebracht en in een vrij groot huis in een kring gezet om te worden verhoord. Een Duitse vrouw in uniform trok een jongeman uit de groep, smeet hem op de grond en trapte met haar laars op hem in. Een woedende Koosje, achttien jaar oud, deed haar karakter eer aan en vloog op de vrouw af. Het liep wonder boven wonder goed af. De Duitse, kennelijk verbluft door zoveel moed, liet de jongen verder met rust. Nadien werden de gearresteerden naar het Huis van Bewaring in Assen gebracht. Moeder en dochter kwamen in één cel. Naast hen zat een barones die de kluts volledig kwijt was. Zij zong de hele dag ‘dropje, dropje, dropje, dróóóópje’. Om gek van te worden. Koosje en haar moeder werden twee keer per dag verhoord, ’s morgens om zeven uur en in de avond op dezelfde tijd. Ondanks ernstige bedreigingen hielden zij hun kaken op elkaar.

    Bieten en uien

    Moeder en dochter werden enkele dagen later in de Asser Wilco-conservenfabriek aan het werk gezet. Van rode bieten die in badkuipen met heet water lagen, moesten zij de velletjes verwijderen, wat beiden blaren op de handen bezorgde. Koosje kon later geen rode biet meer zien! In de middag moesten zij in een andere kamer uien pellen. Iets meer dan een maand lang werkten ze in de fabriek, bewaakt door wat oudere soldaten van de Organization Todt. De verhoren gingen door. Koosje stal regelmatig eten bij Wilco en smokkelde het de gevangenis in.

    In alle ellende hield zij zich vast aan de haar door omi (oma) Nanninga uit de Nieuwe Blekerstraat in Groningen geleerde spreuk van vader Jacob Cats: ‘Wanneer de Mof is arm en kaal, dan spreekt hij een bescheiden taal. Doch komt hij tot hoger staat, dan doet hij God en mensen kwaad.’ Omdat Koosje op school Engels had geleerd hield zij ook een ander gezegde in gedachten: ‘Pride goes before the fall’ (hoogmoed komt voor de val).

    In die dagen deelden moeder en dochter hun cel met vier andere vrouwen, onder wie een zekere mevrouw Kuipers. Die had reuma en had het ’s nachts erg koud. De vrouwen moesten op de betonnen vloer slapen en hadden ieder maar één deken. Koosje gaf de hare aan mevrouw Kuipers en moeder Hogendijk hield ’s nachts haar dochter stijf tegen zich aan. Regelmatig werden er andere vrouwen bij hen in de cel geplaatst. Die huilden omdat ze waren opgepakt. Maar opmerkelijk was dat zij te veel vragen stelden. Ze werden als spionnen beschouwd en er werd niets prijsgegeven.

    In de vroege ochtend van 11 december 1944 werd een overval gepleegd op het Huis van Bewaring in Assen. Verschillende mensen, ter dood veroordeelden dan wel op de nominatie staand voor deportatie naar een kamp, werden bevrijd door de knokploeg Noord Drenthe, gekleed in Duitse uniformen. De vrouwen bleven zitten, maar voor Koosje en haar moeder werd een uitzondering gemaakt, wat niet toevallig was. Zij zaten immers ook diep in het verzet en een waarschijnlijk dramatische afloop voor de mannen gold eveneens voor hen. Barones ‘dropje’ bleef ook in de cel. Een dominee die erop vertrouwde dat God hem zou beschermen, weigerde te worden bevrijd. Hij stierf later in een kamp.

    Toen de bevrijden buiten stonden, vroeg de verzetsleider wie uit Drenthe en Friesland kwamen. De meesten waren Drenten. Allen werden in de auto’s gezet maar moeder en dochter werden geweigerd. Die moesten zich maar zien te redden. Trouwens, in de auto voor Friesland was ruimte genoeg en die ging richting Veenhuizen, waar moeder en dochter woonden. Natuurlijk wisten zij in dat dorp de weg en konden daar onderduiken. Waren vrouwen niet in tel? Een onbegrijpelijke actie van de knokploeg die, wetend dat na hun optreden binnen minuten de Duitsers en Landwacht gealarmeerd zouden zijn, hiermee een onverantwoord groot risico namen, zoals nog zal blijken (zie ook Epiloog). Het begon al licht te worden en beide zeer boze vrouwen, die nooit hebben begrepen waarom zij werden achtergelaten, maakten zich in allerijl uit de voeten. Zij gingen op weg richting Norg in een poging bij Zuidhof, die broodbezorger was in dienst van bakker Van Esch en die zij goed kenden, een schuilplaats te vinden.

    Gearresteerd

    Onderweg passeerde hen een boderijder met paard-en-wagen uit Haulerwijk, die aanbood moeder en dochter een lift te geven. Verstopt in de wagen arriveerden ze na enkele uren in dat dorp, waarna ze opnieuw richting Norg liepen. Ver kwamen ze niet. De Landwacht, al in hoogste staat van paraatheid na de overval, traceerde beide vrouwen en arresteerde hen. Opnieuw was Jacob Luitjens van de partij. De miskleun van de knokploeg had dramatische gevolgen. Moeder en dochter werden naar het Scholtenhuis in Groningen gebracht en ruw de gang ingewerkt.

    Vervolgens ging het naar een kamer op de eerste verdieping. Geschokt hoorden ze dichtbij het gegil van iemand die werd mishandeld. Een Landwachter begon het verhoor, moeder en dochter werd de huid vol gescholden en ze werden zwaar bedreigd. De felle Koosje schold terug. Op een gegeven moment werd, omdat moeder en dochter niets vertelden, de Landwachter zó kwaad dat hij alle paperassen die op een lange tafel lagen er met één hand vanaf veegde. Gelukkig voor de knokploeg lieten de vrouwen niets los. Laat op de dag vertrok de Landwachter, de kamer werd afgesloten en het onzekere en bange wachten begon.

    Ontsnapt

    Wat zou de volgende dag brengen? Marteling? De geluiden rond hen beloofden niet veel goeds. Om zich heen kijkend ontdekte Koosje niet lang daarna een raam dat opengeschoven kon worden. Er zat zelfs beweging in. Gewacht werd tot in de nacht, het raam werd omhoog geschoven en liggend op hun buik hadden Koosje en haar moeder net genoeg ruimte om eronderdoor te kruipen. Zij lieten zich naar beneden zakken en met een klein sprongetje kwamen ze terecht in een kleine doorgang naast het Scholtenhuis. Direct gingen moeder en dochter op weg, door de stad en opnieuw richting Norg. Ongezien kwamen ze daar aan en ze werden opgevangen door het gezin Zuidhof, dat beiden tot het einde van de oorlog verborgen hield.

    Na de oorlog

    Na de oorlog werd vader Chris directeur van de gestichten 2, 3 en 4 van Veenhuizen. Op 9 juni 1947 vertrokken hij en zijn vrouw naar Amsterdam, waar Chris benoemd was bij de gevangenis in Amsterdam. Ze gingen wonen in de Den Texstraat 5a. Koosje verhuisde eveneens en ging in Leiden studeren voor onderwijzeres. Ze werd nadien benoemd aan een school in Amsterdam, aan de Binnenkant, vlak bij de Zeedijk. In totaal waren er 5 klassen van elk 65 leerlingen. Vaak ging het er bij de school heftig aan toe. Matrozen uit de haven die de Zeedijk bezochten, zorgden voor jaloezie onder de prostituees. Omdat de een meer had verdiend dan de ander werd door sommigen, wanneer de kinderen ’s morgens naar school werden gebracht, gevochten. De schooljeugd moedigde de vrouwen daarbij enthousiast aan.

    Koosje trouwde in 1954 en verloor haar baan. Als getrouwde vrouw mocht zij niet op de school blijven werken. Het huwelijk hield echter geen stand en Koosje mocht tijdelijk weer op de school gaan werken. In april 1954 vertrokken Chris en zijn vrouw naar Arnhem, waar Chris tot directeur van de gevangenis aldaar was benoemd. In 1957 werd Chris opnieuw benoemd in Veenhuizen, als directeur van Esserheem. Koosje en haar zoontje verhuisden ook naar die plaats en gingen inwonen bij haar ouders. Na haar benoeming aan een school in Sorghvliet, Veendam, reisde ze dagelijks met de bus van Veenhuizen, via Assen naar dat dorp. Uiteindelijk gingen moeder en zoon er wonen. Hoewel de oorlog afgelopen was, bleef die voor altijd een trouwe, doch ongewenste metgezel in Koosjes leven.

    Uit de krant

    Zuidenveld kleuterschool Veendam: Na 35 jaren in het onderwijs zal mevr. J.S.M.M. Hogendijk, hoofdleidster van de Zuidenveld kleuterschool per 1 augustus 1985 vervroegd uittreden. Donderdag 27 juni a.s. van 19.30 tot 21 uur bestaat voor oud-leerlingen, collega’s, ouders en andere belangstellenden gelegenheid afscheid van haar te nemen in de school, Zuidenveld 74, 9642 GK Veendam.


    Ridderorde Chris Hogendijk.

    In 1960 werd vader Chris gepensioneerd en kreeg een koninklijke onderscheiding: ridder in de Orde van Oranje Nassau. Hij overleed in Veendam, op 17 februari 1967, 71 jaar oud.

    Zijn vrouw Elisabeth werd 87 jaar oud en woonde op het eind van haar leven in het tehuis ‘Open Haven’ in Veendam.

    Epiloog: de geschiedenis kan deels worden herschreven!

    Waar in boeken, op sites en in de film over de ‘Gideonsbende’, zoals de knokploeg Noord Drenthe zich noemde, over de overval op de gevangenis in Assen melding wordt gemaakt van alleen maar bevrijde mannen ligt de waarheid nu eindelijk op tafel. Twee van de bevrijden waren vrouwen: Koosje Hogendijk en haar moeder Elisabeth Nanninga. In het boekje ‘De knokploeg Noord Drenthe’ van S. Schoon staat niets geschreven over de twee bevrijde vrouwen die niet mee mochten. Hoewel er geen discussie kan zijn over de moed van de bevrijders, was het achterlaten van de vrouwen een flater van jewelste.

    Er is dus nadien bewust iets verzwegen door de leden van de knokploeg. Schaamte? Trouwens, een van de bevrijde ter dood veroordeelden, Hendrikus Gerard, zwaar mishandeld in het Scholtenhuis, heeft jaren later wel verteld over de twee bevrijde vrouwen, die ook op de dodenlijst stonden maar niet mee mochten, terwijl er in de auto voor Friesland genoeg ruimte voor hen was. Hij was verbijsterd en begreep er niets van.

    Hendrikus Gerard

    Hendrikus Gerard woonde met zijn vrouw Geertruida Alida Brands (ze waren op 10 juni 1937 in Epe getrouwd) en dochtertje Gerrie in Epe. Hendrikus was timmerman en zeer actief in de vakbond. Hij was een echte rooie rakker. Recht was recht en krom was krom. Een ambtenaar van het gemeentehuis, die Hendrikus (die Drikus werd genoemd) goed kende, waarschuwde hem dat hij op een lijst stond van mannen die naar Duitsland moesten om daar te werken. Hij raadde Drikus aan onmiddellijk te verdwijnen. Die kreeg een tip dat op het landgoed Dennenrode in Hooghalen een beheerder werd gezocht. Het landgoed was eigendom van de rijke Rotterdamse ondernemer Van Dusseldorp, die meerdere meelfabrieken bezat. Zijn werknemers vierden dikwijls vakantie op het landgoed. Via Anne de Vries, de schrijver van ‘Bartje’, kwam Drikus met zijn gezin terecht in Hooghalen. Daar raakte hij betrokken bij het verzet. Op Dennenrode werden onderduikers ondergebracht en Drikus werd lid van de knokploeg Noord Drenthe.

    In de herfst van 1944 werd een inval gedaan op Dennenrode en Drikus werd gearresteerd. Hij kwam terecht in het Scholtenhuis in Groningen en werd zwaar mishandeld. Daarna verdween hij in de gevangenis in Assen. Voor Drikus’ vrouw en dochtertje werd het te gevaarlijk op Dennenrode. Niet denkbeeldig was dat Drikus’ vrouw ook zou worden gearresteerd. Immers, Drikus had niet gepraat in het Scholtenhuis en misschien zou men meer te weten kunnen komen via zijn vrouw. Marinus Brouwer, politieagent in Hooghalen, werd ingeschakeld. Ook hij zat diep in het verzet en had contact met Anne de Vries. Brouwer zocht contact met Harm Brinks, die een boerderij had aan de weg Hooghalen/Beilen. Het gezin Brinks bestond uit man, vrouw Geesje Strijk en zoon Jan van negen jaar oud.

    Brinks was genegen Hendrikus’ vrouw en dochtertje van vijf te verbergen. "Laat ze maar komen, we zitten er toch al tot de nek toe in." Tegen de buren werd gezegd dat de zuster van Brinks vrouw en haar dochtertje uit Zandvoort bij hen logeerden. Na de oorlog bleek echter dat iedereen in de omgeving op de hoogte was van de onderduikers. Niemand had gepraat. Opmerkelijk mag worden genoemd dat de enkele NSB´ers in de buurt ook hun mond hielden. Na de oorlog woonde het gezin Gerard nog een tijdje op Dennenrode. Daarna vertrokken zij naar Ruinen, waar Drikus weer timmerman werd. Jan, de zoon van Harm Brinks, trouwde later met de dochter van Drikus Gerard.

    Definitielijst

    Landwacht
    Tijdens de bezetting gewapende NSB-ers met politiebevoegheden.
    NSB
    Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
    onderduiken
    Het verstoppen voor de vijand.
    razzia
    Georganiseerde drijfjacht op een groep mensen. Dat konden joden zijn, maar ook onderduikers of andere groeperingen.

    Informatie

    Geplaatst door:
    George Möller
    Geplaatst op:
    25-11-2022
    Feedback?
    Stuur het in!

    Gerelateerde bezienswaardigheden

    Gerelateerde bezienswaardigheden