Op ontdekkingsreis naar historische bezienswaardigheden? Download de TracesOfWar-app direct in Google Play of in de Apple App Store.

De politiek van het kleinste kwaad

Titel:De politiek van het kleinste kwaad - Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943
Schrijver:Boom, B. van der
Uitgever:Boom
Uitgebracht:2022
Pagina's:424
ISBN:9789024444878
Omschrijving:

Bart van der Boom (1964) studeerde na het behalen van zijn atheneumdiploma in Doetinchem een jaar in Minneapolis en daarna Geschiedenis en Amerikanistiek aan de Universiteit van Amsterdam. In 1990 schreef hij een biografie over de NSB’er Kees van Geelkerken (1901-1976), in 1931 een van de medeoprichters van de Nationaal-Socialistische Beweging en sindsdien de vaste rechterhand van Anton Mussert. In 1995 promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op het proefschrift ‘Den Haag in de Tweede Wereldoorlog’. Hij kreeg hiervoor de tweejaarlijkse Littéraire Witte Prijs, een prijs voor een letterkundig werk van een Haagse auteur of over een Haags onderwerp. Daarna publiceerde hij ‘Atoomgevaar? Dan zeker B.B. De Geschiedenis van de Bescherming Bevolking’ (2000), ‘We leven nog. De stemming in bezet Nederland’ (2003) en 'Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust’ (2012). In dat laatste boek onderzocht hij aan de hand van oorlogsdagboeken wat bij de ‘gewone Nederlander’ in de oorlogsjaren bekend was over de uitroeiing van de Joden. Voor dit boek ontving hij de Libris Geschiedenis Prijs. Met zijn nieuwste boek onderzocht hij het functioneren van de Joodse Raad, "…in een poging te onderzoeken hoe goede bedoelingen de weg naar de ondergang plaveiden."

Van 9 tot 11 februari 1941 vonden in Amsterdam heftige vechtpartijen plaats tussen leden van de nationaalsocialistische Weerbaarheidsafdeling van de NSB, kortweg aangeduid als de WA, en Joodse knokploegen, die steun kregen van niet-Joodse Amsterdammers. De twee groepen van elk een man of vijftig gingen elkaar te lijf met koppelriemen, kettingen, stenen, ijzeren staven en flessen bleekwater. De WA-man Hendrik Koot zou enkele dagen later aan zijn verwondingen overlijden. Het was voor de Duitse bezetter aanleiding op 12 februari 1941 de Jodenbuurt helemaal af te sluiten en vooraanstaande vertegenwoordigers uit de Joodse gemeenschap te ontbieden. Van hen werd de oprichting geëist van een Joodse Raad die alle Amsterdamse Joden moest vertegenwoordigen. De Joodse Raad zou ervoor verantwoordelijk worden gesteld dat de bewoners van de Jodenbuurt hun wapens inleverden en dat de rust en orde direct zou worden hersteld. Op 13 februari 1941 werd de Joodse Raad al opgericht. Met enige aarzeling aanvaarden Abraham Asscher (een rijke diamantair en politicus van de Liberale Partij) en David Cohen (een universitair docent klassieke talen en voorzitter van vele Joodse organisaties) gezamenlijk het voorzitterschap. Ze hadden de hoop via de Joodse Raad invloed bij de Duitsers te hebben en daarmee van nut te kunnen zijn voor de Joodse bevolking van Amsterdam. Anderen aarzelden en bedankten voor de eer uit de vrees dat de Joodse Raad slechts een instrument van de nazi’s zou zijn. De afhakers zouden later gelijk krijgen, de beide voorzitters werden na de oorlog de kop van jut.

Het uitgangspunt was dat de Raad alle geledingen van de Joodse gemeenschap zou vertegenwoordigen. Asscher wist Israël Voet, de voorzitter van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, te overtuigen lid te worden zodat ook de arbeiders vertegenwoordigd waren. Al na een week kwam zijn aanvankelijke aarzeling echter weer op en trad hij weer af, officieel om 'gezondheidsredenen'. De slager A. Quiros, vertegenwoordiger van de bewoners van de Jodenbuurt, trad ook snel af. De Jodenbuurt richtte een eigen vertegenwoordiging op waarmee de Joodse Raad geregeld contact zou onderhouden. Al heel snel dus bestond de gehele Joodse Raad uit notabelen. De oprichters waren zo naïef dat ze veronderstelden dat ze slechts een uitvoerende en overbrengende taak hadden, geen verantwoordelijkheid voor de opdrachten hadden en dat ze oneervolle opdrachten konden weigeren.

Ze zouden al snel van een koude kermis thuiskomen. Een half jaar later kreeg de Joodse Raad van Amsterdam de bevoegdheid voor heel Nederland en moest ze landelijk de Duitse bevelen doorgeven en zorgen voor een correcte uitvoering. Binnen afzienbare tijd was de Joodse Raad het doorgeefluik geworden van de stortvloed van anti-Joodse maatregelen die werden afgekondigd. Uiteindelijk werd in 1943 ook de leiding van de Joodse Raad afgevoerd naar het doorgangskamp Westerbork en van daaruit naar de Duitse vernietigingskampen. Eind 1943 hield de Raad dus de facto op te bestaan.

Na de oorlog werden de beide voorzitters, die de oorlog hadden overleefd, door de Joodse Ereraad veroordeeld voor hun activiteiten namens de Joodse Raad (zie hiervoor: het artikel over David Cohen). Er werd binnen de Joodse gemeenschap en ook de rest van de samenleving zeer hard over hen geoordeeld: ze zouden vooral hun eigen hachje hebben gered en zijn opgekomen voor de belangen voor de Joodse elite. De rest van de Joodse bevolking hadden ze in de steek gelaten door de nazi’s te helpen bij de deporatie van bijna de gehele Joodse gemeenschap naar de vernietigingskampen. Dat eerste naoorlogse beeld is later iets genuanceerd, waarbij het oordeel over de beide voorzitters wat is verzacht, maar het negatieve eindoordeel van de eerste naoorlogse jaren is nooit verdwenen. De eerste associatie bij de namen van David Cohen en Abraham Asscher blijft die van wat wereldvreemde collaborateurs, waarmee behoorlijk onrecht wordt gedaan aan de oprechte bedoelingen waarmee beiden in de jaren 1941-1943 aan het werk waren.

Ook Van der Boom wil in dit boek dat zwart-wit beeld over het functioneren van de Joodse Raad en de beide voorzitters nuanceren. Het harde oordeel behoeft namelijk de nodige bijstelling. Dat beeld is na de oorlog gevormd op de kennis achteraf, op de wetenschap welk vreselijk lot de afgevoerde Joden tijdens de oorlogsjaren in het onbekende oosten van Europa te wachten stond. Tijdens de oorlog begreep men echter maar amper wat er allemaal aan de hand was omdat er zo goed als geen informatie beschikbaar was. Een constatering die Van der Boom ook al naar voren had gebracht in zijn boek 'Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust’ (2012). Door deze onwetendheid was het onmogelijk te bepalen wat nu de juiste strategie was, verzet of gehoorzaamheid. De Joodse Raad koos voor de laatste optie en probeerde op allerlei manieren de Joodse bevolking te helpen.

De Raad moest eigenlijk alle taken overnemen die de Nederlandse staat ten behoeve van haar Joodse onderdanen niet meer mocht uitvoeren. Er was bijvoorbeeld een afdeling Hulp aan Vertrekkenden met spulleninzamelingen voor mensen die vanuit Westerbork op transport werden gezet. De afdeling gaf die personen uitgebreide instructies wat ze het beste konden meenemen (werkschoenen, een goede jas en een stevige rugzak) en deed allerlei inspanningen om ervoor te zorgen dat iedereen daarover beschikte. De Raad en deze afdeling konden onmogelijk weten dat dit een zinloze onderneming was omdat al die rugzakken ongebruikt op het perron van Auschwitz achterbleven. De Raad zorgde ook voor de inrichting van Joodse scholen toen Joodse kinderen niet langer naar de Nederlandse scholen mochten komen. Verder ontfermde de Raad zich over de Joodse ziekenhuizen om de gezondheidszorg op peil te houden. Ze was verder betrokken bij de armenzorg en het verzorgen van psychische hulp, die bij velen dringend nodig was vanwege alle ellende die op de bevolking afkwam. Zo zijn er tijdens de bezetting door de Joodse Raad allerlei beslissingen genomen die op dat moment volkomen logisch en zeer nuttig waren, maar met alle kennis achteraf onbegrijpelijk of zelfs misdadig kunnen overkomen.

Van der Boom betoogt dat op dat moment in de oorlog, met alle gebrekkige of ontbrekende informatie, de keuzes van de Joodse Raad vanzelfsprekend waren. De achterhaalde collectieve veroordeling - waarbij het begrip Joodse Raad min of meer geldt als het ergste soort verraad, namelijk het verraad van ‘eigen’ mensen om zelf buiten schot te blijven - moet worden bijgesteld om meer recht te doen aan de personen die namens de Raad actief waren. Tijdens de oorlog namelijk vonden de meesten het bestaan en het beleid van die Joodse Raad namelijk prima. Een goed leesbaar betoog, dat hopelijk het gewenste effect heeft.

Beoordeling: Zeer goed

Informatie

Artikel door:
Frans van den Muijsenberg
Geplaatst op:
29-11-2022
Feedback?
Stuur het in!

Afbeeldingen