WO2 Onderzoek uitgelicht: Oorlogstoerisme

Scholieren die lachend een selfie maken in de crematoria van Auschwitz. Neonazi’s die met gestrekte arm een groet brengen bij het graf van een SS’er op de Duitse militaire begraafplaats in Ysselsteyn. Ramptoeristen die een kick krijgen van een bezoek aan het uitgemoorde (en nu als ruïne bewaarde) dorp Oradour-sur-Glane. Op dit soort reacties zitten beheerders van oorlogserfgoedlocaties niet te wachten. Toch willen zij bezoekers trekken en willen steeds meer toeristen de plaatsen bezoeken waar de Tweede Wereldoorlog ‘aanraakbaar’ is.


Toeristen luisteren naar een audiotour terwijl ze de gaskamer van Auschwitz I binnenwandelen. Foto: L-BBE op Wikimedia Commons (CC BY 3.0)

In dit nummer van WO2 Onderzoek uitgelicht staat oorlogstoerisme centraal. Het is een relatief nieuw onderzoeksterrein. Over de term waarmee dit verschijnsel moet worden aangeduid, bestaat dan ook nog volop discussie. ‘Herinneringstoerisme’, ‘herdenkingstoerisme’ en ‘dark tourism’ zijn termen die u in dit nummer zult tegenkomen. Deze laatste uitdrukking beslaat een breed veld dat met “de dood, het lijden en het schijnbaar macabere” te maken heeft, zoals onderzoeker Karel Werdler het definieert.

Na de Eerste Wereldoorlog gaf Michelin al reisgidsen uit voor de ‘slagveldtoerist’ in Noord-Frankrijk en Vlaanderen. Tegenwoordig wordt dit soort reizen in het Frans aangeduid als tourisme de mémoire en in het Engels als remembrance tourism. De Nederlandse vertaling ‘herinneringstoerisme’ benadert dit nog het best en dient naar mijn mening gebruikt te worden voor een ingetogen manier van toerisme.

In Nederland werden na 1945 voor nabestaanden van gesneuvelde geallieerde militairen ‘pelgrimages’ georganiseerd. Met deze laatste term – bedevaart – is dit verschijnsel in een eeuwenlange traditie te plaatsen en krijgt het een haast religieus karakter. De primaire motivatie van de Tweede Wereldoorlog-reiziger is niet vermaak of ontspanning, maar de zoektocht naar een betekenisvolle en inhoudelijk verrijkende ervaring, een belevenis die meerwaarde geeft. Het Anne Frank Huis is binnen Nederland al jaren de grootste trekpleister op dit gebied.


Bezoekers in de rij voor het Anne Frank Huis (2018). Foto: 1971markus op Wikipedia Commons (CC BY-SA 4.0)

Maar waaruit bestaat deze ervaring? Welke betekenis zoekt de reiziger? Jeroen Nawijn beschouwt het onderzoek naar de bezoekers van voormalige concentratiekampen. Wat opvalt is de schakering van gevoelens die geuit worden, van positief tot uiterst negatief – walging en woede. Dat de behoefte aan een herhaalbezoek gering is, valt ook te lezen in het interview met Werdler: na één maal Auschwitz bezocht te hebben, wil hij nooit meer naar die “verschrikkelijke plek”. Lisanne Antenbrink, een van Werdlers studenten, benadrukt dat scholieren bij een bezoek aan een kamp goed voorbereid moeten zijn.

Laurie Slegtenhorst onderzocht de motivaties van de deelnemers aan battlefield tours, en wel specifiek de reizen naar de invasiestranden van Normandië en het bloedige slagveld van het Hürtgenwald. In Normandië is de bezoeker vooral op zoek naar de ‘echte’ heldenverhalen van hun bevrijders. Een multiperspectieve benadering waarbij ook aandacht is voor gesneuvelde Duitsers, vindt hier weinig voedingsbodem.

Onthutsend zijn de foto’s die Janneke Jorna laat zien van Duitse militairen die toeristische uitjes maken in bezet Nederland. Ze zien er vrolijk uit, soms klunzig, menselijk. Zo komt via de rijke toegangssite van Netwerk Oorlogsbronnen een ander beeld van de bezetter én van het oorlogstoerisme naar voren.


Duitse militairen op het strand van Scheveningen, mei 1940. Foto: Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad, fotograaf onbekend

Herdenken is het levend houden van de herinnering en het benutten daarvan voor een “gemeenschappelijke leefbare toekomst”, zoals Piet Hein Donner in zijn column stelt. Van oudsher zijn de militaire begraafplaatsen de ankerplaatsen voor deze herinnering, verbonden aan begrippen als vrijheid en vrede. Kernwaarden als democratie en rechtsstaat vereisen andere plaatsen: de kampen Westerbork, Vught, Amersfoort en binnenkort ook het Oranjehotel. Ook de Muur van Mussert, recent aangewezen als rijksmonument, kan hierin een rol vervullen. Er is behoefte aan zingeving en een moreel referentiekader. De verhalen van de oorlog kunnen dit bieden.

Dit nummer laat zien dat het herinneringstoerisme van de Tweede Wereldoorlog een betekenisvolle manier is om normen en waarden door te geven. Precies wat de Stichting Versterking Herinnering WO2 Gelderland, waarin de Radboud Universiteit Nijmegen, Erfgoed Gelderland en Toerisme Veluwe-Arnhem-Nijmegen samenwerken, wil bereiken door het bevorderen van de samenhang en de inhoudelijke kwaliteit van het oorlogsverhaal.



Over de auteur
Joost Rosendaal is voorzitter van de Stichting Versterking Herinnering WO2 Gelderland. Tevens is hij als historicus en publicist verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen en actief op het gebied van de politieke cultuurgeschiedenis, met name op de thema’s oorlog en revolutie.

Gebruikte bron(nen)