De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Ochtendzitting 1 15-03-1946

Dr. STAHMER: Welke redenen waren doorslaggevend voor de invasie van Nederland en België?
GÖRING: Deze kwestie was eerst onderzocht vanuit zuiver militair en strategisch oogpunt. Om te beginnen was er onderzocht of de neutraliteit van beide Staten volledig kon worden gegarandeerd.
De PRESIDENT: Er zijn moeilijkheden met de apparatuur. De zitting wordt geschorst.

Dr. STAHMER: Wilt u alstublieft verder gaan?
GÖRING: Ik herhaal. Allereerst moesten we bepalen of de neutraliteit van Nederland en België onder alle omstandigheden zou worden gegarandeerd in geval van een conflict en een oorlog in het Westen. In het begin leek dat erop. Toen kwam er informatie binnen dat er onderhandelingen waren gevoerd niet alleen tussen België en Frankrijk maar ook tussen Nederland en Engeland. Er was een incident in Venlo waar een Nederlandse officier van de Generale Staf op Duits grondgebied gevangen was genomen en ik meen dat een ander door de grenspost bij deze gelegenheid was neergeschoten, hetgeen duidelijk maakte dat deze neutraliteit onder bepaalde omstandigheden en onder toenemeende druk van vijandelijke zijde niet kon worden gehandhaafd.
Wanneer neutraliteit niet onder alle omstandigheden was gegarandeerd zou er tijdens de strijd het enorme gevaar bestaan dat de rechterflank bedreigd werd en niet gedekt was. De puur militaire autoriteiten die zich alleen bezig hielden met het strategische standpunt hadden, wanneer ze naar hun mening was gevraagd, dat moeten geven vanuit zuiver militair standpunt; dat wil zeggen door erop te wijzen dat door het bezetten van beide landen de zuiver militair-strategische toestand natuurlijk zou verschillen van die wanneer dat niet gebeurde en een dergelijke bezetting door de vijand zou worden uitgevoerd.
Een bijkomend element dat aanleiding gaf tot twijfel aan de strikte neutraliteit van deze landen was het feit dat bijna alle vluchten van Groot-Brittannië naar Duitsland, die destijds plaatsvonden, over Nederlands of Belgisch grondgebied gingen. Er bereikte ons betrouwbare informatie dat het Belgische leger, dat aan het begin van de oorlog aan de zuidwestelijke grens versterkt was, gehergroepeerd werd en met al zijn slagkracht werd samengetrokken langs de Duitse grens.
Verdere informatie gaf aan dat er een uitwisseling van ideeën had plaatsgevonden tussen de Franse en de Belgische Generale Staf en dat onder druk van de Franse Generale Staf België had beloofd het werk aan de fortificaties langs de Maas tegen Duitsland uit te breiden.
Andere inlichtingen gaven aan dat de Chef van de Franse Generale Staf, Gamelin, net als Admiraal Darlan en de chef van de Luchtmacht, Vuillemin, onder alle omstandigheden de bezetting van België eisten, vanwege de veiligheid van Frankrijk en dat er over dit onderwerp intensieve onderhandelingen plaatsvonden tussen de regeringen van Engeland en Frankrijk. De informatie van die tijd was zeer betrouwbaar. Hoe juist en volkomen helder die was werd later duidelijk nadat we Frankrijk waren binnengetrokken want we vonden de geheime documenten van de Franse Generale Staf en ook notulen van conferenties die hadden plaatsgevonden tussen de Franse en Britse regeringen in de zogenaamde Opperste Militaire Raad.
Het was de opvatting van de Führer dat door het onvermogen van deze landen, hun neutraliteit tegenover groeiende druk van Engeland en Frankrijk te handhaven het Roergebied, dat voor ons van vitaal belang was, aan uitzonderlijk groot gevaar blootgesteld zou worden. Hoe juist deze mening was kan ook worden opgemaakt uit rapporten waarin het hoofd van de Britse regering voorstelde – en dat ook volledig liet uitleggen door de specialisten in de Militaire Raad – hoe het Roergebied het beste kon worden aangevallen door laagvliegende Britse vliegtuigen die boven België zouden aanvliegen en dan op het laatste moment, na een korte vlucht vanuit België de Roervallei zouden aanvallen en de belangrijkste fabrieken daar vernietigen.
Als die aanvallen al niet eerder werden gedaan, was dat dankzij de bezorgdheid van de Franse Premier want hij maakte zich van zijn kant zorgen over de Franse industrie en wilde het aan de andere partij overlaten de eerste aanvallen op industriegebieden uit te voeren. Engeland stond er echter op dat zij deze aanvallen op het Roergebied via België op ieder moment konden uitvoeren.
Als men in aanmerking neemt hoe kort de vliegtijd is van de Belgische grens naar de belangrijkste fabrieken van de Roervallei – slechts een paar minuten – wordt men zich volledig bewust van het gevaar dat zou ontstaan wanneer de neutraliteit van België niet door onze vijanden zou worden gerespesteerd. Aan de andere kant, als die wel werd gerespecteerd zou een aanval door de RAF op de Roervallei een lange vlucht via de Bocht van Helgoland vanuit het noorden hebben betekend en dan zou het voor ons heel gemakkelijk zijn geweest een dergelijke aanval te voorkomen en af te slaan. Als die echter via België kwam zou dat vrijwel onmogelijk geweest zijn.
Tijdens deze harde strijd was het allereerst noodzakelijk te denken aan onze eigen belangen en ons eigen voortbestaan en het voordeel niet aan de vijand te laten. Op dit moment was men zeer overtuigd van de realiteit van het gevaar dat onze bevolking bedreigde, en vooral onze strijdkrachten; dat gevaar moest van tevoren worden weggenomen en we moesten voor onszelf de voordelen veiligstellen die de tegenstander had verwacht.
Dr. STAHMER: Om welke reden werden in Frankrijk officieren weer geïnterneerd, zelfs nadat de oorlog was afgelopen?
GÖRING: Allereerst wil ik een uitdrukking betreffende deze vraag corrigeren. In Frankrijk was de oorlog als zodanig helemaal niet beëindigd. Er was een wapenstilstand gesloten. Dit was een wapenstistand op zeer gunstige voorwaarden. Zelfs de inleiding tot deze wapenstilstand toonde een tendens naar een komende verzoening, in tegenstelling tot die wapenstilstand die in 1918 op dezelfde plek was gesloten.
Toen Maarschalk Pétain destijds om een wapenstilstand vroeg was het eerste antwoord dat hij kreeg dat de capitulatie onvoorwaardelijk zou moeten zijn. Later echter gaven we hem te verstaan dat een redelijk groot aantal wensen betreffende de vloot, bepaalde delen van het onbezette gebied en het behoud van de kolonies in overweging zouden worden genomen. De situatie was zodanig dat Duitsland op dat moment kon hebben aangedrongen op een absoluut onvoorwaardelijke overgave omdat er geen Franse troepen van enige betekenis waren of enige steun die uit Engeland zou kunnen komen beschikbaar was om een complete militaire ramp in Frankrijk te voorkomen.
Geen enkele linie, geen enkele Franse formatie had de doorstoot van de Duitse troepen naar de Middelllandse Zee kunnen tegenhouden. In Engeland waren geen reserves meer beschikbaar. Alle beschikbare troepen zaten in de expeditiemacht die door België en noord-Frankrijk op de vlucht was gedreven en uiteindelijk in Duinkerken vastzat. In deze wapenstilstandsovereenkomst werden die voorwaarden gerespecteerd die als wens waren geüit. De Führer had daarnaast ook laten doorschemeren dat een zekere edelmoedige oplossing mogelijk was, zeker in verband met de kwestie van gevangengenomen officieren. Toen in tegenstelling tot een grote tevredenheid waarop we hadden gehoopt en waar we vanaf het begin op aanstuurden, het verzet zich in Frankrijk geleidelijk begon te ontwikkelen door middel van propaganda van over het Kanaal en de oprichting daar van een nieuw verzetscentrum onder Generaal de Gaulle, was het naar mijn mening volkomen begrijpelijk dat Franse officieren hun diensten als patriot zouden aanbieden. Maar op hetzelfde moment was het voor Duitsland, dat het gevaar onderkende en probeerde het te onderdrukken, net zo logisch om diegenen weer krijgsgevangen te maken die de leiders en de experts in dergelijke militaire verzetsbewegingen zouden worden, met andere woorden alle officieren die zich nog vrij in Frankrijk bewogen. Dat was een noodzakelijke basisvoorwaarde om het gevaar van een oorlog achter onze rug en een nieuwe uitbarsting in Frankrijk te voorkomen. Ik geloof dat het volkomen uniek is dat terwijl er nog op alle fronten een oorlog woedt, het de officieren van een land waarmee slechts een wapenstilstand is gesloten wordt toegestaan zich vrij te bewegen wanneer de oorlog op zijn hoogtepunt is. Voor zover ik weet was dat de eerste keer in de geschiedenis van de oorlogvoering dat iets dergelijks gebeurde.
Dr. STAHMER: Kunt u ons specifieke feiten noemen om uit te leggen waarom de strijd in Frankrijk, die blijkbaar in 1940 op een onderling eervolle wijze werd gevoerd later zo'n wreed karakter kreeg?
GÖRING: Men moet de twee fasen van de oorlog tegen Frankrijk geheel gescheiden zien. De eerste fase was het grote militaire conflict, met andere woorden de aanval van de Duitse troepen op het Franse leger. Deze strijd was snel gestreden. Men kan niet zeggen dat het gedurende de hele duur een ridderlijke strijd was want vanuit die periode kennen we diverse acties van de Fransen tegen onze gevangenen die in de Witboeken zijn vastgelegd en later aan het Internationale Rode Kruis in Genève zijn overgedragen. Maar over het algemeen bleef de strijd binnen de normale grenzen van een militair conflict met de uitwassen die altijd in een dergelijke strijd hier en daar voorkomen.
Nadat de strijd was geëindigd brak er tijdelijk rust en vrede aan. Pas later, toen de strijd voortging en zich uitbreidde, in het bijzonder toen de strijd tegen Rusland begon en, zoals ik al eerder zei, er aan de overkant een nieuw Franse leiding was opgestaan, toen werd in de landen van het Westen waar tot dan toe rust had geheerst en geen ernstige incidenten hadden plaatsgevonden, een zekere verheviging van het verzet duidelijk. Er werden aanvallen gepleegd op Duitse officieren en soldaten, handgranaten en bommen werden in restaurants gegooid waar Duitse officieren of soldaten waren. Er werden zelfs bommen gegooid op plaatsen waar vrouwen waren, leden van de Vrouwelijke Verbindingshulpdienst en Rode Kruis verpleegsters. Auto's werden aangevallen, verbindingslijnen verbroken, treinen opgeblazen en dat op steeds grotere schaal.
Een oorlog achter het front gedurende een landoorlog veroorzaakte al problemen genoeg maar toen de luchtoorlog erbij kwam ontstonden er geheel nieuwe mogelijkheden en methoden. Nacht na nacht vlogen er grote aantallen vliegtuigen aan en wierpen enorme hoeveelheden explosieven en wapens, instructie en dergelijke voor deze verzetsbewegingen af teneinde die te versterken en uit te breiden. De Duitse contraspionnage slaagde erin, door middel van afleidingsmanoeuvres en met behulp van de codes die door vijandelijke toestellen waren afgeworpen een groot deel van dit materiaal in handen te krijgen maar er bleef een voldoende hoeveelheid over en die kwam in handen van de verzetsbewegingen. De wreedheden die in dit verband werden gepleegd vonden ook op grote schaal plaats. Desbetreffende documenten kunnen worden overlegd. Natuurlijk .......
Mr. JUSTICE JACKSON: Met welnemen van het Tribunaal, ik onderbreek dit verhoor niet graag maar ik zou willen vragen of het Tribunaal gebruik zou willen maken van de mogelijkheid die het Handvest biedt om van Raadsman een verklaring te vragen hoe dit van belang is voor de aanklachten die wij hier bezig zijn te onderzoeken.
Het roept een vrij grote en belangrijke vraag op en die vraag is deze, zoals ik die zie: het roept een vraag op waarmee zeer veel tijd gemoeid is, als tijd al een belangrijk element in dit Proces is.
Voor het doel van die verklaring moet ik toegeven dat er binnen de bezette gebieden acties werden ondernomen door partizanen die erg storend, bezwaarlijk en schadelijk voor de toekomstige overwinnaars waren. Als er wordt geprobeerd bewijsmateriaal in te brengen wat partizanen deden met de Duitse bezettingstoepen, volgens de theorie van vergelding, dan stel ik met respect dat Raadsman van achteren naar voren werkt, dat wil zeggen, als de Verdediging zegt: "Ja, wij begingen bepaalde wreedheden; wij schonden het internationaal recht," dan kan het zijn dat het motief – ik zal beredeneren dat het niet zo is – onder de Haagsche Conventie niet ter zake doet, maar dan kan tenminste die vraag worden gesteld.
Maar tenzij dit bewijsmateriaal wordt gepresenteerd volgens de theorie dat wraakacties gerechtvaardigd zouden zijn dan stel ik dat daaarvoor in deze zaak geen plaats is. Als het wordt gepresenteerd op basis van het vaststellen van een theorie van vergelding, dan is onze eerste vraag: waar dienen die wraakacties dan voor? Met andere woorden, u kunt zich alleen op de doctrine van vergelding beroepen wanneer u eerst toegeeft dat u bepaalde acties voert die in strijd zijn met internationaal recht. Dan is de vraag of dat al dan niet gerechtvaardigd is. Ik stel dat het deze zaak zou bekorten en zeker verhelderen wanneer de raadsman duidelijk verklaart op welke acties van de kant van de Duitse bezettingsmacht hij zijn bewijsvoering richt, om die naar ik aanneem te verontschuldigen en dat, tenzij er met voldoende zekerheid wordt gewezen op een theorie van vergelding, zodat we de schendingen aan Duitse zijde die hij met vergelding probeert te verontschuldigen kunnen definiëren, dit bewijsmateriaal niet helpt bij een uiteindelijke beslissing over dit vraagstuk.
De vraag is hier niet of de bezette landen zich verweerden. Natuurlijk verweerden zij zich. De vraag is of acties van de aard die wij hebben getoond kunnen worden verontschuldigd met vergelding en zo ja, dan moet er een erkenning van die daden volgen en moet de doctrine van vergelding, naar het mij lijkt, veel duidelijker uiteen worden gezet.
De PRESIDENT: Ja, Dr. Stahmer?
Dr. STAHMER Ik heb niet de hele verklaring kunnen horen want de tolk kon het niet allemaal bijhouden. maar ik meen dat wat we tot nu toe hebben besproken van belang is om de volgende reden:
De beklaagden worden beschuldigd van het feit dat er op grote schaal gijzelaars werden genomen en doodgeschoten en er wordt volgehouden dat dat niet gerechtvaardigd was; hoe dan ook, de motieven die hebben geleid tot het nemen van gijzelaars zijn tot nu toe nog niet besproken, althans niet voldoende. Om deze kwestie, die zo belangrijk is voor de beslissingen tijdens dit Proces op te helderen, is het naar mijn mening absoluut noodzakelijk duidelijk te maken dat deze besluiten betreffende de arrestatie en behandeling van gijzelaars het gevolg waren van de houding van de verzetsbewegingen. Daarom kan naar mijn mening terecht worden gesteld dat de acties van de verzetsbewegingen de oorzaak waren van de maatregelen die later door de Duitse militaire autoriteiten, zeer tot hun spijt moesten worden genomen.
Mr. JUSTICE JACKSON: Mag ik iets zeggen op het aanbod van Dr. Stahmer, als het al een aanbod is? De suggestie van dr. Stahmer dat de motieven hier moeten worden onderzocht, lijkt me wel erg ver gaan. Als hij zich onder het internationaal recht beroept op de doctrine van vergelding dan moet hij ook de voorwaarden van die doctrine aanvaarden. Artikel 2 van de Geneefse Conventie van 27 juli 1929 stelt onomwonden dat vergeldingsmaatregelen tegen krijgsgevangenen verboden zijn. Hij moet die daarom betrekken op anderen dan krijgsgevangenen. Onder de doctrine van vergelding, wat wij daaronder verstaan, moet iedere daad waarvan beweerd wordt dat die gerechtvaardigd is, gerelateerd worden aan een specifieke en voortdurende schending van het internationaal recht. Dat wil zeggen, niet iedere toevallige en incidentele schending rechtvaardigt vergelding op grote schaal. Als dat wel zo was dan zou het internationaal recht geen basis hebben want een schending door de ene partij, hoe onbelangrijk ook, zou de andere partij volledig ontslaan van alle regels van oorlogvoering.
Ten tweede, alles waarvan wordt beweerd dat het als vergelding gerechtvaardigd is moet binnen redelijke tijd een vervolg hebben en redelijk gerelateerd aan de overtreding die door de vergelding moet worden voorkomen. Met andere woorden, men kan als vergelding geen massaslachting plegen om een enkele moord te wreken. Vervolgens moet met betrekking to vergeldingen worden aangetoond dat er tegen is geprotesteerd als basis voor het zich beroepen op vergelding. U kunt niets vergelden zonder aankondiging. De vergelding moet worden vastgelegd en er moet aankondiging van worden gedaan door een verantwoordelijk deel van de regering.
En vervolgens, en het meest belangrijk, een opzettelijk beleid van schending van internationaal recht kan niet worden verhuld als vergelding. Specifieke acties moeten een vergelding zijn voor specifieke daden onder de voorwaarden die ik heb genoemd. U kunt een regime van terreur niet rechtvaardigen onder de doctrine van vergelding; en dus stel ik met verschuldigde eerbied vast dat het aanbod van Dr. Stahmer de motieven van Göring als individu, of van alle beklaagden gezamenlijk, of van Duitsland te onderzoeken, niet voldoet aan enige juridische voorwaarde. Het Tribunaal mag erop worden gewezen als verzachting van het vonnis na veroordeling maar het is geen juiste overweging met betrekking tot schuld of onschuld aan de aanklachten die wij bij het Hof hebben ingediend.
De PRESIDENT: Mr. Justice Jackson, ik begreep dat u toegeeft dat dit soort bewijsmateriaal van belang kan zijn bij een verzachting van het vonnis?
Mr. JUSTICE JACKSON: Ik denk dat wanneer de Heren Rechters de beklaagden schuldig achten, daarna de kwestie van het vonnis aan de orde komt, zoals bij ons gebruikelijk is. U zou bijna alles kunnen vinden wat een beklaagde zei dat hij van belang vond voor zijn vonnis maar ik neem niet aan dat Dr. Stahmer het nu heeft over een aanbod dat voor dat onderwerp van belang is. Als dat wel zo is, zou ik erin moeten toestemmen dat elk verzoek om verzachting natuurlijk wordt gehoord. Het wordt, zoals ik het begrijp, gedaan met betrekking tot de schuldvraag.
De PRESIDENT: Dat mag zo zijn maar het Tribunaal vindt het wellicht beter het bewijsmateriaal nu aan te horen. Het Handvest voorziet niet, voor zover ik dat kan zien, in het inbrengen van nog meer bewijsmateriaal na de veroordeling, als een beklaagde eenmaal is veroordeeld. Daarom moet ieder bewijsmateriaal dat als ontlastend bewijs ingebracht zou kunnen worden, nu moeten worden ingebracht.
Mr. JUSTICE JACKSON: Het probleem hiermee zou denk ik dit zijn: een beklaagde kan heel goed schuldig worden bevonden aan enkele punten maar niet schuldig aan andere. Dat zou op dit moment betekenen een beroep aantekenen tegen het vonnis, twee/derde daarvan is welicht niet van belang omdat hij niet schuldig wordt bevonden aan meer dan een punt.
Ik mag bevooroordeeld zijn ten gunste van de praktijk die ik ken of waarvan ik mag worden verondersteld enige kennis te hebben. In onze rechtsgang wordt de vraag schuldig of niet schuldig het eerst beoordeeld. De kwestie van het vonnis is een ander onderwerp, te beoordelen na de uitspraak schuldig of niet schuldig. Ik zou denken dat dat de logische manier is om hier te handelen. En ik begrijp dat die – en ik denk dat Dr. Stahmer het mij eens is – dat die uitspraak niet wordt gedaan over de kwestie van het vonnis. Ik denk niet dat hij erkent dat hij dat punt al heeft bereikt.
Dr. STAHMER: Mag ik een korte opmerking maken over de juridische kwestie? Er wordt gesteld, althans deze partij beweert dat er in Frankrijk op grote schaal schendingen van het internationaal recht plaatsvonden door het voeren van een guerillaoorlog. De strijd tegen deze acties, die niet voldoen aan internationale wetgeving, kon niet worden gevoerd met vergeldingsmaatregelen, zoals net door Mr. Justice Jackson uiteen is gezet. Het is juist dat er bepaalde redenen bestonden voor het toepassen van vergeldingsmaatregelen maar naar mijn mening is het twijfelachtig of dergelijke ......
De PRESIDENT: Mag ik u vragen of u het er mee eens bent dat de voorwaarden die Mr. Jackson heeft genoemd correct zijn genoemd?
Dr. STAHMER: Ja, maar naar mijn mening hebben we hier met een noodsituatie te maken, veroorzaakt door gedrag dat indruist tegen internationale wetgeving, anders gezegd het ontketenen van een guerillaoorlog. Dit feit geeft legercommandanten het recht algemene maatregelen te nemen om deze toestanden, die onwettig zijn ontstaan, teniet te doen. Daarom zijn die feiten in elk geval van belang voor de bepaling van de strafmaat.
De PRESIDENT: Het Tribunaal zal geen onbeperkt aantal raadslieden van beklaagden horen maar ik zie dat Dr. Exner aanwezig is en het Tribunaal is bereid één andere raadsman – als u dat wenst, Dr. Exner - over dit onderwerp aan te horen.
Dr. FRANZ EXNER (raadsman van beklaagde Jodl): Met welnemen van het Tribunaal, we zijn allemaal geïnteresseerd in de kweste van vergeldingsmaatregelen en ik zou daar een paar woorden over willen zeggen.
Gedurende 10 jaar heb ik aan de universiteit college gegeven over internationaal recht en ik meen dat ik er iets van weet. Vergeldingsmaatregelen behoren tot een van de meest discutabele termen van het internationaal recht. Men kan zeggen dat er maar op één punt absolute zekerheid heerst namelijk het punt dat Mr. Jackson het eerst noemde "wraakacties tegen krijgsgevangenen zijn verboden." Al het andere is discutablel en helemaal niet geldig als internationaal recht. Het is niet juist dat het in alle landen een algemeen toegepaste methode is en dus geldig internationaal recht, dat een protest een vereiste is voor het nemen van vergeldingsmaatregelen. Ook is het niet juist dat er een zogenaamd oorzakelijk verband moet bestaan. Er is gesteld dat er een relatie moet bestaan in tijd en bovenal een verband tussen de ophanden zijnde en de feitelijke schending van internationaal recht. Er zijn deskundigen op het gebied van internationaal recht, en dat is inderdaad een feit, die stellen dat het wenselijk zou zijn dat er in alle gevallen een dergelijk verband bestaat. Maar in het bestaande internationaal recht, in de zin dat er een of andere daartoe strekkende afspraak is gemaakt of dat het internationaal een wettig gebruik is geworden, is dat niet het geval. Het moet daarom gezegd worden, op basis van schendingen van internationaal recht door de andere partij, dat we onder geen enkele omstandigheden wraakacties tegen krijgsgevangenen ondernemen; iedere andere vorm van vergelding is echter toelaatbaar.
Ik wilde alleen maar in algemene termen stellen - en missschien mag ik nog steeds zeggen – dat we het nu niet mogen hebben over verzachtende omstandigheden. Ik zou het Tribunaal eraan willen herinneren dat het ons is toegestaan slechts één pleidooi te houden en wanneer het ons in die toespraak, die wordt gehouden voordat er een beslissing is genomen over de kwestie schuld of onschuld, niet wordt toegestaan over verzachtende omstandigheden te spreken, dan zouden we helemaal geen gelegenheid hebben daarover te spreken.
De PRESIDENT: De zitting wordt geschorst.

Definitielijst

capitulatie
Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
invasie
Gewapende inval.
Maarschalk
Hoogste militaire rang, legeraanvoerder.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.

Afbeeldingen

Hermann Göring

Ochtendzitting 2

De PRESIDENT: Het Tribunaal bepaalt dat bewijsmateriaal rond de kwestie van wraakacties toelaatbaar is en dat later zal worden overwogen welk belang aan dit of overeenkomstig bewijsmateriaal moet worden toegekend.
Dr. STAHMER: Wilt u alstublieft verder gaan?
GÖRING: Ik meen dat de verklaring die ik op het punt sta af te leggen voldoet aan alle voorwaarden die Justice Jackson heeft gesteld; namelijk ik ontken op geen enkele manier dat er dingen zijn gebeurd die zeer discutabel zijn waar het internationaal recht betreft. Er zijn ook andere dingen gebeurd die onder alle omstandigheden als uitwassen moeten worden beschouwd. Ik wilde alleen maar uitleggen hoe het gebeurde, niet vanuit het oogpunt van internationaal recht met betrekking tot wraakacties, maar alleen gezien vanuit het gevoel van de soldaat die zich bedreigd voelt, die voortdurtend wordt gehinderd bij de uitvoering van zijn taak, niet in een open strijd tegen geregelde troepen maar door partizanen achter zijn rug.
Uit al die zaken waarop ik niet verder hoef in te gaan ontstond spontaan die vijandigheid – in bepaalde gevallen werd die zelfs bevolen als noodzaak in een nationale crisis – die leidde tot die gedeeltelijke excessen die hier en daar door de troepen werden begaan. Men moet terug naar de periode van die stormachtige gevechten. Vandaag, na verloop van al die jaren in een rustige discussie over de wettelijke grondslag klinken deze zaken moeilijk en soms onbegrijpelijk. Uitdrukkingen die in een moment van verbittering zijn gebruikt klinken vandaag, zonder enig begrip van de situatie geheel anders. Het was slechts mijn bedoeling aan het Tribunaal voor even de sfeer te beschrijven waarin en waaruit dergelijke acties, zelfs wanneer die niet altijd konden worden gerechtvaardigd, begrijpelijk zouden lijken en in overeenkomstige situaties ook werden ondernomen, door anderen. Dat was en is mijn antwoord op de vraag waarom de toestand in Frankrijk twee verschillende fasen van oorlog noodzakelijk maakte – ten eerste die van de reguliere gevechten, daarmee ben ik klaar en ten tweede die van de gevechten die niet gevoerd werden door reguliere troepen maar door diegenen die uit schuilplaatsen kwamen, uit de ondergrondse, gevechten die altijd en eeuwig wreedheden en uitwassen met zich meegebracht hebben en nog zullen meebrengen en die geheel verschillen van die tijdens reguliere gevechten. Het gebeurt vaak dat er op zich zelf staande acties plaatsvinden, hetzij door individuele personen, hetzij door eenheden waar het Opperbevel niet altijd zicht op heeft of die ze mogelijk niet in de hand kunnen houden.
Dr. STAHMER: Welke maatregelen werden door de Duitse bezettingsmacht in Frankrijk genomen om de Franse landbouw tijdens de bezetting te steunen?
GÖRING: Daar kan ik heel kort over zijn en ik verwijs naar de verklaringen van getuige Korner die ik alleen maar kan bevestigen. Daarmee bedoel ik dat tijdens de periode van bezetting in Frankrijk de landbouw enorm gesteund en uitgebreid werd. Grote stukken braakliggend land of stukken land die niet goed voor de landbouw werden gebruikt werden veranderd in winstgevende akkerbouw; andere percelen werden aanzienlijk productiever gemaakt door meer gebruik te maken van meststoffen of andere teeltmethoden.
Ik ben niet in staat een meer specifieke verklaring te geven van wat er allemaal werd gedaan en ik ben niet op de hoogte van de cijfers die een verhoging van de agrarische productie aantonen tijdens de jaren van bezetting, die kunnen alleen maar door de verantwoordelijke deskundigen worden gegeven.
Dr. STAHMER: Wat waren de redenen die leidden tot het invoeren van aandelen Reichskreditkasse in de bezette gebieden?
GÖRING: Een maatregel die vermoedelijk door iedere bezettingsmacht zou worden ingevoerd om de geldstroom te reguleren, om die binnen de juiste grenzen te houden en om de munteenheid van dat land op een bepaald niveau te handhaven, gelijk aan de procedure die nu in alle bezette gebieden van Duitsalnd wordt gevolgd.
Dr. STAHMER: Document 141-PS is een decreet van u, uitgevaardigd 15 november 1940 waarin u een regeling trof betreffende kunstvoorwerpen die naar het Louvre moesten worden overgebracht. Bent u bekend met dit decreet of moet ik het u overhandigen?
GÖRING: Ik herinner me dit document heel goed omdat het hier een belangrijke rol gespeeld heeft. Deze kunstvoorwerpen werden eerst naar het Louvre vervoerd en later naar een tentoonstellingshal, ik meen de "Salle du Jeu de Paume." Dit betrof kunstvoorwerpen die in beslag waren genomen, zijnde Joodse eigendommen, anders gezegd voorwerpen zonder eigenaar omdat de eigenaars het land hadden verlaten. Deze order werd niet door mij uitgevaardigd, ik was er niet van op de hoogte; het was een Führerbefehl. Toen ik in Parijs was hoorde ik hierover en hoorde ook dat het de bedoeling was dat de meeste van deze kunstvoorwerpen – voor zover ze van museumkwaliteit waren – ondergebracht moesten worden in een museum in Linz dat de Führer van plan was te bouwen. Persoonlijk, ik geef het eerlijk toe, had ik er belang bij dat niet alles naar zuid-Duitsland zou gaan. Ik had al een hele tijd daarvoor besloten, en de Minister van Financiën daarover ingelicht dat ik na de oorlog, of op een ander tijdstip dat mij gunstig leek, een kunstgalerij zou stichten met daarin de kunstvoorwerpen die ik voor de oorlog al bezat, hetzij door aankoop, giften of erfenissen en die ter beschikking van het Duitse volk zou stellen. Het was inderdaad mijn bedoeling dat deze galerij geheel anders zou worden ingericht dan in musea gebruikelijk is. Het ontwerp voor de bouw van deze galerij, die gebouwd zou worden als dépendance van Karinhall in het grote woud van Schorfheide en waarin de kunstvoorwerpen in de juiste omgeving tentoongesteld moesten worden volgens hun historische achtergrond en leeftijd was al klaar alleen nog niet uitgevoerd vanwege het uitbreken van de oorlog. Schilderijen, beelden, tapijten en ander handwerk moest op volgorde van periode worden tentoongesteld. Toen ik de voorwerpen in de Salle du Jeu de Paume zag en hoorde dat het merendeel daarvan naar Linz zou gaan, dat deze voorwerpen waarvan werd aangenomen dat ze museumkwaliteit bezaten, slechts een onbelangrijk doel zouden dienen toen, ik geef het toe, kreeg de verzamelaar in mij de overhand en zei ik dat wanneer deze zaken in beslag waren genomen en dat zouden blijven, ik er tenminste een klein aantal van zou willen verkrijgen zodat ik die op kon nemen in die door mij te bouwen noord-Duitse galerij.
De Führer stemde hiermee in onder één voorwaarde: dat hijzelf tenminste foto's te zien zou krijgen van die voorwerpen die ik wilde hebben. In veel gevallen gebeurde het natuurlijk dat hij die bijzondere objecten voor zichzelf wilde reserveren, anders gezegd,, niet voor zichzelf maar voor zijn museum in Linz en die moest ik dus teruggeven. Vanaf het begin echter wilde ik een duidelijk onderscheid laten maken omdat ik wilde betalen voor die voorwerpen die ik voor de galerij wilde hebben die ik ging bouwen. Daarom gaf ik een kunstkenner opdracht, geen Duitser maar een Fransman – een of andere professor wiens naam ik me niet herinner en met wie ik nooit heb gesproken – die objecten te taxeren. Ik zou dan beslissen of de prijs voor mij te hoog was, of ik er nog langer belang in stelde of dat ik bereid was de prijs ervoor te betalen. Een gedeelte, het eerste werd op die manier geregeld maar toen kwam de hele zaak tot stilstand omdat sommige van die voorwerpen heen en terug gestuurd werden, anders gezegd, die gingen terug naar de Führer en bleven niet bij mij en pas toen de zaak was beslist kon de betaling worden gedaan. In dit decreet, dat ik een voorlopig decreet noemde en dat de Führer had moeten goedkeuren, benadrukte ik dat een aantal van die voorwerpen door mij moesten worden betaald en die voorwerpen die voor een museum geen waarde hadden moesten op een veiling aan Franse of Duitse handelaars worden verkocht of aan wie ook maar bij die verkoop aanwezig was; dat de opbrengsten hiervan, zolang die voorwerpen niet waren geconfisceerd maar ervoor was betaald, naar de gezinnen van Franse oorlogsslachtoffers zouden gaan. Ik informeerde herhaaldelijk waar ik dit geld heen moest sturen en zei dat er in samenwerking met de Franse autoriteiten een bankrekening geopend moest worden. We verwezen altijd naar het openen van een dergelijke rekening. Het bedrag bleef tot het einde altijd beschikbaar op mijn bankrekening. Op een dag, toen ik er weer naar vroeg, kreeg ik een verrassend antwoord. Het antwoord was dat de Reichsschatzmeister van de Partij deze bedragen niet wilde laten betalen. Ik antwoordde direct en mijn secretaris kan dit onder ede bevestigen, dat ik absoluut niet kon begrijpen wat de Reichsschatzmeister van de Partij met deze zaak te maken had en dat ik wilde weten naar welke Franse rekening ik dit bedrag kon laten overmaken. In dit geval kon de Partij, anders gezegd de Schatzmeister mij het al of niet betalen niet verbieden omdat ik zelf de betaling had willen doen. Zelfs nadat Frankrijk weer was bezet vroeg ik nogmaals op welke rekening ik het hiervoor gereserveerde bedrag kon storten.
Samenvattend en tot slot wens ik te verklaren dat ik op grond van een besluit deze voorwerpen beschouwde als zijnde geconfisceerd ten behoeve van het Reich. Daarom geloof ik dat ik in mijn recht stond sommige van deze voorwerpen te bemachtigen, zeker omdat ik nooit een geheim maakte van het feit – noch voor de Rijksminister van Financiën, noch voor iemand anders – dat deze kunstvoorwerpen van museumkwaliteit, net als die welke ik al eerder noemde als zijnde in mijn bezit, verzameld werden voor de galerij die ik eerder heb beschreven.
Waar het betreft ruilhandel, zou ik die kwestie ook recht willen zetten. Onder de geconfisceerde schilderijen bevonden zich enkele van de meest moderne soort, schilderijen die ik persoonlijk niet zou aannemen en nooit heb aangenomen maar waar echter, zoals mij werd verteld, in de Franse kunsthandel vraag naar was. Daarom zei dat voor zover het mij betrof deze schilderijen ook konden worden getaxeerd en verkregen zodat ze konden worden geruild tegen oude meesters waarin ik wel geïnteresseerd was. Ik oefende in die richting nooit enige druk uit. Ik was alleen maar bezorgd of de prijs die mij werd gevraagd niet te hoog was; zo ja, dan zou ik niet onderhandelen maar zoals in iedere kunsttransactie die geschikt leek, zou ik informeren naar de echtheid van het gebodene. Tot zover over ruilhandel, onder geen enkele voorwaarde oefende ik daar enige druk uit.
Later, nadat ik deze voorwerpen had verkregen gebruikte ik sommige daarvan, net als sommige van mijzelf voor een algemene ruil met musea. Anders gezegd, wanneer een bepaald museum belang stelde in een van die schilderijen en ik was voor mijn galerij geïnteresseerd in een schilderij dat in het bezit van dat museum was kon er geruild worden. Deze ruil vond ook plaats met kunsthandelaren uit het buitenland. Dit ging niet uitsluitend om schilderijen en andere kunstvoorwerpen die ik uit een dergelijke ruil had verkregen maar ook om stukken die ik op de open markt had gekocht, in Duitsland, Italië of in andere landen of om stukken die al eerder in mijn bezit waren.
Op dit punt zou eraan ik willen toevoegen dat onafhankelijk van deze verwervingen – en ik bedoel de Salle du Jeu de Paume waar deze geconfisceerde stukken waren opgeslagen – ik voor en na de oorlog op de open markt kunstvoorwerpen had gekocht in Frankrijk en in andere landen, of liever tijdens de oorlog. Ik kan er wellicht aan toevoegen dat wanneer ik gewoonlijk naar Rome, of Florence of Parijs of Nederland kwam, alsof mensen van te voren wisten dat ik zou komen, ik altijd in de kortst mogelijke tijd een stapel schriftelijke aanbiedingen kreeg uit alle mogelijke hoeken, van kunsthandelaren en particulieren. En hoewel de meeste niet echt waren, waren sommige van de aangeboden stukken interessant en waardevol en zo verkreeg ik een aantal stukken op de open markt.
Vooral in het begin deden particulieren mij vaak een aanbod. Ik zou willen benadrukken dat ik in het bijzonder in Parijs nogal misleid werd. Zo gauw bekend werd dat iets voor mij bestemd was werd de prijs met 50 tot 100 procent verhoogd. Dat is alles wat ik in het kort en als afsluiting over deze kwestie kan zeggen.
Dr. STAHMER: Trof u maatregelen voor de bescherming van Franse kunstgalerijen en monumenten?
GÖRING: Ik zou allereerst willen verwijzen naar de staatskunstschatten van Frankrijk, dat wil zeggen die in de staatsmusea. Ik confisceerde geen enkel stuk, of haalde op enige manier iets weg uit staatsmusea, met uitzondering van twee ruiltransacties met het Louvre op volledig vrijwillige basis. Ik ruilde een beeld, dat in de kunstgeschiedenis bekend staat als La Belle Allemande, een beeld van houtsnijwerk dat oorspronkelijk uit Duitsland kwam tegen een ander Duits beeld van hout dat ik vele jaren voor de oorlog in mijn bezit had, en twee schilderijen – een ruil zoals ik die voor de oorlog gewoonlijk deed met andere musea hier, zoals tussen musea gebruikelijk is. Bovendien heb ik alle autoriteiten altijd instructie gegeven hun uiterste best te doen kunstvoorwerpen te beschermen tegen vernieling door bommen of andere oorlogsschade. Ik herinner me dat toen de directeur van het Louvre mij vertelde dat de meeste stukken net waren overgebracht naar de zalen van de kastelen aan de Loire, ik zei dat ik op hun verzoek bereid zou zijn, en wanneer dat vanwege de toenemende bombardementen nodig zou zijn, hen te helpen deze stukken in veiligheid te brengen op door hen aan te wijzen plaatsen, omdat ze erover klaagden dat ze geen transportmogelijkheden tot hun beschikking hadden.
Ik wil het nu hebben over kunstmonumenten, ik bedoel gebouwen, kerken en andere monumenten – alles van een stationair karakter. Hier kan ik zeggen dat ik soms een bevel gaf dat in tegenstrijd was met mijn strikte militaire plichten want ik drong er bij mijn vliegers altijd sterk op aan dat de magnifieke Gothische kathedralen in de Franse steden onder alle omstandigheden beschermd moesten worden en niet mochten worden aangevallen, zelfs wanneer er troepen op die plaatsen lagen en dat wanneer er aangevallen moest worden, in eerste instantie de nauwkeurig bombarderende STUKA's moesten worden ingezet. Iedere Fransman die destijds aanwezig was zal bevestigen dat de vreemde situatie ontstond, of het nu in Amiens, Rouaan, Chartres of in andere steden was, dat de kathedralen - die monumenten van een zo groot belang en schoonheid – werden gespaard en dat met opzet, in tegenstelling tot wat er later in Duitsland gebeurde.
Er waren natuurlijk wel wat gebroken ruiten in de kathedralen door ontploffende bommen maar de meeste kostbare ramen waren God zij dank van te voren verwijderd. Voor zover ik me herinner was de kleine kathedraal in Beauvais het slachtoffer geworden van een bombardement op naastliggende huizen, de grote kathedraal staat nog overeind. De Franse regering bevestigde dit feit regelmatig tegenover mij. Op dat punt heb ik verder geen opmerkingen.
Dr. STAHMER: Om welke redenen gaf u Kolonel Veltjens de leiding over het centraliseren van de zwarte markt in Frankrijk?
GÖRING: Kolonel Veltjens was een gepensioneerde kolonel. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog vlieger geweest. Daarna is hij in zaken gegaan. Daarom werd hij daar niet heengestuurd in zijn hoedanigheid van kolonel maar als econoom. Hij had niet alleen de leiding over de zwarte markt in Frankrijk maar ook over die in Nederland en België. Het gebeurde op de volgende manier: Na een bepaalde periode tijdens de bezetting werd mij gemeld dat diverse goederen, waarin ik bijzonder belang stelde voor de oorlogseconomie, alleen op de zwarte markt verkregen konden worden. Het was toen voor de eerste keer dat ik vertrouwd raakte met de zwarte markt, anders gezegd dat koper, tin en andere vitale materialen nog steeds beschikbaar waren maar dat sommige ervan verstopt waren in Nederlandse kanalen en ook in andere landen zorgvuldig verborgen waren. Wanneer echter het benodigde geld was betaald, kwamen deze artikelen tevoorschijn terwijl we, op basis van het bevel tot confiscatie, maar zeer weinig van die grondstoffen kregen die nodig waren voor de oorlogvoering. Destijds, net als gedurende de hele oorlog werd ik alleen geleid door bedoelingen en ideeën die uitmondden in het uiteindelijke doel van de oorlog: het behalen van de overwinning. Het was voor mij veel belangrijker koper en tin, ongeacht de prijs te verkrijgen, om maar een voorbeeld te noemen dan die niet te krijgen omdat ik dergelijke hoge prijzen niet gerechtvaardigd vond. Ik vertelde Veltjens daarom in vrij algemene termen: "U weet in welke artikelen de Duitse oorlogseconomie belang stelt. Waar en hoe u die artikelen krijgt is voor mij niet van belang. Als u ze krijgt door inbeslagname, des te beter. Als we grote bedragen moeten betalen om ze te krijgen dan moeten we dat ook maar doen." Het vervelende was dat andere departementen, allereerst zonder mijn medeweten – zoals de Franse Aanklager hier duidelijk heeft aangetoond – op dezelfde manier de artikelen wilde bemachtigen waar ze ook belang in stelden. De gedachte aan ook nog een interne concurrentie was teveel voor me. Dus verleende ik Veltjens het exclusieve recht, als enige toezicht te houden waar het de burgerhandelaren betrof die volhielden dat ze die artikelen alleen op de andere manier konden krijgen, het enige inkoopbureau te zijn voor deze artikelen en op mijn gezag andere diensten uit te schakelen.
De moeilijkheid met het bestrijden van de zwarte markt is het reultaat van vele factoren. Naderhand, op speciaal verzoek van Premier Laval, verbood ik Vetjens en zijn organisatie uitdrukkelijk ook op de zwarte markt te opereren. Maar ondanks dat werd die niet volledig uitgeschakeld en de verklaring van de Franse Aanklager bevestigt mijn mening dat de zwarte markt zelfs na de oorlog bleef bestaan. En voor zover ik weet bloeit die hier in Duitsland weer als nooit te voren. Dit zijn tekens die altijd verschijnen tijdens en na een oorlog wanneer er aan de ene kant een enorme schaarste heerst en goederen en handelswaar verborgen worden gehouden en er aan de andere kant de wens is om deze artikelen te bemachtigen.
Dr. STAHMER: Zal ik nu ophouden?
De PRESIDENT: Dr. Stahmer, het Tribunaal heeft van u begrepen dat de getuige waarschijnlijk – dat de beklaagde waarschijnlijk zijn verhoor rond twaalf uur vandaag zal beëindigen. Kunt u mij vertellen hoe veel langer de beklaagde nog voor zijn verhoor denkt nodig te hebben?
Dr. STAHMER: Ik had erop gerekend vanochtend klaar te zijn, maar er zijn enkele onderbrekingen geweest en ik hoop in de loop van de dag klaar te zijn.
De PRESIDENT: Er was geen onderbreking met uitzondering van de interruptie met betrekking tot de bezwaren van Mr. Justice Jackson tegen vergeldingsmaatregelen. Er was geen andere onderbreking die ik me herinner.
Dr. STAHMER: Jawel, er was eerder een technische onderbreking.
De PRESIDENT: Ja. Het Tribunaal zal dan zaterdagmorgen van 10:00 tot 13:00 bijeeenkomen.
(de zitting wordt tot 14:00 uur geschorst)

Definitielijst

Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.

Middagzitting 1

Dr. STAHMER: Wat was de aanleiding voor de aanval op Joegoslavië?
GÖRING: Gedurende alle jaren voor het begin van de oorlog had Duitsland altijd al de beste relaties met de Joegoslavische bevolking en de Joegoslavische regering gehad. Het was een deel van mijn taak op het gebied van buitenlands beleid om in het bijzonder die relaties te onderhouden. Omdat de Regent, Prins Paul en Eerste Minister Stojadinovic persoonlijke vrienden van mij waren bezocht ik het land vaak en bracht er ook een lange vakantie door.
Het was niet alleen onze bedoeling de meest nauwe economische banden te hebben door elkaar wederzijds aan te vullen maar bovendien om te komen tot beter politiek begrip en een hechtere vriendschap. Dat was tot in hoge mate geslaagd en vond zijn hoogtepunt in het tegenbezoek dat de Regent, Prins Paul aan Duitsland bracht.
Omdat ik op dezelfde tijd gelijksoortige vriendschappelijke betrekkingen had met Koning Boris van Bulgarije kon ik hier ook een stabiliserende invloed uitoefenen, en soms ook met betrekking tot Italië. Mijn bemiddeling namens Joegoslavië veroorzaakte daar tijdelijk een bepaald onbegrip waar het mij betrof. Na het uitbreken van de oorlog werd ook alles vermeden wat onvriendelijke relaties met Joegoslavië kon veroorzaken. Helaas trad Eerste Minister Stojadinovic af maar zijn opvolger voerde hetzelfde beleid.
Aansluiting bij het TriPartitePact had als doel de neutraliteit van Joegoslavië onder alle omstandigheden te handhaven en haar niet bij een oorlog te betrekken. Zelfs in de tijd dat het Pact werd gesloten werd de noodzaak al erkend, als voorzorg troepen naar Roemenië te sturen en ook naar Griekenland vanwege landingen door de Engelsen daar of de aanstaande landingen. Deze overeenkomst ten spijt werd er uitdrukkelijk bepaald dat er geen troepenverplaatsingen door Joegoslavië zouden plaatsvinden, zodat de neutraliteit van dat land, na haar toetreding tot het TriPartitePact op iedere manier gerespecteerd zou worden. Toen Premier Cvetkovic aan de macht kwam volgde kort daarna de revolte van de Prins-regent en het bestijgen van de troon door de Koning, die nog minderjarig was. Door onze nauwe banden met Joegoslavië kwamen we al gauw de achtergrond van de revolte van Generaal Simovic te weten. Kort daarna werd bevestigd dat de informatie uit Joegoslavië juist was, namelijk dat er een sterke Russische politieke invloed bestond en ook uitgebreide financiële steun voor de onderneming van de kant van Engeland, waarvoor we later de bewijzen vonden. Het was duidelijk dat deze onderneming gericht was tegen het vriendschappelijk beleid van de voormalige Joegoslavische regering jegens Duitsland. Er moet hier worden vermeld dat er in later persverklaringen van Russische zijde op werd gewezen hoe sterk hun invloed geweest was en tot welk doel deze onderneming was begonnen.
De nieuwe Joegoslavische regering onderhield zichtbaar en zonder twijfel de nauwst mogelijke betrekkingen met de vijanden die we destijds hadden, dat wil zeggen met Engeland en in dit verband met onze toekomstige vijand Rusland.
De kwestie Simovic was zeker de laatste en beslissende factor die bij de Führer de allerlaatste bezwaren wegnam die hij tegen de houding van Rusland koesterde en noodzaakte hem onder alle omstandigheden preventieve maatregelen in die richting te nemen. Voorafgaand aan dit Simovic incident is het waarschijnlijk dat hoewel er voorbereidingen waren getroffen, twijfels over de onvermijdelijke noodzaak van een aanval op Rusland wellicht naar de achtergrond zouden zijn gedrongen. Deze duidelijke relatie tussen Moskou en Belgrado namen bij de Führer echter de laatste twijfels weg. Op hetzelfde moment was het duidelijk dat Joegoslavië onder haar nieuwe regering alleen maar tijd probeerde te winnen om haar troepen samen te trekken want net op de avond waarop de revolte plaatsvond werden er geheime en kort daarna officiële mobilisatiebevelen aan het Joegoslavische leger gegeven.
De verzekeringen die Simovic Berlijn gaf, dat hij zich gebonden achtte aan de overeenkomst of iets dergelijks ten spijt, kon de manoeuvre eenvoudig worden doorzien.
De situatie was nu als volgt: Italië, onze bondgenoot had destijds Griekenland aangevallen door in oktober of september 1940 vanuit Albanië op te trekken, als ik me goed herinner. Duitsland was over deze onderneming niet geïnformeerd. Aan de ene kant hoorde de Führer via mij, die er bij toeval over had gehoord, over deze onderneming en ook via Buitenlandse Zaken en hij liet onmiddellijk zijn trein, op weg van Frankrijk naar Berlijn, omleiden om in Florence met de Duce te spreken.
De Italiaanse regering, of Mussolini zelf zag op dit moment heel duidelijk waarom de Führer hem wilde spreken en daarom werd, zover ik mij herinner, het bevel aan het Italiaanse leger, vanuit Albanië naar Griekenland op te trekken 24 of 48 uur eerder uitgegeven dan oorspronkelijk de bedoeling was. Het feit is dat de Führer, in zijn bezorgdheid om onder alle omstandigheden een uitbreiding van het conflict op de Balkan en het oostelijk Middellandse Zeegebied te voorkomen. er bij de Duce op wilde aandringen dergelijke plannen, die niet noodzakelijk waren maar alleen werden uitgevoerd om redenen van prestige, te laten varen.
Toen de bijeenkomst om 10:00 uur in de morgen plaatsvond en de Führer zijn misnoegen had geüit, verklaarde Mussolini dat sinds 06:00 uur die morgen de Italiaanse troepen al door Griekenland optrokken en naar zijn mening spoedig in Athene zouden zijn. De Führer wees er nogmaals op dat dit zou betekenen dat onder bepaalde omstandigheden de betrekkingen met Turkije ook zeer ernstig gevaar zouden lopen en dat er nog een strijdtoneel zou worden gevormd omdat hij heel goed wist, hoewel hij dat toen niet noemde, dat een strijdtoneel in Italië vroeg of laat zou betekenen dat de Duitse bondgenoot om hulp zou worden gevraagd.
Dat was in feite de situatie bij het begin van de aanval op Joegoslavië. Italië, afgestopt en teruggeslagen bleef achter in een zeer ongunstie positie, strategisch en tactisch, terwijl ze nog steeds tegenover de Griekse vijand lag. Als zelfs maar een deel van het Joegoslavische leger optrok tegen de flank en de achterzijde van de Italiaanse positie bij Skutari, zou niet alleen Italië daar worden uitgeschakeld maar zou ook een belangrijk deel van de Italiaanse strijdkrachten worden vernietigd. Het was duidelijk dat de positie van deze Italiaanse troepen spoedig hopeloos zou worden want vanwege de landing van Britse hulptroepen in Griekenland moest worden verwacht dat wanneer deze de Grieken te hulp zouden komen, het Italiaanse leger niet alleen uit Griekenland zou worden verdreven, waar ze slechts aan de grens stonden, maar ook uit Albanië; en de Britse troepen zouden dan gevaarlijk dicht in de buurt van Italië en de Balkan komen, die beide economisch van beslissend belang voor ons waren.
Door middel van de revolte van Simovic en de mobilisatie van Joegoslavië zou de uitschakeling van de Italiaanse troepen op de Balkan zijn bereikt. Alleen de snelste actie zou een tweevoudig gevaar kunnen voorkomen: allereerst de ramp die onze Italiaanse bondgenoot zou overkomen en ten tweede zouden de Britten vaste voet op de Balkan krijgen, iets dat zeer nadelig zou zijn voor een toekomstige uitvalsbasis in het conflict met Rusland.
De Duitse toepen die op mars gingen voor Operatie Marita, die tegen Griekenland op moesten trekken om de Britse divisies die waren geland terug in zee te drijven en de achterhoede van onze Italiaanse bondgenoot te ontlasten werden met hun speerpunten naar rechts gedraaid en na versnelde voorbereidingen tegen de flank van de samengetroken Joegoslavische troepen ingezet. De Luftwaffe werd op korte termijn van haar bases in Duitsland opgeroepen en samengebracht op de vliegvelden in het zuidoosten, wat erg gemakkelijk was en ook werd gedaan om de aanval te ondersteunen. Alleen door een dergelijke snelle actie en vanwege het feit dat tijdens Operatie Marita de basis was gelegd, was Duitsland in staat op dat moment een uitzonderlijk groot gevaar voor haar positie op de gehele Balkan en het zuidwestelijk gebied af te wenden. Politiek en militair gezien zou het een misdaad tegen de Staat geweest zijn, waar het de vitale Duitse belangen betrof, als in dat geval de Führer niet had gehandeld zoals hij had gehandeld.
Dr. STAHMER: Welke doelen in Joegoslavië viel de Luftwaffe het eerst aan?
GÖRING: Ik heb net de zeer bijzondere situatie van de Duitse strijdkrachten uitgelegd bij het uitbreken van de oorlog en de problemen die zeer snel opgelost moesten worden en de net zo buitengewone resultaten die moesten worden behaald om de oorspronkelijke taak uit te voeren. Die bestond uit het doorbreken van de – ik kan me de naam nu niet herinneren – de Metaxas linie in noord-Griekenland voordat de Engelse troepen, die al in de buurt van Athene waren geland, de Griekse garnizoenen langs de Metaxas linie te hulp konden komen.
Daarom lag er allereerst een bevel voor een kleiner, geconcentreerd deel van de Duitse troepen om door die linie heen te breken terwijl het andere deel, zoals de bedoeling was, de strijd aan moest binden met het Joegoslavische leger en hier ook met onvoldoende troepen dit leger zo snel mogelijk uitschakelen. Dat was een noodzakelijke voorwaarde voor het slagen van de hele operatie. Anders zou niet alleen het Italiaanse leger zeker worden vernietigd, maar het verdeelde Duitse leger, waarvan een deel door Joegoslavië optrok – de steun van Bulgarije kwam veel later – en een ander deel dat op tijd door de Metaxas linie heen brak om de inzet van de Engelsen daar te voorkomen, wellicht in een zeer moeilijke en kritieke en vermoedelijk militair rampzalige situatie zouden kunnen komen. Daarom moest de Luftwaffe in dit geval met de grootst mogelijke doelmatigheid worden ingezet om de Joegoslavische actie tegen Duitsland en haar bondgenoot zo snel mogelijk af te stoppen.
Daarom lag er eerst een bevel voor een geconcentreerde aanval op het Joegoslavische Ministerie van Oorlog in Belgrado en ten tweede op het spoorwegstation dat zeker in Belgrado, gezien het kleine aantal spoorlijnen in Joegoslavië een belangrijk knooppunt was. Daarnaast werden er ook diverse andere nogal belangrijke centra in de order vermeld, het gebouw van de Generale Staf en dergelijke want destijds waren de politieke en militaire hoofdkwartieren nog in Belgrado gevestigd. Alles was daar geconcentreerd en een bombardement op dat zenuwcentrum helemaal in het begin zou een bijzonder verlammend effect hebben op de verdere ontwikkeling van het verzet.
Een waarschuwing aan Joegoslavië was om de volgende reden niet nodig. Strikt genomen zou er bezwaar tegen kunnen worden gemaakt dat we geen oorlogsverklaring of een waarschuwing stuurden. In feite echter twijfelde geen van de leiders in Joegoslavië er een moment aan dat Duitsland zou aanvallen. Dat was bekend want ze hadden zich druk bezig gehouden met opstellingen en niet alleen met mobilisatie. Bovendien vonden de aanvallen op het Duitse leger plaats voor het bombardement op Belgrado. Maar zelfs aangenomen dat de Luftwaffe als eerste had aangevallen en daarna pas het leger – met andere woorden, zonder waarschuwing vooraf – dan zouden de Joegoslavische acties en het uitzonderlijke gevaar voor de militaire situatie dat hebben vereist. We zaten al midden in de zwaarste gevechten. Het was een kwestie van het veiligstellen van de Balkan aan beide zijden en die behouden. De doelen – en ik benadruk dit nogmaals – waren, zoals ik me goed herinner – het Ministerie van Oorlog, het spoorwegstation, het gebouw van de Generale Staf en een paar andere ministeries. Omdat die gebouwen verspreid door de stad lagen had de stad zelf ook onder het bombardement te lijden.
Dr. STAHMER: Gedurende de laatste dagen hebben we hier herhaaldelijk gehoord over de luchtaanvallen op Warschau, Coventry en Rotterdam. Werden deze aanvallen uitgevoerd uit meer dan militaire noodzaak?
GÖRING: De getuigen, en in het bijzonder Feldmarschall Kesselring hebben hierover gedeeltelijk verslag gedaan. Maar deze verklaringen deden me nogmaals realiseren, wat natuurlijk voor zich spreekt, hoe een commandant van een leger, een legergroep of een luchtvloot slechts een bepaalde sector overziet. Als Opperbevelhebber van de Luftwaffe ben ik echter in de positie om het geheel te overzien omdat ik per slot van rekening de man was verantwoordelijk voor het uitgeven van de orders en op grond van mijn orders en mening ontvingen de commandanten van de luchtvloten hun instructies en richtlijnen over wat ze moesten doen.
Warschau: Allereerst zou ik de verklaring willen verduidelijken dat in de eerste morgen van de aanval op Polen een aantal Poolse steden, ik meen dat de Britse Aanklager de namen heeft genoemd, werden aangevallen. Ik herinner me de namen niet meer. In mijn instructies voor de eerste dag van de aanval op Polen staat duidelijk: eerste doel, vernietigen en uitschakelen van de vijandelijke luchtmacht. Wanneer dat bereikt was zouden de andere doelen zonder verder uitstel kunnen worden aangevallen. Daarom gaf ik bevel de volgende luchtmachtbases aan te vallen, ik ben er zeker van zonder dat ik nu de namen bij de hand heb, 80 procent van de namen die werden genoemd steden waren met luchtmachtbases in de buurt. Het tweede belangrijke doel, dat echter op de eerste dag in geringe mate moest worden aangevallen of met de eerste grote klap, waren spoorwegknooppunten van vitaal belang voor het vervoeren van grote troepenconcentraties. Ik zou erop willen wijzen dat kort voor de laatste en beslissende aanval op Warschau, een luchtaanval waarover ik het zo dadelijk zal hebben, de Franse militaire attaché in Polen een rapport naar zijn regering stuurde – we zijn in een positie dat hier in te dienen – dat we later in Parijs terugvonden waaruit kan worden opgemaakt dat zelfs deze tegenstander verklaarde dat de Luftwaffe, dat moest hij toegeven, uitsluitend militaire doelen in Polen had aangevallen; met bijzondere nadruk op uitsluitend.
Eerst waren er in Warschau maar een of twee doelen, lang voordat –lang voordat is een verkeerde uitdrukking omdat het snel gebeurde, voor de omsingeling van Warschau. Dat was het vliegveld Okecie waar het merendeel van de Poolse luchtmacht was geconcentreerd en het station van Warschau, een van de belangrijkste strategische stations van Polen. Deze aanvallen waren echter niet de beslissende; nadat Warschau was omsingeld werd de stad gevraagd zich over te geven. Die overgave werd geweigerd. In tegendeel, ik herinner me de oproepen waarin er bij de hele burgerbevolking van Polen en ook bij de inwoners van Warschau op werd aangedrongen verzet te bieden, niet alleen militair maar ook burgerlijk verzet dat zoals bekend in strijd is met internationale wetgeving. Toch gaven we nog een waarschuwing. We wierpen eerst pamfletten af, geen bommen waarin we de bevolking opriepen niet te vechten. Ten tweede, toen de bevelvoerend officier voet bij stuk hield drongen we voorafgaand aan het bombardement aan op evacuatie van de bevolking. Toen er een radiobericht werd ontvangen dat de bevelvoerend officier een afgezant wilde sturen met het verzoek om een wapenstilstand, stemden we toe maar wachtten vergeefs op hem. Toen eisten we dat tenminste de leden van het Corps Diplomatique en alle neutralen Warschau zouden verlaten via een door ons aangegeven route, hetgeen ook gebeurde. Daarna, toen in het laatste verzoek duidelijk werd gesteld dat we nu gedwongen waren een zware aanval op de stad te doen als die zich niet zou overgeven vielen we allereerst de forten aan, daarna de in de stad opgestelde batterijen en de troepen. Tot zover de aanval op Warschau.
Rotterdam: In Rotterdam was de situatie totaal anders. Om de campagne in Nederland zo snel mogelijk te beëindigen en daardoor voor een volk waar we niet wezenlijk van verschilden verder bloedvergieten te voorkomen maar de campagne alleen maar moesten voeren om de eerder genoemde reden had ik voorgesteld de paradivisies in te zetten in de rug van de Nederlandse strijdkrachten die tegen Duitsland stonden opgesteld, in het bijzonder om de drie belangrijkste bruggen te veroveren, een bij de Moerdijk over de Rijn, de andere bij Dordrecht en de derde bij Rotterdam. Daarom zou in het begin de weg worden vrijgemaakt in de achterhoede van de troepen en als we zouden slagen, dan zou het Nederlandse leger ondanks al zijn moed maar een paar dagen stand kunnen houden. Deze aanval of die luchtlandingen bij de drie bruggen bleken volkomen geslaagd. Terwijl bij de Moerdijk en in Dordrecht de tegenstand snel werd neergeslagen, kwam de eenheid bij Rotterdam in moeilijkheden. Die werd eerst door Nederlandse troepen omsingeld. Alles draaide om het feit dat de spoorbrug en de verkeersbrug die er naast lag onder alle omstandigheden onbeschadigd in onze handen zouden vallen, want alleen dan zou de laatste achterdeur naar de Nederlandse versterkingen open staan. Terwijl het grootste deel van de divisie zich in het zuiden van Rotterdam bevond waren enkele moedige vooruitgeschoven eenheden de bruggen overgestoken en bevonden zich net ten noorden ervan, op een bepaald punt zelfs in het station, net voorbij de bruggen op de noordelijke oever van de rivier en op een ander punt in een huizenblok dat direct aan de noordkant van de verkeersbrug lag, tegenover het station en vlak bij de bekende margarinefabriek die later zo'n belangrijke rol zou spelen. Deze speerpunt behield zijn positie ondanks zware aanvallen.
In de tussentijd naderde een pantserdivisie Rotterdam uit de richting van de Moerdijk en de bruggen bij Dordrecht en hier zou ik een misverstand willen rechtzetten dat ontstond tijdens het verhoor van Feldmarschall Kesselring door Sir David Maxwell-Fyfe over de betrokken personen.
Luitenant-generaal Schmidt behoorde tot de groep die van buiten kwam en hij voerde het bevel over de pantsertroepen. Generaal Student voerde het bevel over de luchtlandingsdivisie die in Rotterdam zat, in de stad zelf en dat verklaart het feit dat er op een gegeven moment capitulatieonderhandelingen werden gevoerd met de Duitse legercommandant die van buiten kwam en op een ander moment onderhandelingen tot overgave werden gevoerd met de generaal die het bevel over de paratroepen in de stad voerde. Beide werden later gecoördineerd. Ik wil hier niet ingaan op bijzonderheden of er duidelijke afspraken werden gemaakt – bij chronologisch onderzoek kan dit van minuut tot minuut worden nagegaan – en of er kon worden gezien of er gecapituleerd zou worden of niet, voorlopig betrof dit alleen Rotterdam. Op dat moment bevond de groep ten noorden van beide bruggen zich in een zeer gevaarlijke en moeilijke positie. Het aavoeren van versterkingen via de bruggen was zeer moeilijk omdat die onder zwaar mitrailleurvuur lagen. Tot op de dag van vandaag kan ik nog steeds een nauwkeurig beeld van de situatie schetsen. Er was ook artillerievuur zodat slechts een paar mannen, die zich hand over hand onder de brug voortbewogen, in staat waren naar de overkant te komen om zo uit de vuurlinie te komen – ik herinner me de latere situatie bij de brug nog goed.
Er was bevel gegeven dat de batterijen ten noorden van het station en ook de Nederlandse troepen op de weg naar het noorden tussen het station en de margarinefabriek, die een grote belemmeing voor onze stoottroepen vormden, moesten worden gebombardeerd. Want op dat moment beschikten de para's niet over artillerie, bombarderen was de enige vorm van artillerie die voor de para's beschikbaar was en ik had voorafgaand aan de operatie mijn parachutisten verzekerd dat ze onder alle omstandigheden bescherming tegen zwaar vuur zouden krijgen van bommenwerpers. Er werden drie groepen van een squadron ingezet. De roep om hulp kwam via het radiostation van de para's in Rotterdam, dat niet zo goed werkte als hier beweerd is, en ook via de duidelijk getoonde en afgesproken signalen op de grond die de verkenningstoestellen mee terug namen. Dit waren signalen als pijlen, borden en letters die aan de verkenners aangaven: "we worden beschoten door artillerie vanuit het noorden, oosten en zuiden."
Daarop gaf ik de Luftflotte bevel een squadron in te zetten. Het squadron startte in drie groepen, elk ongveer 25 tot 30 of 36 toestellen. Toen de eerste groep aankwam waren, zover ik weet, de onderhandelingen in volle gang maar was er nog geen duidelijk resultaat. Toch werden er fakkels afgeschoten. De eerste groep begreep de betekenis van de fakkels niet - en wierp zoals afgesproken zijn bommen af, precies in dat gebied zoals was bevolen. Als ik me de aantallen goed herinner waren er hoogstens 36 tweemotorige toestellen die hoofdzakelijk bommen van 50 kilo afwierpen. De tweede en derde groep die er achteraan kwamen begrepen de betekenis van de rode signalen wel, draaiden af en wierpen hun bommen niet af. Er was geen radiocontact tussen Rotterdam en de toestellen. De radioverbinding liep van Rotterdam via mijn hoofdkwartier en Luftflotte 2 naar de divisie, van de divisie naar het grondstation van het squadron en van daaruit was er radiocontact met de toestellen. Dat was in mei 1940 toen in het algemeen radiocontact tussen grondstations en toestellen weliswaar redelijk goed was maar niet te vergelijken met de buitengewoon goede verbindingen die in de loop van de oorlog werden ontwikkeld. Maar het belangrijkste punt was dat Rotterdam niet rechtstreeks kon communiceren met de toestellen en daarom de overeengekomen signalen gaf, de rode fakkels die werden begrepen door de groepen 2 en 3 maar niet door groep 1.
De enorme verwoestingen werden niet veroorzaakt door bommen, zoals is gezegd maar door brand. Dat wordt het beste aangetoond door het feit dat alle gebouwen van steen of beton in het verwoeste gebied nog overeind stonden terwijl de oudere huizen verwoest werden. De uitbreiding van deze brand werd veroorzaakt door het vlam vatten van grote hoeveelheden vetten en olie. Ten tweede – dit wil ik bijzonder benadrukken – had de uitbreiding van deze branden zeker kunnen worden voorkomen door energieke inzet van de kant van de Rotterdamse brandweer, de enorme vuurzee ten spoijt.
De uiteindelijke capitulatieonderhandelingen vonden, voor zover ik me herinner, pas 's avonds rond zes uur plaats. Dat weet ik omdat tijdens deze onderhandelingen er nog geschoten werd en de generaal van de paratroepen, Student, tijdens de onderhandelingen bij een raam stond en in zijn hoofd werd geschoten, want hem hersenletsel opleverde.
Dat is wat ik over Rotterdam te zeggen heb als verklaring over die twee generaals en hun onderhandelingen over overgave, de een van binnenuit en de andere van buitenaf.
Coventry: Na de periode tussen 6 of 7 september tot november, na herhaalde waarschuwingen aan de Engelse regering en nadat de Führer voor zich het recht had opgeëist bevel te geven voor vergeldingsaanvallen op Londen – en lang had geaarzeld om dit bevel te geven – en nadat Duitse steden die geen militaire doelen vormden keer op keer waren gebombardeerd, toen werd Londen aangewezen als doelwit voor een aanval.
Vanaf 6 en 7 september - de eerste aanval vond plaats in de middag van 6 september – werd Londen voortdurend door de Luftwaffe bestookt. Hoewel dit gepast scheen om redenen van vergelding en om redenen van politieke druk van de zijde van de politieke leiders, vond ik het niet van groot belang.
Ik wil niet verkeerd worden begrepen wanneer ik zeg dat ik uit de Eerste Wereldoorlog wist dat de inwoners van Londen veel kunnen hebben en dat we hun militaire verzet niet op die manier konden breken. Het was voor mij allereerst van belang, een toename van de defensieve kracht van de RAF te verhinderen. Als soldaat, of liever gezegd als Opperbevelhebber van de Duitse Luftwaffe was de verzwakking en uitschakeling van de vijandelijke luchtmacht voor mij een kwestie van beslissend belang.
Hoewel de Führer, nu net als eerder wilde zien dat Londen werd aangevallen trof ik op eigen initiatief nauwkeurige voorbereidingen voor Coventry als doelwit want volgens mijn informatie waren er in en rond Coventry een belangrijk deel van de vliegtuigindustrie en toeleveringsbedrijven gevestigd. Birmingham en Coventry waren doelen van het meest beslissende belang voor mij. Ik koos voor Coventry omdat daar de meeste doelen in een zo klein mogelijk gebied konden worden getroffen.
Ik bereidde die aanval zelf voor met beide luchtvloten, die regelmatig de informatie over de doelen controleerden en toen, bij het eerste gunstige weer, een maanverlichte nacht, gaf ik bevel voor de aanval en gaf instructies om die zo lang en zo vaak mogelijk uit te voeren als nodig was om beslissende effecten op de Britse vliegtuigindustrie aldaar te bereiken. Daarna om te wisselen naar doelen in Birmingham en een grote motorenfabriek ten zuiden van Weston, nadat de vliegtuigfabrieken, gedeeltelijk bij Bristol en ten zuiden van Londen waren aangevallen.
Dat was de aanval op Coventry. Dat hier de stad zelf ook zwaar beschadigd werd was ook het gevolg van het feit dat de industrie daar wijd over de stad verspreid was, met uitzondering van twee nieuwe fabrieken die buiten de stad stonden en ook in dit geval werd de schade verergerd door het uitbreiden van branden. Als we nu naar Duitse steden kijken, weten we hoe verwoestend brand is. Dat was de aanval op Coventry.
Dr. STAHMER: In 1941 vonden er onderhandelingen plaats over samenwerking met Japan. Was u bij die onderhandelingen aanwezig?
GÖRING: Ik nam zelf niet deel aan die onderhandelingen. Ik kan weinig zeggen over onderhandelingen met Japan omdat ik in militair opzicht weinig met Japan te maken had en de Japanners zelden ontmoette. Slechts één keer tijdens de oorlog en dan nog voor korte tijd, ontving ik een delegatie van Japanse officieren en attachés, Daarom kan ik niets zeggen over samenwerking met Japan. We kregen opdracht ervaring uit te wisseleln met de Japanners, oorlogservaringen maar dat liep via de diverse departementen. Persoonlijk had ik met Japanners niets te maken.
Dr. STAHMER: Wanneer werd u voor het eerst erover geïnformeerd dat Hitler een oorlog tegen Rusland noodzakelijk vond?
GÖRING: Het was pas in de late herfst van 1940, in Berchtesgaden, dat ik werd ingelicht over de plannen van de Führer om onder bepaalde omstandigheden een conflict met Rusland te beginnen.
Dr. STAHMER: Was u aanwezig bij het gesprek dat in november 1940 in Berlijn plaatsvond met de Russische Minister van Buitenlandse Zaken Molotov?
GÖRING: Persoonlijk was ik niet aanwezig bij het gesprek tussen Hitler en Molotov. De heer Molotov bezocht mij echter ook en we bespraken de algemene toestand. Ik wist natuurlijk van het gesprek met Molotov omdat de Führer er mij tot in bijzonderheden over had ingelicht. Het was juist dit gesprek waardoor de verdenkingen van de Führer, dat Rusland zich gereed maakte voor een aanval op Duitsland, werden versterkt en dat kwam tijdens dat gesprek naar voren door de opmerkingen die de heer Molotov maakte en de eisen die hij stelde.
Daar waren allereerst een garantie voor Bulgarije en een overeenkomst voor hulp aan Bulgarije, zoals Rusland die had gesloten met de drie Baltische staten.
Ten tweede behelsde het de volledige terugtrekking door Duitsland uit Finland tot op een peil waarop Rusland, dat kort daarvoor de vrede met Finland had getekend, zich gerechtvaardigd voelde Finland nogmaals aan te vallen om zich niet te hoeven houden aan de resultaten van de vorige overeenkomsten, Hango et cetera.
Ten derde ging het over discussies over de Dardanellen en de Bosporus en het vierde punt was de mogelijkheid van een inval in Roemenië tot voorbij Bessarabië.
Dat waren de punten die met de Führer werden besproken. Er werd de Minister van Buitenlandse Zaken ook een hint gegeven over een bezetting, of het veiligstellen van belangen aan de uitgang van de Baltische Zee.
De Führer zag deze eisen in een ander licht. Hoewel Rusland gerechtvaardigd zou kunnen zijn haar eisen aan Duitsland te stellen met betrekking tot Finland geloofde hij dat in verband met andere rapporten die hij over Russische voorbereidingen en troepenopstellingen had ontvangen, Rusland haar positie in Finland wilde versterken teneinde in het noorden naast Duitsland en in de onmiddellijke omgeving van de Zweedse ijzerertsmijnen te komen die in deze oorlog van vitaal, of tenminste van beslissend belang voor Duitsland waren. Ten tweede, met betrekking tot de inval in Roemenië en Bulgarije was de Führer er niet helemaal zeker van dat die druk zou doorwerken naar het zuiden, naar de Dardanellen of in een meer oostelijke richting maar eerder in westelijke richting, anders gezegd dat ook hier Rusland op zou trekken naar de Duitse flank en door de controle over de Roemeense olievelden over te nemen, Duitsland voor de levering van olie geheel afhankelijk van Rusland zou maken. In deze eisen zag hij de verborgen pogingen troepen op te stellen en posities in te nemen tegen Duitsland. De suggestie om een uitgang naar de Baltische Zee veilig te stellen kwam destijds niet eens ter sprake waar het Duitsland betrof. Al met al deed dat gesprek de Führer geloven dat toekomstige relaties door Rusland werden bedreigd.
De Führer vertelde mij in dit gesprek al waarom hij erover dacht, onder bepaalde omstandigheden de Russische opmars voor te zijn. Inlichtingen over koortsachtig werk aan voorbereidende troepenopstellingen in de nieuwe door Rusland verworven gebieden als Polen, Lithouwen, Letland, Estland en Bessarabië maakten hem bijzonder wantrouwend. Tot dan toe hadden we soms maar 8, later 20 en 25 divisies langs de hele oostelijke grens. Verdere rapporten meldden dat kon worden verwacht dat Rusland ons in de rug zou aanvallen zo gauw Duitsland de oorlog in het Westen zou zijn begonnen, ofwel vanwege een invasie door Engeland of omdat Duitsland van haar kant had besloten om Engeland binnen te vallen. Zijn argumenten kregen zelfs nog meer kracht door het feit dat, in weerwil van alles wat in Rusland tot dan toe gebruikelijk was, de enorme Russische fabrieken van vliegtuigen en tanks opeens open werden gesteld voor ingenieurs en ik meen ook voor onze offcieren, Duitsers dus. Deze rapporten over de verbazend hoge productiecapaciteit van deze wapenfabrieken versterkten de overtuiging van de Führer nog meer. Hij was er zo sterk van overtuigd – zei hij en dat waren zijn politieke overwegingen – dat wanneer Engeland nog steeds niet van plan is met ons tot overeenstemming te komen, hoewel zij nu alleen tegenover ons staat, zij iets anders in het achterhoofd moet hebben. Hij beschikte over inlichtingen dat Eerste Minister Churchill tegenover bezorgde elementen in Engeland op twee dingen had gewezen.
Allereerst dat groeiende steun van de Verenigde Staten kon worden verwacht, allereerst op technisch gebied - met betrekking tot wapens – later uit te breiden naar andere gebieden; en ten tweede, iets wat hij nog waarschijnlijker achtte, dat Churchill al met Rusland tot overeenstemming in die richting was gekomen en hij wees erop dat er vroeg of laat een conflict zou uitbreken. Zijn redenering was als volgt: Voordat de Verenigde Staten gereed konden zijn met hun bewapening en de mobilisatie van hun troepen, moest hij de Russische troepenconcentraties vernietigen en de Russische strijdkrachten dermate verzwakken door sterke, geconcentreerde aanvallen dat zij niet langer een gevaar in de rug zouden vormen als hij zich op het continent in een Anglo-Amerikaans conflict zou moeten mengen. Dat was de uitleg van de Führer.
Daarna vond het bezoek van Molotov plaats dat ik net heb genoemd en waardoor hij aanzienlijk in zijn mening werd gesterkt.
Dr. STAHMER: Wat was destijds uw houding ten opzichte van een aanval op Rusland?
GÖRING: Ik was destijds allereerst zeer verbaasd en vroeg de Führer mij een paar uur te geven om mijn standpunt te bepalen. Het kwam als een volledige verrassing voor me. In de avond, nadat dit gesprek 's middags had plaatsgevonden, zei ik het volgende tegen hem:
Ik drong er bij hem in het bijzonder op aan op dat moment geen oorlog tegen Rusland te beginnen, of zelfs kort daarna; niet dat ik mij druk maakte over kwesties van internationaal recht of gelijksoortige redenen; mijn standpunt werd alleen bepaald door politieke en militaire redenen. Allereerst, sinds de machtsovername was ik misschien van alle leidende personen in Duitsland de enige die een conflict met Rusland als een bedreiging voor Duitsland zag. Ik wist- en vele anderen met mij – dat er in Rusland al meer dan 10 jaar een uitgebreid programma van herbewapening en training aan de gang was, dat de levensstandaard op alle andere gebieden was verlaagd ten gunste van één enkele enorme herbewapening. De leveranties gedaan door de Duitse industrie en bestudering van de leveranties door Amerikaanse, Britse en andere bedrijven toonden altijd duidelijk aan dat die alleen maar bestonden uit machines die direct noodzakelijk waren voor een gigantisch industrieel programma van herbewapening. Men kon daaruit het tempo en de omvang van de Russische herbewapening afleiden. Als Duitsland zich nu langs lijnen van het Communisme had ontwikkeld dan was de Russische herbewapening naar mijn mening natuurlijk gericht op andere gevaren. Maar sinds wij aan de macht waren gekomen speelden de interne politieke en ideologische tegenstellingen natuurlijk een dreigende rol. Ik ben tot het inzicht gekomen dat dergelijke tegenstellingen niet noodzakelijk tot conflicten tussen landen moeten leiden want de politieke belangen van natie en staat zullen altijd zwaarder wegen dan alle ideologische tegenstellingen en afspraken. Maar hier zag ik ook een gevaar want wat betekende die enorme Russisiche herbewapening op een tijdstip waarop Duitsland, voor de machtsovername, machteloos was? Ik vertelde de Führer dat ik ondanks deze principiële houding het gevaar van Rusland altijd gevreesd en onderkend had, en dat ik hem vroeg dit gevaar te negeren en dat hij zo mogelijk de Russische belangen jegens Engeland moest steunen.
Ik zei in feite tegen hem:
"We strijden nu tegen een van de grootste wereldmachten, het Britse Imperium. Als u, Mein Führer, van precies dezelfde mening bent, dan moet ik u tegenspreken want ik ben beslist van mening dat vroeg of laat de tweede wereldmacht, de Verenigde staten, tegen ons ten strijde zal trekken. Dat zal niet afhangen van de verkiezing van President Roosevelt; de andere kandidaat zal ook niet in staat zijn dit te voorkomen. Dan zullen we in oorlog zijn tegen de twee grootste wereldmachten. Het was aan het begin van de oorlog een meesterlijke zet van u, een oorlog op één front mogelijk te maken; daarop hebt u in Mein Kampf altijd gewezen. In geval van een conflict met Rusland op dit moment zou de derde grote wereldmacht tegen Duitsland in de strijd worden geworpen. We zouden weer geheel alleen staan, tegen bijna de hele wereld; de andere landen tellen niet mee. En we zouden weer op twee fronten strijden."
En hij antwoordde:
"Ik begrijp uw argumenten volkomen. Ik onderken de Russische dreiging als geen ander maar wanneer we erin zouden slagen onze gemaakte plannen in het gevecht tegen het Brite Imperium uit te voeren, en zelfs wanneer deze maar half zouden slagen, dan zou Rusland geen aanval inzetten. Alleen wanneer we sterk betrokken zouden raken bij een ernstig conflict in het Westen zou ik het met u eens zijn dat de Russische dreiging zeer sterk zou toenemen."
Ik was zelfs van mening dat de snelle instemming door de Russen met de oplossing van de Poolse crisis was gedaan zodat Duitsland, aan die kant bevrijd, zich zeer waarschijnlijk in dat conflict zou begeven omdat daardoor het Duits-Frans-Britse conflict zou ontstaan en het zou volkomen begrijpelijk zijn, waar het de Russische belangen betrof, dit conflict te veroorzaken en er beter dan eerst uit te komen. Ik zei de Führer verder dat volgens mijn rapporten en inlichtingen de Russiche herbewapening zijn toppunt zou bereiken in 1942 of 1943 of misschien zelfs in 1944. Voor die tijd moesten we er echter in slagen, als we al geen vrede konden bereiken door een overwinning van onze kant, dan tenminste met Engeland tot overeenstemming te komen. Dit zou echter alleen maar mogelijk zijn wanneer we een beslissend succes tegen Engeland konden behalen. Destijds werd de Duitse Luftwaffe met haar volle gewicht ingezet in de strijd tegen Engeland. Als er nu een nieuw front zou worden geopend voor een aanval op Rusland zou een aanzienlijk deel van deze luchtstrijdkrachten, meer dan de helft, twee/derde, naar het Oosten moeten worden overgeplaatst. Om praktische redene zou een energieke aanval op Engeland daarom ophouden. Alle tot dan toe gebrachte offers zouden dan tevergeefs zijn; Engeland zou de kans krijgen zich te herstellen en haar verwoeste vliegtuigindustrie ongestoord opnieuw kunnen opbouwen.
Veel beslissender dan deze overwegingen was het feit dat met een dergelijke inzet tegen Rusland ik mijn plan, dat ik aan de Führer had overlegd, Engeland aan te vallen in Gibraltar en Suez, definitief zou moeten laten vallen. De aanval op Gibraltar was zo nauwkeurig voorbereid dat menselijkerwijs gesproken een mislukking onmogelijk was. De Britse luchtmacht, gelegerd op die kleine basis ten noorden van de rots van Gibraltar, was van geen enkele betekenis. De aanval van mijn parachutisten op de Rots zou een succes geworden zijn. De gelijktijdige bezetting van de andere kant, de Afrikaanse kant en de daaropvolgende doorstoot naar Casablanca en Dakar zouden in elk gveal een bescherming zijn geweest tegen een interventie door Amerika – een operatie zoals die later in Noord-Afrika plaats vond. Tot welke mate hiernaast, door een overeenkomst, de Kaap Verdische eilanden nog konden worden gebruikt, was een open vraag. Het is duidelijk wat dat zou hebben betekend, vliegtuigen en U-boten gestationneerd te hebben op Noord-Afrikaanse bases en vanuit dergelijke gunstige posities alle konvooien aan te vallen die vanuit Kaapstad en Zuid-Amerika kwamen. Zelfs al was de Middellandse Zee in het Westen afgesloten, dan zou het niet moeilijk zijn geweest, oprukkend door Tripoli om de operatie tegen Suez tot een goed einde te brengen, het tijdstip en het succes ervan konden al van te voren worden bepaald.
Voor het afsluiten van de Middellandse Zee als strijdtoneel. de sleutelposities Gibraltar - Noord-Afrika tot aan Dakar-Suez en waarschijnlijk verder uitgebreid naar het zuiden, zouden slechts weinig troepen nodig zijn geweest, een aantal divisies aan de ene kant en een aantal aan de andere, om de kwetsbaarheid van de lange Italiaanse kustlijn voor een mogelijke aanval uit te sluiten.
Ik drong er bij hem op aan, voorrang te geven aan al deze beslissende overwegingen en pas na de beëindiging van een dergelijke onderneming de politieke en militaire situatie met betrekking tot Rusland verder te onderzoeken. Want als deze voorwaarden zouden worden geschapen, zouden we ons in een gunstige positie bevinden in het geval van een interventie door Amerika. Ik legde al deze redenen tot in de kleinste bijzonderheden aan hem uit en wees hem er keer op keer op dat we hier iets dat betrekkelijk veilig was op zouden geven voor iets dat nog onveilig was en dat, na het veiligstellen van een dergelijke positie, er veel meer zicht op was om onder bepaalde omstandigheden met Engeland tot een vergelijk te komen op een tijdstip waarop de twee, beide bewapend, tegenover elkaar zouden staan; de ene aan deze en de ander aan de andere kant van het Kanaal. Dat waren mijn redenen voor het uitstellen van de datum en ik vertelde hem ook dat toegenomen successen in deze richting ons in staat zouden kunnen stellen de Russische voorbereidingen waar mogelijk politiek in andere richtingen te sturen, tegen onze vijanden van dat moment. Ik benadruk echter dat de Führer, tegengehouden door overwegingen van voorzichtigheid, eerst alleen maar algemene voorbereidingen trof en, zoals hij me destijds vertelde, de feitelijke aanval zou uitstellen; de uiteindelijke beslissing werd pas genomen na de revolte van Simovic in Joegoslavië.
De PRESIDENT: Ik schors de zitting.

Definitielijst

artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Communisme
Politieke stroming, ontstaan uit het werk Das Kapital van Karl Marx, geschreven in 1848, als een reactie op de door Marx omschreven klassenstrijd tussen de arbeiders (het proletariaat) en de bourgeoisie. Volgens Marx zouden de arbeiders via een revolutie de macht overnemen van de welgestelde klasse. De communistische stroming streeft naar een ideale situatie waarin de productie- en consumptiemiddelen gemeenschappelijk eigendom van de staatsburgers zijn. Dit zou een einde aan armoede en ongelijkheid moeten maken (communis = gemeenschappelijk).
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Eerste Wereldoorlog
Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. Italië en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
invasie
Gewapende inval.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Mein Kampf
Boek geschreven door Hitler, waarin hij de grondslagen van het nationaal socialisme uiteenzet.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
neutraliteit
Onpartijdigheid, onzijdigheid, tussen de partijen instaand, geen partij kiezen.
Operatie Marita
Duitse codenaam voor de bezetting van Griekenland

Middagzitting 2

Dr. STAHMER: De Aanklager heeft document 376-PS ingediend, notities van 29 oktober 1940, paragraaf 5 waarin het volgende staat: "De Führer houdt zich bezig met de kwestie van een latere oorlog tegen Amerika en met een onderzoek naar de bezetting van de Atlantische eilanden."
Wat kunt u hierover zeggen?
GÖRING: Ik ben goed op de hoogte van dit document want het is hier aan mij overhandigd. Het betreft een brief die de vertegenwoordiger van de Luftwaffe in het OKW, de toenmalige Luitenant-kolonel Von Falkenstein schreef aan de Chef van de Generale Staf van mijn Luftwaffe. Het is een studie naar, het betreft de punten die ik net heb genoemd, namelijk de bezetting van Gibraltar, Noord-Afrika en misschien ook de Atlantische eilanden – eerst als oorlogsbasis tegen Engeland, onze vijand van toen en ten tweede, voor het geval dat Amerika bij de oorlog betrokken raakte, om een betere flankpositie te hebben ten opzichte van haar konvooien. Maar dit was slechts een notitie van de Generale Staf. Destijds had ik al op eigen initiatief, zonder er eerder met de Führer over te hebben gesproken, een militair onderzoek gedaan naar de mogelijkheid voor het uitvoeren van een dergelijke onderneming. Het is daarom niet van belang.
Dr. STAHMER: In dit verband heb ik nog een vraag. Een organisatieschema voor het jaar 1950, opgesteld door een Majoor Kammhuber, is hier ingediend.
GÖRING: Deze vraag kan ook kort beantwoord worden. Dit document is mij bekend want het is een of twee keer door de Aanklager genoemd. Overleg met een deskundige van de Generale Staf van een van de vier machten hier vertegenwoordigd zou onmiddellijk aantonen dat dit document slechts van secundair belang is. Het is gewoon een studie van de Generale Staf, door de ondergeschikte Afdeling Organisatie gedaan om het beste schema voor de organisatie van de leiding uit te werken. Het was de vraag of men zich zou moeten concentreren op luchtvloten of fortificaties te land. Het was de vraag of men gemengde squadrons, bestaande uit bommenwerpers en jagers in moest zetten of squadrons uitsluitend bestaande of uit bommenwerpers of uit jagers en andere vragen die altijd behandeld worden door de afdelingen van de Generale Staf, ongeacht of het nu oorlog of vrede is. Dat dergelijke studies gebaseerd moeten zijn op bepaalde veronderstellingen die zich op het terrein van strategische mogelijkheden bevinden, spreekt voor zich. In dit geval nam de majoor als basis de situatie rond of tot 1950, een oorlog op twee fronten die niet geheel onwaarschijnlijk was, namelijk aan de ene kant een oorlog tegen Engeland en Frankrijk in het Westen en aan de andere kant tegen Rusland in het Oosten. De basisveronderstelling was dat Oostenrijk en Polen in onze handen zouden zijn et cetera. Die studie heeft mij nooit bereikt. Ik ben er hier van op de hoogte gekomen. Maar dat is niet van belang want hij werd gemaakt op mijn ministerie en door mijn generale staf en werd daarom ook op mijn bevel gemaakt. Want ik plaatste zulke taken binnen het algemene kader van het voortdurend laten testen van organisatie, leiding en samenstelling door manoeuvres en voorbeelden. Dit is volkomen onbelangrijk voor de politieke evaluatie en valt volledig buiten het kader van dit Proces.
Dr. STAHMER: Enkele dagen geleden werd verwezen naar een toespraak die u gehouden zou hebben voor officieren van de Luftwaffe waarin u zei dat u voorstelde een luchtmacht te hebben die zich, wanneer het uur eenmaal zou zijn aangebroken, als een wrekende geest op de vijand zou storten. De tegenstander moet het gevoel hebben dat hij al heeft verloren zelfs voordat hij tegen u ten strijde trekt. Ik zal deze toespraak aan u laten overhandigen en ik zou willen dat u ons vertelt of u deze toespraak kent en wat het doel ervan was.
GÖRING: Dit citaat is twee keer door de Aanklager gebruikt. Een keer in het begin en de tweede keer laatst tijdens het verhoor van Feldmarschall Milch. Dit betreft een toespraak die verschenen is in een van mijn boeken, getiteld "Toespraken en Essays" dat al bij het Tribunaal als bewijsmateriaal is ingediend. De toespraak heeft als titel: "Kameraadschap, Plichtsbetrachting en Offerbereidheid," een toespraak tot 1.000 luitenant-vliegers op de dag dat zij op 20 mei 1936 hun eed aflegden in Berlijn.
Hier legde ik aan duizenden jonge vliegers, op de dag dat zij beroepsofficier werden, de begrippen kameraadschap, plichtsbetrachting en offerbereidheid uitvoerig uit. Dit citaat is volledig uit zijn verband gerukt. Ik neem daarom de vrijheid het Tribunaal toestemming te vragen een korte voorgaande alinea voor te lezen zodat alles in het juiste verband kan worden gezien en ik verzoek dat mij ook wordt toegestaan de sfeer te beschrijven. Voor mij staan 1.000 hoopvolle luitenant-vliegers die nu doordrongen moesten worden met de passende strijdgeest. Dat heeft niets met een offensieve oorlog te maken maar het belangrijkste was dat mijn jongens, als het op een of andere manier tot een oorlog zou komen, moedige kerels zouden zijn met de wil om te presteren. Het korte citaat dat hieraan voorafgaat luidt:
"Ik vraag van jullie niets dat onmogelijk is. Ik vraag jullie niet modelsoldaten te zijn. Ik zou gul willen zijn. Ik begrijp dat de jeugd zijn dwaasheden moet hebben, anders zou het de jeugd niet zijn. Jullie mogen streken uithalen en daarvoor zullen jullie worden gestraft. Maar dat is niet de beslissende factor. De beslissende factor is eerder dat jullie eerbare en moedige kerels worden, dat jullie mannen worden. Jullie kunnen zoveel plezier maken als jullie willen, maar wanneer jullie eenmaal in jullie toestellen zitten moeten jullie mannen zijn, vastberaden om alle verzet neer te slaan. Dat is wat ik van jullie dappere, moedige kerels vraag."
Dan volgt de alinea die zojuist is voorgelezen. "Ik heb visioenen" ....."een wapen te bezitten".... "dat zich als een wrekende geest op de vijand zal storten." Dat heeft niets met wraak te maken want "een wrekende geest" is een terminus techicus, in Duitsland een gebruikelijke term. Ik had net zo goed kunnen zeggen dat de tegenstander andere woorden zou gebruiken om hetzelfde te zeggen. Ik ga hier niet verder voorlezen want deze woorden, als ik die zou voorlezen, zouden eenvoudig te begrijpen zijn wanneer men zich ervan bewust is tot wie ik daar sprak.
Dr. STAHMER: Tot op welke hoogte hielp u bij de militaire en en economische voorbereidingen voor Operatie Barbarossa?
GÖRING: Als Opperbevelhebber van de Luftwaffe nam ik natuurlijk alle maatregelen die op militair gebied noodzakelijk waren voor de voorbereiding op een dergelijke operatie. Instemming of weigering, zoals ik onlangs al heb uitgelegd ....... Ik trof de duidelijk militaire voorbereidingen die altijd nodig zijn in verband met een nieuwe strategische ontwikkeling, die iedere officier verplicht was uit te voeren en waarvoor de officieren van de Luftwaffe hun bevelen van mij ontvingen. Ik geloof niet dat het Tribunaal belang stelt in de bijzonderheden hoe ik de inzet van mijn luchtvloot regelde.
De beslissende kwestie op het tijdstip van de eerste aanvallen was, net als eerder, de vernietiging van het vijandelijke luchtwapen als belangrijkste doel. Afgezien van de zuiver militaire voorbereidingen die voor zich spraken, leken economische voorbereidingen noodzakelijk gezien onze ervaringen in de eraan voorafgaande oorlogen tegen Polen en in het Westen; en dubbel zo nodig in het geval van Rusland want hier troffen we een vorm van economisch leven aan die totaal verschilde van die in andere landen op het continent. Hier was het een kwestie van staatseconomie en staatseigendom; er was geen vrije economie en geen privaat eigendom dat de moeite van het noemen waard was. Dat ik hierover de leiding kreeg sprak ook weer voor zich als gevolg van het feit dat ik, als Gedelegeerde voor het Vierjarenplan de hele economie bestuurde en de nodige instructies moest geven. Ik had daarom het Kriegswirtschaftsamt opdracht gegeven een algemeen economisch plan voor de invasie op te stellen, in overleg met deskundigen op het gebied van de Russische economie; in het bijzonder omdat we konden verwachten dat tijdens onze opmars Rusland volgens beproefde methoden, een groot deel van haar economie zou verwoesten. Het resultaat van deze studie naar economische mobilisatie was de zogenaamde "Akte Grün." Ik ben van mening dat in alle toekomstige oorlogen, net als in eerder oorlogen van andere partijen, er altijd een economische mobilisatie moet zijn naast een militaire en een politieke mobilisatie; anders zou men in zeer onplezierige situaties terecht kunnen komen.
De Akte Grün is hier herhaaldelijk genoemd en hier zijn ook weer enkele citaten uit hun verband gerukt. Om tijd te besparen zal ik niet nog meer passages uit dit dossier voorlezen. Dat kan misschien gebeuren wanneer het gedocumenteeerde bewijsmateriaal wordt ingebracht. Maar als ik de hele Akte Grün van begin tot eind, van A tot Z zou moeten voorlezen; dan zal het Tribunaal zien dat dit een zeer nuttig en bruikbaar stuk is voor strijdkrachten die moeten optrekken in een gebied met een totaal andere economische structuur; het Hof zal zich ook realiseren dat het alleen maar op die manier kon worden uitgewerkt. Dit dossier bevat veel positief materiaal en hier een daar een zin die, apart aangehaald, zoals is gedaan, een vertekend beeld geeft. Het dossier voorziet in alles, onder andere in compensatie. Als men in oorlog komt met een staat waarin een bepaald soort economie bestaat en wanneer men dan die economie in bezit krijgt is het in het eigen belang deze economie natuurlijk alleen in zoverre te handhaven wanneer daarmee aan de eigen oorlogsbehoeften kan worden voldaan – dat spreekt vanzelf. Maar teneinde tijd te besparen zal ik afzien van het voorlezen van die pagina's die mij aanzienlijk vrij zouden pleiten want – ik stel het zoals het is – onze aanspraken op de Russiche economie voor Duitse doeleinden, na de verovering van die gebieden, net zo natuurlijk en een plicht voor ons was zoals dat voor Rusland was toen zij Duitse gebieden bezette, maar met dit verschil dat wij niet de hele Russische economie tot en met de laatste schroef afvoerden, zoals hier wel gebeurt. Dit zijn maatregelen die een gevolg zijn van de oorlogvoering. Ik neem daarvoor natuurlijk de volledige verantwoordelijkheid op me.
Dr. STAHMER: Er is een document ingediend onder nummer 2719-PS en dat luidt als volgt:
"Memorandum betreffende de resultaten van het overleg van vandaag met de staatssecretarissen over operatie Barbarossa."
"1. De oorlog kan slechts worden voortgezet wanneer de strijdkrachten door Rusland van voedsel kunnen worden voorzien in het derde oorlogsjaar."
"2. Miljoenen mensen zullen de hongerdood sterven wanneer wij dat van het land wegnemen wat wij voor onszelf nodig hebben."
Werd u ingelicht over het onderwerp van dit overleg met de staatssecretarissen en over dit document?
GÖRING: Ik raakte pas op de hoogte van dit document toen het mij hier werd overhandigd. Dit is een nogal onbetrouwbaar document. We kunnen niet duidelijk zien wie hier eigenlijk aanwezig waren, waar werd dit besproken en wie was verantwoordelijk voor de onzin die erin staat. Het spreekt vanzelf dat binnen het kader van al die gesprekken tussen officiële deskundigen er veel werd besproken dat absolute onzin bleek te zijn.
Allereerst, de Duitse strtijdkrachten zouden heus wel te eten hebben gekregen. zelfs al zou er geen oorlog tegen Rusland geweest zijn. Daarom was het niet zo, zoals men hieruit zou kunnen concluderen dat wij om de Duitse strijdkrachten te kunnen voeden, Rusland moesten aanvallen. Voor de aanval hadden de Duitse strijdkrachten te eten en dat zou na de aanval ook zo zijn. Maar wanneer we in en door Rusland moesten optrekken sprak het voor zich dat het leger altijd en overal van het land in dat gebied zou leven.
Het voeden van enkele miljoen mensen, twee of drie als ik alle troepen en staven in Rusland meetel, kan onmogelijk leiden tot het verhongeren van vele, vele miljoenen aan de andere kant. Het is voor een soldaat van de ene partij onmogelijk zoveel te eten dat er voor de andere partij niet genoeg overblijft voor drie maal dat aantal. Bovendien is het feit daar dat de bevolking niet verhongerde. Hongersnood behoorde echter tot de mogelijkheden, niet omdat de Duitse strijdkrachten door Rusland moesten worden gevoed maar vanwege de vernietiging of het terugsturen door de Russen van alle landbouwgerei en complete voorraden zaden. Het was allereerst onmogelijk om de oogst, die gedeeltelijk door terugtrekkende Russische troepen was vernield, binnen te halen tot een hoeveelheid die niet eens in de buurt kwam van wat er nodig was vanwege onvoldoende gereedschappen; en ten tweede werden de voorjaars- en herfstoogsten ernstig bedreigd vanwege het gebrek aan landbouwgerei en zaden.
Als we deze crisis te boven kwamen was het niet omdat de Russische troepen niet alles hadden vernield of weggesleept maar omdat Duitsland een groot beroep op haar eigen voorraden moest doen. Tractoren, landbouwmachines, maaimachines en andere dingen moesten worden verkregen- zelfs zaden – zodat de troepen voorlopig niet van het land konden leven maar dat er voedsel vanuit Duitsland gestuurd moest worden – tot stro en hooi aan toe. Alleen met de grootste inspanningen van organisatie en bestuur en in samenwerking met de plaatselijke bevolking konden we geleidelijk de agrarische sector in evenwicht brengen en ook een overschot kweken voor de Duitse gebieden.
Voor zover ik weet ontstond er alleen maar in Leningrad hongersnood, zoals hier is gemeld. Maar Leningrad was een fort dat belegerd werd. In de geschiedenis van de oorlogvoering heb ik nog geen bewijs gevonden dat de belegeraar de belegerden in ruime mate van voedsel voorziet zodat zij zich langer kunnen verzetten; ik ken uit de geschiedenis van de oorlogvoering alleen maar bewijzen dat de belegeraar er alles aan doet om de overgave van het fort af te dwingen door de bevoorrading met voedsel af te snijden. Noch uit het oogpunt van internationaal recht, noch uit het oogpunt van de militaire wijze van oorlogvoering waren we verplicht belegerde forten of steden van voedsel te voorzien.
Dr. STAHMER: En welke rol speelde de Luftwaffe bij de aanvallen op Leningrad?
GÖRING: In Leningrad was de Luftwaffe erg zwak. De meest noordelijke sector van onze positie had de zwakste luchtdekking zodat de Luftwaffe daar vele taken tegelijk moest uitvoeren. Er is nooit een geconcentreerde aanval op Leningrad uitgevoerd zoals we die op andere steden hebben uitgevoerd of zoals die op immense schaal op Duitse steden zijn uitgevoerd. De Führer zei niet eenmaal, maar herhaaldelijk in het bijzijn van andere heren tijdens briefings op verwijtende toon dat de Duitse Luftwaffe zich blijkbaar niet in het luchtruim boven Leningrad durfde te wagen. Ik antwoordde daarop:
"Zo lang mijn Luftwaffe bereid is de hel van Londen binnen te vliegen zal die net zo bereid zijn om de veel zwakker verdedigde stad Leningrad aan te vallen. Ik mis echter de benodigde middelen en daarnaast moet u mijn Luftwaffe niet zoveel taken ten noorden van het front opdragen, zoals het verhinderen dat er versterkingen via het Ladogameer worden aangevoerd en andere taken."
Daarom werden er alleen aanvallen gedaan op Kronstadt en op de vloot, die in de baai van Leningrad was blijven liggen en op andere doelen zoals zware batterijen.
Ik was benieuwd uit de beëdigde verklaringen van de Russische professor voor musea te horen dat hij de indruk had dat de Duitse Luftwaffe er voornamelijk op uit was musea te vernietigen en daarna in zijn niet-beëdigde verklaring meen ik dat hij zich een aartsbisschop noemde die de indruk had dat mijn Luftwaffe zijn kathedralen als voornaamste doelwit had uitgekozen. Ik zou uw aandacht willen vestigen op deze tegenstrijdigheid – misschien begrijpelijk voor mensen die geen kenner zijn. St. Petersburg lag in de voorste gevechtslinie en had was niet nodig luchtaanvallen uit te voeren want middelzware en zware artillerie was voldoende om het centrum van de stad te bereiken.
Dr. STAHMER: Waren verbeurdverklaringen door de bezettende macht in Rusland beperkt tot eigendommen van de staat?
GÖRING: In verband met uw vorige vraag vergat ik nog iets kort te melden.
Er is hier veel gepraat over de reusachtige verwoestingen in Rusland. Er zijn foto's en films getoond, op zich indrukwekkend maar voor een Duitser niet zo indrukwekkend want ze tonen slechts een bescheiden deel van de verwoestingen die we in onze eigen steden ondervonden. Maar ik zou erop willen wijzen dat veel van die verwoestingen plaatsvonden in de loop van de gevechten, anders gezegd, verwoesting was geen opzet, niet van de Luftwaffe, niet van de artillerie maar dat steden, historische steden en monumentale gebouwen regelmatig tijdens gevechtsacties werden verwoest.
Bovendien worden mannen van het kaliber van de musicus en componist Tschaikovsky en de dichters Tolstoy en Poeshkin zodanig vereerd dat de opzettelijke vernieling van de graven van deze grote en creatieve mannen van de cultuur nooit de bedoeling kan zijn geweest.
Nu wat betreft uw vraag of alleen staatseigendommen werden geconfisceerd; voor zover ik weet, ja. Privë bezit, zoals hier uit staatsdocumenten gemeld – ik kan me goed voorstellen dat tijdens de strenge winter van 1941-42 Duitse soldaten hier en daar bontschoenen, bontlaarzen en schapenvachten van de plaatselijke bevolking afnamen - dat is mogelijk; maar over het algemeen was er geen privë bezit, daarom kon dat ook niet verbeurd worden verklaard. Ik kan zelf alleen maar spreken over een klein gedeelte, namelijk de omgeving van Vinnitza en de stad zelf. Toen ik daar met mijn speciale trein, tevens mijn hoofdkwartier, stopte bezocht ik regelmatig de boerenhutten, de dorpen en de stad Vinnitza omdat het leven daar me interesseerde.
Ik trof een dermate schrijnende armoede aan dat ik me onmogelijk kan voorstellen wat we weg hadden kunnen halen. Als onbelangrijk maar tekenend voorbeeld zou ik willen geven dat de bevolking aanzienlijke hoeveelheden eieren en boter ruilden tegen lege jampotten, tinnen emmers of zelfs lege sigaren- of sigarettendozen omdat ze deze primitieve artikelen zeer graag wilden hebben.
In dit verband zou ik ook willen benadrukken dat er nooit theaters of iets dergelijks met opzet werden verwoest, noch met mijn medeweten noch met dat van elke andere Duitser. Ik ken alleen het theater in Vinnitza dat ik bezocht. Ik zag de acteurs en actrices daar en het ballet. Het eerste wat ik deed was het verstrekken van materialen, kleding en allerlei dingen aan deze mensen omdat zij niets bezaten.
Als tweede voorbeeld, de verwoesting van kerken. Dit is ook een van mijn persoonlijke ervaringen in Vinnitza. Ik was daar toen de grootste kerk werd ingewijd die jarenlang als kruitmagazijn was gebruikt en nu, onder Duits bestuur, weer als kerk in gebruik werd genomen. De geestelijken vroegen mij aanwezig te zijn bij die inwijding. Alles was met bloemen versierd. Ik wees de uitnodiging af omdat ik niet tot de Grieks Orthodoxe Kerk behoor.
Waar het de plundering van winkels betreft, ik kon in Vinnitza maar een winkel zien die totaal leeg was.
Dr. STAHMER: Wat was het belang voor de Luftwaffe van het werkkamp Dora, dat door de Franse Aanklager is genoemd?
GÖRING: Voordat ik daar op in ga moet ik nog toevoegen dat de beschuldiging, alsof wij overal de industrie verwoestten niet juist is, maar in ons eigen belang moesten wij eerder een groot deel van de industrie nieuw opbouwen. Zo zou ik willen herinneren aan de dam bij Dniepropetrovsk die werd verwoest en die van belang was voor de electriciteitsvoorziening van de hele Oekraïne en zelfs voor het gebied rond de Donetz.
Waar het industrie en landbouw betreft, daar heb ik het al eerder over gehad en heb de tactiek van verschroeide aarde genoemd zoals die was omschreven in de Russische order en die ook werd toegepast. Deze tactiek van verschroeide aarde, de vernietiging van voorraden, van alles veroorzaakte een zeer lastige situatie waar moeilijk overheen te komen was. Daarom moesten we vanuit economisch oogpunt ook veel herbouw plegen.
Waar het de vernietiging van steden betreft, zou ik nog willen toevoegen dat naast en boven datgene dat in de loop van de gevechten in puin werd geschoten, tijdens de opmars of de terugtocht, er aanzienlijke delen van steden en belangrijke gebouwen ondermijnd waren en die op het kritieke moment de lucht ingingen waardoor natuurlijk veel Duitse slachtoffers vielen. Ik kan Odessa en Kiev als de twee belangrijkste voorbeelden noemen.
Ik kom nu aan de kwestie van Kamp Dora. Ik hoorde hier pas voor het eerst over Kamp Dora. Natuurlijk wist ik van de ondergrondse fabrieken die zich in de buurt van Nordhausen bevonden, hoewel ik daar zelf nooit geweest ben. Maar die waren al in een vroeg stadium opgericht. Nordhausen produceerde voornamelijk V1's en V2's. Ik ben niet op de hoogte van de toestanden in Kamp Dora zoals die hier zijn beschreven. Ik geloof ook dat die zijn overdreven. Natuurlijk wist ik dat er ondergrondse fabrieken werden gebouwd. Ik had ook belang bij de bouw van meer fabrieken voor de Luftwaffe. Ik zie niet in waarom de bouw van ondergrondse fabrieken iets bijzonder slechts of destructiefs zou zijn. Ik had opdracht gegeven voor de bouw van een belangrijke ondergrondse fabriek voor vliegtuigproductie bij Kahla in Thüringen waarin voor een groot deel Duitse arbeiders en voor de rest Russische arbeiders en krijgsgevangenen werkten. Ik ging er zelf heen om het werk te bekijken en trof die dag iedereen in een goede stemming aan. Bij gelegenheid van mijn bezoek nam ik voor de mensen wat extra rantsoenen drank, sigaretten en andere dingen mee, voor Duitsers net als voor buitenlanders.
De andere ondergrondse fabrieken waarvoor ik om gevangenen uit concentratiekampen vroeg werden niet meer gebouwd. Dat ik vroeg om gedetineerden uit concentratiekampen voor de vliegtuigindustrie is juist en naar mijn mening volkomen logisch omdat ik destijds niet op de hoogte was van de details van concentratiekampen. Ik wist alleen dat er vele Duitsers in concentratiekampen zaten – mensen die hadden geweigerd bij de strijdkrachten te gaan, die politiek onbetrouwbaar waren of die wegens andere dingen waren gestraft, iets dat in tijd van oorlog ook in andere landen gebeurd. Destijds moest in Duitsland iedereen werken. Vrouwen werden in het arbeidsproces opgenomen, waaronder ook diegenen die nog nooit hadden gewerkt. In mijn eigen huis werd begonnen met de productie van parachutes, waaraan iedereen moest deelnemen. Ik zag niet in waarom, wanneer de gehele bevolking aan het arbeidsproces moest deelnemen, gedetineerden uit gevangenissen, concentratiekampen of waar ze ook maar vandaan kwamen, niet aan werk gezet zouden worden dat belangrijk was voor de oologvoering.
Bovendien ben ik van mening, met wat ik vandaag weet, dat het voor hen zeker beter was te werken en te wonen in een of andere vliegtuigfabriek dan in hun eigen concentratiekampen. Het op zichzelf staande feit dat zij werkten moet als vanzelfsprekend worden aanvaard en ook dat zij werkten voor de oorlogsproductie. Maar dat werken uitroeiing betekende is een nieuw idee. Het is mogelijk dat het hier en daar zwaar was. Ik van mijn kant had er belang bij dat deze mensen niet werden uitgeroeid maar dat zij moesten werken en dus produceren. Het werk zelf was hetzelfde als wat door Duitse arbeiders werd gedaan – met andere woorden, productie van vliegtuigen en motoren, uitroeiing was daarbij niet de bedoeling.
Dr. STAHMER: Onder welke voorwaarden werden krijgsgevangenen ingezet bij luchtafweeroperaties?
GÖRING: Krijgsgevangenen werden voornamelijk ingezet voor luchtdoeloperaties bij vaste batterijen in eigen land die fabrieken en steden beschermden. En inderdaad waren dat vrijwillige hulpkrachten. Het waren voornamelijk Russische krijgsgevangenen, maar niet allemaal voor zover ik me herinner. Men moet niet vergeten dat er in Rusland diverse raciale groepen waren die verschillend dachten en niet allemaal dezelfde houding innamen ten opzichte van het systeem daar. Net als er de zogenaamde Ostbatallione waren, samengesteld uit vrijwilligers was er ook een groot aantal vrijwiligers dat zich, na een oproep in de kampen meldde voor dienst bij de luchtafweerbatterijen. We hadden ook een hele compagnie Russische krijgsgevangenen die zich vrijwillig meldden om tegen hun eigen land te strijden. Ik had niet veel met deze mensen op maar in oorlogstijd moet men nemen wat men kan krijgen. De andere partij deed hetzelfde.
De vrijwillige hulpkrachten gingen graag bij de luchtafweer omdat ze daar veel minder werk hadden en hun voeding was beter omdat ze legerrantsoenen kregen; welke andere redenen ze kunnen hebben gehad weet ik niet. Als men in 1944 of 1945 echter keek naar een plaatselijke Duitse luchtdoelbatterij moet dat een nogal vreemde indruk hebben gewekt, geef ik toe. Er waren Duitse jongeren van 15 of 16 jaar en oude kerels van 55 of 60, enkele vrouwen en wat hulpkrachten van allerlei nationaliteiten. Ik noemde ze altijd mijn zigeunerbatterijen. Maar ze schoten en daar ging het om.
Dr. STAHMER: Wat was uw officiële relatie tot Sauckel?
GÖRING: Ik heb gezegd dat er in 1936 binnen het Vierjarenplan al een Algemeen Gevolmachtigde voor de Arbeitseinsatz was.
In 1942, nadat hij ziek was geworden en door iemand anders werd vertegenwoordigd werd ik onaangenaam verrast door de rechtstreekse benoeming van een nieuwe Algemeen Gevolmachtigde für den Arbeitseinsatz - een benoeming direct door de Führer en zonder dat ik werd geraadpleegd.
Maar in die tijd ging de Führer zich al veel meer en directer met dat soort problemen bemoeien. Als hij dat hier ook deed, deed hij dat omdat de arbeidskwestie van dag tot dag dringender werd. Er was hem een voorstel gedaan dat hij tijdelijk een nieuwe plaatsvervanger moest benoemen, misschien een Gauleiter met een andere naam, degene uit Silezië. Maar de Führer koos voor de Gauleiter van Thüringen, Sauckel en benoemde hem tot gevolmachtigde. Dit besluit werd mede ondertekend door Lammers, niet door mij maar dat is niet van belang; en het besluit werd formeel opgenomen in het Vierjarenplan want het Vierjarenplan had algemene volmachten in alle kwestie betreffende de economie. Om deze reden werd zelfs aan het einde de benoeming van Goebbels tot Algemeen Gevolmachtigde für den totalen Krieg, wat met mij absoluut niets te maken had, opgenomen in de volmachten van het Vierjarenplan, want anders zou de gehele wetgevende macht van het Vierjarenplan, dat ik geleidelijk inclusief alle volmachten had opgebouwd, ineen zijn gestort en zouden we volledig nieuwe voorwaarden hebben moeten scheppen.
Als Sauckel vanaf die tijd zijn orders voornamelijk rechtstreeks van de Führer ontving was dat omdat de Führer zich nu veel doelmatiger in al deze kwestie mengde; maar ik verwelkomde de benoeming van Sauckel omdat ik hem beschouwde als een van de kalmste en meest betrouwbare Gauleiter en ik was er ook van overtuigd dat hij zich volledig aan deze nieuwe taak zou wijden. De relatie met de diensten van het Vierjarenplan werd natuurlijk gehandhaafd en in het geval van belangrijke wetgevende besluiten werkten Sauckel en de diensten van het Vierjarenplan samen, voor zover ik weet.
Sauckel zelf sprak bij diverse gelegenheden met mij nadat hij bij de Führer was geweest en stuurde me ook een aantal van de rapporten die hij aan de Führer had gestuurd. Over het algemeen werd ik geïnformeerd, zij het niet tot in bijzonderheden.
Dr. STAHMER: In maart 1944 ontsnapten 76 Engelse luchtmachtofficieren uit het krijsgevangenenkamp Stalg Luft III. Zoals u waarschijnlijk uit dit proces weet werden 50 van deze officieren, nadat ze weer waren opgepakt, door de SD gefusilleerd. Kwam dit bevel tot executie van u en was u op de hoogte van die plannen?
GÖRING: Ik raakte op de hoogte van de gebeurtenissen maar helaas pas op een later tijdstip. Toen deze 75 of 80 officieren in de laatste 10 dagen van maart probeerden te ontsnappen was ik op dat tijdstip met verlof, zoals ik kan aantonen. Ik hoorde een of twee dagen later over de ontsnapping. Omdat er echter daarvoor al een aantal grote ontsnappingen had plaatsgevonden en elke keer de meeste van de ontsnapte gevangenen naar het kamp waren teruggebracht, nam ik aan dat het in dit geval ook weer zou gebeuren.
Toen ik van verlof terugkwam vertelde de Chef van mijn Generale Staf mij dat een deel, maar hij kon me toen geen aantal noemen, van deze ontsnapte officieren was geëxecuteerd. Dit had tot op zekere hoogte opwinding en discussies binnen de Luftwaffe veroorzaakt; men was ook bevreesd voor wraakacties. Ik vroeg hem van wie hij die informatie had en ook wat er werkelijk was gebeurd. Hij zei dat hij alleen maar wist dat een deel van de ontsnapte gevangenen in de buurt van het kamp weer door de bewakers en door de politie in de omgeving was opgepakt en teruggebracht naar het kamp. Met deze mannen was niets gebeurd. Aan de andere kant, van het lot van de mannen die verder van het kamp weer waren opgepakt wist hij alleen dat sommigen ervan waren geëxecuteerd.
Ik ging toen naar Himmler en vroeg hem ernaar. Hij bevestigde dit zonder een aantal te noemen en vertelde me dat hij het bevel van de Führer had gekregen. Ik vestigde zijn aandacht erop dat zoiets absoluut onmogelijk was en dat in het bijzonder Engelse officieren verplicht waren een of meerdere pogingen tot ontsnappen te ondernemen en dat wij dit ook wisten. Hij zei meen ik dat hij bij de Führer in elk geval eerst had geprotesteerd maar dat de Führer erop had gestaan, want hij hield vol dat dergelijke grote ontsnappingen een groot gevaar voor de veiligheid vormden.
Ik zei hem toen dat dit tot de grootste opwinding onder mijn troepen zou leiden want niemand zou deze actie begrijpen en dat als hij dergelijke orders zou moeten geven, hij me tenminste kon inlichten alvorens ze uit te voeren zodat ik zo mogelijk de kans had ze te herroepen.
Na hem deze instructies te hebben gegeven sprak ik de Führer persoonlijk over deze kwestie en de Führer bevestigde het feit dat hij de order had gegeven en zei me ook waarom – de redenen die ik net heb genoemd. Ik legde hem uit waarom deze order naar onze mening volkomen onmogelijk was en wat voor reactie dat zou veroorzaken voor mijn vliegers die tegen de vijand in het Westen vochten.
De Führer – onze relatie was toen al uiterst slecht en gespannen – antwoordde nogal heftig dat vliegers die tegen Rusland streden rekening moesten houden met de mogelijkheid onmiddellijk doodgeranseld te worden in geval van een noodlanding en dat vliegers die naar het Westen gingen in dit opzicht geen speciale voorrechten zouden moeten opeisen. Ik zei hem toen dat deze twee dingen niets met elkaar te maken hadden.
Ik sprak toen met mijn Chef van de Generale Staf en vroeg hem – ik meen dat hij de Kwartiermeester-generaal was – een brief te schrijven aan het OKW en te zeggen dat ik nu eiste, dat de Luftwaffe nu eiste dat deze kampen niet langer onder ons gezag zouden vallen. Ik wilde niets meer te maken hebben met krijgsgevangenenkampen in het geval zoiets weer zou gebeuren. Deze brief was nauw verbonden met deze gebeurtenissen, een paar weken na deze gebeurtenissen. Dat is wat ik over deze kwestie weet.
Dr. STAHMER: De getuige Von Brauchitsch verklaarde hier onlangs dat in mei 1944 de Führer besloot de strengst mogelijke maatregelen te nemen tegen de zogenaamde terreurvliegers. Hebt u, in overeenstemming met dit Führerbefehl instructie gegeven om vijandelijke terreurvliegers te laten executeren of over te laten dragen aan de SD?
GÖRING: De definitie van terreurvliegers was zeer verwarrend. Een deel van de bevolking, en ook van de pers noemde min of meer iedereen die steden aanviel een terreurvlieger. Er was grote opwinding ontstaan onder de Duitse bevolking vanwege de zware en voortdurende luchtaanvallen op Duitse steden. De bevolking zag in de loop daarvan tot op zekere hoogte dat de echt belangrijke industriële doelen minder vaak werden geraakt dan huizen en niet-militaire doelen. In sommige Duitse steden hadden zodoende de woonwijken zwaar geleden terwijl de fabrieken in diezelfde steden over het algemeen onbeschadigd bleven.
Toen kwamen met nog meer vijandelijke vluchten boven Duitsland de zogenaamde laagvliegers die zowel militaire als niet-militaire doelen aanvielen. Rapporten hierover bereikten de Führer regelmatig en ik hoorde ook over die raporten, dat de burgerbevolking werd aangevallen met mitrailleurs en kanonnen; dat afzonderlijke voertuigen, die als burgervoertuigen herkenbaar waren en ook ambulances die het embleem van het Rode Kruis voerden, aangevallen waren. Er kwam een rapport binnen – ik herinner het me goed omdat de Führer daar zeer opgewonden over raakte – waarin stond dat een groep kinderen was beschoten. Mannen en vrouwen die voor winkels in de rij stonden waren ook beschoten. En deze activiteiten werden nu aangeduid als gepleegd door terreurvliegers. De Führer was zeer opgewonden.
In haar woede ging de bevolking eerst over op lynchen en we probeerden allereerst maatregelen te nemen om dit te voorkomen. Ik hoorde toen dat er via de politie en Bormann instructie was gegeven om hiertegen geen maatregelen te nemen. Deze rapporten verschenen steeds vaker en de Führer besloot toen, of legde een verklaring af dat deze terreurvlioegers ter plaatse moesten worden neergeschoten.
De veronderstelling dat deze vliegers door hun meerderen verboden was dergelijke aanvallen uit te voeren, dat ze met hun wapens uitsluitend als militair herkenbare doelen mochten aanvallen, had ik al eerder laten bevestigen door middel van een verhoor van de vliegers.
Nu, zoals zo vaak het geval is in dergelijke kwesties werden alle diensten die er iets mee te maken hadden bijeen geroepen en we waren ons ervan bewust, zoals Von Brauchitsch al heeft verklaard – niet alleen wij van de Luftwaffe maar ook diegenen binnen het OKW en andere militaire afdelingen – dat het erg moeilijk zou zijn met betrekking tot deze kwestie een bevel te formuleren en het te handhaven. Allereerst zou voor eens en voor altijd de term terreurvlieger moeten worden gedefinieerd. In dit verband werden er vier punten opgesteld en die zijn hier al voorgelezen.
Discussies over deze kwestie gingen over en weer. In het algemeen was ik van mening dat deze vliegers, omdat hen door hun eigen meerderen verboden was dergelijke aanvallen uit te voeren, iedere keer strafrechtelijk vervolgd konden worden door een militaire rechtbank. Hoe dan ook, na lang gekibbel kwamen we niet tot een definitief besluit en geen enkele afdeling van de Luftwaffe kreeg ooit opdracht stappen in die richting te ondernemen.
Het document waarin staat dat er op 6 juni 1944 een bijeenkomst plaatsvond in Klessheim met Himmler, Von Ribbentrop en mij en dat is getekend door Warlimont, meldt dat Warlimont zei dat Kaltenbrunner hem had verteld dat een dergelijke bijeenkomst had plaatsgevonden. Er staat niet dat die ook werkelijk plaatsvond. Nu is deze dag, 6 juni 1944 een zeer belangrijke dag, zoals Von Brauchitsch al heeft uitgelegd, want het is de dag van de invasie in Normandië. Ik weet niet precies meer wie er naar Klessheim kwamen. Klessheim is een kasteel vlakbij Berchtesgaden dat werd gebruikt wanneer er bevriende of buitenlandse missies op bezoek kwamen.
Het was al lange tijd de gewoonte dat wanneer dergelijke bezoeken plaatsvonden ik, als Opperbevelhebber van de Luftwaffe niet aanwezig was want ieder van die bezoekers wilde natuurlijk het liefst bij dergelijke bezoeken van de gelegenheid gebruik maken om hulp te vragen van de Duitse Luftwaffe en altijd om Duitse jagers en toestellen te vragen of het nou Bulgarije, Roemenië, Hongarije, Finland, Italië of iemand anders was. Ik maakte er een gewoonte van bij dergelijke gelegenheden niet aanwezig te zijn zodat de Führer de kans had ontwijkend te zijn en kon zeggen: "Ik moet eerst overleggen met de Opperbevelhebber van de Luftwaffe."
Daarom was ik al op de 3de of 4de, voor zover ik me herinner, uit Berchtesgaden vertrokken en was op mijn landgoed bij Neurenberg. De officier van de Generale Staf die mij vergezelde, de dokter en enkele anderen kunnen dit indien nodig getuigen. In de morgenuren hoorde ik hier over de invasie. Von Brauchitsch heeft het op een punt mis, namelijk dat dit al gemeld was als een invasie. In tegendeel, als reactie op verdere vragen van mij werd gezegd dat men nog niet kon zeggen of het een afleidingsmanoeuvre was dan wel de echte invasie. Daarop keerde ik laat in de avond of in de middag terug naar Berchtesgaden – ik herinner het me nu. Ik vertrok na de lunch en ik ben ongeveer 4 ½ uur van hier uit onderweg. Daarom nam ik geen deel aan de bijeenkomst met Von Ribbentrop of Himmler over deze kwestie in Klessheim of waar dan ook en ik wil dit benadrukken.
De vergadering werd bijeen geroepen door mijn adjudant, Von Brauchitsch, mijn officier van de Generale Staf en hij was degene die zonder mij te raadplegen, het OKW vertelde dat ik van mening was dat het juist was in dergelijke gevallen deze voor een rechtbank te brengen. Het beslissende punt is echter dat er nooit een dergelijke order als Führerbefehl, of als decreet van mij, aan een van de afdelingen van de Luftwaffe is gegeven of aan het doorgangskamp, het ondervragingskamp in Oberursel of aan welke troepenafdeling dan ook.
Een document dat hier is voorgelezen betreft een rapport van Luftgau XI waarin het neerschieten van Amerikaanse vliegers wordt gemeld. Ik meen dat het Amerikanen waren, en dit is in dit verband gemeld omdat er staat Luftgau XI. Ik heb het document doorgelezen – er zitten twee uitvoerige aanhangsels bij. Er wordt hier heel helder en duidelijk gesteld dat Luftgau XI meldde dat een bemanning die was afgesprongen en door enkele troepen die niet tot de Luftwaffe behoorden, uit het meer was gered en door de politie was neergeschoten op weg naar het vliegveld – de naam van het politiebureau wordt genoemd – dat ze daarom het vliegveld niet bereikten maar tevoren door de politie waren neergeschoten. Luftgau XI meldt deze gebeurtenissen naar behoren zoals voorgeschreven. In het bijgevoegde rapport wordt elk van de mannen bij naam genoemd en ook wat er met hem gebeurde. Sommigen werden naar het ziekenhuis gebracht, anderen werden, zoals gezegd, neergeschoten. En al deze rapporten en elk apart blad kan worden verklaard uit het feit dat de bureau's van de Luftgau, de bevoegde instellingen in Duitsland, de vaste instructie hadden op gedrukte formulieren te rapporteren of het een noodlanding of neerstorten van onze eigen of vijandelijke vliegtuigen betrof; hoe laat; of de bemanning eruit gesprongen was, of de bemanning was gedood, of de helft ervan; of ze naar een kamp waren gebracht of naar een hospitaal. En in dit geval wordt correct gemeld: "Door de politie bij een vluchtpoging neergeschoten, begraven op die en die plek."
Er waren honderden van dit soort rapporten; ik bedoel van onze eigen vliegtuigen en van vijandelijke die tijdens de zware luchtgevchten met hun bemanningen waren neergeschoten. De rapporten werden vanuit de Luftgau naar de bevoegde instanties gestuurd. De Luftwaffe zelf had er niets mee te maken; het blijkt uit het oorspronkelijke Duitse document heel duidelijk dat dit een rappoort is.
In dit verband werden er verhitte discussies gevoerd. Alle heren die aanwezig moesten zijn bij de dagelijkse briefings door de Führer zullen zich goed herinneren dat de Führer mij herhaaldelijk op onvriendelijke manier zei dat hij beslist de namen en de straffen wilde weten van die officieren die keer op keer vliegers tegen de bevolking hadden beschermd. Ik liet deze personen niet opsporen ofd arresteren en liet ze ook niet bestraffen. Ik wees de Führer er altijd op dat het al was gebeurd dat zelfs onze eigen vliegers die uit hun toestellen waren gesprongen door onze eigen mensen, die eerst volledig in de war waren, ernstig waren mishandeld en ik legde er daarom namens de Luftwaffe de nadruk op dat dergelijke dingen moesten ophouden.
Er was nog een laatste scherpe tegenstelling, alweer in het bijzijn van vele heren tijdens een briefing waarin ik weer naar deze kwestie verwees en de Führer mij onderbrak met de woorden: "Ik weet heel goed dat beide luchtmachten onderling hebben afgesproken, laf te zijn." Waarop ik tegen hem zei: "We hebben niet afgesproken laf te zijn maar op een of andere manier zijn wij vliegers altijd kameraden gebleven, ongeacht hoe heftig we elkaar bestrijden." Alle hier aanwezige heren zullen zich dat herinneren.
Dr. STAHMER: Wat was uw houding als hoogste juridische autoriteit van de Luftwaffe met betrekking tot strafbare feiten, in bezette gebieden gepleegd door soldaten onder uw commando?
GÖRING: Als hoogste gerechtelijke autoriteit liet ik mij alle ernstige gevallen melden en besteedde vele uren aan onderzoek daarvan. Daarom hecht ik er bijzonder belang aan dat de hoogste juridische raadsman van de Luftwaffe op dit punt wordt gehoord. In veel gevallen vernietigde ik vonnissen omdat ze te licht waren, in het bijzonder wanneer het om verkrachting ging. In die gevallen bekrachtigde ik altijd het doodvonnis dat door de rechtbank was uitgesproken, tenzij in uitzonderlijke gevallen een verzoek om gratie was gedaan door het slachtoffer. Ik bevestigde zo het doodvonnis van een aantal leden van de Luftwaffe die hadden deelgenomen aan moord op bewoners van de bezette gebieden in het Oosten zowel als in het Westen.
Ik wil de tijd van het Tribunaal niet verknoeien met het noemen van een aantal bijzondere gevallen die dit bewijzen. Bovendien was ik de gerechtelijke autoriteit voor bewoners van bezette gebieden die voor een rechtbank van de Luftwaffe waren gedaagd. Bijvoorbeeld wanneer in Frankrijk, Nederland, Rusland of in een ander land de plaatselijke burgerbevolking vliegers had helpen te ontsnappen of zich schuldig had gemaakt aan sabotage van vliegtuigen, of hadden gespionneerd bij de Luftwaffe, anders gezegd, voor alle strafbare feiten die waren gepleegd met betrekking tot de Luftwaffe. De oorlogssituatie vereiste natuurlijk dat we hier in het algemeen strenge maatregelen moesten nemen.
Ik zou in dit verband willen opmerken dat door de rechtbanken natuurlijk ook zo nodig doodvonnissen werden uitgesproken tegen vrouwen. In al deze gevallen waarbij vrouwen waren betrokken heb ik gedurende de hele oorlog niet eenmaal met mijn handtekening een doodvonnis tegen een vrouw bekrachtigd, zelfs niet in het geval van dodelijke aanvallen of deelname aan zulke aanvallen op leden van mijn Luftwaffe; zelfs in de meest ernstige gevallen verleende ik altijd gratie.
Dr. STAHMER: Hield u in uw militaire en economische maatregelen in de bezette gebieden er rekening mee of die maatregelen in overeenstemming waren met de Haagsche Conventie voor de Oorlogvoering te Land?
GÖRING: Ik heb de regelingen voor de landoorlog van de Haagsche Conventie voor het eerst vluchtig doorgenomen net voor het uitbreken van het conflicht met Polen. Toen ik die destijds las, speet het mij dat ik die niet eerder grondiger had bestudeerd. Had ik dat wel gedaan dan had ik de Führer gezegd dat gezien deze regelingen van de Haagsche Conventie, alinea voor alinea vastgelegd een moderne oorlog onder geen enkele voorwaarde kon worden gevoerd. Men zou per definitie in conflict komen met regels die in 1906 of 1907 waren vastgelegd, vanwege de technologische uitbreidingen van de moderne oorlogvoering. Die regels moesten ofwel worden afgeschaft of anders zouden er nieuwe gezichtspunten, overeenkomend met de technische ontwikkelingen moeten worden gevormd. Mijn redenering is als volgt:
De regels voor oorlogvoering te land in de Conventie, zoals die nu bestonden, had ik naar mijn mening juist bestudeerd als regelingen voor oorlogvoering te land in 1907. Maar tussen 1939 en 1945 was er niet uitsluitend meer de landoorlog maar ook een luchtoorlog waar hier geen rekening mee was gehouden en die gedeeltelijk een totaal nieuwe situatie deed ontstaan en de regels voor de landoorlog op veel punten wijzigde. Maar dat is niet zozeer het doorslaggevende punt, eerder, zoals ik het zie, ontwikkelt een moderne en totale oorlog zich langs drie lijnen: de oorlog met wapens te land, ter zee en in de lucht; economische oorlogvoering die een integraal onderdeel is geworden van elke moderne oorlog en ten derde de propagandaoorlog die ook een essentieel onderdeel van deze oorlog vormt.
Als men deze principes op basis van logica aanvaardt dan zullen er bepaalde afwijkingen ontstaan die naar de letter een schending van die logica kunnen zijn, maar niet naar de geest. Als de regelingen voor de landoorlog erin voorzien dat wapens van de vijand vanzelfsprekend als oorlogsbuit moeten worden beschouwd dan moet ik vandaag zeggen dat in een moderne oorlog de wapens van de vijand onder bepaalde omstandigheden alleen nog maar waarde als schroot hebben, maar dat echter economische goederen, grondstoffen, hoogwaardig staal, aluminium, koper, lood en tin als oorlogsbuit veel belangrijker lijken en zijn dan verouderde wapens die ik op een tegenstander zou kunnen veroveren. Maar daarnaast is het niet alleen een kwestie van grondstoffen, ongeacht wiens eigendom ze zijn. De regels voor de landoorlog voorzagen op een punt – ik herinner het me nu niet – erin dat zaken die nodig zijn kunnen worden geconfisceerd, natuurlijk tegen compensatie. Die factor is ook niet van beslissende betekenis zoals men goed kan begrijpen. Beslissend is echter het feit dat in een moderne oorlog, en in een economische oorlog die de basis vormt voor iedere verdere voortzetting van de oorlog, voorraden, allereerst van voedsel beschouwd moeten worden als absoluut noodzakelijk voor de oorlog en ook beschikbaar worden gesteld voor gebruik in de oorlog en bovendien grondstoffen voor de industrie. Bovendien zijn fabrieken en machines ook een deel van de economische oorlogvoering. Als die tot nu toe in dienst stonden van de tegenstander – of het al of niet fabrieken zijn die direct of indirect bijdragen aan bewapening en oorlogvoering – dan moeten die nu ook ten dienste staan van diegene die in het bezit is gekomen van die productiemiddelen, hetzij door een militaire beslissing, al of niet tijdelijk, tijdens de periode van wapenstilstand in bezette gebieden. In dit verband speelt de kwestie van arbeid natuurlijk een veel grotere rol in de economische oorlogvoering dan in die vroegere oorlogen die als voorbeeld dienden voor de regelingen voor de landoorlog van de Haagsche Conventie. In 1907 echter konden de meest recente oorlogen, de Russische-Japanse oorlog, en misschien de Engelse Boerenoorlog gevoerd onder totaal verschillende omstandigheden – oorlogen die in die tijd ongeveer tien jaar daarvoor plaatsvonden – dienen als voorbeeld voor de oorlogvoering. Een oorlog in die tijd tussen twee legers, waarbij de bevolking nauwelijks werd betrokken, kan niet worden vergeleken met de totale oorlog van vandaag waarbij iedereen, zelfs kinderen de ervaring van een oorlog ondergaat door de invoering van de luchtoorlog.
Naar mijn mening is mankracht, en dus de arbeiders en het gebruik daarvan op dit moment ook een integraal deel van de economische oorlogvoering. Daarmee wordt niet bedoeld dat de arbeider zo moet worden uitgebuit dat hij fysiek lijden ondergaat maar alleen dat zijn arbeidskracht volledig moet worden benut.
Een van de getuigen merkte onlangs op wat het betekent zich in een bezet gebied te bevinden waar de gevechten nog aan de gang zijn en waar men jarenlang verblijft terwijl er een, twee, drie, vier of vijf nieuwe militaire lichtingen opgroeien en als zij in eigen land geen werk hebben............
De PRESIDENT: Dr. Stahmer, bestaat er enige kans dat beklaagde voor vanavond klaar zal zijn?
Dr. STAHMER: Dit is de laatste vraag.
De PRESIDENT: Gaat u verder.
GÖRING: De kwestie van deportatie van arbeiders moest daarom ook worden beschouwd vanuit het oogpunt van veiligheid. We moesten voor zover mogelijk het hele bezette gebied van voedsel voorzien. We moesten ook afrekenen met mankracht en op hetzelfde moment het afvoeren overwegen van speciaal diegenen die in eigen land geen werk hadden en een gevaar vormden in de groeiende ondergrondse verzetsbewgingen die tegen ons ontstonden.
Als deze lichtingen naar Duitsland werden gehaald om te werken dan was dat vanwege principiële overwegingen van veiligheid, zodat ze niet werkloos in eigen land achter zouden blijven – en dus daar beschikbaar zijn voor het werk en de strijd tegen ons – maar in ons voordeel moeten worden gebruikt in de economische oorlogvoering.
Ten derde – ik wil deze zaken slechts kort noemen – en tot slot de propagandaoorlog. Op een punt in de Aanklacht wordt ook vermeld dat wij radio's in beslag namen, iets wat natuurlijk voor zich spreekt. Want het grote belang dat vijandelijke propaganda had in de propagandaoorlog, die tot ver in het achterland via de radio werd verspreid, heeft niemand sterker gevoeld dan Duitsland. Alle grote gevaren van de ondergrondse bewegingen, de partizanenoorlog, de verzetsbewegingen en sabotage en alles wat daaraan verbonden is en uiteindelijk in deze oorlog ook de verbittering en de algemene stemming, tot dat alles is opgeroepen door dit onderlinge gevecht via de radio.
Wat er dus ook gebeurd is in de vorm van wreedheden en soortgelijke daden die niet kunnen worden getolereerd, zijn uiteindelijk, als men er kalm over nadenkt, in eerste instantie toe te schrijven aan de propagandaoorlog. Daarom zijn de regelingen voor de Oorlogvoering te Land van de Haagsche Conventie naar mijn mening geen instrument dat kan worden gebruikt als basis voor een moderne oorlog omdat daar geen rekening wordt gehouden met de essentiële principes van de oorlog: de oorlog in de lucht, de economische oorlog en de propagandaoorlog. Op dit punt zou ik de zelfde woorden willen gebruiken die een van onze grootste, belangrijkste en moeilijkste tegenstanders, de Britse Eerste Minister Winston Churchill gebruikte: "In de strijd op leven en dood bestaat uiteindelijk geen gerechtigheid."
De PRESIDENT: Ik schors de zitting.
(het Tribunaal wordt verdaagd tot 16 maart 1946 om 10:00 uur.)

Zie ook:
Verhoor Göring 4, Verhoor Göring 5, Verhoor Göring 6, Verhoor Göring 7, Verhoor Göring 8
Slotverklaring Göring
Vonnis Göring

Definitielijst

Arbeitseinsatz
Gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Circa 11 miljoen Europese burgers werden in dit kader opgeroepen om dwangarbeid te verrichten in het Derde Rijk. Niet te verwarren met de Arbeidsdienst, een organisatie opgericht als nationaal-socialistisch vormingsinstituut voor Nederlandse jongeren.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Führer
Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
Gauleiter
Leider en vertegenwoordiger van de NSDAP in een Gau.
invasie
Gewapende inval.
kaliber
De inwendige diameter van de loop van een stuk geschut, gemeten bij de monding. De lengte van de loop wordt vaak aangegeven in het aantal kalibers. Zo is bv de loop van het kanon 15/24 24 ×15 cm lang.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
mobilisatie
Een leger in staat van oorlog brengen, dus eigenlijk de overgang van vredestoestand naar oorlogstoestand. Het Nederlandse leger werd gemobiliseerd op 29 augustus 1939.
propaganda
Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.
totale oorlog
Een oorlog waarbij ook de burgerbevolking betrokken is en waarin alles in dienst is gesteld van de oorlogsvoering.
Vierjarenplan
Duits economisch plan dat gericht was op alle sectoren van de economie waarbij de vastgestelde productiedoelen in 4 jaar gehaald moeten worden.

Informatie

Vertaald door:
Arnold Palthe
Geplaatst op:
19-10-2008
Laatst gewijzigd:
27-12-2018
Feedback?
Stuur het in!

Gerelateerde thema's

Gerelateerde personen

Bronnen

International Military Tribunal, Nurenberg 1947.