TracesOfWar heeft jouw hulp nodig! Wij missen foto's van belangrijke bezienswaardigheden in Nederland, België, Frankrijk en Duitsland. Stuur uw foto's in naar input@tracesofwar.com en wordt gepubliceerd!

Inleiding

    Het woord dwangarbeider heeft een ruime definitie met een vooral negatieve lading. Wie daarbij denkt aan een concentratiekampgevangene die loodzware stenen moet sjouwen met de dood tot gevolg en zelfs als doel, heeft een juist beeld. Maar wie daarbij denkt aan personen die betaald werk verrichten, in relatieve vrijheid en met genoeg voedsel, heeft ook een juist beeld. Een voorbeeld van de laatste situatie werd mij verteld door Cees Ruijter, ontmoet in het Rotterdamse OorlogsVerzetsMuseum bij een lezing in 2012. De tekst is aangevuld door mij, Maurice Laarman. Dit artikel stamt oorspronkelijk uit 2013. Inmiddels is Cees Ruijter overleden.

    Wat vooraf ging

    Mijn naam is Cornelis Ruijter (roepnaam Cees) geboren in 1923 te Bergen, Noord Holland. Mijn vader had een slagerij, waarin ik ook werkte.


    Cees Ruijter in mei 2013. Bron: Cees Ruijter
    Ik had al enige ervaring met de Duitse bezetters, want bij ons dorp was een vliegveld, in gebruik door de Luftwaffe. Men stond niet echt vijandig tegenover hen en maakte al snel een praatje met de soldaten die in het dorp kwamen. Ondertussen speelde iets waar ik geen weet van had, maar wat mij wel raakte. Vanaf 1941 werd door de Duitse rijkscommissaris Seyss-Inquart bepaald dat in eerste instantie werklozen en later ook anderen via de Nederlandse arbeidsbureaus naar Duitsland gestuurd werden om daar te gaan werken. Het grote Duitse rijk was bezig met een oorlog op meerdere fronten waaronder een allesverslindende veldtocht in Rusland. De verliezen waren exorbitant. In het jaar 1942 bijvoorbeeld sneuvelden er 572.000 soldaten, een cijfer wat nog dramatisch op zou lopen de komende jaren. In Duitsland zelf werd zo goed als elke positie op de arbeidsmarkt beoordeeld op zijn waarde voor de oorlogsinspanning. Was die er niet of nihil, dan kon men weer een man vrij maken voor het front. Vrouwen konden een deel daarvan opvullen, maar de rek was daar natuurlijk op een gegeven moment uit, zodat de open posities anders opgevuld moesten worden. Dit gebeurde door maatregelen zoals die van Seyss-Inquart en dan in elk bezet land: de lokale bevolking moest gaan werken in Duitsland. Dit resulteerde in meer dan 10 miljoen buitenlandse dwangarbeiders, waarvan circa 500.000 Nederlanders. Daarvan zouden er circa 30.000 om het leven komen, anderen kwamen terug met blijvend geestelijk of lichamelijk letsel.

    Later in 1944 kwamen er razzia’s en werden mannen uit hun huis gehaald of van straat geplukt om te gaan werken in Duitsland. Het totale aantal hiervan bedraagt tussen de 5 à 600.000, waarvan 30.000 nooit meer terugkeerden. Ze stierven door verschillende oorzaken; ziektes, slechte behandeling, de geallieerde bombardementen, ongevallen, moord, etc.

    Definitielijst

    Luftwaffe
    Duitse luchtmacht.
    razzia
    Georganiseerde drijfjacht op een groep mensen. Dat konden joden zijn, maar ook onderduikers of andere groeperingen.
    rijkscommissaris
    Titel van onder andere Arthur Seyss-Inquart, de hoogste vertegenwoordiger van het Duitse gezag tijdens de bezetting in Nederland.

    Vertrek naar Duitsland

    Op 25 februari 1943 moest ik samen met enkele dorpsgenoten vertrekken naar Duitsland, daartoe opgeroepen door het arbeidsbureau. Ik was slager en hielp bij mijn vader in de zaak, en zou dat beroep ook gaan uitoefenen in Hannover. We gingen met de trein via Bentheim naar Osnabrück. Eenmaal daar aangekomen volgde een lange periode van wachten, tot we de volgende dag opeens weer vertrokken en tot onze verbazing aankwamen in Bremen. Dat merkten we pas toen we op het 'Hauptbahnhof' stonden. Ons eerste onderkomen was een oud hotel dichtbij het station, met ernaast een rolschaatsbaan. Op zaterdag 27 februari werden verschillende jongens opgehaald, meestal de bakkers. We maakten onderling de afspraak dat waar we ook terecht zouden komen, we elkaar op een zondag om 12:00 zouden ontmoeten op het station, zodat we wisten waar iedereen terecht was gekomen. Na een paar weken hebben we dat ook gedaan. Rond 09:00 werd de rest van de mannen naar een tram gebracht onder begeleiding van een geüniformeerd persoon. Eindhalte was Gröpelingen, een wijk van Bremen.

    In het Tirpitz Lager

    Eenmaal aangekomen moesten we met onze koffers lopen naar het Tirpitz Lager, een kazernecomplex waarvan de blokken vernoemd waren naar maritieme persoonlijkheden. We werden aangemeld bij de Lagerführer Henning en ingedeeld op kamers. In iedere kamer van vijf bij vijf meter zaten twaalf man.


    Het Tirpitzblock. Bron: Cees Ruijter
    Er was een tafel met krukjes, een kastje voor je spullen en zes stapelbedden. De matrassen waren gevuld met vlas. Daarna kreeg iedereen een deken, bedovertrek, klein kussen, handdoekje, emaille etensschaal, vork, lepel en mes.

    Onze kamer (Stube) in het Tirpitzblock. Bron: Cees Ruijter

    We waren niet de eerste bewoners van het Tirpitz blok, in juni en juli 1942 waren in totaal 140 man van de marinewerf Den Helder gearriveerd. Ze hadden met kerst verlof gekregen, maar een groot aantal van hen was niet meer teruggekomen. Wie te laat was teruggekomen werd te werk gesteld in Farge, waar een 'Arbeitserziehungslager' was. Deze opvoedingskampen waren vergelijkbaar met een concentratiekamp en dienden ter heropvoeding van onwillige of ‘luie’ dwangarbeiders. Het verzuim van onze voorgangers betekende voor ons dat het verlof werd afgeschaft en we niet naar huis mochten.


    Pagina uit de Ruijters paspoort met ‘Aufenthaltslaubnis’. Op het moment dat de Nederlandse dwangarbeiders aankwamen in Bremen werden ze ook ingeschreven in het bevolkingsregister. Bron: Cees Ruijter

    Nog iets meer over het Tirpitz Lager. Het bestond uit drie gebouwen, in blok 1 zaten Nederlanders, in blok 2 Duitse vakmensen en de 'Krankenstube', in blok 3 Hitlerjugend en BDM ('Bund Deutsche Mädel').Bij de ingang moest iedereen door en langs de portiersloge. Zomaar met vreemden naar binnen ging niet, maar de oudere portiers herkenden wel de gezichten.

    Het was een hele omslag, vanuit een beschermde omgeving, uit het dorp en uit het gezin, opeens met twaalf jongens op een kamer. Vreemde taal, andere gewoontes. Geen radio, geen kranten. Jezelf verzorgen, zelf je was doen. Geen contact met ouders en familie. Alles was anders, zelfs het brood eten. Dat deed men daar vanaf een plankje, dat kenden we niet. Je broek persen gebeurde door deze onder het matras te leggen, maar het was een hele kunst dit goed te doen. Kleding wassen moesten we ook zelf doen, in het washok, maar zeep was altijd schaars. Scheermesjes ook; maar door de losse mesjes langs de binnenzijde van een glas te wrijven konden we ze enigszins slijpen en langer gebruiken.

    We kregen betaald voor ons werk, maar moesten wel kostgeld betalen voor ons onderkomen en bonnen kopen om daarmee aan voedsel te kunnen komen. De eerste werkdag was maandag 1 maart 1943, om 07.00 ‘s morgens moesten we ons melden bij de werf. De vaklieden werden eruit gehaald, de andere doorverwezen naar de 'Umschulung' in 'Maschinebauhal 4'. Jongens die niet langer dan 1.75m waren werden in de scheepsbouwhal opgeleid tot elektrode lasser. Hun geringe lengte was ideaal voor werkzaamheden in de kleine hoeken en gaten van 'U-Boten'. In het kantoor van het 'Arbeiteramt' hing een briefje met een Nederlandse zin: Verboden te fluiten. Daar konden de Duitsers blijkbaar niet zo goed tegen. Iedereen had een taak. Er was werk in allerlei beroepsgroepen, of men was 'Hilfsarbeiter', handlanger. Je was verplicht het 'A.G.Weser Abzeichen' te dragen, met het vak-lettertype en de kleur van de nationaliteit. De Russen hadden ´Ost´ op hun kleding staan, de Polen een ´P´. Er werkten ook Russinnen, voor hen gold de regel dat ze altijd met z´n drieën onderweg moesten zijn. Met z´n tweeën konden er wel eens andere dingen gebeuren, met zo veel mannen om hen heen...

    De werkdag zag er als volgt uit. Om 6.00 werden we gewekt door de portier met een bons op de deur en de kreet; "aufstehen, aufstehen!" Dan naar de washokken en toilet, en wie de beurt had moest koffie halen. Om 6.30 gingen we op weg naar de werf, om 07.00 begonnen we. De route liep over de Schwarzer weg, door het rangeerterrein langs de spoorbaan. Bij de poort aangekomen moesten we de penning afgeven en kregen we een stempelkaart om deze bij de tijdklok te laten stempelen. In de winter was werktijd tot 17.00, in de zomer tot 17.30. Pauze was van 12.30 tot 13.00, ´s zaterdags van 7.00 tot 13.00. Later moesten we werken in ploegendienst. Na het werk liepen we weer naar het Lager, waar om 18.00 het eten werd opgeschept in de kantine. Daarna waren we vrij en konden we de avond indelen zoals we wilden; schaken, kaarten, dammen, toneel, muziek, zang. Enkele jongens hadden een instrument meegebracht en vormden samen een orkestje. Eens per maand werd er zelfs een heuse revue georganiseerd met bekende en zelfgemaakte liedjes. Iedereen nam zijn krukje en kussen mee en nam plaats in de drukbezochte kantine.

    Sport was ook populair, het liefst voetbalden we. Er was in Bremen zelfs een competitie van Nederlandse elftallen, tewerkgestelden bij verschillende grote bedrijven. Tirpitz is een keer kampioen van Bremen geweest! In mindere mate werd ook aan boksen gedaan. Geestelijke of humanistische zorg was er niet, maar als je wilde kon je wel naar de plaatselijke kerk. Eenmaal kregen we een klein pakketje van het Rode Kruis met verzorgingsprodukten zoals tandpasta en een tandenborstel. (de Fransen kregen meer) Tot midden 1944 konden we ook post naar huis sturen en ontvangen, maar al onze brieven werden opengemaakt en door de censuur bekeken op ‘schadelijke’ inhoud. Soms waren regels zwartgemaakt. Na D-Day hield het op met de post en had het Duitse Rijk blijkbaar andere prioriteiten.

    Op een grote mond, luiwammesen of te laat komen stonden al vrij snel sancties. En dan nog niet gesproken over eventuele sabotage, dat was helemaal vragen om moeilijkheden! Ik heb dan ook niet gemerkt of gehoord dat iemand sabotage wilde plegen, of zelfs heeft gepleegd. Simuleren van ziekte viel daar ook onder, en het concentratiekamp Farge was dichtbij.. Als je echt wat mankeerde moest je je 's morgens melden bij de 'Krankenstube'. Hier zwaaide Herr Beets de scepter. We verdachten hem ervan dat hij homo was. Hij sorteerde voor de arts de patiënten, in de categorieën hoofd, hand, voeten, buik, hals, etc. Bij griep of hals was het al snel: "Hose herunter, Fieber messen!". Bij griep was er een bijzondere remedie, ‘Packung’ genaamd. Men legde een rubber zeil in het bed en een groot laken werd in een emmer met ijskoud water gedompeld. Dat natte laken werd om je lijf met spelden vastgemaakt, je ging in bed liggen, kreeg vier dekens over je heen, twee aspirines en een glas water. Na twee uur broeien was de koorts en griep weg, of je was half dood.

    In Block 1 was er meestal gelegenheid om één keer per week, op zaterdag, in een centraal gelegen doucheruimte gezamenlijk te douchen. Dat moest wel snel gebeuren, de schoonmaker van de toiletten bediende de kraan. We gingen met een mannetje of 15 tegelijk onder de douche waar lauwwarm water uitkwam. Met gewone zeep, gemaakt van klei, werden de haren gewassen en zeepten we ons in. Na een minuut of twee a drie kwam er een brul: "Nog één minuut". Dan moest je je snel afspoelen, want daarna werd de warmwaterkraan dichtgedraaid en kwam er alleen koud water over je bast. Iedereen schoot dus op, zodat na het afdrogen de volgende ploeg onder de douche kon. Dat afdrogen gebeurde overigens met een soort grote afdroogdoeken van wit katoen, waar we elke week één schone van kregen. Het beddengoed was een geruit blauw dekbedovertrek, waarin je twee paardedekens kon stoppen en een klein kussentje met sloop.

    Nog te melden is dat in 1944 concentratiekampgevangenen van het kamp 'Schützenhof (Außenlager des KZ Neugengamme )' in hal 3, 'Maschinenbau' te werk gesteld waren. Deze kwamen onder bewaking via de Lindenhoffstrasse naar de werf. De hal werd speciaal omheind en bewaakt. Doden en zieken werden in de middag door hun makkers naar de Halmerweg teruggedragen. Ook hal 5 was een bewaakte afdeling waar eveneens concentratiekampgevangenen, maar dan uit Farge, te werk werden gesteld. Ze kwamen aan in een open auto met aanhanger.

    Het werk op de werf was vaak koud en nat, soms ook gevaarlijk. Voor de meeste arbeiders was men toch een 'Ausländer'. Soms vroeg men wel eens naar mijn achtergrond en hoe het was om niet vrijwillig, maar onder dwang te moeten werken. Zo hoorde ik van een oudere man die een zoon had van dezelfde leeftijd als ik, dat hij blij was dat deze krijgsgevangene was in Canada, nadat zijn U-Boot tot zinken was gebracht. Hij hoopte dat hij goed terug zou komen, maar was vooral gerustgesteld dat hij niet ergens in een Russisch gevangenenkamp zat.Er werkten ook een paar jongens bij de röntgen-lascontrole. Ze moesten aan boord van de duikboten meehelpen bij het controleren van de lasnaden. Van één van hen weet ik zeker dat hij niet oud geworden is, de persoonlijke beschermingsmiddelen die tegenwoordig iedereen moet dragen bij risicovolle werkzaamheden waren minder in zwang. Ook de elektrolassers hadden het niet erg best, in kleine ruimtes en in een slechte atmosfeer werken is niet zo gezond. Hulptroepen in de gieterij of verzinkerij kregen soms een kwart liter melk, maar daarmee bleef je niet gezond. Het schoeisel was ook niet alles, door een gebrek aan sokken moesten we op een gegeven moment lappen gebruiken in onze klompen. Het gevolg was dat je voeten vaak kapot waren. Mijn taak was het om met een elektrowagen halffabrikaten, onderdelen en ander materiaal rond te brengen. Zodoende kwam ik overal op de werf en heb ik veel gezien.

    De Nederlandse arbeiders waren aan dezelfde rigide regels onderworpen die ook golden voor de Duitsers zelf. Eén verkeerde opmerking kon fataal worden. Dit gebeurde bijvoorbeeld met Homme Hoekstra. Hij was in juni 1943 aangekomen en verbleef ook in het Tirpitz Lager. Zijn taak was het verwijderen van metaalspanen in de 'Maschinenbauhalle 2'. Zijn collega gaf in november 1943 hem bij de ‘Sicherheitsbeauftragte' van de werf aan, met concreet de beschuldiging dat Hoekstra o.a. had gezegd dat Duitsland de oorlog niet kon winnen. Op 10 januari 1944 werd hij op de werf gearresteerd, door de Gestapo verhoord en overgebracht naar een gevangenis in Moabit. Op 22 mei april vond het proces plaats bij het 'Volksgerichthof', de aanklacht luidde 'Wehrkraftzersetzung' en 'Feindbegünstigung'. Hij werd schuldig bevonden, genade werd afgewezen en op 26 juni 1944 werd hij ter dood gebracht door middel van de guillotine. Pas in 1997 werd dit verhaal bekend. Twee jaar later werd er dichtbij de locatie van het Tirpitz Lager een monument voor Hoekstra opgericht als herinnering aan hem en het lot van de Nederlandse arbeiders. Ik was één van de sprekers. Ook in andere opzichten werd er geen verschil gemaakt tussen de dwangarbeiders en Duitsers zelf: de geallieerde bommen maakten geen onderscheid. Bremen was een belangrijke stad voor de Kriegsmarine. Niet zozeer vanwege haar haven, want daar vonden op dat gebied niet veel noemenswaardige activiteiten plaats, maar wel op het gebied van de scheepsbouw. Er bevonden zich meerdere werven, zoals de Bremer Vulkan waar o.a.74 U-Boten en het vrachtmotorschip Goldenfels, de latere Hilfskreuzer Atlantis gebouwd werden. De werf werd in 1997 stilgelegd. Een andere bekende werf is Fr. Lürssen, waar 'Schnellboote' gebouwd werden. De werf is nog steeds actief.

    AG Weser waar Ruijter werkte was één van de negentien werven waar 'U-Boten' gebouwd werden, in totaal zelfs ruim 7% van alle in dienst gestelde 'U-Boten'; 162 van de 1153. Alleen de Blohm & Voss werf te Hamburg produceerde er meer, namelijk 224.

    Molch: één van de 393 bij A.G.Weser gebouwde dwergduikbootjes. Een niet zo succesvol wapen uit het arsenaal van het K-Verband. Dit exemplaar is te vinden in het Nationaal Oorlogs,- en verzetsmuseum te Overloon. Bron: M.S.Laarman
    Vlakbij de werf zat meer belangrijke industrie, zoals de hoogovens van Norddeutschen Hütte en de raffinaderij van Vacuum öl AG. Andere bedrijven actief in de bouw van oorlogsmateriaal waren; Norddeutsche Waggonfabrik, waar Focke-Wulf vliegtuigen gebouwd werden, Hansa-Loyd AG (Borgward), voertuigen en torpedo’s, de Rolandwerft te Bremen-Hemelingen (Schnellboote, Räumboote, Beiboote, FLB, Pionierlandungsboote). Tegenover Bremen ligt de plaats Lemwerder, waar Abeking & Rasmussen actief was bij onder andere de bouw van 'Räumboote'.

    Eén van de minimaal 135 in Bremen gebouwde Luftschutzbunkers aan de Scharmbeckerstraße. Bron: Cees Ruijter
    Tesamen met de infrastructuur voor deze industrie, zoals rangeerterreinen, wegen en havens waren er dus genoeg doelen die een intensieve bombardementscampagne rechtvaardigden. En dat gebeurde dus ook; tussen 18 mei 1940 en 24 april 1945 werd de stad blootgesteld aan 173 aanvallen. De tellingen gaan er van uit dat er 41.629 explosieve bommen en 847.758 Brandbommen zijn afgeworpen, met tot gevolg dat circa 50 % van de bebouwing verwoest werd en 3852 personen omkwamen. Dat cijfer had echter veel hoger kunnen zijn als Bremen niet als 'Luftschutzort I. Ordnung' geclassificeerd zou zijn. Deze indeling in drie categorieën was gebaseerd op het te verwachten risico dat een bepaalde locatie liep, (aanwezige doelen, afstand tot Engeland). Praktisch hield dit in dat men verwachtte dat Bremen vaak gebombardeerd zou worden en dat veel aandacht was voor het opzetten en coördineren van hulpdiensten en de bouw van 'Luftschutzbunkers'. Bremen was toen ook al een grote stad, met eind 1940 441.800 inwoners.

    Blik op het verwoeste Bremen op een RAF foto, mei 1945, stadsdeel Findorff. Bron: RAF / Publiek domein

    Na vele bombardementen op de stad kwam eindelijk op 29 juli 1944, een zaterdag, rond 12:00 het lang verwachte grote bombardement op de werf. Ik was toen in bunker ‘suikerhoed’, die we zo noemde vanwege de spitse vorm. Er was veel vernield. Zondag was het verplicht opruimwerk. Bij deze aanval kwamen 160 mensen om in een bunker, in de havens werden de Torpedoboten T-2 en T-7, de in aanbouw zijnde Zerstörer Z-44 tot zinken gebracht, en minstens vier U-Boten ernstig beschadigd; U 872, U 873, U 890 en U 891 ernstig beschadigd.

    Vanaf augustus 1944 was er vaker luchtalarm en waren er meer bombardementen, later soms zelfs drie maal per etmaal. We mochten ook in de grote bunker aan het begin van de Schwarzer Weg schuilen. We moesten dan wel helpen kinderwagens,(behalve de babies volgepropt met allerlei hebben en houwen) tot de zevende verdieping naar boven te dragen. Ook de wat grotere babies moesten we sjouwen. Er zullen onder de huidige bevolking van Bremen best nog personen zijn die wij als baby naar boven hebben gedragen. Als de stroom uitviel en daarmee de luchtventilatie, moesten wij de handbediening van de filters overnemen. Het werd soms zo benauwd dat mensen flauwvielen of bij een bomaanval hysterisch werden. Op het laatst zagen we al dat werk en de sfeer niet meer zo zitten en schuilden we in het open veld voor de geallieerde bommen. Of dat ook de oorzaak was dat de twee bovengenoemde Nederlanders in oktober 1943 omkwamen bij een geallieerd bombardement is niet zeker. Er werd ook een kustmatige nevel gebruikt om de werf en de stad aan het zicht te onttrekken. Dat gebeurde door vaten met een zuur open te draaien. Voor dit klusje werden Russen gebruikt.

    Vanaf september 1944 mochten we na 20.00 niet meer weg, vanaf februari 1945 werd het regime nog strenger. Begin 1945 moesten we ’s nachts de Dreieckbrücke herstellen die gebombardeerd was.

    Definitielijst

    D-Day
    De dag dat de invasie van West-Europa plaatsvond op 6 juni 1944. Na een lange misleidingsoperatie vielen de geallieerden op vijf plaatsen op de Normandische kust de stranden binnen om zo hun opmars naar Nazi-Duitsland te beginnen. Hoewel D-Day vaak als Decision Day wordt gezien, is dit niet geheel correct. De D staat in dit geval gewoon voor Day, in het militaire jargon wordt namelijk gesproken van een operatie op Dag D, beginnend op Uur U.
    Kriegsmarine
    Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
    torpedo
    Oorlogswapen, met van een explosieve lading voorzien sigaarvormig lichaam met een voortstuwings- en besturingsmechanisme, bestemd om na lancering via het water zijn weg te zoeken naar vijandelijke schepen en deze door een onderwaterexplosie uit te schakelen.
    U-Boot
    Duitse benaming voor onderzeeboot. Duitse U(ntersee)-boten hebben tot in mei 1943 een belangrijke rol gespeeld in de oorlogvoering. Ook veel vracht- en passagiersboten werden door deze sluipmoordenaars van de zee getorpedeerd en tot zinken gebracht.

    Luchtaanvallen

    In 1943 waren er veel luchtaanvallen op Bremen. Als de stad vooralarm gaf werd er op de werf gewoon doorgewerkt, kwam er alarm vanuit de stad, werd op de werf vooralarm gegeven. Als er dan eenmaal op de werf alarm werd gegeven was het vaak al rijkelijk te laat. De hellingwerkers waren vaak wel zo wijs om bij stadsalarm van de helling af te gaan. In het begin waren er simpele bunkers, later werden door Müller Bau een paar grotere van beton gebouwd; een suikerhoed en een rechthoekhochbunker. Er was ook vaak luchtalarm zonder dat er iets gebeurde, dus soms bleven we gewoon in het Lager. Maar opeens was het dan ernst en gingen we toch als een speer naar de bunker. Bij het signaal ‘Angriff steht unmittelbar vor’ waren de deuren echter dicht en stonden we in de open lucht. Dat was heel angstig. De werf was in 1943 echter nog redelijk ongeschonden, maar de stad was al danig gehavend. Op 8 oktober was er weer een bombardement waarbij een dok werd getroffen. Ook twee Nederlanders sneuvelden, Joop de Werker en Jan Nieuwenhuizen, beide uit Den Helder. De neef van Joop werkte ook op de werf en moest later in het lijkenhuisje aan de Schwarzerweg zijn neef identificeren. Op 14 oktober 1943 zijn ze in aanwezigheid van een aantal kameraden, met toestemming van de Werftleitung, begraven op het Osterholzerfriedhof. Na de oorlog zijn ze door bemiddeling van de Oorlogsgravenstichting in Nederland herbegraven.


    Nederlandse en Duitse kransen bij de graven van de op 14 oktober 1943 omgekomen Nederlanders. Bron: Cees Ruijter

    Na vele bombardementen op de stad kwam eindelijk op 29 juli 1944, een zaterdag, rond 12:00 het lang verwachte grote bombardement op de werf. Ik was toen in bunker ‘suikerhoed’, die we zo noemde vanwege de spitse vorm. Er was veel vernield. Zondag was het verplicht opruimwerk. Bij deze aanval kwamen 160 mensen om in een bunker, in de havens werden de Torpedoboten T-2 en T-7, de in aanbouw zijnde 'Zerstörer' Z-44 tot zinken gebracht, en minstens vier 'U-Boten' ernstig beschadigd; U 872, U 873, U 890 en U 891 ernstig beschadigd.

    Het einde

    Enkele dagen voor de capitulatie van Bremen, vrijdag 20 april 1945, werden er pamfletten boven de stad afgeschoten. Daarin werd gesommeerd dat de stad zich moest overgeven, zo niet zou er een extra zwaar bombardement volgen. Wij voelden daar niet veel voor, dus hadden besloten met circa 800 man uit het Tirpitz Lager te vertrekken uit Bremen. Enkele jongens op de werf zouden twee sleepboten gereedmaken en twee rijnaken charteren. We waren veel te zwaar beladen met onze koffers, dus veel spullen moesten we noodgedwongen weggooien. Uiteindelijk hadden we niets meer dan onze kleding, een paar lagen over elkaar, een paardendeken en wat voedsel. Uiteindelijk voerden we ‘s morgens vroeg de Weser op, in noordelijke richting. Zodra het licht werd verschenen er geallieerde jagers die ons beschoten. We hebben met jassen en zakdoeken gezwaaid, gelukkig vlogen ze verder. We zijn bij Brake, 35 km noordelijk van Bremen aan land gegaan. Niemand had een landkaart of kompas bij zich, richtingsborden waren er niet, dus de enige oriëntatie was de zon. Op naar het westen, naar Holland! We liepen via een provinciale weg richting Oldenburg.

    Na twee dagen kregen we het advies van een soort Duitse burgerwacht, de 'Volkssturm', om niet verder te gaan, want we liepen regelrecht het frontgebied in. We raakten wel enigszins in paniek, voor ons vocht het Poolse leger tegen de Duitsers, achter de Engelsen. De grote groep splitste zich op in vele kleine groepjes, ik was met een groepje van zes. Na veel gevraag onderweg mochten we in een koeiestal slapen. Met zes man was het geen ideaal reisgezelschap, dus splitsten we ons op in drie groepjes van twee.

    Na een paar dagen, rond 24 april, kwamen we aan in Nord Georgsfehn, waar we onderdak vonden bij een klein boertje. Mijn maatje, Jan van Huizen, kwam bij de buurman terecht, ook een boertje. Mogelijk was de gastvrijheid niet geheel onbaatzuchtig, de Duitsers hadden graag een jonge vent in huis met het oog op de vele Russen die daar dwangarbeid verrichten en ze vreesden een soort bijltjesdag. Veel opties ergens heen te gaan waren er ook niet, het was frontgebied. We waren vlak bij Remels, een echt ouderwets veenkoloniaal gebied! Daar kregen we goed te eten, er was melk en roggebrood. De melk van de paar koeien werd niet opgehaald, maar afgeroomd en gekarnd (om boter, kaas en karnemelk te maken). We kregen pap van room en dik boter op het brood. Als tegenprestatie moest ik turf steken op de akker. Bij de buurman heb ik nog een kalf geslacht, en als beloning de lever gekregen. De boerin heeft een deel gebakken en de rest gekookt. In geen jaren zo lekker gegeten!

    Op zaterdag 5 mei hoorden we van de overgave en zagen we witte lakens bij de huizen langs de vaart. Het was echt waar! De dag erna heb ik een fiets gehad (gejat), en op maandagmorgen zijn we daarmee vertrokken richting Leer. Zo reisden we richting de grens. Onderweg kwamen we veel Engelse legervoertuigen tegen. Vaak stond er bij bruggen een bord ‘dangerous’, men dacht dat er mijnen lagen. Die werden dan door een tank met voorop draaiende kogels aan kettingen onschadelijk gemaakt (mineflail)


    Sherman crab mineflail tank. Bron: Wikimedia

    Tegen de middag kwamen we bij de grens. In het niemandsland tussen de Eems en Nieuwe Schans, Groningen. Bij een brug stonden militairen van de Prinses Irene brigade en Hollanders in een blauwe overall en met een oranje armband. We werden gecontroleerd in het veel grotere en mooiere Duitse douanekantoor, het Hollandse was maar een simpel gebouwtje. We werden ontluisd en met DDT bespoten. Ook kregen we een DP-card, wat stond voor 'Displaced Person'. Deze werd door de Geallieerden uitgereikt aan ontheemden, dat wil zeggen iedereen die zich buiten zijn of haar landsgrenzen bevond. De fiets moest worden afgegeven, vermoedelijk door burgers ingepikt! Ook werd mijn geld, 175 Reichsmark, ingenomen. Wel kreeg ik een reçu hiervan, waarmee ik uiteindelijk weer geld teruggestort kreeg op mijn bankrekening, met een koers van fl.0,75 tegen 1 RM. We zijn lopend naar het treinstation van Nieuwe Schans gegaan, waar we overnacht hebben in een loods van Van Gend en Loos, op het stro.

    De volgende dag zijn we per vrachtauto naar Groningen gebracht. Daar werden we in het harmoniegebouw in de Jatstraat weer ondervraagd. Waar kom je vandaan, geboorteplaats, ect. Dat was allemaal in orde, waarna we lopend naar het Algemeen Provinciaal, Stads- en Academisch Ziekenhuis op de Petrus Campersingel moesten voor een medisch onderzoek. Erna verbleven we in het stedelijk gymnasium. Slapen deden we op stro in de gang, met een oude moffendeken. Ik was het na een paar dagen zat, matig eten, geen geld en door het lawaai weinig slaap. Ik wilde weg en probeerde mijn geluk. Het eerste adres waar ik aanbelde was bij de familie Meles op de Turfstraat. De dochter van 15 deed open en samen met haar moeder hoorde ze me aan. Het antwoord was: kom vanavond maar terug als mijn man er is, die moet beslissen. Het bleek akkoord bevonden en die avond heb ik mijn spullen uit het gymnasium gehaald en bij de familie op de divan geslapen. Meles was chef van het openbaar vervoer in Groningen. Enkele dagen later vond ik bij een slagerij in de A-Kerkstraat werk. Ik was er ‘s morgens geweest en moest tussen de middag terugkomen, want dan was de baas er. Toen ik terugkwam mocht ik meteen mee-eten en kon om één uur beginnen. Om vijf uur kreeg ik een rijksdaalder voorschot. Eindelijk had ik weer geld op zak, zonder dat kun je niet veel.

    Op 13 juni zou er een auto met aardappelen naar Amsterdam gaan. Daarmee ben ik meegelift, boven op zakken en half onder het dekzeil. Via Deventer, Apeldoorn en Amersfoort zijn we naar Amsterdam gereden, want de brug bij Zwolle was opgeblazen. Ik ben meegereden tot de Haarlemmerpoort en vanaf daar gaan lopen naar de Hembrug. Onderweg ben ik weer gaan liften en kon meerijden met een militaire auto, achter op de cabine op het reservewiel, met de benen wijd en mijn koffer op de dak van de cabine. In Alkmaar ben ik bij de Singel afgestapt, de auto reed door naar Den Helder. Toevallig kwam ik een bekende Bergenaar tegen op zijn fiets, en mocht achterop meerijden. Om 19.30 was ik terug op de Oosterweg nummer 1, eindelijk weer thuis!

    Definitielijst

    capitulatie
    Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.
    Geallieerden
    Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.

    Na de oorlog

    In 1953 ben ik voor het eerst weer eens gaan kijken in Bremen, op de motor. Het Tirpitzblock was toen bij de Amerikanen in gebruik, die, eenmaal uitgelegd wat ik kwam doen, heel vriendelijk waren en alles lieten zien. In 1959 ging ik weer, maar toen was het een Duitse kazerne en mochten we niet naar binnen.

    Vanaf 1989 werd er regelmatig een reünie gehouden van de A.G.Weser dwangarbeiders. De eerste keer waren er circa 100 deelnemers, een kleiner comité is ook enkele malen naar Bremen teruggeweest om de locatie opnieuw te bezoeken. De ontvangst was warm, gesteund door verschillende groeperingen en het stadsbestuur en met veel aandacht van de media. We werden op het stadhuis ontvangen en hebben de begraafplaats bezocht. Het is overigens moeilijk geworden tegenwoordig iets van de werf terug te vinden. Nadat de werf eind 1983 haar poorten sloot en de machines en kranen verkocht werden zijn ook de meeste hallen en gebouwen gesloopt. Meest kenmerkende stille getuigen zijn de twee overgebleven kantoorpanden en de restanten van de U-Bootfabricagebunker Hornisse.


    De laatste twee overgebleven panden van een gigantisch complex; kantoorgebouwen van de AG Weser. Bron: Wikimedia Commons (CC BY-SA 3.0)

    In 1988 is de vereniging ex-dwangarbeiders opgericht. In 1999 is deze weer opgeheven, en werden onze belangen vertegenwoordigd door de SBO, Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen. Deze ijverde voor hulp en financiele tegemoetkoming voor de getroffen burgerslachtoffers. Ze zijn daarin ook geslaagd, de zogenaamde Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. In 2001 is de SBO opgegaan in Stichting 1940-1945. We komen nog regelmatig bij elkaar met een groepje ex-dwangarbeiders, maar dat groepje wordt natuurlijk wel steeds kleiner.