De Ongepantserde kruisers van de Atjeh-klasse waren gebaseerd op een maritiem concept dat eigenlijk al verouderd was toen de schepen in dienst genomen werden. De schepen waren gebouwd als ongepantserde kruisers met een combinatie van zeil- en stoommachineaandrijving. De meeste andere landen waren al aan het overstappen op gepantserde schepen en stoomaandrijving als primaire vorm. Van de acht geplande schepen werden uiteindelijk zes schepen afgebouwd die tot het begin van de 20e eeuw operationeel dienst deden, voornamelijk in Nederlands-Indië. Twee schepen deden nog tot aan de Tweede Wereldoorlog dienst als accommodatieschip.
Zr. Ms. Atjeh (1876) Hr. Ms. Atjeh (1876) |
3 maart 1875: kiellegging 6 november 1876: tewaterlating 1 november 1877: aflevering 1921: buiten dienst en sloop |
Zr. Ms. Tromp (1877) Hr. Ms. Tromp (1877) |
23 augustus 1875: kiellegging december 1877: tewaterlating 1 september 1882: aflevering 1904: verkocht voor sloop |
Zr. Ms. De Ruyter (1879) Zr. Ms. Koningin Emma der Nederlanden (1879) Hr. Ms. Koningin Emma der Nederlanden (1879) |
november 1876: kiellegging 20 februari 1879: tewaterlating 1 december 1880: aflevering april 1943: sloop |
Zr. Ms. De Ruyter (1880) Hr. Ms. De Ruyter (1880) |
7 januari 1879: kiellegging 22 september 1880: tewaterlating 1 augustus 1885: aflevering 7 juni 1900: sloop |
Zr. Ms. Van Speyk (1882) Hr. Ms. Van Speyk (1882) |
9 februari 1880: kiellegging 7 juni 1882: tewaterlating 1 maart 1887: aflevering 1946: sloop |
Zr. Ms. Kortenaer (1881) Zr. Ms. Doggersbank (1881) |
1881: kiellegging 5 augustus 1881: vernield door brand |
Zr. Ms. Kortenaer (1882) |
november 1882: kiellegging 20 juni 1883: vernield door brand |
Zr. Ms. Johan Willem Friso (1886) Hr. Ms. Johan Willem Friso (1886) |
22 oktober 1883: kiellegging 10 juni 1886: tewaterlating 1 februari 1888: aflevering 1899: sloop |
De ongepantserde kruisers van de Atjeh-klasse, werden bij de Koninklijke Marine aangeduid als Schroefstoomschepen 1e Klasse en vanaf 1893 als Fregat. Volgens internationale classificaties vielen de schepen in deze klasse onder de 'Unprotected Cruisers' oftewel ongepantserde kruisers. De schepen in deze Atjeh-klasse werden eind jaren 1870 besteld ter vervanging van de verouderende schepen van de Djambi-klasse (1860) en Zilveren Kruis-klasse (1869) korvetten en waren bedoeld voor dienst in Nederlands-Indië. De belangrijkste taak van deze schepen was het beschermen van de koloniale- en handelsbelangen aldaar.[1]
De schepen werden allen gebouwd aan de Rijkswerf te Amsterdam. Ze waren uitgerust met zowel zeilen als een stoommachine. De stoommachine dreef één schroef aan maar dit concept was eigenlijk bij de bouw al verouderd. Aanvankelijk werd een ontwerp gekozen voor een schip met een bemanning van 200 manschappen en bewapend met één centraal geplaatst stuk 23 cm Armstrong RML, twee stuks 18 cm Armstrong RML, één voor en één achter en vier stuks zijwaarts gerichte 12 cm kanons. De kruissnelheid zou 11 knopen (20 km/u) met een lengte van 72 meter bij een breedte van 11,32 meter. Bij een waterverplaatsing van 2.345 ton (2.308 lt) zou een diepgang van 5,66 meter worden bereikt. Het ontwerp bleek echter ongeschikt voor de toepassing van de gewenste aandrijving. De machinerie zou dusdanig hoog in het schip komen te liggen dat het hierdoor kwetsbaar werd bij zeegevechten. Hierdoor werd het ontwerp aangepast. Door deze aanpassingen werd het schip aanzienlijk groter. Op 18 december 1874 werd het nieuwe ontwerp goedgekeurd en kreeg het ontwerp een lengte van 93 meter.[2][3][4]
De Atjeh-klasse kan worden opgedeeld in twee tot drie subklassen. De eerste drie schepen (Atjeh, Tromp en Koningin Emma der Nederlanden) waren vanwege de toepassing van standaard stoommachines, afwijkend van de rest van de klasse. De overige drie schepen kregen compound-stoommachines. Deze tweede groep werd hierdoor iets groter en kreeg een iets hogere waterverplaatsing. De tweede groep zou aanvankelijk bestaan uit vier schepen (De Ruyter, Van Speyk, Doggersbank en Kortenaer). De laatste twee schepen uit deze groep, werden echter ernstig beschadigd tijdens een brand op de scheepswerf. Met de machinerie van de Doggersbank en het achtersteven van de Kortenaer werd vervolgens de Johan Willem Friso opgebouwd.[5]
Volgens het ontwerp hadden de schepen een lengte van 92 meter, een breedte van 12,50 meter en een maximale diepgang van 5,65 tot 6,10 meter. De standaard waterverplaatsing was vastgesteld op 3.180 ton. Vanwege de toepassing van verschillende aandrijving en bewapening tijdens de bouw, varieerde de lengte van 91,85 meter bij de eerste drie schepen en 92,10 meter bij de rest. De eerste drie schepen kregen een breedte van 12,50 meter en de laatsten van 13,10 meter. De uiteindelijke diepgang varieerde op basis van de toegepaste bewapening tussen 6,30 meter en 7 meter, bij een waterverplaatsing variërend van 3.160 ton bij de bouw tot tussen de 3.480 ton en 3.598 ton in 1893. Ook de hoeveelheid brandstof die kon worden meegevoerd verschilde per schip, waardoor ook het maximale bereik kon variëren. De schepen kregen een gevarieerde constructie van ijzer, overtrokken met hout en zink. Bij de Koningin Emma der Nederlanden werd meer staal toegepast. Bij de Johan Willem Friso werd echter in plaats van zink gebruik gemaakt van koper.[6][7][8]
De eerste drie schepen ontvingen zuigerstoommachines geproduceerd door verschillende bedrijven op basis van een ontwerp door Koninklijke Fabriek van Stoom- en andere Werktuigen en Fijenoord. De aandrijving vond plaats middels twee cilinders en vier boilers verzorgden de stoom. Met een totaal aan 3.300 ihp kon een snelheid van 14 knopen (26 km/u) worden gegenereerd. De laatste schepen ontvingen compound-stoommachines. Werd bij de bouw van de schepen verschillende constructies en aandrijving toegepast, bij de bewapening was de variatie nog groter. Het eerste schip werd tijdens de bouw nog uitgerust met een centraal geplaatst 23 cm RML kanon, vier 15 cm Krupp kanons (twee op het voorschip en twee op het achterschip) en een aantal stukken 12 cm zijwaarts aangebracht. In 1875 werden echter alle 12, 15 en 23 cm stukken vervangen door zes stuks 17 cm Krupp kanons. De Tromp volgde de wijzigingen van de Atjeh. Hiermee kregen de schepen zes stuks 17 cm Krupp kanons, één bij de boeg en één bij het achtersteven, vurend door grote schietgaten, en vier centraal geplaatst, vurend naar de zijkant. Als secondaire bewapening werden later nog eens vier stuks 12 cm kanons geplaatst. Het vierde schip, De Ruyter zou echter volgens plan acht stuks 12 cm kanons ontvangen.[9][10][11][12]
Alle schepen werden tussen 1877 en 1888 afgeleverd door de Rijkswerf te Amsterdam. Twee schepen gingen door brand op de scheepswerf verloren en drie schepen werden tussen 1899 en 1904 gesloopt. Vanwege de snelle ontwikkelingen op maritiem gebied waren de schepen rond 1890 alweer verouderd geraakt. Drie schepen werden in hun nadagen nog verbouwd tot accommodatieschip, waarvan de Koningin Emma Der Nederlanden en de Van Speyk nog tot tijdens de Tweede Wereldoorlog dienst deden.[13]
Klasse: | Atjeh-klasse |
Aantal in klasse: |
8 |
Land: |
Nederland |
Type: |
Ongepantserde Kruisers |
Waterverplaatsing: |
3.160 ton (3.110 long tons)
(bouw) 3.480 ton (3.430 long tons) - 3.598 ton (3.541 long tons) (1893) |
Lengte: |
91,85 - 92,10 meter |
Breedte: |
12,50 - 13,10 meter |
Diepgang: |
6,30 - 7,00 meter |
Aandrijving: |
Zuigerstoommachine 2.500 kW (3.300 ihp) Compound stoommachine 2.200 kW (3.000 ihp) 4 boilers 1 schacht |
Snelheid: |
14 knopen (26 km/u) |
Bereik: |
? km bij ? knopen (? km/u) |
Bewapening: |
6x1 170mm A No. 1 8x1 120mm K.A. No. 1 |
Bemanning: |
225 |