TracesOfWar heeft uw hulp nodig! Elke euro die u bijdraagt steunt enorm in het voortbestaan van deze website. Ga naar stiwot.nl en doneer!

De Andere Bezetting

Titel:De Andere Bezetting - Nederlands-Indië 1942-1945
Schrijver:Janssen, B.
Uitgever:Het Nachtkastje
Uitgebracht:2021
Pagina's:456
ISBN:9789082830620
Omschrijving:

In het lijvige boek ‘De andere bezetting. Nederlands-Indië 1942-1945’ doet Benedict Janssen deskundig verslag in heldere taal en in groot detail over de voorgeschiedenis van de invasie door Japan van het Nederlandse koloniale rijk in het Verre Oosten en de daaropvolgende bezetting en over het uitroepen van de Indonesische republiek. Er wordt niet ingegaan op de gebeurtenissen erna, ook nu nog vaak in Nederland de eerste en tweede politionele acties genoemd. De auteur belooft een volgend boek waarin het militaire aspect van de Japanse invasie van Indonesië centraal zal staan.

In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog in toenmalig Nederlands-Indië en tijdens de Japanse bezetting wordt duidelijk dat er al geruime tijd nationalistische gedachten en stromingen bestonden die zelfbestuur ambieerden. In 1928 werd door Soekarno c.s de politieke partij PNI opgericht (Partai Nasional Indonesia, eerder Persiakatan Nasional Indonesia, ofwel Indonesisch Nationaal Verbond). Het standpunt was dat er gestreefd moest worden naar één Indonesië, één vaderland met één taal, het Indonesische Maleis. Ze hesen de rood witte vlag en zongen het volkslied Indonesia Raya (Groot Indonesië).

Zoals beschreven wordt, was Japan zelf een Aziatische koloniale macht geworden met koloniën in Formosa (1895), Korea (1905) en, na de Eerste Wereldoorlog, de voormalige Duitse koloniën (1918) in de Pacific. Het keizerrijk had zijn oog laten vallen op de Indonesische archipel, rijk aan olie, bauxiet en rubber. De Indonesische nationalisten waren ervan overtuigd dat deze ‘Aziatische broederstaat’ op het oorlogspad hun zou kunnen bijstaan op de weg naar onafhankelijkheid van de Nederlandse kolonisator. Na de smadelijke nederlaag van de Nederlandse capitulatie op 9 maart 1942 werd de Japanse overwinnaar met de vlaggen van de rijzende zon verwelkomd. Dat de Japanse bezettingsmacht de nationalisten eerst aan het lijntje hield en daarna steeds harder optrad, alle westerse invloeden grondig uitroeide dan wel verbood, droeg bij aan de denkbeelden van de Indonesische politici in spe dat deze weg naar een bevrijding binnen een Groot Aziatisch Rijk zou voeren. Leidende topfiguren als Hatta en Soekarno werden uitgenodigd Tokio te bezoeken en ontvingen op audiëntie bij de Japanse Keizer een hoge onderscheiding.

In het boek wordt uiteen gezet dat de bezetters, bestaande uit het 16de Leger op Java en Sumatra en de Keizerlijke Marine op de overige eilanden, een waar schrikbewind gingen voeren. Daarin bijgestaan op Java door zo’n 20.000 Japanse ambtenaren die bestuurs- en directiefuncties bekleedden. Al vroeg tijdens de bezetting werden er hulpsoldaten geworven onder de groep van inheemse KNIL-soldaten, zogenaamde ‘heiho’s’, waar zo’n 15.000 man zich voor opgaven. (Later veelvuldig ingezet voor kampbewaking.) De legertop zetelde in het in december 1942 omgedoopte Djakarta en stuurde de krijgsgevangenen naar concentratiekampen en/of gevangenissen en de westerse burgers naar interneringskampen. De krijgsgevangenen werden tot dwangarbeid verplicht en werden verspreid over de veroverde gebieden, van Sumatra tot in China en van Japan tot in Birma. Japan had weliswaar de Conventie van Genève ondertekend, maar de legerleiding, die een grote invloed had in het parlement, wenste zich daar niets aan gelegen te laten liggen. Het wrede optreden tegen de krijgsgevangenen veroorzaakte onnoemelijk lijden en velen lieten daarbij door ziekte, uitputting en marteling het leven. In 1944 telde het aantal krijgsgevangenen circa 144.000 man. Het boek verschaft zeer gedetailleerde informatie over de plaatsen waar de militaire gevangenen tewerkgesteld werden en in welke aantallen en nationaliteiten (Britten, Nederlanders, Australiërs en Amerikanen). Later werden daar ook lokale ‘werksoldaten’, oftewel Romusha’s, voor geronseld.

Er wordt ruime aandacht besteed aan de geïnterneerden die, geselecteerd op afkomst, op Java in eerste instantie gevangen gehouden werden in zo’n 350 kampen waar oorspronkelijk een Japanse burgerambtenaar verantwoordelijk voor was. Dit gezag werd eind 1943 overgedragen aan het militaire regime. Omdat dit boek expliciet in gaat op het schier onmetelijke leed van de Tweede Wereldoorlog in het Verre Oosten, kan er niet ontkomen worden aan vergelijkende cijfers voor de aantallen slachtoffers van de oorlog in het Westen. Daarbij wordt duidelijk rekening gehouden met de verschillende oorzaken als de genocide van de Holocaust en die welke met verzet, gevangenschap, dwangarbeid en krijgsgevangenschap van doen hebben.

De auteur vermeldt vervolgens: "De omstandigheden in de kampen konden enorm van elkaar verschillen. In één kamp was het sterfte percentage 1,5%, in een ander kamp 44%. Iedere (voormalig) geïnterneerde bekijkt zijn of haar kamptijd vanuit zijn (haar) eigen werkelijkheid, met een eigen waarheid. Het maakt dat het geven van een beschrijving van de ‘Japanse burgerkampen in Indië’ nooit meer dan een relaas kan zijn. Zo ook hier." Van belang is nog, dat menig geïnterneerde zijn (of haar) eigen interneringstijd als referentie gebruikt voor hoe het eraan toe ging in ‘het kamp’. Om de moeilijkheid (onmogelijkheid) van het vergelijken van leed met leed kan een aanhaling dienen uit het proefschrift van Dr. Van Velden die zelf in het kamp Tjideng heeft gezeten:

"Iedereen beschouwt zijn eigen kamp als ’normaal’, als ‘het’ kamp. Hij is verbaasd en soms zelfs geërgerd, als hij hoort, dat het elders anders toeging; hij is ongeneeslijk bevooroordeeld tegenover alle andere kampen. Hij kan het slecht verdragen, dat een ander kamp ‘erger’ was, als hij uit een erkend slecht kamp komt… Een ex-geïnterneerde spreekt ook nooit van het interneringskamp in het algemeen, maar over Tjideng, Baros, Bangkinang. Het kamp heeft voor hem of haar een eigennaam, is iets heel concreets, is niet verwisselbaar."

In datzelfde proefschrift als hierboven aangehaald, wordt betoogd, dat ook de vergelijkingen tussen de ervaringen van voormalige gevangenen van Duitse concentratiekampen nooit tot conclusies leiden over de ondraaglijkheid van het ene regime vergeleken met het andere.

Het boek behandelt uitgebreid dat de bezetter grote moeite had met het vaststellen van de categorie inwoners die onder de naam Indo-Europeaan geschaard werd. Bij het uitbreken van de oorlog werd het aantal Indo’s op 175.000 geschat. Daarvan werden er 28.000 geïnterneerd als militair en 20.000 als burger waardoor er circa 125.000 ‘buitenkampers’ waren. Deze werden door de Japanners als lid van de Aziatische samenleving gezien. De Indonesiërs beschouwden hen als Nederlanders en als zodanig werden ze vijandig behandeld. Men had immers genoeg van het koloniale bestel. Als gevolg leefden deze mensen in een geïsoleerde sfeer die vaak tot vrees voor de buitenwereld leidde. Er zijn zelfs gevallen bekend waar moeders met dochters zich bij een interneringskamp meldden om maar in een beschermde omgeving te kunnen zijn.

Het boek geeft aan dat de geambieerde en voorgespiegelde zelfstandigheid van bestuur op Java aanleiding was voor een gesprek met de Japanse kolonel Nakajama in maart 1942. Daarbij werd een Indonesische regering voorgesteld waarmee de Japanner geen raad wist: als hij dat zelfbestuur weigerde, zou de hoge delegatie ernstig gezichtsverlies leiden. Dus zweeg hij en de nationalisten zagen dat als instemming. Enige tijd later werd er echter een streng verbod uitgevaardigd op alle politieke activiteiten. Ook werd Indonesia Raya verboden evenals het voeren van de rood-wit gestreepte vlag. Dit geeft aan welke misverstanden konden ontstaan door de culturele verschillen tussen partijen, dus ook tussen Aziatische ‘bloedbroeders’ onderling. De auteur benadrukt hoe sterk de culturele verschillen waren tussen de gedetineerden en hun bezetters. Het vrijwel complete gebrek aan kennis van hun wederzijdse gewoonten uitte zich in diepe minachting voor de overwonnenen en onbegrip voor half begrepen orders en opdrachten.

De auteur wijst erop dat de Japanse kolonisator in 1943 onafhankelijkheid verleende aan Nanking-China, Birma en de Filipijnen. Maar niet aan Maleisië en Indonesië. Toch was er in Tokio het besef dat op een gegeven moment de onafhankelijkheid van Java misschien wel opportuun zou worden. Met de verovering van Saipan door de VS in juli 1944 kwam Japan binnen bereik van de B-29 bommenwerpers hetgeen een schok teweeg bracht in het keizerrijk die premier Tojo deed aftreden. Hiermee werd Indonesië nog belangrijker in de verdedigingsgordel van Japan. Daarom werd er gezocht naar een aanvulling voor het tekort aan Japanse bezettingsmilitairen in de vorm van een volksguerrilla en daarvoor zochten ze de steun van Soekarno. Die verklaarde: "Heel het eiland Java moet tot een voor alle mogendheden onneembare vesting worden, want we willen niet nog eens aan imperialisme onderworpen worden." Door een dergelijke oproep verkreeg hij nog meer vertrouwen van de bezetter die door hem gezien werd als hét middel om te voorkomen dat het koloniaal gezag hersteld zou worden. Hij had er vast vertrouwen in, dat Japan niet verslagen zou kunnen worden.

In de chaotische toestanden na de twee atoombommen op Japanse steden wilde een groot aantal studenten dat Soekarno, die hét gezicht van een onafhankelijk Indonesië was, zonder Japanse inmenging de zelfstandigheid zou proclameren. Soekarno zelf was een sterke voorstander om dat samen met de Japanners te doen. Op 17 augustus 1945 onderhandelden Soekarno en Hatta met de Japanners over een verklaring die ze beiden ondertekenden en die luidde als volgt: "Wij, het volk van Indonesië, proclameren hierbij de onafhankelijkheid van Indonesië. Aangelegenheden met betrekking tot het bestuur zullen op ordentelijke wijze en zo snel mogelijk worden geregeld."

De auteur beschrijft verder in detail hoe de verschillende partijen trachtten met elkaar een ordelijk herstel van de vooroorlogse betrekkingen te bewerken, maar ook hoe sterk de pemoedabeweging vanaf de capitulatie van Japan is onderschat, zowel door de ex-geïnterneerden als door de teruggekeerde Nederlandse gezagsdragers. De pemoeda’s waren jonge, strijdbare en radicale nationalisten, grotendeels militair getraind door en in het Japanse bezettingsleger. Het repatriëren van de vele geïnterneerden en Oranjegetrouwen heeft veel tijd in beslag genomen en heeft alles te maken met de voorrang die werd gegeven aan Britse en Australische krijgsgevangenen. Zoals bekend, was de ontvangst van de ex-KNIL militairen, burgers en ambtenaren in het op de wederopbouw gefocuste vaderland meer dan kil. Niemand had begrip voor andermans leed. (Vergelijkbaar met de terugkeer van bevrijde gevangenen uit de concentratiekampen of de ‘ontvangst’ van de overlevenden van de Holocaust.)

In een nawoord geeft de auteur commentaar op de door de samenleving weinig bekritiseerde collaboratie van o.a. de nationalistische leiders Soekarno en Hatta. Over de vraag die in de media gesteld wordt over de mogelijke herwaardering van deze nationalisten wordt zeer verschillend gedacht (Groene Amsterdammer, augustus 2020). Dat Soekarno en Hatta zeer hoge onderscheidingen hebben ontvangen van de Japanse Keizer zal voor velen een te hoge drempel vormen om in hen vrijheidsstrijders te zien. Desalniettemin heeft Rotterdam een Hattasingel gekregen en heeft de Erasmus Universiteit een campusgebouw naar hem vernoemd. Benedict Janssen stelt de vraag of de Erasmus Universiteit niet een andere alumnus had kunnen uitkiezen voor die eer.

Het boek is uitstekend leesbaar en een echte aanrader. Het heeft bij elk hoofdstuk een relevante zwart-wit foto en bevat duidelijke kaarten van Zuidoost-Azië, de Pacific, Nederlands-Indië en Java. Ook is het geïllustreerd met een twintigtal sepiakleurige tekeningen die betrekking hebben op het kampleven en tevens getuigen van de schaarste aan papier en tekenmateriaal. Wel is het sterk aan te bevelen om alle voetnoten, en dat zijn er heel wat, goed te lezen aangezien die zeer veel cruciale informatie geven en vaak aanhalingen uit dagboeken of andere officiële documenten bevatten. Tot slot zijn er nog 15 bladzijden met citaten uit dagboeknotities en andere oorspronkelijke bronnen, die daar zijn verzameld onder het volgende motto: "mogelijk zit niet elke lezer(es) te wachten op de gedetailleerde beschrijvingen van de martelingen in de hoofdtekst van het boek". Een uitgebreide literatuurlijst vormt samen met een personenregister het besluit.

Beoordeling: Uitstekend

Informatie

Artikel door:
Fred Bolle
Geplaatst op:
15-08-2021
Laatst gewijzigd:
16-08-2021
Feedback?
Stuur het in!

Afbeeldingen