Inleiding

    Bijna elke Nederlander is bekend met het Duitse bombardement op Rotterdam van mei 1940. Om de capitulatie af te dwingen van het Nederlandse leger, bombardeerden de Duitsers in de middag van 14 mei de stad Rotterdam, met als gevolg ongeveer 800 doden. Veel minder mensen zullen echter bekend zijn met het Amerikaanse luchtbombardement op Nijmegen van 22 februari 1944, hoewel er bij deze aanval net zo veel en mogelijk nog meer slachtoffers te betreuren waren.

    Het bombardement op Nijmegen heeft eigenlijk nooit de aandacht gekregen die het verdiende. Het is lange tijd ook onduidelijk geweest, hoe dit bombardement heeft kunnen plaatsvinden. De algemene stelling is dat het een vergissing was, maar er zijn ook nu nog steeds mensen die ervan overtuigd zijn dat het bombardement met opzet werd uitgevoerd. In dit artikel zal worden beschreven wat er allemaal misging op 22 februari 1944, waardoor Nijmegen gebombardeerd werd. Ook zal er worden ingegaan op de gevolgen van het bombardement.

    Definitielijst

    capitulatie
    Overeenkomst tussen strijdende partijen met betrekking tot de overgave van een land of leger.

    Afbeeldingen

    Duitse propaganda over het Amerikaanse bombardement op Nijmegen. Bron: Verzetsmuseum Amsterdam.

    Operatie Argument

    In november 1943 werd door de geallieerden het plan ontwikkeld om een grootschalig luchtoffensief uit te voeren tegen de Duitse luchtvaartindustrie. Alleen door de vernietiging van de Duitse Luftwaffe konden de geallieerden de alleenheerschappij in de lucht verkrijgen, die zij nodig hadden voor de invasie op het Europese vasteland. De operatie kreeg de codenaam "Argument". Het was de bedoeling dat gedurende een week, elke dag massale luchtbombardementen zouden worden uitgevoerd op belangrijke centra van de Duitse vliegtuigindustrie, zoals Gotha, Leipzig, Tutow en Posen (het huidige Poznan in Polen).

    Voor deze aanval zou gebruik worden gemaakt van alle Amerikaanse en Engelse luchtstrijdkrachten in Europa: de US 8th Air Force, gestationeerd in Engeland, de US 15th Air Force, gestationeerd in het Middellandse Zeegebied en het Bomber Command van de Britse Royal Air Force (RAF). De geallieerden bombardeerden "Around the clock". De Amerikanen overdag en de Britten Ďs nachts. Hierdoor zou de Duitsers geen moment rust worden gegund en zouden de herstelwerkzaamheden worden bemoeilijkt.

    Voor de uitvoering van deze operatie moest echter wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Allereerst moest de Amerikaanse luchtmacht in Europa nog worden versterkt met extra vliegtuigen. Ook was het offensief afhankelijk van het weer. Het beste was als de operatie zou kunnen worden uitgevoerd wanneer het weer boven de aanvalsdoelen helder was. Bovendien waren er strubbelingen in het geallieerde opperbevel. Zo kregen Lieutenant General Carl Andrew Spaatz (de bevelhebber van de 8th en de 15th US Air Force) en de geallieerde opperbevelhebber, Dwight Eisenhower, een conflict over de te volgen strategie. Dit kwam er op neer dat Spaatz vreesde dat Eisenhower nog voordat de totale luchtsuprematie was verkregen, de luchtmacht zou gaan gebruiken voor de voorbereiding van de geallieerde invasie.

    Op 19 februari 1944 waren de weersvoorspellingen eindelijk gunstig genoeg voor de start van operatie Argument. Big Week, zoals de operatie ook wel werd genoemd, begon in de nacht van 19 op 20 februari, met een grootschalige aanval door de RAF op Leipzig. De Britten leden hierbij overigens grote verliezen. 78 van de 734 vliegtuigen keerde niet terug.

    Het doel van operatie Argument op dinsdag 22 februari 1944 was de Gothaer Wagonfabrik AG, een belangrijke producent van de Messerschmitt BF 110, een Duitse nachtjager/jachtbommenwerper. De aanval zou worden uitgevoerd door de 2nd Bombardment Division, onder bevel van Major General James Hodges. De 2nd Bombardment Division was verdeeld in drie Combat Bombardment Wings (Combat Wing): de 2nd, de 14th en de 20th. De 20th Combat Wing bestond uit drie Bombardment Groups (Bomb Groups): de 93rd, 446th en de 448th.

    De 446th Bomb Group werd opgericht op 1 april 1943 en was uitgerust met de zware bommenwerper van het type Consolidated Army B-24, beter bekend als de "Liberator". Haar basis was Flixton Air Base in Bungay (Suffolk). Zij vloog haar eerste missie op 16 december 1943. De commandant was sinds 27 september 1943 Colonel Jacob J. Brogger. De commandant operaties was captain William A. Schmidt.

    Voor de 446th Bomb Group was de "Big Week" op zondag 20 februari 1944 begonnen met een aanval op Gotha. De Wagonfabrik werd gebombardeerd, maar of en zo ja hoe zwaar de fabriek beschadigd werd is niet bekend. Op 21 februari werd er een aanval uitgevoerd op het vliegveld van Handorf in Nedersaksen. De meeste bemanningsleden van de Bomb Group waren met niet meer dan vijf missies op hun naam nog vrij onervaren.

    Als de fabriek in Gotha op 22 februari om wat voor reden dan ook niet kon worden aangevallen, moest worden uitgeweken naar het vliegveld Eschwege in Hessen. Mochten beide doelen niet realiseerbaar blijken, dan moest de aanval gericht zijn op: "Any military objective in Germany, preferably airdromes."

    Definitielijst

    Bomber Command
    Onderdeel van de RAF dat zich met strategische en soms tactische bombardementen (zoals in NormandiŽ) bezighield.
    geallieerden
    Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, ItaliŽ en Japan gedurende WO 2.
    invasie
    Gewapende inval.
    Luftwaffe
    Duitse luchtmacht.
    offensief
    Aanval in kleinere of grote schaal.
    operatie Argument
    Grootschalige Geallieerde luchtaanvallen op Duitse industriecomplexen, van 20 t/m 25 februari 1944. Staat ook bekend als 'Big Week'.

    Afbeeldingen

    Zware bommenwerper van het type Consolidated Army B-24, beter bekend als de ďLiberatorĒ. Bron: U.S. Air Force.
    Embleem van de Amerikaanse 446th Bomb Group. Bron: http://www.aviationmuseum.net.

    De aanval

    Nadat de briefing was afgelopen, stegen de 37 vliegtuigen van de 446th Bomb Group, verdeeld in drie secties, op om ongeveer 09:20 uur. De vliegtuigen werden sterk gehinderd door het slechte weer; er hing een zeer dicht en een hoog wolkendek en mede door een lichte sneeuwstorm was het zicht beperkt tot soms maar 270 meter. Toen zij om ongeveer 12:00 uur de Nederlandse kust bereikten, werd het weer echter beter en het zicht helderder. De Amerikaanse formatie kreeg te maken met aanvallen van Duitse jagers en beschietingen door Duitse Flak (luchtafweergeschut). Dit vormde echter geen grote belemmering voor de 446th Bomb Group, te meer omdat de Duitse aanvallen zich voornamelijk richtten op de achterste vliegtuigen van de Combat Wing en de 446th vloog vooraan in de formatie.

    Ondertussen ontving Major General Hodges, de commandant van de 2nd Bombardment Division, echter onheilspellende berichten over de situatie die voor de Engelse kust was ontstaan. Door het slechte weer (het zeer dichte wolkendek en de sterke wind) waren vele vliegtuigen het contact met hun oorspronkelijke groep verloren; complete secties waren genoodzaakt om terug te keren. Hierdoor ontstond een onoverzichtelijke situatie. De formatie vliegtuigen werd uitgerekt, waardoor zij zeer kwetsbaar werd voor vijandelijke aanvallen. Major General Hodges besloot dat het onverantwoord was om de missie voort te zetten en gaf om 12:25 uur een recall, een signaal om de missie te beŽindigen.

    Vlieger Cole, de commandant van de tweede sectie van de 446th Bomb Group, ontving de recall en gaf deze door aan Captain William Schmidt, die als tweede vlieger in een van de vliegtuigen van de eerste sectie meevloog. Schmidt probeerde het bericht bevestigd te krijgen van het hoofdkwartier, maar dit lukte niet, omdat hij geen verbinding kon krijgen. Voor het uitvallen van de radioverbindingen zijn verschillende oorzaken aan te geven. Allereerst werd de radio-ontvangst gestoord door de sneeuwstormen, die boven Engeland plaatsvonden. Ook was in een van de vliegtuigen de zendsleutel van de radio-installatie vast komen te zitten, zodat dit vliegtuig continu bleef zenden, waardoor het verzenden van radioberichten van de andere toestellen bemoeilijkt werd. Ook werd bij de communicatie van de vliegtuigen met het hoofdkwartier mogelijk hinder ondervonden van "window" of "chaff": de aluminiumfoliestripjes die door de geallieerden werden uitgeworpen om de Duitse radar te storen.

    Toen Schmidt geen contact kon krijgen met het hoofdkwartier in Engeland, liet hij via de hoogfrequentieradio contact opnemen met de commandanten van de andere Bomb Groups in de Combat Wing (de 93rd en de 448th) om te vragen of zij de recall hadden ontvangen. Dit was inderdaad het geval. Mede hierdoor besloot William Schmidt om 12:55 uur alsnog om de oorspronkelijke missie te staken. De Combat Wing bevond zich toen al echter boven Duitsland. Schmidt gaf daarom opdracht om op zoek te gaan naar een gelegenheidsdoel. De 446th Bomb Group verdeelde zich in de drie oorspronkelijke secties. Er ontstond een chaotische situatie. De 446th voerde enkele moeilijke bochten uit en er stond een harde bovenwind van 90 knopen. Ook moesten de toestellen van de 446th een aantal keren uitwijken voor vliegtuigen die uit een andere richting kwamen.

    Twee vliegtuigen van de 453rd Bomb Group sloten zich aan bij de eerste sectie van de 446th. Deze vliegtuigen hoorden eigenlijk bij de 2nd Combat Wing, maar zij waren hun formatie uit het oog verloren en daarom sloten zij zich aan bij de 446th Bomb Group. Dit deden zij uit veiligheidsoverwegingen. In een grotere formatie konden de vliegtuigen elkaar bij een mogelijke aanval, immers beter dekken met hun boordwapens. Deze twee vliegtuigen waren gewapend met 80 clusterbommen.

    De eerste sectie van de 446th Bomb Group voerde vervolgens een aanval uit op de Duitse stad Goch in de nabijheid van Kleef, de tweede sectie bombardeerde niet en de derde sectie koos Kleef als doel. Althans dit is wat Schmidt later in zijn rapport over de missie zou noteren. Misschien al tijdens de aanval, merkten sommige bemanningsleden van de 446th Bomb Group op dat zij boven Nederland zaten, maar zij volgden het leidende vliegtuig van Schmidt en lieten al dan niet per abuis hun bommen vallen op Nijmegen en Arnhem.

    Definitielijst

    Flak
    Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
    geallieerden
    Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, ItaliŽ en Japan gedurende WO 2.
    radar
    Engelse afkorting met als betekenis: Radio Detection And Ranging. Systeem voor het met elektromagnetische golven vaststellen van de aanwezigheid, afstand, snelheid en richting van voorwerpen als schepen, vliegtuigen, enz.

    Afbeeldingen

    Een Avro Lancaster dropt ďwindowĒ of ďchaffĒ (de witte vlek links), de aluminiumfoliestripjes die Duitse radar verstoorden, maar voorafgaand aan het bombardement op Nijmegen vermoedelijk ook het geallieerde radioverkeer. Bron: Imperial War Museum.
    Vlak voor het bombardement op Nijmegen cirkelden jagers door de lucht boven Oss en omgeving om de overtocht van de bommenwerpers te beschermen. Bron: Beeldbank WO2.

    Het bombardement

    De Amerikanen wilden het spoorwegemplacement van de stad Nijmegen bombarderen. De vernietiging of beschadiging van spoorlijnen en bijbehorende faciliteiten vormde een belangrijk gelegenheidsdoel van de geallieerde luchtmacht, omdat dit voor grote vervoersproblemen voor de vijand zorgde. Vere McCarty (de bommenrichter van het voorste vliegtuig van de eerste sectie) maakte bij het afwerpen van zijn bommen een inschattingsfout. Het was gebruikelijk dat de bommenrichters zich bij het afwerpen van hun bommen oriŽnteerden op het afwerppunt van het voorste vliegtuig. McCarty was bang dat de andere bommenrichters geen rekening zouden houden met de hoge windsnelheid op de grond. Hij liet de bommen daarom afwerpen op een gebouw dat een aantal meters voor het spoorwegemplacement lag. De vliegtuigen die achter hem vlogen wierpen hun lading echter wel goed (dus precies op het richtpunt van McCarty), of zelfs te vroeg af, zodat niet het spoorwegemplacement, maar het centrum van Nijmegen vol getroffen werd.

    Om 12:14 uur klonk in Nijmegen het luchtalarm om de burgers te laten weten dat er luchtgevaar dreigde. Er trokken honderden bommenwerpers over, die op weg waren naar Duitsland. Om 13:16 uur klonk het veilig-signaal als teken dat volgens de Luchtbeschermingsdienst (LBD) het gevaar was geweken. Een LBD-post merkte plotseling op dat er een aantal vliegtuigen uit het oosten kwam aanvliegen. Een paar minuten later (om 13:28 uur) vielen de bommen. Een nieuw luchtalarm kwam te laat, mede omdat een dergelijk signaal pas kon worden afgegeven als de Duitsers hier toestemming voor hadden gegeven. Hierdoor bevonden zich tijdens de aanval honderden mensen op straat.

    Zoals al eerder vermeld viel een groot aantal bommen midden in het centrum. De V&D en de Hema aan de Grote Markt bevonden zich onder de gebouwen die als eerste werden getroffen. In de winkels zelf waren gelukkig niet zo veel mensen aanwezig. De Duitsers hadden echter een gedeelte van de V&D gevorderd voor de vestiging van de Deutsche Feldpost, het postkantoor van de Duitse Wehrmacht. Hier kwamen dertig mensen om het leven. Tegelijkertijd met de V&D werd de Sint-Stevenstoren (die nog stamde uit de 13e eeuw) getroffen. De toren stortte in. Hierbij kwamen de vijf medewerkers van de LBD, die de toren gebruikte als uitkijkpunt, om het leven. Doordat de toren boven op een aantal huizenblokken viel, kwamen ook nog eens tientallen mensen op de grond om het leven. George Hilckmann liep samen met zijn vader George sr. en broer Joep langs de Kronenburgersingel. Hij verklaarde later:

    "Ik keek omhoog en zag vliegtuigen aankomen. Ik telde er 16 (in werkelijkheid waren het er 14). Ze vlogen erg laag en toen ze doken, zag ik de piloten zitten. Ik zag een soort potloodstompjes vallen en ben automatisch op de grond gaan liggen. Ö Om mij heen hoorde ik ontploffingen; een verschrikkelijke herrie. Ik voelde een onvoorstelbare luchtdruk en ik kreeg een hele zandvlaag over me heen. Na een tijdje stond ik op. Verdwaasd liep ik door."

    George merkte later pas dat hij zelf zwaar gewond was aan zijn benen door rondvliegende bomscherven. Zijn vader en broer stierven als gevolg van de opgelopen verwondingen tijdens het bombardement.

    B. de Wolf, chef inkoop bij een meubelzaak aan de Molenstraat in het centrum van de stad, verklaarde na de oorlog over het bombardement:

    "Door het (eerste) luchtalarm was iedereen wat later. De heer Timmer, onze bedrijfsleider, en juffrouw Boekhoorn waren al in de zaak toen ik aankwam. Bij het tweede luchtalarm zijn we alle drie naar buiten gegaan om daar ergens dekking te zoeken. Voor de grote spiegelruit wees juffrouw Boekhoorn me op de vliegtuigen die boven Nijmegen vlogen. Op datzelfde ogenblik knalde de grote spiegelruit kapot. Glassplinters vlogen alle kanten op. De bommen waren gevallen. Ik probeerde weg te rennen, maar ik kwam niet verder dan de portiek van schoenenwinkel Van Haren aan de Molenstraat 1. Daar zakte ik in elkaar. Ik bleek ernstig gewond te zijn. Twee splinters van een bom waren door mijn bovenbeen gegaan en ik miste een vinger. Ö Ik lag op de grond en kon niets meer. Ik bloedde flink. Om mij heen was alles wazig van de verschrikkelijke stofwolk die er hing."

    Aan de Lange Burchtstraat werd de Montessorischool van de Zusters van Jezus Maria Josef geraakt door enkele bommen. Hierbij kwamen acht zusters en vierentwintig kinderen om. Andere straten in de stad die werden getroffen waren onder meer: de Houtstraat, Bloemerstraat, Doddendaal, Oude Varkensmarkt, Parkdwarsstraat, Achter Valburg, Stikke Hezelstraat en de Krayenhofflaan.

    Vooral de bommen van de 453rd Bomb Group maakten veel slachtoffers. De 12 vliegtuigen van de 446th Bomb Group waren uitgerust met ieder twaalf brisantbommen van 500 pond. Deze bommen dienden vooral om materiŽle schade aan te richten door het verwoesten van gebouwen en andere infrastructuur. De vliegtuigen van de 453rd Bomb Group waren echter uitgerust met ieder 40 HNM41 clusterbommen. Elk van deze bommen bestond uit zes kleinere bommen van 20 pond. Als deze bommen ontploften, verspreidden zij een splinterregen. Dergelijke bommen waren niet bedoeld om te verwoesten, zij waren bedoeld om te doden. Van een van de vliegtuigen bleven bij het afwerpen negen clusterbommen achter, zodat in totaal 71 van deze bommen op de stad vielen. In totaal werd Nijmegen dus getroffen door (71 x 6) 426 dodelijke splinterbommen.

    Een deel van de bommen kwam terecht op het Valkhof en het Kelfkensbos (straat in het stadcentrum). Hier vielen vijfendertig doden en talrijke gewonden. Een van de brandweermannen die ter plaatse kwam, beschreef de situatie als volgt: "Lijken, grijs van stof, stof vermengd met bloed. Grijs, alles grijs. Hemel, wat een stof! Eerste hulpdiensten, brancards, hollende mensen. Vertwijfelde gezichten."

    Het andere deel van de clusterbommen kwam terecht op het drukke Stationsplein. Hier stonden juist en bus en een tram te wachten op vertrek, allebei vol met passagiers. Beide voertuigen werden getroffen door de regen van bomsplinters. Er vielen op dit plein tachtig doden.

    Afbeeldingen

    Luchtfoto van Nijmegen gedurende het bombardement. Tn het centrum zijn de explosies van inslaande bommen zichtbaar. Bron: Beeldbank WO2.
    Het verwoeste stadscentrum. Bron: Beeldbank WO2.
    RuÔne van de St. Stevenstoren. Bron: Beeldbank WO2.
    Verwoestingen in de Houtstraat. Bron: Beeldbank WO2.
    Stationsplein met uitgebrande tram. Bron: Beeldbank WO2.

    Brand en hulpverlening

    Door de bommenregen brak in enkele huizen in de stad brand uit. Als gevolg van het droge weer en de matige wind, breidde het vuur zich snel uit. De kacheltjes en petroleumstelletjes, die in grote mate aanwezig waren in de stad, zorgden er ook voor dat er al snel een massale vuurzee ontstond. Het blussen werd bemoeilijkt, omdat op meerdere plaatsen de waterleiding, als gevolg van het bombardement, was vernield. Hierdoor zat een groot deel van Nijmegen zonder water. Tientallen mensen die het bombardement overleefd hadden, maar die bekneld zaten onder puin van ingestorte huizen, kwamen nu alsnog om het leven door het vuur. Door het ontbreken van waterdruk moest de brandweer onder meer blussen door water op te pompen uit de Waal. Dit was echter een omslachtige methode. Ook had de Nijmeegse brandweer te kampen met schaarste aan materieel. Mede door deze omstandigheden bleef de stad dagen branden.

    De hulpverlening kwam in eerste instantie stroef op gang. Dit had onder meer te maken met het feit dat de telefonist op het hoofdbureau van politie bij het bombardement om het leven was gekomen. Hierdoor verliep de communicatie in het begin zeer moeizaam, waardoor de hulpverlening belemmerd werd.

    De ziekenhuizen in Nijmegen konden de honderden gewonden niet aan. Hierdoor was het nodig om verschillende geneeskundige hulpposten in te richten, onder meer in het gebouw van de Twentsche Bank aan de MariŽnburg en in de Zusterschool aan de Biezenstraat. Ook werden er enkele noodziekenhuizen opgezet, onder meer in het Internaat Klokkenberg. Er vielen tijdens de aanval meer dan 300 zwaargewonden en honderden mensen raakten lichtgewond. Het aantal zwaargewonden lag lager dan het aantal doden. Dit kwam tragisch genoeg waarschijnlijk door het feit dat veel gewonden tijdens de brand om het leven waren gekomen.

    De eerder aangehaalde B. de Wolf lag ongeveer een half uur in het portiek van de schoenenwinkel. Een van de personeelsleden van een andere winkel bond zijn been af. Over zijn verdere verzorging verklaarde hij:

    "Op een deur ben ik naar de Grotestraat gedragen en daar heb ik tot 16:00 uur tussen allemaal andere gewonden op vervoer naar het ziekenhuis liggen wachten. In het Wilhelmina Ziekenhuis was het een verschrikkelijke toestand. Licht- en zwaargewonden lagen door elkaar. Mensen die dood werden binnengebracht of in het ziekenhuis overleden, werden in een aparte ruimte gelegd. Het is voorgekomen dat mensen met een zware shock voor dood werden aangezien en tussen de lijken weer bijkwamen. Mensen die bij kennis waren vloekten, huilden, schreeuwden, of riepen om familie. Dr. Troost zei me dat ik helaas nog niet geholpen kon worden, omdat de mensen met een buikwond voorgingen. Om 00:00 die nacht kwam er pas een dokter bij mij, die me onderzocht en constateerde dat ik (onder meer) een gecompliceerde beenbreuk had."

    De Wolf zou uiteindelijk meer dan drie maanden in het ziekenhuis liggen.

    De honderden personen die als gevolg van de aanval waren overleden, werden naar het leegstaande veilinggebouw aan de Vondelstraat gebracht. Mede doordat vele lijken ernstig verbrand waren, verliep de identificatie moeizaam. Door het tonen van persoonlijke eigendommen van de doden aan de mogelijke nabestaanden, wist men een aantal lijken alsnog een naam te geven. Nijmegen had zelf maar vijftien lijkkisten in voorraad, zodat men andere steden om hulp moest vragen voor extra kisten. Niet ieder slachtoffer kreeg zijn eigen doodkist. Zo werden de negentien doden die waren gevallen in kledingzaak W.G. Haspels aan de Lange Burchtstraat begraven in zeven kisten.

    Het was organisatorisch niet mogelijk om de meer dan zevenhonderd doden afzonderlijk te begraven. Daarom werd er voor gekozen om de doden in gezamenlijke graven op de begraafplaats aan de Graafseweg ter aarde te bestellen. Alle slachtoffers kregen ook een collectieve dienst, die werd gehouden in de grote zaal van de Vereeniging. De dienst vond plaats op zaterdag 26 februari 1944. De plechtigheid was vrij uniek, omdat deze door burgers werd georganiseerd en er geen religieuze symboliek aanwezig was. Dit was gedaan om geen keuze te hoeven maken tussen een katholieke of een protestantse dienst. Op de begraafplaats zelf, kregen de pastoor en de dominee wel allebei het woord en de kans om hun respectievelijke godsdienstige gebruiken ten uitvoer te brengen. Tijdens en na de oorlog zijn veel katholieke slachtoffers van het bombardement herbegraven op de begraafplaats aan de Daalseweg. Ook andere, niet-katholieke slachtoffers, zijn, vaak op verzoek van hun nabestaanden, tijdens of na de oorlog herbegraven op een ander kerkhof.

    Afbeeldingen

    Het stadscentrum brandt. Bron: Beeldbank WO2.
    Bluswerkzaamheden na het bombardement. Bron: Beeldbank WO2.
    Begrafenisoptocht in Nijmegen op 26 februari 1944. Bron: Beeldbank WO2.
    Begrafenis van de slachtoffers op 26 februari 1944. Bron: Beeldbank WO2.

    De evaluatie van de missie

    Na de missie werden de vliegtuigbemanningen ondervraagd door inlichtingenofficieren. Deze ondervragingen door de zogenaamde S-2-officieren vonden altijd plaats na een missie en dienden om zo veel mogelijk militaire informatie te verkrijgen. Het gebombardeerde doel kwam natuurlijk ook ter sprake. Van de twaalf ondervraagde mannen, waren zeven stellig in hun doel: "Nijmegen". In geen enkele van de eerste verslagen wordt gesproken over de Duitse steden Goch of Kleef. Deze steden worden pas vermeld in het rapport dat Captain William Schmidt schreef over de missie. Dit rapport is gedateerd 22 februari, maar Schmidt heeft dit waarschijnlijk pas een paar dagen later opgesteld, toen duidelijk was dat Nijmegen niet gebombardeerd had mogen worden. Dit rapport stemt ook niet overeen met de verklaring die hij tijdens de evaluatie van de missie gaf aan Colonel Jack Wood, de commandant van de 20th Combat Wing. Hierin zei Schmidt namelijk: "Finally found a city which we thought was in Germany, Nijmegen, and two sections dropped on it." (In werkelijkheid bombardeerde maar een sectie de stad.)

    Het is niet duidelijk of Schmidt echt dacht dat Nijmegen in Duitsland lag, of dat hij dit zei om zijn fout goed te praten. Enkele bemanningsleden waren wel verbaasd toen zij hoorden dat Nijmegen geen Duitse stad was. Pas op woensdag 23 februari drong waarschijnlijk tot de bemanningen door dat zij Nijmegen niet hadden mogen bombarderen. Toen de vliegtuigen landden op Flixton, dachten de mannen vermoedelijk dat zij een aanval hadden uitgevoerd op een geoorloofd gelegenheidsdoel. Pas later werd hen duidelijk gemaakt dat Nijmegen niet gebombardeerd had mogen worden. Volgens Amerikaanse bronnen werd tijdens de briefings voorafgaand aan de missies regelmatig gezegd dat het zonder toestemming niet was toegestaan om steden in bezet gebied aan te vallen. Het blijft echter onduidelijk of dit echt zo vaak is benadrukt tijdens de briefings en of alle manschappen wel op de hoogte waren van deze regel. Vooral de status van Nederlandse steden was vaag. Sommige geallieerde vliegers dachten zelfs dat Nederlandse steden in neutraal, in plaats van bezet gebied lagen. In 1944 werd 2% van alle geallieerde bommen afgeworpen boven Nederland. Op 22 februari werden behalve Nijmegen ook Enschede en Arnhem gebombardeerd. Hier vielen respectievelijk 57 en 40 doden.

    Op dinsdag 22 februari 1944 zagen de Amerikaanse bommenwerpers een stad met een spoorwegemplacement, een aanvaardbaar gelegenheidsdoel. Het is moeilijk in te schatten of zij, voordat zij aanvielen, al wisten dat het hier een Nederlandse stad betrof. Het keren na de recall en het moeten uitwijken voor andere vliegtuigen, zorgde, ook omdat het hier om onervaren personen ging, waarschijnlijk voor een verminderde oriŽntatie. Vlak na de aanval wisten zij al dat zij een Nederlandse stad hadden gebombardeerd. Doordat de status van doelen in bezet gebied voor hen niet voldoende duidelijk was, waren zij zich er toen nog niet van bewust dat zij een fout hadden gemaakt. Het bombardement was geen opzet, maar eigenlijk ook geen vergissing. De commandant van de 2nd Bombardment Division James Hodges, oordeelde vermoedelijk juist dat het hier een "Faux pas" betrof.

    Na het bombardement en herdenking

    Als gevolg van de aanval werden honderden gebouwen verwoest en duizenden Nijmegenaren werden dakloos. Het aantal officiŽle doden als gevolg van het bombardement staat op 766. Dit aantal ligt vermoedelijk echter hoger. Als gevolg van de brand zijn verschillende lichamen totaal verkoold. Ook is het niet duidelijk hoe het zat met de onderduikers in Nijmegen. Hiervan was er een redelijk aantal, maar hoeveel er zijn omgekomen is niet duidelijk.

    De Duitsers probeerden propaganda te maken met de Amerikaanse luchtaanval op Nijmegen. Zij verspreidden affiches van de verwoeste stad met teksten als: "Van je vrienden moet je ít hebben". Deze propaganda had weinig tot geen resultaat. Toen Nijmegen in september 1944 werd bevrijd, werden de Amerikanen, net als in de rest van Nederland, met gejuich ontvangen.

    Het heeft lang geduurd voordat de slachtoffers van het bombardement een officieel monument kregen. Na de oorlog heerste in Nijmegen een wederopbouwmentaliteit. Door het bombardement, de gevechten tijdens operatie Market Garden en de periode daarna, waarin Nijmegen vijf maanden in de frontlinie lag, was een groot deel van de stad verwoest. Nijmegen moest worden herbouwd en het zou mooier en beter worden. Het gevoel in die tijd was Ďblik vooruit en niet te veel klagení. Ook vond de gemeente dat herdenkingen vanuit de burgerbevolking georganiseerd moesten worden en daarom nam zij zelf weinig initiatief daarvoor. Wat natuurlijk ook een rol heeft gespeeld is het feit dat de stad werd gebombardeerd door een bondgenoot en het daarom wat pijnlijk was om het ter sprake te brengen.

    Vanaf de jaren Ď60 begon de interesse voor de Tweede Wereldoorlog in Nijmegen te verflauwen. In die tijd werd er in de stad niet zo veel gedaan aan herdenkingen. Pas aan het einde van de 20ste eeuw nam de belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog weer toe. Toen werd de roep ook sterker om een monument voor de slachtoffers van het bombardement van 22 februari 1944.

    Dit monument kwam er in 2000. Het werd geplaatst op de Raadhuishof, de locatie waar destijds de Montessorischool was gevestigd, waar 24 kinderen en 8 zusters om het leven kwamen. Het stelt een vier meter hoge schommel voor. In 2000 kwam er ook een jaarlijkse officiŽle herdenking van de slachtoffers van 22 februari 1944.

    De ramp van Nijmegen heeft geen plaats gekregen in het Nederlandse collectieve geheugen. Gezien het aantal doden, dat er bij viel, verdient zij dat misschien wel. Het is daarom ook wel terecht dat het bombardement, zeker de laatste jaren, steeds meer aandacht krijgt.

    In 2005 werd er op de Algemene Begraafplaats aan de Graafseweg, de plaats waar alle slachtoffers van het bombardement in eerste instantie werden begraven, een gedenksteen onthuld. Op de gedenksteen staat een gedicht van de dichter H.H. (Harry) ter Balkt:

    "Het verdriet stortte neer op de stad, hartuithakkend verdriet om het hart en de ziel en de tijd van de stad; vuur

    sprak in tongen over de zeven honderden en tegen de verslagenen na de bijlslag: ĎNu is jullie tijd niet meer bij jullie.í

    Leeg vlogen de drakenwagens verder van onze vrienden; rouwend grijs en geel na de luchtaanval viel het licht neer, voorgoed uitgedoofd leek 't, verstomden."

    Zie ook: Rapport van burgemeester Hondius

    Definitielijst

    propaganda
    Vaak misleidende informatie die gebruikt wordt om aanhangers / steun te winnen. Vaak gebruikt om ideele en politieke doelen te verwezenlijken.

    Afbeeldingen

    Duitse propagandaposter die drie dagen na het bombardement verscheen. Bron: Verzetsmuseum Amsterdam.
    Polygoon-journaal over het bombardement. Bron: YouTube.
    Het monument op de Raadhuishof, de locatie waar de Montessorischool was gevestigd, waar 24 kinderen en 8 zusters om het leven kwamen. Bron: Wikimedia Commons.
    Gedenksteen op de Algemene Begraafplaats aan de Graafseweg. Bron: Wikimedia Commons.

    Bronnen