Inleiding

Operatie Market Garden zou volgens de geschiedschrijving de operatie moeten zijn geworden die de Tweede Wereldoorlog in Europa nog voor het einde van 1944 zou beëindigen. Tot op de dag van vandaag brengt deze operatie nog discussie te weeg over de doelstellingen, opzet en uitkomst. Wat er echter destijds allemaal is besloten en gebeurd lijkt hierdoor vaak naar de achtergrond te verdwijnen. Het lijkt erop dat vooral schuldvragen en wat men eigenlijk had moeten doen de overhand in de geschiedschrijving hebben gekregen.


Paratroepen van de 1st Airborne Division landen tijdens operatie Market Garden. Gebruikte bron(nen): U.S. Nationaal Archives

Na de strijd in Normandië, leek het alsof de westelijke Duitse verdediging in verwarring was geraakt. Het leek er op dat het Duitse leger was verslagen en tegen september waren nagenoeg geheel Frankrijk en België bevrijd. Dat de geallieerden niet sneller van deze situatie gebruik konden maken, lag echter niet aan de Duitse verdediging. Het waren de geallieerde aanvoerlijnen die te lang dreigden te worden om alle troepen voldoende te kunnen bevoorraden. Om dit op te lossen had men spoedig havens nodig. De meeste Franse havens aan het Kanaal waren nog in Duitse handen. Hoewel op 4 september de havenstad Antwerpen[1] nagenoeg onbeschadigd in Britse handen was gevallen, was de aanvoerroute via de rivier de Schelde nog stevig in Duitse handen.
Juist op dat moment konden de geallieerde aanvoerlijnen het niet meer bolwerken en moest de Britse opmars richting het noorden halt houden. Hierdoor kon de Duitse Heeresgruppe B (Generalfeldmarschall Walter Model), die dit gebied verdedigde, zich hergroeperen. Toen XXX Corps (Lieutenant General Brian Horrocks), dat de aanval richting het Noorden leidde, op 6 september voldoende voorraden had om de opmars voort te zetten, liep deze op enkele kilometers van de Nederlandse grens alweer vast. Bij het Schelde-Maaskanaal hadden de Duitsers een goed georganiseerde verdediging opgebouwd. Het was de Duitsers namelijk gelukt om het 15. Armee (General der Infanterie Gustav-Adolf von Zangen) uit haar benarde positie in noordwest België over de Schelde weg te halen. Doordat het front aan het Schelde-Maaskanaal dreigde vast te lopen, moesten de geallieerde legerleiders overschakelen naar een andere tactiek. Zowel de Amerikaanse opmars in noordoost Frankrijk als de Brits-Canadese opmars in noordwest Frankrijk en België ondersteunen was logistiek geen optie. In de discussie die ontstond, trachtte Field Marshal Bernard Montgomery het pleit te winnen door een gedurfde operatie op te stellen, Operatie Comet. Dit plan behelsde een luchtlanding van de Britse 1st Airborne Division (Major General Robert E. Urquhart) in Nederland. Deze operatie diende ter verovering van de belangrijkste bruggen over de rivieren voor een opmars van het 2nd British Army (Lieutenant General Miles Christopher Dempsey) via de door de luchtlandingen gebaande route. General Dwight Eisenhower vond dit plan echter te riskant en wees het af. Montgomery verbeterde zijn plan. Hij stelde een grondaanval van het 2nd British Army met XXX Corps als spits voor en de inzet van maar liefst drie luchtlandingsdivisies. Aldus ontstonden de hoofdlijnen van Operatie Market Garden.


Eisenhower en Montgomery, de hoofdrolspelers bij de totstandkoming van Market Garden. Gebruikte bron(nen): Public Domain (Onbekende bron)

Bestaande uit een luchtlandingsoperatie (Market) en een grondoperatie (Garden), zou een gezamenlijke operatie van Britse, Amerikaanse en Poolse troepen een grote wig moeten drijven in de Duitse verdedigingslinies in Nederland. Volgens rapporten bevonden zich hier maar tweederangs Duitse troepen. In één operatie zou op deze wijze de Duitse verdediging een zware klap kunnen worden uitgedeeld. Door de 'gevreesde' Duitse 'Westwall' te omzeilen, zouden de overgebleven Duitse troepen in Nederland worden geïsoleerd. De geallieerden zouden zich zo een groot bruggenhoofd op de Veluwe verschaffen.[2] Met de IJssel zou er dan nog maar één obstakel naar Duitsland overblijven waarmee ook de Siegfried linie kon worden omzeild.
Market Garden werd goedgekeurd en hiermee begon één van de meest omvangrijke operaties van de Tweede Wereldoorlog. De uitkomst is bekend. Ongeacht alle discussie hierover kan gesteld worden dat overschatting van de logistieke capaciteiten van de geallieerden en onderschatting van de Duitse troepen in het gebied ertoe hebben geleid dat de doelstellingen van Operatie Market Garden niet werden bereikt.

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Operatie Comet
Comet was het oorspronkelijke plan dat later gewijzigd werd in operatie Market Garden. In vergelijking met Market Garden was Comet een operatie op kleinere schaal qua troepeninzet. Comet zou alleen worden uitgevoerd door de Britse 1ste Airborne divisie en de 1ste Poolse onafhankelijke parachute brigade. Market Garden had dezelfde strategische doelen, verschil was alleen dat bij Market Garden ook nog twee Amerikaanse Airborne Divisies ingezet werden.
Operatie Market Garden
Codenaam voor gecombineerde land- en luchtaanvallen van de geallieerden in de regio Eindhoven, Arnhem en Nijmegen van 17 tot 26 september 1944.
Westwall
Wordt ook wel Siegfriedlinie genoemd, de Duitse verdedingingslinie aan de Frans-Duitse grens.

Aanvalsplan voor Market Garden

Na de strijd in Normandië en Noord-Frankrijk, was de geallieerde opmars verdeeld over drie groepen. General Dwight Eisenhower, Commanding Officer Supreme Headquarters Allied Expeditionary Forces (SHAEF), voerde het bevel over drie gelijktijdige campagnes. Field marshal Bernard Montgomery voerde het bevel over de 21st Army Group, die zich met succes in noordelijke richting bewoog en de Nederlandse grens naderde. Vanuit Zuid-Frankrijk, rukte de 6th Army Group (Lieutenant General Jacob L. Devers)[3] op. Deze legergroep ondervond veel tegenstand van de Duitse troepen die zij tegenover zich hadden. Daartussenin rukte de 12th Army Group (Lieutenant General Omar N. Bradley)[4] op richting het Oosten naar de Rijn en de Duitse grens.

Deze drie campagnes vergden veel logistieke inspanning. Vanwege de steeds langer wordende toevoerlijnen, opperde Field Marshal Bernard Montgomery als in augustus het idee om van strategie te veranderen. Drie campagnes tegelijk bevoorraden zou ondoenlijk zijn. Bernard Montgomery stelde voor om zijn 21st Army Group in staat te stellen, met steun van de US 1st Army (Lieutenant General Courtney H. Hodges), richting het noorden op te rukken. Hiertoe dienden de meeste voorraden naar zijn 21st Army Group te worden gestuurd. Volgens zijn redenatie was de Duitse tegenstand tegenover zijn troepen nagenoeg vernietigd. Een uitbraak in noordelijke richting zou gelijktijdig kunnen zorgen voor het uitschakelen van de aldaar gestationeerde V1 en V2 lanceerinstallaties. Vervolgens zouden hierbij de Franse havens kunnen worden bevrijd en in gebruik worden genomen. Bernard Montgomery gaf zelfs aan bereid te zijn om onder bevel van Lieutenant General Omar Bradley te opereren als dat goedkeuring van zijn plan zou bevorderen.
Van Amerikaanse zijde kwam veel tegenstand tegen de voorstellen. Gezien de Amerikaanse successen in Normandië, waren diverse Amerikaanse bevelhebbers ervan overtuigd dat de Amerikanen de leiding moesten krijgen over de verdere opmars. Bernard Montgomery wist uiteindelijk Dwight Eisenhower te overtuigen. Deze ommezwaai van Eisenhower was ingegeven door verscheidene ontwikkelingen. Nadat Operatie Overlord was beëindigd, had Air Chief Marshal Trafford Leigh-Mallory zijn hoofdkwartier van de Allied Expeditionary Air Forces gesloten en waren de deelnemende groepen weer overgegaan naar hun nationaal bevel. De RAF kreeg weer bevel over haar 2nd Tactical Air Force en de USAF over de 9th Air Force. Eisenhower besloot op 2 augustus 1944 om de luchtlandingscomponenten onder te brengen bij de Combined Airborne Forces Headquarters, onder bevel van Lieutenant General Lewis H. Brereton. Op 16 augustus 1944 werd dit omgevormd tot het First Allied Airborne Army. Doelstelling was om te komen tot de fictieve vorming van een US 1st Army Group ter misleiding van de Duitse Inlichtingendiensten. Deze US 1st Army Group zou gaan bestaan uit het US XVIII Airborne Corps (17th Airborne Division, 82nd Airborne Division en 101st Airborne Division) onder bevel van Major General Matthew B. Ridgway en het Britse I Airborne Corps (1st Airborne Division, 6th Airborne Division en 1st Polish Independent Parachute Brigade) onder bevel van Major General Frederick Browning. De Amerikaanse legerleiding in Washington verlangde echter dat de First Allied Airborne Army spoedig ingezet zou worden bij een grote operatie. Met het besluit om de leiding van het offensief bij Montgomery en zijn 21st Army Group neer te leggen, besloot Eisenhower om het First Allied Airborne Army onder deze legergroep te rangschikken. Op deze wijze begon Market Garden vorm te krijgen.


Gebruikte bron(nen): Marcel Kuster, TracesOfWar.nl

Het plan voorzag in een snelle aanval van het Britse Second Army vanuit een aanvalspunt langs het Schelde-Maas Kanaal naar het Noorden tot aan Nunspeet in Nederland nabij het IJsselmeer. Deze aanval zou worden ondersteund door luchtlandingen van het First Allied Airborne Army. Deze dienden de bruggen moesten in te nemen langs de opmarsroute om deze vlot te laten verlopen. Na deze opmars zou het Britse Second Army oostwaarts kunnen trekken naar het hart van. Op 10 september 1944 werd het plan door het geallieerde opperbevel aangenomen en werd Market Garden een feit. De operatiedatum werd vastgesteld op 17 september 1944.

De luchtlandingscomponent, Market, diende ervoor te zorgen dat bruggen over alle waterwegen bij Eindhoven, Nijmegen en Arnhem zouden worden ingenomen. Voor de luchtlandingen zouden vooral RAF-toestellen gebruikt worden om de zweefvliegtuigen te slepen en zouden met name USAAF-toestellen de paratroepers overbrengen. De totale overbrenging van de luchtlandingstroepen zou drie dagen in beslag nemen. Op de vierde dag zou de 52nd (Lowland) Division met transportvliegtuigen worden overgebracht naar het bij Arnhem veroverde vliegveld Deelen. Major General Paul L. Williams, Commanding Officer van de US IX Troop Carrier Command was één van de bevelhebbers die had aangedrongen op maximaal één overbrengingsvlucht per dag. Hij werd hierbij gesteund door Lieutenant General Lewis Brereton, Commanding Officer van de 1st Allied Airborne Army. Meer vluchten zou te veel inspanning verlangen van zowel grondpersoneel als vliegend personeel en hiermee het risico op verliezen vergroten. Direct gevolg hiervan was dat alle drie de luchtlandingsdivisies op de eerste dag niet volledig op sterkte zouden zijn en noodgedwongen op de grond troepen rond de landingsgebieden moesten handhaven. Deze moesten immers worden opengehouden voor latere landingen. De Britse 1st Airborne Division werd hierbij extra gehandicapt omdat een deel van de voor haar bestemde toestellen op de eerste dag toegewezen werden aan de groep voor de 82nd Airborne Division. Zij zouden namelijk het Britse I Airborne Corps Headquarters naar Nijmegen overbrengen. Major General Fredrick Browning had namelijk besloten dat zijn hoofdkwartier met de aanval mee moest.

De eerste dag dienden de eerst landingsgolven de belangrijkste strategische objecten te veroveren en de landingsgronden te verdedigen tot alle troepen geland waren. Tegelijkertijd diende men een gebied in handen te houden waarbij de grondoperatie in staat werd gesteld via de veroverde gebieden op te rukken. Er werd aangenomen dat van Duitse zijde weinig tot geen tegenstand te verwachten was.
Dit werd aanvankelijk betwijfeld door Major Brian Urquhart, Chief of Intelligence van het Britse I Airborne Corps (niet te verwarren met Brigadier Roy Urquhart, bevelhebber Britse 1st Airborne Division). Hij vond dat totaal werd veronachtzaamd dat er berichten waren dat het Duitse II. SS-Panzerkorps zich in de nabijheid van Arnhem zou bevinden, zoals rapporten van het Nederlandse verzet hadden aangetoond. Er was echter al besloten dat de operatie voortgang moest vinden. Major Urquhart werd gedwongen om met ziekteverlof te gaan.
De gehele luchtlandingsoperatie werd onder bevel van het I Airborne Corps geplaatst. Dit bestond voor de operatie uit de Britse 1st Airborne Division, de Amerikaanse 82nd Airborne Division en 101st Airborne Division en de Poolse 1st Polish Independent Parachute Brigade Group. De invulling van de luchtlandingsoperatie werd door Browning gedaan, waarbij hij de 101st Airborne Division (Major General Maxwell Taylor) bij Eindhoven zou laten landen. De 82nd Airborne Division (Brigadier General James M. Gavin) moest bij Grave en bij Nijmegen landen. De 1st Airborne Division (Major General Robert E. Urquhart) tot slot, diende bij Arnhem te landen en tegenaanvallen vanuit het noorden te weerstaan. De Britten zouden hierbij worden ondersteund door de Polen.
Voorafgaande aan de operatie dienden Britse en Amerikaanse bommenwerpers aanvallen uit te voeren op vliegvelden in Nederland, van waaraf Duitse jagers de transporttoestellen zouden kunnen bestoken en Flak opstellingen langs de aanvliegroutes en rond de landingsgebieden. Daarnaast dienden verschillende Duitse militaire installaties zoals kazernes en troepenconcentraties te worden gebombardeerd. Britse en Amerikaanse jagers zouden de luchtarmada van bommenwerpers, transporttoestellen en zweefvliegtuigen vergezellen ter bescherming.
In de nacht van 16 op 17 september zouden 282 bommenwerpers van RAF Bomber Command de vliegvelden in Nederland en juist over de grens in Duitsland bombarderen. In de vroege ochtend van 17 september zouden nog eens 100 RAF bommenwerpers de kustbatterijen van Walcheren en Schouwen-Duiveland aanvallen, waarna meer dan 800 Amerikaanse bommenwerpers de vele FLAK installaties langs de aanvliegroute en rond de landingszones onder vuur zouden nemen. Het 2nd Tactical Air Force deed ondertussen precisieaanvallen op diverse doelen zoals kazernes rond Arnhem, Ede en Nijmegen.[5]

Even ten noorden van Eindhoven waren voor de 101st Airborne Division twee landingsgebieden aangewezen bij Son en Veghel. De divisie had tot taak het innemen van de bruggen bij Son, Sint Oedenrode en Veghel. Het 501st Parachute Infantry Regiment (Colonel Howard R. Johnson) diende op DZ-A (Dropzone A) nabij Veghel te landen en zich te concentreren op de spoor- en verkeersbruggen over het riviertje de Aa en over de Zuid Willemsvaart bij Veghel. Het 502nd Parachute Infantry Regiment (Colonel John H. Michaelis) kreeg DZ-B (Dropzone B) toegewezen ten noordwesten van Son. Zij dienden het landingsgebied te beschermen voor de later te arriveren zweefvliegtuigen. Daarnaast moesten zij de verkeersbrug over de Dommel bij Sint Oedenrode veroveren en indien mogelijk het 506th Parachute Infantry Regiment ondersteunen bij hun opmars naar Eindhoven. Het 506th Parachute Infantry Regiment (Colonel Robert F. Sink) diende te landen op DZ-B en DZ-C (Dropzone C) en vervolgens de brug over het Wilhelminakanaal bij Son te veroveren. Hierna moesten zij zich richting Eindhoven begeven, de bruggen over de Dommel innemen en als secundaire doelen eventueel de spoor- en verkeersbrug bij Best in te nemen.[6]

De 82nd Airborne Division werd eveneens op twee locaties gedropt. Ten zuidwesten van Nijmegen bij Grave voor de verovering van de bruggen bij Grave over de Maas en over het Maas-Waalkanaal bij Nijmegen. Het grootste landingsterrein was gesitueerd tussen Nijmegen, Berg en Dal en Groesbeek, waar men zou landen ter verovering van Nijmegen en de Waalbruggen. De brug bij Grave, codenaam Bridge Number 11[7] werd toegewezen aan het 504th Parachute Infantry Regiment (Colonel Reuben Henry Tucker III)[8] en zou daartoe ten zuidwesten van Nijmegen op DZ-O (Dropzone O) bij Overasselt[9] landen. Enkele kleinere onderdelen dienden direct nabij de brug bij Grave te landen. Als tweede doelen kregen zij de bruggen over het Maas-Waalkanaal toegewezen. Dit waren Bridge Number 7 (Heumen), Bridge Number 8 (Malden), Bridge Number 9 (Hatert) en Bridge Number 10 (Honinghutje). [10] Het landingsterrein was dan ook gekozen tussen de brug bij Grave en de bruggen over het Maas-Waalkanaal.
Het 505th Parachute Infantry Regiment (Colonel William E. Ekman) diende ten zuiden van Groesbeek op DZ-N[11] (Dropzone N) te landen en hierna Groesbeek en het hoger gelegen gebied tussen Groesbeek en het Maas-Waalkanaal in te nemen. Het 508th Parachute Infantry Regiment (Colonel Roy E. Lindquist) zou in de driehoek Nijmegen, Groesbeek, Berg en Dal op DZ-T (Dropzone T) landen en Nijmegen aan die zijde afgrendelen. Daarnaast zouden zij de Waalbruggen (spoor- en verkeersbrug) over de Waal bij Nijmegen moeten innemen. Naast al deze doelen diende het 508th Parachute Infantry Regiment paraat te staan om bij eventuele Duitse druk de landingsterreinen te beschermen. Ter ondersteuning van het 505th Parachute Infantry Regiment zou het 376th Parachute Field Artillery Battalion (Lieutenant Colonel Wilbur M. Griffith) bij hen landen en zich ook ten dienste moeten stellen van het 504th Parachute Infantry Regiment.[12] Het 307th Airborne Engineer Battalion (Colonel Edwin A. Bedell) diende te landen op DZ-N, tussen Mook en Groesbeek.[13] Het bataljon diende vooral ter ondersteuning van de diverse overige eenheden en flankerende bescherming van het landingsgebied. De overige troepen van de 82nd Airborne Division zouden op latere momenten worden ingevlogen.
Voor Arnhem zou de 1st Parachute Brigade (Brigadier Gerald W. Lathbury), 1st Airlanding Brigade (Brigadier Philip H.W. Hicks), Division Headquarters en diverse ondersteunende Divisie eenheden zoals drie batterijen van het 1st Airlanding Light Regiment (Lieutenant Colonel William F.K. Thompson) en het 1st Airborne Reconnaissance Squadron (Major Charles Frederick Howard Gough) als eerste worden aangevoerd. Deze eenheden zouden gebruik maken van landingsterreinen DZ-X (Dropzone X), LZ-S (Landingzone S) en LZ-Z (Landingzone Z). De landingsterreinen zouden kort daarvoor worden beveiligd door Pathfinders van de 21st Independent Parachute Company. De 1st Airlanding Brigade diende vervolgens de landingsterreinen te beschermen ten bate van de 2e landingen de volgende dag. De 1st Parachute Brigade diende zich direct naar de brug in Arnhem te begeven en deze te beveiligen tot de rest van de divisie was aangekomen.

Omdat de Royal Air Force vanwege verwacht zwaar luchtafweer bij de brug in Arnhem geen overvaloperatie wenste uit te voeren zoals in Normandië bij de Pegasus brug was uitgevoerd, werd besloten dat het 1st Airborne Reconnaissance Squadron zich direct na de landing met hun jeeps naar de brug diende te begeven. Zij dienden deze met een overvalactie in te nemen en te behouden tot de 1st Parachute Brigade te voet de brug had bereikt. Van deze 1st Parachute Brigade zou het 2nd Parachute Battalion (Lieutenant Colonel John Dutton Frost) langs de rivier de Nederrijn oprukken naar de brug via een route met de codenaam "Lion Route". Hierbij dienden achtereenvolgens de spoorbrug, de pontonbrug en de verkeersbrug te worden ingenomen en beveiligd. Het 3rd Parachute Battalion (Lieutenant Colonel John A.C. Fitch), diende via de Utrechtseweg, volgens de route met codenaam "Tiger Route", op te rukken naar de verkeersbrug. Het 1st Parachute Battalion (Lieutenant Colonel David Theodore Dobie) moest ten slotte langs de Amsterdamseweg oprukken via een route met codenaam "Leopard Route" om de toegangswegen naar de brug op het hoger gelegen gebied ten noorden van Arnhem te beveiligen.
Op de tweede dag zou de 4th Parachute Brigade (Brigadier John Winthrop Hackett) landen op DZ-Y, tezamen met de nog niet overgebrachte onderdelen van de 1st Airlanding Brigade en overige ondersteunende Divisie eenheden. Direct na deze landingen diende de gehele divisie naar Arnhem te trekken en deze stad af te grendelen. Op de derde dag zou de 1st Polish Independent Parachute Brigade Group (Major General Stanislaw Franciszek Sosabowski) aangevoerd worden. Zijn zweefvliegtuigen zouden op LZ-L (Landingzone L) ten Noorden van de Nederrijn landen, terwijl de parachutisten op DZ-K (Dropzone K), ten Zuiden van de Nederrijn zouden landen. Tot slot zou, zodra Arnhem door de 1st Airborne Division was beveiligd en het ten noorden van Arnhem gelegen vliegveld Deelen was ingenomen, de 52nd (Lowland) Division (Major General Edmund Hakewill-Smith) daarheen worden overgevlogen om zich bij de 1st Airborne Division te voegen.

Langs dit tapijt van luchtlandingen zou als grondcomponent Garden, XXX Corps, oprukken over één enkele tweebaansweg. XXX Corps zou hiertoe de beschikking hebben over het 2nd Household Cavalry Regiment (Lieutenant Colonel Henry Abel Smith), Guards Armoured Division (Brigadier Allan Henry Shafto Adair), 43rd (Wessex) Division (Lieutenant General Gwilym Ivor Thomas), 8th Independent Armoured Brigade (Brigadier George Erroll Prior-Palmer), 50th (Northumbrian) Division (Major General Douglas Alexander Henry Graham) en de Royal Netherlands Brigade 'Prinses Irene' (Kolonel Albert Cornelis de Ruyter van Steveninck), waarbij de Guards Armoured Division de leiding zou nemen. Indien de Guards Armoured Division ergens onderweg op een niet ingenomen bruggenhoofd zou stuiten, diende 43rd (Wessex) Division een oversteek te forceren.

De opmars zou op de linkerflank ondersteund worden door XII Corps (Lieutenant General Neil Methuen Ritchie) en op de rechterflank door VIII Corps (Lieutenant General Richard Nugent O'Connor). Beide korpsen waren echter niet op volledige sterkte en hadden beide, in tegenstelling tot XXX Corps, nog geen bruggenhoofd over het Maas-Schelde kanaal gevestigd. Daarnaast waren onderdelen van deze korpsen op andere flanken van hun posities nog in gevecht met Duitse troepen en konden derhalve niet vrijgemaakt worden voor flankdekking van XXX Corps.[14] Toch werden voor beide korpsen operatieplannen opgesteld ter ondersteuning van Market Garden.

Het 1st Canadian Army had de westflank van XII Corps vanaf 10 september al overgenomen. Het XII Corps zelf had een bruggenhoofd bij Geel, juist over het Maas-Scheldekanaal, maar voor een goede opmars zou de 53rd (Welsh) Division (Major General Robert K. Ross) bij Lommel een nieuw bruggenhoofd vestigen, vanwaar het korps zou oprukken via Turnhout en Tilburg naar ’s-Hertogenbosh en aldaar de Maas overtrekken. Het VIII Corps had voor de flankoperatie de 11th Armoured Division (Major General George Roberts) en de 1e Belgische Infanterie Brigade (Kolonel Jean-Baptiste Piron) tot haar beschikking en zou bij Sint-Huibrechts-Lille het Maas-Schelde kanaal oversteken om via Helmond op te rukken naar Cuijck aan de Maas.
Bij het opstellen van de plannen was nauw overleg gepleegd met de Nederlandse regering in ballingschap in Londen. Ter ondersteuning van de operatie gaf deze aan de Nederlandse Spoorwegen de opdracht tot een algehele Spoorwegstaking om zo de Duitse troepenverplaatsingen te dwarsbomen. Daarnaast zouden activiteiten worden ondernomen om de verzetsgroepen in de landingsgebieden te organiseren en in te zetten. Hiervoor werden zogenaamde Jedburgh-teams ingezet die zich binnen bezet gebied in contact moesten stellen met het verzet en deze zo goed mogelijk te begeleiden bij activiteiten ter ondersteuning van de luchtlandingstroepen. Om de communicatie te bevorderen werden aan de diverse geallieerde eenheden en de Jedburgh-teams Nederlandse militairen, veelal met een commando opleiding, toegevoegd als tolk, gids en verbindingspersoneel.

Als uitgangspunt voor de grondoperatie van XXX Corps werd gekozen voor de brug over het Schelde-Maas kanaal (Kempisch Kanaal) in Barrier (Lommel), ook wel Groot Bareel genoemd). Deze brug was op 10 september[15] veroverd door No. 1 Squadron (Major David Arthur Peel), 3rd Battalion, Irish Guards (Lieutenant Colonel John Ormsby Evelyn Vandeleur). Vanwege de bevelvoering door J.O.E. Vandeleur, kreeg deze brug de bijnaam "Joe's Bridge". Op 11 september 1944 had een D Squadron (Lieutenant Rupert Buchanan-Jardine), van het 2nd Household Cavalry Regiment (Lieutenant Colonel Henry Abel Smith) het gebied voorbij deze brug al verkend. Op de avond van 16 september 1944 stond iedereen gereed voor de aanvang van Operatie Market Garden.

Definitielijst

Bomber Command
Onderdeel van de RAF dat zich met strategische en soms tactische bombardementen (zoals in Normandië) bezighield.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Flak
Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
Operatie Overlord
De overkoepelende strategische planning voor de Geallieerde landing op de Normandische kust in juni 1944 t/m 90 dagen na D-Day.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Spoorwegstaking
Deze werd op 17 september 1944 via de radio afgekondigd en ingewilligd door het Nederlandse spoorwegpersoneel. De spoorwegstaking diende ter ondersteuning van het geallieerde plan Market Garden. Nadat de geallieerde luchtlandingsactie mislukt was hielden de arbeiders de staking vol tot aan de bevrijding.
Tactical
Tactic betekent taktiek. De werkelijke uitvoering van het militaire bedrijf. De Amerikanen gebruikten de term Tactical ook om luchtmacht onderdelen aan te duiden die aanvallend optraden, zoals jagers en jachtbommenwerpers. Dit in tegenstelling tot Strategical, waarmee bommenwerper eenheden werden aangeduid.

De Duitse situatie

Vanwege de snelle opmars van de geallieerden door Noord-Frankrijk en België, leek het er al op dat Nederland snel bevrijd zou worden. Als gevolg hiervan raakten de Duitsers enigszins in paniek. De Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete Arthur Seyss-Inquart had op 2 september 1944 het bevel gegeven dat alle Duitse burgers in Nederland naar Oost Nederland moesten worden geëvacueerd. Zij konden dan bij gevaar snel naar Duitsland ontsnappen. Seyss-Inquart zelf verschanste zich in zijn bunker in Apeldoorn. Ook Anton Mussert, de leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) adviseerde zijn partijgenoten zich in de richting van Duitsland te begeven. De val van Antwerpen op 4 september 1944, veroorzaakte op 5 september 1944 de nodige paniek onder Duitse troepen en NSB leden. Vele Duitse militairen deserteerden en hele eenheden trokken hals over kop richting Duitsland. Nederlanders raakten in de ban van een aanstaande bevrijding en gingen deze al vieren. Deze dag zou later bekend worden als Dolle Dinsdag.


Dolle dinsdag, Duitsers op de vlucht, Keizer Karelplein Nijmegen. Gebruikte bron(nen): Regionaal Archief Nijmegen

Om de orde te herstellen, werd Oberbefehlshaber West, Generalfeldmarschall Walter Model uit zijn functie ontheven en benoemd tot Befehlshaber Heeresgruppe B. Op 5 september werd Generalfeldmarschall Gerd von Rundstedt tot zijn opvolger benoemd. Walter Model, kreeg als Befehlshaber Heeresgruppe B te maken met een chaos. Zijn Heeresgruppe was feitelijk in twee stukken gehakt. Het 15. Armee (General der Infanterie Gustav-Adolf von Zangen), afgesneden ten zuiden van de Westerschelde, was verwikkeld in een poging via Walcheren en Zuid-Beveland naar het noorden te ontkomen. Het 7. Armee (General der Panzertruppen Erich Brandenberger) was door de Amerikanen richting het oosten, naar Maastricht en Aken teruggedreven. Tussen het 15. Armee en het 7. Armee bevond zich een gat van 120 kilometer, waardoor vele Duitse eenheden zich wanordelijk terugtrokken. Walter Model gaf Generalleutnant Kurt Chill, die nagenoeg zijn gehele 85. Infanterie-Division was kwijtgeraakt, het bevel de resterende eenheden in het gat weer in gareel te brengen. Walter Model had hem hierbij opdracht gegeven de troepen te verzamelen en naar Duitsland terug te trekken. Kurt Chill besloot echter de eenheden, die hij opving, zich te laten ingraven langs het Albertkanaal. Bij de belangrijkste bruggen plaatse hij officieren die hij iedere Duitse militair die daar aankwam liet opvangen en in liet indelen langs de linie. Op deze wijze wist men effectief de terugtocht tot staan te brengen.

Een tweede actie werd ondernomen in opdracht van Adolf Hitler. Hij gaf op 4 september 1944 opdracht aan het 1. Fallschirm-Armee (Generaloberst Kurt Arthur Benno Student) om zich te posteren in het 120 km brede gat tussen Antwerpen en Maastricht. Ook dit 1. Fallschirm-Armee viel bevelsmatig onder Heeresgruppe B. Kurt Student nam direct contact op met Kurt Chill en beide richtten een verdedigende linie in. Kurt Student plaatste hierbij zijn hoofdkwartier in Huize Bergen in Vught. Hij reorganiseerde zijn eigen troepen en organiseerde diverse in het gebied aanwezige eenheden als Kampfgruppen.

Ondertussen gelukte het Gustav-Adolf von Zangen om het grootste gedeelte van zijn 15. Armee terug te laten trekken naar Nederland. De eenheden die achterbleven liet hij een verdedigingslinie vestigen vanaf Zeebrugge, langs het Kanaal Gent-Brugge tot aan Antwerpen. Hiermee werd de linie aangesloten op die van Kurt Student’s troepen. Op 12 september werd de 59. Infanterie-Division (Generalleutnant Walther F.R. Poppe) overgeheveld van het 15. Armee naar het 1. Fallschirm-Armee. De 59. Infanterie-Division werd naast de 245. Infanterie-Division (Oberst Gerhard Kegler) langs de linie Breda-Tilburg-Best[16] gepositioneerd.

Van de Wehrmachtsbefehlshaber Niederlande (General der Flieger Friedrich Christiansen), ontving Kurt Student de 719. Infanterie-Division (Generalleutnant Karl Sievers) welke langs het Albertkanaal tussen Antwerpen en Hasselt in de linie werd geschoven. Het 15. Armee zelf kreeg vanaf 6 september versterking van de Kampfgruppe Chill die zijn troepen langs het Albertkanaal positioneerde, tussen Herentals en Hasselt, aansluitend op de 719. Infanterie-Division. De 59. Infanterie-Division werd versterkt met Kampfgruppe Rink (Oberstleutnant Berthold Rink), Kampfgruppe Ewald (Hauptmann/Major Werner Ewald), Kampfgruppe Duchstein (Hauptmann Duchstein) en Kampfgruppe Jungwirth (Major Hans Jungwirth).[17]

De in Nederland standaard gelegerde troepen bestonden voor een groot deel uit opleidingseenheden voor Heer, Kriegsmarine, Luftwaffe en Waffen-SS, eenheden voor zieken en herstellende gewonden, vaste Kriegsmarine en Luftwaffe eenheden bij de marinebases en luchtmachtbases, vaste Flak eenheden van Luftwaffe en RAD (Reichsarbeitsdienst), enzovoorts. Met al deze eenheden werden min of meer operationele Kampfgruppen, Alarmeinheiten en Sperrverbanden opgericht die waar nodig konden worden ingezet als respectievelijk gevechtseenheden, snelle reactie eenheden en verdedigingslinies. Daarnaast werden diverse onderdelen als gevechts- of bewakingseenheid ingezet die tot dan toe in Nederland alleen ondersteunend werk deden. Zo kregen bijvoorbeeld in Arnhem leden van de Hochfrequenzforschung Einsatzstab Hollland (Luftnachrichten-Funkleitstab 1) van de Luftwaffe, gevestigd in het Christelijk Lyceum aan de Utrechtseweg te Arnhem[18] opdracht te patrouilleren op Station Arnhem en het emplacement teneinde het tegengaan van sabotageoperaties van het verzet die in toenemende mate op het Nederlandse spoor werden gepleegd.[19] Dit voorbeeld illustreert de inzet van een grote diversiteit aan eenheden die in Nederland gelegerd waren en plots gevechtstaken kregen zonder daarvoor bedoeld te zijn geweest. De vaste troepen in Nederland, stonden onder bevel van de Wehrmachtsbefehlshaber Niederlande. Toen op 4 september 1944 de stad Antwerpen in geallieerde handen viel, gaf hij zelf al orders af om de troepen in Nederland te reformeren tot een nieuwe verdedigingslinie. Hij stelde als bevelhebber hiertoe General der Infanterie Hans von Tettau aan. De te vormen verdedigingslinie werd de Waalstellung genoemd.[20]
Deze stelling volgde, zoals de naam al aangeeft, in grote lijnen de rivier de Waal door Nederland. Het zou vooral gaan dienen als opvanglinie voor naar het noorden vluchtende Duitse eenheden. Hierbij dienden de troepen in de Waalstellung de vluchtende Duitse eenheden tegen te houden en terug naar het front te sturen.

Rond Arnhem/Nijmegen, werd deze linie ingevuld door de SS-Unterführerschule Arnheim (SS-Standartenführer Michael Lippert) uit Arnhem en het Bataillon Krafft (SS-Sturmbannführer Sepp Krafft). Dit Bataillon Krafft bestond uit Stab, 2. Kompanie (SS-Hauptsturmführer Hans-Heinrich Köhnken) en 4. Kompanie (SS-Obersturmführer Ernst Kauer), SS-Panzergrenadier-Ausbildungs und Ersatz Bataillon 16. Het Bataillon Krafft was weggehaald uit de Wasserstellung (ongeveer gelijkwaardig aan de Hollandse Waterlinie) en overgebracht naar Wolfheze waar het op 4 september aankwam. In Arnhem zelf waren al langere tijd twee andere compagnieën van het bataljon van Krafft gelegerd en wel de 7. (Stamm) Kompanie en 8. (Grenadier) Kompanie. Deze werden door Krafft samengevoegd tot de 9. Kompanie (SS-Obersturmführer Günther Leiteritz). Zijn hoofdkwartier vestigde Sepp Krafft uiteindelijk in Huize Waldfriede op Landgoed Johannahoeve bij Wolfheze.
Eveneens in Wolfheze bevond zich een opleidingsabteilung van het Artillerie-Regiment 184 (Hauptmann Breedemann). Zij ontvingen juist op 11 september veertig 105-mm veldhouwitsers[21], waarvan vele in de bossen rond Wolfheze werden opgesteld. Dit geheel aan eenheden was nog aangevuld met enkele depotbataljons van de Hermann Göring-Division, diverse Schiffs-Stamm-Abteilungen van de Kriegsmarine, Fliegerhorstbataillone van de Luftwaffe en door de RAD (Reichsarbeitsdienst) bemande luchtafweerbatterijen. Bij Oosterhout in de Betuwe was de V. Abteilung, SS-Artillerie-Ausbildungs und Ersatz-Regiment (SS-Hauptsturmführer Oskar Schwappacher) gelegerd.

In Duitsland was het dichtstbijzijnde district Wehrkreis VI (General der Infanterie Franz Mattenklott). De Wehrkreis structuur in Duitsland werd gebruikt voor de trainings- en vervangingseenheden van Infanterie- en Panzertruppen. Ook Wehrkreis VI had diverse dergelijke eenheden welke zich in diverse stadia van opleiding bevonden en eventueel konden worden ingezet. Nadat de Duitse troepen in Normandië waren verslagen in 1944 besloot het Duitse opperbevel dat alle Wehrkreise hun opleidingseenheden dienden te reformeren in zogenaamde Kampfgruppen. Deze kregen tot doel de verdediging van hun eigen Wehrkreis op zich te nemen indien geallieerde troepen het grondgebied binnen vielen. Ze konden echter ook in een aangrenzend gebied als alarmeenheid worden ingezet. Omdat Wehrkreis VI het dichtst bij Nederland gelegen was, diende haar Kampfgruppen eventueel ingezet te kunnen worden in Nederland. Eén van die Kampfgruppen was Kampfgruppe Knaust (Major Hans-Peter Knaust) welke op papier bestond uit een stafbataljon met Nachrichten-Zug en Pionier-Zug, 4 Panzergrenadier compagnieën, 1 Panzer compagnie en een Panzerjäger-Zug (Sf.).[22] Deze Kampfgruppe was één van de eenheden aangewezen om zich bij dreiging richting Nederland te begeven. De aan hem toegewezen eenheden zouden worden gehaald uit het Panzergrenadier-Ausbildungs und Ersatz-Regiment 57, Panzer-Ersatz und Ausbildungs-Abteilung 11 en de Panzerjäger-Ausbildungs und Ersatz-Abteilung 6. Zelf voerde Hans-Peter Knaust het bevel over het Panzergrenadier-Ausbildungs-Bataillon 64.[23] Ook de 176. Infanterie-Division (Oberst Christian-Johannes Landau) uit Bielefeld kon richting Nederland worden gedirigeerd om opengevallen plaatsen op te vullen. Deze divisie werd uiteindelijk gestationeerd tussen Hasselt en Maastricht. Eveneens richting Limburg werd de Panzer-Brigade 107 (Major Berndt-Joachim Freiherr von Maltzahn) gezonden. Deze indrukwekkende pantsereenheid met PzKpfw V Panther tanks moest echter met veel treinen worden aangevoerd en de voorhoede arriveerde pas op 18 september in Venlo. Zowel de Panzer-Brigade 107 als de 176. Infanterie-Division werden onder het LXXXVI. Armeekorps (General der Infanterie Hans von Obstfelder) geplaatst. De verse troepen in Limburg zouden vanaf 12 september opereren onder bevel van Oberst Erich Walther en hiermee de Kampfgruppe Walther vormen. Een andere eenheid die binnen redelijke termijn Nederland zou kunnen bereiken was de schwere Panzer-Ersatz und Ausbildungs-Abteilung 500 die in training te Paderborn lag.

Op dat moment waren de Duitse bevelhebbers niet op de hoogte van enig geallieerd aanvalsplan, laat staan dat vermoed werd dat Market Garden eraan zat te komen. Toch hield het Duitse Opperbevel rekening met diverse scenario's. Globaal werd rekening gehouden met twee mogelijkheden op basis van inlichtingenrapporten. Een mogelijkheid waar rekening mee werd gehouden, gezien het eerdere verloop van de opmars, was een aanval vanuit de geallieerde posities langs het Maas-Schelde kanaal. Een andere mogelijkheid waar rekening mee werd gehouden was een landing van het British Fourth Army aan de Nederlandse kust. De Duitsers wisten echter niet dat dit Britse leger slechts een fictief leger was. Hierbij hielden de Duitsers er rekening mee dat het First Allied Airborne Army de opmars zou ondersteunen met luchtlandingen achter de linies.

Met al deze opgevangen, staande en nieuwe troepen, lukte het de Duitse bevelhebbers om een Sperrlinie op te bouwen van Zeebrugge tot aan Maastricht waarbij de Westkant tot Antwerpen werd bezet door de 245. Infanterie-Division (Generalleutnant Erwin Sander), de 64. Infanterie-Division (Generalmajor Knut Eberding) en de 712. Infanterie-Division (Generalleutnant Friedrich-Wilhelm Neumann). Tussen Antwerpen en Herenthals lag de 719. Infanterie-Division met hierop aansluitend de Kampfgruppe Chill tot Hasselt en de 176. Infanterie-Division tot Maastricht. Tussen Kampfgruppe Chill en de troepen van Christian-Johannes Landau werd de 7. Fallschirmjäger-Division (Generalleutnant Wolfgang Erdmann) gepositioneerd. Achter deze linies waren diverse eenheden ondergebracht zodat deze eventuele gaten zouden kunnen opvullen. Centraal binnen deze Sperrlinie positioneerde Kurt Student zijn 1. Fallschirm-Armee die werd versterkt met diverse Kampfgruppen op strategische posities. Verspreid door de linies waren dit Kampfgruppe Hoffmann (Oberst Helmuth von Hoffman, Fallschirmjäger-Regiment 9), Kampfgruppe Heydte (Oberstleutnant Friedrich August Freiherr von der Heydte, Fallschirmjäger-Regiment 6), Kampfgruppe Segler (SS-Hauptsturmführer Dr. Karl Segler, II. / SS-Panzergrenadier-Regiment 19), Kampfgruppe Krause (SS-Hauptsturmführer Gustav Krause, II. / SS-Panzerartillerie-Regiment 9), Kampfgruppe Richter (SS-Hauptsturmführer Friedrich-Wilhelm Richter, II. / SS-Panzergrenadier-Regiment 21), Kampfgruppe Röstel (SS-Sturmbannführer Erwin Franz Rudolf Röstel, SS-Panzer-Sturmgeschütz-Jäger-Abteilung 10), Kampfgruppe Heinke (SS-Sturmbannführer Heinrich Heinke, SS-Feld-Ersatz-Bataillon 10). Al de SS Kampfgruppen werden door Student samengevoegd onder één Kampfgruppe Heinke.

Naast al deze troepen was het II. SS-Panzer-Korps in Nederland gestationeerd om bij te komen van de strijd in Normandië en zich te hergroeperen en herbewapenen. Het korps had nagenoeg al haar operationele tanks verloren en bezat vooral defecte tanks. Wel waren nog veel pantservoertuigen aanwezig. Dit korps werd echter niet onder bevel van Walter Model geplaatst maar onder het legerbevel in Nederland (Friedrich Christiansen). Bevelhebber SS-Obergruppenführer en General der Waffen-SS Wilhelm Bittrich vestigde zijn hoofdkwartier in Kasteel Slangenburg te Doetinchem en stationeerde zijn onderdelen voornamelijk tussen Deventer en Arnhem.

De SS-Kampfgruppe Hohenstaufen, ook wel Kampfgruppe Harzer, de restanten bevattend van de 9. SS-Panzer-Division 'Hohenstaufen' maakte zich vanuit dit gebied klaar om naar Siegen te vertrekken voor herbewapening. Zij zouden tussen 12 en 17 september vertrekken. De eenheid was bij de strijd in Normandië dusdanig gedecimeerd dat ze tijdelijk omgevormd was van een divisie tot een Kampfgruppe. De SS-Kampfgruppe Hohenstaufen/Harzer stond op dat moment onder bevel van de Ia (Stafchef) van de 9. SS-Panzer-Division, SS-Obersturmbannführer Walter Harzer. Zijn werk als Stafchef werd tijdelijk waargenomen door de Ic (Adjutant) SS-Hauptsturmführer Wilfried Schwarz.[24]
De diverse eenheden van de Kampfgruppe Harzer werden vanaf 13 september omgevormd tot zogenaamde Alarmeinheiten, waarmee eventuele luchtlandingen zouden kunnen worden aangevallen. De ervaringen in Normandië hadden immers de Duitsers geleerd dat de geallieerden in staat waren op grote schaal luchtlandingen uit te voeren achter de frontlinie. Hiertoe waren de diverse Alarmeinheiten dan ook gelegerd op locaties waar snel transport via belangrijke wegen kon plaatsvinden.

Het andere onderdeel van het korps, de restanten van de 10. SS-Panzer-Division 'Frundsberg' (SS-Oberführer Heinz Harmel, vanaf 7 september SS-Brigadeführer), zouden uit het gebied vertrekken naar Aken, maar had nog geen definitieve datum vastgesteld. Wel werden het 2. Bataillon, SS-Panzergrenadier-Regiment 19 (SS-Hauptsturmführer Karl Heinz Euling) uit Rheden en een Abteilung, SS-Panzerartillerie-Regiment 9 welke zich in Dieren bevond op 12 september voorlopig bij de 10. SS-Panzer-Division gevoegd.

Beide SS-Panzer-Divisionen waren eerst tijdelijk in Limburg aan de Duitse verdedigingslinie toegevoegd. Toen ze zich verder moesten terugtrekken om in Gelderland te reorganiseren, moesten beide divisies Kampfgruppen afstaan ter verdediging van de frontlinie aldaar. De 10. SS-Panzer-Division stond onder andere een versterkt bataljon af in de vorm van Kampfgruppe Heinke, welke onder bevel van het 1. Fallschirm-Armee kwam en in Weert werd gestationeerd. Later werd de Kampfgruppe Heinke toegevoegd aan de Kampfgruppe Walther. Het zou deze Kampfgruppe Walther zijn die, gelegen bij Neerpelt nabij het Britse bruggenhoofd aldaar, het eerste obstakel zou gaan vormen voor de grondoperatie van Market Garden. Oberbefehlshaber Heeresgruppe B, Walter Model zelf nam zijn intrek in Hotel Tafelberg in Oosterbeek, niet beseffend dat juist daar vlakbij de Britse 1st Airborne Division zou gaan landen.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
Artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Bataillon
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond meestal uit een aantal Kompanien. In theorie bestond een Bataillon uit 500 - 1.000 man.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
Flak
Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
Heeresgruppe
Was de grootste Duitse grondformatie en was direct ondergeschikt aan het OKH. Bestond meestal uit een aantal Armeen met weinig andere direct ondergeschikte eenheden. Een Heeresgruppe opereerde in een groot gebied en kon een paar 100.000 man groot worden.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
Kompanie
Maakte meestal deel uit van een Bataillon of een Abteilung en bestond uit een aantal Züge. In theorie bestond een Kompanie uit 100 - 200 man.
Kriegsmarine
Duitse marine, naast de Heer en de Luftwaffe onderdeel van de Duitse Wehrmacht.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
NSB
Nationaal Socialistische Beweging. Nederlandse politieke partij die symphatiseerde met de Nazi's.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Zondag 17 september 1944

De Luchtarmada

Onder de codenaam "Market" werden de luchtlandingen uitgevoerd ten bate van Operatie Market Garden. De gehele luchtoperatie rond Market Garden omvatte echter veel meer dan alleen de luchtlandingen. Vele luchtmachteenheden werden ingezet ter voorbereiding, ondersteuning en bescherming van de gehele operatie.
Op 16 september 1944, werden door ruim 1400 bommenwerpers bombardementen uitgevoerd op diverse vliegvelden en stellingen met luchtafweer in de omgeving van de doelen voor de luchtlandingstroepen. Daarnaast werden toevoerroutes van de Duitsers zoals spoorknooppunten en knooppunten van wegen onder vuur genomen. Even voor middernacht voerden 200 Avro Lancaster bommenwerpers en 23 de Havilland Mosquito's van RAF Bomber Command luchtaanvallen uit op Duitse vliegvelden in het noorden en midden van Nederland. De US 8th Air Force volgde met 822 Boeing B-17 bommenwerpers en voerde luchtaanvallen uit op luchtafweergeschut langs de transportroutes en de vliegvelden bij Eindhoven, Deelen en Ede. Zij werden ondersteund door 54 Avro Lancasters en 15 de Havilland Mosquito’s van de RAF. Ondertussen voerden 85 Avro Lancaster's en 15 de Havilland Mosquito’s van de RAF luchtaanvallen uit op Duitse posities op het eiland Walcheren waar veel Duits afweergeschut stond. Bij al deze aanvallen verloren de geallieerden 'slechts' twee Boeing B-17 en 3 de Havilland Mosquito toestellen.
Om 9.45 uur (Nederlandse tijd), op zondag 17 september 1944, stegen de eerste vliegtuigen voor de luchtlandingsoperatie op vanaf vliegvelden in Groot-Brittannië. Via twee verzamelpunten, Hatfield en March, trok men richting Nederland. De troepen van de 101st Airborne Division volgden een Zuidelijke route naar Nederland en de 82nd Airborne Division en de 1st Airborne Division een meer Noordelijke route.

Zelfs op 17 september voerden bommenwerpers van de US 34th Bombardment Group (7th Bombardment Squadron en 391st Bombardment Squadron) tussen 11.38 en 11.41 uur nog een bombardement uit op de Duitse troepenconcentratie rond Wolfheze[25], een bombardement dat overigens meer burgerslachtoffers maakte dan dat er daadwerkelijk doelen werden geraakt.


Gebruikte bron(nen): Marcel Kuster, TracesOfWar.nl

XXX Corps in de startblokken

Om 11.00 uur overzag Lieutenant General Brian Horrocks vanaf het dak van een fabriek het kleine bruggenhoofd over het Maas-Scheldekanaal en de onder hem opgestelde aanvalsmacht voor "Garden", de grondoperatie van Market Garden. In de voorhoede van XXX Corps stond de Guards Armoured Division (Major General Allan H.S. Adair) gevormd door de 5th Guards Armoured Brigade (Brigadier Norman G. Gwatkin) en de 32nd Guards (Infantry) Brigade (Brigadier George F. Johnson).[26] De voorhoede van de aanval zou gevormd worden door de Irish Guards Group met het 2nd Armoured Battalion Irish Guards (Lieutenant Colonel Giles A.M. Vandeleur) en het 3rd Battalion Irish Guards (Lieutenant Colonel J.O.E. Vandeleur). Lieutenant J.O.E. Vandeleur voerde hierbij tevens het algehele bevel over de Irish Guards Group. Achter de Guards volgde de 43rd (Wessex) Infantry Division (Major General G. Ivor Thomas) en de 50th (Northumbrian) Infantry Division (Major General Douglas A.H. Graham). Als hekkensluiters volgden nog de 8th Independent Armoured Brigade Group (Brigadier George Erroll Prior-Palmer) en de Prinses Irene Brigade (Kolonel Albert C. de Ruyter van Steveninck). Alles stond gereed om zich over de Corridor via Eindhoven, Son, Sint-Oedenrode, Veghel, Uden, Grave, Nijmegen, Elst, Arnhem naar Apeldoorn te begeven zoals de marsorders bevatten.[27] Onderweg zouden de door de vijand bezette stukken moeten worden overwonnen om contact te maken met de drie luchtlandingsdivisies die langs de route strategische locaties zouden bezetten.

Een deken van vliegtuigen

Terwijl XXX Corps klaar stond, vlogen via de Zuidelijke Route, de 424 transportvliegtuigen over, met aan boord de parachutisten van de 101st Airborne Division (Major-General Maxwell D. Taylor) met bestemming Veghel, Sint-Oedenrode en Son. Langs de meer Noordelijke route naderden de andere twee divisies.
De 1st Airlanding Brigade (Brigadier Philip Hicks) vormde met 320 zweefvliegtuigen de eerste groep en diende even na 13.00 uur te landen op hun landingszone (LZ-S) en een klein deel op dropzone X (DZ-X). Zij zouden binnen een half uur worden gevolgd door 140 transportvliegtuigen met de 1st Parachute Brigade Group (Brigadier Gerald Lathbury). Zij zouden landen op de dan al beveiligde dropzone X.

De 424 Douglas C-47 transportvliegtuigen met de 101st Airborne Division, aangevuld met 70 C-47 toestellen als sleeptoestel voor Waco zweefvliegtuigen vertrokken nagenoeg gelijk met de Britse troepen, evenals de 625 transportvliegtuigen en 50 C-47 sleepvliegtuigen met Waco's van de 82nd Airborne Division (Brigadier James M. Gavin). Tussen de toestellen van de 82nd Airborne Division vlogen de sleepvliegtuigen met de 38 Airspeed Horsa zweefvliegtuigen van het hoofdkwartier van General Frederick Browning die ook bij Nijmegen zouden landen. Terwijl deze troepenmacht in de lucht zich formeerde om 10.25 vlogen vooruit een twaalftal Short Stirling bommenwerpers en zes C-47 transporttoestellen met aan boord de 'Pathfinders' die de landingsgebieden moesten markeren.
Al deze vliegtuigen vormden uiteindelijk een 15 km breed en 150 km lang tapijt van sleepvliegtuigen, ruim 500 zweefvliegtuigen en 1.073 transportvliegtuigen waarin de eerste golf van meer dan 20.000 parachutisten en luchtlandingstroepen werden overgebracht.[28] De luchtlandingsvloot werd begeleid door ruim 1.500 jachtvliegtuigen ter bescherming, waarbij de RAF de Noordelijke en de USAAF de Zuidelijke route begeleidde. Langs de gehele route zorgden bommenwerpers en jachtbommenwerpers ervoor dat de Duitse luchtafweerstellingen werden aangevallen. Militaire doelen rond Nijmegen, Deelen, Ede en Kleve werden door 48 North American B-25 bommenwerpers en 50 deHavilland Mosquito's aangevallen. Afweer van Duitse zijde was minimaal, maar Duitse jachtvliegtuigen en luchtafweergeschut haalden toch nog 68 grotere toestellen, 71 zweefvliegtuigen, 2 RAF-jagers en 18 USAAF-jagers neer.

De grondaanval komt op gang

Om 13.45 uur gaf Brian Horrocks opdracht dat om 14.00 uur het artilleriebombardement zou aanvangen en om 14.35 uur de operatie van start zou gaan. Om klokslag 14.00 uur openden 408 Stuks artilleriegeschut het vuur op de Duitse posities rond Joe’s Bridge, het bruggenhoofd van XXX Corps. Direct na de beschieting gaf Major Desmond J.L. Fitzgerald, commandant van 3rd Squadron van de Irish Guards, het bevel om de opmars te beginnen in de richting van Valkenswaard. Om 14.35 uur zette de eerste tank (Lieutenant Keith Hethcote) zich in beweging. Het 1st Squadron en 2nd Squadron volgden direct, met op hun tanks de manschappen van het 3rd Battalion Irish Guards. De artillerie verlegde het vuur voor de troepen uit, ter ondersteuning. Hierboven zorgden Hawker Typhoon jachtbommenwerpers van RAF No. 38 Group[29] voor luchtsteun.


De brug bij Lommel, het startpunt van de grondoperatie. Gebruikte bron(nen): Public Domain (Onbekende bron)

De tegenstand was bij de opmars veel sterker dan verwacht. Kampfgruppe Walther (Oberst Erich Walther), in hinderlaag langs de weg wist al binnen enkele minuten negen tanks en twee pantserwagens uit te schakelen. Ten westen van diezelfde weg lag het Fallschirmjäger-Regiment 6 (Oberstleutnant Friedrich August Freiherr von der Heydte) dat zich direct in de gevechten mengde.[30] Aan de Oostzijde lag Kampfgruppe Heinke (SS-Sturmbannführer Heinrich Heinke). Even ten westen van Kampfgruppe Walther lag ook nog Kampfgruppe Chill (Generalleutnant Kurt Chill) en ten oosten de 7. Fallschirmjäger-Division. Hawker Typhoon toestellen werden ingeschakeld om de Duitse stellingen uit te schakelen. Het duurde echter enkele uren voordat de opmars kon worden voortgezet.
De Irish Guards, ondersteund op de flanken door infanterie van de 2nd Battalion The Devonshire Regiment (2nd Devons), 231st Infantry Brigade (Brigadier Alexander G. B. Stanier Bart), trokken als eerste verder. Voor Valkenswaard werd de opmars opnieuw afgebroken door aanvallen van een Kompanie van de Panzer-Brigade 107 met acht Sturmgeschütze. Wederom werd de hulp ingeroepen van Hawker Typhoon jagers om de blokkade te beslechten.

Om 16.30 uur bereikten de Irish Guards en het 1st Battalion, The Dorsetshire Regiment, de brug over de Dommel bij Valkenswaard die nog intact was. De geallieerde artillerie kon vanaf 17.00 uur haar vuurlinie verleggen tot vlak voor Valkenswaard. Bij de opmars hadden de Irish Guards toen al 10 tanks verloren. Het was de Duitsers gelukt om dit deel van de opmars al danig te vertragen. Hierbij werd echter een deel van Kampfgruppe Hoffman (Fallschirmjäger-Regiment Von Hoffman, Helmuth von Hoffman) uitgeschakeld en werd Kampfgruppe Heinke (Heinrich Heinke) gedwongen zich terug te trekken naar Achel en Kampfgruppe Kerutt (Major Hellmut Kerutt) naar Schaft. Rond 19.30 uur wist de Grenadier Guards Group dan ook Valkenswaard zelf te bereiken. Hiermee was de opmars voor die dag echter tot een halt gekomen. De rek zat er niet meer in en oprukken gedurende de nacht zou met de onverwachte Duitse tegenstand en zonder luchtsteun onverantwoord zijn.

Adempauze gunstig voor Kurt Student

Bij het vallen van de avond om 19.30 uur waren de voorhoedes van XXX Corps, de Guards Armoured Division, opgerukt tot Valkenswaard, terwijl men eigenlijk al in Eindhoven had moeten zijn.[31] Door de gevechtspauze kon Kampfgruppe Walther zich reorganiseren en haar defensieve posities langs de weg naar Eindhoven versterken.

Ondertussen was Generaloberst Kurt Student in een moeilijke positie terecht gekomen. Zijn 1. Fallschirm-Armee was door de luchtlandingen in twee sectoren gesplitst. Daarnaast had hij moeite om met zijn eenheden in verbinding te blijven. Een verkenningspatrouille bracht hem echter een meevaller. Bij het Wilhelminakanaal, ten Zuiden van Dongen, was een Airspeed Horsa zweefvliegtuig neergekomen. Het toestel, nr. 413[32], had een noodlanding moeten maken vanwege een gebroken sleepkabel. Dit toestel hoorde bij A Squadron, No. 38 Group, betrokken bij het transport van het hoofdkwartier van General Frederick Browning. Aan boord bevonden zich de piloten Staff Sergeant Jock Campbell en Sergeant David Monk en voorts Sergeant Russell D. Greenhalgh, Captain Joseph Peter Astbury, Signaller Watty Adamson, Signaller David H. Fulton, Code Operator Harold Chapman en Lieutenant Prentiss (101st Airborne Division Liaison Officer). Na het neerkomen werden ze aangevallen door een groep Duitse militairen waarbij Sergeant Greenhalgh om het leven kwam. Na ondervraging en doorzoeken van het toestel vonden de Duitse troepen een document, waarschijnlijk de dagorder van de 101st Airborne Division. Doordat Kurt Student echter geen verbinding met Walter Model kon krijgen, lukte het niet de informatie van dit document door te geven. Kurt Student zelf was nu wel op de hoogte van de opmarsroute van XXX Corps en de landingszones en doelstellingen voor de 101st Airborne Division. Tevens waren in het document de transporten voor 18 en 19 september vermeld. Met deze informatie kon Kurt Student zijn troepen reorganiseren, waarbij hij het splitsen van zijn troepen tot een voordeel wist om te zetten. Hij wist nu dat de geallieerden langs een Corridor optrokken en dat hij zijn troepen zodanig kon positioneren dat hij deze Corridor van twee kanten kon aanvallen. Globaal bevond zijn LXXXVI. Armeekorps (General der Infanterie Hans von Obstfelder) zich ten oosten van de geallieerde opmars en het LXXXVIII. Armeekorps (General der Infanterie Hans-Wolfgang Reinhard) ten westen. Hij stuurde het Kampfgruppe Huber (Major Huber, Grenadier-Regiment 1035), delen van het Grenadier-Regiment 1036 van de 59. Infanterie-Division en de Flak-Abteilung 424 naar Best. Kampfgruppe Ewald (Hauptmann Werner Ewald) werd naar Sint-Oedenrode gezonden en Kampfgruppe Duchstein (Fallschirmjäger) naar Veghel. Kampfgruppe Rink (Oberstleutnant Berthold Rink) werd eveneens naar Best gezonden.

Kampfgruppe Huber kreeg opdracht de weg zelf bij Sint-Oedenrode te veroveren. Hiertoe had hij de beschikking over het Grenadier-Regiment 1035, vier Jagdpanthers, enkele eenheden van de 17. Luftwaffen-Feld-Division en van het Luftwaffen-Jäger-Regiment 36, de Kampfgruppe Köppel (Flak-Brigade XVIII) en Heeres-Flak-Artillerie-Abteilung 284.

XII Corps dat één van de flanken van XXX Corps moest dekken, onder bevel van Lieutenant General Neil M. Ritchie, was ondertussen ook in de aanval gegaan, met de 15th (Scottish) Division en de 53rd (Welsh) Division in de voorhoede, maar liep al snel vertraging op doordat zij zware strijd moest leveren met de Kampfgruppe Chill. Voor dit Corps zou het oponthoud typerend worden voor hun voortgang en het gebrek aan flankdekking voor XXX Corps tijdens de verdere opmars.

De Luchtlandingen van de 101st Airborne Division

Met 424 transportvliegtuigen werden de manschappen van de 101st Airborne Division (Major General Maxwell Davenport Taylor) vervoerd naar de Dropzones (DZ) en Landingzones (LZ) bij Best, Son, Sint-Oedenrode en Veghel. Zeventig Douglas Dakota sleepvliegtuigen met zweefvliegtuigen vervoerden de aanvullende voertuigen, voorraden en daarvoor bestemde manschappen. Zij hadden als doel de verovering van de bruggen over de Aa, de Zuid-Willemsvaart, de Dommel en het Wilhelminakanaal. Vervolgens diende de divisie op te rukken naar Eindhoven om aldaar contact te leggen met XXX Corps en een veilige doortocht te garanderen naar het gebied van de 82nd Airborne Division.


Gebruikte bron(nen): Marcel Kuster, TracesOfWar.nl

Het 501st Parachute Infantry Regiment (Colonel Howard R. Johnson) had Veghel met haar bruggen als primair doel. Het 1st Battalion (Lieutenant Colonel Harry W.O. Kinnard) diende op Dropzone A1 te landen bij de spoorbrug over de Aa. De eenheid was echter rond 13.00 uur per abuis bij Heeswijk gesprongen, aan de verkeerde kant van de rivier de Aa. Rond 16.00 uur wist hij alsnog Veghel te bereiken en samen met 2nd Battalion de spoorbrug te veroveren en Veghel in te nemen. Het 2nd Battalion (Lieutenant Colonel Robert A. Ballard) en het 3rd Battalion (Lieutenant Colonel Julian J. Ewell) waren correct op Dropzone A bij Veghel geland. Het 2nd Battalion veroverde samen met het later aankomende 1st Battalion de spoorbrug over de Aa en de verkeers- en spoorbrug over de Zuid-Willemsvaart. Het 3rd Battalion was ondertussen iets na 15.00 uur erin geslaagd om de weg tussen Veghel en Sint-Oedenrode te blokkeren. Met deze wegblokkade richting Sint-Oedenrode door 3rd Battalion richtten 1st en 2nd Battalion een verdedigingslinie rond Veghel in.

Het 502nd Parachute Infantry Regiment (Colonel John H. Michaelis) landde op Dropzone B bij Sint-Oedenrode. Hier trok 1st Battalion (Lieutenant Colonel Patrick J. Cassidy) direct naar Sint-Oedenrode, veroverde de plaats en de verkeersbrug over de Dommel. Het bataljon moest hiervoor kort strijd leveren met Duitse eenheden van Flieger-Regiment 93, behorende bij Kampfgruppe Gotsche (Generalmajor Reinhold Gotsche) welke in Sint-Oedenrode haar commandopost had.[33] Het 3rd Battalion (Lieutenant Colonel Robert G. Cole) zelf richtte het landingsterrein in ter verdediging vanwege de latere komst van de zweefvliegtuigen en nam op diverse punten strategische posities in langs de opmarsroute. H Company (Captain Robert E. Jones) van het 3rd Battalion werd naar de brug over het Wilhelminakanaal bij Best gezonden. De brug was aangemerkt als een secundair doel, maar omdat de andere bruggen relatief eenvoudig in handen waren gevallen besloot men ook deze burg te veroveren. De versterkte compagnie trok via het Sonse bos en toen men in het westen de bosrand bereikte, stuitte men op een vuurlinie van Kampfgruppe Rink. Deze had met het Feld-Ersatz-Bataillon 347 en het I. Bataillon, SS-Polizei-Sicherungs-Regiment III, vier stuks flak op een kruispunt in Best op de weg tussen Eindhoven en Boxtel een verdedigingslinie ingericht. H Company probeerde nog door de pelotons in een omsingelende beweging van meerdere kanten te laten oprukken verder te komen, maar de tegenstand was te zwaar voor één compagnie. Hij liet Lieutenant Colonel Cole inlichten en om versterking vragen. Op dat moment naderde vanuit Boxtel een Duitse kolonne met twaalf vrachtwagens en twee stuks gemechaniseerd 20mm geschut. Dit waren versterkingen van de 245. Infanterie-Division voor Best. Lieutenant Colonel Cole liet ondertussen om 18.00 uur de rest van 3rd Battalion naar Best oprukken. Het gelukte echter niet meer om op 17 september de Duitsers te verdrijven. Door de vlotte verovering van de aan het regiment gestelde doelen kon men 2nd Battalion (Lieutenant Colonel Steve A. Chappuis) in reserve houden.

Het 506th Parachute Infantry Regiment (Lieutenant Colonel Robert F. Sink) landde zonder veel tegenstand op Dropzone C, gelegen op de Sonse Heide. Alle drie haar bataljons trokken na de landing op naar Son. Het 1st Battalion (Lieutenant Colonel James L. LaPrade) volgde een route door de bossen en over de velden. Via een route langs de hoofdweg in de richting van de verkeersbrug over het Wilhelminakanaal trok 2nd Battalion (Lieutenant Colonel Robert L. Strayer). Als reserve, volgde 3rd Battalion (Major Oliver M. Horton) de route van 2nd Battalion. Bij nadering van Son kwam de eenheid onder vuur te liggen van drie stuks 88 mm geschut en haar beschermende eenheid. Men wist het obstakel uit te schakelen en verder op te trekken naar de brug. Toen de troepen de brug bij Son naderden werd deze door de Duitsers opgeblazen. De verdediging werd hier gevormd door Kampfgruppe Fullriede ( Fritz Fullriede, II. Abteilung, SS-Panzer-Ersatz und Ausbildungs-Regiment Hermann Göring). Onder dekking van 2nd Battalion trok 1st Battalion voorwaarts en nadat enkele manschappen het kanaal zwemmend en per roeiboot waren overgetrokken wist men de verdedigers op de vlucht te jagen. Een peloton van Company C, 326th Airborne Engineer Battalion lukte het om binnen twee uur een voetgangersbrug te plaatsen.[34] Om 23.00 uur was het gehele regiment het Wilhelminakanaal overgestoken. Company A en Company D veroverden vervolgens zonder noemenswaardige tegenstand het plaatsje Son zelf. In Son bleken de twee bruggen aldaar al opgeblazen te zijn.

De luchtlandingen van de 82nd Airborne Division

De 82nd Airborne Division (Brigadier General James Maurice Gavin) werd met 482 Douglas Dakota toestellen vervoerd. Zij voerde luchtlandingen uit bij Grave ter verovering van de brug over de Maas aldaar, bij Overasselt ter verovering van de bruggen over het Maas-Waalkanaal en bij Groesbeek ten behoeve van de verovering van de Waalbruggen (spoor- en verkeersbrug) bij Nijmegen en de hoogvlakte bij Groesbeek. De verovering van de hoogvlakte bij Groesbeek was van belang om de toegang vanuit Duitsland via het Reichswald af te grendelen en de landingsterreinen te beschermen. Een vijftigtal sleepvliegtuigen bracht de zweefvliegtuigen met A Battery, 80th Airborne Anti Aircraft & Anti Tank Battalion.[35]


Gebruikte bron(nen): Marcel Kuster, TracesOfWar.nl

De luchtarmada met de troepen van de 82nd Airborne Division kreeg het zwaar te verduren tijdens hun vlucht over bezet Nederland. Diverse transportvliegtuigen en zweefvliegtuigen moesten vroegtijdig een noodlanding maken of werden neergehaald.

Met 137 Douglas Dakota toestellen werd het 504th Parachute Infantry Regiment (Lieutenant Colonel Rueben H. Tucker) ingevlogen. Om 13.15 uur landden de eerste para’s van het regiment op Dropzone O[36] bij Overasselt. Ze waren om 12.47 uur voorafgegaan door twee toestellen die een groep Pathfinders hadden gedropt. Het overgrote deel van deze troepen was bestemd voor de verovering van de vier bruggen (gecodeerd Bridge 7, Bridge 8, Bridge 9 en Bridge 10) over het Maas-Waalkanaal. Major Willard E. Harrison, Commanding Office van 1st Battalion, dirigeerde direct na de landing de manschappen van B Company (Captain Thomas C. Helgeson) richting de brug over het Maas-Waalkanaal bij Heumen, Bridge 7 volgens de aanvalsplannen, en C Company (Captain Albert E. Milloy) richting de brug bij Malden, Bridge 8, over hetzelfde kanaal. A Company werd achter de hand gehouden bij te springen waar nodig. Rond 15.30 uur bereikte B Company de brug bij Heumen.[37] Vrijwel direct kwam de groep onder vuur te liggen vanaf het eiland in het kanaal. Om 16.00 uur werd een eerste poging gedaan de eerste brug naar het eiland te passeren. Een klein deel van de manschappen wist de eerste brug naar het eiland te passeren, maar raakte aldaar vast in Duits afweervuur. Rond 16.45 uur wist men enige versterkingen op het eiland te krijgen en om 17.00 uur probeerde men door te stoten naar de andere oever. Het Duitse afweervuur hield verdere voortgang echter tegen. 3rd Platoon van A Company werd er op uitgestuurd om extra vuursteun te kunnen geven. Rond 19.30 uur werd de aanval hervat en na hevige gevechten kon rond 23.00 uur gemeld worden dat de brug bij Heumen was veroverd.[38]
C Company, onder bevel van Captain Albert E. Milloy, trok na de landing bij Overasselt in de richting van Malden voor de verovering van de brug over het Maas-Waalkanaal (Bridge 8) aldaar. Hiervoor kreeg C Company versterking van Headquarters Company.[39].Tegen 14.15 uur trok men richting de brug en ondernam 1st Platoon onder bevel van Lieutenant Howard A. Kemble een frontale aanval op de brug terwijl 2nd Platoon onder bevel van Sergeant William L. Reed vuursteun leverde. Vanwege het zware afweervuur van de Duitse troepen raakte de aanval in een impasse. Door 2nd en 3rd Platoon langs de flanken te laten oprukken wist men uiteindelijk een goede aanvalspositie te bereiken. Tegen 16.15 uur was men de brug zo dicht genaderd dat een nieuwe poging werd gedaan de brug in te nemen. Op dat moment werd de brug door de Duitsers opgeblazen.[40]

Rond dezelfde tijd als de landingen bij Overasselt, landde 2nd Battalion, 504th Parachute Infantry Regiment[41] rond de brug bij Grave. D Company, F Company en Headquarters Company onder bevel van Major Edward N. Wellems[42] sprongen ten Noorden van de brug in het zuidelijke gedeelte van Dropzone O, terwijl E Company (Captain Walter S. Van Spoyck) ten zuiden van de brug haar landingszone (Special DZ) had. Vanuit Molenhoek konden vier 81 mm mortieren de aanval ondersteunen.

Lieutenant-Colonel Wellems had voorafgaande aan de landing zijn officieren geïnstrueerd dat verovering van de brug essentieel was en dat men derhalve prioriteit moest geven aan het zo snel mogelijk bereiken van die brug boven zich begeven naar het afgesproken verzamelpunt.[43] Hierdoor trok een mengeling van eenheden direct na de landing aan de noordzijde in de richting van de brug. Al om 13.45 uur bereikte Lieutenant William L. Watson met een kleine groep de noordelijke oprit. De enige tegenstand trof men aan van Duitsers in schuttersputjes, terwijl een kazemat met een 20mm geschut erop was verlaten.

Bij de landing van E Company liet het toestel van Lieutenant John S. Thompson met vijftien manschappen deze te laat springen, waardoor zij niet op de landingszone, maar dichter bij Grave op ongeveer 650 meter ten Zuidwesten van de brug landden, veel dichter bij de brug dan de rest van E Company. Na enige schermutselingen op de weg leidend naar de zuidelijke oprit, schakelde hij met zijn manschappen de twee kazematten rond de oprit, bewapend met twee stuks 20 mm luchtafweergeschut uit. Daarna schakelde men de verdediging rond het Gemaal van Sasse uit en nam stelling in bij de zuidelijke toegang tot de brug. De inname van de zuidelijke oprit om 14.15 uur was hiermee voor de Duitsers een volledige verrassing.

Rond 14.30 uur arriveerde de rest van het 2nd Battalion en was de noordelijke oprit zelf zeker gesteld. Van beide kanten langs de noordelijke rivieroever kwam de eenheid onder vuur te liggen door Duitse opstellingen met 20 mm geschut en patrouilles werden erop uitgezonden deze uit te schakelen. Hierbij gaf men vuursteun met een onbeschadigd stuk 20 mm geschut dat bij de brug was veroverd. Om 15.35 uur had men het vijandelijk vuur het zwijgen opgelegd en was de brug bij Grave stevig in Amerikaanse handen. Rond 15.30 uur was de gehele noordoever rond de brug gezuiverd van alle Duitse tegenstand. 2nd Battalion stelde zich vervolgens rond de beide toegangen naar de brug op ter verdediging van eventuele Duitse tegenaanvallen. Lieutenant John M. Bigler, C Company, 307th Airborne Engineer Battalion ging vervolgens aan het werk om alle explosieven, waarmee de brug was ondermijnd te verwijderen.[44] Het 3rd Battalion had ondertussen verdedigende posities betrokken langs de weg Grave-Nijmegen.

Het 505th Parachute Infantry Regiment (Colonel William E. Ekman) landde op Landingzone N/Dropzone N. Dit terrein lag op de Knapheide nabij Klein Amerika, ten Zuiden van Groesbeek. De opdracht voor het regiment was de veroveringen van Groesbeek zelf, het afgrendelen van het Reichswald en de verovering van de spoorbrug bij Mook.[45] Na het bereiken van deze doelstellingen diende het 505th Parachute Infantry Regiment de gehele Zuidelijke toegang tot de landingszone en Nijmegen veilig te stellen en te assisteren bij de verovering van de bruggen over het Maas-Waalkanaal. LZ-N/DZ-N diende beveiligd te worden aangezien hier tevens 82nd Airborne Headquarters en een deel van het 307th Airborne Engineer Battalion (Colonel Edwin A. Bedell) direct na de initiële landingen gingen landen.

Een kleine 20 minuten later werd dit nog eens gevolgd door een deel van het 376th Parachute Field Artillery Battalion en de voorhoede van het 456th Parachute Field Artillery Battalion.
Naast de zweefvliegtuigen met de artillerie, werd eveneens een deel van het 325th Glider Infantry Regiment aangevoerd. Buiten de para’s en zweefvliegtuigen voor de 82nd Airborne Division, landden op Landingzone N ook zes Waco en 32 Horsa gliders met het I Airborne Corps Headquarters van Lieutenant General Frederick Browning. James Gavin vestigde zijn hoofdkwartier van de 82nd Airborne Division in Groesbeek in hotel ‘De Wolfsberg’.

Groesbeek werd rond 15.00 uur veiliggesteld door het 3rd Battalion (Major James L. Kaiser), 505th Parachute Infantry Regiment.[46] Hierna stelde het bataljon zich in ter verdediging ten noordoosten en zuidoosten van Groesbeek en LZ-N. Het zwaartepunt werd hierbij gericht naar de grens met Duitsland. Bij de verovering van Groesbeek had 3rd Battalion assistentie gehad van 2nd Battalion (Lieutenant Colonel Benjamin H. Vandervoort) die op Dropzone T waren geland. Hierna stelde 2nd Battalion om 15.45 uur de Hoge Hoenderberg (Hill 81.8) veilig en zond Benjamin Vandervoort patrouilles uit in de richting van de bruggen over het Maas-Waalkanaal bij Heumen en Malden. Het 1st Battalion had ondertussen posities betrokken tussen Groesbeek, Riethorst en Mook waarbij de weg Nijmegen-Gennep kon worden gecontroleerd. De spoorbrug bij Mook kon niet meer worden veroverd aangezien de Duitsers deze om 19.00 uur opbliezen.

De eerste manschappen van 508th Parachute Infantry Regiment (Colonel Roy E. Lindquist) die boven Dropzone T sprongen, waren leden van het 1st Battalion (Lieutenant Colonel Shields Warren) om 13.28 uur. DZ-T was gesitueerd nabij de Wylerbaan, Voxhill en landgoed Den Heuvel. Ongeveer 40 minuten later trok het 1st Battalion via de bossen tussen Groesbeek en Nijmegen naar hun eerste doel, De Ploeg ten Zuidoosten van Nijmegen vlakbij de Heilige Landstichting. Hierbij werd nagenoeg geen enkele tegenstand ontvangen en men groef zich bij De Ploeg in. Om 18.25 uur vestigde Colonel Lindquist hier het Regimental Command Post gevestigd.[47]

Op datzelfde moment was een peloton van C Company (Lieutenant Robert J. Weaver) met de S-2 sectie en twee eskadrons lichte machinegeweren via een directe route in de richting van de Waalbrug gezonden om polshoogte te nemen. Nog voor men zich goed en wel had kunnen ingraven bij De Ploeg, beval Colonel Roy Lindquist aan Lieutenant-Colonel Warren Shields om met zijn 1st Battalion op weg te gaan om de Waalbrug in te nemen. Dit bevel was rond 19.00 uur gekomen nadat James Gavin aan Roy Lindquist had laten weten niet langer te wachten met het aanvallen van de Waalbrug. Hoewel Roy Lindquist duidelijk opdracht had de Waalbrug aan te vallen, is het altijd onduidelijk gebleven hoe strikt deze orders waren. Interviews en bronnen na de oorlog geven aan dat Roy Lindquist opdracht had zijn 1st Battalion naar de Waalbrug te sturen, zo snel als hij dit mogelijk en verantwoord achtte. Colonel Roy Lindquist, een van nature voorzichtige bevelhebber, kwam dan ook pas in actie toen hij hier rechtstreeks door General James Gavin toe werd aangespoord.[48] Door ruimte te laten voor eigen interpretatie door Colonel Roy Lindquist, lijkt het er op dat General James Gavin mogelijk zelf hierdoor vertraging veroorzaakte. In tegenstelling tot het advies van General James Gavin (een route te nemen via de buitenrand van Nijmegen), werden A Company en B Company via het centrum naar de Waalbrug gezonden omdat deze route langs het hoofdkwartier van het verzet in Nijmegen liep en men daar eerst inlichtingen over de Duitsers wilde halen.

Het 2nd Battalion (Major Otho E. Holmes) trok richting de bruggen over het Maas-Waalkanaal bij Hatert, die zij diende te veroveren als ondersteuning voor 504th Parachute Infantry Regiment. D Company werd achtergelaten bij Dropzone T ter beveiliging van het landingsterrein. Het 2nd Battalion zou echter een lange weg moeten afleggen voor zij hun doelstellingen bereikten en zouden dit pas gedurende de nacht kunnen volbrengen.

In de tussentijd waren de manschappen van het 3rd Battalion (Lieutenant-Colonel Louis G. Mendez) gearriveerd op hun verdedigende posities ten oosten van de Waalbrug, rond Berg en Dal. Het bataljon was om 13.36 uur gesprongen boven de landingszone en had rond 16.30 uur Berg en Dal veroverd. Rond 18.30 uur werd G Company (Captain Russel C. Wilde) voorwaarts gezonden voor een verkenning richting de Waalbrug. Vooruitgeschoven verkenningspatrouilles hadden al gerapporteerd dat er weinig tegenstand op de toegangswegen richting Nijmegen was. Tegen de tijd dat de zon onder ging was G Company al gesetteld op Heuvel 64.6, op korte afstand van de brug.[49] Rond 20.00 uur lagen zij in een perfecte positie om een aanval op de, toen nog matig verdedigde brug, te ondernemen.[50] Zij hadden echter geen opdracht de brug in te nemen, maar moesten de toegangsweg richting de landingszone van deze richting uit verdedigen.
De ondertussen aangevangen opmars van het 1st Battalion, kon redelijk ongehinderd tot het Keizer Karelplein oprukken voor de eerste aanval op de Waalbrug. Daar de eenheid onder vuur te liggen van Duitse pantserwagens. De Amerikanen waren hierbij gestuit op een groep Duitse pantserwagens van SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9 die de Betuwe in gezonden waren en ook Nijmegen verkenden. Na enige schermutselingen wist men uiteindelijk het Keizer Karelplein te bereiken.

Rond het Keizer Karelplein en het Keizer Lodewijkplein had Kampfgruppe Hencke (Oberst Friedrich Hencke, Fallschirmjäger-Lehrstab 1) haar posities ondertussen versterkt. Kampfgruppe Hencke was samengesteld uit diverse groepen in en rond Nijmegen aanwezige eenheden. Zelf commandeerde Friedrich Hencke zijn Fallschirmjäger-Lehrstab 1 en het II. Bataillon, Fallschirmjäger-Panzer-Ersatz und Ausbildungs-Regiment ‘Hermann Göring’. Deze laatste was onder andere uitgerust met enkele lichte PzKpfw II tanks die rond de verkeersbrug waren gepositioneerd. Tevens onder zijn bevel had Hencke de Kampfgruppe Runge (SS-Sturmbannführer Otto Runge) met een compagnie SS-Junkerschule, Regiment Hermann Göring, drie compagnieën Ersatz und Ausbildungs-Bataillon 6, de 406. Landesschützen-Division en enkele andere kleinere eenheden. Andere groepen onder bevel van Friedrich Hencke waren Kampfgruppe Melitz (Major Engelbert Melitz) met bewakings- en politie-eenheden, Kampfgruppe Ahlhorn (Major Ahlhorn) met onderdelen van Grenadier-Ersatz und Ausbildungs-Bataillon 365. Als losse eenheden had Friedrich Hencke nog de beschikking over de 4. Kompanie en 5 Kompanie, 14. Schiffstamm-Abteilung, 4. Batterie, schwere Flak-Abteilung 572 en een Flak-Ersatz-Abteilung.[51] Korte tijd kreeg men hier bezoek van voertuigen van SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9 (SS-Hauptsturmführer Viktor Gräbner) die een verkenning uitvoerde en ook in Nijmegen polshoogte nam. Na kort in gevecht te zijn geweest rond het Keizer Karelplein, keerden de pantserwagens terug naar Elst.

Ondertussen ging de hoofdaanval vanaf het Keizer Karelplein voort richting de Waalbrug. Op dat moment kwam er echter een stevige Duitse tegenaanval waardoor de aanval vastliep nog voordat deze goed en wel op gang was gekomen. De Amerikanen zagen zich genoodzaakt terug te trekken tot een gebied rond het Keizer Karel Plein. Toch wisten verspreide groepen para's de Waalbrug zelf of directe omgeving te bereiken en leverden verbitterd strijd met de stevige Duitse verdediging die ondertussen was samengetrokken. Sommigen groepen parachutisten raakten geïsoleerd van de hoofdmacht en moesten zich schuilhouden tot op 19 september opnieuw een aanval zou worden uitgevoerd op de Waalbrug. Captain Jonathan E. Adams leidde in de nacht zelfs een patrouille van pelotonformaat waarbij de Belvedère Toren werd bereikt, bedieningspanelen die mogelijk bedoeld waren voor het opblazen van de brug werden vernield en twee man van de patrouille zelfs de Waalbrug zelf wisten te bereiken.[52] Nadat deze eerste aanval was mislukt, werd besloten de volgende dag, langs een andere route een tweede aanval op de Waalbrug te wagen.

De luchtlandingen van de Britse 1st Airborne Division

Een vloot van 145 transportvliegtuigen en 358 sleepvliegtuigen met zweeftoestellen bracht de eerste landingsgolf van de 1st Airborne Division.


Gebruikte bron(nen): Marcel Kuster, TracesOfWar.nl

Rond 12.40 uur sprongen de leden van de 21st Independent Parachute Company (Major Bernard A. Wilson)[53] uit de twaalf Short Stirling toestellen van No. 190 Squadron en No. 620 Squadron. Elk van de drie te beveiligen landingsterreinen werd door een peloton ingenomen en gemerkt voor de aankomende luchtlandingen. Slechts twee gewonden waren te betreuren, door ongevallen tijdens de landing.

Even na 13.00 uur landde de 1st Airlanding Brigade (zoals aangegeven zonder A en C Company, 2nd South Staffordshires) op Landingzone S oftewel Reijerscamp. Van de 153 vertrokken zweefvliegtuigen gingen er om diverse redenen 19 verloren of keerden terug naar Engeland. Om 13.19 uur landden op de Renkumse Heide, Landingzone Z de toestellen van de Divisional Headquarters, met ongeveer de helft van de divisie eenheden, het Reconnaissance Squadron, twee batterijen van de 1st Airlanding Light Regiment en de voertuigen en antitankgeschut van de 1st Parachute Brigade. Van de 167 zweefvliegtuigen bedoeld voor LZ-Z gingen 17 toestellen verloren of keerden terug naar Engeland. De landingen van de zweefvliegtuigen vonden zonder noemenswaardige tegenstand plaats. Slechts enkele Duitse militairen konden reageren, maar met deze tegenstand werd al snel afgerekend. Enkele zweefvliegtuigen verongelukten bij de landingen, waarbij met name de grotere General Aircraft Hamilcar zweefvliegtuigen moeite bleken te hebben met het landingsterrein. Deze Hamilcars waren voornamelijk geladen met het zwaardere materieel.

Om 13.40 uur was de laatste glider geland. Kort daarna, om 13.50 uur begonnen de luchtlandingen van de 1st Parachute Brigade op de Renkumse Heide Dropzone X/Landingzone X, waarbij ook de meeste manschappen van het Reconnaissance Squadron zich bevonden. Ook deze landingen verliepen uitstekend en zonder noemenswaardige Duitse tegenstand. Direct na de landing bleek de meegenomen radioapparatuur echter niet goed te functioneren. Hiermee was de eerste landing bij Arnhem compleet.

Terwijl de 1st Parachute Brigade zich gereed maakte om naar Arnhem te trekken, begon de 1st Airlanding Brigade zich rond de landingsterreinen in te graven teneinde deze te kunnen verdedigen tegen eventuele aanvallen van Duitse zijde. Twee pelotons van de 2nd South Staffordshires bezetten het stadje Wolfheze, terwijl de rest van dit bataljon de noordoostelijke zijde van Landingzone Z beschermden. Het 1st Battalion, The Border Regiment (1st Borders) vestigden zich ter verdediging rond Dropzone X en Landingzone Z. De eenheid stond tijdelijk onder bevel van Major H. S. Cousens omdat het toestel met Lieutenant Colonel Tommy Haddon wegens problemen had moeten terugkeren naar Engeland. A Company (Major Thomas Montgomery) nam de noordelijke sector bij de spoorlijn voor haar rekening. D Company (Captain William K. Hodgson) bezette het plaatsje Heelsum en B Company (Major Tom Armstrong) de plaats Renkum en met name de steenfabrieken in de uiterwaarden, waarmee zij de toegangsweg vanuit Arnhem, de Utrechtseweg, konden afgrendelen. C Company (Major William Neill) betrok de Oostrand van de landingszone.

De 7th King's Own Scottish Borderes (Lieutenant General Robert Payton Reid) trokken naar de Ginkelse Heide, waar zich Dropzone Y bevond. Hier zou op de tweede dag de 4th Parachute Brigade landen. A Company (Major Robert G. Buchanan) bezette hierbij de weg tussen Arnhem en Ede, de Amsterdamseweg (tegenwoordig verlengde Arnhemseweg). B Company (Major Michael B. Forman) bezette de bosrand aan de westzijde met C Company (Major G.M. Dinwiddie) langs de spoorlijn Arnhem-Utrecht). D Company (Major Charles Gordon Sherriff) beveiligde de bosrand ten zuidoosten. Ook deze operatie verliep zonder noemenswaardige tegenstand.

De landingsgebieden van de Britten bevonden zich op ongeveer 13 kilometer afstand van de Arnhemse bruggen. Al direct tijdens de opmars naar Arnhem kregen de Britten te maken met sterke Duitse tegenstand en al snel bleek dat zij op de restanten van twee Duitse SS Pantserdivisies waren gestoten die rond Arnhem tot rust aan het komen waren van de strijd in Frankrijk. Bij de opmars naar Arnhem kon die eerste dag maar een deel van de Airbornes worden ingezet. De 1st Airborne Brigade, onder leiding van Brigadier Philip Hicks had opdracht het landingsterrein bezet te houden vanwege de luchtlandingen die de volgende dagen zouden plaatsvinden.

Duitse reactie

De luchtlandingen konden met hun enorme omvang onmogelijk onopgemerkt blijven door de Duitsers. Lokaal hadden de Duitse bevelhebbers echter nog geen idee van de totale omvang. In zijn hoofdkwartier Hotel Tafelberg, kon Generalfeldmarschall Walter Model maar één reden bedenken waarom de geallieerden bij Arnhem landden en dat was zijn aanwezigheid. Hij verliet zijn hoofdkwartier dan ook vrijwel direct en vertrok naar Arnhem.[54] In Arnhem ging hij direct op zoek naar Feldkommandantur 642 in Villa Heselbergh, waar Generalmajor Friedrich Kussin het bevel voerde over Noord-Arnhem. Na hem de nodige bevelen te hebben overhandigd, reed Model door naar Kasteel Slangenburg, het Hoofdkwartier van Bittrich, in Doetinchem. Hier kwam hij tegen 15.00 uur met zijn Ia (Stafchef) General Hans Krebs, aan. Daar nam hij direct contact op met de Oberbefehlshaber West, Generalfeldmarschall Gerd von Rundstedt om de nodige versterkingen te regelen. Hierna begaf hij zich naar Kasteel Wisch in Terborg, iets zuidelijker, waar zijn staf ondertussen het hoofdkwartier had ingericht.[55]

Georganiseerd als de Duitse bevelvoering was, werden de diverse rapporten al snel samengevoegd tot een totaalbeeld en wisten de Duitsers zich op onnavolgbare wijze te reorganiseren met de tot hun beschikking staande troepen. Walter Model plaatste direct het II. SS-Panzer-Korps onder bevel van zijn Heeresgruppe B en verdeelde het strijdgebied in drie overzichtelijke sectoren van aandacht. De zuidelijke sector, het opmarsgebied van XXX Corps en de landingsgebieden van de 101st Airborne Division, de midden sector rond Groesbeek-Nijmegen en de noordelijke sector Arnhem-Oosterbeek. Generaloberst Kurt Student kreeg het bevel over de zuidelijke sector en kreeg hiertoe de nodige versterkingen in de vorm van de 59. Infanterie-Divison en Panzer-Brigade 107. Wehrkreis VI kreeg de sector Nijmegen-Groesbeek toegewezen waarbij Korps Feldt het zwaartepunt zou vormen. Zij kreeg hierbij versterking van de 406. Landesschützen-Infanterie-Division en delen van het II. Fallschirmjäger-Korps. De sector Oosterbeek-Arnhem werd aan Friedrich Christiansen toegewezen die daarbij de beschikking had over de Kampfgruppe Von Tettau en het II. SS-Panzer-Korps van Wilhelm Bittrich.

Walter Harzer, die op dat moment tijdelijk het bevel voerde over de 9. SS-Panzer-Division, bevond zich in de ochtend met twee van zijn officieren in Hoenderloo bij de SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9 voor de Ridderkruisuitreiking aan haar Kommandant SS-Hauptsturmführer Viktor Gräbner. Hij zou dit ontvangen voor acties in Normandië. Zijn hele afdeling was hiervoor aangetreden. Zij waren allen getuige van de Britse luchtlandingen. De pantserwagens van de afdeling waren echter al opgeladen op treinen om te worden overgedragen aan de 10. SS-Panzer-Division. Besloten werd de ceremonie in te korten en direct aan de slag te gaan met het rijklaar maken van de voertuigen.[56] Zij zouden zich direct naar Velp moeten begeven, waarna een deel naar Nijmegen werd gedirigeerd en een ander deel naar Oosterbeek.

In Brummen had SS-Hauptsturmführer Hans Möller, bevelhebber van het SS-Panzer-Pionier-Bataillon 9 de luchtlandingen gadegeslagen. Zich realiserend was er gebeurde, alarmeerde hij zijn eenheid en om 14.00 uur begaf hij zichzelf naar het hoofdkwartier van de 9. SS-Panzer-Division.[57]

De bevelhebber van het SS-Panzergrenadier-Ausbildungs und Ersatz-Bataillon 16, SS-Sturmbannführer Sepp Krafft zag vanuit zijn hoofdkwartier in Wolfheze de parachutisten dichtbij neerkomen en aarzelde geen moment. Om 12.30 uur[58] gaf hij al het bevel aan zijn bataljon tot algehele paraatheid. Hij organiseerde zijn 2. Kompanie en 4. Kompanie als Kampfgruppe Krafft (Bataillon Krafft). Zijn derde compagnie de 9. Kompanie, bestond uit langdurig zieken en bevond zich nog in de Coehoornkazerne in Arnhem.[59]
Sepp Krafft realiseerde zich vrijwel direct dat de luchtlandingstroepen de brug bij Arnhem tot doel moesten hebben en reageerde dan ook gelijk om deze dreiging het hoofd te kunnen bieden. Opererend vanuit Hotel Wolfheze, positioneerde hij zijn manschappen zodanig dat hij vrijwel iedere route van Landingzone Z richting Arnhem kon afgrendelen. Hij liet een linie opstellen van de spoorlijn Wolfheze-Arnhem tot aan de Utrechtseweg, precies langs de routes die zouden worden genomen door het Reconnaissance Squadron, 1st Parachute Battalion en 3rd Parachute Battalion. Krafft hoopte dat hij de opmars zodanig kon afremmen dat troepen rond Arnhem de tijd kregen zich te reorganiseren. Rond 15.30 kreeg hij ook nog de beschikking over zijn 9. Kompanie die uit Arnhem was overgebracht.
Al spoedig na de luchtlandingen had het hoofdkwartier van het II. SS-Panzerkorps de haar toebedeelde eenheden al in opperste paraatheid gebracht via de Adjutanten van de divisies. Om 16.00 uur[60] vaardigde SS-Obergruppenführer Wilhelm Bittrich aan de 9. SS-Panzer-Division het bevel uit om Arnhem te bezetten, de luchtlandingstroepen vast te pinnen op hun posities en vervolgens te vernietigen. De 10. SS-Panzer-Division diende zich naar Nijmegen te begeven en aldaar een bruggenhoofd te formeren en zo de vijand de toegang tot de noordzijde van de Waal te ontzeggen.

Walter Harzer gaf vanuit zijn hoofdkwartier Hotel Beekhuizen ten noordoosten van Velp, opdracht aan zijn troepen om een Kampfgruppe Harzer te verzamelen bij Kasteel Biljoen nabij Vught en van daaruit naar Oosterbeek te trekken. Om 16.30 uur kreeg hij echter het bevel dat hij zijn SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9 naar Nijmegen moest dirigeren voor een verkenningsoperatie. Hij mocht tien van de pantserwagens behouden voor de opmars naar Oosterbeek. Om 17.00 uur had de SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9 zich bij Kasteel Biljoen verzameld. Rond 17.30 uur trok Viktor Gräbner met het grootste deel van zijn eenheid richting Nijmegen. De SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 10 onder bevel van SS-Sturmbannführer Heinrich Brinkmann, welke onder bevel van de 9. SS-Panzer-Division was gesteld werd naar Arnhem gedirigeerd.

Alleen de SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9 wist echter de Rijnbrug te passeren met 30 pantserwagens, voordat de 1st Parachute Brigade aldaar arriveerde en de brug afgrendelde. Na het gebied tussen Arnhem en Nijmegen te hebben uitgekamd naar neergekomen para's, liet Viktor Gräbner een deel van zijn voertuigen naar Nijmegen gaan en trok zelf met zijn hoofdmacht naar Elst. De doorgezonden pantserwagens kwamen in Nijmegen aan op het moment dat op 17 september het 508th Parachute Infantry Regiment een eerste aanval op de Waalbrug ondernam.[61] Tot die tijd was de verdediging van Nijmegen in handen van Kampfgruppe Hencke, een adhoc eenheid met ongeveer 750 manschappen. Direct na de luchtlandingen hadden zij hun verdedigingswerken rond het Keizer Karelplein in het Nijmeegse centrum en het Keizer Lodewijkplein bij de brug versterkt en kregen dus ook nog tijdelijk ondersteuning van de pantserwagens van Viktor Gräbner.

Ondertussen was Generalfeldmarschall Walter Model ook in actie gekomen. Alle troepen in Noord-Nederland werden in de hoogste paraatheid gebracht en de regionale troepen en trainings-eenheden bij Arnhem werden samengevoegd onder de Kampfgruppe Von Tettau. Generalleutnant Hans von Tettau, de bevelhebber, was de meerdere van SS-Sturmbannführer Sepp Krafft en was dan ook goed op de hoogte van zijn posities. Hans von Tettau beval de 6. Kompanie, 14. Schiffstamm-Abteilung zich van hun positie bij Opheusden, via de Grebbe, de Nederrijn over te steken en zich naar de oostkant van Wageningen te begeven. Het Artillerie-Regiment 184, dat geen geschut meer bezat en als infanterie op diende te treden[62], werd naar de bossen ten oosten van Bennekom gezonden. Een deel van het SS-Wach-Bataillon 3, onder bevel van SS-Sturmbannführer Paul Anton Helle moest zich via de weg Arnhem-Ede richting de luchtlandingen begeven. Dit SS-Wach-Bataillon kwam al spoedig ten oosten van Ede onder Brits vuur te liggen. Hierbij splitste de 4. Kompanie, onder bevel van SS-Hauptsturmführer Ernst Bartsch, zich af en trok naar Restaurant de Ginkel die zij ter verdediging inrichtte. De 5. Kompanie, onder bevel van SS-Obersturmführer Wilhelm Fernau bezette de nabijgelegen barakken van de Arbeitsdienst en zetten die ter verdediging op.

Vanuit de Betuwe werden de 10. Schiffstamm-Abteilung en de Regiments-Stab Lippert eveneens de Nederrijn over gestuurd en bezetten de oude Nederlandse linies op de Grebbeberg. De rest van Regiment Lippert ( Michael Lippert) met daarbij de Stab Bataillon Mattusch (SS-Hauptsturmführer Walter Mattusch) en Stab Bataillon Oelkers (SS-Hauptsturmführer Heindrich Oelkers) bleven in de Betuwe.

Wehrkreis VI, gelegen rond Münster, liet de 406. Ersatz-Division overbrengen naar Kleve en vanuit Sleeswijk-Holstein werd de 190. Ersatz-Division naar diezelfde omgeving gedirigeerd.
Toen in Nijmegen de eerste parachutisten bij Groesbeek naar beneden dwarrelden, alarmeerde Oberst Friedrich Hencke, bevelhebber van de Fallschirm-Lehrstab 1 aldaar, alle in Nijmegen tot zijn beschikking staande troepen. In en rond Nijmegen lagen troepen van diverse pluimage, van Landesschützen tot Stamm-personal Lehrstab.[63] Aan Friedrich Hencke was het de taak van deze verschillende eenheden een soort troepenmacht te formeren binnen de Kampfgruppe Hencke. Vanwege de naderende Amerikanen verliet Oberst Friedrich Hencke rond 18.30 uur zijn hoofdkwartier in het Neboklooster[64] en betrok een andere locatie in de stad. Hij had op dat moment tot zijn beschikking het 365. Ausbildungs- und Ersatz-Bataillon, het Ausbildungs- und Ersatz-Bataillon van het Panzergrenadier-Regiment Hermann Göring, diverse Marinestaven, NSKK staven, Stab Flak eenheden, eenheden van Luftgau West, Stab Ordnungspolizei Rüstungsinspektion Holland en een Schützgruppe van in en rond Nijmegen wonende Duitsers. Hiermee had hij ongeveer 750 man tot zijn beschikking. Friedrich Hencke positioneerde zijn troepen rond de spoor- en verkeersbrug. In Lent positioneerde hij de Landesschützen Kampfgruppe Hartung (Oberst Günther Hartung). Toen de locaties van de luchtlandingen aangemerkt konden worden, werden vanuit diverse posities in de Betuwe de 21. Batterie, 5. Bataillon, SS-Artillerie-Ausbildungs- und Ersatz-Regiment, II. SS-Panzer-Korps en de Stabsbatterie naar Oosterhout verplaats onder bevel van SS-Sturmbannführer Oskar Schwappacher. Oskar Schwappacher zelf vestigde zijn hoofdkwartier in de Belvedère toren bij de Waalbrug aan de Nijmeegse kant.

Viktor Gräbner was, zoals aangegeven, met 30 pantserwagens de Rijnbrug bij Arnhem overgestoken juist voordat de Britten deze konden afgrendelden. Tot 19.00 uur was hij op 2 km ten zuiden van de brug gestopt om de omgeving af te zoeken naar mogelijke parachutisten en vertrok toen naar Elst. Hier bleef zelf met een deel achter in Elst en de rest reed door naar Nijmegen. In Nijmegen reden enkele wagens door tot het Keizer Karelplein, waar ze om 22.00 uur aankwamen precies op het moment dat A Company van 508th Parachute Infantry Regiment onder leiding van Captain Jonathan Adams een poging waagde de Waalbrug te bereiken. Na het afslaan van de Amerikaanse aanval trokken de overgebleven pantserwagens, de Amerikanen vernielden er twee, zich via de Waalbrug terug naar Elst.
General Kurt Student, die in Vught van de geallieerde aanval op de hoogte werd gesteld, liet de 59. Infanterie-Division van het 15. Armee, het LXXXVIII. Armeekorps versterken in Best. General Otto Sponheimer, bevelhebber van het LXXXVIII. Armeekorps verplaatste de 719. Küsten-Division naar Turnhout.

Britse opmars naar Arnhem

De 1st Parachute Brigade (Brigadier Gerald Lathbury) zou drie routes naar Arnhem volgen, 1st Battalion de noordelijke Leopard-route via de Amsterdamseweg, 2nd Battalion zo dicht mogelijk langs de Rijn in een directe lijn naar de bruggen en 3rd Battalion via de Tiger-route over de Utrechtseweg via Oosterbeek naar het centrum. Het Reconnaissance Squadron (Major Freddie Gough) zou met hun jeeps rechtstreeks naar de verkeersbrug rijden. Zij hadden echter de nodige problemen bij het uitladen van de jeeps waardoor zij pas later op pad gingen. Om 15.00 uur trokken de eerste eenheden richting Arnhem.

Het Reconnaissance Squadron trok zoals vermeld met enige vertraging via "Leopard Route". De eerste jeeps vertrokken om circa 15.30 uur en liepen direct in een hinderlaag van troepen van Kampfgruppe Krafft die juist daarvoor hun posities hadden ingenomen. Twee jeeps en acht man gingen hierbij verloren terwijl de rest zich gedwongen voelde terug te trekken. Hiermee was de overvalpoging op de Rijnbrug komen te vervallen en gaf Brigadier Gerald Lathbury al zijn bataljonscommandanten opdracht zich zo spoedig mogelijk richting hun doelen te begeven. Aangezien Major-General Roy Urquhart vanwege de radioproblemen niet op de hoogte was dat zijn bevelhebbers al wisten van het falen van het Reconnaissance Squadron, verliet hij met een jeep zijn hoofdkwartier in een gewaagde poging zelfstandig Gerald Lathbury op de hoogte te stellen.

Het 1st Parachute Battalion vertrok opzettelijk een half uur later dan 2nd Parachute Battalion en 3rd Parachute Battalion, zodat zij in zeker zin als reserve ingezet konden worden indien één van de andere bataljons op problemen stuitte. Toen de eenheid uiteindelijk op pad ging, stuitte Lieutenant Colonel David Dobie, de bevelhebber, al snel op de restanten van het Reconnaissance Squadron. Direct anticiperend op de informatie die hij kreeg, besloot hij zijn bataljon meer naar het noorden te sturen en direct langs de Amsterdamseweg op te rukken. Door de bossen richting de weg trekkend, liep R Company aan kop om 16.30 uur tegen Duitse weerstand op in de vorm van een pantserwagen (SPW) van de SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9, die spoedig kon worden uitgeschakeld. Om 19.00 uur op de Amsterdamseweg aangekomen, liep men echter vast op Kampfgruppe Weber (Hauptmann Willi Weber). Kampfgruppe Weber bestond uit twee compagnieën Luftwaffe personeel van Stab II, IV. Abteilung, Luftnachrichten-Regiment 213 en waren leden van het Duitse afluisterstation Teerose I, II en III). De Luftwaffe militairen werden ondersteund door enkele pantservoertuigen. Deze Jagdpanzer IV (1 of 2) van SS-Panzerjäger-Abteilung 9, was versterkt met tien pantserwagens (SPW) van SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9. Deze eenheid bevond zich nabij het kruispunt met de Amsterdamseweg en de Dreyenseweg[65] en was eigenlijk op weg naar de landingsterreinen. De gevechten bleven hier doorgaan, rond de bossen en de weg, tot het donker werd.
Ondertussen nam T Company de opmars langs de Amsterdamseweg over, maar werd in steeds grotere mate geconfronteerd met Duitse pantservoertuigen, waartegen hun wapens niet opgewassen waren. David Dobie besloot T Company van de weg af te halen en door de bossen te laten voortgaan. Vanwege het invallen van de nacht liet hij zin troepen zich ingraven bij de Johannahoeve.

Het 2nd Parachute Battalion onder leiding van Lieutenant Colonel John Frost wist zonder noemenswaardige tegenstand op te rukken. A Company (Major Digby Tatham-Warter) vormde het spits en 3rd Platoon (Lieutenant Andrew McDermot) wist een Duitse patrouille in een hinderlaag te lokken toen men juist de landingszone had verlaten. Dit was naar alle waarschijnlijkheid een verkenningspatrouille van de 2. Kompanie, Bataillon Krafft. Voortrekkend door de bossen werd door A Company licht mortiervuur ontvangen van een Duitse eenheid, die door 2nd Platoon op de vlucht werden gedreven. Aangekomen in Oosterbeek, splitste C Company af van de route om de spoorbrug in te nemen met als doel deze in te nemen en over de brug hun opmars langs de Zuidelijke oever van de Nederrijn voort te zetten zodat de Rijnbrug van twee kanten kon worden ingenomen. No. 8 Platoon zorgde voor vuursteun, terwijl No. 9 Platoon (Lieutenant Peter Barry) de aanval op de spoorbrug ondernam. De aanval verliep voorspoedig en toen men bij de brug aankwam en even op adem kwam voordat men het spoortalud ging bestormen, werd de middelste overspanning door het bij de brug gelegerde Sprengkommando opgeblazen. Hierop gaf John Frost aan C Company de opdracht zich weer bij het bataljon te vervoegen. 32nd Parachute Battalion moest nu onder het spoor van Arnhem-Nijmegen bij Station Oosterbeek-Laag door verder trekken. 6th Platoon (Lieutenant Robin Vlasto) kwam daarbij onder vuur te liggen van een Selbstfahrlafette met 20 mm kanon van de SS-Panzer-Flak-Abteilung 9. Deze kon echter op de vlucht worden gejaagd door het naar voren brengen van een 6 ponder anti-tank geschut. Korte tijd later moest A Company weer halthouden omdat het vanaf hoger gelegen gebied Den Brink, onder machinegeweervuur kwam te liggen. B Company werd er op uit gestuurd deze tegenstand uit de weg te ruimen. Hierbij werd B Company vanuit diverse posities onder vuur genomen waardoor het hen niet lukte de tegenstand uit te schakelen. Besloten werd rond Den Brink zich in te graven en de Duitsers dusdanig bezig te houden dat de overige para's hun weg konden vervolgen. De groep Duitsers waarop B Company waren gestoten rond Oosterbeek-Laag en de spoorbrug waren leden van het SS-Panzergrenadier-Regiment 21 en de SS-Flak-Abteilung 10, behorende tot de 10. SS-Panzer-Division die sinds Normandië hun eenheid kwijt waren geraakt en onderweg waren naar hun divisie. Ze bevonden zich juist tussen Arnhem en Oosterbeek toen de Britse landingen begonnen. De groep onder leiding van SS-Sturmman Helmut Buttlar besloot zich ter plaatse te bewapenen en posities in te nemen nabij de spoorbrug. Zij waren juist op weg naar de spoorbrug toen deze werd opgeblazen en de Britten de spoorlijn Arnhem-Nijmegen wilden passeren.

Tegen de tijd dat het donker werd, was A Company Arnhem binnengetrokken. Gebruikmakend van de dekking van huizen en tuinen, trachtte men de Duitse patrouilles te omzeilen en onnodige gevechten te vermijden. Oprukkend langs de Klingelbeekseweg en de Hulkesteinseweg trok A Company voort. Langs de route liet Frost op diverse posities patrouilles zijn flanken beschermen, waarbij een strategische villa op de hoek van de Utrechtseweg en de Diependalstraat werd ontdekt en die direct ter verdediging werd ingericht. Van hieruit kon men namelijk de gehele Utrechtseweg beheersen.
In de tussentijd had Hans Möller (SS-Panzer-Pionier-Bataillon 9/Kampfgruppe Möller), zijn SS-Erkundungszug richting Arnhem gezonden op een verkenningsmissie om de aankomst van zijn troepen aldaar voor te bereiden. Hans Möller moest met zijn eenheid de vijand aanvallen langs de weg Arnhem-Renkum-Utrecht. Hij bereikte met zijn eenheid de wijk Lombok, even ten noorden van de marsroute van John Frost's parachutisten. Hierbij bereikten ze de Bethelkerk[66] nabij het Sint Elisabeths Gasthuis, waar men de commandopost inrichtte die tot 26 september werd gehandhaafd. De 3. Kompanie, twee pantserwagens en de Erkundungszug van het SS-Panzer-Pionier-Bataillon 9 trokken hierna verder, met de 1. Kompanie en 2. Kompanie hier op enige afstand achter. De 3. Kompanie trok hierbij naar de vork, bij de aftakking tussen de spoorlijnen Arnhem-Ede en Arnhem-Nijmegen, waar deze zich ingroeven. De 1. Kompanie en de 2. Kompanie posteerden zich bij de brug over het spoor.

Korte tijd later arriveerde ook de 2. Batterie, SS-Flak-Abteilung 9 (SS-Obersturmführer Heinz Gropp) in het gebied rond Lombok en De Brink. Het was dan ook de Selbstfahrlafette type SdKfz 10/4 met een 20 mm Flak-kanon 38, die de Britten bij het spoorviadukt bij Oosterbeek-Laag tegenkwamen. De 1. Kompanie (SS-Untersturmführer Georg Steinert) en de 2. Kompanie (SS-Untersturmführer Eberhard Voss) werden toen zij van de gevechten van de 2. Batterie hoorden, richting het zuiden gezonden. Vanaf de Oranjestraat trok men de Utrechtseweg op waarbij de 1. Kompanie de linkerflank nam en de 2. Kompanie de rechter. Hier kwamen ze onder hevig Brits vuur te liggen. De Wilhelminastraat intrekkend om de vijand te omzeilen, kwam Eberhard Voss in contact met de 2. Batterie, SS-Flak-Abteilung 9 die zich terugtrok van Den Brink. Al spoedig bleek dit vuur te komen vanuit de witte villa die door leden van John Frost‘s A Company was ingenomen. De 1.Kompanie had ondertussen een route via de Klingelbeekseweg en Diependalstraat uitgekozen. Hierdoor kwamen beide compagnieën langzaam maar zeker dichter bij de witte villa. Ook de 3. Kompanie was ondertussen naar dit gebied gedirigeerd zodat de gehele eenheid een aanval op de witte villa kon ondernemen. Om 19.00 uur begon de aanval en ook al wisten de Duitsers de villa binnen te dringen, de Britten sloegen dermate hard van zich af dat de Duitsers zich moesten terugtrekken. Bij het gevecht bleek Eberhard Voss te zijn omgekomen. Door de geleden verliezen tijdens de strijd om het witte huis en het verder oprukken van John Frost met zijn 2nd Parachute Battalion, zag Hans Möller zich genoodzaakt het SS-Pionier-Bataillon 9 terug te trekken richting de brug over de spoorlijn Arnhem-Ede/Nijmegen.

Op dat moment, 19.30 uur[67] passeerden John Frost zijn mannen de Oranjestraat op weg naar de Rijnbrug. Via Onderlangs en de Oude Kraan bereikten zij het Roermondseplein en de schipbrug. Het middelste deel was echter weggevaren en John Frost trok met zijn manschappen via de Weerdjesstraat verder. Ondertussen was een Britse eenheid naar het Elisabeth Gasthuis getrokken en overmeesterde de kleine Duitse bezetting aldaar. Om 21.00 uur betrok de 16th Parachute Field Ambulance het gasthuis en richtte het in als het belangrijkste veldhospitaal in Arnhem.
John Frost bereikte via de Rijnkade en de Oranjewachtstraat om 20.00 uur de noordelijke oprit van de Rijnbrug en begon positie in te nemen rond deze oprit. Tot zijn opluchting bleek de brug onbeschadigd en men wist de posities rond de brug zodanig te kiezen dat de Britten deze volledig in handen hadden zonder zich op de brug zelf te hoeven begeven. John Frost zag nog juist enige Duitse voertuigen richting het zuiden de brug passeren. Dit zijn hoogstwaarschijnlijk de laatste wagens van Viktor Gräbner's SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9 geweest die de brug rond 18.00 uur waren beginnen over te steken.[68] Op dat moment wist John Frost nog niet dat hij later een deel van deze pantserwagens weer zou tegenkomen op de brug.

De Britten hadden echter alleen de noordzijde in bezit en hoewel men zo overtrekkende troepen kon bestoken, wilde John Frost het liefste ook de zuidelijke oprit bezetten. Gedurende de nacht werden twee pogingen ondernomen die door Duitse tegenstand werden teruggedreven. Op de brug bevond zich een kleine bunker met machinegeweer en aan de overzijde van de brug had zich een pantservoertuig gepositioneerd die de brug kon bestoken. Een poging om de bunker uit te schakelen mislukte, waarbij een aantal munitieopslagplaatsen werden geraakt. Door de brand en explosies die ontstonden werd de gehele brug voor een groot deel van de nacht dusdanig verlicht dat iedere poging de brug alsnog te passeren een zelfmoordoperatie zou worden.
Kort nadat men de brug had ingenomen, verscheen de 1. Kompanie, SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 10 (SS-Obersturmführer Karl Ziebrecht) vanuit het oosten ten tonele. Toen deze door de Britten onder vuur werd genomen trok zij zich haastig terug en berichtte de inname van de brug.

Lieutenant Colonel John Frost had nu de Noordelijke oprit veiliggesteld, maar had door de weerstand bij zijn opmars wel begrepen dat in en rond Arnhem meer tegenstand aanwezig was dan vooraf was ingeschat. Hij stuurde een radio naar het hoogste punt dat men kon vinden en liet deze om hulp vragen in de hoop dat iemand het zou oppikken. Ondanks alle problemen met de radio's werd het signaal zonder enige probleem opgepikt door 1st Battalion en Lieutenant Colonel David Dobie stuurde zijn T Company als spits op pad en trok direct op weg naar de brug. De tegenstand in Arnhem door Duitse patrouilles was op dat moment al zodanig groot geworden dat 1st Battalion hopeloos verspreid raakte en slechts kleine groepen de brug wisten te bereiken. De rest werd één voor één, groepje voor groepje door Duitse patrouilles uitgeschakeld dan wel gevangengenomen.

C Company van het 2nd Battalion kreeg later die avond opdracht zich naar de brug te begeven. Om 22.00 uur passeerde men de Oranjestraat en kwam bij het Sint Elisabeth Gasthuis kort in gevecht met Duitsers en trok vervolgens via Bovenover de stad in. B Company, die in gevecht was met de Duitse troepen van SS-Sturmman Butler bij Den Brink, kon pas laat die nacht verder trekken en gelukte het ongeschonden om 05.00 uur de Rijnbrug via de Oranjestraat te bereiken.

Aan Duitse zijde werd het SS-Panzer-Artillerie-Regiment 9 van SS-Sturmbannführer Ludwig Spindler in de richting van Lombok-Den Brink gezonden, waarna de SS-Pionier-Abteilung 9 van Hans Möller zich bij die van Ludwig Spindler voegde. Op dat moment konden de Duitsers vanaf Lombok een gesloten linie tot aan de rivier vormen. Andere delen van de SS-Panzeraufklärungs-Abteilung waren in Arnhem aangekomen en hun bevelhebber Heinz Brinkmann kreeg opdracht de Britten bij de Rijnbrug te verdrijven en deze in te nemen.

Otto Paetsch, die op dat moment tijdelijk bevelhebber van de 10. SS-Panzer-Division was beval tot de vorming van een Kampfgruppe Reinhold (SS-Sturmbannführer Leo Reinhold), die via de Rijnbrug naar Nijmegen moest trekken. Deze Kampfgruppe zou bestaan uit het SS-Panzergrenadier-Bataillon Euling (SS-Hauptsturmführer Karl-Heinz Euling), de II. Abteilung van het SS-Panzer-Regiment 10 met PzKpfw IV tanks, SS-Panzerartillerie-Regiment 10 en een kompanie van het SS-Panzer-Pionier-Bataillon 19. Het was de voorhoede van deze eenheid, die als eerste de Britten bij de Rijnbrug vanuit het oosten aanviel. Later zou Kampfgruppe Reinhold opdracht krijgen zich richting Pannerden te begeven om aldaar met boten en de veerpont de oversteek naar de Betuwe te maken. Gedurende de nacht van de 17e op de 18e zou echter alleen de 1. Kompanie, SS-Panzer-Pionier-Bataillon 10, Nijmegen op fietsen en boerenkarren weten te bereiken. Leo Reinhold zelf zou Nijmegen pas 's middags samen met Bataillon/Kampfgruppe Euling bereiken.[69]

De opmars van 3rd Parachute Battalion werd aangevoerd door B Company. Al snel kwamen zij een Duitse stafwagen tegen die gelijk onder vuur werd genomen. Hoewel de parachutisten het op dat moment nog niet wisten, kwam hierbij Generalmajor Friedrich Kussin om het leven. Hij was de Ortskommandant van Arnhem en was juist op bezoek was geweest bij SS-Sturmbannführer Sepp Krafft om zich van de situatie op de hoogte te stellen. Voorttrekkend liep B Company korte tijd later zelf tegen de troepen van Sepp Krafft op en wel de 9. Kompanie, ondersteund door een stuk gemechaniseerd geschut. Sepp Krafft had deze om 17.30 uur naar de plek gezonden waar Friedrich Kussin was gesneuveld. Verrast dat zij gepantserde tegenstand tegenkwamen, zochten de para's dekking, waarbij een 25 ponds geschut, het enige dat 3rd Battalion bij haar opmars mee had kunnen nemen, door het Duitse gemechaniseerde geschut werd uitgeschakeld. De Duitsers voelden zich echter dusdanig bedreigd door de Britse opmars dat zij zich terugtrokken, waardoor B Company verder kon oprukken. A Company, welke zich achteraan de opmars bevond, kwam om 18.30 uur onder mortier- en machinegeweervuur te liggen vanuit de bossen. Hierdoor zouden zij de volgende twee uren in gevecht betrokken raken. Lieutenant Colonel John Fitch concludeerde hieruit dat de Duitsers vooral bezig waren de opmars te vertragen en besloot om C Company (Major Peter Lewis) een meer noordelijke route te laten nemen in een poging de Duitse stellingen te omzeilen via een weg langs de spoorlijn naar Arnhem.

Dit alles had er wel toe bijgedragen dat 3rd Parachute Battalion geen hechte gevechtsgroep meer was. Om te voorkomen dat de eenheden van elkaar gescheiden zouden raken werd besloten dat C Company zou wachten bij Hotel Hartenstein in Oosterbeek tot de andere compagnieën zich weer hadden aangesloten. Dit had tot gevolg dat 3rd Parachute Battalion pas de volgende dag haar opmars kon vervolgen. Rond 22.00 uur brak men iedere opmars voor de nacht af. Detail hierbij was dat zowel Roy Urquhart als Gerald Lathbury, op dat moment afgesneden van hun HQ, zich bij het 3rd Battalion bevonden. De omgeving rond Hotel Hartenstein was toen nog niet gezuiverd van Duitse tegenstand en beide konden niet vertrekken.

Om 17.00 uur vaardigde Wilhelm Bittrich een nieuw bevel uit. Hierin vermelde hij dat de 9. SS-Panzer-Division zich moest richten op Arnhem en omgeving ter bescherming van de Rijnbrug. De 10. SS-Panzer-Division diende zich naar Nijmegen te begeven. De 9. Panzer-Division zou de Arnhem binnengedrongen vijand terugdrijven richting het westen en vastpinnen aan de Nederrijn. De 10. SS-Panzer-Division diende zich naar Nijmegen te begeven, de Waalbruggen daar in bezit nemen en houden. Als scheiding tussen de beide divisies werd een lijn getrokken van Velp naar de Rijnbrug. De 9. Panzer-Division diende zich in verbinding te stellen met de al aanwezige Kampfgruppe Krafft. De 10. SS-Panzer-Division zou de SS-Aufklärungs-Abteilung 10 en een batterij van de SS-Werfer-Abteilung 102 af te staan aan de Kampfgruppe van de 9. Panzer-Division. De troepen bij Arnhem kwamen vervolgens onder bevel te staan van SS-Sturmbannführer Ludwig Spindler, waarmee de Kampfgruppe Spindler was geboren.

SS-Sturmbannführer Sepp Krafft realiseerde zich rond 21.30 uur dat zijn troepen het gevaar liepen te worden omzeild door de vijand. Op dat moment was hij niet op de hoogte dat B Company en C Company van het 3rd Battalion eigenlijk zijn posities al waren gepasseerd. Ondanks dat, gelukte het Sepp Krafft om het merendeel van zijn troepen zich naar een verzamelgebied in het noordoosten te laten terugtrekken. Hoewel het hem niet was gelukt de Britse opmars te stuiten, was het Sepp Krafft wel gelukt de opmars dusdanig te vertragen dat op het moment dat hij zijn troepen terugtrok, de 9. SS-Panzer-Division al posities aan het innemen was nabij Arnhem. Om 22.30 uur kwamen zijn troepen in contact met Kampfgruppe Spindler. Om 22.45 uur kreeg hij de opdracht zijn 2. Kompanie, af te staan aan het SS-Panzer-Pionier-Bataillon 9. Vanaf dat moment zou deze groep bekend staan als Kampfgruppe Möller. Kampfgruppe Krafft kreeg vervolgens het bevel het gebied langs de Koningsweg af te grendelen en contact te maken met Bataillon Junghans (Major Junghans, II. Bataillon, Sicherungs-Regiment 908) om zo één front te vormen. Dit contact werd tegen 02.00 uur, op 18 september, bij Schaarsbergen gelegd.[70]

Walter Harzer kreeg om 21.00 uur opdracht het bevel op zich te nemen van alle operaties rond Arnhem ten noorden van de Nederrijn. Hij verplaatste hiertoe zijn hoofdkwartier van Hotel Beekhuizen naar de Feldkommandantur in Arnhem. Hier werd hij op de hoogte gebracht dat General Friedrich Kussin om het leven was gekomen. Hij kreeg ook te horen dat hem versterkingen zouden worden gezonden in de vorm van Panzer-Kompanie Mielke (Oberleutnant Wilhelm Mielke, 6. Kompanie, Panzer-Ersatz und Ausbildungs-Abteilung 11)[71] uit Bielefeld. Deze zou in Elten worden samengevoegd met de Panzer-Grenadier-Ausbildungs und Ersatz-Bataillon 64 uit Bocholt onder bevel van Major Hans-Peter Knaust. Deze Kampfgruppe Knaust werd per trein naar Emmerik en Elten vervoerd en zou vervolgens over de weg naar Arnhem gaan.[72] Rond middernacht arriveerde Hans-Peter Knaust zelf al en meldde zich bij Walter Harzer. De eerste onderdelen van deze Kampfgruppe Knaust bereikten Arnhem rond 04.00 uur en werden bij Kampfgruppe Brinkmann ingedeeld voor de strijd bij de brug.

Gedurende de avond van de 17e september, had ook de Garnizoenskommandant van Wesel, Oberst Hellriegel opdracht gekregen zijn eenheden te verzamelen en het front bij Arnhem te gaan versterken.
Kampfgruppe Von Tettau's 6. Kompanie, 14. Schiffstamm-Abteilung bereikte in de avonduren haar posities. Langzaam maar zeker bereikten alle troepen die vanuit het westen en de Betuwe naar Ede waren gedirigeerd hun uitgangsposities. Gedurende de nacht konden de 10. Schiffstamm-Abteilung, de SS-Bataillon Schulz en de Regiments-Stab Lippert hun posities ten oosten van Wageningen langs de weg Wageningen-Arnhem betrekken. Zo leek het er al met al op dat de Duitse troepen rond Arnhem de posities van de Britten en hun eigen posities redelijk hadden gestabiliseerd. Belangrijkste minpunt alhier was dat de Britten de Rijnbrug hadden kunnen afgrendelen wat een streep trok door Wilhelm Bittrich ’s plan Nijmegen te versterken.

Gedurende die nacht begon ook de Wehrmachtsbefehlshaber Niederlande Friedrich Christiansen zich met de strijd te bemoeien en stelde aanvullend de Kampfgruppe Eberwein (SS-Sturmbannführer Eugen Eberwein), Kampfgruppe Knoche (Hauptmann/Major Wilhelm Knoche, Sicherungs-Regiment 26 met Char B1 tanks), drie bewakingseenheden van Nederlandse vliegvelden en de Panzer-Kompanie (c) 224 ter beschikking van de Kampfgruppe Von Tettau. De bevelhebber van de Waffen-SS stelde de Kampfgruppe E en Kampfgruppe A van het Regiment Hermann Göring en de Kampfgruppe Polizei-Schule III ter beschikking.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Bataillon
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond meestal uit een aantal Kompanien. In theorie bestond een Bataillon uit 500 - 1.000 man.
Bomber Command
Onderdeel van de RAF dat zich met strategische en soms tactische bombardementen (zoals in Normandië) bezighield.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
Flak
Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
Horsa
Zweefvliegtuig door de geallieerden gebruikt bij luchtlandingsoperaties voor het vervoeren van soldaten en rijdend materieel.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
kanon
ook bekend als Kanone (Du) en Gun (En). Wordt vaak gebruikt om allerlei geschut aan te duiden. Eigenlijk slaat de term op vlakbaan geschut. Wordt gekenmerkt door een langere loop en grotere dracht.
Kompanie
Maakte meestal deel uit van een Bataillon of een Abteilung en bestond uit een aantal Züge. In theorie bestond een Kompanie uit 100 - 200 man.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
mortier
Kanon dat zijn granaten op korte afstand (via een zeer kromme baan) kan doen neerkomen.
Operatie Market Garden
Codenaam voor gecombineerde land- en luchtaanvallen van de geallieerden in de regio Eindhoven, Arnhem en Nijmegen van 17 tot 26 september 1944.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Maandag 18 september 1944

Strijd om de bruggen bij Best

Nadat de overval op de nog intact zijnde bruggen bij Best op 17 september was mislukt, besloot Lieutenant Colonel John Michaelis (502nd Parachute Infantry Regiment) om 04.00 uur, de volgende dag, zijn 2nd Battalion (Lieutenant Colonel Steve Chappuis) naar Best te sturen om H Company te ontlasten. Van Duitse kant waren ook versterkingen aangekomen in de vorm van Grenadier-Regiment 1034 (Oberst Georg Klemm), Grenadier-Regiment 1036 (Oberst Günther von Dewitz), I. Bataillon, Grenadier-Regiment 327 en I. Bataillon, Grenadier-Regiment 723.
Net als H Company de dag ervoor, liep ook het 2nd Battalion vast op de Duitse verdediging en werd gedwongen zich rond 11.00 uur terug te trekken. Precies op dat moment werden de bruggen door de Duitsers opgeblazen. Hoewel de Amerikanen hun posities voor de bruggen bij Best wisten te handhaven, was er geen doorkomen aan. Besloten werd om alle troepen daar verder terug te trekken.

XXX Corps en 101st Airborne Division maken contact

De Britse grondtroepen liepen ook op maandag 18 september de nodige vertraging op. Om 04.30 uur vertrok Battalion HQ, met 2 compagnies van 1st Battalion The Dorsetshire Regiment, waarbij A Company werd vervoerd op de Cromwell tanks van 15/19 Hussars en C Company op vrachtwagens, vanuit Valkenswaard.


18 september 1944, XXX Corps eindelijk in Valkenswaard. Gebruikte bron(nen): Imperial War Museum

Terwijl XXX Corps zich opmaakte voor de voortzetting van haar opmars, was rond 06.00 uur het 506th parachute Infantry Regiment van Bokt in de richting van Eindhoven getrokken. Het 3rd Battalion voorop, gevolgd door het 2nd Battalion met het 1st Battalion als reserve. Bij Woensel werd een eerste vuurcontact met een Duitse eenheid gemaakt.

De Welsh Guards, in de punt van de opmars, liepen rond 06.00 uur bij Aalst vast op een verdedigingslinie van Kampfgruppe Walther. Hier waren het de restanten van I. Bataillon, Fallschirmjäger-Regiment 9 ( Hellmut Kerutt), ondersteund door III. Bataillon (Helmuth von Hoffmann), die met vuursteun van Flak-Abteilung 645 en Kampfgruppe Henke een effectieve linie hadden opgezet. Ondertussen waren om 09.00 uur de Irish Guards verder getrokken om via Aalst en Eindhoven naar Son op te rukken. C Squadron, 2/Household Cavalry Regiment was de eerste eenheid die Eindhoven wist te bereiken, met de Guards direct achter zich. De stad was toen echter nog niet geheel door de 101st Airborne Division bevrijd. Het 506th Parachute Infantry Regiment had zich ondertussen gericht op het zuiveren en verdedigen van de stad. Langs de zuidrand van Eindhoven legde het 3rd Battalion een verdedigingslinie aan terwijl het 2nd Battalion zich richtte op de bewaking van de door haar veroverde bruggen. De zuivering van de stad zelf werd door het 1st Battalion ondernomen. Hoewel het 2nd Battalion vier bruggen over de Dommel en het Eindhovens kanaal veilig had weten te stellen, kon pas om 17.00 uur Eindhoven als bevrijd worden beschouwd nadat alle Duitse verzetshaarden waren opgeruimd.

Terwijl de voorhoede van 2/Household Cavalry Regiment voortraasde richting Son, bereikten de eerste troepen van de Guards Armoured Division rond 18.30 Eindhoven. Rond 19.00 uur[73] volgde de hoofdmacht. Hoewel men eindelijk Eindhoven dus had weten te bereiken, werd de opmars vertraagd door een uitzinnige menigte die haar bevrijders verwelkomde.
Pas om 11.00 uur wisten de pantserwagens van C Squadron 2/Household Cavalry Regiment, onder bevel van Major Wignal en B Squadron 2/Household Cavalry Regiment de brug bij Son te bereiken, opgehouden door files op de weg er naartoe.

Bij Son werd in allerijl een Type 140 Baileybrug over de Dommel aangelegd door het 14th Field Squadron Bridging Train, Royal Engineers (Major J.N. Thomas), met hulp van het 3rd Platoon, Company C, 326th Parachute Engineers. Het zou echter tot 19 september 06.00 uur duren voor de brug kon worden gepasseerd!
Rond 13.45, landden op LZ-W tussen Son, Best en Sint-Oedenrode, het 101st Airborne Divisional Headquarters, en enige speciale eenheden. Dit werd om 14.30 uur gevolgd door een deel van het 327th Glider Infantry Regiment (Colonel Joseph H. Harper).
Het 2nd Battalion en het 3rd Battalion van het 501st Parachute Infantry Regiment, eerder geland bij De Dubbelen tussen Eerde en Veghel, had deze twee plaatsen ondertussen versterkt teneinde een Duitse tegenaanval te kunnen weerstaan. Deze aanval vond ook plaats toen Duitse troepen vanuit Schijndel via het Duitse Lijntje de aanval op Veghel openden. In Eerde kwamen Amerikaanse para's onder vuur te liggen van Duitse troepen komend vanuit de zandduinen ten Zuidoosten van Eerde. Het was hen hierbij gelukt om de opmars van Kampfgruppe Jungwirth tegen te houden.
Om 13.30 uur wisten C Company 2/Household Cavalry Regiment en de eerste Irish Guards tanks de brug bij Son te bereiken.
Ondertussen kreeg men bij Sint-Oedenrode te maken met een Duitse tegenaanval door Kampfgruppe Ewald. De eerste aanvallen werden door het 502nd Parachute Infantry Regiment redelijk eenvoudig afgeslagen. Na zich teruggetrokken te hebben voor reorganisatie, ontving Oberst Werner Ewald versterking met drie compagnieën van de 59. Infanterie-Division en het 2. Zug, 2. Kompanie, Grenadier-Regiment 1034.[74]

XIII Corps trok op 18 september bij Lommel het Maas-Scheldekanaal over middels een daartoe geslagen Baileybrug en kon eindelijk met haar opmars beginnen. Al heel snel liep de opmars vast op de Kampfgruppe Chill. Ook VIII Corps was haar opmars begonnen, waarbij de 3rd Infantry Division rond middernacht het spits afbeet door met stormboten het Maas-Scheldekanaal over te steken bij Sint-Huibrechts. Bij Neerpelt trok een deel van de 11th Armoured Division over het kanaal via daartoe geïmproviseerde bruggen. De eerst gelegde brug was echter niet sterk genoeg en pas om 19.30 was een tweede brug gereed. Om de verdediging van de Corridor te versterken, werd op 18 september de 50th (Northumbrian) Infantry Division, overgeheveld naar XII Corps.

Nijmegen

De gehele nacht waren de schermutselingen van het 1st Battalion, 508th PIR rond het Keizer Karelplein doorgegaan. Rond 07.45 besloot Lieutenant-Colonel Louis Mendez van het 3rd Battalion, 508th PIR zijn G Company (Captain Russell C. Wilde) de opdracht te geven een poging te wagen de Waalbrug in te nemen via de Oostzijde. Aan de ene kant hoopte hij gebruik te maken van de Duitse aanvallen op het 1st Battalion bij het Keizer Karelplein, waardoor wellicht de Duitse verdediging aan de Oostzijde was afgezwakt. Aan de ander kant hoopte hij dat zijn aanval de druk op het 1st Battalion zou doen afnemen en dat zo een gezamenlijke aanval van het 1st Battalion en G Company meer kans van slagen zou hebben. G Company wist via de vele straten rond de Berg en Dalseweg tot aan het Keizer Lodewijkplein te komen. Hierbij werd nauw contact onderhouden met B Company en C Company. Bijna tegelijkertijd wist B Company via een omtrekkende beweging vanaf het Keizer Karelplein ook de nodige voortgang te maken. Tegen 10.00 uur was het de Amerikanen gelukt om Duitse stellingen rond de Waalbrug zelf onder vuur te nemen. Het leek erop dat deze tweede aanval op de Waalbrug verder geraakte dan de eerste die dag ervoor.

Aan Duitse zijde had men ondertussen versterking gekregen vanaf de noordelijke oever door aanvoer van eenheden van Kampfgruppe Reinhold met Bataillon Euling. Hiermee werd de druk op de Amerikanen vergroot, maar waren er nog steeds kansen op een verovering van de Waalbrug.
Lieutenant-Colonel Shields Warren maakte zich vervolgens op voor een hernieuwde poging de Waalbrug in te nemen toen om 11.00 uur het bevel kwam zijn 1st Battalion terug te trekken uit Nijmegen.[75] De reden hiervan was de situatie op het landingsgebied ten noorden van Groesbeek. Hierdoor konden Duitse troepen bij de Waalbrug meer druk uitoefenen op G Company en om 15.30 uur werd opdracht gegeven terug te vallen op Berg en Dal.[76] Hiermee was de tweede poging de Nijmeegse Waalbrug in handen te krijgen afgeblazen.

Walter Model had al heel snel General der Fallschirmtruppen Eugen Meindl, die in Keulen was, gealarmeerd over de Amerikaanse landingen bij Nijmegen. Eugen Meindl organiseerde een Kampfgruppe rondom de 3. Fallschirmjäger-Division, 5. Fallschirmjäger-Division, 6. Fallschirmjäger-Division en diverse Korpstruppen. General Eugen Meindl trok direct naar Kleve. Naast zijn eenheden was echter heel Wehrkreis VI door Walter Model aangestuurd om de geallieerden bij Nijmegen aan te vallen. Het dichtstbij gelegen was de 406. Ersatz-Landesschützen-Infanterie-Division (Generalleutnant Gerd Scherbening). Naast deze, trok ook Korps Feldt (General der Kavallerie Kurt Feldt) ten aanval bij Groesbeek. Korps Feldt, de troepen van Eugen Meindl en de 406. Division werden gereorganiseerd in Kampfgruppe Stargaard, Kampfgruppe Fürstenberg en Kampfgruppe Greschick (Major Greschick). Om 06.00 uur gingen ze tussen Wyler en Groesbeek in de aanval met infanterie en steun door pantserwagens. Kampfgruppe Fürstenberg tok bij Wyler op, Kampfgruppe Stargaard bij Groesbeek en Kampfgruppe Greschick bij Grafwegen. Een vierde georganiseerde Kampfgruppe, Kampfgruppe Göbel (Oberleutnant Göbel) kreeg versterking van het bataljon Grünenklee en trok richting Mook. Al snel wisten de Duitse aanvallers LZ-T en DZ-N nagenoeg geheel van geallieerden te zuiveren.
Het 508th Parachute Infantry Regiment kreeg hierdoor opdracht troepen uit Nijmegen terug te trekken richting de landingszones om de aldaar in gevaar rakende troepen te ontzetten. Vanuit Wyler rukten tussen 08.00 uur en 10.00 uur Duitse eenheden op en dreven D Company (Captain Norman McVicar), 508th Parachute Infantry Regiment, terug van hun ingenomen posities rond LZ-T. Met veel moeite wist D Company de vijand bezig te houden, maar de druk groeide. Tegen 12.30 uur had het 1st Battalion vanuit Nijmegen de landingszone bereikt en kon zich mengen in de strijd. Hierdoor werden de Duitse aanvallers al snel teruggedrongen. Rond 14.00 uur was de landingszone weer stevig in Amerikaanse handen, juist op het moment dat de eerste zweefvliegtuigen met versterkingen hun landing gingen inzetten. Deze brachten de nodige versterkingen in de vorm van artillerie en luchtafweergeschut.

Rond dezelfde tijd rukten Duitse eenheden vanuit het Reichswald op naar de posities Dropzone N en dreigde deze onder de voet te lopen. Het 1st Battalion 505th Parachute Infantry Regiment kreeg opdracht LZ-N te zuiveren. Haar eenheden lagen echter in gevecht met Duitse eenheden richting Riethorst en Mook. Company C met hulp van Company I (van het 3rd Battalion) gelukte het echter rond 13.50 uur de Duitse aanval af te slaan. Rond 14.15 uur hernieuwden de Duitsers de aanval vanuit het Reichswald met 3 compagnies en 11 pantserwagens.[77] Maar het ondertussen aangekomen 3rd Battalion 505th Parachute Infantry Regiment, wist deze af te slaan met hulp van artillerievuur.
Juist daarvoor, om 14.00 uur waren in het zuidelijke gedeelte van LZ-N de volgende luchtlandingen aangevangen. Op LZ-N kwamen B Battery, 80th Airborne Anti Aircraft Battalion, overige onderdelen van het 307th Airborne Engineer Battalion, Headquarters, het 320th Glider Field Artillery Battalion en het 456th Parachute Field Artillery Battalion aan de grond. Op LZ-T landden het 319th Glider Field Artillery Battalion, 320th Glider Field Artillery Battalion en B Battery, 456th Parachute Field Artillery Battalion.
Alleen G Company, 3rd Battalion bleef de druk op de Waalbrug uitoefenen, maar werd onder zwaar artillerievuur rond 12.45 uur gedwongen zich enigszins terug te trekken. Om 15.30 uur kreeg ook deze eenheid de opdracht zich uit Nijmegen terug te trekken naar Berg en Dal.

Ook vanuit Arnhem wisten de Duitsers, ondanks dat op dat moment de Rijnbrug min of meer werd afgegrendeld door de Britse Airbornes, troepen richting Nijmegen te dirigeren. Via het veer tussen Pannerden en Doornenburg werd de Kampfgruppe Euling, bestaande uit de 1. Kompanie, SS-Panzer-Pionier-Abteilung onder leiding van SS-Untersturmführer Werner Baumgärtel en het 2. Bataillon, SS-Panzergrenadier-Regiment 19 onder bevel van SS-Hauptsturmführer Karl-Heinz Euling, met 500 man de Rijn over gezet en wisten al snel via de in Duitse handen zijnde Waalbrug het Hunnerpark te bereiken, waar zij zich ingroeven ter verdediging van de Waalbrug. Tegen de middag waren bij Nijmegen zowel de Kampfgruppe Euling als de Kampfgruppe Reinhold beschikbaar voor de verdediging met uitzondering van de zware tanks en pantservoertuigen.
Hier stelden zij zich onder bevel van SS-Sturmbannführer Leo-Hermann Reinhold, die zich met zijn hoofkwartier op de Noordoever van de Waal vestigde. Verder had Leo-Hermann Reinhold Fallschirmjäger Friedrich Hencke met zijn troepen tot zijn beschikking die zich rond de Spoorbrug posteerden. Voorposten werden ingericht nabij het Keizer Karel plein, rond de Oranjesingel en het Keizer Lodewijkplein.

Het 2nd Battalion 508th Parachute Infantry Regiment, was na de landing meer zuidelijk getrokken en F Company had een verdedigende positie ingenomen rond de weg van Nijmegen naar Mook. Eén peloton kreeg de opdracht om Bridge 10 bij Honinghutje in te nemen. Via de Nijmeegse wijk Hatert en langs het Maas-Waalkanaal naderde men de brug. Men werd al snel door Duits vuur aan de grond genageld. Rond 10.00 uur kreeg het peloton steun van een peloton van E Company.
Onder druk van de aanval, besloten de Duitse verdedigers de bruggen (een spoorbrug en een verkeersbrug) op te blazen en rond 10.30 uur gingen deze dan ook de lucht in. Het bleek echter dat alleen de spoorbrug opgeblazen was en de verkeersbrug slechts licht beschadigd. Beide pelotons naderden de brug nu van twee kanten langs dezelfde oever en trokken de Duitsers zich terug waarna de brug rond 14.00 uur in Amerikaanse handen was. Tot hun verbazing vonden de Amerikanen aan de overzijde een peloton van C Company, 504th Parachute Infantry Regiment, die daar rond 13.00 uur was aangekomen.[78]

De Britse landingszone

Op het HQ van de 1st Airborne Division was men nagenoeg niet op de hoogte wat er zich in Arnhem afspeelde. Major-General Roy Urquhart, de bevelhebber, werd nog vermist en Brigadier Philip Hicks werd tijdelijk met het bevel belast. Het enige dat duidelijk was, was dat de troepen in Arnhem versterking konden gebruiken. De 1st Airlanding Brigade was echter volop in verdediging rond de landingszones. Philip Hicks besloot echter de 2nd South Staffordshires (Lieutenant Colonel Derek McCardie) weg te halen rond LZ-S. Zij zouden direct vertrekken en zodra de rest van hun eenheid bij de tweede landing aan de grond was zouden die achter hen aan worden gestuurd. Tevens werd besloten dat zodra de 4th Parachute Brigade was geland, het 11th Parachute Battalion ook naar Arnhem zou worden gezonden.

Bij Heelsum, de Zuidelijke rand van LZ-X en LZ-Z had D Company van 1st Battalion The Border Regiment, met hulp van geschut van het 1st Airlanding Light Regiment vanaf 10.00 uur diverse aanvallen moeten afslaan van SS-Bataillon Schulz, onderdelen van Artillerie-Regiment 184 en het Fliegerhorst Bataillon van Soesterberg, onderdelen van Kampfgruppe Von Tettau. A Company, iets noordelijker verloor manschappen door een aanval van Messerschmitt Me 109 jagers, waarvan men eerst dacht dat het geallieerde jagers waren. Toen de manschappen die wilden begroeten, werden ze direct aangevallen. De Luftwaffe wist een dertigtal Messerschmitt jagers naar de landingsgebieden te dirigeren. B Company van 1st Battalion The Border Regiment had zich verschanst in een steenfabriek bij Renkum waar men de Utrechtseweg kon overzien. Om 07.00 uur bereikten manschappen van het Duitse Marine-Wachbataillon 10 de plaats zonder dat ze wisten dat de Britten zich daar bevonden. Het bataljon werd nagenoeg geheel door de Britten vernietigd. Een aanval van te hulp schietende infanteristen werd even later ook afgeslagen. Hierop trachtten de Duitsers om B Company te omsingelen en te decimeren met mortiervuur. Deze wist echter langs de rivieroever te ontsnappen en voegde zich rond 14.00 uur bij de rest van 1st Battalion The Border Regiment. Hiertoe hadden zij echter wel hun mortieren en antitankgeschut achter moeten laten.

De 7th King's Own Scottish Borderers, rond DZ-Y kreeg het eveneens druk. No. 16 Platoon van D Company bevond zich aan de noordoostelijke rand en werd aangevallen door 5. Kompanie, SS-Wachbataillon 3 en werd gedwongen zich over te geven. De Duitsers namen direct bezit van de Britse positie en voorkwamen zo tegenaanvallen van de rest van D Company. B Company ten Westen van DZ-Y, zonder No. 7 Platoon dat in Engeland was achtergebleven, werd herhaaldelijk aangevallen door Nederlandse vrijwilligers van SS-Wachbataillon 3. Zij wisten echter alle aanvallen af te slaan.
A Company bevond zich ten Oosten van het terrein, waarbij No. 4 Platoon zich ten Noordoosten van DZ-Y langs de Amsterdamseweg bevond op enige afstand van A Company. Na het geslaagd afslaan van diverse aanvallen, raakte het peloton uiteindelijk in de problemen door de numeriek overweldigende vijand. Slechts enkele manschappen wisten te ontkomen naar de posities van A Company.
C. Company van het 1st Battalion the Border Regiment lag rond de Steenfabriek bij Renkum en kreeg te maken met een aanval om 09.00 uur van de 10. Schiffstamm-Abteilung maar wist deze met gemak af te slaan.

Intussen was met enige vertraging door mist in Engeland het tweede luchtlandingstransport op gang gekomen. Uiteraard wisten ook de Duitse bevelhebbers dat er weer transporten zouden komen. Al was men nog niet geheel op de hoogte dat nog meer troepen werden ingevlogen; algemeen bekend was dat een luchtlandingsoperatie mede afhankelijk was van bevoorrading door de lucht gedurende de gehele operatie. Tegen deze tijd was dan ook de gehele Duitse luchtafweer in opperste paraatheid. Ook de Luftwaffe lukte het om 90 van haar jagers de lucht in te krijgen. Vanwege de luchtsuperioriteit van de geallieerden hadden de transportvliegtuigen echter alleen te vrezen van het luchtafweergeschut. Toen de landingsgebieden bij Arnhem werden genaderd, kwam 7th King's Own Scottish Borderers rond DZ-Y zwaar onder Duitse aanvallen te liggen. Headquarters Company, Support Company en C Company hadden te maken met een aanval vanuit het Zuiden en het Zuidwesten. D Company was volop in gevecht met de Duitse eenheden die haar posities waren binnen gedrongen. De bossen ten Noorden van de landingszone waren ondertussen volledig in Duitse handen.

De luchtarmada kwam boven DZ-Y dan ook midden in een slagveld terecht. Ondanks het zware luchtafweer, gelukte het de US 341th Troop Carrier Group en 315 Troop Carrier Group om de 4th Parachute Brigade boven de dropzone te laten springen. Om 15.09 uur kwamen de eerste para's aan op de grond. Vanwege het zware luchtafweer waren de toestellen in nauwe formatie aangevlogen om zo kort mogelijk boven het terrein te zijn en binnen 9 minuten was de gehele brigade gedropt. Naar schatting 32 para's kwamen tijdens de dropping om het leven. Naast de slachtoffers in de toestellen die werden neergeschoten vóór de drop, wist toch nog het overgrote deel van de 4th Parachute Brigade aan de grond te komen.
Op LZ-S en LZ-X zouden de gliders van de tweede landing neerkomen. Op LZ-S landden 69 zweefvliegtuigen met de restanten van de 1st Airlanding Brigade. Ze moesten grote moeite doen om door een barrage van Duits luchtafweer aan de grond te geraken en bij de landing de achtergelaten zweefvliegtuigen van de eerste landing ontwijken. Desondanks wist het overgrote deel veilig aan de grond te komen. Op LZ-X landden 104 zweefvliegtuigen met de overige divisie eenheden. Hoewel hier al verscheidene Duitse troepen de verdediging hadden weten te infiltreren, gelukte het toch de meeste zweefvliegtuigen om veilig aan de grond gezet te worden. Dit kwam mede door het uitstekende werk van de mortieren van het 1st Battalion The Borders Regiment die tussen de zweefvliegtuigen door hun granaten precies op de Duitse posities wisten te deponeren.
Op LZ-L ging het echter mis. Hier zouden 33 Short Stirling bommenwerpers van de RAF voorraden droppen. Het grootste deel van het landingsterrein was echter al in Duitse handen, waardoor de meeste voorraden in Duitse handen vielen.

Ook de 7th King's Own Scottish Borderers hadden zich uiteindelijk deze richting op begeven en hun B Company in de voorhoede liep eveneens vast op zwaar Duitse afweer. Beide waren vastgelopen op Sperrverband Spindler, een linie opgeworpen door delen van de 9. SS-Panzer-Division onder bevel van SS-Sturmbannführer Ludwig Spindler. Ondanks alle problemen bij deze tweede landing, waren nu echter alle eenheden van de 1st Airborne Division aan de grond en kon men zich volledig concentreren op de doelstelling van de luchtlanding namelijk de bezetting en verovering van Arnhem en de Rijnbrug. Al direct ontstond echter de nodige verwarring. De opdracht van de juist gelande 4th Parachute Brigade had zich via de Amsterdamseweg begeven naar Arnhem om de posities van het 1st Parachute Battalion op het hogere terrein ten Noorden van Arnhem over te nemen.
Vanwege de problemen met de radioverbindingen was men in Engeland niet op de hoogte van de situatie in en rond Arnhem. Men wist dus niet dat het 1st Parachute Battalion die posities verlaten had en op weg was richting de Rijnbrug. Direct na de landing kreeg de bevelhebber van de 4th Parachute Brigade, Brigadier John Hackett te horen dat Brigadier Philip Hicks voorlopig bevelhebber was van de 1st Airborne Division en dat hij zijn 11th Parachute Battalion direct naar Arnhem moest zenden om de para's daar te versterken. John Hackett ging akkoord onder de voorwaarde dat hij de 7th King's Own Scottish Borderers te vervanging kreeg. Zij waren echter nog volop in verdediging bij LZ-L, waar de volgende dag de Poolse zweefvliegtuigen nog moesten landen.
Ondertussen kreeg de 4th Parachute Brigade geen nieuwe orders en ging dus op pad om de oorspronkelijke posities in te gaan nemen. Om 17.00 uur ging het 156th Battalion op weg via een route langs de spoorlijn. Alles ging goed tot men LZ-L bereikte waar C Company onder zwaar Duits vuur kwam te liggen. Dit Sperrverband Spindler had een stevige verdedigingslinie opgeworpen, lopend van de Amsterdamseweg tot aan de oever van de Nederrijn. Dit oponthoud hield Brigadier Hackett dusdanig bezig dat hij pas tegen middernacht zich naar het divisie hoofdkwartier kon begeven voor bespreking met Brigadier Hicks. De gesprekken tussen hen resulteerden in een opdracht dat de 4th Parachute Brigade zich diende te begeven naar de Koepel, een gebied ten Noorden van Oosterbeek en de spoorlijn op hoger gelegen terrein. Van daaruit diende de brigade zich richting Arnhem te begeven om zich daar te vervoegen aan de linkerflank van er 1st Parachute Brigade zodat beide brigades een aanval richting Arnhem konden ontwikkelen.

Arnhem

Doordat het 2nd Parachute Battalion de Rijnbrug had afgegrendeld kwamen de Duitsers voor een dilemma te staan. De 10. SS-Panzer-Division had immers als opdracht over de Rijnbrug naar Nijmegen te trekken, maar was hierin nog niet geslaagd. Hierdoor werd men gedwongen de manschappen en voertuigen over te zetten via het enige middel dat daartoe op dat moment voorhanden was en dat was de veerpont bij Pannerden. Dit was een omvangrijke en langzame procedure en het werd van cruciaal belang dat de Rijnbrug weer in Duitse handen kwam.
Op maandag 18 september 1944 kregen de Britse luchtlandingstroepen hun eerste versterkingen middels een tweede luchtlandingsgolf. De Bij Wolfheze en Ede gelande Britten konden echter niet doordringen naar Arnhem dat door de Duitsers dan al hermetisch is afgesloten.  Op de Ginkelse Heide landde de 4th Parachute Brigade (onder bevel van Brigadier John Hackett) en kwam midden in een veldslag terecht die om de heide gaande was.

De troepen onder leiding van John Frost raakten bij de Rijnbrug omsingeld en afgesloten van iedere bevoorrading en versterking. Langzaam maar zeker wisten de Duitsers de Britse troepen richting Oosterbeek terug te dringen. Hiervoor was Kampfgruppe Brinkmann verantwoordelijk, het verkenningsbataljon van de 10. SS-Panzer-Division. Deze was overgedragen aan de 9. SS-Panzer-Division omdat het haar eigen verkenningseenheid wel was gelukt de brug te passeren, juist voordat de Britten deze bereikten. SS-Sturmbannführer Heinrich Brinkmann kreeg hiervoor de beschikking over acht tanks en vier compagnieën infanterie van Kampfgruppe Knaust, de eenheid van Wehrkreis VI. Kampfgruppe Knaust zou de brug vanuit het Noorden aanvallen terwijl Kampfgruppe Brinkmann hetzelfde deed vanuit het Oosten.

Om zijn eigen positie te versterken had John Frost zijn B Company, die zich bij de schipbrug bevond, opdracht gegeven zich bij hem te voegen bij de Rijnbrug. Ondertussen trachtten manschappen van het 1st Battalion via Arnhem eveneens de brug te bereiken. Ook was het 3rd Battalion, die had overnacht in Oosterbeek, haar opmars richting Arnhem gaan hervatten. B Company moest zich onder zware Duitse tegenstand een weg banen naar de brug. Hierbij verloor zij No. 4 Platoon, die gedwongen werd dekking te zoeken in een huis, dat zij de komende 24 uur, tot hun munitie op raakte, wist te verdedigen. Ongeveer 70 manschappen van B Company wisten rond 05.30 uur de brug te bereiken.

C Company trok gedurende de nacht ook richting de brug, maar ondervond zware tegenstand. Zij werden gedwongen de nacht door te brengen in de omgeving van het Gemeentemuseum nabij het Sint Elizabeth Gasthuis. C Company had eigenlijk als doel de bezetting van het Duitse hoofdkwartier in Arnhem maar werd door John Frost opgedragen zich naar de brug te begeven. Major Victor Dover leidde zijn manschappen door Arnhem en hoewel een kleine groep manschappen het 3rd Battalion wist te bereiken, gelukte het niet tot aan de brug te komen. De restanten van C Company raakten slaags met een grote eenheid Duitsers en Victor Dover zag zich uiteindelijk gedwongen over te geven.

Met B Company had John Frost echter 350 man tot zijn beschikking, een hoeveelheid die gedurende de nacht nog werd uitgebreid omdat kleine groepen zich door de Duitse linies heen wisten te begeven. Ook de 1st Parachute Brigade Headquarters (circa 110 man), twee groepen Royal Engineers (75 en 30 man) van het 1st Parachute Squadron en de 9th Field Company, vier stuks anti-tank geschut van B en C Troop 1st Airlanding Anti-Tank Battery en 30 man RASC van 250 Light Composite Company lukte het tot de brug te geraken. John Frost ontving verder nog 12 Glider piloten en acht man van het Reconnaissance Squadron, inclusief Major Freddie Gough. Uiteindelijk wisten ook nog 45 manschappen van C Company van het 3rd Parachute Battalion de perimeter van Frost te bereiken waarmee John Frost uiteindelijk een eenheid van 740 man rond de Noordelijke oprit had gelegerd.
Gedurende de nacht van de 17e op de 18e september hadden de Duitsers weinig actie ondernomen tegen de Britten bij de brug. De enige aanval vond plaats op A Troop (Captain Eric Mackay) van het 1st Parachute Squadron, hetgeen zich had gepositioneerd in de bibliotheek. Hoewel de aanval werd afgeslagen had Mackay de indruk dat de bibliotheek moeilijk te verdedigen was en verplaatste hij zijn Troop naar de Van Limburg Stirum School, die samen met B Troop en C Company van het 3rd Parachute Battalion ter verdediging werd ingericht. John Frost deed deze nacht nog één poging de overzijde van de brug te bereiken, maar deze werd door zware tegenstand van de andere oever afgeslagen, waardoor Frost besloot geen pogingen meer te ondernemen. In plaats daarvan positioneerde hij zijn troepen zodanig in de huizen rond de Noordelijke oprit dat de brug effectief kon worden afgegrendeld. De tegenstand aan de overzijde diende dan maar door XXX Corps te worden opgeruimd. De eerste aanvallen op de perimeter bij de brug werden uitgevoerd door Kampfgruppe Brinkmann. Brinkmann had de sterkte van de Britten echter ernstig onderschat en alle aanvallen konden eenvoudig worden afgeslagen.

Om 09.00 uur hoorden de Britten pantservoertuigen naderen vanaf de overzijde van de Nederrijn. Aanvankelijk dacht men dat dit de voorhoede van de Guards Armoured Division was die op tijd waren gearriveerd. Al snel wist men de pantserwagens echter als Duits te identificeren. Dit bleken 22 voertuigen te zijn van de SS-Panzeraufklärungs-Abteilung 9 te zijn, terugkerend vanuit Nijmegen en de Betuwe. Het bataljon kwam zonder enige twijfel de Britten via de brug tegemoet rijden. John Frost liet de Duitse pantserwagens tot zeer dichtbij komen en liet toen het vuur openen. De infanterie van de Duitsers kon niet verder dan halverwege de brug komen, mede door vuursteun die John Frost had weten te krijgen vanuit Oosterbeek door de 3rd Battery, 1st Airlanding Light Regiment die uitstekend zicht op de brug had. Naar schatting 70 van de 400 Duitsers kwamen hierbij om het leven en na de strijd bleven 12 van de 22 pantserwagens vernield op de brug achter. De bevelhebber van de eenheid, SS-Hauptsturmführer Viktor Gräbner, kwam hierbij om het leven. De rest van de dag vielen Duitse troepen diverse malen aan. Alle aanvallen werden afgeslagen, maar stukje bij beetje moesten de Para's zich terugtrekken tot een steeds kleiner wordend gebied.

Zoals vermeld had het 1st Parachute Battalion besloten zich naar Arnhem te begeven. Gedurende de nacht was men opgetrokken tot de Utrechtseweg. S Company (Major Ronnie Stark) wist ongehinderd Oosterbeek te passeren en trok rond 05.00 uur naar het spoorviadukt onder de spoorlijn Arnhem-Nijmegen, waar ze de nodige tegenstand ontmoetten. No. 7 Platoon kreeg het zwaar te verduren en leed zware verliezen. Ronnie Stark wilde juist met zijn twee overgebleven pelotons een flankerende actie uitvoeren toen hij van Lieutenant Colonel David Dobie opdracht kreeg de aanval af te breken. T Company zou de aanval overnemen en het bataljon langs een meer Zuidelijke route leiden, waarlangs ook het 2nd Battalion was gelukt op te rukken. De "Lion Route" volgend, wist het 1st Battalion de onderdoorgang onder de spoorweg Arnhem-Nijmegen te naderen, waar ze contact maakten met een deel van het 3rd Battalion dat gescheiden was geraakt van het hun bataljon. De onderdoorgang werd echter verdedigd door een Duitse eenheid met infanterie en pantservoertuigen. No. 10 Platoon en No. 11 Platoon van T Company ondernamen een eerste aanval en werden gedwongen in nabijgelegen huizen dekking te zoeken. De Duitse tegenstanders omzeilend via de huizen en de tuinen erachter wist men uiteindelijk verder te trekken.
Om 04.30 uur hervatte het 3rd Parachute Battalion haar opmars en ook zij kozen een meer zuidelijke route. De troepen van Lieutenant Colonel John Fitch raakten echter zodanig verspreid dat verscheidene keren gewacht moest worden om te hergroeperen. Tevens bevonden zich Brigadier Gerald Lathbury en Major General Roy Urquhart nog bij deze groep, waardoor John Fitch zich toch beperkt voelde in zijn bewegingsvrijheid. De opmars werd opgemerkt door de Duitsers die er in slaagden het bataljon vast te pinnen in een klein gebied, tot de meeste leden van het bataljon gedurende de schemer tussen de Duitse linies door wisten te slippen. In de middag waren Urquhart, Lathbury en twee andere officieren vertrokken. Roy Urquhart vond het noodzakelijk worden zich weer te trachten bij zijn hoofdkwartier te voegen. Tijdens hun tocht raakte Gerald Lathbury gewond en moest bij een Nederlands gezin worden achtergelaten. De situatie op straat was ondertussen dusdanig dat de drie overgebleven mannen zich in ieder geval tot het donker moesten schuilhouden.

Zowel het 1st Parachute Battalion als het 3rd Parachute Battalion lagen nu op verschillende plaatsen tegenover Sperrverband Spindler, waarbij aan Britse zijde de aantallen en de munitie voorraden slonken en de Duitsers langzaam de overhand begonnen te krijgen. Om 20.00 uur verscheen hier echter ook het 2nd Parachute Battalion The South Staffordshire Regiment (Lieutenant Colonel Derek McCardie) en vlak daar achteraan kwam het 11th Parachute Battalion. Deze had na veel tegenstand tot Arnhem weten door te dringen vanaf de landingsgebieden. Hiermee hadden Lieutenant Colonel David Dobie en Lieutenant Colonel Derek McCardie een aanzienlijke strijdmacht tot hun beschikking die tegenover de Duitse alleen onderdeed in het bezit van pantservoertuigen.
Kampfgruppe Krafft kreeg rond het middaguur opdracht zich te versterken om de Britse troepen aan de noordzijde van Oosterbeek terug te dringen naar het zuiden. Sepp Krafft kreeg hiertoe de Marine-Kampfgruppe 642, 1. Kompanie, I. Flottenstamm-Bataillon, Marinestamm-Regiment 1 en 10. Bataillon, SS-Polizei-Regiment 3 tot zijn beschikking. Hiermee moest hij de volgende dag posities innemen, oprukken naar Oosterbeek en contact maken met de Kampfgruppe Von Tettau bij Rhenen.

Op het moment dat Viktor Gräbner met zijn manschappen poogden de Rijnbrug te passeren, was Walter Model naar het hoofdkwartier van de 9. SS-Panzer-Division getrokken en vaardigde daar nieuwe bevelen uit. De scheidslijn tussen de 9. SS-Panzer-Division en de 10. SS-Panzer-Division zou verschuiven waarbij de Rijnbrug onder het operatiegebied van de 10. SS-Panzer-Division kwam te vallen.[79] Hij kon daarnaast vermelden dat versterking zou komen in de vorm van het Panzergrenadier-Ersatz-Bataillon 361 vanuit Münster onder bevel van Hauptmann Hans Bruhn en de schwere Panzer-Abteilung 506 (Major Eberhard Lange) vanuit Ohdruf. In het gebied van de 9. SS-Panzer-Division werden twee Kampfgruppen extra geformeerd, de Kampfgruppe Von Allwörden rond de bevelhebber van de SS-Panzerjäger-Abteilung 9, SS-Hauptsturmführer Klaus von Allwörden en de Kampfgruppe Harder onder bevel van SS-Obersturmführer A. Harder, chef van de 7. Kompanie, SS-Panzer-Regiment 9.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Baileybrug
Uit voorgefabriceerde elementen bestaande noodbrug. Tijdens WO II door de Engelsman Bailey ontworpen.
Bataillon
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond meestal uit een aantal Kompanien. In theorie bestond een Bataillon uit 500 - 1.000 man.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
Flak
Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
Kompanie
Maakte meestal deel uit van een Bataillon of een Abteilung en bestond uit een aantal Züge. In theorie bestond een Kompanie uit 100 - 200 man.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Dinsdag 19 september 1944

De grondaanval

Om 06.00 uur trok de B Squadron 2/Household Cavalry Regiment, over het Wilhelmina Kanaal op naar Grave. Pas om 06.45 uur was de Baileybrug bij Son gereed en konden de zware tanks voortrollen. Eindelijk kon de opmars in volle gang worden voortgezet. Om 10.00 uur kwam de Grenadier Guards Group, die op dat moment de spits vormde van de Guards Armoured Division, echter pas bij de brug in Son aan en kon men de opmars naar Grave inzetten.

Bij Sint-Oedenrode werd ondertussen de Dommel gepasseerd en werd om 07.00 uur Veghel bereikt. Op het landingsterrein bij Son en Sint-Oedenrode landden op deze dag het 1st Battalion, 327th Glider Infantry Regiment (Captain George P. Nichols), het 81st Airborne Artillery Anti Tank Battalion (Lieutenant Colonel X.B. Cox), het 321st Glider Field Artillery Battalion (Lieutenant Colonel Edward L. Carmichael), 377th Parachute Field Artillery Battalion (Lieutenant Colonel Benjamin Weisberg), en het 907th Glider Field Artillery Battalion (Lieutenant Colonel Clarence F. Nelson), waarmee eindelijk de 101st Airborne Division compleet was.

Bij Best werden door het Grenadier-Regiment 1036 en Kampfgruppe Lenz de laatste kleine verzetshaarden van de Amerikaanse parachutisten opgeruimd. Hiermee was het de 101st Airborne Division definitief niet gelukt om Best te veroveren en vestigden de Duitsers zich op de flank van XXX Corps in een gunstige uitgangspositie. General Maxwell Taylor besloot in overleg met Brian Horrocks dat deze dreiging uit de weg geruimd moest worden. Hiertoe stelde hij een Combat Team, onder bevel van Brigadier Gerald J. Higgins, op met als basis het 2nd Battalion en het 3rd Battalion van het 502nd Parachute Infantry Regiment. Dit werd versterkt met het 2nd Battalion, 327th Glider Infantry Regiment (Colonel Thomas J. Rouzie) en het 1st Battalion, 401st Glider Infantry Regiment (Lieutenant Colonel Ray Allen), dat als het 3rd Battalion van 327th Glider Infantry Regiment optrad. Deze infanterie-eenheid kreeg ondersteuning van tanks van het 44th Battalion, Royal Tank Regiment en 15th/19th The King's Royal Hussars. Hun opdracht was het innemen en veiligstellen van de weg tussen Eindhoven en Boxtel, het gebied rond de bruggen bij Best en de weg naar Sint-Oedenrode.[80] Om 14.00 uur ving deze operatie aan en dit keer was de geallieerde overmacht te groot voor de Duitse verdedigers. Het Grenadier-Regiment 1036 trok zich terug en Kampfgruppe Lenz verschanste zich bij Best in de steenfabriek ‘De Leeuwerik’.[81] Tot aan het water bij Best was de flank van XXX Corps nu echter voldoende beschermd en het zou tot 25 september duren voordat van XII Corps de 15th (Scottish) Division zover was opgerukt dat men de fabriek kon innemen. Best zelf werd pas op 24 oktober door dezelfde divisie ingenomen.

De taak van 101st Airborne Division werd nu het openhouden van de Corridor tussen Eindhoven en Uden. Een taak die eigenlijk niet nodig werd geacht omdat op de flanken van XXX Corps twee andere legerkorpsen zouden optrekken. Het XII Corps op de linkerflank was al de vorige dag vastgelopen op linies van Kampfgruppe Chill en Kampfgruppe Von der Heydte. Hier waren het de 15th (Scottish) Infantry Division (Major General Colin Barber) en de 53rd Infantry Division die waren belast met het opruimen van deze tegenstand. Zij boekten echter op 19 september maar weinig voortgang. Het 501st Parachute Infantry Regiment had zich ondertussen voornamelijk geconcentreerd rond Veghel. Met Britse tanksteun wist het regiment Eerde veilig te stellen en Heeswijk in te nemen.
Bij Sint-Oedenrode probeerde de nu versterkte Kampfgruppe Ewald wederom om de bruggen daar te heroveren. Ook dit keer wist het 502nd Parachute Infantry Regiment de aanval tot staan te brengen. De Kampfgruppe Ewald besloot zich dit keer echter in te graven en te wachten op versterking van Kampfgruppe Huber, die met vier Jagdpanthers onderweg was.
Het 506th Parachute Infantry Regiment had opdracht om naast de verdediging van de flanken van de Corridor rond Eindhoven en het Wilhelminakanaal, deze verder uit te breiden. Het 2nd Battalion werd, met Britse tanksteun richting het Oosten gezonden, terwijl het 3rd Battalion hetzelfde richting het westen deed. Het 1st Battalion bleef in reserve. De spits van de opmars van het 2nd Battalion werd uitgevoerd door E Company (Captain Richard D. Winters) die in de richting van Helmond oprukte met steun van tanks van 15th/19th Hussars. Bij Nuenen stuitte men echter op een colonne van de Panzer-Brigade 107 ( Berndt-Joachim Freiherr von Maltzahn), welke de dag ervoor vanuit Venlo was vertrokken. Panzer-Brigade 107 had de opdracht ontvangen om de brug bij Son te veroveren. E Company en de Britse tanks kregen het zwaar te verduren en trokken zich terug op Nuenen. Op dat moment rukten de Duitsers niet verder op naar Nuenen en E Company retireerde naar Tongelre.
Dat de Duitsers Nuenen niet aanvielen had alles te maken met hun opdracht, de brug bij Son. Om 17.00 uur viel de Panzer-Brigade 107 dan ook voor de eerste keer de verdedigers bij Son aan. De tanks werden hierbij ondersteund door manschappen van het I. Bataillon, Fallschirmjäger-Regiment 21 (Hauptmann Karl Vosshage). De verdedigende genie- en hoodkwartiertroepen lieten direct versterking aanrukken. Het 1st Battalion, 327th Glider Infantry Regiment en B-Battery, 81st Airborne Anti-Aircraft Battalion werden direct naar de brug gezonden. Om 19.00 uur kreeg ook het 1st Battalion, 506th Parachute Infantry Regiment de opdracht vanuit Tongelre naar de brug bij Son te gaan. Het 2nd Battalion, 506th Parachute Infantry Regiment zou de noordoostelijke toegang van Tongelre verdedigen en het 3rd Battalion het dorp zelf en de bruggen aldaar. Het lukte de verdedigers bij de bug bij Son de aanval van de Panzer-Brigade 107 terug te slaan. Op de weg rond de brug en de brug zelf werden echter door de Duitse tanks diverse voertuigen vernietigd waardoor de doorgang voor XXX Corps hier wederom werd versperd.

Contact met de 82nd Airborne Division gelegd

Pas om 8.20 uur bereiken eerste pantserwagens van B Squadron, 2/Household Cavalry Regiment de brug bij Grave en de eerste tanks van de Grenadier Guards Group rond 10.00 uur.[82]
De Britse tanks en pantservoertuigen werden aanvankelijk naar Nijmegen gestuurd via Alverna, maar moesten vanwege de te zwakke toestand van de brug omkeren om via Overasselt naar Heumen te gaan om daar het Maas-Waalkanaal over te steken. Via Malden trok men vervolgens op naar Nijmegen. Met een vertraging op de planning van 10 uur, reed om 12.00 uur op dinsdag 19 september 1944[83], de voorhoede van XXX Corps Nijmegen binnen. Via Heumensoord trokken de voertuigen naar hun verzamelpunt bij Sionshof aan de Groesbeekseweg. Terwijl de tanks van de Grenadier Guards aldaar achter bleven, trok B Squadron 2/Household Cavalry Regiment via de Sofiaweg naar Berg en Dal waar zij 508th Parachute Infantry Regiment dienden te versterken bij Ubbergen en in Berg en Dal zelf. De Grenadier Guards werden toegevoegd aan het 2nd Battalion, 505th Parachute Infantry Regiment voor een vernieuwde aanval op de Waalbruggen.
Frederick Browning, James Gavin (82nd Airborne Division), Brian Horrocks en Allan Adair (XXX Corps) bespraken in Molenhoek de ontstane situatie in Nijmegen en men besloot definitief een derde poging te ondernemen de Waalbruggen te veroveren.

Ondertussen wist 508th PIR de weg Nijmegen-Beek-Wyler geheel in te nemen en te beveiligen. Hierbij werden de dorpen Beek, Berg en Dal, Wyler en de Duivelsberg ingenomen. Hiermee was deze sector van het front effectief afgegrendeld. De Duivelsberg was hierbij het moeilijkst te veroveren terrein gebleken, waarbij na een zware strijd de Hill 75.9, zoals deze genoemd werd, rond 16.30 uur door de Amerikanen werd veroverd op Kampfgruppe Fürstenberg (Hauptmann Clemens Freiherr von Fürstenberg). Deze heuvel zou echter vier dagen en vijf nachten het toneel blijven van een zware strijd om de Duivelsberg.

Voor de derde aanval op de Waalbruggen werden drie colonnes samengesteld, die onder begeleiding van Nederlandse gidsen via het centrum van Nijmegen naar de Verkeers- en de Spoorbrug zouden oprukken. De bevelhebber van het 1st Battalion Grenadier Guards/1st (Motorized) Battalion (Lieutenant Colonel Edward H. Coulburn) verdeelde zijn tanks over twee groepen, 20 tanks voor de aanval op de Spoorbrug en 20 voor de aanval op de verkeersbrug.

Om 17.00 uur gingen de drie colonnes op pad. Column A, "Road Bridge Column", voor de verkeersbrug, met E Company en F Company, 2nd Battalion 505th Parachute Infantry Regiment, 3 Troops tanks (12 stuks), 3rd Squadron van 2nd Armoured Battalion Grenadier Guards gingen onder begeleiding van gids Adriaan Slob op pad. Middels straatgevechten, waarbij drie tanks werden uitgeschakeld, wist men uiteindelijk de Sint Canisiussingel te bereiken tot vlak bij het Keizer Lodewijkplein. Het plein werd afgegrendeld door een stuk 88 mm luchtafweer, waarmee alle toegangswegen konden worden bestreken. Op de Zuidelijke oprit stonden vier Duitse tanks gereed om in stelling te worden gebracht. Bevelhebber van het 2nd Battalion, 505th Parachute Infantry Regiment, Colonel Benjamin Vandervoort bereidde juist de aanval op het Hunnenpark voor, waarna hij de Britse tanks de brug op zou kunnen leiden, toen hij van hogerhand het bevel kreeg zijn posities te behouden, ter voorbereiding van een nieuwe aanval op 20 september. Column B, "Railway Bridge Column", voor de spoorbrug, onder bevel van Captain John Neville van de Grenadier Guards en begeleid door gids Herman van Pol en mogelijk Piet Gerrits, bestond uit 2 mobiele pelotons van 2nd Battalion Grenadier Guards, D Company van het 2nd Battalion, 505th Parachute Infantry Regiment en vijf Shermans van het 2nd Battalion Grenadier Guards (onder bevel van Lieutenant James Scott). Deze column trok via de Wezenlaan en de Groenestraat, de Graafseweg, de Nieuwe Nonnendaalseweg en de Koninginnelaan richting de spoorbrug. Aangekomen in de omgeving van de spoorbrug ontstond een hevige strijd in het Kronenburgerpark, rond de Hezelpoort, aan de Waalkade en rond de Zuidelijke oprit van de spoorbrug. Men was hier gestuit op eenheden van Kampfgruppe Runge. Twee van de Britse tanks werden door een stuk 88 mm geschut en twee Duitse snelvuurkanonnen uitgeschakeld. Captain John Neville zag zich door gebrek aan munitie genoodzaakt terug te trekken tot de kerk aan de Krayenhofflaan. Column C, "Post Office Column", onder bevel van Major George Thorne van de Grenadier Guards, werd begeleid door gids Henk van Berne. De column bestond uit een Tank Troop met vier tanks van No. 1 Squadron, 2nd Grenadier Guards, twee pelotons infanterie van 3rd Company, 1st Grenadier Guards en een peloton van het 2nd Battalion, 505th Parachute Infantry Regiment. De eenheid trok via de Groesbeekseweg, de Coehoornstraat, de Van Ghentstraat naar de Prins Bernhardstraat, waar een Duits snelvuurkanon buiten gevecht moest worden gesteld om verder te gaan. Via de Oranjesingel trok men de van Schevichavenstraat in en nam men rond 17.30 uur het postkantoor in bezit. Oprukkend richting de verkeersbrug bereikte men om 20.00 uur, via de van Broekhuysenstraat en het Hertogplein de Gerard Noodtstraat. Hierbij liep men in een hinderlaag van een stuk Duits gemechaniseerd geschut. De voorste tank van de column werd geraakt en blokkeerde hiermee de doorgang voor de rest. Tegen middernacht voelde George Thorn zich gedwongen terug te trekken op het postkantoor.

De aanvallen liepen derhalve vast op een antitankfront rond de Waalbruggen, dat werd gesteund door artillerie die rond Lent was opgesteld. Het werd al snel duidelijk dat een nieuw plan nodig was waarbij de bruggen van beide kanten konden worden aangevallen. Gekozen werd voor een aanval waarbij de bruggen van zowel zuidelijke en westelijke zijde als van noordelijke zijde zouden worden aangevallen. Om een Noordelijke aanval te kunnen uitvoeren dienden delen van de 504th Parachute Infantry Regiment met boten over de Waal te worden gezet. Deze aanval zou op 20 september ondernomen worden. Het was ook op deze dag, 19 september, dat Frederick Browning voor het eerst gedetailleerde informatie ontving over de situatie ten rond Arnhem.[84]

In de middag had Walter Model aan Eugen Meindl in Kleve de opdracht gegeven zo snel mogelijk de geallieerden bij Nijmegen verder in het nauw te drijven. Door de ontwikkelingen rond Arnhem groeide het Duitse zelfvertrouwen en verschoof de concentratie van Arnhem naar Nijmegen. Arnhem zag men onderhand vooral als een kwestie van tijd en het was van het grootste belang geworden de opmars van de geallieerden bij Nijmegen tot stand te brengen. Eugen Meindl en Kurt Feldt waren echter nog volop bezig hun eenheden te reorganiseren na de mislukte aanval op 18 september en besloten een nieuwe aanval pas op 20 september om 06.30 uur te kunnen ondernemen. Korps Feldt werd hiertoe versterkt met Kampfgruppe Becker (Major Karl-Heinz Becker) en Kampfgruppe Herrmann (Oberstleutnant Harry Herrmann). Kampfgruppe Becker (onderdelen van de 3. Fallschirmjäger-Division) werd versterkt met eenheden van de 406. Ersatz-Landesschützen-Division, Kampfgruppe Fürstenberg en delen van Fallschirmjäger-Sturmgeschütz-Brigade 12. Karl-Heinz Becker diende via Wyler en Beek naar Nijmegen aan te vallen om vervolgens via Hatert naar het Maas-Waalkanaal op te rukken. Kampfgruppe Greschick werd versterkt met geschut van de 4. Flak-Division (Generalleutnant Ludwig Schilffarth) en diende vanuit het Reichswald het dorp Groesbeek te veroveren en op te rukken naar het Maas-Waalkanaal bij Malden. De Kampfgruppe Herrmann was opgebouwd rond het Fallschirmjäger-Lehr-Regiment 21 (Oberstleutnant Harry Herrmann) en was versterkt met een batterij van I. Abteilung, Fallschirm-Artillerie-Regiment 6 (Major Walter-Otto Franke) en een kompagnie Vlaamse Waffen-SS (Oberleutnant Omer van Hyfte). Zij moesten via Plasmolen, Mook en Molenhoek naar Heumen oprukken. Kampfgruppe Herrmann kreeg hierbij steun van Kampfgruppe Göbel.[85]

Rond Arnhem

Lieutenant Colonel David Dobie verzamelde de avond van de 18e om 21.00 uur zijn aanwezig troepen om de opmars richting de Rijnbrug voort te zetten. Op dat moment had hij nog zijn 150 man sterke 1st Battalion en de helft van het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment tot zijn beschikking. De rest van het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment en de 11th Parachute Battalion waren wel al in aantocht. David Dobie ontving echter een bericht van Divisional Headquarters dat de Rijnbrug in Duitse handen was gevallen en dat hij met zijn troepen moest terugtrekken naar Oosterbeek. Lieutenant Colonel Dobie was al bezig deze terugtocht te organiseren toen hij om 02.30 uur het bericht kreeg dat de Rijnbrug nog steeds in Britse handen was. Deze vertraging had aan Duitse kant de mogelijkheid gegeven om de troepen in Arnhem tussen hem en de brug beter te organiseren. Aan Britse zijde had het oponthoud ervoor gezorgd dat het 11th Parachute Battalion, R Company van het 1st Parachute Battalion en de rest van het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment zich bij Dobies troepen had kunnen voegen.

Besloten werd de aanval om 04.00 uur te hervatten langs de rivieroever met 1st Battalion in de spits van de aanval, met aan de Utrechtseweg, op de linkerflank het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment. Het 11th Parachute Battalion zou als reserve dienen. Toen de opmars begon waren de eerste troepen die men tegenkwam echter geen Duitsers, maar de restanten van het 3rd Parachute Battalion van Lieutenant Colonel John Fitch die langs dezelfde route bij het Sint Elizabeth Gasthuis vast waren gelopen tegen Sperrverband Spindler. John Fitch voegde zich met zijn overgebleven manschappen bij de reserve van David Dobie. Kort daarna, op nagenoeg dezelfde locatie nabij het Sint Elizabeth Gasthuis, liep ook deze aanval vast op de nu sterker geworden Duitse verdediging. Hierbij werd de colonne tevens onder vuur genomen vanaf een steenfabriek aan de overzijde van de rivier waar zich de restanten van het SS-Aufklärungs-Abteilung 9 hadden gevestigd na hun mislukte poging de Rijnbrug over te trekken. Desondanks liet David Dobie een aanval op de Duitse linies uitvoeren, maar de Britten werden genadeloos afgeslagen. Tegen 06.30 uur moest David Dobie de tegen de 40 man die nog over waren, opdracht geven de aanval af te breken en zich in de omliggende huizen te verschansen. Om 07.30 uur moest alle weerstand worden gestaakt omdat de Duitsers ondertussen verscheidene tanks en veel machinegeweren tegen hen in stelling hadden kunnen brengen. De overlevenden werden, al dan niet gewond, inclusief Lieutenant Colonel David Dobie, gevangen genomen.
Het 3rd Parachute Battalion, hoewel in reserve, was eveneens onder zwaar afweervuur komen te liggen toen zij de aanval van het 1st Parachute Battalion van vuursteun wilde voorzien. Lieutenant Colonel John Fitch gaf zijn manschappen opdracht zich in twee en drietallen terug te trekken en te verzamelen bij het Rijnpaviljoen. De meeste van zijn manschappen gelukte dit, maar Lieutenant Colonel John Fitch werd gedood door een mortiergranaat. Het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment op de linkerflank was een half uur later vertrokken dan de rest, maar nog nagenoeg op volle sterkte. Ook zij liepen snel tegen de Duitse verdediging op, waarbij de leidende D Company veel slachtoffers opliep. Men wist niet verder te geraken dan het gebied tussen het museum en het Sint Elizabeth Gasthuis, waar men vastliep op een Duitse verdedigingslinie met machinegeweren, mortieren en tanks. Wel wisten ze de woning te bevrijden waar Roy Urquhart zich bevond en deze liet zich direct door één van de jeeps van het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment naar zijn hoofdkwartier rijden.


19 september 1944, Britse para's trachten Arnhem te bereiken. Gebruikte bron(nen): National Army Museum

Zich nestelend in de omgeving trachtte het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment hun positie te behouden en men wist een tegenaanval rond 08.00 uur nog af te slaan. Langzaam maar zeker gelukte het Duitse eenheden zich tussen en rond de Britten te nestelen. A Company die zich in het museum en de gebouwen daaromheen had genesteld raakte omsingeld. Terwijl zij de Duitse aanvallers bezighielden liet men de rest van het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment terugtrekken. A Company raakte nagenoeg geheel in krijgsgevangenschap. De rest van het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment kwam echter niet veel verder aangezien Duitse pantsertroepen zich in hun achterhoede hadden begeven. Tot het middaguur wisten de 2nd South Staffords Duitse aanvallen te weerstaan maar moesten zich uiteindelijk overgeven. Derek McCardie had nog ondersteuning gevraagd van 11th Parachute Battalion, echter tegen die tijd was Roy Urquhart weer verenigd met zijn hoofdkwartier en had hij 11th Parachute Battalion de opdracht gegeven iedere aanval af te breken en hun positie van dat moment vast te houden. Hij was ervan overtuigd door zijn ervaringen in Arnhem dat 1st Parachute Brigade zonder hulp niet zou kunnen doorbreken. Ook zond hij Colonel Hilaro Barlow, de plaatsvervangend bevelhebber van de 1st Airlanding Brigade naar Arnhem om het bevel over de troepen aldaar op zich te nemen. Hilaro Barlow kwam echter al snel na zijn aankomst in Arnhem om het leven door mortiervuur.

Tegen 11.00 uur kreeg 11th Parachute Battalion de opdracht de hoger gelegen gebieden te Heijenoord-Diependal te bezetten in de hoop dat dit Duitse troepen weg zou lokken en er zo een opening voor de 4th Parachute Brigade zou ontstaan. Teneinde dit mogelijk te maken dienden het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment Den Brink in te nemen. Hoewel het Major Robert Cain (B Company, 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment) lukte om met twee pelotons Den Brink te veroveren, bleek het onmogelijk zich hier in te graven en dwong Duitse artillerie en mortiervuur hem deze positie rond 13.30 uur alweer te verlaten.

Pas tegen 12.30 uur lukte het 11th Parachute Battalion om zich los te maken van hun gevechten met Duitse troepen dat men zich richting Heijenoord-Diependal kon begeven. De opmars raakte al snel in zulk zwaar gevecht met Duitse troepen en tanks dat A Company volledig van de rest werd afgesneden. Tegen 14.30 kreeg men bij Sperrverband Spindler door dat het 11th Parachute Battalion zich noordwaarts begaf, waarna men deze met alle macht aanviel. De verplaatsing van 11th Parachute Battalion werd dan ook een fiasco. Sperrverband Spindler had zich ondertussen in een dusdanig vaste positie weten te vestigen dat men van defensief naar offensief overschakelde en langzaam maar zeker de Britten terug richting Oosterbeek wist te drijven. De verbinding tussen de luchtlandingstroepen bij Ede en Wolfheze en de brug in het centrum was door de Duitsers volledig afgegrendeld. De enige hoop voor de Britten bij de brug lag nu bij 4th Parachute Brigade.

Deze 4th Parachute Brigade was bij het aanbreken van de dag begonnen met haar opmars richting Arnhem. Het 156th Parachute Battalion (Lieutenant Colonel Richard Des Voeux) zou als eerste de hoge gronden nabij LZ-L innemen van waaruit men op de Johannahoeve uitkeek, evenals de bossen bij Huize Lichtenbeek en het gebied de Koepel. C Company gelukte het zonder al te veel tegenstand de eerste fase uit te voeren. Tegenstand werd niet ondervonden aangezien de Duitsers zich licht hadden teruggetrokken en een linie hadden geformeerd langs de Dreijenseweg, tussen de Spoorlijn en de Amsterdamseweg. A Company (Major John Pott) zou de vervolgaanval leiden. Hierbij moesten zij voorwaarts zonder No. 3 Platoon welke nog op de landingszone met beschermingstaken bezig was. In plaats daarvan was een peloton samengesteld uit D Squadron The Glider Pilot Regiment onder bevel van Captain Iain Muir. Oprukkend door de bossen verliep de opmars voorspoedig tot men op de open gronden bij de Dreijenseweg aankwam. Met een bajonetaanval gelukte het uiteindelijk de voorste Duitse linies binnen te trekken, maar de in de achterhoede van de Duitsers aanwezig pantserwagens voorkwamen enige verdere voortgang. Alleen Major John Pott met enkele manschappen gelukte het Huize Lichtenbeek te bereiken. Deze positie wisten zij een uur lang tegen Duitse aanvallen te verdedigen voordat zij zich moesten overgeven. Door de slechte werking van de radio's werd B Company (Major John Waddy) naar voren gezonden, zonder te weten dat de aanval van A Company nagenoeg was mislukt. Aankomend bij de Dreijenseweg werden zij geconfronteerd met terugtrekkende gewonden van A Company. Om verder bloedvergieten te voorkomen, gaf Major John Hackett het bevel aan 156th Parachute Battalion de aanval af te breken. Het bataljon was toen echter al nagenoeg gehalveerd.

Ook het 10th Parachute Battalion (Lieutenant Colonel Ken Smyth) gelukte het de kruising Amsterdamseweg-Dreijenseweg te bereiken, waar D Company bij het waterpompgemaal onder vuur kwam te liggen. In plaats van vruchteloos aan te vallen besloot men D Company haar positie te laten vasthouden tot de mortieren van het bataljon in stelling waren gebracht. Gedurende het mortierbombardement trachtte A Company (Captain Lionel Queripel) een aanval uit te voeren, maar de Duitse verdedigers van Sperrverband Spindler wisten stand te houden en A Company moest terugtrekken. Aangezien enig doorbreken van deze Duitse linie onmogelijk leek werd besloten het 10th Parachute Battalion terug te trekken. Onder een rookscherm gelukt het 10th Parachute Battalion de strijd af te breken.
Vanwege de mist in Engeland ging de geplande dropping van de Poolse parachutisten echter niet door. Terwijl de aanval richting Arnhem plaatsvond, had het 7th Battalion The King's Own Scottish Borderers haar taak volbracht met het openhouden van LZ-L. Hier zouden immers de zweefvliegtuigen van de 1st Polish Independent Parachute Brigade Group die dag aankomen. Deze zouden de voertuigen en het geschut van de Brigade aanvoeren, terwijl de parachutisten zouden landen op DZ-K ten Zuiden van Arnhem. De Glider landingen konden door optrekkende mist wel voortgang vinden. De 7th Battalion The King’s Own Scottish Borderers had tot dan nog slechts te maken gehad met artilleriebombardementen en enkele luchtaanvallen van de Luftwaffe, maar nog geen noemenswaardige strijd hoeven te leveren. Op het vastgestelde tijdstip van de landing kwamen echter geen zweefvliegtuigen. Door de slechte communicatie was men bij het landingsterrein niet op de hoogte van de vertragingen in Engeland door de mist.
Ondertussen trokken het 10th Parachute Battalion en het 156th Parachute Battalion zich terug naar het landingsterrein, op de voet gevolgd door de Duitse troepen die in het offensief waren gegaan.

Tegelijkertijd zag ook de 4th Brigade genoodzaakt zich terug te trekken richting de rest van de 1st Airborne Division naar het gebied ten Zuiden van de spoorlijn. Hiervoor waren in principe twee mogelijkheden, de spoorwegovergang via het viaduct bij station Oosterbeek of de spoorwegovergang bij station Wolfheze. Oosterbeek Hoog was op de kruising met de Dreijenseweg gelegen welke in Duitse handen was en het Nederlandse verzet had gerapporteerd dat een Duitse eenheid, Kampfgruppe Von Tettau in dit geval, zich in de richting van de Britten begaf vanuit het Westen. Hierdoor besloot men de overweg bij Wolfheze te gebruiken.

Vanuit Engeland waren ondertussen de zweefvliegtuigen onderweg met eenheden van de 1st Airborne Division welke nog niet hadden kunnen worden overgebracht, evenals de Gliders met de Poolse brigade. Tegelijk waren RAF-transporttoestellen onderweg met voorraden. Geen van deze toestellen was, vanwege de falende communicatiemiddelen rond Arnhem, op de hoogte van de situatie op de grond, evenmin was men op de hoogte dat verschillende dropzones en landingsterreinen al ingenomen waren door Duitse troepen of dreigden te worden ingenomen. Ook het Duitse luchtafweer onderweg was volledig alert en veel toestellen werden geraakt voor ze het droppingsgebied of landingsgebied konden bereiken. Doordat de zweefvliegtuigen een hogere aanvliegroute hadden dan de transportvliegtuigen, wisten zij redelijk ongeschonden boven de landingszones te geraken. Bij de landing kwamen zij echter in een spervuur van lichtere en zwaardere wapens van Duitse zijde terecht. Toch wisten de meeste zweefvliegtuigen redelijk ongeschonden aan de grond te geraken. Het 7th Battalion The King’s Own Scottish Borderers was ondertussen dusdanig in de verdrukking gebracht door de Duitse tegenaanvallen dat zij weinig konden doen om te helpen. Twee zweefvliegtuigen landden op het al door Duitse troepen ingenomen LZ-S en de meeste inzittenden werden gedood of gevangengenomen.

Op LZ-L probeerde men zo goed en zo kwaad als het kon in deze hectiek de gliders te lossen toen op datzelfde moment 10th Parachute Battalion het gebied bereikte met direct achter hen de Duitse pantserwagens en infanterie die hun terugtocht achtervolgden. Door de verwarring die ontstond en ieder zich in veiligheid probeerde te brengen moesten veel voorraden achtergelaten worden.
Het landingsterrein werd frontaal aangevallen door de 9. Kompanie van Kampfgruppe Krafft, waardoor zowel HQ Company als D Company van het 7th Battalion The King’s Own Scottish Borderers zware verliezen leden. A Company werd overlopen en de meeste Britten moesten zich overgeven.

Door de verschijning van de Duitse troepen was iedere hoop om Wolfheze te bereiken vervlogen en het 4th Parachute Battalion haastte zich over de spoorweg op ieder locatie die daar maar enigszins geschikt voor was en vervolgens een weg naar Oosterbeek te zoeken waar de 1st Airborne Division zich ging verzamelen. Overlevenden van Brigade HQ en het 7th Battalion The King’s Own Scottish Borderers wisten zo te ontkomen, gevolgd door 156th Parachute Battalion. Bijna de helft van de manschappen van het 156th Parachute Battalion kon echter niet worden gewaarschuwd en trok verder naar Wolfheze waar ze zich aansloten bij 10th Parachute Battalion en een groep Glider Pilots. Wolfheze was nagenoeg verlaten en de groep groef zich in ten einde het te verdedigen, verwachtend dat meer troepen hier de spoorlijn moesten oversteken.

Ten oosten van Wolfheze werd een kleine onderdoorgang onder het spoor ontdekt en men besloot daar de kleine voertuigen van de 4th Parachute Brigade door naar de andere zijde te dirigeren. A Company van het 10th Parachute Battalion verschanste zich rond de onderdoorgang in de bossen ten noordwesten teneinde vijandelijke troepen tegen te houden en B Company van het 7th Battalion The King’s Own Scottish Borderers deed hetzelfde ten noordoosten.
Al spoedig moesten de twee eenheden het opnemen tegen aankomende Duitse troepen en wisten deze tot woensdagochtend 20 september te verdedigen. Hiermee gelukte het een groot deel van de voertuigen van de brigade in veiligheid te brengen. Captain Lionel Queripel was de laatste die achterbleef om de terugtocht van zijn eigen manschappen te dekken. Hij zou hierbij om het leven komen.

De Rijnbrug

Lieutenant Colonel John Frost had de nacht van 18 op 19 september weinig tegenstand ondervonden. Om 03.00 uur trok echter een Duitse eenheid samen bij de Van Limburg Stirum School, waar zich Engineers van het 1st Parachute Squadron en manschappen van 3rd Battalion bevonden. De Duitsers waren volledig verrast toen ze door de Britten vanuit het gebouw werden overvallen en moesten na grote verliezen terugtrekken. Gedurende de ochtend kwamen diverse Panzerkampfwagen III tanks vanuit het oosten de stad binnen rijden en begonnen, buiten bereik van de Britse antitankwapens de Britse posities te bestoken. Eén van de tanks werd door Captain Tony Frank, Second-in-Command A Company, 2nd Parachute Battalion, uitgeschakeld met een PIAT granaat en dwong de overige tanks zich terug te trekken. Kort daarna kwam het eerste Duitse verzoek binnen aan de Britten om zich over te geven. Het door de eerder gevangengenomen Lance Sergeant Halliwell overgebrachte verzoek werd door John Frost zo belachelijk gevonden dat hij er niet eens op liet reageren. John Frost had op dat moment immers een redelijk sterke positie. Hij bezat de toegang tot de brug, domineerde de omgeving en onthield iedere mogelijkheid de brug te passeren. Voor zover Frost wist, was XXX Corps op weg om hem te ontzetten.

De situatie die ontstond stelde met name de 10. SS Panzer-Division voor moeilijke beslissingen. Zij had immers de opdracht haar manschappen en materieel over te brengen naar de Betuwe en op te trekken naar Nijmegen teneinde de Waalbruggen tegen inname door de geallieerden te beschermen. Langzaam wist men manschappen en voertuigen over te zetten via het veer bij Pannerden, maar dit was een langzaam proces en het was moeilijk met name de zware tanks via het tamelijk lichte veer over te zetten. Men moest de Rijnbrug weer in handen krijgen. Directe infanterieaanvallen hadden gefaald aangezien de Britten zich uitstekend verschanst hadden en alle toegangswegen beheersten. De enige hoop die de Duitsers hadden was de Britten uit hun posities te dwingen door artillerie en mortiervuur. Daarnaast trachtte men door gecombineerde aanvallen van kleine groepen infanterie met sterke pantsersteun de Britten langzaam maar zeker, huis voor huis terug te dringen.


Duitse militairen op weg van het veer Pannerden-Doornenburg naar Nijmegen. Gebruikte bron(nen): Bundesarchiv, Bild 183-S73823 / CC-BY-SA 3.0

Vanaf deze dinsdagmiddag begon de Duitse artillerie de perimeter rond de brug dan ook systematisch te bestoken, waarbij gebouw na gebouw volledig in puin werd geschoten. Met fosforgranaten werd getracht de gebouwen in brand te zetten zodat de Britten ze wel moesten verlaten. Het mag duidelijk zijn dat dit tot zware verliezen leidde bij de manschappen van John Frost.
Tijdens de bombardementen positioneerden Duitse sluipschutters zich zodanig dat de bewegingsvrijheid van de Britten nog verder werd beperkt. Desondanks gelukte het de Britten om aanval na aanval van infanterie en pantserwagens af te slaan.

Gedurende de avond verschenen Tiger tanks van Kampfgruppe Brinkmann rond de brug en vielen de noordoostelijke sector aan. Zelfs hierna waren de Britten slechts gedwongen één positie, die van de RAOC Troop van de 1st (Airborne) Divisional Field Park, op te geven.
Gedurende het vallen van de nacht vielen de Duitse aanvallers terug op hun uitgangsposities, hoewel de artillerie- en mortierbombardementen de gehele nacht voortgingen. John Frost wist de Rijnbrug te behouden, maar zijn sterkte nam stukje bij beetje af en munitie en voedselgebrek begonnen de manschappen parten te spelen.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Baileybrug
Uit voorgefabriceerde elementen bestaande noodbrug. Tijdens WO II door de Engelsman Bailey ontworpen.
Bataillon
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond meestal uit een aantal Kompanien. In theorie bestond een Bataillon uit 500 - 1.000 man.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
Flak
Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
Kompanie
Maakte meestal deel uit van een Bataillon of een Abteilung en bestond uit een aantal Züge. In theorie bestond een Kompanie uit 100 - 200 man.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
PIAT
Projector Infantry Anti Tank. Brits anti tank wapen voor gebruik door infanterie troepen. Heeft de vorm van een geweer en is gebaseerd op het geweerprincipe. De PIAT kan herladen worden.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Woensdag 20 september 1944

De grondaanval

Op woensdag 20 september werden door Duitse aanvallen op de toevoerroute naar Nijmegen en in Noord-Brabant, de aanvoer van troepen en voorraden ernstig in gevaar gebracht. Ondertussen voerden de Duitsers ook hun eigen aanvallen richting Nijmegen op. Om 06.30 uur trokken drie groepen naar Nijmegen. Kampfgruppe Becker trok via de weg Beek-Nijmegen naar Neerbosch, terwijl Kampfgruppe Herrmann via Mook en Malden naar Hatert en Hees optrok. Kampfgruppe Greschlick tot slot, trok via Groesbeek op richting het Maas-Waalkanaal.
Ondanks deze tegenaanvallen, werd in de middag wederom een poging ondernomen om tot de verovering van de Waalbruggen te komen. Dit keer besloot men een deel van de troepen, in dit geval het 3rd Battalion (Major Julian A. Cook), 504th Parachute Infantry Regiment, nabij de PGEM-elektriciteitscentrale in Nijmegen met behulp van aanvalsboten de Waal over te laten steken. In de avond van 19 september was het bataljon al bij Grave vertrokken naar Nijmegen en had zich om 21.15 uur gevestigd in het Jonkerbos. Captain Julian Cook moest echter nog wachten op aanvalsboten om de rivier te kunnen oversteken. Aangezien deze vanuit België moesten worden aangevoerd, kon de aanval pas op 20 september plaatsvinden. De aanval zou om 14.00 uur beginnen, tegelijkertijd met een aanval op de zuidelijke oprit naar de verkeersbrug en de spoorbrug. Uiteindelijk kreeg men de beschikking over 26 boten en kon om 15.03 uur met de oversteek worden begonnen. De boten zouden worden gevaren door C Company (Captain Wesley D. Harris), 307th Airborne Engineer Battalion (Colonel Edwin A. Bedell).

De voorbereidingen om tot de oversteek te kunnen komen begonnen vroeg op de 20e doordat het 1st Motorized Battalion, Grenadier Guards (Lieutenant Colonel Edward H. Goulburn) samen met 2nd Battalion, 504th Parachute Infantry Regiment het terrein in Nijmegen-West, Waterkwartier en Hees zuiverden van vijandelijkheden. Hierdoor konden het 3rd Battalion (onder bevel van Major Julian Cook), het 1st Battalion (onder bevel van Major W. Harrison) van 504th Parachute Infantry Regiment en Company C, 307th Parachute Engineer Battalion (onder bevel van Captain Wesley Harris), zich ongestoord naar hun uitgangsposities bij de PGEM centrale begeven. H Company (Captain Carl W. Kappel) en I Company (Captain Thomas Moffatt Burriss) zouden de eerste aanvalsgolf vormen waarbij H Company zich aan de noordzijde zou begeven langs Fort Hof van Holland, oprukken naar het spoorviadukt bij Lent (thans Station Lent) en vervolgens de verkeersbrug innemen. I Company diende langs de spoordijk op te rukken en de spoorbrug in te nemen.

De spoorbrug zou aan de zuidelijke kant van de Waal aangevallen worden door Cie/Squadron Groups Colonne B (onder bevel van Captain John Neville), ondersteund door leden van 2nd Company 505th Parachute Infantry Regiment en enkele Grenadier Guards tanks. Deze groep ondervond taaie tegenstand van Kampfgruppe Henke rond het Kronenburgerpark en moesten zich zelfs over de daken van de huizen een weg banen richting de spoorbrug. De verkeersbrug zou vanuit het zuiden aangevallen worden door de 4th Company, Grenadier Guards (Major H.F. Stanley), King’s Company (Lieutenant Dawson) en het 2nd Battalion, 505th Parachute Infantry Regiment.
Om 14.40 uur werd de aanval geopend door een raketaanval met Hawker Typhoon jachtbommenwerpers van 2nd Tactical Air Force. Om 15.00 uur openden tanks van No. 2 en No. 3 Squadron, 2nd Armoured Battalion Irish Guards, geschut van 376th Parachute Field Artillery Battalion en van 153rd (Leicester Yeomanry) Field Regiment het vuur op het gebied waar 504th Parachute Infantry Regiment de boten moest verlaten. Om 15.03 uur begon de oversteek.
De boten kwamen, ondanks een rookgordijn, vrijwel direct onder vuur van Duitsers aan de overzijde. Het gebied werd verdedigd door manschappen van Kampfgruppe Henke, waaronder genietroepen van de Reichs Arbeitsdienst. Vuursteun kregen de Duitsers van een batterij artillerie en luchtdoelgeschut[86] onder bevel van Oberleutnant Beck, dat was opgesteld langs de Oosterhoutsestraat. Oskar Schwappacher zelf kon alleen zijn 19. Leichte-Batterie inzetten omdat zijn zware geschut volop betrokken was bij het vuren op Nijmegen. Met zware verliezen lukte het H Company en I Company aan de overkant te geraken en lukte het in relatief korte tijd de oever te zuiveren van Duitse tegenstand.
Fort Hof van Holland kon snel worden ingenomen. Gebruikmakend van de dekking van huizen en de spoordijk, wisten de Amerikanen zich te vestigen rond het spoorviaduct in Lent. De noordelijke oprit van de spoorbrug zelf werd na zware gevechten om 17.00 uur bereikt. Rond datzelfde moment had men aan de zuidzijde eveneens de oprit naar de spoorbrug veiliggesteld. De Duitse troepen rond de spoorbrug voelden zich in het nauw gedreven en trachtten via de brug de noordelijke oever te bereiken. Zij waren niet op de hoogte dat die al door leden van het 504th Parachute Infantry Regiment was veroverd. De vluchtende Duitsers werden ontvangen in een spervuur vanaf de noord en zuidzijde. Het aantal slachtoffers dat hierbij aan Duitse zijde viel is nooit precies vastgesteld, maar aan de hand van ooggetuigenverslagen kan geconcludeerd worden dat bij de spoorbrug mogelijk meer Duitse slachtoffers vielen dan bij de verkeersbrug.


De enige afbeelding die waarschijnlijk op 20 september van de oversteek over de Waal is genomen. Een boot terugkerend bij de energiecentrale. Gebruikte bron(nen): Wilco Vermeer collection

Om 15.30 uur begon de aanval op de zuidelijke oprit van de Verkeersbrug. No. 4 Company, Grenadier Guards (onder bevel van Major H.F. Stanley) trok via het Kelfkensbos richting de brug ter ondersteuning van de aanval door de King's Company (onder bevel van Lieutenant Dawson) welke via het Kelfkensbos en de Jorisstraat optrokken naar het Hunnerpark. Ondertussen trok 2nd Battalion, 505th Parachute Infantry Regiment het Keizer Lodwijkplein op en schakelde het lastige 88 mm geschut en drie van de vier aanwezige Duitse lichte tanks uit.

Rond 18.00 uur reden vier van de zes tanks van No. 1 Troop, 1st Squadron, 2nd Battalion Grenadier Guards van de Guards Armoured Division de verkeersbrug op. Twee werden uitgeschakeld, maar twee konden de betonnen wegversperring aan de noordelijke zijde bereiken. Direct achter de tanks reed de Scoutcar van Lieutenant Tony Jones, 14th Field Squadron, Royal Engineers. Zij begonnen direct met het verwijderen van alle ontstekingen, draden enzovoorts van alle explosieven die zij op de brug tegen kwamen. Eén tank bleef achter bij de betonnen versperring terwijl de andere doorreed naar het spoorviaduct in Lent. Verder oprukken bleek onmogelijk omdat juist voorbij het spoorviaduct een Duits antitankgeschut strategisch was opgesteld. Zonder aanzienlijke infanteriesteun kon niet verder worden opgerukt. Enige tijd later volgden Major Peter Carrington in zijn commandotank en H.J. Mitchell met zijn Recce Humber Scoutcar vanuit Nijmegen naar de noordzijde.

Tegen het bevel van zijn meerdere, Feldmarschall Walter Model, in, had de bevelhebber van de 10. SS-Panzer-Division, SS-Brigadeführer Heinz Harmel, besloten de Nijmeegse Verkeersbrug met explosieven gereed te maken om opgeblazen te worden zodra de geallieerden dreigden deze in te nemen. Een poging de brug in de lucht te laten vliegen mislukte echter. Om tot op de dag van vandaag onbekende redenen weigerden de springladingen te exploderen.

Tegen 19.15 uur bereikten de manschappen van 504th Parachute Infantry Regiment[87] die de Waal met boten waren overgestoken eveneens de noordelijke oprit van de Waalbrug, waarmee iedere Duitse tegenstand bij de brug werd beëindigd en de Waalbrug definitief in handen was van de geallieerden. Men had nu een klein bruggenhoofd gevestigd vanaf Fort Hof van Holland, via het viaduct onder de spoordijk in Lent tot enige honderden meters van de verkeersbrug. Verdere uitbreiding van het bruggenhoofd werd gepland vanaf 09.00 uur de volgende dag. Desondanks waren de gevechten in Nijmegen nog niet achter de rug. Tot diep in de nacht waren Britse infanteristen in gevecht met kleine groepen Duitsers en konden daardoor niet ter ondersteuning van de tanks over de Waalbrug worden gezonden.
Aan Duitse zijde wist Karl-Heinz Euling met een kleine zestig manschappen rond 22.30 uur zelfs nog via de onderdoorgang onder de verkeersbrug en de Ooijpolder met enkele roeibootjes naar Haalderen aan de andere oever te ontsnappen. Leo Reinhold had zich via de dijk naar Bemmel in veiligheid weten te brengen. Heinz Harmel en Leo Reinhold hadden gelijk vanuit Bemmel opdracht gegeven een antitankstelling op te richten halverwege de weg tussen Elst en Lent. Vanaf Oosterhout, via Ressen naar Bemmel werd een nieuwe verdedigingslinie opgeworpen. Hiertoe kon hij bij Bemmel het SS-Panzergrenadier-Regiment 22 en de II. Abteilung, SS-Panzer-Regiment 10 inzetten. Deze Panzer-Abteilung was bij Pannerden overgezet en met zestien Panther tanks onderweg naar Bemmel.
Ondertussen waren de Welsh Guards als reserve toegevoegd aan de 82nd Airborne Division en naar Molenhoek gezonden. Zij kwamen daar om 17.30 uur aan om het 1st Battalion 505th Parachute Infantry Regiment te ondersteunen met het tot staan zien te brengen van de Kampfgruppe Herrmann bij Mook. Om 18.15 uur ontvingen zij het sein om Mook aan te vallen. Bij het spoorviadukt tussen Molenhoek en Mook wist men de Duitse aanvallers af te slaan, waarbij één van de Britse tanks op een mijn liep en een andere door de Duitsers werd vernietigd. De Coldstream Guards kregen vervolgens de opdracht om de para's en de Welsh Guards te komen bijstaan, maar de vijand werd afgeslagen voordat zij zich bij de strijd konden voegen. Het 1st Battalion, 505th Parachute Infantry Regiment gelukte het gedurende de avond om met hulp van tanks van de Coldstream Guards en eigen artillerie, Mook te zuiveren en de vijand verder terug te dringen. Hiermee werd de dreiging op de brug bij Heumen afgewend.

Het 508th Parachute Infantry Regiment had diezelfde dag bij Beek haar handen vol aan de verdediging van toegangswegen tot de landingsterreinen. Hiertoe kregen zij bijstand van tanks van de Sherwood Rangers. Ingegraven op de hellingen tussen Beek en Berg en Dal wisten zij aanvallen van de Duitsers af te slaan. A Company, onder bevel van Lieutenant John P. Foley, vocht een even zware strijd rond de Duivelsberg. Hoewel een tank naar hen werd gezonden ter ondersteuning moest deze al snel weer naar Beek terugkeren omdat die daar harder nodig was.

Kampfgruppe Becker lukte het om tot in Beek door te dringen, Kampfgruppe Greschick tot in Groesbeek en Kampfgruppe Göbel tot in Mook. Deze laatste kreeg hulp van Kampfgruppe Herrmann die Plasmolen en Riethorst wist te heroveren. De hulp van de tanks was voor de Amerikanen precies op tijd gekomen. Hiermee wist men de Duitse tegenaanvallen tot staan te brengen, maar de situatie bleef dreigend. Pas de volgende dag zouden de geallieerden de situatie ten oosten en ten zuiden van Nijmegen onder controle hebben.
Op de flanken van XXX Corps had XII Corps nog maar de lijn Retie-Postel-Bladel-Wintelre bereikt.[88] Op de flank van VIII Corps, had de 3rd Infantry Division deze dag Achel, Hamont en Budel bevrijd en later die dag wist men ook Maarheeze op de Kampfgruppe Heinke te veroveren. De corridor van XXX Corps zelf werd op 20 september wederom door de Duitse Panzer-Brigade 107 met ondersteunende troepen afgesneden, waardoor wederom vertraging ontstond in het transport van voorraden en manschappen naar Nijmegen.
Nadat op 19 september de geallieerden een aanval van Panzer-Brigade 107 op de brug bij Son hadden weten af te slaan, werd op 20 september vanaf 06.15 uur wederom gepoogd de brug bij Son in te nemen of te vernietigen. Panzer-Brigade 107 en haar ondersteunende troepen vertrokken vanuit Nuenen en stuitten tussen Esp en Son op de geallieerde verdedigingslinie. Ondanks de zware strijd die ontstond en de uitstekende verdediging, gelukte het acht Duitse tanks tot nabij de brug door te dringen. Hier stuitten zij echter op tegenstand van Cromwell tanks van 15th/19th Hussars. Een ware tankslag bij de molen in Esp ontstond. Door deze gevechten werd de corridor echter gedurende ruim zeven uur versperd.

Oosterbeek

De situatie rond de landingsterreinen en in Arnhem was op woensdag 20 september dusdanig ernstig geworden dat Major General Roy Urquhart zich gedwongen zag van tactiek te veranderen. Het was duidelijk geworden dat de rest van de 1st Airborne Division met geen mogelijkheid op korte termijn richting Arnhem zou kunnen oprukken. Zijn eerste besluit was dat Lieutenant Colonel John Frost bij de brug zichzelf zou moeten zien te redden tot XXX Corps arriveerde. Roy Urquhart overwoog dat als de brug in Duitse handen zou vallen, Market Garden nog zou kunnen slagen indien het hem met de rest van zijn divisie gelukte een bruggenhoofd op de noordoever vast te houden. Indien XXX Corps dan arriveerde zou daar een brug geslagen kunnen worden over de Nederrijn. Hiervoor koos hij Oosterbeek uit en gaf alle restanten van zijn divisie de opdracht zich naar Oosterbeek te begeven.
Dit was nog niet zo eenvoudig omdat vele van zijn troepen in de gebieden tussen Arnhem, Wolfheze en Ede in gevecht waren met Duitse eenheden. Het 1st Battalion The Border Regiment had zich al in de bossen ten Westen van Oosterbeek genesteld en hun linie zou de westelijke verdediging van de perimeter worden. De oostelijke linie was echter nog volledig onbezet. Alleen de schutters van het Light Regiment en een groep Glider Pilots bevonden zich ter hoogte van de kerk van Oosterbeek. De medische staf had haar intrek genomen in Hotel Schoonoord, op het kruispunt van de Utrechtseweg en de Stationsweg. Deze onverdedigde medische staf werd echter al op woensdag gevangengenomen door een Duitse patrouille, die zich echter weer terugtrok uit angst voor Britse troepen in de buurt.

Gedurende deze woensdag kwamen langzaam maar zeker steeds meer eenheden aan in Oosterbeek. In het Oosten settelden zich de restanten van het 1st Parachute Battalion, het 3rd Parachute Battalion, het 11th Parachute Battalion en het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment, waarmee bijna een bataljon qua sterkte kon worden geformeerd. De groep was opgevangen door Lieutenant Colonel William Francis Kynaston Thompson en Major Robert Henry Cain, de hoogste in rang aanwezig, kreeg van hem de opdracht de verdediging met deze manschappen te organiseren. William Thompson ging bij het HQ (hoofdkwartier) voorraden organiseren en kreeg een nieuwe bevelhebber in de vorm van Major Richard Thomas Henry Lonsdale met zich mee. De als zodanig samengestelde eenheid kreeg de tijdelijke naam Lonsdale Force. Al spoedig zou deze Lonsdale Force zich moeten verweren tegen troepen van Kampfgruppe Spindler. Tijdens de gevechten die volgden was het dat Lance Sergeant John Baskeyfield die, als enige overgeblevene van zijn geschutbemanning, zich gewond en wel verweerde tegen aanvallen van Duitse pantserwagens. Deze actie moest hij met zijn leven bekopen. Ondanks de zware strijd, wist Lonsdale Force haar sector te behouden. Wel moest men zich onder de aanhoudende Duitse druk steeds verder terugtrekken richting de kerk van Oosterbeek en de omgeving er van. Samen met William Thompsons Light Regiment trachtte men hier de Duitsers van zich af te houden.

Vanuit het Westen was ook de 4th Parachute Brigade op weg naar Oosterbeek. Om 13.10 uur was 10th Parachute Battalion de eerste die de perimeter binnenkwam hoewel men een groot deel van haar sterkte was verloren. Brigade Headquarters en 156th Parachute Battalion hadden het zwaar tijdens de terugtocht vanwege de constante strijd met Duitse troepen. Lieutenant Colonel Richard Des Voeux kwam hierbij om het leven en Brigadier John Hackett nam tijdelijk zelf het bevel over het bataljon. Uiteindelijk wist men de omsingeling door Duitse troepen te doorbreken en terug te vallen binnen de posities van A Company van het 1st Battalion The Border Regiment.
B Company van 7th Battalion The King’s Own Scottish Borderers had de nacht doorgebracht in Hotel Wolfheze en kreeg versterking van een klein deel van 156th Parachute Battalion dat hier terecht was geraakt. In de middag leidde Major Michael Forman zijn troepen naar het zuidwesten in de hoop zich aan te kunnen sluiten bij anderen. Hierbij liep de eenheid recht in een Duitse linie en werd gevangengenomen.

In kleine en grotere groepen vielen op 20 september de meeste restanten van de 1st Airborne Division terug op Oosterbeek. Van de 10.000 man sterke 1st Airborne Division lagen toen slechts ruim 3600 man in en rond Oosterbeek. Met tekorten aan munitie en voorraden probeerde Roy Urquhart zo goed en kwaad als het ging een verdediging op te zetten.
De westzijde van de Perimeter werd verdedigd door het bijna intacte 1st Battalion The Border Regiment, ondersteund door Glider Pilots en Royal Engineers. Het 7th Battalion King's Own Scottish Borderers hadden de noordzijde in hun grip met het Reconnaissance Squadron als hun rugdekking. Aan hun linkerflank lagen de Independent Company en de restanten van het 4th Parachute Squadron. Deze gehele sector kwam onder bevel te staan van Brigadier Philip Hicks.
De Oostelijke sector werd door Brigadier John Hackett gereorganiseerd vanuit diverse groepen paratroepers met in het zuiden Lonsdale Force, gesteund door het geschut van de 1st Airlanding Light Regiment. Tussen Lonsdale Force en de Nederrijn lag een stuk onverdedigd gebied dat moeilijk begaanbaar was, maar kon worden bestreken met machinegeweren en patrouilles. Het kruispunt van de Utrechtseweg en de Stationsweg werd verdedigd door het 10th Parachute Battalion met ten noorden van hen 156th Parachute Battalion langs de Stationsweg. Hiertussen werden twee Squadrons van het Glider Pilot Regiment en de 250th Light Composite Company gelegerd. Roy Urquhart vestigde zijn Divisional Headquarters definitief in Hotel Hartenstein. Zijn opdracht was simpel, houd de vijand tegen tot XXX Corps arriveerde.

Gedurende de gehele dag kreeg met name het 1st Battalion The Border Regiment het hard te verduren van Duitse aanvallen door Kampfgruppe Von Tettau. Rond 10.00 uur werd A Company zwaar aangevallen door infanterie en een stuk gemechaniseerd geschut. C Company kwam vervolgens onder zware druk te staan en moest verschillende posities prijsgeven. Door sterke tegenaanvallen wist men de meeste posities te heroveren en toen een stuk antitankgeschut het gemechaniseerde kanon wist uit te schakelen trokken de Duitsers terug.

In de sector van het 7th Battalion The King’s Own Scottish Borderers was het relatief rustig. Een patrouille gelukte het twee Duitse tanks in een hinderlaag te lokken en één er van met het antitankgeschut uit te schakelen. Roy Urquhart had ondertussen contact weten te leggen met de leiding van XXX Corps en geregeld dat de Poolse parachutisten niet ten zuiden van de verkeersbrug zouden worden gedropt maar nabij Driel. Major General Stanislaw Sosabowski en zijn 1st Polish Independent Parachute Brigade Group was immers nog steeds niet naar het strijdgebied getransporteerd vanwege de mist in Engeland. De drop zou deze middag plaatsvinden. De Polen moesten nu bij Driel landen en dan het veer Driel-Heveadorp gebruiken om over te steken naar Oosterbeek. Door slecht weer werd de drop echter wederom 24 uur uitgesteld.

Een poging van de RAF om met 160 Short Stirling bommenwerpers en Douglas Dakota transportvliegtuigen de 1st Airborne Division te bevoorraden ging wel door. De dagen ervoor hadden de transporten de voorraden bij de Duitsers gedropt, aangezien ze niet op de hoogte waren dat de landings- en dropzones al in Duitse handen waren. Divisional Headquarters had voor woensdag echter wel contact kunnen leggen met de buitenwereld en de RAF zou de voorraden binnen de perimeter droppen. Toch was er binnen de RAF nog de nodige onduidelijkheid en 33 toestellen dropten hun voorraden boven LZ-Z en die vielen in Duitse handen. Toch kon de helft van alle voorraden nog in Britse handen terechtkomen.

Rijnbrug Arnhem

Hoewel de brug bij Arnhem nog in Britse handen was, begon gebrek aan voedsel, water en munitie zorgwekkende vormen aan te nemen. Doordat de troepen volledig van de buitenwereld waren afgesloten, werd de uitkomst van de strijd hier eigenlijk al duidelijk. Zonder doorbraak van buitenaf, moest de brug worden opgegeven. Bij het eerste daglicht hadden Duitse sluipschutters en machinegeweer teams zich zodanig gepositioneerd dat nagenoeg de gehele perimeter rond de brug door hen kon worden bestreken. Deze posities waren zodanig gekozen dat de Britten aan beide zijden van de brugoprit van elkaar geïsoleerd raakten. Artillerie- en mortiervuur bleef onophoudelijk op de Britten neerdalen en de Duitsers bleven gecombineerde infanterie en gepantserde aanvallen uitvoeren. De infanterieaanvallen konden door de Britten nog redelijk worden afgehouden, maar de Duitse tanks hadden nagenoeg vrij spel.

John Frost wist kortstondig radiocommunicatie met Roy Urquhart te plegen waarbij het hem duidelijk werd dat hij van de rest van de 1st Airborne Division geen hulp kon verwachten, de enige redding voor John Frost en die van de rest van de 1st Airborne Division rustte op de komst van XXX Corps. Gedurende de gevechten raakten Lieutenant Colonel John Frost en Major Doug Crawley (B Company, 2nd Parachute Battalion) dusdanig gewond dat John Frost zich genoodzaakt zag het bevel over te dragen aan Major Freddie Gough van het Reconnaissance Squadron. De perimeter werd ondertussen steeds kleiner en besloten werd alle beschikbare manschappen terug te trekken naar de posities van het 1st Parachute Battalion Headquarters. Van hieruit kon met de brug blijven bestoken en alle vuurkracht concentreren op de omgeving. Desondanks kon niet voorkomen worden dat het de Duitsers lukte om vanaf dat moment pantservoertuigen de brug te laten passeren. Juist op dat moment begonnen enkele kilometers naar het zuiden, eveneens Britse tanks de brug bij Nijmegen te passeren.

Voor John Frost en Freddie Gough was het duidelijk dat iedere verdere tegenstand alleen maar onnodig bloedvergieten zou opleveren. Besloten werd met de Duitsers te onderhandelen om de gewonden, inclusief John Frost uit het strijdgebied te evacueren en in krijgsgevangenschap te begeven. Een bestand van twee uur werd overeengekomen waarin de gewonden werden afgevoerd in een gezamenlijke operatie van Britten en Duitsers. Major Digby Tatham-Warter nam het bevel op zich van de overgebleven troepen en na de evacuatie begon het artillerie- en mortierbombardement weer alsof er niets was gebeurd. Major Digby Tatham-Waters splitste zijn troepen in twee en gaf hen opdracht dekking te zoeken en pas de strijd te hervatten als dit mogelijk was.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
kanon
ook bekend als Kanone (Du) en Gun (En). Wordt vaak gebruikt om allerlei geschut aan te duiden. Eigenlijk slaat de term op vlakbaan geschut. Wordt gekenmerkt door een langere loop en grotere dracht.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.
Tactical
Tactic betekent taktiek. De werkelijke uitvoering van het militaire bedrijf. De Amerikanen gebruikten de term Tactical ook om luchtmacht onderdelen aan te duiden die aanvallend optraden, zoals jagers en jachtbommenwerpers. Dit in tegenstelling tot Strategical, waarmee bommenwerper eenheden werden aangeduid.

Donderdag 21 september 1944

De Waalbrug en de Betuwe

Met de inname van de Waalbruggen kon XXX Corps troepen de Betuwe in brengen. De dag ervoor was de opmars afgebroken omdat er nog maar weinig Britse tanks waren overgestoken en de Duitsers direct na het spoorviaduct in Lent een afweerlinie met anti-tank geschut hadden opgesteld
Ook de Duitsers hadden ondertussen een behoorlijke verdediging de Betuwe in kunnen dirigeren. Eerst via het veer bij Pannerden en gedurende de 21e ook volop via de in bezit genomen Rijnbrug bij Arnhem.


21 september 1944, 2nd Battalion, The Welsh Guards trekt de Betuwe in. Gebruikte bron(nen): Imperial War Museum

Na de nacht te hebben doorgebracht bij het Lentse bruggenhoofd, keerden de tanks van Carrington in de vroege ochtend terug naar Nijmegen. Ze werden afgelost door tanks van het 2nd Armoured Battalion Irish Guards en het 3rd (Infantry) Battalion Irish Guards die posities innamen voor de uitbraak richting Arnhem. Zij waren om 03.00 uur de verkeersbrug overgetrokken. Het 153rd (Leicester Yeomanry) Field Regiment, Royal Artillery, trok met acht stuks gemotoriseerde 25 pond geschut de Waalbrug over om als vuursteun te dienen voor de opmars die zou worden aangevoerd door het 2nd Battalion, Irish Guards. Voor de opmars naar Arnhem werd gekozen voor de Griftdijk van Lent naar Elst. Bekend was dat bij station Ressen-Bemmel zes Duitse 88 mm kanonnen waren opgesteld en dat er een linie door de Duitsers was opgetrokken om de weg naar Elst te blokkeren. Hiertoe had men langs de stationsstraat van Ressen naar Oosterhout geschut en infanterie samengetrokken. Deze linie sloot aan op een inderhaast opgetrokken verdedigingslijn met anderhalf bataljon van het SS-Panzergrenadier-Regiment 22 ten zuiden van Bemmel, één bataljon SS-Panzergrenadier-Regiment 21 bij De Heuvel ten noorden van Bemmel, restanten van Kampfgruppe Euling bij Haalderen, II. Abteilung, SS-Panzer-Regiment 10 bij Bemmel, 1. Kompanie, SS-Panzer-Pionier-Abteilung 10 ten oosten van Bemmel.
De 5. Fallschirmjäger-Kompanie (Oberst Johann Hemsoth) en restanten van Kampfgruppe Hartung bevonden zich ten noordoosten van Bemmel tussen De Heuvel en de Aam. De restanten van Gräbner’s troepen, nu onder bevel van SS-Hauptsturmführer Karl-Heinz Recke bevonden zich in Elst. De beide Kampfgruppen Hemsoth en Hartung bevonden zich bij de Heuvel en bij Ressen. Qua vuursteun konden de Duitse troepen gebruik maken van III. Abteilung en IV. Abteilung, SS-Panzer-Artillerie-Regiment 10 bij Pannerden en Angeren. De II. Abteilung van hetzelfde regiment lag bij Flieren en stond onder direct bevel van SS-Sturmbannführer Fritz Haas, de bevelhebber van het regiment. Bij Doornenburg lag ook de SS-Panzer-Flak-Abteilung 10. Het totale afweerscherm werd aan de Oostzijde bezet door de troepen ingedeeld bij de V. Abteilung, SS-Artillerie-Ausbildungs und Ersatz-Regiment onder Oskar Schwappacher dat bij Oosterhout lag.

Bij het spoorwegviaduct in Lent stond om 13.00 uur No. 1 Squadron (Major Michael James Palmer O’Cock), gevolgd door No. 2 Squadron (Major Edwin G. Tyler) met de manschappen van No. 4 Company (Major John S.O. Haslewood). No. 3 Squadron (Major Desmond Fitzgerald) kwam hierachter en vervoerde manschappen van No. 2 Rifle Company (Major Alec Hendry). Tot slot werd No. 1 Company, 3rd Battalion Irish Guards hierachter door vrachtwagens vervoerd. Na een artilleriebombardement ving de opmars om 13.30 uur aan.[89] Alles ging voortvarend tot men bij de Groenestraat aankwam. Tussen de Groenestraat en de Stationsstraat namen de Duitsers de colonne onder vuur. De voorste drie tanks werden onmiddellijk uitgeschakeld door het Duitse antitankgeschut en de begeleidende infanterie werd direct onder vuur genomen. De Duitse linie bleek hier zeer sterk te zijn. De Duitsers hadden hier het gevreesde 88 mm geschut, 75 mm luchtafweergeschut, 20 mm luchtafweergeschut en gemechaniseerd geschut samengebracht.

Door de vernielde tanks werd de doorgang nu geblokkeerd en de hierachter vastlopende tanks konden onvoldoende gericht vuur uitbrengen. De vastgepinde Britten lukte het niet om luchtsteun te krijgen wegens defecte radioapparatuur. Artilleriesteun kreeg men pas om 17.00 uur. Om 19.00 uur kreeg men het bevel terug te trekken richting Lent en te wachten op versterking van infanterie.
De 43rd (Wessex) Division (Major General Gwilym Ivor Thomas) kreeg opdracht de Betuwe in te trekken. Zij waren echter nog tussen Grave en Nijmegen waardoor de opmars wederom werd vertraagd. De vastgelopen Guards bij Lent/Oosterhout hadden bijna eerste rang zicht op een schouwspel dat zich tijdens hun strijd ontvouwde. Om 17.20 uur begon bij Driel de landing van de 1st Polish Independent Parachute Brigade Group (Major General Stanislaw Sosabowski).

Luchtlanding van de Poolse Brigade

Ook nu ging het weer mis bij het opstijgen in Engeland: 41 transporttoestellen met ruim 500 para's keerden terug vanwege het slechte weer. De overige landden rond 17.20 uur bij Driel. Het landingsterrein lag even ten oosten van Driel, tussen Driel en de weg van Elst naar Arnhem. Bij de landing zelf kwamen de Polen vrijwel direct onder vuur te liggen. De komst van de luchtarmada was door de Luftwaffe gesignaleerd en die stuurde diverse jachtvliegtuigen op pad. Messerschmitt Me 262 jagers van II. Jagdkorps, Luftflotte 3[90], waren de eersten die de vliegtuigen aanvielen. Luchtdoelgeschut rond Arnhem en Elst, dat nog was versterkt met de Flak-Abteilung Von Svoboda (Oberstleutnant Hubert Edler von Svoboda) en Artillerie-Regiment 191, mengden zich in het afweervuur.
Wilhelm Bittrich reageerde direct op de nieuwe luchtlandingen en reorganiseerde snel zijn troepen in de Betuwe. Hij liet hen een afweerlinie opbouwen ten oosten van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen.
Deze linie, Sperrverband Harzer genaamd, werd ten noorden van de Nederrijn bezet door Kampfgruppe Krafft en ten zuiden van noord naar zuid door Bataillon Schörken (Hauptmann Otto Schörken), 14. Schiff-Stamm-Abteilung (Fregattenkapitän Peter Hauth), Festungs(MG)-Bataillon 41 en III. Bataillon, SS-Grenadier-Regiment Landstorm Nederland (SS-Obersturmbannführer Hermann Delfs). Het bevel over deze linie kreeg Oberst Egon Gerhard (Panzergrenadier-Ausbildungs und Ersatz-Regiment 57). Bataillon Schörken was afkomstig van de 116. Panzer-Division en wel Panzergrenadier-Ersatz und Ausbildungs-Bataillon 60. Gerhard zelf vestigde zich in Elden. Tanks van de 5. Kompanie, SS-Panzer-Regiment 9 werden aan het Sperrverband toegevoegd ter versterking. Dit Sperrverband Harzer was niet direct op 21 september compleet aangezien enkele eenheden nog van elders aangevoerd moesten worden of elders in gevecht waren, maar zou de komende dagen verder vorm krijgen en nog verder versterkt worden. Zo werden op later moment een SS-Sicherungs-Kompanie en Festungs(MG)-Bataillon 37 nog toegevoegd.

Desondanks lukte het de Polen, eenmaal op de grond, zich redelijk eenvoudig te reorganiseren. Het 3rd Parachute Battalion trok direct naar hun doel langs de oever van de Nederrijn en het 2nd Parachute Battalion trok direct naar het veer Driel-Heveadorp. Aangekomen bij het veer bleek dat deze uit de vaart was en er geen veerboot te bekennen viel. Stanislaw Sosabowski was nog niet op de hoogte dat aan de overzijde de strijd tot gevolg had gehad dat de veerstoep aldaar in Duitse handen was en de Polen kwamen dan ook nagenoeg direct onder vuur te liggen. Achteraf bleek het veer niet buiten gebruik, maar dat de veerbaas, toen hij zich realiseerde dat de Duitsers de Westerbouwing veroverden, zijn veerboot tot zinken had gebracht om te voorkomen dat de Duitsers die zouden gebruiken zoals ze in Pannerden deden.

Major General Roy Urquhart had de landing van de Polen gadegeslagen vanuit Oosterbeek maar kon geen radiocontact leggen. De locatie Driel was door Roy Urquhart voorgesteld zodat de Polen zijn troepen in Oosterbeek konden versterken.[91] Zijn Poolse Liaisonofficier, Captain Ludwik Zwolanski bood aan de Rijn over te zwemmen en bericht naar Stanislaw Sosabowski te brengen. Het bericht behelsde dat Roy Urquhart een poging zou ondernemen de Westerbouwing en het veer aan de Noordzijde te heroveren en dat hij vlotten liet maken om de Poolse voertuigen over te zetten. De herovering mislukte en ook het maken van de vlotten duurde langer dan verwacht. Aan Poolse zijde trachtte men ondertussen middelen te vinden om de rivier te oversteken. Ook deze poging lukte niet voor de volgende dag en Stanislaw Sosabowski liet zijn Brigade het dorp Driel inrichten ter verdediging voor de nacht.

Arnhem

Rond 12.00 uur[92] werden bij de Rijnbrug in Arnhem de laatste Britse verzetshaarden opgerold door Kampfgruppe Brinkmann en Kampfgruppe Knaust. De Duitsers hadden weer volledige controle over deze brug. Kampfgruppe Knaust kreeg direct het bevel de brug te passeren. Al snel werden zij gevolgd door andere eenheden. De schwere Panzer-Kompanie Hummel met Königstiger en I. Bataillon, SS-Panzergrenadier-Regiment 21 hadden bij de strijd om de brug de doorslag gegeven en konden nu in de Betuwe worden ingezet. Om 16.15 uur trok Kampfgruppe Knaust de Betuwe in en ging via Elden naar Elst. Kampfgruppe Knaust was ondertussen een behoorlijke strijdmacht geworden. De I. Abteilung, SS-Panzer-Regiment 9 met Panther tanks en gemotoriseerd geschut was toegevoegd, evenals de schwere Panzer-Kompanie Hummel van Hauptmann Hans Hummel met Tiger tanks. Tot slot waren een restant van Viktor Gräbner’s eenheid en 3. Kompanie, Panzergrenadier-Regiment 21 aan de Kampfgruppe toegevoegd.

Rond 17.00 uur arriveerde Kampfgruppe Knaust in Elst en vroeg in de avond was men bij Ressen. Kampfgruppe Knaust nam direct de Sperrlinie tussen Elst en Lent over van de aldaar aanwezige troepen. Major Hans-Peter Knaust haalde deze echter niet weg, maar versterkte hun linies met zijn eigen troepen en tanks. De 5. Panzer-Kompanie van Oberleutnant Wilhelm Mielke werd naar Oosterhout, iets ten westen van Lent, gezonden om dit dorp te verdedigen. De hoofdmacht van Kampfgruppe Knaust trok zich echter terug naar Elst. Hans-Peter Knaust vond namelijk het gebied tussen Elst en Lent ongeschikt voor zijn tanks om te manoeuvreren. Indien de geallieerden zouden oprukken naar Arnhem, was hij ervan overtuigd dat ze dit via Elst zouden doen. Hij zorgde daarom voor versterking van de al aanwezige Sperrlinie bij Ressen en richtte Elst in als zijn hoofdverdediging. Om de nodige artilleriesteun te kunnen geven aan de Kampfgruppe Knaust en Sperrverband Harzer, werd bij Elden en Rijkerswoerd een detachement van Artillerie-Regiment 191 (Hauptmann Karl Baan), Flak-Abteilung Von Svoboda en SS-Werfer-Abteilung 102 van SS-Nebelwerfgruppe Nickmann (SS-Hauptsturmführer Alfred Nickmann) opgesteld.[93] Tussen Sperrverband Harzer en Kampfgruppe Knaust werd Kampfgruppe Brinkmann (SS-Panzer-Aufklärungs-Abteilung 10, SS-Sturmbannführer Heinz Brinkmann) gepositioneerd.

Oosterbeek

Bij de Rijnbrug in Arnhem was op donderdag 21 september de situatie dusdanig verslechterd dat de strijd werd opgegeven. Hiermee kregen rond 12.00 uur die dag[94] de Duitsers de Rijnbrug volledig en ongeschonden in handen en konden ze deze ongehinderd gebruiken om hun troepen in de Betuwe verder te versterken.
Door het wegvallen van het verzet bij de Rijnbrug, konden de overige Duitse troepen bij Arnhem zich volledig richten op de bij Oosterbeek teruggedrongen Britse 1st Airborne Division.

Bij Oosterbeek waren de Duitse troepen om 08.00 uur begonnen met aanvallen op de Perimeter. Bij Restaurant Westerbouwing, werd B Company van het 1st Battalion The Border Regiment volledig verrast door een aanval met tanks en infanterie van het Hermann Göring Regiment. Met Bren guns wist men de infanterie van zich af te houden maar moest onder druk van de tanks de verdediging prijsgeven. Het 1st Battalion The Border Regiment ondernam nog drie pogingen de Westerbouwing te heroveren, maar alle mislukten. Door de Duitse verovering van de Westerbouwing, was het veer Driel-Heveadorp nu in Duitse handen en was de Perimeter danig geslonken. Ook dreigde hierdoor de verbinding met de Nederrijn te worden afgegrendeld. Major Charles Breese organiseerde echter een groep, bekend als Breeseforce met onder andere twee pelotons van A Company, No. 17 Platoon van C Company 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment en diverse paratroepers. Het gelukte een stevige verdediging richting de oever van de Nederrijn op te zetten. A Company, C Company en D Company van het 1st Battalion The Border Regiment waren eveneens onder zwaar Duits artillerie- en mortiervuur komen te liggen. A Company kwam onder zware druk van Duitse infanterie te staan maar wist deze gedurende de dag en nacht tegen te houden.
Ook C Company dreigde onder de voet te worden gelopen, maar door gewaagde tegenaanvallen wisten ook zij de Duitse aanvallers van zich af te houden. D Company, welke direct naast de Westerbouwing gelegen lag, kwam onder druk van infanterie en tanks te staan, maar wist met hun antitankgeschut uiteindelijk één van de aanvallende tanks uit te schakelen, waarop de aanvallers zich terugtrokken.

Ook in de Oostelijke sector kwam Lonsdale Force onder Duitse druk te staan van infanterie en tanks. Ten koste van behoorlijke verliezen wist men deze echter af te slaan, waarbij Major Robert Cain, op dat moment het bevel van het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment voerde.

Het 10th Parachute Battalion in het noorden kreeg eveneens met zware tegenaanvallen ta maken langs de Utrechtseweg. Duitse aanvallen met een gemechaniseerd kanon maakten zo veel slachtoffers dat het 10th Parachute Battalion nagenoeg werd uitgeschakeld als eenheid. Hierbij kwamen de meeste bevelhebbers om of raakten gewond. Groepjes militairen onder bevel van Captain Peter Roderick MacGregor Barron van de 2nd Airlanding Anti-Tank Battery, wisten hun posities echter vast te houden tot Brigadier John Hackett de 21st Parachute Company naar hen kon sturen om de posities over te nemen. Dankzij dit alles gelukte het de Duitse aanvallers niet om belangrijke terreinwinst te boeken.

Rond Hotel Dreijeroord vond deze dag de laatste grote Duitse aanval plaats op de posities van het 7th Battalion The King’s Own Scottish Borderers die het als White House in hun verdediging hadden opgenomen. Uiteindelijk werd gedurende de volgende ochtend deze aanval afgeslagen doordat twee Pelotons van het 1st Battalion The Border Regiment de hen te hulp kwamen.
Om 16.30 uur lanceerden de Duitsers een grote infanterie aanval waarbij men diep in de verdediging van het 1st Battalion The Border Regiment doordrong, die de aanval met man tegen man bajonetgevechten terugdrong. Alle verloren terrein kon hiermee worden heroverd. De aanvallen hadden echter dusdanig veel van de hen geëist dat zij gedwongen waren zich iets verder naar het zuiden terug te trekken teneinde een compactere verdediging op te zetten. Major General Roy Urquhart besloot hierop zijn verdediging compacter te maken en liet enkele eenheden die nu in gevaar kwamen, de Independent Company en de 4th Parachute Squadron, voorlopig in reserve gaan.

Een nieuwe bevoorrading van de Perimeter vanuit de lucht met 117 Short Stirling en Douglas Dakota toestellen werd, ondanks geallieerde luchtsuperioriteit, door Messerschmitt Me 109 en Focke Wulf Fw 190 jagers van de Luftwaffe ernstig bemoeilijkt. De meeste van de gedropte voorraden kwamen in Duitse handen terecht.

De 1st Airborne Division had een zware dag op deze 21e september, maar buiten het verlies van de Westerbouwing en kleine correcties om de verdediging beter te organiseren, was de Perimeter rond Oosterbeek nagenoeg onaangetast. De Duitse verliezen bij de aanvallen waren zo hoog gebleken dat dit de tactiek van de aanval door de Duitsers de hierop volgende dagen zou beïnvloeden. Ernstiger was echter dat ook de verliezen aan Britse zijde aanzienlijk waren en de voorraden steeds verder uitgeput raakten.
Toch had de dag ook nog enkele lichtpuntjes: Division Headquarters had eindelijk contact weten te leggen met XXX Corps en de 1st Airborne Divisional Headquarters Royal Artillery had direct contact met het 64th Medium Regiment en het 52nd (Bedfordshire Yeomanry) Heavy Regiment van XXX Corps. Door de ontwikkelingen rond Nijmegen en de volgende dagen in de Betuwe zou dit 64th Medium Regiment een rol gaan spelen in de strijd in Oosterbeek. Langs de corridor van XXX Corps in Brabant lukte het bij Sint-Oedenrode de Duitsers verder terug te dringen. Een tegenaanval bij Schijndel van Kampfgruppe Huber werd afgeslagen en Schijndel werd veroverd. Een nieuwe aanval, ditmaal van Kampfgruppe Jungwirth, kon eveneens worden afgeslagen. Geldrop en Nederwetten werden ingenomen en Panzer-Brigade 107 werd bij Nuenen gedwongen zich terug te trekken naar Helmond. Door druk van de geallieerden aldaar, werd Berndt-Joachim Freiherr von Maltzahn gedwongen zijn brigade nog verder terug te trekken en kreeg hij bevel zich bij Kampfgruppe Walther te voegen. VIII Corps wist de Zuid-Willemsvaart over te steken en een bruggenhoofd bij Someren-Asten te vestigen waar zij tegenover Kampfgruppe Heinke en de 7. Fallschirmjäger-Division kwamen te liggen. Om de Zuid-Willemsvaart aldaar over te steken werd een ware slag om Sluis 11 uitgevochten. XII Corps was minder ver opgeschoten en bevond zich nog ten zuiden van Wintelre. Al met al liep de voortgang van deze corridor dus… dagen achter op het masterplan van Montgomery.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
Artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Bataillon
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond meestal uit een aantal Kompanien. In theorie bestond een Bataillon uit 500 - 1.000 man.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
Flak
Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
kanon
ook bekend als Kanone (Du) en Gun (En). Wordt vaak gebruikt om allerlei geschut aan te duiden. Eigenlijk slaat de term op vlakbaan geschut. Wordt gekenmerkt door een langere loop en grotere dracht.
Kompanie
Maakte meestal deel uit van een Bataillon of een Abteilung en bestond uit een aantal Züge. In theorie bestond een Kompanie uit 100 - 200 man.
Landstorm
Vóór WO II de benaming voor verschillende, uit vrijwilligers bestaande formaties van de landmacht in Nederland. De Landstorm werd kort na de Duitse inval in 1940 door de bezetter ontbonden.
Landstorm Nederland
Een tijdens de Duitse bezetting in Nederland gelegerde territoriale eenheid van de Waffen-SS, vnl. bestaande uit Nederlandse vrijwilligers. Zij werd in maart 1943 ingesteld onder de naam Landwacht, maar toen later in het jaar een organisatie onder de naam Landwacht Nederland werd opgericht, werd haar naam gewijzigd in Landstorm. De Landstorm is aan het front tegen de geallieerden ingezet. De grootste omvang heeft 8000 man bedragen.
Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Vrijdag 22 september 1944

Betuwe

Gedurende de nacht was eindelijk de 43rd (Wessex) Infantry Division (Major General Gwilym Ivor Thomas) in Nijmegen gearriveerd. De divisie kreeg direct de opdracht om de Betuwe in te trekken. De infanteristen moesten de Irish Guards bij Lent/Ressen helpen door te breken en zo spoedig mogelijk de 1st Airborne Division bij Oosterbeek ontzetten. Om 06.17 uur dienden zij hun opmars in te zetten.

De 214th Infantry Brigade (Brigadier Hubert Essame) zou via de spoorbrug en de Oosterhoutsedijk naar Oosterhout oprukken en moest daarna via Driel naar het Drielseveer trekken. Hierbij kreeg ze tanksteun van C Squadron (Major A.W.P. Peter Herbert) van het 2nd Battalion, The Household Cavalry Regiment. De 129th Infantry Brigade (Brigadier Gerard H.L. Mole) diende via de verkeersbrug en de Griftdijk naar de Irish Guards bij Lent/Ressen op te trekken en via Elst naar het noorden te gaan. De 130th Infantry Brigade (Brigadier Ben B. Walton) nam de verdediging van de Waalbruggen op zich, terwijl de Nederlandse Prinses Irene Brigade de bewaking van de brug bij Grave op zich nam. De oversteek en opmars van 214th Infantry Brigade wilde men al gedurende de nacht laten beginnen, maar dit mislukte omdat de Somerset Light Infantry (Prince Albert’s) in Nijmegen de weg kwijtraakte en terecht kwam op de verkeersbrug in plaats van bij de spoorbrug.[95]

Driel

Major Peter Herbert vond het noodzakelijk zo snel mogelijk de Polen bij Driel te bereiken en wilde niet wachten op de Somerset Light Infantry. Hij poogde langs twee routes de Polen te bereiken. No. 4 Troop (Lieutenant D. Corbett) probeerde via Bemmel een route te vinden, maar liep daar al snel vast op een Duitse afweerlinie. No. 5 Troop (Captain Richard J. Wrottesley) trok via een omweg naar het westen, waarbij de manschappen de dijk volgden tot Slijk-Ewijk en vervolgens binnendoor trokken over Andelst, Zetten, Indoornik en Heteren naar Driel. Zonder ook maar enige tegenstand te ondervinden, wisten ze om 08.00 uur contact te maken met de Polen bij Driel. No. 2 Troop (Lieutenant Arthur V. Young) nam dezelfde route als No. 5 Troop en kwam onderweg enkele Duitse tanks tegen die leken te zijn uitgeschakeld.[96] Dit was echter niet het geval; door puur geluk werden de verkenningswagens niet opgemerkt door de rustende Duitsers. Om 09.00 uur wisten ook zij Driel zonder enige tegenstand te bereiken.

De Duitsers zaten echter niet stil en Kampfgruppe Brinkmann was de eerste die deze dag een aanval vanuit Elst ondernam op de Polen bij Driel. Commandant Heinz Brinkmann was op dat moment niet op de hoogte dat de Polen versterking hadden gekregen van Britse pantserwagens en liep dan ook onverwacht op tegen Poolse parachutisten die gesteund werden door pantserwagens. Heinz Brinkmann werd gedwongen zijn aanval te staken en trok zich terug ten oosten van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen tussen Elst en De Laar.

Ondertussen ging men aan Pools-Britse kant verder met het trachten te realiseren van een oversteek naar Oosterbeek. Doordat vanuit Nijmegen meer troepen en materieel de Betuwe in kon worden getransporteerd, werd gezocht naar een plek in de Nederrijn om eventueel met DUKW’s te kunnen oversteken. No. 2 Troop commandant Young werd hiermee belast en liep bij zijn speurtocht langs de oever van de Nederrijn om 13.30 uur tegen Lieutenant Colonel Edward C.W. Myers en Lieutenant Colonel Charles Mackenzie aan. Deze twee stafofficieren van Urquhart waren met een bootje de rivier overgestoken om contact te leggen met de Polen. Zij waren door Urquhart gezonden om de Britten en Polen ervan te overtuigen dat de situatie bij Oosterbeek onhoudbaar was geworden en dat men eerder aan evacuatie dan aan versterking moest denken. Overtuigd van de hachelijke situatie besloot Brian Horrocks direct alles in het werk te stellen om te komen tot een evacuatie. Terwijl de Britten en Polen zochten naar boten en een geschikte locatie voor een evacuatie, werd in Nijmegen het 5th Battalion, The Duke of Cornwall's Light Infantry (Lieutenant Colonel George Taylor) in gereedheid gebracht om zodra de situatie het toeliet onverwijld naar Driel te trekken om de evacuatie te begeleiden. Dit bataljon zou hierbij steun krijgen van B Squadron (Major David Richards), 4th/7th Royal Dragoon Guards. Hiertoe diende echter eerst een bres in de Duitse Sperrlinie te worden geslagen. Hiervoor besloot men gebruik te maken van de aanval die door 214th Infantry Brigade en 129th Infantry Brigade op 22 september werd ondernomen.

Oosterhout

No. 1 Troop van C Squadron (Major A.W.P. Peter Herbert) van het 2nd Battalion, The Household Cavalry Regiment, was evenals de andere Troops in de hele vroege ochtend van 22 september op pad gegaan. Op de Waaldijk bij Oosterhout liepen de troepen echter vast op een verdediging van Mielke met tanks en infanterie. Onder dekking van een rookgordijn lukte het de verkenningseenheid zich terug te trekken met steun van tanks van A Squadron (Captain John Stirling), 4th/7th Royal Dragoon Guards. De Duitsers verdedigden Oosterhout en lagen hiermee direct in de opmarsroute van 214th Infantry Brigade. De opmars moest echter doorgang vinden omdat dit de flank was van de opmars van 129th Infantry Brigade via Ressen naar Elst en de opmarsroute voor 5th Battalion DCLI naar Driel.
Om 08.30 opende 214th Infantry Brigade de aanval op Oosterhout. In de voorhoede bevond zich het 7th Battalion the Somerset Light Infantry (Prince Albert’s) (Lieutenant Colonel H.A. Borradaile), gevolgd door het 1st Battalion The Worcestershire Regiment (Lieutenant Colonel R.E. Osborne Smith). Vuursteun aan de Somersets werd gegeven door A Squadron, 4th/7th Royal Dragoon Guards. De aanval liep echter al snel vast op de Duitse verdediging. Meter voor meter, gebruikmakend van de vele sloten in het gebied, trachtte men dichter bij Oosterhout te komen. De vooruitgang stokte echter vlak voor het dorp en besloten werd om zware artilleriesteun aan te vragen. Vanaf 15.05 uur regende het granaten op de Duitse linies. Om 15.05 begon het artilleriebombardement dat elke 20 minuten noordwaarts werd verlegd en om 16.00 uur eindigde. Ondertussen trokken de Somersets achter dit artillerievuur en met tanksteun naar voren. Pas om 17.00 uur was Oosterhout ingenomen. De restanten van de 5. Panzer-Kompanie van Mielke trokken zich terug naar Elst. Om 18.30 achtten de Britten het veilig genoeg om 5th Battalion Duke of Cornwall's Light Infantry op weg naar Driel te sturen. De troepen verdeelden zich in twee kolonnes, de ene trok via Slijk-Ewijk en Valburg naar Driel en de tweede zou volgen zodra de eerste op voldoende afstand was. De eerste kolonne ondervond weinig problemen en bereikte rond 19.00 uur Driel, de tweede kolonne volgde om 20.30 uur in Driel met eveneens weinig tegenstand. Men moest de omslachtige route via Slijk-Ewijk en Valburg nemen omdat de aanval van de naburige 129th Infantry Brigade volledig was vastgelopen.


Weliswaar genomen op 27 september 1944, maar dit beeld van een Sherman tank van 4th/7th Dragoon Guards, die een uitgeschakelde PzKpfw III in Oosterhout passeert, geeft een goed beeld van de situatie in de Betuwe. Gebruikte bron(nen): Imperial War Museum

De 129th Infantry Brigade was om 08.00 uur aan haar opmars begonnen waarbij 4th Battalion The Wiltshire Regiment (Lieutenant Colonel E.L. Luce), met steun van B Squadron, 13th/18th Royal Hussars diende op te rukken naar Elst. Het 5th Battalion The Wiltshire Regiment en het 4th Battalion The Somerset Light Infantry zouden hierna de opmars richting Arnhem overnemen. Al spoedig liep de opmars vast op de Duitse Sperrlinie langs de stationsstraat van Ressen naar Oosterhout, dezelfde als waar een dag eerdere de Irish Guards op vastliepen. Deze Sperrlinie was ondertussen versterkt met infanterie en Panthertanks. De Duitse tanks waren strategisch zo opgesteld dat er geen doorkomen aan was via de smalle en hooggelegen Griftdijk. Verscheidene Britse tanks werden uitgeschakeld en de enige optie bleek om zich vooralsnog in te graven tegenover de Duitse linie. Gedurende de nacht werd nog getracht langs de spoordijk een omsingelende beweging te maken, maar deze liep vast bij station Ressen-Bemmel. Wederom was het de Duitsers gelukt met deze Sperrlinie tussen Ressen en Oosterhout de Britse opmars tegen te houden. Op dat moment was men bij deze Sperrlinie nog niet op de hoogte dat de Britten Oosterhout al waren gepasseerd.

Oosterbeek

Urquhart ontving om 07.40 uur het bericht dat de 43rd (Wessex) Infantry Division zijn richting uit was gezonden.
Tot de conclusie gekomen dat aanvallen met infanterie en tanks op de Perimeter rond Oosterbeek, alleen succes zouden hebben tegenover grote verliezen, besloot het Duitse bevel om dezelfde tactiek toe te passen als men in Arnhem had toegepast. Men begon de perimeter te bestoken met artillerie- en mortierbombardementen, terwijl sluipschutters langs de gehele linie iedere bewegingsvrijheid trachtten teniet te doen. Tussendoor werden op verschillende plaatsen kleine aanvallen met infanterie en tanks uitgevoerd om de zwakke plekken in de verdediging te ontdekken. Dat dit niet zonder gevaar was, kon worden afgeleid uit het feit dat diverse tanks hierbij ten prooi vielen aan het goed opgestelde antitankgeschut en het slimme gebruik van PIAT's in en rond de perimeter. Bittrich gaf ondertussen het bevel dat de Britten bij Oosterbeek deze dag opnieuw moesten worden aangevallen.

De strijd in Oosterbeek van de restanten van de 1st Airborne Division was op dit moment vooral een overlevingsstrijd geworden in de hoop zo veel mogelijk manschappen te kunnen evacueren. Kampfgruppe Von Tettau bevond zich rond de gasfabriek, langs de Van Borsselenweg richting het noorden. Hierop aansluitend trok Kampfgruppe Bruhn samen met het II. Bataillon, Sicherheits-Regiment 908 (Major Junghans) verder richting Oosterbeek. Aan de oostzijde van hotel Schoonoord in Oosterbeek lagen de Kampfgruppe Spindler en Kampfgruppe Möller. Door de uiterwaarden en langs de Benedendorpseweg rukten Kampfgruppe von Allwörden, Kampfgruppe Harder en Kampfgruppe Weber steeds verder op. De ring rond Oosterbeek dreigde zich te sluiten en het gebied waarbinnen de Britten nog strijd leverden werd steeds kleiner.

Wilhelm Bittrich bracht om zowel de Britten bij Oosterbeek als de Polen bij Driel en de Britse dreiging vanuit Nijmegen te kunnen weerstaan, een nieuwe scheidslijn aan in de Duitse defensie. Kampfgruppe Harzer (9. SS-Panzer-Division) kreeg het bevel over het noordwestelijk front en de 10. SS-Panzer-Division over het zuidoostelijk front. Alle aanwezige troepen werden onder bevel van deze divisies gebracht. De scheidslijn liep van Valburg-Noord, via Elst-Noord, Rijkerswoerd en Klein Holthuizen naar Westervoort aan de IJssel.
Rond 21.00 uur trachtten de Polen manschappen en voorraden over te zetten met hulp van eenheden van 5th Battalion Duke of Cornwall's Light Infantry. Aan de overkant van de Nederrijn werden zij geholpen door 9th Field Company, Royal Engineers en No. 3 Troop, 4th Parachute Battalion (Captain Henry F. Brown). De oversteekplaats lag echter in het volle zicht van Duitse eenheden. Toch lukte het om 52 Poolse para’s over te brengen die zich bij de Britten in Oosterbeek konden aansluiten. Om 03.00 uur moesten verdere overzetpogingen gestaakt worden. De bootjes die beschikbaar waren, waren tegen die tijd door beschadigingen onbruikbaar geworden.

XXX Corps Corridor wederom geblokkeerd

Ondertussen hadden de Duitsers in Brabant en Limburg niet stilgezeten. De corridor van XXX Corps diende opnieuw te worden aangevallen. Op 22 september was gekozen voor een geconcentreerde aanval met de verovering van Veghel, het blokkeren van de Britse opmarsroute en de vernietiging van de bruggen over de Zuid-Willemsvaart en de Aa als doel. Aan de oostzijde van de corridor had Kurt Student het LXXVI. Armeekorps (General der Infanterie Hans von Obstfelder). Dit legerkorps had de beschikking over de 7. Fallschirmjäger-Division (Generalleutnant Wolfgang Erdmann), de 176. Infanterie-Division (Oberst Christian-Johannes Landau) en de Kampfgruppe Walther. Ten westen van de corridor lag het LXXXVII. Armeekorps ( Hans-Wolfgang Reinhard) met Kampfgruppe Chill als voornaamste eenheid. Kampfgruppe Walther was volledig gereorganiseerd met Panzer-Brigade 107, I. Bataillon, Fallschirmjäger-Regiment 21 ( Hellmut Kerutt), 1. Kompanie, Grenadier-Ersatz und Ausbildungs Bataillon 16, Abteilung van Artillerie-Regiment 180, SS-Infanterie-Bataillon Richter (Kampfgruppe Heinke) en SS-Sturmgeschütz-Abteilung 10 (SS-Sturmbannführer Erwin Röstel). De verdediging in dit gebied werd gevormd door 1st Battalion (Lieutenant Colonel Harry Kinnard), 501st Parachute Infantry Regiment in Schijndel. Vlakbij Schijndel bevond zich het 3rd Battalion (Lieutenant Colonel Julian Ewell) van hetzelfde regiment. Het 1st Battalion (Lieutenant Colonel Robert A. Ballard) was in Veghel als reserve. Het 502nd Parachute Infantry Regiment lag bij Sint-Oedenrode en het 506th Parachute Infantry Regiment in Eindhoven en bij Son. Omdat Britse troepen de Amerikanen in Eindhoven en Son konden vervangen werd het 506th Parachute Infantry Regiment naar Uden gezonden waar een kleine groep om 10.25 uur aankwam. Zij konden vanuit Uden juist zien dat de corridor door Duitse tanks werd afgesneden. Het 2nd Battalion en het 3rd Battalion konden hierdoor niet verder komen dan Veghel. De kleine strijdmacht in Uden richtte het dorp gelijk in ter verdediging en de rest deed hetzelfde in en rond Veghel.

Wat was er gebeurd? Om 09.00 uur was de voorgenomen Duitse aanval begonnen. Kampfgruppe Walther met Panzer-Brigade 107 in de spits trok via Erp naar de weg Veghel-Uden en naar Veghel op. De troepen werden hierbij geflankeerd door het SS-Infanterie-Bataillon Richter en Grenadier-Ersatz und Ausbildungs-Bataillon 16. Men wist snel de brug over de Aa te bezetten en troepen naar Uden te zenden. Kampfgruppe Huber trok ondertussen via Eerde naar de weg Sint-Oedenrode-Veghel. Al rond 11.00 uur naderde Kampfgruppe Walther de plaats Uden en blokkeerde de Panzer-Brigade 107 de weg Veghel-Uden. SS-Bataillon Richter naderde ondertussen Veghel. Bij Uden wisten de Amerikanen de Duitse aanval af te slaan, waarop de aanvallers richting Veghel trokken. Ook bij Veghel lukte het de Amerikanen de aanval af te slaan. De Duitsers trokken echter tussen de linies door en blokkeerden rond 13.00 uur de corridor bij Mariaheide. Om deze dreiging het hoofd te bieden, moest XXX Corps versterkingen uit Nijmegen in de vorm van de 32nd Guards Brigade (Brigadier George F. Johnson) terugroepen. Deze stuurde delen van de Grenadier Guards Group en het 5th Battalion Coldstream Guards terug naar het gebied Veghel-Uden.

Kampfgruppe Huber naderde tegen 14.00 uur de Amerikanen bij Veghel en probeerde de brug over de Zuid-Willemsvaart te veroveren of vernietigen. Een gezamenlijke geallieerde aanval op Schijndel werd vanwege deze dreiging afgeblazen en de troepen aldaar trokken naar Veghel. Door deze dreiging mislukte de Duitse aanval op Veghel. Later die middag probeerde Kampfgruppe Walther nogmaals met een geconcentreerde aanval Veghel te veroveren. De geallieerde druk in deze sector groeide echter met het uur. De gevechten zouden echter nog tot diep in de nacht voortduren.
Ondertussen bevond XII Corps zich nog onder Best en was het vastgelopen op een Duits front. VIII Corps was de vorige dag de Zuid-Willemsvaart bij Asten overgestoken en had deze ochtend Asten ingenomen. De troepen rukten gestaag op naar Helmond, Deurne en Bakel. Hierdoor drukten zij Kampfgruppe Heinke steeds verder terug en bedreigden zij de achterhoede van Kampfgruppe Walther. Mede onder deze druk moest Kampfgruppe Walther haar pogingen Veghel in te nemen afbreken. Om deze sector te versterken besloot Dempsey de 10st Airborne Division onder bevel van VIII Corps te stellen. Ook de in de buurt gelegen 50th (Northumbrian) Infantry Division ging naar VIII Corps over. De vorderingen die XII Corps en VIII Corps eindelijk maakten, zorgden ervoor dat de verantwoordelijkheid over het openhouden van het zuidelijke gedeelte van de corridor van XXX Corps aan deze twee ander korpsen kon worden overgedragen.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Bataillon
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond meestal uit een aantal Kompanien. In theorie bestond een Bataillon uit 500 - 1.000 man.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
Kompanie
Maakte meestal deel uit van een Bataillon of een Abteilung en bestond uit een aantal Züge. In theorie bestond een Kompanie uit 100 - 200 man.
PIAT
Projector Infantry Anti Tank. Brits anti tank wapen voor gebruik door infanterie troepen. Heeft de vorm van een geweer en is gebaseerd op het geweerprincipe. De PIAT kan herladen worden.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Zaterdag 23 september 1944

De Betuwe

Vanwege het mislukken van de doorstoot van de 129th Infantry Brigade moest Thomas zijn volledige offensief in de Betuwe herzien. Hij besloot de gehele 43rd (Wessex) Infantry Division in de strijd te gooien. De 130th Infantry Brigade (Brigadier Ben Walton) kreeg de opdracht zich naar Oosterhout en via Slijk-Ewijk en Valburg zich naar Driel te begeven om daar de frontlinie te versterken. De 241th Infantry Brigade (Brigadier Hubert Essame) diende het gebied ten oosten van 130th Infantry Brigade te zuiveren en vanuit Valburg op te trekken naar Elst. De 129th Infantry Brigade (Brigadier Gerald Mole) moest de Sperrlinie tegenover zich doorbreken en van daaruit oprukken naar Elst. Tot slot werd het 43rd (Wessex) Reconnaissance Regiment (Lieutenant Colonel Francis G.W. Lane Fox) ingezet om het gebied tussen Andels, Zetten en Randwijk vrij te maken.

Om 06.30 uur trok 130th Infantry Brigade de veilig geachte route op via Slijk-Ewijk en Valburg naar Driel. Het 5th Battalion The Dorsetshire Regiment (Lieutenant Colonel Basil A. Coad) voorop, gevolgd door het 7th Battalion The Hampshire Regiment (Lieutenant Colonel D.E.B. Talbot). Hierachter volgde het 4th Battalion The Dorsetshire Regiment (Lieutenant Colonel Gerard Tilly). De brigade werd gesteund door een squadron van 13th/18th Royal Hussars. De brigade had de beschikking over door vrachtwagens vervoerde canvasboten en over DUKW’s. Hier had Roy Urquhart vanuit Oosterbeek om verzocht zodat de Poolse parachutisten konden worden overgezet om zijn troepen te versterken, dan wel om de evacuatie uit te kunnen voeren. Bij Valburg kwam de kolonne onder hevig Duits artillerievuur te liggen. Vanuit Elst kwamen ook Duitse tanks aanrijden. Kampfgruppe Knaust en de Hussars raakten in een tankslag verwikkeld tussen Valburg en Lienden.[97] Tijdens deze slag raakte een deel van de Dorsets, die al waren gepasseerd, geïsoleerd van de rest. Lieutenant Colonel Basil Coad, die zich bij hen bevond, besloot door te rijden naar Driel en kwam hier om 11.30 uur aan. Ook de rest van de 130th Infantry Brigade lukte het door te breken, waarbij 4th Battalion zich pas om 16.45 uur bij Homoet wist aan te sluiten.

Door de vertragingen wilden de Britten niet meer assisteren bij een oversteek van de Poolse troepen. Stanislaw Sosabowski besloot echter die nacht dan maar zonder hun hulp een oversteek te wagen.
De vertragingen die de 130th Infantry Brigade opliep had gevolgen voor de operatie die de 214th Infantry Brigade moest ondernemen. Door de strijd tussen Valburg en Lienden konden zij immers niet verder over dezelfde weg. De eenheden in de spits van de brigade, 7th Battalion The Somerset Light Infantry en 1st Battalion The Worcestershire Regiment, bereikten pas laat in de middag hun uitgangsposities en konden pas na 17.00 uur hun aanval op Elst ondernemen. De Worcestershires rukten vanuit Valburg op naar Lienden, voorafgegaan door een artilleriebombardement. Ze werden kort na de spoorwegovergang van de lijn Tiel-Elst door Kampfgruppe Knaust verwelkomd met artillerie- en machinegeweervuur. Al spoedig verschenen ook Duitse Panther- en Tigertanks waar de Royal Dragoons de strijd mee aangingen. De tanks dwongen de infanteristen een omweg te nemen, waarbij men iets noordelijker van Lienden uitkwam. In de tussentijd waren iets zuidelijker ook de manschappen van 7th Somersets aan hun opmars naar Elst begonnen. Zij konden al veel sneller richting Elst oprukken, waardoor de Duitser bij Lienden zich in het nauw gedreven voelden en zich terug begonnen te trekken op Elst. De Britten was het gelukt Driel veilig te stellen en de buitenrand van Elst te bereiken. Elst zou echter tevens vanuit het zuiden door 129th Infantry Brigade worden aangevallen. De opmars daar verliep echter veel stroever. Wederom lukte het de Irish Guards, Royal Hussars en Wilthires niet de Duitse Sperrlinie te doorbreken. Via een omtrekkende beweging lukte het 5th Battalion The Wiltshire Regiment om tussen Ressen en Reeth de spoorlijn Arnhem-Nijmegen over te steken. Hiermee was een eerste bres in de Duitse Sperrlinie geslagen. In het westen was het de 43rd (Wessex) Infantry Division gelukt Andelst, Zetten en Hemmen te bereiken en het gebied te zuiveren van Duitse weerstand. In het noorden wist men Randwijk en het Lexkesveer te bereiken. Er was definitief contact gelegd met de Polen in Driel en een aanval op Elst was ophanden. Een eerste bres in de Duitse Sperrlinie bij Ressen was geslagen.

De Corridor

Bij Veghel had Kampfgruppe Walther de dag ervoor wederom de corridor afgesloten en moesten tanks van de 32nd Guards Brigade (Grenadier Group en Coldstream Group) in allerijl terugkeren. Met hulp van A Squadron 2/HCR, 501st Parachute Infantry Regiment, 506th Parachute Infantry Regiment, tanks van B Squadron 44/RTR en 907/GIR Field Artillerie, probeerde men de vijand te verdrijven.
Fallschirmjäger-Regiment 6 (Oberstleutnant Friedrich August Freiherr von der Heydte) werd ten westen van de corridor richting Veghel gedirigeerd in een poging de verdedigers in een tangbeweging vast te zetten. In de vroege ochtend om 08.30 uur liet Friedrich von der Heydte zijn troepen aanvallen, maar hun aanval liep bij Wijbosch en Eerde al snel vast op het afweerscherm van de Amerikaanse para’s van 501st Parachute Infantry Regiment. Aan de oostkant had die nacht Kampfgruppe Walther, met Panzer-Brigade 107 in de punt van de aanval, tot twee keer geprobeerd Veghel te veroveren. Hierbij waren zware verliezen geleden in de strijd tegen het 44th Royal Tank Regiment.
De Grenadier Guards trokken ondertussen richting Veghel en de Coldstream Guards naar Volkel. Bij Volkel raakten de Coldstream Guards slaags met Panzer-Brigade 107 en moesten bij Erp hun opmars staken. Gedurende de ochtend ondernamen de Amerikaanse para’s zelf tegenaanvallen en om 15.00 uur ontmoetten de 506th Parachute Infantry Regiment en de Grenadier Guards elkaar bij Mariaheide waarmee zij de blokkade van de corridor weer wisten op te heffen.
Pas op deze dag konden de Amerikaanse luchtlandingsdivisies op volle sterkte worden gebracht en kon men de rest van de Poolse Brigade overzetten. Om 17.00 uur landde het 1st Parachute Batallion bij Overasselt op LZ-O dat zich over de weg naar het front moest verplaatsen. Het bataljon landde samen met delen van het 327th Glider Infantry Regiment en delen van het 907th Glider Field Artillery Battalion. Hiermee was de 101st Airborne Division eindelijk compleet aangevoerd.

Oberst Erich Walther kreeg bericht van de nieuwe luchtlandingen bij Overasselt en zag in deze vooral een bedreiging voor zijn troepen. In de tussentijd was het VIII Corps gelukt uit zijn bruggenhoofd te breken bij Asten en vormde het zo eveneens een bedreiging voor Kampfgruppe Walther. Om 19.00 uur trok de Kampfgruppe zich dan ook terug tussen Beek en Boekel.

Nijmegen

Aan de Nijmeegse zijde van de Waal trachtte het 3rd Battalion, 508th Parachute Infantry Regiment, gesteund door een bataljon tanks van de Sherwood Rangers Yeomanry, 8th Armoured Brigade, om verder op te rukken in de Ooijpolder en deze te zuiveren van Duitse troepen. Stevige weerstand van Duitse zijde wist deze opmars tot staan te brengen.
Rond 16.00 uur landde eindelijk de rest van de 82nd Airborne Division. Het 325th Glider Infantry Regiment (Lieutenant Colonel Charles Billingslea) en het 80th Airborne Anti Aircraft Battalion (Lieutenant Colonel Raymond E. Singleton), enkele divisietroepen en A Company, 307th Airborne Engineer Battalion complementeerden de gehele 82nd Airborne Division.

Oosterbeek

1st Border kreeg te maken met Duitse aanvallen die het regiment wist af te slaan. Hierbij werden de munitievoorraden dusdanig aangetast dat velen de wapens van gevallen Duitse militairen afnamen en met Duitse wapens de strijd voortzetten. D Company raakte echter geïsoleerd van de rest van de divisie en trachtte zo goed en kwaad als mogelijk de strijd voort te zetten.

Voor de Duitsers veranderde er niet veel. Walter Harzer verplaatste de opmars aan de zuidrand naar de Benedendorpseweg in een poging de Britten bij Oosterbeek af te sluiten van de over van de Nederrijn. Het lukte de Britten de hieruit resulterende aanvallen vooralsnog af te slaan. In Oosterbeek vonden de gevechten nu van huis tot huis plaats waarbij het Pionier-Lehr-Bataillon de opmars ondersteunde met vlammenwerpers.[98] De opbouw en opmars van Britse troepen stelde Von Tettau echter voor dilemma’s. Hij besloot een nieuwe verdedigingslinie op te bouwen om aanvallen via de Betuwe in de rug te kunnen weerstaan. Deze linie liep van Ochten naar de Nederrijn en sloot aan op de Grebbestellung ten noorden van de rivier. Hij positioneerde in de Betuwe het Fliegerhorst-Bataillon 2 (Major Liebisch) met 4. Kompanie (Major Thiel) bij Herveld en Kompanie Schwarzäcker bij Dodewaard. Op de noordoever liet hij hierop 10. Schiff-Stamm-Abteilung (Zaubzer) en Festungs(MG)-Bataillon 30 aansluiten van de Grebbe tot Heveadorp. Von Tettau wilde hiermee voorkomen dat Britse troepen verderop de Nederrijn zouden oversteken en zijn troepen bij Oosterbeek in de rug zouden aanvallen. Zijn angst was ingegeven door de Britse activiteiten in de Betuwe bij Lakemond, Randwijk, Lexkesveer, Driel, Dodewaard en Opheusden.[99] Von Tettau verplaatste diverse troepen in de West-Betuwe om deze dreiging te weerstaan. Het Sicherungs-Regiment 26 (Oberleutnant Hänisch) trok naar Lienden en kreeg versterking van Festungs-Infanterie-Bataillon 1409, Fliegerhorst-Bataillon 2 en Festungs(MG)-Bataillon 29 (Hauptmann Vock). Kampfgruppe Knoche werd overgeplaatst naar de noordelijke oever van de Nederrijn en geplaatst bij Fliegerhorst-Bataillon 3 (Major Merkens). Deze nieuwe Kampfgruppe werd versterkt met Kampfgruppe Schenning (Oberst Schenning, II. Bataillon, Sicherheits-Infanterie-Regiment 26) en Festungs(MG)-Bataillon 30. De 1. Kompanie, SS-Panzer-Aufklärungs-Abteilung 10 kon nu worden vrijgemaakt bij de Rijnbrug en kwam de troepen rond Oosterbeek versterken.

Op 22 september was door de RAF geen dropping uitgevoerd aangezien men ervan uit ging dat XXX Corps nu snel de Britten bij Oosterbeek zou kunnen ontzetten. Op de 23e was de voorraad van de 1st Airborne Division gevaarlijk klein geworden, wat bevoorrading vanuit de lucht weer noodzakelijk maakte. Ook nu weer vielen veel voorraden in Duitse handen.

Ondanks de uitzichtloze situatie en het feit dat diverse bevelhebbers ter plaatse aangaven dat de positie van de Britten bij Oosterbeek onhoudbaar was geworden, had Brian Horrocks de hoop nog niet opgegeven. Hij besloot een poging te wagen de Britten bij Oosterbeek via de Nederrijn te bevoorraden en tussen Oosterbeek en Renkum te trachten een tweede bruggenhoofd te vestigen. De Polen moesten de Britten bij Oosterbeek ontzetten en voor het nieuwe bruggenhoofd zouden het 5th Battalion The Dorsetshire Regiment en het 7th Battalion The Hampshire Regiment moeten worden overgezet. Om 20.30 uur zouden de Polen grotere boten ontvangen om te worden overgezet ter hoogte van de kleine Hervormde Kerk aan de Benedendorpseweg. De Poolse parachutisten gingen om 23.00 uur op weg naar de locatie bij het Drielse veer. De boten arriveerden pas vlak na middernacht en bleken veel kleiner te zijn dan beloofd. Om 02.00 uur begon het afgesproken Britse artilleriebombardement. Korte tijd later gingen de Polen het water op en werden vrijwel direct onder vuur genomen door Duitser troepen. Ondanks zware verliezen wisten 153 van de 250 overgezette Polen de Britten bij Oosterbeek te bereiken. De voorgenomen Britse oversteek had door gebrek aan boten en onvoldoende vuursteun nooit plaatsgevonden.

Duitse reactie

Zoals eerder vermeld bezorgden de nieuwe luchtlandingen en de situatie in de Betuwe de nodige onrust aan Duitse kant. De Duitse hergroepering rond Arnhem en in de Betuwe werd grondig aangepakt. Ook Generalfeldmarschall Walter Model beval de nodige reorganisaties. Hij bracht alle troepen aan de westzijde van de corridor van XXX Corps onder bevel van Gustav-Adolf von Zangen en zijn 15. Armee. Alle troepen ten oosten van de corridor kwamen onder bevel van Kurt Student en zijn I. Fallschirm-Armee. Hiermee kwamen ook de troepen rond Arnhem en Nijmegen onder Kurt Student te vallen.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Bataillon
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond meestal uit een aantal Kompanien. In theorie bestond een Bataillon uit 500 - 1.000 man.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
Kompanie
Maakte meestal deel uit van een Bataillon of een Abteilung en bestond uit een aantal Züge. In theorie bestond een Kompanie uit 100 - 200 man.
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Zondag 24 september 1944

Geallieerde besluiten

Om 05.35 ontving Roy Urquhart bericht over de ontwikkelingen in de Betuwe. Hij werd ingelicht over de posities en operaties van de diverse Infantry Brigades. Men had besloten om dat 103th Infantry Brigade in de nacht van 24 op 25 september de Nederrijn zou oversteken en dat er een Class 40 brug over de Nederrijn zou worden gelegd. De 69th Infantry Brigade zou de geteisterde 129th Infantry Brigade aflossen, waarna 129th Infantry Brigade de Nederrijn zou oversteken ter versterking van het bruggenhoofd. De 214th Infantry Brigade zou de westflank zuiveren. De toestand in de Betuwe, het gebrek aan boten en de bouw van een brug onder vijandelijk vuur zouden deze operatie niet eenvoudig maken. Het plan van Dempsey en Montgomery werd echter door Horrocks en Browning afgekeurd. De risico’s waren te groot en de tijd die nodig was om het ten uitvoer te brengen zou te langdurig zijn om de verdedigers bij Oosterbeek te kunnen helpen.

Het falen van de pogingen van XXX Corps om de para's bij Oosterbeek te bereiken overtuigde de Britse bevelhebbers dat operatie Market Garden niet het beoogde doel zou bereiken. Besloten werd dan ook om alle pogingen om de 1st Airborne Division te versterken werden opgegeven. Aan de 1st Airborne Division bij Oosterbeek werd de opdracht gegeven zich terug te trekken over de Nederrijn. Feitelijk werd hiermee toegegeven dat operatie Market Garden had gefaald.

Conferentie van Valburg

Stanislaw Sosabowski werd rond 10.00 uur gesommeerd zich naar Valburg te begeven voor overleg. Hij nam hierbij zijn tolk Lieutenant Jerzy H. Dyrda en liaison officer Lieutenant Colonel George Stevens (1st Airborne Division) mee. Stanislaw Sosabowski werd ontvangen door Major General George Ivor Thomas (43rd Infantry Division). Verder waren Frederick Browning, Brian Horrocks, Brigadier Hubert Essame (214th Infantry Brigade), Brigadier Gerard Mole (129th Infantry Brigade) en Brigadier Ben Walton (130th Infantry Brigade) aanwezig. Zijn gesprekspartners waren kil en afstandelijk tegenover Sosabowski. Hoewel hem gevraagd werd naar zijn inschatting van de situatie, werd ieder advies of elke mening van hem weggewuifd. Alles leek erop dat er al een beslissing was genomen over het verloop van Market Garden.

Er dienden de volgende nacht twee oversteekpogingen te moeten worden ondernomen, waarbij Thomas het bevel zou voeren. Het doel was de evacuatie van de restanten van de 1st Airborne Division. Het 4th Battalion, The Dorsetshire Regiment diende als eerste de Nederrijn over te steken, gevolgd door het 1st Polish Parachute Battalion. Sosabowski kreeg in deze keuze geen inspraak. Deze eenheden zouden oversteken nabij het Drielse veer. Om 22.00 uur diende de rest van de Poolse Brigade over te steken nabij de kerk in Oosterbeek. Stanislaw Sosabowski was verbijsterd over deze schaamteloze degradatie van zijn persoon tot simpele bataljonscommandant. Hij schikte zich in zijn rol, overtuigd dat de vastgestelde operatie gedoemd was te mislukken.
De bij Nijmegen gelegen Canadese genie, 5th Field Company, 20th Field Company en 23rd Field Company, kreeg in de ochtends van 24 september het bevel de Betuwe in te trekken ten bate van een oversteek van de Nederrijn. Om 12.00 uur ging men op pad, maar de tocht stokte alweer om 13.15 uur voor de Waalbrug doordat de tocht vanwege de intussen ontstane situatie werd afgeblazen. Er was namelijk besloten dat de restanten van de 1st Airborne Division zouden worden geëvacueerd en niet worden versterkt.

Eigenlijk was het 5th Battalion Duke of Cornwall's Light Infantry bestemd voor een oversteek en deze eenheid moest dan ook plaats maken voor het 4th Battalion The Dorsetshire Regiment. Het 5th Battalion Duke of Cornwall's Light Infantry nam nu posities in ten westen van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en ten noorden van Elst. Het 4th Battalion The Dorsetshire Regiment bereidde zich vervolgens voor op de oversteek die gepland stond voor de komende nacht. De oversteek zou worden aangevangen door A Company en B Company, waarna C Company en D Company zouden volgen. Op de flanken zou de oversteek worden beschermd door 5th Battalion The Dorsetshire Regiment en 7th Battalion The Hampshire Regiment. Tanks, artillerie en mortiervuur zouden de oversteek begeleiden. Iets verder naar het oosten zouden de Polen hun oversteek uitvoeren. Om 22.00 uur zou de oversteek moeten beginnen.

Betuwe

Voor een veilige evacuatie van de 1st Airborne Division was Brian Horrocks ervan overtuigd dat de inname van Elst van groot belang was. Maar ook Wilhelm Bittrich zag Elst als het zwaartepunt van de strijd in de Betuwe. Kampfgruppe Knaust en Kampfgruppe Brinkmann dienden daarom versterkt te worden. Op 24 september ontving Kampfgruppe Brinkmann eenheden van SS-Panzer-Regiment 10 met Panthertanks, SS-Flak-Batterie 102 ( Alfred Nickmann) en Festungs(MG)-Bataillon 37 (Hauptmann Klapper). Rond Elst lag het afweerscherm van Heinz Harmel’s 10. SS-Panzer-Division. Deze werd versterkt door de schwere Heeres-Panzer-Abteilung 506 (Major Eberhard Lange) met Königstiger tanks. Hiervan werden er veertien, de 2. Kompanie, naar Oosterbeek gezonden. Deze zouden na de strijd bij Oosterbeek op 26 september naar de Betuwe worden gezonden. De 3. Kompanie (Hauptmann Wacker) werd ter beschikking gesteld van de Kampfgruppe Knaust bij Elst. Het vernieuwde afweerscherm werd gepositioneerd vanaf Elden via De Laar en Rijkerswoerd en sloot vervolgens aan op Sperrverband Harzer.

De Corridor

Vanuit het oosten werd het rustig. VIII Corps was ondertussen weten op te rukken en de Panzer-Brigade 107 was teruggedrongen naar Gemert.[100] Op 24 september lukte het dit korps om Deurne te veroveren en Kampfgruppe Walther terug te dringen naar Oploo. Kampfgruppe Walther bouwde nu een linie op tussen Venray, Overloon, Oploo en Boxmeer en vormde zo geen bedreiging meer voor de Corridor.

De meeste dreiging kwam nu nog vanuit het westen en wel van het 15. Armee. Kampfgruppe Chill viel vanaf 09.00 uur de corridor aan bij Schijndel-Sint-Oedenrode. Ze moest Veghel aanvallen en de weg tussen Veghel en Nijmegen blokkeren. Om 07.00 uur viel Kampfgruppe Chill Schijndel aan met twee bataljons van Fallschirmjäger-Regiment 6 en III. Bataillon, Hermann Göring Regiment. De aanval werd ondersteund door tanks en Sturmgeschütze van schwere Panzerjäger-Abteilung 559. Om 09.00 uur naderden ze de Eerdse Duinen waar het 1st Battalion, 501st Parachute Infantry Regiment zich ophield. Deze eenheid kreeg al snel versterking van het 3rd Battalion met steun van A Squadron, 44th Battalion Royal Tank Regiment en 907th Glider Field Artillery Battalion. Er ontstond een ware veldslag die tot 15.30 uur zou voortduren en waarbij de Amerikaanse parachutisten uiteindelijk de Duitsers wisten te verdrijven. Ondertussen was het op de flank van Kampfgruppe Chill de Kampfgruppe Jungwirth gelukt om Koevering te bereiken en om 17.00 uur wederom de Corridor te blokkeren. Deze Kampfgruppe werd ondersteund door Jagdpanthers van 1. Kompanie, schwere Panzerjäger-Abteilung 559. Twee compagnieën van 502nd Parachute Infantry Regiment werden snel naar Koevering gedirigeerd met steun van C Squadron, 44th Battalion Royal Tank Regiment. Ook aan Duitse kant werden nodige versterkingen naar deze sector gestuurd. De Duitsers lukte het de Brits-Amerikaanse aanvallen af te slaan en de Corridor geblokkeerd te houden.

Oosterbeek

De sector van 2nd South Staffords binnen Lonsdale Force kreeg te maken met een sterke Duitse aanval ondersteund door twee tanks. De twee tanks wisten de Britse linies te penetreren nadat het 6-ponder anti-tankkanon was uitgeschakeld. Door in allerijl een 75 mm antitankgeschut van het 1st Airlanding Light Regiment hierheen te brengen wist men één tank uit te schakelen waarna de andere afdroop.
Binnen de Perimeter werd de situatie echter penibel. Het aantal Britse gewonden in de perimeter was dusdanig groot dat er niet meer afdoende zorg geboden kon worden. De meeste gewonden werden ondergebracht in de omgeving van de kerk van Oosterbeek en in het daarbij gelegen huis van Kate ter Horst, die haar woning had opengesteld om gewonden te verzorgen. De senior Medical Officer van 1st Airborne Division, Colonel Graeme Warrack, kreeg toestemming de Duitsers te verzoeken om een wapenstilstand teneinde de gewonden uit het gebied te kunnen transporteren. SS-Obergruppenführer Wilhelm Bittrich ging akkoord en met hulp van Duitse voertuigen werden de gewonden uit de Perimeter getransporteerd terwijl diegenen die konden lopen te voet gingen. Bijna alle gewonden gingen eerst naar het Sint Elizabeth Gasthuis in Arnhem.

Strijd om Elst

Vanwege de voorgenomen evacuatie vanuit Oosterbeek, kregen 7th Battalion The Somerset Light Infantry en 1st Battalion The Worcestershire Regiment de opdracht deze dag Elst te veroveren en vervolgens het gebied tussen Elst en de oever van de Nederrijn te zuiveren. De Worcestershires vielen aan vanaf De Hoop waarbij A Company direct noordwaarts trok richting Snodenhoek. B Company en D Company trokken Elst binnen via het centrum. Zij werden ondersteund door tanks van C Squadron, Royal Dragoon Guards. Bij het binnentrekken van Elst kwamen de Britten onder zwaar vuur te liggen en moesten ze huis voor huis zuiveren voordat ze verder konden trekken. A Company kwam bij Snodenhoek vast te zitten. De begeleidende tanks konden niet verder omdat ze werden bedreigd door vanuit het noorden verschijnende Duitse tanks. De gevechten in het centrum van Elst gingen de gehele nacht door.


Tiger tank uitgeschakeld bij kruispunt De Hoop bij Elst. Gebruikte bron(nen): Wilco Vermeer collection

Ondertussen waren de Somersets om 07.30 uur ten zuiden van Elst aan hun opmars begonnen. Zij werden gesteund door A Squadron Royal Dragoon Guards. Bij de kruising met de Rijksweg en de Stationsstraat kwamen zij onder zwaar vuur te liggen. Hoewel men de Rijksweg wist over te steken, werd een poging om 18.30 uur om door te breken naar het station van Elst door de Duitsers afgeslagen. Vanwege de invallende duisternis werd besloten zich rond de Stationsstraat in te graven.

Bij de Sperrlinie langs de Stationsstraat in Ressen lukte het 4th Battalion The Wiltshire Regiment met steun van No. 4 Troop van A Squadron en No. 5 Troop van C Squadron, Royal Dragoon Guards eindelijk om het kruispunt Griftdijk-Stationsstraat in te nemen en de Sperrlinie te breken. Het bleek dat de meeste Duitsers zich gedurende de nacht hadden teruggetrokken op een nieuwe linie tussen Merm, Aam, Vergert en Bemmel. Het 4th Battalion nam Ressen in en vestigde zich hier ter verdediging. Het 5th Battalion Wiltshire Regiment was iets noordelijker doorgedrongen tot Merm maar kon niet verder. In het oosten werd wel contact gemaakt met het 2nd Battalion Welsh Guards dat vanaf 23 september verantwoordelijk was voor de bevrijding van Bemmel, maar hier tegen een afweerscherm bij Doornik vastliep.
In de avond werd de geplaagde 129th Infantry Brigade afgelost door de 69th Infantry Brigade (Brigadier Knox). De brigade kreeg als opdracht om samen met het 124th Field Regiment Bemmel te veroveren. De strijd om Bemmel zou tot begin oktober voortduren. Hoewel Bemmel zelf nog in september bevrijd zou worden, zou het gebied ten noorden en ten oosten van Bemmel nog tot april 1945 het toneel zijn van diverse zware gevechten. Het 6th Battalion The Green Howards (Lieutenant Colonel C.F. Hutchinson) loste de Britten in Ressen af en het 7th Battalion the Green Howards die bij Merm.

De oversteek van de Nederrijn

Het 4th Battalion The Dorsetshire Regiment werd met vrachtwagens naar Driel vervoerd. Om 22.00 uur bereikten de troepen hun verzamelplaats en maakten ze zich klaar voor de oversteek van de Nederrijn. Om 01.30 uur begon de overtocht. Al gelijk kwam men onder vuur te liggen van Bataillon Schulz, Bataillon Wossowski en de 10. Schiff-Stamm-Abteilung aan de overzijde. Desondanks lukte het 315 van de 350 manschappen de overzijde te bereiken. Hier kwamen zij echter verspreid terecht tussen de Duitse stellingen. De meeste Dorsets kwamen om of werden gevangen genomen. Een kleine groep wist rond 06.05 uur de Britten bij Oosterbeek te bereiken. De oversteek was duidelijk mislukt.

Definitielijst

Abteilung
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond uit een aantal Kompanien. De Abteilung was de kleinste eenheid die individueel kon opereren en zichzelf kon handhaven. In theorie bestond een Abteilung uit 500 - 1.000 man.
Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Bataillon
Maakte meestal deel uit van een Regiment en bestond meestal uit een aantal Kompanien. In theorie bestond een Bataillon uit 500 - 1.000 man.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
Flak
Flieger/ Flugzeug Abwehr Kanone. Duits luchtafweergeschut.
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
Kompanie
Maakte meestal deel uit van een Bataillon of een Abteilung en bestond uit een aantal Züge. In theorie bestond een Kompanie uit 100 - 200 man.
operatie Market Garden
Codenaam voor gecombineerde land- en luchtaanvallen van de geallieerden in de regio Eindhoven, Arnhem en Nijmegen van 17 tot 26 september 1944.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

Maandag 25 september

Oosterbeek

De positie van de Britten bij Oosterbeek was onhoudbaar. Van de divisie waren rond Oosterbeek nog 3000 manschappen inzetbaar. Om 06.00 uur ontving Roy Urquhart een brief van Major General Gwilym Ivor Thomas van de 43rd Wessex Division, dat XXX Corps alle pogingen de 1st Airborne Division te versterken zou staken en dat de 1st Airborne Division zich over de Nederrijn moest terugtrekken. Twee uur later reageerde Urquhart dat zijn divisie in de nacht van 25 op 26 september zou trachten zich terug te trekken. Op dat moment lage de Perimeter nog steeds zwaar onder Duitse aanvalsdruk. Het Light Regiment had een Duits bericht weten te onderscheppen waarin werd aangekondigd dat er een Duitse aanval zou plaatsvinden op de sector in de zuidoostelijke hoek van de perimeter, waar Lonsdale Force lag. Doel was een wig te drijven in de Britse troepen en iedere verbinding met de rivieroever af te grendelen. In de loop van de dag werden deze aanvallen dan ook uitgevoerd en wel door de Kampfgruppe Von Allworden en Kampfgruppe Harder. Al bij de eerste aanval lukte het de Duitsers door de Britse linies te glippen met de hulp van tanks. Door hulp in te roepen van artillerie van het 64th Medium Regiment van XXX Corps, wist men de Duitse opmars echter tot stilstand te brengen, waarbij granaten zelfs tussen de Britse linies op de Duitse troepen werden afgevuurd. Het 2nd Battalion The South Staffordshire Regiment konden echter hun linie onder deze aanval niet behouden, maar ook hier wist artillerie van XXX Corps de Duitse aanval tot staan te brengen.

Elst

In Elst drong 1st Battalion The Worcestershire Regiment met steun van C Squadron Royal Dragoon Guards de Duitse weerstand langzaam maar zeker terug. A Company ten noorden van Elst wist boerderij De Santackers[101] te bereiken waarvandaan men de Kampfgruppe Brinkmann aan de Rijksweg onder vuur kon nemen. De Somersets wisten ook op te rukken. B Company trok op de Rijksweg naar het noorden. De overige eenheden volgden gestaag. Vanwege de zware tegenstand van Duitse infanterie en Tiger- en Panthertanks duurde het nog tot in de avond voordat Elst in Britse handen was. Hierbij dwong men Kampfgruppe Knaust terug te trekken richting Elden. Het 5th Battalion The Cornwall Light Infantry, dat ten westen van de spoordijk lag, zag dit gebeuren en trachtte deze terugtocht de pas af te snijden. Hierbij lukte het via een tunnel onder de spoordijk over de Kroonse Wal naar het oosten op te rukken. De aanval werd echter door de Duitsers afgeslagen en aan het begin van de avond was de spoordijk weer in Duitse handen. Ten noorden van Elst werden goederenwagens door antitankkanonnen van het 5th Battalion The Cornwall Light Infantry onder vuur genomen omdat men Duitsers deze zag uitladen. Er klonken gigantische explosies. Later bleek dat men een munitietrein met vliegtuigbommen had geraakt. Hierbij werden een groot deel van de spoorlijn en gebouwen in de omgeving vernield.

Ten oosten van Elst slaagden het 2nd Armoured Battalion Welsh Guards en 5th Battalion The East Yorkshire Regiment na zware strijd in de bevrijding van Bemmel op 26 september. De rest van 69th Infantry Brigade rukte vanaf 26 september op tot Aam, Vergert en De Heuvel ten noorden en vlak voor Baal ten noordoosten van Bemmel. De Duitse verdedigingslinie was hierdoor teruggedrongen tot achter de wetering/rivier de Linge en liep nu langs de spoorlijn Arnhem-Nijmegen tot De Laar en vervolgens via Rijkerswoerd naar De Heuvel, Baal en Haalderen. Deze frontlinie zou echter allesbehalve statisch blijken de komende dagen.

De Corridor

Bij Sint-Oedenrode gingen in de vroege ochtend eenheden van de 59. Infanterie-Division in de aanval. De aanval werd door de 502nd Parachute Infantry Regiment afgeslagen. Via Eerde trok de Kampfgruppe Drever op. Een aanval door deze eenheid werd hier door het 502nd Parachute Infantry Regiment afgeslagen. Het 327th Glider Infantry Regiment lukte het een aanval bij Veghel af te slaan. In de tussentijd hield Kampfgruppe Jungwirth bij Koevering nog steeds de Corridor geblokkeerd. Het 506th Parachute Infantry Regiment werd hierheen gezonden om samen met 44th Battalion Royal Tank Regiment de Duitsers te verdrijven. Hoewel men de Duitse linies dicht wist te naderen kon men de blokkade niet opheffen. Ondertussen werden een regiment van de 50th (Northumbrian) Infantry Division en de 5th Royal Inniskilling Dragoon Guards eveneens naar Koevering gezonden. De geallieerde troepen wisten om 17.00 uur wel contact met elkaar te maken, maar konden de Duitse blokkade nog steeds niet doorbreken. De gevechten zouden hier nog tot 14.00 uur op 26 september voortduren voordat de Duitse blokkade was opgeruimd. Door het steeds verder oprukkende VIII Corps, kon het gebied langs de Corridor bij Sint-Oedenrode, Veghel en omstreken eindelijk veiliggesteld worden. XII Corps ten westen van de corridor had het nog steeds moeilijk maar wist in de nacht van 25 op 26 september tot nabij Sint-Oedenrode door te dringen en zou op 26 september contact maken met de Amerikaanse parachutisten.

Evacuatie

Major General Urquhart had ondertussen zijn plan voor de aftocht gereed. Dit plan, genaamd Operation Berlin, was gebaseerd op een poging de Duitsers te laten denken dat de Britse linies nog volledig bezet waren. Hiertoe dienden het Light Regiment en de artillerie van XXX Corps de aftocht te ondersteunen met een zwaar artilleriebombardement op de Duitse posities zodat zij niet konden waarnemen dat de Britten terugtrokken. Aangezien het nagenoeg onmogelijk was de niet lopende gewonden mee te nemen over de rivier, besloot Urquhart dat zij de linies zouden bezetten om de Duitsers de indruk te geven dat de Britse posities nog steeds bemenst waren. Het meeste medische personeel en enkele radio-operators beleven ook achter om de indruk te vergroten en de gewonden te verzorgen. Elk uitrustingsstuk dat geluid kon maken moest worden achtergelaten, vernield of dusdanig ingewikkeld te worden in dekens, dat geluid ten alle tijde werd voorkomen. De manschappen maakten alle zichtbare delen van hun huid met modder zwart zodat iedereen nagenoeg op kon gaan in de nacht. Het 5th Battalion The Wiltshire Regiment voerde ten oosten van Heteren een afleiding uit om bij de Duitsers de indruk te wekken dat daar een nieuwe poging de Nederrijn over te steken werd uitgevoerd.

De evacuatie werd aangevangen vanuit die posities die het minst onder Duitse druk stonden. Bij het vallen van de nacht vertrok 7th King's Own Scottish Borderers vanuit het noordoosten als eerste. Langzaamaan volgde op deze wijze de gehele linie, aldus wegsluipend van noord naar zuid. Enkele eenheden waren echter al dusdanig omsingeld dat men hen moest achterlaten.
Manschappen van het Glider Pilot Regiment hadden ondertussen de routes naar de rivier gemarkeerd en fungeerden als gids langs de route. Het overzetten van de eerste manschappen, waarbij de lopende gewonden prioriteit kregen, begon om 22.00 uur en werd uitgevoerd met boten van de 23rd Canadian Field Company en de 260th (Wessex) Field Company. Daarnaast waren de 553rd (Wessex) Field Company en de 20th Canadian Field Company bij de evacuatie betrokken.

Operatie Berlijn werd zo een behoorlijk succes, ondanks het feit dat veel boten gedurende de nacht uitvielen door mankementen of sporadisch Duits afweervuur en door uitputting van de bemanningsleden. Bij het langzaam opkomende ochtendlicht besloten veel Britse para's niet meer op boten te wachten en te proberen de rivier al zwemmend over te steken, waarbij de sterke stroming het hen niet eenvoudig maakte. Om verdere ontdekking door de Duitsers te voorkomen moest de overtocht bij het licht gestaakt worden. Het was gelukt om 2163 man de rivier over te zetten.

Definitielijst

artillerie
Verzamelnaam voor krijgswerktuigen waarmee men projectielen afschiet. De moderne term artillerie duidt in het algemeen geschut aan, waarvan de schootsafstanden en kalibers boven bepaalde grenzen vallen. Met artillerie duidt men ook een legeronderdeel aan dat zich voornamelijk van geschut bedient.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
divisie
Bestond meestal uit tussen de een en vier Regimenten en maakte meestal deel uit van een Korps. In theorie bestond een Divisie uit 10.000 - 20.000 man.
infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
Kampfgruppe
Tijdelijke militaire formatie in het Duitse leger, samengesteld uit verschillende specialismen (pantsereenheden, artillerie, infanterie, anti-tankwapens en soms ook genie) met een speciale opdracht binnen het slagveld. De Kampfgruppen werden meestal genoemd naar de commandant van het verband.
Regiment
Onderdeel van een divisie. Een divisie bestaat uit een aantal regimenten. Bij de landmacht van oudsher de benaming van de grootste organieke eenheid van één wapensoort.

26 september 1944, Market Garden ten einde & Nasleep

Market Garden afgeblazen

Negen dagen na aanvang van operatie Market Garden, reden op 26 september Duitse tanks de perimeter van Oosterbeek binnen. Ze vonden nagenoeg alleen maar achtergelaten gewonde parachutisten. Hiermee was de laatste geallieerde aanwezigheid ten noorden van de Rijn uitgeschakeld. Het geallieerde opperbevel blies deze dag formeel operatie Market Garden af. Door middel van Operatie Berlijn waren de restanten van de 1st Airborne Division teruggehaald naar geallieerd gebied.

Nasleep

Operatie Market Garden had de geallieerden ongeveer 17.000 manschappen gekost en de Duitsers naar schatting 13.000 manschappen. Formeel werd operatie Market Garden als een overwinning van de Duitsers gezien, hun laatste aan het westelijke front. De geallieerden zagen Market Garden als een mislukking en al snel werd gezocht naar zondebokken om het falen van de operatie op af te schuiven.
Geconcludeerd kan worden dat de kracht van de Duitse troepen voorafgaand aan en tijdens de operatie volledig verkeerd was ingeschat. Waarschuwingen van het verzet uit Nederland, ondersteund door luchtfoto's dat er zich sterke pantsertroepen in Nederland bevonden, werden in de wind geslagen. De veerkracht van de Duitsers en hun improvisatievermogen waren twee van de doorslaggevende factoren aan Duitse zijde.[102]

Ook kan gesteld worden dat de voorbereidingstijd tussen vaststelling van de operatie (10 september) en aanvang van de operatie (17 september) wel heel kort was om logistiek een dergelijk grote operatie te kunnen voorbereiden.[103]

Hoewel de bruggen bij Nijmegen in geallieerde handen waren, was het gevaar niet geweken. Diverse aanvallen met vliegtuigen, geleide raketbommen, dwergonderzeeboten en kikvorsmannen, en pogingen om via de Betuwe Nijmegen te heroveren, werden door de Duitsers ondernomen om de bruggen te heroveren of te vernietigen. In de nacht van 28 op 29 september 1944 vielen twaalf Duitse kikvorsmannen van eenheid MEK 65 de spoor- en verkeersbrug aan via de Waal. De verkeersbrug raakte licht beschadigd en de middenboog van de spoorbrug werd vernield. Van de twaalf kikvorsmannen wisten er slechts twee te ontsnappen, de rest werd gevangen genomen. Al de volgende dagen, 29 en 30 september, bouwden Royal Engineers een pontonbrug over de Waal, tussen de spoor- en de verkeersbrug, en legden een baileybrug over het gat dat in het wegdek van de verkeersbrug was geslagen. Ook bij Grave werd een extra pontonbrug aangelegd om de doorstroming te verbeteren.
Gedurende operatie Berlijn was het gelukt om ruim 2100 manschappen over te zetten. Verscheidene achtergebleven para's die op enig moment tijdens de strijd rond Arnhem hun eenheid hadden verloren wisten zich, al dan niet met hulp van het verzet, verborgen te houden in bezet gebied. Twee operaties, operatie Pegasus 1 en operatie Pegasus 2, werden opgezet in overleg met het verzet om zoveel mogelijk van hen alsnog in veiligheid te brengen. Bij Pegasus 1 lukte het nog 138 manschappen over de Nederrijn te brengen. Pegasus 2 liep echter op een mislukking uit.
Market Garden zelf had ervoor gezorgd dat het 2nd British Army een positie behield met aan beide flanken aanzienlijke Duitse troepenconcentraties. Besloten werd de positie van XXX Corps te veranderen. De frontlinie in de Betuwe werd verschoven naar een lijn ten zuiden van Driel. Heeresgruppe B aan de Duitse kant lanceerde op 1 oktober een offensief om te trachten de Britten in de Betuwe terug te dringen. De strijd in de Betuwe duurde vijf dagen waarbij het de Britten lukte de Duitsers af te houden. Op 7 oktober werd de brug bij Arnhem door Amerikaanse bommenwerpers vernield om zo de Duitsers het oversteken van de Nederrijn te bemoeilijken. Aan dit deel van de frontlinie ontstond een impasse die tot maart 1945 duurde. Op 24 maart 1945 slaagden de 6th Airborne Division en de 17th Airborne Division er in om bij Wesel een bruggenhoofd over de Rijn te vestigen. In april 1945 stootten de geallieerden door, waarbij de Betuwe werd bevrijd. Tijdens een tweede slag om Arnhem werd ook Arnhem, dit keer vanuit het oosten, bevrijd.

Direct na de strijd barstte een andere strijd los, namelijk die om de schuldvraag. Hoewel de 1st Polish Parachute Brigade Group zich onder de omstandigheden uitstekend had verweerd, besloten de Britse bevelhebbers dat de Polen de voornaamste schuld voor het falen van Market Garden in hun schoenen geschoven kregen. Bernard Montgomery en Frederick Browning rapporteerden over falende acties en leiding bij de Polen en op 9 december 1944 resulteerde dit in het verwijderen van Major General Stanislaw Sosabowski uit zijn positie. Het zou nog tot 2006 duren voordat, tenminste van Nederlandse zijde, eerherstel werd gegeven aan de Polen door aan Sosabowski de Bronzen Leeuw en aan de 1e Onafhankelijke Poolse Parachutisten Brigade de Militaire Willemsorde toe te kennen.  De Amerikanen en de Britten waren al veel eerder door de Nederlandse overheid geëerd met diverse onderscheidingen aan personen en eenheden.

Market Garden had ook gevolgen voor de Duitse zijde. Op 25 september 1944 om 05.00 uur gaf Adolf Hitler persoonlijk[104] het bevel dat de vijand in de Betuwe diende te worden vernietigd. De Duitse legerleiding onder leiding van Von Rundstedt en Model besloot dat de vijand ten noorden van de Maas moest worden teruggedrongen. Als gevolg hiervan werd de 712. Infanterie-Division (Generalleutnant Neumann) opgedragen de Corridor tussen Grave en Nijmegen aan te vallen. De 15. Armee en het 1. Fallschirmjäger-Armee kregen de opdracht om de druk rond Veghel te vergroten. De Fallschirmjäger werden hiervoor danig versterkt met diverse tankeenheden.

De eerste fase van het Duitse offensief bestond uit aanvallen op de sector Grave-Nijmegen. Doel was de verovering van het gebied ten oosten van Nijmegen. Op 28 september trokken de Duitsers op naar Wyler, Groesbeek en Nijmegen en wisten Erlecom in te nemen. Ondanks zware druk lukte het de geallieerden de Duitse opmars tot staan te brengen en op 2 oktober lag de frontlinie van Erlecom via Wyler en Den Heuvel over Riethorst naar Middelaar. Tussen Grave en Nijmegen lukte het de Duitsers niet om ook maar enige terreinwinst te boeken. De tweede fase van het offensief ving op 29 september aan en vond plaats in de Betuwe. Het doel was het terugdringen van de geallieerden tot over de Waal. Zware gevechten tussen Britse en Amerikaanse infanterie, parachutisten en tanks aan de ene kant en Duitse infanterie en tanks aan de andere kant lieten de frontlinie vele malen heen en weer golven. Britten en Amerikanen moesten in september en oktober zware gevechten voeren in de westelijke sector rond plaatsen als Opheusden en Kesteren. Tussen Elst en Bemmel vonden ware veldslagen plaats bij De Aam, De Vergert en De Heuvel en voerden de Duitsers de druk op bij Haalderen. Het front werd hier pas na de eerste week van oktober enigszins gestabiliseerd. De voorgenomen derde fase van het Duitse offensief, dat op 29 september had moeten aanvangen, kon door de falende 1e en 2e fase nagenoeg niet ten uitvoer worden gebracht.

Definitielijst

Armee
Bestond uit meestal tussen de drie en zes Korps en andere ondergeschikte of onafhankelijke eenheden. Een Armee was ondergeschikt aan een Heeresgruppe of Armeegruppe en had in theorie 60.000 - 100.000 man.
baileybrug
Uit voorgefabriceerde elementen bestaande noodbrug. Tijdens WO II door de Engelsman Bailey ontworpen.
Brigade
Bestond meestal uit twee of meer Regimenten. Kon onafhankelijk of als een deel van een Divisie dienen. Soms waren ze deel van een Korps in plaats van een Divisie. In theorie bestond een Brigade uit 5.000 - 7.000 man.
bruggenhoofd
Een aan de andere kant van een (natuurlijk)opstakel veroverd stuk land waaruit de aanvaller zijn aanval verder kan voorzetten.
Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
geallieerden
Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, Italië en Japan gedurende WO 2.
Infanterie
Het voetvolk van een leger (infanterist).
offensief
Aanval in kleinere of grote schaal.
operatie Market Garden
Codenaam voor gecombineerde land- en luchtaanvallen van de geallieerden in de regio Eindhoven, Arnhem en Nijmegen van 17 tot 26 september 1944.

Epiloog

Het debat over Market Garden zal waarschijnlijk nog tot in de verre toekomst gevoerd worden. Bovenstaand artikel probeert vooral een overzicht te geven van hetgeen zich tijdens deze operatie op militair gebied heeft afgespeeld. Het blijft altijd moeilijk conclusies te trekken omdat er altijd wel ergens een ander argument gevonden kan worden of iets kan worden aangedragen dat de zaken weer in een ander daglicht stelt. Een paar zaken kunnen echter wel gesteld worden.

De drie luchtlandingsdivisies waren volledig op zichzelf aangewezen. Ze zouden elkaar nooit kunnen ondersteunen, simpelweg vanwege het feit dat men dan naast het beveiligen van een gebied van naar schatting 40 km lang, ook nog troepen had moeten vrijmaken om een andere eenheid bij te staan. De drie luchtlandingsdivisies moesten duidelijk hun eigen sector beschermen en de doelen daarbinnen bereiken en vervolgens wachten op steun van XXX Corps.
Voor de opmars van XXX Corps was echter een smalle route beschikbaar over vaak open terrein. Aangezien de opdracht van XXX Corps vooral gericht was op het bereiken van de drie luchtlandingsdivisies waren er minder troepen beschikbaar voor de bescherming van de corridor. Alternatieve routes waren nauwelijks beschikbaar en blokkades op de corridor door aanvallende vijandelijke troepen dan wel door opgeblazen bruggen, zouden de nodige vertraging veroorzaken.
De luchtlandingstroepen dienden zich over relatief lange afstanden te verplaatsen om hun doelen te bereiken en moesten tegelijkertijd troepen op de landingsgebieden achterlaten om deze open te houden voor droppingen op latere momenten, zelfs op opvolgende dagen. De bescherming van deze gebieden heeft zeker gezorgd voor vertragingen in het bereiken van de daadwerkelijke doelen.
Market Garden heeft nooit het bereiken van Duitsland en het Ruhrgebied als doel kunnen hebben. De opmars zelf was vooral gericht op het bereiken van het IJsselmeer. Voor het oversteken van de laatste waterweg tussen Nederland en Duitsland, de IJssel, waren immers geen plannen opgenomen binnen Market Garden.

De Duitsers waren niet op de hoogte van de volledige plannen van Market Garden. De plannen gevonden in de bij Vught neergekomen glider konden nooit het volledige plan zijn. De in de glider aanwezige militairen hadden simpelweg niet het niveau dat zij dergelijke plannen in hun bezit konden hebben.
De Waalbrug is niet opgeblazen doordat dit de Duitser op 20 september niet lukte. Hoewel Jan van Hoof zeker op 17 september op de brug is geweest en hij vrijwel zeker iets heeft gedaan waardoor hij dacht dat de brug veilig was, is het onwaarschijnlijk dat tussen 17 september en de verovering van de brug op 20 september geen enkele Duitse eenheid de springladingen en leidingen heeft nagelopen of uitgebreid. Britse Engineers, en niet Amerikaanse zoals wel eens in geschiedenisboeken wordt beschreven, hebben bij het verwijderen van de springladingen en de leidingen niets gevonden dat het opblazen had voorkomen. Aangezien de Duitsers vanaf de Lentse kant hebben getracht de brug op te blazen. Het lijkt het meest waarschijnlijk dat granaatinslagen aldaar de leidingen hadden beschadigd.
Tot slot is er nog het debat over de aanwezige Duitse pantsertroepen. Ten minste kan hierover geconcludeerd worden dat hier te makkelijk aan voorbij werd gegaan door de plannenmakers. Toch waren de 9. SS-Panzer-Division en de 10. SS-Panzer-Division niet de meest geduchte tegenstander. Zij hadden immers rond Arnhem geen eigen tanks die rijklaar waren en konden de strijd alleen met pantserwagens aanvangen. De eerste tanks die bij de brug in Arnhem verschenen waren immers uit Duitsland aangevoerd.
Market Garden werd hiermee misschien wel de meest bediscussieerde en beschreven operatie van de Tweede Wereldoorlog, waarbij bijna gesteld kan worden dat er even zovele visies, meningen en zelfs verdraaiingen van feiten plaatsvonden en -vinden als dat er boeken zijn geschreven. Aangezien er nog dagelijks nieuwe bronnen ontsloten worden, zal dit debat nog wel decennia voortgaan en zullen er steeds nieuwe inzichten worden gevonden. Al met al is hierdoor Market Garden één van de meest interessante militair historische gebeurtenissen geworden.

Noten

  1. Clark, 2012, pag. 9
  2. Brouwer, 2014, pag. 20
  3. Clark, 2012, pag. 9
  4. Clark, 2012, pag. 9
  5. Peters, 1994, pag. 19
  6. Holt, 2001, pag. 26
  7. Nordyke, 2008, pag. 180
  8. Nordyke, 2008, pag. 182
  9. Nordyke, 2008, pag. 183
  10. Nordyke, 2008, pag. 180
  11. Nordyke, 2008, pag. 183
  12. Nordyke, 2008, pag. 182
  13. Turnbull, 2005, pag. 98
  14. Brouwer,2014, pag. 22
  15. Clark, 2012, pag. 12
  16. Brouwer, 2014, pag. 26
  17. Duchstein wordt in diverse bronnen Tuchstein genoemd, werkelijke naam is onduidelijk tot op heden is er alleen een Gerhard Duchstein gevonden die in 1942 Leutnant en Fallschirmjäger was
  18. Rijnders, 2018, Archeologie Teerose III (Martijnreinders.com)
  19. Berends, 2003, pag. 40
  20. Berends, 2003, pag. 26
  21. Brouwer, 2014, pag. 24
  22. Gerritsen e.a., 2010, pag. 25
  23. Gerritsen e.a., 2010, pag. 48
  24. Berends, 2003, pag. 17
  25. Brouwer, 2014, pag. 25
  26. Brouwer, 2014, pag. 36
  27. Brouwer, 2014, pag. 36
  28. Willems, 2013, pag. 20
  29. Brouwer, 2014, pag. 36
  30. Brouwer, 2014, pag. 36
  31. Willems, 2013, pag. 21
  32. Brouwer, 2014, pag. 37
  33. Brouwer, 2014, pag. 39
  34. Brouwer, 2014, pag. 40
  35. Brouwer, 2014, pag. 46
  36. Poulussen, 2011, pag. 8
  37. Poulussen, 2011, pag. 10
  38. Poulussen, 2011, pag. 11
  39. Poulussen, 2011, pag. 12
  40. Poulussen, 2011, pag. 13
  41. Poulussen, 2011, pag. 8
  42. Poulussen, 2011, pag. 13
  43. Poulussen, 2011, pag. 15
  44. Poulussen, 2011, pag. 16
  45. Brouwer, 2014, pag. 47
  46. Brouwer, 2014, pag. 48
  47. Poulussen, 2011, pag. 19
  48. Poulussen, 2011, pag. 8
  49. Poulussen, 2011, pag. 26
  50. Poulussen, 2011, pag. 3
  51. Brouwer, 2014, pag. 64
  52. Poulussen, 2011, pag. 23
  53. Berends, 2003, pag. 47
  54. Berends, 2003, pag. 60
  55. Berends, 2003, pag. 61
  56. Berends, 2003, pag. 49
  57. Berends, 2003, pag. 54
  58. Berends, 2003, pag. 57
  59. Berends, 2003, pag. 62
  60. Berends, 2003, pag. 58
  61. Willems, 2013, pag. 21
  62. Berends, 2003, pag. 62
  63. Berends, 2003, pag. 87
  64. Berends, 2003, pag. 87
  65. Berends, 2003, pag. 91
  66. Berends, 2003, pag. 73
  67. Berends, 2003, pag. 84
  68. Berends, 2003, pag. 87
  69. Berends, 2003, pag. 92
  70. Berends, 2003, pag. 68
  71. Gerritsen e.a., 2010, pag. 6
  72. Berends, 2003, pag. 94
  73. Brouwer, 2014, pag. 40
  74. Brouwer, 2014, pag. 44
  75. Poulussen, 2011, pag. 25
  76. Poulussen, 2011, pag. 29
  77. Poulussen, 2011, pag. 32
  78. Poulussen, 2011, pag. 30
  79. Berends, 2003, pag. 121
  80. Brouwer, 2014, pag. 43
  81. Brouwer, 2014, pag. 43
  82. Henny Meier/Mark van Loon, Noviomagus.nl, Hell's Highway
  83. Poulussen, 2011, pag. 4
  84. Brouwer, 2014, pag. 47
  85. Brouwer, 2014, pag. 53
  86. Brouwer, 2014, pag. 86
  87. Poulussen, 2011, pag. 5
  88. Brouwer, 2014, pag. 44
  89. Brouwer, 2014, pag. 96
  90. Brouwer, 2014, pag. 103
  91. Brouwer, 2014, pag. 101
  92. Poulussen, 2011, pag. 5
  93. Brouwer, 2014, pag. 106
  94. Poulussen, 2011, pag. 5
  95. Brouwer, 2014, pag. 111
  96. Brouwer, 2014, pag. 111
  97. Brouwer, 2014, pag. 126
  98. Brouwer, 2014, pag. 130
  99. Brouwer, 2014, pag. 130
  100. Brouwer, 2014, pag. 142
  101. Brouwer, 2014, pag. 151
  102. De Oversteek, Willems, 2013, pag. 23
  103. De Oversteek, Willems, 2013, pag. 23
  104. Brouwer, 2014, pag. 177

Definitielijst

Fallschirmjäger
Duitse parachutisten van de Luftwaffe.
luftwaffe
Duitse luchtmacht.

Bronnen

Gerelateerde bezienswaardigheden