Op ontdekkingsreis naar historische bezienswaardigheden? Download de TracesOfWar-app direct in Google Play of in de Apple App Store.

Hoe een Joodse familie ontsnapte aan de fuik van de nazi’s

An Huitzing (Gorinchem, 1952) publiceerde samen met Tamara Becker ‘Op de foto in oorlogstijd -Studio Wolff, 1943’ (Lecturis 2017) met meer dan 200 familiegeschiedenissen bij teruggevonden fotoportretten. Een ontmoeting op de tentoonstelling over Studio Wolff in 2017 in het Holocaustmuseum leidde tot het onderzoek naar de oorlogsgeschiedenis van de familie De Hoop. Hierover gaat haar nieuwste boek, getiteld ‘Spartelend aan de fuik ontkomen’. Het gaat over hoe tientallen leden van een Joodse familie de Tweede Wereldoorlog overleefden. We stelden de schrijfster via e-mail enkele vragen over haar boek.

Foto van de familie Wessels; de baby links bij zijn moeder op schoot is Peter Hofman die de schrijfster in 2017 een vraag stelde. In het midden zitten zijn grootouders, Bertha Dribbel en Jozef Wessels. Zij waren nicht en neef, hun beider moeders heetten De Hoop.


Uw boek vertelt over hoe de leden van de familie De Hoop, ondanks dat ze Joodse voorouders hadden, de Holocaust overleefden. Hoe bent u op dit verhaal gestuit en waarom besloot u er een boek over te schrijven?

In 2017 kwam ik op de tentoonstelling van foto’s uit 1943 van Annemie Wolff in het Nationaal Holocaust Museum (waarvoor ik met Tamara Becker de research had gedaan) een meneer tegen die zei dat hij zijn oma op een foto herkend had. Toen we in gesprek raakten, vroeg hij of ik wist hoe zijn familie de oorlog overleefd had. Ik kende de naam uit het Calmeyer-archief. Ik dacht dat we er met een bezoek aan dat archief wel uit zouden komen. Maar het kostte veel meer tijd, omdat 1) de familie heel groot was en 2) een eerste aanvraag afgewezen was en er veel gebeurde voor het goed kwam. Bovendien bleek het daarná weer bijna mis te gaan. Al doende werd het verhaal zó groot en bijzonder dat de betrokken familie zei: ‘hier moet je een boek van maken’.

Wat waren de leden van de familie De Hoop voor mensen? Waren er grote verschillen tussen hen onderling?

Omdat je weet dat er bij een Calmeyer-procedure meestal over de werkelijke komaf gelogen werd, moest ik uitzoeken hoe de familie vanaf ongeveer 1830 tot 1941 in elkaar zat. Tot ongeveer 1890 waren ze heel arm. De generatie die toen volwassen was, probeerde zich te ontworstelen aan hun arme Joodse milieu. Zoals zoveel Joden waren ze geassimileerd. De een wat meer uitgesproken dan de ander, wilden ze niet Joods meer zijn. Enkelen lieten het geloof op hun kaart in het bevolkingsregister schrappen. Joods zijn was voor hen armoede, de volle en vuile Jodenbuurt. Niet voller en vuiler dan andere arbeidersbuurten, men wilde zich aan een milieu ontworstelen, zoals dat ook bij andere groepen gebeurde. In deze familie lukte dat de een beter dan de ander. Een aantal mannen waren goede en succesvolle handelaren in sigaren en oud papier bijvoorbeeld. Bij anderen mislukte de handel nog wel eens. Om echt te weten hoe rijk of arm ieder was, moet je er nog veel dieper in duiken. Voor de vraag ‘hoe hebben ze overleefd’ was dat niet nodig.

Dat de familie niet gedeporteerd werd naar de vernietigingskampen wat te danken aan Hans Calmeyer. Deze Duitse jurist moest bij twijfel besluiten of iemand Joods was. Hij werd in 1992 door het Holocaustinstituut Yad Vashem postuum benoemd tot Rechtvaardige onder de Volkeren voor het redden van de levens van vele Joden in Nederland. Desondanks is hij omstreden. Heeft u zich tijdens uw onderzoek een beeld van zijn rol kunnen vormen?

Het was niet alleen aan Hans Calmeyer te danken. Het begon ermee dat familieleden zelf een aanvraag indienden. In eerste instantie liep het fout omdat de SS’er Ludo ten Cate, die over Calmeyers schouder meekeek, als reactie op die aanvraag gaf dat ze vier Joodse grootouders hadden. Daarna kwamen alle takken van de familie bijeen om samen een betere strategie uit te zetten. Dit met een slimme aangetrouwde advocaat, Wim Kymmell, die vaker Calmeyer-aanvragen had gedaan.

Mijn onderzoek gaat alleen over deze familie en niet over Calmeyer in het algemeen. Uit de bronnen komt naar voren dat Calmeyer zeer bewust deze familie geholpen heeft. Binnen de grenzen van zijn kunnen: hij kon niet iedereen redden. Als hij alle familieleden niet-Joods verklaard had, dan zou dat teveel opgevallen zijn omdat hij dan teveel van de regels afgeweken was. Sommigen zijn dus opgeofferd, kun je zeggen. Ze hadden tijd om onder te duiken, maar niet iedereen durfde dat aan. Dat moet heel pijnlijk geweest zijn, de advocaat van de familie was ook daarbij betrokken, leid ik af uit de tekst van de tekst van Calmeyer.

Calmeyer was voor alles een jurist die vasthield aan juridische redeneringen. Dat was zijn houvast, zijn verdediging en zijn afscherming tegenover de buitenwereld. Daarom is het des te opvallender dat hij bij deze familie een volstrekt niet-juridisch argument gebruikte, omdat elk ‘normaal bewijs’ ontbrak. Daarom is volstrekt duidelijk dat hij heel bewust te werk ging.

Wat waren uw belangrijkste bronnen voor dit boek? Heeft u contact gehad met de beschreven personen of hun nabestaanden en zo ja, wat leverde dit op? Is de familie zich tegenwoordig nog bewust van hun bijzondere verleden?

De belangrijkste bronnen waren de Collectie-Calmeyer in Den Haag (bij het CBG dat is Centrum voor Familiegeschiedenis), het Nationaal Archief met name voor de CABR-bestanden (Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging voor naoorlogse rechtszaken) en de dossiers van het Nederlands Beheerinstituut. In het Amsterdamse Stadsarchief werden veel gegevens voor de familiegeschiedenis gevonden evenals de dossiers van de Armenzorg en over de ariërverklaring. Een groot deel van het archiefonderzoek heb ik gedaan samen met leden van de familie, met name met Peter Hofman die me in juni 2017 die vraag stelde. Het is tenslotte hun geschiedenis en het is mooi omdat samen te ontdekken. Dat was een bijzondere ervaring. En een aantal familieleden had ook brieven en kladbrieven en besluiten van Calmeyer in huis en zelfs de grote stamboom die gemaakt is als onderbouwing van de definitieve aanvraag voor 80 personen. Dat was een enorme verrassing.
Ik denk dat 90% van het verhaal zoals ik het nu heb opgeschreven voor de familie onbekend was. Er was iets gebeurd, maar wat, dat wist men niet.

Een brief van het bureau van Ludo ten Cate, die afwijzend adviseert over de aanvraag van Leman (Leo) Wessels, zoon van Bertha Dribbel en Jozef Wessels met links de aantekening van Calmeyer dat hij dat overneemt.

Eerder publiceerde u samen met Tamara Becker ‘Op de foto in oorlogstijd’. Dit boek gaat over de (portret)foto’s die Joden in 1943 door Studio Wolff in Amsterdam lieten maken. Zowel dit boek als uw nieuwste heeft betrekking op de Jodenvervolging in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Waar komt uw belangstelling voor dit onderwerp vandaan?

Ik ben sowieso geïnteresseerd in geschiedenis, met name van de plek waar ik leef. Wat is hier vroeger gebeurd, in dit huis, in deze buurt? In Amsterdam kom je dan al gauw uit bij de Joodse geschiedenis en bij de pijnlijke vrijwel totale deportatie van de Joodse bevolking in de Tweede Wereldoorlog. Beide boeken zijn een antwoord op een vraag die iemand me gesteld heeft.

Over de Holocaust blijven boeken verschijnen, omdat er nog zoveel verhalen niet verteld zijn. Wat heeft u met dit boek toe willen voegen? Heeft u het met een bepaalde doelgroep voor ogen geschreven? Wat hoopt u dat de lezer heeft opgestoken na het lezen van het boek?

Het boek is in eerste instantie voor de familie geschreven. Ik heb zo’n vijftig familieleden gevonden (die erg graag een reünie willen, helaas kan dat niet door corona). Een aantal van hen zei op zeker moment dat ze graag wilden dat hun verhaal voor een breder publiek zou worden verteld.

Het is wat familiegeschiedenis altijd is: een illustratie van de geschiedenis als geheel en tegelijkertijd een verbijzondering ervan. In dit geval is het een voorbeeld van een familie die zijn joods-zijn ontkent, maar tegelijkertijd een vreemd en soms bijna onwerkelijk verhaal. Het verhaal laat goed zien hoe de Joden in een fuik terechtkwamen. Bij de eerste maatregelen denk je ‘ach als dat alles is’ en na korte tijd zit je in een uitzichtloze situatie waaruit je bijna niet weg kunt komen. Het is heel knap dat het hen toch gelukt is.

In Joodse kringen zijn of waren er mensen die vinden dat via zulke leugens gered worden niet goed is. Dan ontkende je je joods-zijn. Maar het joodse geloof kent het begrip Pikuach Nefesh (Hebreeuws: פקוח נפש‎ = waken over een ziel). Dit betekent dat je alle regels en wetten opzij mag zetten om een leven te redden. Deze familie was niet zo gelovig, maar als ze dat wel geweest was, had ze dit ook mogen en moeten doen: zichzelf en hun kinderen redden.

Spartelend aan de fuik ontkomen
Hoe tientallen leden van een Joodse familie de oorlog overleefden
ISBN: 9789462263826
Meer informatie over dit boek
Bestel nu bij Bol.com
Spartelend aan de fuik ontkomen

Gebruikte bron(nen)

  • Bron: TracesOfWar.nl / An Huitzing
  • Gepubliceerd op: 07-03-2021 19:40:54