TracesOfWar heeft jouw hulp nodig! Wij missen foto's van belangrijke bezienswaardigheden in Nederland, België, Frankrijk en Duitsland. Stuur uw foto's in naar input@tracesofwar.com en wordt gepubliceerd!

Dagboek van Utrechtse kapelaan stijgt uit boven de meeste andere oorlogsdagboeken

‘Kapelaan in oorlogstijd’ is de vrijwel integrale weergave van het dagboek dat de Utrechtse kapelaan Theo Egberts (1906) in november 1944 begon. Christa van Hees bewerkte het redactioneel en voorzag het dagboek van een inleiding. Ze vulde het relaas van Theo Egberts aan met een geschreven portret van de maker ervan. Daarnaast verrijkte ze het dagboek met een aantal verhalen over belangrijke personen en gebeurtenissen die in het dagboek aan de orde komen. We stelden de schrijfster via e-mail enkele vragen over haar boek.

Kindergaarkeuken. Foto van Wim de Beer. Bron: Het Utrechts Archief


Hoe kwam u achter het bestaan van het dagboek van kapelaan Egberts en wat deed u besluiten om de dagboekaantekeningen te publiceren?

Nadat mijn vader, Bertus Koot, was overleden vonden we volkomen onverwacht een dagboek dat hij op 1 januari 1945 was begonnen. In 2020 heb ik dit dagboek voor mijn eigen familie bewerkt tot een publicatie die hier gepubliceerd is.

Toen Theo Egberts in november 1944 als kapelaan van de Utrechtse Gertrudisparochie aan zijn oorlogsdagboek begon, was mijn vader 18 jaar jong. Hij behoorde in januari 1945 tot de groep mannen tussen de 17 en 40 jaar die het bevel kreeg om zich te melden voor de Arbeitseinsatz. Mijn vader was een geboren en getogen Rivierenwijker en was op nieuwjaarsdag 1945 ondergedoken om niet voor de Duitsers te hoeven werken. Diezelfde dag begon hij zijn dagboek. Op zondag 7 januari schreef mijn vader: “Vandaag heeft kapelaan Egberts gesproken tot de jongeren boven de 17 jaar over de meldingskwestie. Kapelaan Egberts gaf ons de raad onder te duiken.”

Christa van Hees. Foto: Hélène de Bruijn
Theo Egberts als jonge kapelaan.


Ik vroeg me af wie die kapelaan Egberts was en kwam via Google terecht bij de Stichting Heemkunde in Geesteren. Die had in 2015 ter gelegenheid van 70 jaar bevrijding in de publicatie ‘Oorlog in herinnering’ een aantal pagina’s uit het dagboek van kapelaan Egberts gepubliceerd. Ik was van het begin af aan geraakt door de emotie die uit het verhaal van Egberts sprak. Toen ik volkomen onverwacht digitaal een kopie van het complete dagboek kreeg opgestuurd, werd mijn eerste indruk alleen maar bevestigd. Ik ontdekte ook dat het dagboek zó rijk was aan invalshoeken en bijzondere verhalen, dat het daarmee uitstijgt boven de meeste andere oorlogsdagboeken.

Ik heb daarom besloten het geheel in eigen beheer uit te geven. Mijn zwager Nico Dielen, een ervaren vormgever, heeft er een prachtige geheel van gemaakt met meer dan tweehonderd illustraties. Veel archieven stelden kosteloos archiefmateriaal beschikbaar en dankzij de steun van het Prins Bernardcultuurfonds Overijssel, Stichting Twentsche Courant, de Ridderschappen van Overijssel en Utrecht en Stichting Mr. Paul de Gruyter is het boek (208 pagina’s op A-4 formaat en harde kaft) te koop voor een zeer schappelijke prijs (zie: KapelaanInOorlogstijd.nl. Mijn neef Thomas Dielen ontwikkelde – eveneens pro deo – een prachtige website, waarop ik ook nieuwe verhalen wil publiceren.

Waaruit bestond het dagelijkse leven van de kapelaan in oorlogstijd en met wie bracht hij de meeste tijd door?

Theo Egberts (toen 38 jaar oud) was de jongste van de drie kapelaans in deze grote-stadsparochie met zo’n 6.000 parochianen. Met aan het hoofd een pastoor. Ze vormden een soort gezin, dat goed met elkaar overweg kon. Overdag waren de kapelaans voortdurend op pad in hun wijk of ontvingen ze parochianen in de spreekkamer.

’s Avonds kwamen de vier geestelijken bij elkaar in de kamer van Theo Egberts. Dat was naast de keuken de enige verwarmde ruimte in huis. Daar baden ze, lazen ze, luisterden ze clandestien naar de radio en bespraken ze de situatie in de parochie, waar het steeds beroerder werd. Geen licht, geen brandstof, geen warm water, gebrek aan medicijnen, kleding en zeep, de ijzige kou, wijken met boomloze straten waar het vuil zich ophoopt bij gebrek aan machines en personeel. Met daarbovenop de allesoverheersende knagende honger, die maakte dat vooral de jeugd alle fut verloor. Op het laatst liepen veel kinderen erbij “met een ribbenkast waar je dwars doorheen kon kijken”.

Egberts beschrijft de ellende verbijsterend plastisch. Je ziet het tafereel voor je: Radeloze moeders, mokkende vaders, krijsende baby’s, kinderen zonder ondergoed spelend rond de kachel waar men wanhopig probeert het een beetje warm te stoken. En dat alles in de ondraaglijke stank van opgewarmd gaarkeukenvoedsel dat veel kinderen niet door hun keel kunnen krijgen.

Tekening van August van der Linde van de kamer van Theo Egberts. Bron: Het Utrechts Archief


Hoe konden de kapelaan en andere geestelijken gedurende de Hongerwinter in Utrecht hun hongerlijdende parochianen helpen? Hoe belangrijk was de rol van de Twentse boeren die u noemt in uw inleiding hierbij?

De parochie zet zelf gaarkeukens op, te beginnen voor de meest kwetsbaren: de allerjongsten en de ouderen, later ook voor zwangere vrouwen en de wat oudere kinderen. Theo Egberts en zijn collega’s gaan daadwerkelijk op pad om bij de boeren in de omgeving eten bij elkaar te sprokkelen.

Als de Utrechtse boeren niet meer kunnen of willen leveren, wijken ze uit naar Twente waar nog wel voldoende eten is. Een van de collega’s van Theo Egberts, Bernard Koopmans, komt uit Tubbergen en heeft in bijna ieder dorp in de buurt wel familie wonen. Als bedelbroeders zijn de twee in december 1944 tot twee keer toe dagenlang op de fiets in Twente op pad om de Twentse boeren ertoe te bewegen voedsel af te staan. Met groot succes: er worden tonnen voedsel ingezameld. Het Utrechtse transportbedrijf Jongerius zorgt ervoor dat het ingezamelde voedsel in Utrecht terecht komt.

Als de situatie begin 1945 helemaal onhoudbaar dreigt te worden, slagen de kapelaans erin om ruim driehonderd kinderen naar Twente te evacueren om daar de laatste oorlogsmaanden door te brengen. Ze worden er liefdevol opgevangen in Twentse gezinnen en komen na de bevrijding vaak tien kilo zwaarder terug.

Vertrek van firma Jongerius naar Overijssel. Foto: Wim de Beer
Aankomst per paard en wagen in Tubbergen van evacués uit het westen. Foto van Martin Paus, Tubbergen.


Welk beeld kreeg u over het karakter van kapelaan Egberts tijdens het lezen van zijn aantekeningen? Hoe open is hij in zijn dagboek over zijn emoties en gedachten? Deed hij aan zelfcensuur voor als zijn dagboek in verkeerde handen zou vallen?

Theo Egberts is recht door zee en neemt geen blad voor de mond. Hij kan zich mateloos opwinden over Utrechtse boeren die rustig 70 gulden voor een mud aardappelen durven vragen, over zwarthandelaren, over de geallieerde opmars die in Nederland maar uitblijft, over geestelijken die zich niet sterk willen maken om iets aan de honger te doen. Hij staat snel met zijn oordeel klaar, al is hij ook niet te beroerd om op zijn mening terug te komen. Hij doet wat hij vindt dat hij moet doen, ook als dat tegen de heersende mening ingaat. Zo is hij bereid een NSB-er die spijt heeft van zijn lidmaatschap te helpen door hem ten overstaan van twee katholieken in het openbaar zijn spijt te laten betuigen. Ook als dat betekent, dat hij en zijn collega’s ervan worden beschuldigd NSB-ers op de pastorie te verbergen.

Uit het portret dat ik over hem schreef aan de hand van getuigenissen van mensen die hem in zijn Utrechtse tijd en daarna hebben gekend, blijkt dat voor hem iedereen gelijk was. Hij had geen voorkeuren voor personen. In alle omstandigheden bleef hij zichzelf. Hij was niet alleen een begenadigd schrijver, maar ook een begenadigd spreker. Wie je ook spreekt, allen noemen zijn donderpreken. Ik denk dat die eigenschap, gecombineerd met de warme persoonlijkheid van Bernard Koopmans, en hun gezamenlijke bevlogenheid de sleutel zijn geweest voor hun succes in Twente.

Theo Egberts is een doener en een denker, blijkt wel uit zijn dagboek. Hij filosofeert over wat er na de oorlog met Duitsland moet gebeuren, analyseert eindeloos hoe Nederland bevrijd kan worden, beschrijft uitgebreid zijn ideeën over de wederopbouw van het katholieke gemeenschap na de oorlog. Tegelijk is hij in zijn element als hij daadwerkelijk iets kan doen. Zijn beschrijving van de voedselinzameling in Twente en de tochten ernaar toe lezen als een spannend jongensboek. Het is tekenend dat hij zijn leven lang, ook toen hij al hoog en breed pastoor was, het liefst op huisbezoek ging.

Egberts deed zeker niet aan zelfcensuur. Integendeel. Hij schreef recht uit zijn hart. Zo veel en vaak gehaast dat hij niet altijd direct de meest geëigende woorden vond. In een enkel geval waren zijn kwalificaties ronduit beledigend. Tegen het einde van de oorlog constateert hij ook zelf, dat hij gaat lijden aan wat hij algemene prikkelbaarheid noemt. Op 17 maart schrijft hij: “Ik kon vroeger onverstoorbaar kalm blijven bij de meest vervelende gesprekken, maar nu is me dat ten enenmale onmogelijk. Ik heb tenminste al diverse mensen op een meer of minder fatsoenlijke manier de pastorie uit gegooid. Dat is me nog nooit overkomen. Maar wij zijn dat niet alleen; iedereen klaagt dat hij (of zij) zo prikkelbaar is. Verslapping van zenuwen? Misschien wel. Afijn, dat moeten de doktoren maar uitmaken.”

Ik weet bijna zeker, dat als hij zijn in haast opgetypte aantekeningen ooit nog eens in alle rust had geredigeerd voor de buitenwereld, hij sommige formuleringen door andere had vervangen. Dat heb ik geprobeerd voor hem te doen. In een geval heb ik daarom een kwalificatie weggelaten die als beledigend kan worden beschouwd, in een ander geval heb ik een andere formulering gebruikt.

Hij bleef zijn leven lang geen blad voor de mond nemen. Met de jaren werd hij wel milder en in zijn uitspraken tactischer om zijn doel te bereiken.

Opbrengen van NSB-ers in de Rivierenwijk op de hoek Croesestraat-Jutfaseweg. Bron: Historische Kring Tolsteeg-Hoograven


De rol van de katholieke kerk in de Tweede Wereldoorlog ligt onder een vergrootglas. Zo wordt Paus XII verweten dat hij niet of te weinig protesteerde tegen Jodenvervolging. Is er iets bekend over hoe de kapelaan dacht over de discriminatie en deportatie van Joden vanuit Utrecht of beperkte zijn mededogen zich tot zijn parochianen?

Theo Egberts spreekt niet expliciet over de discriminatie of deportatie van Joden, maar doet dit impliciet wel door zijn onvoorwaardelijke steun aan aartsbisschop Jan de Jong van Utrecht. De aartsbisschop sprak zich vanaf 1941 diverse malen openlijk uit tegen de bezetter, de Duitse misdaden, de deportaties van de Joden en de Arbeitseinsatz en verwachtte ook van zijn priesters dat ze dat deden. Ook ik had het beeld dat het Vaticaan c.q. de katholieke kerk veel te weinig heeft gedaan tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar had me daar nooit echt in verdiept.

Voor mij was het verrassend om te ontdekken dat aartsbisschop Jan de Jong in de oorlog als de hoogste (kerkelijke) gezagsdrager hét symbool was van het verzet tegen de Duitsers. Het verklaart ook het grootse defilé voor bisschop De Jong na de bevrijding van Utrecht, waarover Egberts uitvoerig schrijft.

Defilé voor bisschop De Jong na de bevrijding van Utrecht. Bron: Het Utrechts Archief


Waarom zouden lezers ruim vijfenzeventig jaar later deze dagboekaantekeningen volgens u moeten lezen? Wat hoopt u dat hen bijblijft en wat is u het meest bijgebleven?

Dit dagboek vertelt het verhaal van het laatste oorlogsjaar van een hele wijk en stad en feitelijk de hele Randstad via de persoon van Egberts. Hij beschrijft de ellende van de oorlog voor de ‘gewone’ Randstedeling: en dat is een optelsom van veel meer dan alleen de honger en de kou. De beschrijving van de voedselinzamelingen in Twente zijn een ode aan de enorme Twentse vrijgevigheid en gastvrijheid. Iets wat waarschijnlijk ook opgaat voor streken als West-Friesland en de Achterhoek waar ongetwijfeld even gul werd gegeven.

Het verhaal van Egberts gaat over kleine en grote ongemakken. Over de grote dilemma’s, zoals vaderlandsliefde en het vergeven van je vijand, maar noemt ook zaken waar je niet zo bij stil zou staan. Zoals wat de verscherpingen van de avondklok betekenden voor vrouwen die moesten bevallen toen dokters en vroedvrouwen ’s nachts niet meer de straat op mochten.

Bijzonder vond ik het kijkje áchter de pastoriedeur. Egberts laat ons zien hoe groot de invloed van de katholieke kerk in die tijd – en nog jaren na de oorlog – was op het leven van de parochianen. Een oud-collega van hem, waarmee ik pas recent in contact kwam, vergeleek de rol van de geestelijkheid toen met die van bekende Nederlanders nu. Ze waren rolmodellen.

Uit de extra verhalen die ik heb gemaakt ter ondersteuning van het verhaal van Egberts, is vooral het verhaal over Co Jongerius me bijgebleven. De man die eigenlijk geen directeur van het bedrijf wilde worden, die niet voor de Duitsers wilde werken en die al vanaf het begin van de oorlog in het verzet zat. De man die zijn eigen bedrijf moedwillig door de Engelsen liet bombarderen om te voorkomen dat in zijn door de Duitsers gevorderde bedrijf opgeslagen eenmanstorpedo’s tegen de geallieerden zouden worden ingezet. De man die ondanks zijn grote verdiensten voor het verzet na de oorlog toch werd veroordeeld door het Bijzonder Gerechtshof. En die pas in 1950 dankzij de inspanningen van het voormalige verzet gratie kreeg van koningin Wilhelmina. Niet alles was, wat het leek.



Het boek is te bestellen op de bijbehorende website. Hier is ook een lijst te vinden van boekhandels waar het verkrijgbaar is.

Gebruikte bron(nen)

  • Bron: Christa van Hees / TracesOfWar.nl
  • Gepubliceerd op: 13-08-2021 11:51:39