Op ontdekkingsreis naar historische bezienswaardigheden? Download de TracesOfWar-app direct in Google Play of in de Apple App Store.

Duitse Hochadel liep schaamteloos achter Hitler aan

Lou Heynens is beeldend kunstenaar, schrijver/publicist, dichter, uitgever en fotograaf. Hij werkte onder andere in de boekhandelbranche, bij een uitgeverij en was vanaf 1975 als reporter werkzaam voor Weekend, Story en Vorsten. Hij schrijft over de adel, genealogie en kastelen. Begin 2023 verschijnt van hem het boek ‘Heil, Heil, Sieg Heil’ voor de Führer over Duitse familieleden van de Oranjes die kozen voor het nationaalsocialisme. Onder hen bijvoorbeeld Josias Erbprinz zu Waldeck‐Pyrmont, een SS-generaal en volle neef van koningin Wilhelmina. We stelden de schrijver via e-mail enkele vragen over zijn boek.

Prins August Wilhelm, een van de zoons van de Duitse ex-keizer Wilhelm II, in het Sportpalast in Berlijn, 1932. Hij was een fanatieke nazisympathisant en SA-Obergruppenführer. Bron: Bundesarchiv, B 145 Bild-P046293 / Weinrother, Carl / CC-BY-SA 3.0


Waar komt uw fascinatie voor koningshuizen vandaan en hoe kwam u op het idee dit boek te schrijven? Welke bronnen gebruikte u?

Er was bij mij al vroeg een fascinatie voor pracht en praal in de door mij als grauw en vol leemte ervaren naoorlogse jaren. Ook het verdwijnen van een aantal vorstenhuizen is als reden te noemen. Ik vroeg me af: waarom verdwenen ze en wie maakten er onderdeel van uit? Daarnaast had ik te kampen met de gevolgen van een in 1946 opgelopen hersenvliesontsteking. Tijdschriften gaven mij weliswaar troost maar tot mijn grote verdriet moest ik aanvaarden dat ik niet zou kunnen zijn zoals mijn zes broers. Verder wilde ik, als de gekneusde romanticus die ik was, iets vasthouden en verzamelde kennis over de adel waarbij de interesse hoofdzakelijk uitging naar de lange stoet aan Duitse vorstenhuizen.

Bij een gebrek aan beter, knutselde ik aan een totaaloverzicht van de Europese vorstenhuizen, een boek dat in 1969 bij de Europese Bibliotheek in Zaltbommel is verschenen onder de titel ‘Vorstenspiegel van Europa’. Voor een aantal gegevens – er ontbrak zoals verwacht nogal wat – heb ik mij rechtstreeks tot een aantal vorsten gericht. Blijkbaar vonden die het interessant om, zo kort na de oorlog, post uit het Koninkrijk Nederland te krijgen. Van allen heb ik een antwoord en vaak ook een gesigneerde foto gekregen. Het boek droeg ik op aan een nicht van prins Bernhard, Olga Prinzessin zur Lippe (1885-1972), die ik bewonderde daar zij eind jaren zestig vooropliep tijdens vredesdemonstraties (o.a. in Amsterdam). Ik heb de bejaarde dame meermaals in Wiesbaden bezocht en kreeg door haar ook insiderinformatie over de onderlinge relaties van de Hochadel. Daarbij werd mij één ding langzaamaan duidelijk: het zijn ogenschijnlijk allemaal vriendelijke maar verder doodgewone stervelingen...

De titel van uw boek – ‘Heil, Heil, Sieg Heil’ voor de Führer – is best expliciet. Waarom koos u hiervoor?

Het verwijst onmiskenbaar naar het ‘windvaankarakter’ van de Duitse Hochadel; eerst opmarcherend achter de oorlogszuchtige Kaiser Wilhelm II om vervolgens schaamteloos achter een Oostenrijkse schilder aan te lopen die ze in wezen diep verachtten. Ik begreep dat het steunen van Hitler en het nazisme ook de meest extreme uiting is van het streven naar eigenbelang en eigen gewin. De keuze voor de boektitel is niet alleen bedacht als een schop tegen de schenen, maar ook is het een soort alarmbel. Verder kreeg ik door de dramatische verhalen van een aantal vrienden uit de Hochadel weet van de misdaden en de dubbelhartigheid van degenen die voor het grote publiek een voorbeeld heetten te zijn.

In uw boek gaat het hoofdzakelijk over de Duitse familieleden van de Oranjes, zoals de familie van koninginregentes Emma, geboren Prinzessin von Waldeck und Pyrmont. Josias Erbprinz zu Waldeck‐Pyrmont was een zoon van Emmas enige broer Friedrich. Kunnen we concluderen dat Josias in uw boek degene is die als hooggeplaatste SS’er het meest betrokken was bij nazimisdaden en zo ja, waaraan maakte hij zich schuldig en werd hij hiervoor na de oorlog bestraft?

Alle familieleden, hier bedoelt als bloedverwanten van Wilhelmina, Juliana en Beatrix, waren Duitsers. Ook onder hun voorouders zijn er geen niet-Duitsers op te noemen. Laat ik het zo stellen: wie hoog (op het gebied van status) in de boom zit, wordt eerder gezien en ook – vanwege hun onbereikbaarheid en machtspositie – ontzien. Daardoor krijgt hij/zij eerder gelijk. Dat is iets anders dan gelijk hebben. In de gecompliceerde naoorlogse zuiveringen of Entnazifizierung kregen de beide neven van Wilhelmina, Josias alsook zijn volle neef Karl Eduard hertog van Sachsen-Coburg und Gotha, genade-op-genade, mede door de druk vanuit de vorstenhuizen die tijdens de Tweede Wereldoorlog wel aan de geallieerde kant stonden.

Josias Prinz zu Waldeck und Pyrmont in het uniform van SS-Obergruppenführer. Een volle neef van koningin Wilhelmina. Bron: publiek domein
Karl Eduard hertog von Sachsen-Coburg und Gotha, in het uniform van SA-Obergruppenführer, spreekt als erevoorzitter het internationaal Juwelierscongres toe, in 1935. Bron: Bundesarchiv, Bild 183-2007-1009-504 / CC-BY-SA 3.0


Bloed is ook hier dikker dan water. Was Josias een ijdele SS’er met verantwoordelijkheid voor concentratiekamp Buchenwald, de invloed van de met een hoog zelfbewustzijn vervulde hertog van Coburg had zelfs politieke implicaties. Men mag hem – zonder twijfel – beschouwen als een van Hitlers trouwste vrienden. Zijn zuster was de gastvrouw van Juliana in haar Canadese periode. Deze Britse Alice countess of Athlone had blijkbaar zoveel troeven achter de hand dat ze de naoorlogse vervolging van haar broer tot een farce wist te maken. Hij werd uiteindelijk slechts tot meeloper gekwalificeerd. Leden van de Duitse koningshuizen wisten alle feiten die hen slecht deden uitkomen in eigen voordeel om te buigen.

Het is een klasse mensen met twee gezichten vol aan paradoxen. Hun geschiedenis valt alleen te begrijpen als hun keuze voor de nazi’s volledig belicht wordt. We weten pas achteraf dat wat vorsten zeggen anders is dan wat ze in werkelijkheid – oncontroleerbaar – in beweging zetten. Ook de feiten rondom Josias’ en Karls half-Duitse nicht Wilhelmina zijn geen rechtstreekse afspiegeling van de latere heldhaftige beeldvorming. Er is niets zo gevaarlijk als voorgespeelde onschuld. Mooie voorbeelden daarvan geeft het boek van Michael Riemens, ‘Majesteit, U kent het werkelijke leven niet’ (naar de oorlogsdagboeken van minister E.N. Kleffens). We kijken vol betovering (of naïviteit) nog te veel op naar hen die op de hoogste tak zitten en vergeten of negeren het leed dat ze door hun misdadig gedrag en het misleidend en tactisch voorbeeld hebben aangericht.

U beschrijft verschillende vrouwen, waaronder Marie Adelheid Prinzessin Reuß zur Lippe, een achternicht van prins Bernhard. Ze was een fervent nazi‐activiste en racistisch propagandiste. Hoe kijkt u naar haar?

Misschien maakt het volgende mijn afkeer van deze militante mevrouw wat begrijpelijker; mijn Joodse neef heeft de hele oorlog in Amsterdam ondergedoken doorgebracht. Een beproeving die zijn leven lang bepalend bleef voor zijn manier van denken en voelen. Zo ook bij de Russische Marija Boldakowa die door haar huwelijk met mijn vaders broer mijn tante was geworden. Zij kon - zwaar getraumatiseerd – door jaren van terreur en dwangarbeid in het Derde Rijk maar kort van haar ‘westerse’ vrijheid genieten. Haar Russische liederen spelen nog altijd een rol in mijn herinneringen. Een Duitse oom keerde niet terug van het Russische front. Gezien de diepe wond die de bezetting en Holocaust geslagen hebben, is het begrijpelijk dat namen ook nu nog kunnen irriteren. Die pathetische obsessie om het Ariër-zijn, werd in de mond van mevrouw Reuss zur Lippe tot bezweringsformule of kreeg de betekenis van een heiligverklaring, zo van: “horen jullie wel hoe zuiver ik ben?”

De titel van een van de hoofdstukken is “Niemand wist in welke werkelijkheid zij verstrikt zouden raken”. Wat bedoelt u hiermee?

Je start bijvoorbeeld een carrière maar wie kan vooraf weten hoe het verloop zal zijn? De buurlanden keken met jaloezie naar het Duitsland dat onder Hitler de teugels zelf krachtig in de hand nam en op vele terreinen een voorbeeld voor durf en vooruitgang werd. Desondanks hield iedereen zijn kaarten bedekt uit een houding die voortkwam uit de onverwachte vernedering van 1918 en de navolgende tijd van Weimar. Ook was, zelfs bij de lezers van Mein Kampf, niet precies bekend in welke richting de nazi’s zich zouden ontplooien. De Hochadel echter – met duizend jaar regeringservaring - kon en wilde niet leven met het idee dat zij voorgoed uitgeschakeld waren. Ze zochten nagenoeg blind zijnde bij de nazi’s compensatie voor het verlies aan macht.

Is er een nog niet genoemde persoon die u bespreekt in uw boek en die u graag hier onder de aandacht brengt?

Bepaalde mensen zijn moeilijk uit de herinnering te wissen. Hierbij denk ik aan de tweede zoon van bovengenoemde Hertog van Coburg, prins Hubertus (1909-1943), die een grote hekel had aan de nazistische bombast en pas in 1939, na een niet meer te ontlopen ‘bevel’ van zijn vader, zich aansloot bij de NSDAP. Hij weigerde ook nadien de Hitlergroet te brengen. De prins was homoseksueel hetgeen in de ogen van Reichsführer-SS Heinrich Himmler een staatsondermijnende betekenis had gekregen en voor ontelbaren op den duur dan ook een smadelijk doodsoordeel inhield. Hoge nazi’s die zich met deze ‘misdaad’ inlieten werden bewust aan het front in de voorste rij ingezet, om zo zeker te zijn van een spoedig sneuvelen.

Het gezin van Karl Eduard en Victoria Adelheid. Hubertus is de jongen links. Bron: Bundesarchiv, Bild 183-R14326 / CC-BY-SA 3


Hubertus was een ervaren Luftwaffe-vliegenier en stortte eind november 1943 met een Henkell neer bij Welyki Mosty in Oekraïne. De officiële versie is tegenstrijdig met een andere die over een neerschieten door de Sovjets spreekt. Volgens een familielid ging het om een zogenaamd genadig uitwissen van Hubertus’ leven wat verder gezichtsverlies voor zijn nazi-vader moest voorkomen. Hierbij valt de vergelijking te maken met de ‘Nacht van de lange messen’, toen Hitler – met eigen inzet – de homoseksuele kliek van SA-Führer Ernst Röhm in 1934 liet vermoorden.

Hoe verging het de door u beschreven personen over het algemeen na de oorlog? Volgde er rehabilitatie of werden ze met de nek aan gekeken? Hoe werd er binnen het Nederlandse koningshuis omgegaan met ‘foute’ familieleden?

Ze onttrokken zich zoveel als mogelijk aan iedere vorm die publiciteit meebracht en verkozen ook verder de anonimiteit op een of ander afgelegen kasteel. Er was overigens ook voor hen werk aan de winkel. Anderzijds behoort een en ander tot de strikte privézaken. Zo ook bij Wilhelmina en Juliana die de geheimen van deze zo Duits doordrenkte familie met allerlei regelgeving en trucs uit het zicht hielden, zelf zó afgeschermd dat zelfs betrouwbare biografen de vinger niet op een of andere zere plek durfden te leggen. Wilhelmina’s uitspraak dat ze de balling in Doorn, keizer Wilhelm II, niet meer zou willen zien, geloof ook ik ook om die reden voor geen woord.

Juliana was verzot op haar ooms en tantes Mecklenburg, vooral de befaamde broer van prins Hendrik, Adolf Friedrich, was zeer geliefd en liep geregeld op Het Loo in en uit. Ook Wilhelmina waardeerde haar zwager zeer en bleef ook na de bezetting van ons land in contact met hem. Dit intelligente heerschap kende de duistere kanten van zijn ‘pappenheimerfamilie’ en zal in het midden van de oorlog, toen de Oranjes de contacten afbraken, van de nodige repliek hebben voorzien. De Mecklenburgers verloren overigens al hun goederen en bezittingen bij de opdeling van Duitsland in een Oost en West. Verarmd zochten ze toevlucht bij verwanten in het westen. Het enig kind van Adolf Friedrich, de in 2019 op 101-jarige leeftijd overleden Woizlawa-Feodora (getrouwd met een Prinz Reuss), vertrouwde mij (1986) wel toe dat ze in de bittere naoorlogse jaren – met vier kleine kinderen – bij Wilhelmina had aangeklopt om hulp in de vorm van levensmiddelenpakketten. Op haar vraag kreeg ze van een hoffunctionaris, namens de ‘allerchristelijkste’ koningin, een bikkelharde weigering.

Waarom heeft u uw boek opgedragen aan Alice Ankarcrona (1889‐1985), de echtgenote van aartshertog Karl Albrecht van Oostenrijk? Wat was zij voor iemand?

Toen ik mij meer en meer bewust werd wat het Hitlerregime had aangericht en hoe nagenoeg de hele Duitse Hochadel op de knieën was gegaan voor de Führer was ik ontzet over het gebrek aan oppositie of verzet tegen zijn dictatuur. Door een beschikking van het lot kreeg ik via-via enkele bijzonderheden te horen over de mij totaal onbekende en uit de Zweedse hofadel stammende Alice Ankarcrona (1889-1985). Ze had al een tragisch ten einde gekomen huwelijk – waaruit een zoon werd geboren – achter de rug met een Poolse graaf-diplomaat om na zijn dood (1916) in 1920 te hertrouwen met de Habsburger Karl Stefan.

Alice en Karl Stefan woonden in de stad Zywiec (Galicië). Ze spraken met hun vier kinderen en de bevolking niet alleen Pools, maar de aartshertog beheerste ook het Jiddisch. Ze voelden zich als Polen en werkten op hun manier mee aan de opbouw van het land. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en Polen in 1939 te maken kreeg met de nazi-agressor, stak de aartshertog zich in Pools legeruniform en maakte Alice haar eerste contacten met het ondergrondse verzet. Haar man werd, na zijn weigering zijn loyaliteit aan Polen op te geven, gevangen gezet. Alice sloot zich als koerier aan bij het intussen geformeerde verzetsleger Armia Krajowa (het Poolse Thuisleger). Ze verstopte wapens en luisterde onder andere naar Engelse radio-uitzendingen en gaf dan berichten door aan haar kompanen. Haar activiteiten konden niet geheim blijven. Himmler wendde zich zelfs tot de Führer om aan haar vrijheid een einde te maken.

Alice werd in oktober 1942 gearresteerd en als dwangarbeidster op bieten- en aardappelvelden tewerkgesteld in concentratiekamp Straussberg. De vrijheid zou ze pas weer leren kennen toen de Amerikanen haar bevrijdden. Het verlies van al hun Poolse bezittingen – ook die van haar eerste man – werd onder het communistische regime een blijvende zaak. Het moedige voorbeeld van Alice riep meer dan alleen maar bewondering bij me op. Na een korte briefwisseling ben ik haar in Stockholm gaan bezoeken waaruit een – tot aan haar dood in 1985 – blijvende vriendschap ontstond die in zekere zin een bekroning kreeg toen ze mij in 1975 in Den Haag kwam bezoeken.

Het boek bestellen?
Het boek ‘Heil, Heil, Sieg Heil’ voor de Führer verschijnt in beperkte oplage en is bij de auteur te bestellen voor € 19,50 (excl. verzendkosten). De contactgegevens vindt u op zijn website.

Gebruikte bron(nen)

  • Bron: Lou Heynens / TracesOfWar
  • Gepubliceerd op: 12-12-2022 20:20:39