De ontwrichtende uitwerking van een kamp op een dorp

Boyd van Dijk won vorig jaar de Erik Hazelhoff Jong Talentprijs voor zijn scriptie over Kamp Vught en hoe de inwoners van Vught daar mee omgingen. Die prijs houdt in dat de scriptie in kwestie wordt uitgebracht als publieksboek. En dat boek, Leven naast het kamp, is nu verschenen.

De Erik Hazelhoff Prijs wordt tweejaarlijks toegekend in twee categorieën: de Biografieprijs en de Jong Talentprijs. Vorig jaar werd in die laatste categorie Boyd van Dijk als winnaar aangewezen. Het is overigens toeval dat een naar de als Soldaat van Oranje bekend staande verzetsstrijder Erik Hazelhoff Roelfzema vernoemde prijs wordt toegekend aan een masterscriptie met een episode uit de Tweede Wereldoorlog als onderwerp. “De winnaar van deze prijs ontvangt een auteurscontract (voor publicatie van de scriptie in geredigeerde vorm) bij uitgeverij Unieboek | Het Spectrum en een geldprijs van €5.000,-“, zo valt te lezen op erikhazelhoffprijs.nl. Afgelopen maandag, 9 september 2013, reikte Boyd van Dijk het eerste exemplaar van zijn boek Leven naast het kamp uit aan voormalig commandant der Nederlandse Strijdkrachten Dick Berlijn, lid van het comité van aanbeveling van de Erik Hazelhoff Roelfzema Stichting.

Van Dijk werd in 1987 in Breda geboren. Hij studeerde geschiedenis en politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en aan Columbia University in New York. In 2010 studeerde hij af op zijn scriptie Leven in de schaduw van een kamp. Konzentrationslager Herzogenbusch in Vught, 1942-1944, waar hij zoals vermeld de Erik Hazelhoff Jong Talentprijs voor kreeg. Weer een jaar later volgt dus de boekversie van deze scriptie, geredigeerd om voor een breder publiek toegankelijk te zijn. Want, zo schrijft de stichting, “het toegankelijk maken voor een breed publiek van belangwekkend wetenschappelijk onderzoek kan een belangrijke bijdrage leveren aan het begrip van samenleving.” Dat verklaart ook de aangepaste titel: Leven naast het kamp – Kamp Vught en de Vughtenaren 1942 – 1944.

“Ik heb de nodige tijd voor uitgetrokken om er, conform de opdracht, een echt publieksboek van te maken. Ik wil ook graag dat dit boek een groot publiek bereikt. Niet voor mezelf, maar voor de getuigen en nabestaanden, omdat hun verhaal een groot publiek verdient”, aldus Van Dijk.

Hoe is dit onderwerp eigenlijk op je pad gekomen?

“In 2010 volgde ik de masterstudie Holocaust- en Genocidestudies, waarin uiteraard de geschiedenis van de Holocaust besproken werd. We voerden tijdens colleges ook discussies over wat gewone burgers eigenlijk over het lot van de Joden wisten. Daarbij stelde ik mezelf de vraag: hoe zit het met mensen die dicht op de Jodenvervolging zaten zonder er onderdeel van uit te maken? Het lag voor de hand om die vraag los te laten op een kamp in eigen land. Van de bekende kampen was vooral Vught interessant omdat het een enerzijds doorgangskamp was van waaruit met name Joden naar Duitsland en Polen werden gedeporteerd, vaak via Westerbork. Tegelijk was het een klassiek SS-concentratiekamp met een typische eigen samenleving, zoals we dat kennen van Duitse kampen als Dachau. Vught is interessant omdat beide werelden, het dorp en het kamp, samensmolten. Die interactie wekte mijn belangstelling en komt ook sterk in mijn boek naar voren.”

Wat vind je zelf zo interessant aan oorlog in het algemeen en een verhaal als dat van Vught in het bijzonder?

“Met name de ambigue rol die omstanders spelen maakt het ongelooflijk interessant. Anders dan daders en slachtoffers vormen omstanders echt de rafelranden van de geschiedenis. Die dubbelzinnigheid komt in oorlogssituaties nog het sterkst naar voren. Wat doe je als gewone burger als je honderden Joden afgevoerd ziet worden? Grijp je in of kijk je de andere kant op? Dat soort gewetensvragen en hoe mensen daar mee omgaan, dat vind ik erg interessant.”

Geef je daar dan ook een oordeel over? Of vind je dat niet de functie van een historicus?

“Het boek zet mensen niet in een bepaalde hoek van goed of fout, dader of slachtoffer. Maar het is ook geen boek geworden waarin de grijsheid van het verleden wordt benadrukt, zoals de laatste jaren veel gebeurt. Ik heb eigenlijk gewoon het sociale en culturele verhaal van een dorp in kamptijd willen vertellen. Mensen mogen het boek lezen en op basis daarvan Vught helemaal niets vinden, of juist een fantastisch dorp. Maar dat oordeel is aan de lezer.”

Hoe ben je in je onderzoek te werk gegaan, was het ook mogelijk het archiefonderzoek met interviews aan te vullen?

“Uiteraard heb ik uitgebreid archiefonderzoek verricht. Ik heb strafdossiers doorgenomen, maar bijvoorbeeld ook de toenmalige busdienstregeling. Daar kon ik uit afleiden dat de bus op zeker moment, toen in augustus 1944 de massa-executies begonnen, niet meer naar het naast het kamp gelegen binnenmeertje De IJzeren Man reed. Ook zulke schijnbaar nietszeggende details geven een beeld van de ontwrichtende uitwerking die zo’n kamp op de dorpssamenleving had. Daarnaast heb ik met getuigen en nabestaanden gesproken. Dat is een heel andere manier van werken dan archiefonderzoek: het kan soms ontroerend zijn, maar het levert ook vaak ‘lastige’ informatie op. Iemand kan mij een verhaal vertellen, maar in hoeverre is dat in de afgelopen zeventig jaar gekleurd of vertekend geraakt? Dat is overigens een probleem waar elke historicus die zich met oral history bezighoudt tegenaan loopt. Wat ik heb gedaan is proberen de geschreven bronnen te incorporeren in de informatie die ik kreeg van circa dertig getuigen en nabestaanden. Vught is geen klein dorp, maar wel zodanig overzichtelijk dat iedereen ongeveer weet wie iedereen is. Die betrekkelijke anonimiteit waar zelfs in oorlogstijd sprake van was in de grote stad gold in Vught dus niet. Dat alles stelde mij in staat een mooie schets te maken van een dorp in kamptijd.”

Was het al met al een moeilijk of een betrekkelijk makkelijk onderzoek?

“Het is in zekere zin altijd lastig om met getuigen en nabestaanden te praten. Mensen kunnen de neiging hebben het gedrag van hun ouders goed te praten of af te zwakken. Zo heb ik gesproken met de zoon van een NSB-korpschef. Bij deze man merkte ik dat er sprake was van een dubbele loyaliteit: zowel aan zijn vader als aan zijn eigen geweten. Hij nam afstand van zijn vaders misdaden maar wilde tegelijkertijd een menselijk beeld van hem schetsen. Dat maakt het heel lastig om zo iemand goed te benaderen en tegelijkertijd te begrijpen wat er in dat gezin is gebeurd en hoe die vader tot zijn misdaden is gekomen. Het is mijn taak als historicus en schrijver om dat alles in de juiste context te plaatsen en te duiden.”

Bevat het boek ook verhalen over de andere kant van die medaille?

“Zeker. Zo gaat één hoofdstuk over hulpverlening aan Kamp Vught. Een groep van met name vrouwen was heel druk bezig met goederen inzamelen en hulppakketjes maken voor de gevangenen, teneinde hun bestaan in de eerste maanden in het kamp ietwat te verlichten. Want die eerste maanden gevangenschap werden vaak niet overleefd, en de hulppakketten hielpen hen toch overleven. Het probleem was echter dat men door die pakketten af te leveren zelf onderdeel werd van een misdadig systeem. Het is het dilemma van iedere hulpverlener in een conflictgebied: om bij slachtoffers te komen moet je met de daders praten, anders krijg je nooit toegang. Maar dat kan ertoe leiden dat niet alleen de slachtoffers, maar ook de daders profiteren. Zo confisqueerde de SS, net als enkele Vughtse zwarthandelaren, vele pakketjes en konden ze bovendien de beter doorvoede gevangenen harder laten werken. De pakketten ontregelden zo niet het kampsysteem, maar ze hielden het eigenlijk in stand. Ondanks al die problemen en dilemma’s gingen deze mensen vaak toch door met hun hulpverlening.”

Feit is dat je nu 26 bent en ten tijde van je onderzoek nog een stuk jonger. Heeft dat nog problemen met zich meegebracht in de interviews?

“In het begin merkte ik wel dat een enkeling mij als historicus niet helemaal serieus nam. Dan werden er bijvoorbeeld verhalen opgehangen waarvan ik gewoon wist dat ze niet konden kloppen. Maar omdat ik gericht en zorgvuldig bleef doorvragen over wat toch de geschiedenis van hun eigen dorp is, en liet merken namen, straten en andere gegevens te kennen, sloeg dat in die paar gevallen vrij snel om. Sterker nog: veel mensen waren blij dat er interesse voor dit verhaal was. Menigeen had zelfs nog nooit iets over deze periode verteld, aan wie dan ook.”

Dat is opvallend vaak zo: mensen gaan pas praten als iemand er decennia later specifiek naar komt vragen.

“Uit al die verhalen blijkt dat Kamp Vught voor de Vughtenaren geen ver-van-mijn-bedshow was, maar iets dat tussen leden van dezelfde familie of hetzelfde gezin in kwam te staan. Zo komt in het boek het verhaal aan bod van een vrouw die een relatie onderhield met een Oostenrijkse SS’er die allerlei misdaden pleegde, terwijl haar ene broer in het kamp werkte en een andere broer er zelfs een tijdje gevangen heeft gezeten. Maar in het gezin werd daar niet over gesproken. En dus blijkt zeventig jaar na dato dat hun kinderen en kleinkinderen best belangstelling voor de periode hebben maar de verhalen van hun ouders en grootouders nu pas voor het eerst leren kennen.”

Hoe reageerden de betrokken mensen op hun verhalen zoals jij die hebt opgeschreven?

“Het boek is natuurlijk nu pas net uit, dus de reacties moet ik grotendeels nog afwachten. Destijds heb ik wel de scriptie naar diverse mensen gestuurd. Sommige mensen zijn benieuwd naar hun verhaal en dat van anderen, anderen hebben zich uitgesproken en hebben daar genoeg aan; zij hoeven het niet meer te lezen. Vooralsnog heb ik echter weinig reacties gekregen. Wel is er een reactie gekomen vanuit Nationaal Monument Kamp Vught. Daar heb ik als jonge en onafhankelijke onderzoeker weinig mee samengewerkt en vanuit die hoek was er wel wat ongenoegen omdat ik wat kritische kanttekeningen plaatste bij hun tentoonstelling over hetzelfde onderwerp. Maar de reacties op het boek zelf moet ik nog even afwachten.”


Gebruikte bron(nen)

  • Bron: Vincent Krabbendam (STIWOT)
  • Gepubliceerd op: 11-09-2013 19:31:34