De tijd slijt de scherpe kantjes van het foute verleden af

    In 2019 verscheen de roman “Hard zijn” van Chris Reinewald. In dit boek worden de ervaringen van een NSB-gezin, tijdens en na de oorlog, alsook de denkwijze van de beschreven NSB’ers, omschreven. De gevolgen van de keuzes die gemaakt zijn, spelen een belangrijke rol. Na de oorlog moet men zwijgen over het “foute” verleden om zo goed en zo kwaad mogelijk mee te kunnen draaien in de maatschappij. We stelden de auteur via e-mail enkele vragen over zijn boek.

    NSB’ers colporteren met Volk en Vaderland, Amsterdam. Maker onbekend.


    Uw roman draait om het Amsterdamse NSB-gezin Waldeneck, bestaande uit vader Frits, moeder Leen en zoon Frits. Het verhaal is echter gebaseerd op historische feiten en op uw eigen familieverleden. Leen is uw grootmoeder, van vaders kant. Wilt u iets toelichten over deze overlapping tussen fictie en werkelijkheid of heeft u er juist bewust voor gekozen om uw persoonlijke betrokkenheid enigszins verborgen te houden?

    In verhouding zit er juist weinig fictie in. Het project begon als non-fictie. Probleem was echter dat ik te weinig “harde feiten” kon vinden. Dan krijg je formuleringen als “het zou zo maar kunnen dat…”. Dat werkte niet. Over Leens verleden is mij niets meer feitelijks bekend dan de niet aangekomen brief aan haar (die ze dus ook nooit gelezen heeft). Verder is er letterlijk een snippertje papier uit het NIOD waarop haar naam op een passagierslijst vanuit KDF-Stadt (Wolfsburg) voorkomt, met de gestempelde aantekening ‘Asozial’ en ‘Arbeitsunfähig.’ Vergelijkbare belevenissen die haar overkomen in het boek heb ik gedistilleerd uit verhalen van mensen die hetzelfde meemaakten. Erg bruikbaar waren Zonneke Mathée’s uitstekende onderzoekboeken over de veelal meer sociaal dan politiek georiënteerde vrouwen binnen de NSB.

    Doordat Frits zich nogal roerde zijn er getuigenissen over zijn wangedrag in zijn CABR-dossier bewaard gebleven, wat de ruggengraat van het verhaal is gaan vormen. CABR (Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging) is het justitieel archief met dossiers van berechte collaborateurs in Den Haag, dat echter pas in 2000 voor gewoon publiek openging. Ik ben overigens van 1955 dus dat beperkt mijn feitelijke betrokkenheid. Daarbij heb ik als jongere, die weliswaar van geruchten het een en ander wist, nooit hierover met de betrokkenen gesproken. Het was een non-issue.

    U bent van oorsprong beeldend kunstenaar en schrijft daarnaast voor kranten en tijdschriften over onder meer kunst en fotografie. Een roman schrijven was nieuw voor u. Wanneer bent u op het idee gekomen om dit boek te gaan schrijven, waardoor werd u gemotiveerd?

    Na mijn eerste onderzoek uit privé-nieuwsgierigheid heb ik het verhaal angstvallig onder mij gehouden. Tegelijkertijd stoorde ik mij aan het feit dat altijd de politiek correcte feiten worden verteld. Waar de NSB’ers op Dolle Dinsdag heengingen lees je vrijwel nergens. Ze gingen naar Duitsland, midden in de oorlog. Dat is toch te gek voor woorden? Vluchten naar oorlogsgebied, naar de bezetter? Waarom? Toen ik de mogelijkheid kreeg een journalistiek verhaal over deze aspecten van Dolle Dinsdag voor Historisch Nieuwsblad te maken, heb ik dat – onder pseudoniem – gedaan. Nadat hij mijn ingeleverde artikel had gelezen zei hoofdredacteur, wijlen Frans Smits, blij te zijn met het uitstekende verhaal. Ook vertelde hij dat hij erg had moeten lachen om de oorspronkelijke citaten uit de brief van de latere Frits in het boek. Daar keek ik van op. Ik besefte toen dat het door mij zo gevreesde verhaal ook zwart-humoristische kantjes in zich droeg, wat geschikt is voor een romanvorm. Er lag nog zoveel moois aan documentatie wat niet in een artikel paste.

    Dolle Dinsdag, spotprent 1944. Maker onbekend.

    Waarom heeft u ervoor gekozen om een verhaal in romanvorm te schrijven? U had bijvoorbeeld ook kunnen kiezen voor een meer journalistieke benadering.

    Zie boven. Daarbij bestaat er – naar mijn weten – nog geen NSB familieroman. Wat er aan non-fictie of journalistiek over dit onderwerp uitkomt verschijnt is veelal het op zich boeiende verhaal van de confrontatie, acceptatie en/of onbegrip van de persoonlijke Vergangenheitsbewältigung, zoals het “in-het-reine-komen-met-je verleden” zo mooi compact in het Duits heet. Die invalshoek schept ook een veilige afstand, die ik uiteindelijk niet ambieerde. Met een roman dwing je jezelf (en zo de lezer) in het hoofd van de personages te zitten. Daardoor maak je het verhaal veel puurder, vind ik. Bij het lezen van de prachtige journalistiek geïnspireerde romans van Hans Fallada (‘Kleiner Mann, was nun?’ En ‘Jeder stirbt für sich Allein’) over Duitsland tussen 1920 en 1945 viel het kwartje: zo kon het ook.

    Ondanks dat uw boek een roman is, heeft u uitvoerig onderzoek gedaan. U raadpleegde onder andere het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging en bezocht ook Duitse locaties en archieven. Heeft u tijdens uw onderzoek veel ontdekt wat u nog niets wist en hoe heeft u dit ervaren?

    Ik heb behoorlijk veel ontdekt, wat begon met archiefonderzoek achter de computer. Later ben ik naar een regio-archief in Duitsland gereden. Ik werd er geholpen door lieve archivarissen. Eén ervan zei dat mijn oma nu nog recht had op betaalde sociale lasten tijdens haar werk in Kdf-stadt en schoof mij een formulier toe. Ik zei dat ze al sinds 1978 niet meer leefde. Verder hielpen ze mij aan nog steeds bestaande adressen. Op een ervan, het pension in het verhaal, woonde zelfs een aangetrouwde achternicht die mij wat kon vertellen. Verder deed ik onderzoek in het archief van de lokale krant, waarin je leest hoe de vluchtelingen werden ontvangen en ook dat het zo’n warme zomer was geweest waardoor de aardappels vroeg geoogst moesten worden. Een essentieel feitje: want dat was het werk waarvoor de Nederlanders aanvankelijk waren ingezet. Heel veel vond ik ook níet: ik stuitte op lege ladekasten in het archief van Hannover, de archiefstukken waren verdwenen voorafgaand op de komst van de geallieerden.

    De titel van uw boek verwijst ook naar de termen “goed” en “fout”, die na de oorlog het debat voor een groot deel bepaalden. Pas sinds recent is er iets meer nuance gekomen in de discussie over het NSB-lidmaatschap. Wat is uw kijk hierop? De hoofdpersoon, vader Frits Waldeneck, komt nogal over als het stereotype van de “foute” NSB’er. Ziet u hem als representatief voor een groot deel van de NSB’ers?

    Er waren – begrijp ik – verschillende types NSB’ers, meestal de bedreigde middenklasse: ambtenaars, kleine winkeliers, Drentse boeren, verder permanent ontevredenen zoals die er ook nu zijn. Mede door films als ‘Das weisse Band’ (2009) van regisseer Michael Haneke herken ik bij Frits een meer Pruisische soldatenmentaliteit. Hard zijn! Hij koesterde zijn Duitse afkomst (eigenlijk was hij van Moravische komaf, onderdeel van Donau-dubbelmonarchie). In werkelijkheid heeft hij nooit aan militaire acties deelgenomen. Hij droeg graag een uniform. Zijn hoogtijdagen waren in Indië waar hij de baas kon spelen over “inlanders”. Daarbij was hij weinig diplomatiek en dacht hij niet aan zijn carrière. Hij joeg zijn meerderen tegen zich in het harnas en werd door zijn gelijkhebberigheid en ruziezoekerij bijna uít de NSB gegooid!

    Uw boek speelt zich in een tijdsbestek van 1940 tot 1979. Met welke problemen krijgt de familie Waldeneck na de oorlog te maken en hoe komen deze overeen met die van andere oud-NSB’ers?

    Ik denk dat ze vergelijkbare problemen ondervonden. Over je NSB-verleden praten en oude kameraden opzoeken werd de eenmaal gestrafte leden sterk afgeraden. Je moest je conformeren aan de officiële geschiedschrijving en beleving daarvan. En dat deed je om er weer onopvallend bij te horen. Door de affaires Menten (oorlogsmisdadiger) en Aantjes (meeloper) is het beeld over collaboratie gaan kantelen. Anders dan in Vlaanderen (bekijk die fenomenale tv-reeks over collaboratie op VRT) heeft ons land na 1945 niet echt nationaalsocialistische partijen meer gehad.

    Tribunaal voor collaborateurs te Amsterdam, in het gebouw waarin het huidige NIOD is gevestigd. Maker onbekend.

    Wat deed het onderzoek en het schrijven met u? Was het vooral confronterend of bent u juist opgelucht dat u eindelijk iets heeft kunnen doen met dit onderwerp dat u misschien vanwege uw familieverleden dwars gezeten heeft?

    Ofschoon het onderwerp mij privé interesseert reken ik mij absoluut niet tot de “lotgenoten”, de “kinderen-van”. Ik wilde een ander verhaal vertellen in de canon van al de politiek correcte verhalen. Uiteraard was ik bang dat met name Frits zich bemoeid zou kunnen hebben met het oppakken van Joden. Het bizarre is echter dat hij de namenlijst van Joden in zijn wijk nooit verstuurd heeft en dit als bewijsstuk op zijn rechtszaak heeft gediend.

    Vindt u het belangrijk dat we 75 jaar na de oorlog nog steeds nadenken over collaboratie en hier aandacht aan besteden en zo ja, waarom? U zult vast ook mensen tegengekomen zijn die dit onderwerp liever voorgoed zouden laten rusten.

    De tijd slijt de scherpe kantjes van dit foute verleden af. Maar dat bij 4-5 mei nu het verleden wordt terug gebracht met weer diezelfde speelfilms en zelfs een musical… dat vind ik wel heel oppervlakkig. Op het Spinoza Lyceum, met veel liberaal Joodse leerlingen en docenten, had ik geschiedenisles van meneer Bloemgarten. Hij was Joods en zijn broer was na de overval op het Bevolkingsregister gefusilleerd. Maar daarover had hij het nooit. Wel schetste hij ons de omstandigheden waaronder het nationaalsocialisme postvatte in de crisisjaren. Hij kweekte een soort begrip. Hij liet ons discussiëren over de toen aankomende vrijlating van de drie, later twee van Breda, oorlogsmisdadigers. Een Joods klasgenootje zei: “Laat ze maar lekker vrij. Dan maken wij ze wel af.” Ik gun iedereen zo’n geschiedenisleraar als Salvador Bloemgarten, die gelukkig heel oud is geworden. Wijs was hij al jaren.

    Hard zijn
    ISBN: 9789491738579
    Meer informatie over dit boek
    Bestel nu bij Bol.com
    Hard zijn


    Gebruikte bron(nen)

    • Bron: TracesOfWar.nl / Chris Reinewald
    • Gepubliceerd op: 23-11-2019 20:01:57