De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Inleiding

Inleiding
De Supermarine Spitfire staat bekend als het meest legendarische vliegtuig van de Tweede Wereldoorlog. Haar naam is onlosmakelijk verbonden met de heroïsche strijd van de Britse Royal Air Force tijdens de Slag om Engeland. Het valt te betwisten of deze rol wel is weggelegd voor de Spitfire. Echter, dat het toestel wereldberoemd is geworden mag als een feit worden beschouwd. Alhoewel de Spitfire tot één van de beste vliegtuigen uit de Tweede Wereldoorlog kan worden gerekend, wordt de rol tijdens die slag om Engeland veelal zwaar overdreven. In de beginfase had de RAF namelijk slechts de beschikking over een handvol Spitfires. De meeste squadrons waren nog uitgerust met de oudere Hawker Hurricane en Boulton-Paul Defiant jagers. Desalniettemin is de Spitfire vaak de belichaming van de kracht, vastberadenheid en moed waarmee de RAF piloten de grote druk van de Duitse aanvallen wisten te weerstaan.

De Spitfire was een veelzijdig en eenvoudig aan te passen vliegtuig, waarbij verouderde types eenvoudigweg weer konden worden aangepast en zo tot het eind van de oorlog zich konden blijven meten met de beste Duitse en Japanse vliegtuigen. Het toestel was voor beginnende piloten moeilijk te vliegen. Vooral bij het opstijgen en landen verongelukte menige Spitfire. Eenmaal wat ervaring opgedaan was iedere piloot zeer tevreden. Het was een robuust vliegtuig dat wel tegen een stootje kon. Het kon zonder problemen harde landingen doorstaan, waardoor het dan ook veelvuldig werd ingezet op vliegvelden waar de landingsbanen niet al te vlak waren aangelegd. Hierdoor was de Spitfire ideaal voor op ruwe en oneffen startbanen, zoals er velen in het Middellandse-Zeegebied waren

De Spitfire werd ontworpen door Reginald Joseph Mitchell. Deze op 20 mei 1895 geboren vliegtuigontwerper was op 16-jarige leeftijd van school gegaan en in dienst getreden als leerling-tekenaar bij de locomotieffabriek Kerr Stewart & Co in Stoke. In 1917 stapte hij over naar de Supermarine Aviation Works, waarbij hij al in 1918 werd aangesteld als hoofdontwerper. In die periode was Supermarine een fabrikant van watervliegtuigen. Vanaf de tijd dat Mitchell de scepter ging zwaaien over de ontwerpafdeling, begon het bedrijf zich te richten op de Schneider Trophy, die tot dan werd gedomineerd door de Italianen. Voor de wedstrijd van 1922 maakte Mitchell een ontwerp op basis van de Supermarine Sea King II met een 450 pk sterke Lion motor en noemde het de Sea Lion II. Met piloot Henri C. Baird aan de stuurknuppel won het toestel dat jaar de Schneider Trophy. In 1925 kreeg de deelname steun van het Britse Luchtvaartministerie (Air Ministry), door de oprichting van een Service High Speed Racing Team. Supermarine kreeg de opdracht een geheel nieuw racevliegtuig te ontwerpen. Mitchell ontwierp een nieuw toestel op basis van de pas verongelukte Supermarine S.4. Het toestel kwam gereed in 1927 onder de naam Supermarine S.5 en zou als voorloper gaan dienen voor de Supermarine Spitfire. Uiteindelijk wonnen de Britten met een verbeterde versie, de Supermarine S.6B in 1931, wederom de Schneider Trophy.

Afbeeldingen

Supermarine Spitfire Bron: Canadian Air Force.
R.J. Mitchell Bron: Vickers-Supermarine.
Supermarine S6B Bron: Vickers-Supermarine.
De Supermarine fabriek Bron: Vickers-Supermarine.

Ontwikkeling

Ontwikkeling
Aangestoken door het succes werd het team van Mitchell door het Air Ministry uitgenodigd om mee te doen aan de strijd voor het ontwerpen van een jachtvliegtuig voor de RAF volgens de specificaties F7/30. De Air Ministry Specification F7/30 was opgesteld ter vervanging van de Bristol Bulldog. Het vroeg om een toestel bewapend met vier 0.303 inch (7,7 mm) mitrailleurs, een geheel metalen constructie en een goed uitzicht voor de piloot.
Mitchell diende hiertoe het ontwerp Type 224 in op 20 februari 1932.

Type 224
Pas na het toepassen van vele verbeteringen kreeg hij in september 1933 de toestemming om zijn ontwerp te produceren. De Type 224 was een laagdekker met geknikte vleugel, geheel metalen constructie en vast onderstel. Gealarmeerd door de ontwikkelingen in Duitsland besloot Mitchell zijn door kanker verzwakte gestel volledig in te zetten in het ontwikkelen van het jachtvliegtuig en een viermotorige bommenwerper, Type 317. De Type 224 werd als prototype gebouwd onder contract No 189222/32 en kreeg registratienummer K2890. Het prototype van de Type 224 vloog voor het eerst op 19 februari 1934 met aan de stuurknuppel Vickers en Supermarine-testpiloot Mutt Summers. Het toestel voldeed totaal niet aan de specificatie-eisen. Ondanks enkele verbeteringen onder Specification 425a werd het ontwerp afgekeurd door het Air Ministry. De specificatie werd gewonnen door Gloster met de Gloster SS37, die zou worden geproduceerd als Gloster Gladiator.

Technische gegevens:

  Model: Supermarine Type 224
  Taak: Jachtvliegtuig
  Bemanning: 1
  Afmetingen: Spanwijdte: 13,97 m
Lengte: 9,09 m
Hoogte: 2,59 m
  Gewicht: Leeggewicht: 1552 kg
Geladen gewicht: 2151 kg
  Prestaties: Max. snelheid: 370 km/u
  Motor: Rolls Royce Goshawk met een maximum vermogen van 660pk
  Bewapening: vier 0.303 inch (7,7mm) machinegeweren
  Productie: 1 stuks

Type Constr.nr Registratie Aflevering Gebruik
224 K2890 19-02-1934 ?

Type 300
Michell bleef zijn ontwerp echter aanpassen en ontwierp een nieuw toestel met dunnere, elliptische vleugels, dichte cockpit en een kleinere spanwijdte. Met nog enkele andere wijzigingen werd dit ontwerp Type 300. Met als aandrijving een nieuwe Rolls Royce Merlin PV-12 motor was het Air Ministry onder de indruk en tekende het op 3 januari 1935 een contract met als specificaties F37/34 als appendix aan de F7/30 specificatie. Het prototype werd besteld onder contractnummer 361140/30/C.4(a). Ondertussen waren op basis van de ervaringen en ontwikkelingen in de luchtvaarteisen de specificaties aangepast. Het toestel diende nu over maar liefst een standaardbewapening van acht 0.303 inch mitrailleurs te beschikken. Mede hierdoor en door de ervaringen met Type 224 werd door Mitchell besloten om een geheel nieuw vleugeltype te gebruiken.

Mitchells rechterhand, Joseph Smith, ontwierp de karakteristieke ellipsvormige vleugel. Vanaf april 1935 was een houten model van de Type 300 voorradig en vanaf juni werden schaalmodellen getest in de windtunnel te Farnborough. Tegen maart 1936 was het prototype, de K5054, gereed met grondtests en de noodzakelijke inspecties. Met het Aeronautical Inspection Directorate's Certificate op zak was het toestel gereed voor haar eerste vlucht. Aangenomen wordt dat de eerste vlucht plaatsvond op 5 maart 1936. Als piloot tekende wederom Mutt Summers. De diverse testvluchten verliepen boven elke verwachting. Op 26 mei 1936 kon het toestel worden overgedragen aan het Aeroplane and Armament Experimental Establishment te Martlesham Heath voor haar officiële testperiode. Het Air Ministry was zo onder de indruk dat men nog voor afloop van de officiële tests een contract tekende voor 310 toestellen op 3 juni 1936. Op 10 juni werd de naam Spitfire officieel toegekend. Het prototype werd helaas vernield bij een ongeval op 2 september 1939.

Mitchell overleed op 42 jarige leeftijd op 11 juni 1937. Zijn rechterhand Joseph “Joe” Smith nam het project toen van Michell over. Op basis van de vele tests werden nog kleine veranderingen aangebracht en op 4 augustus 1938 arriveerde het eerste productietoestel, de K9789 No. 19 Squadron te Duxford voor operationele dienst. De Spitfire, zoals het toestel toen al heette, had een nieuwe cockpitkap gekregen, dat meer uitzicht bood en karakteristiek werd voor de Spitfire.

Technische gegevens:

  Model: Supermarine Type 300
  Taak: Jachtvliegtuig
  Bemanning: 1
  Afmetingen: Spanwijdte: 11,48 m
Lengte: 9,12 m
Hoogte: 2,50 m
  Gewicht: Leeggewicht: 1805 kg
Geladen gewicht: 2381 kg, via 1923 kg naar 2467 kg in mei 1936
  Prestaties: Max. snelheid: 562 km/u
Plafond: 10790 m
  Motor: Rolls Royce Merlin C V-12 met een maximum vermogen van 990 pk, gevolgd door een Merlin 1045 pk en tenslotte een Merlin F van 103- pk
  Bewapening: acht 0.303 inch (7,7mm) machinegeweren
  Productie: 1 stuks

Type Constr.nr Registratie Aflevering Gebruik
300

K5054

26-05-1936

Aeroplane and Armament Experimental Establishment, vernield op 02-09-1939

Er verscheen een groot aantal versies Spitfires in diverse type-uitvoeringen. Vanaf de eerste Spitfire, de Mk I, kunnen we eerst drie en later vier versies onderscheiden aan het soort vleugel, welke was aangepast op de te voeren bewapening:
Type A: acht 0,303 inch Browning mitrailleurs
Type B: vier 0,303 inch mitrailleurs en twee 20 mm kanonnen
Type C: de universele vleugel, kon ieder bewapeningsversie voeren, met acht mitrailleurs, vier kanonnen of twee kanonnen en vier mitrailleurs.
Later werd hier nog een type E aan toegevoegd met twee kanonnen en twee zware Browning 0,50 inch mitrailleurs per vleugel. Ook werden bij verschillende versies vleugels uitgevoerd met afgeknotte vleugelspitsen, welke de Spitfire zo kenmerkend hadden gemaakt. Vooral de Spitfire V werd veelvuldig met afgeknotte vleugels van diverse typen uitgevoerd.

Afbeeldingen

Type 224 Bron: Onbekend (RAF?).
Type 300 Bron: Royal Air Force.

Spitfire Mk I

Spitfire Mk I
Aanvankelijk werd de Spitfire Mk I opgebouwd volgens Specification F.16/36 van 28 juli 1936. Hiermee werden de wijzigingen vastgelegd die werden toegepast op het prototype tijdens de testperiode. Om de piloot in staat te stellen landingspijlen te droppen bij noodgevallen, werden twee “chutes” geplaatst van 76,20 cm lang en met een diameter van 14,61 cm. Hieraan zaten twee rookpijlen. De brandstoftank onderin de romp werd vergroot met 41 liter en in de vleugels werd de mogelijkheid aangebracht om nog eens extra brandstoftanks te plaatsen van 41 of 55 liter. De vleugels werden verstevigd en uitgerust met standaard navigatielampen. De cockpit werd uitgerust met een bagagekast, moderner meetinstrumenten en werd voorzien van een cockpitkap met beter uitzicht. De Spitfire Mk I bleef overigens de fabriekstypering Type 300 houden.

Al snel volgde order op order. De productie startte in maart 1936 bij de Supermarine-fabriek te Eastleigh. De fabriek was echter totaal niet op massaproductie ingesteld en had de grootste moeite om de order af te handelen. Diverse onderdelen werden gemaakt door verschillende toeleveringsbedrijven. De eerste order (contract B527113/36) werd geplaatst op 3 juni 1936. Van deze eerste 310 toestellen werden er 309 afgeleverd. K9843 werd op de productielijn omgevormd tot een speciaal hoogsnelheidsproject (Type 323). De 310 werd echter toch vol gemaakt, doordat er een exporttoestel aan de bestelling werd toegevoegd voor de Franse luchtmacht. Het allereerste productietoestel, K9787, vloog voor het eerst op 14 mei 1938. Het tweede toestel (K9788) werd op 17 juli 1938 geleverd aan Rolls Royce voor de ontwikkeling van de Merlinmotoren.

Het eerste operationele toestel, de K9789, werd op 4 augustus 1938 geleverd aan No. 19 Squadron te Duxford. Tussen augustus en december 1938 werd dit Squadron als eerste volledig operationeel met de Spitfire Mk I. De levering bleef echter traag verlopen en eind 1938 waren nog maar 49 toestellen geleverd. Op 3 maart 1938 werd een order geplaatst voor 200 Mk I toestellen, die tussen september 1939 en januari 1940 werden geleverd. Hiervan werd één toestel (N3279) afgebouwd als prototype voor de Spitfire Mk III. Drie andere toestellen werden geleverd aan de nieuwe fabriek in Castle Bromwich om te dienen als voorbeeldtoestel voor de productie aldaar. Alle werden afgeleverd met de nieuwe Merlin III-motor. Hierna werden bij Supermarine nog orders geplaatst voor 200, 450, 450, 500 en 1100 en bij de Westland Aircraft Ltd, voor 300 Mk I's. Bij Westland werden slechts 50 toestellen geleverd als Spitfire Mk Ia en werden de overigen uiteindelijk afgebouwd als Spitfire Mk V. Van de Spitfire Mk I werden totaal 1556 toestellen afgebouwd voordat de productie geheel overging op nieuwere typen. Volgens de productietabellen zouden er echter 1577 toestellen zijn afgeleverd.

Tegen 19 augustus 1939 waren de volgende Squadrons uitgerust en operationeel met de Spitfire Mk I:
No 19(Duxford), 41(Catterick), 54(Hornchurch), 65(Hornchurch), 66(Duxford), 72(Churchfenton), 74 (Hornchurch), 602(Abbotsinch), 609(Yeadon) en 611(Speke).
Ten tijde van de Slag om Engeland was de Spitfire Mk II al in productie, maar nog niet operationeel. In juli 1941 waren nog 19 Jachteskaders met de Mk I uitgerust. Gedurende de productie van de Spitfire Mk I werden geleidelijk diverse verbeteringen doorgevoerd. Aanvankelijk werden de toestellen uitgerust met een handbediend pompsysteem voor de wielen. Al snel werd een mechanisch aangedreven systeem ingebouwd. Vanaf het 194e toestel (K9980) werd de motor vervangen door de nieuwe Rolls Royce Merlin III in plaats van de Merlin II. Er werd gaandeweg een betere pantserbescherming geplaatst voor de piloot en diverse kleinere verbeteringen werden doorgevoerd.

Spitfire Mk Ia
Toen in 1939 de oorlog steeds dichterbij kwam, was duidelijk geworden dat de standaard tweebladige propeller niet meer voldeed. DeHavilland construeerde een nieuwe propeller met drie bladen en twee standen. Het ontwerp was nog ver achter bij de Duitse en Japanse ontwerpen, maar was al een stap in de juiste richting. De Spitfires die uit de fabriek bij Supermarine rolden, kregen onmiddellijk de nieuwe propellers en de bestaande toestellen werden door DeHavilland aangepast. In maart 1940 kwam bij de firma Rotol een nieuw type propeller uit, die de meeste problemen oploste. Deze werd gelijk gemonteerd op de Spitfire Mk I N3171. De overige Spitfires kregen deze propeller tijdens de Slag om Engeland aangemeten. Tegen augustus 1940 waren alle Spitfires en Hurricanes met de nieuwe propellers uitgerust.

Een andere aanpassing die werd doorgevoerd was het gebruik van brandstof met een octaangehalte van 100. Voor die tijd liepen alle Merlin-motoren op een octaangehalte van 87. Op 24 september 1939 waren de eerste tests al begonnen op K9788 aangedreven door een Rolls Royce Merlin X motor die speciaal werd aangepast en zo de Rolls Royce Merlin XII werd. Ook aan de bescherming van de piloot werd gedacht. Het windscherm werd vervangen door een kogelvrij windscherm en er werd 6 mm extra pantser aangebracht achter de piloot en achter de motoreenheid. Tenslotte werd er een nieuw systeem bedacht, waarmee de cockpitkap in geval van brand sneller kon worden afgeworpen. Al deze verbeteringen werden later in de productietoestellen standaard ingepast.

De Spitfire Mk I was ook een gewilde testbank. Vanaf oktober 1940 werd P9565 getest met een 136 liter brandstoftank. Het gewicht maakte het toestel er niet wendbaarder op. De tank was in één vleugel aangebracht, waardoor het toestel snel naar één zijde trok. Toestellen uitgerust met deze tank werden vanuit de fabriek aangeduid met Type 363 en werd later operationeel gebruikt bij enkele Spitfire Mk II toestellen. De X4922 werd bij wijze van proef uitgerust met een 409 liter brandstoftank en tropenfilter. De speciale “flaps” zoals deze later werden gebruikt bij de Spitfire Mk IV, werden eerst getest op een Mk I en wel R6718 op 16 juni 1941. Twee projecten werden uitgetest. Als Type 311 werd een project opgezet voor een Spitfire volgens specificaties F.37/34 met een Rolls Royce Merlin E motor. Type 312 was voor een project met een Merlin E motor en vier 20 mm kanonnen. Deze specificatie F.37/35 werd echter door de Westland Whirlwind gewonnen.

Spitfire Mk Ib
Een ander probleem dat optrad bij de Spitfire, was het bevriezen van de wapens. Tijdelijk werd dit probleem verholpen door tape op de loop te plakken dat door het eerste schot werd doorboord. Aanvankelijk fungeerde de bewapening van 8 0.303” mitrailleurs uitstekend. Door het toepassen van extra bepantsering werd dit echter voor een groot deel door de Duitsers omzeild. Om meer vuurkracht te krijgen, besloot de RAF de 20 mm Hispano Suiza kanonnen toe te passen op de Spitfire. Aanvankelijk bleken de Spitfire-vleugels te zwak hiervoor. Het probleem werd verholpen door de vleugels te versterken. Gelukkig had dit geen effect op de prestaties van de Spitfire. In november 1940 kreeg Squadron No 19 als eerste de verbeterde Spitfires met 20 mm kanonnen. Het bleek een groot succes. De aangepaste toestellen kregen de benaming Spitfire Mk Ib. De eerste tests werden uitgevoerd op K9791, maar L1007 was de eerste Mk I met operationele kanonnen. Contract 980385/39 werd uitgevaardigd om 30 bestaande Mk I toestellen uit te rusten met Hispano kanonnen. P9504 werd het tweede met kanonnen uitgeruste toestel, maar behield ook vier van haar .303 inch (7,7mm) Browning machinegeweren. De eerste operationele verbouwde Spitfire voor de RAF werd R6761 en ging in juni 1940 naar No 19 Squadron. Tegen augustus 1940 waren vijf Squadrons voorzien. Opvallend was dat de toestellen enkele mitrailleurs hadden behouden, waardoor men kon blijven vuren nadat de kanonnen leeg gebruikt waren. Uiteindelijk bleek de ontwikkeling in de Slag om Engeland niet de vraag naar met kanonnen uitgeruste toestellen te vergroten. Weinig toestellen werden dan ook daadwerkelijk verbouwd en geen enkel productietoestel werd met de b-vleugel uitgerust. Hoewel 30 toestellen voor verbouwing zijn aangemerkt, zijn er tot op heden maar 26 geïdentificeerd.

Technische gegevens:

  Model: Supermarine Spitfire Mk. I
  Taak: Jachtvliegtuig
  Bemanning: 1
  Afmetingen: Spanwijdte: 11,23 m
Vleugeloppervlak: 22,50 m2
Lengte: 9,12 m
Hoogte: 3,48 m
  Gewicht: Leeggewicht: 2182 kg (Ia)
Geladen gewicht: 2651 kg (Ia)
  Prestaties: Max. snelheid: 571 km/u (Ia)
Kruissnelheid: 338 km/u (Ia)
Plafond: 9723 m (Ia)
Bereik: 805 km (Ia)
  Motor: Rolls Royce Merlin II (eerste 174) of III met een maximum vermogen van 1030pk
  Bewapening: afhankelijk van het type vleugel
  Productie: 1566 stuks (1516 Supermarine en 50 Westland) waarvan 1536 Mk Ia en 30 Mk Ib

Hoge Snelheids Spitfire
Tussen 23 juli 1937 en 1 augustus 1937 werd in Zürich de 4e Internationale Vliegontmoeting gehouden. Hier werd de Messerschmitt Bf 109 gepresenteerd als de snelste jager in productie. Door de Britten werd dit als een uitdaging opgevat en het Air Ministry vaardigde een specificatie uit (F.35/35) voor een hogesnelheidsjager. Uiteindelijk werd Contract B817241/38 gegund aan Supermarine. Een Spitfire Mk I frame werd gebruikt voor de productie en wel toestel K9834, welke als Type 323 werd opgebouwd. Het toestel werd uitgerust met een Rolls Royce Merlin II Special motor aangedreven door een mengsel van benzol en methanol. Het toestel was ontdaan van alle bewapening en zwaar gepolijst. Uiteindelijk wist men een vermogen van 2122 pk te bereiken in juni 1938. Op 11 november 1938 vond de eerste vlucht plaats. Op 24 februari 1939 werden de eerste snelheidstests gehouden. Echter, de Duitse piloot Hans Dieterle wist met een Heinkel 111 bommenwerper op 30 maart een snelheid van maar liefst 745 km/u te bereiken, een record dat voor de Spitfire onbereikbaar was. Midden 1940 werd het toestel weer operationeel overgedragen aan de RAF, waar het ingedeeld werd bij de Photographic Development Unit op Heston Field op 24 november 1940. Uiteindelijk werd het toestel het persoonlijke toestel van Air Commodore John N. Bootham en bleef in dienst tot 14 juni 1940.

Technische gegevens:

  Model: Supermarine Type 323
  Taak: Racevliegtuig
  Bemanning: 1
  Afmetingen: Spanwijdte: 10,26 m
Lengte: 9,12 m
Hoogte: 2,50 m
  Gewicht: Leeggewicht: 2050 kg
Geladen gewicht: 2490 kg
  Prestaties: Max. snelheid: 657 km/u
  Motor: Rolls Royce Merlin II V 12 injectie met 2100 pk

Buitenlandse interesse
Al in september 1938 werden twee Franse piloten in de gelegenheid gesteld om de Spitfire Mk I uit te testen. Dit was nadat de Fransen officieel te kennen hadden gegeven interesse te hebben in het in licentie bouwen van de Spitfire Mk I. Door de trage productie duurde het lang voordat er toestemming kwam, maar uiteindelijk mochten drie toestellen aan de Fransen worden geleverd. Het 251e productietoestel werd geleverd aan de Fransen als 01 en uitgerust met een Rolls Royce Merlin III motor. De eerste vlucht vond plaats op 25 mei 1939 en op 18 juli werd het toestel naar Frankrijk verscheept. Hiermee werd dit toestel de enige Spitfire die direct vanaf de productielijn is geleverd aan een ander land. Alle andere toestellen die bij een ander land dan een Britse hebben gevlogen, waren ex-RAF toestellen. De Franse Spitfire is uiteindelijk in handen van de Duitsers gevallen.

In 1939 hadden diverse andere landen orders geplaatst voor het toestel. Hiertoe behoorden Estland (12 stuks Type 332 met FN geschut), Griekenland (12 stuks Type 335 met Merlin XII motor), Portugal (15 stuks Type 336 met Merlin XII motor) en Turkije (15 stuks Type 341 met Merlin XII motor). Door de internationale ontwikkelingen werden geen toestellen geleverd. Slechts één toestel bedoeld als testvliegtuig voor Polen werd wegens de Duitse inval naar Turkije gezonden. In juni 1940 kreeg Turkije alsnog 2 Mk I's. Portugal kreeg in 1942 eveneens 18 Mk Ia's geleverd. Tussen zomer 1939 en midden 1940 kreeg de RCAF (Canada) een Mk I (L1090) in bruikleen voor testvluchten. Van foto's is bekend dat de Luftwaffe tenminste vijf Mk I's (3+ Mk I, 1 PR Mk 1B, 1 PR Mk 1F) in hun handen hebben gekregen en hebben uitgetest.

Maritieme Spitfire Mk I
Het Britse Air Ministry liet begin 1940 weten interesse te hebben in een drijveruitvoering van de Spitfire. Volledig nieuw ontwikkelen zou te lang duren en besloten werd om de al geteste drijvers van de Blackburn Roc te gebruiken. In april of mei 1940 werd de Spitfire Mk I R6722 uitgerust met een paar Blackburn-drijvers overgedragen aan Folland Aircraft als Type 342 . Op 3 juni 1940 werd het toestel afgeleverd. Bij de tests bleek al dat het toestel uitermate instabiel was op het water. Verdere ontwikkeling werd afgeblazen. Het toestel zelf werd later omgebouwd tot een Spitfire Mk Va. Aan de Fleet Air Arm zouden wel Spitfires worden geleverd met Merlin XII motor. Deze order werd echter achterhaald door het Seafire-programma, totaal kreeg de Fleet Air Arm 76 Mk Ia toestellen voor trainingsdoeleinden.

Diverse versies van de Mk I werden ingezet als speciale verkenners. De diverse fotografische apparatuur en ander wijzigingen werden aangeduid met een specifieke type aanduiding. De aanduiding PR werd gekozen om aan te duiden dat het om een vliegtuig voor Photo Reconnaissance ging. Later werden de typeaanduidingen vervangen door PR III t/m PR VII (voor PR I Type C t/m PR I Type G). Tot aan die tijd werd de typeaanduiding verkort door PR Ia t/m PR Ig. Alle waren aangepaste Spitfire Mk I types, aangedreven door een Rolls Royce Merlin III motor.

PR I Type A/ PR Ia / PR I
Fotoverkenner met een F.24 (12,7 cm) camera in elke vleugel. Het toestel had dezelfde brandstofcapaciteit als een productietoestel. Hiertoe zijn twee toestellen aangepast, de N3069 en N3071. Beide werden ingezet bij Heston Flight (later bekend als No2 Camouflage Unit en weer later als Photographic Development Unit. Beide toestellen werden 13 oktober 1939 geleverd aan hun Flight. N3071 werd later geleverd aan No 212 Squadron. De N3069 ging verloren na een vliegongeluk op 1 augustus 1940.

PR I Type B (SR)/ PR Ib / PR II
Voor korte afstand (SR= Short Range) werden de 12,7 cm camera's vervangen door F.24 (20,3 cm camera's) die meer gedetailleerde foto's maakten. Met een extra 132 liter brandstoftank aan de achterzijde in de romp werd het bereik vergroot. De toestellen werden in februari 1940 operationeel bij No 212 Squadron in Frankrijk (British Expeditionary Forces). Na de val van Duinkerken viel de P9331 in Duitse handen. Vanaf dit type werd besloten dat blauw een veel betere kleur was voor de verkenners en werd de lichtblauwe kleur de standaard. Toch zijn er ook verkenners uitgevoerd in witte, rose en groene kleurschema's.

PR I Type C (LR)/ PR Ic / PR III
De Type C was ontwikkeld om aan de vraag te voldoen voor een verkenner voor grotere afstanden. Naast de grotere camera's in kasten onder de stuurboordvleugel werden de toestellen uitgerust met een extra interne brandstoftank van 136 liter, maar kon ook een even grote externe brandstoftank worden meedragen onder de bakboordvleugel. De eerste toestellen werden ontwikkeld door verbeteringen aan eerdere PR typen. In juli 1940 werd een bestelling geplaatst voor 40 verbouwingen van bestaande toestellen. Ze werden verbouwd door Heston Aircraft of door de RAE (Royal Aircraft Establishment). Op 7 april 1940 vloog de eerste Type C een operationele opdracht en wel naar Kiel. Een enkel Type C werd uitgerust met afwijkende camera's. De meeste toestellen werden aangedreven door een Rolls Royce Merlin Mk III motor. Twee toestellen kregen een Mk II motor en één een MK XII motor. De meeste Type C's werden later omgebouwd tot Type F (PR If/ PR VII).

PR I Type D/ PR Id/ PR IV
Deze versie was de eerste die speciaal werd gebouwd voor fotoverkenning. In de achterzijde van de romp waren standaard twee camera's aangebracht en het toestel had in beide vleugels extra brandstoftanks van 518 liter. De toestellen werden van aanvang omgebouwd tot PR IV (Zie bij de Spitfire Mk IV). Later kreeg dit type een nieuwe Merlin 46 motor, waardoor het de typering PR 5D kreeg en later ook PF IV.

PR I Type E/ PR Ie/ PR V
Hiervan is maar één toestel gebouwd dat werd gebruikt voor verkenningsvluchten op lage hoogte. Een camera in elke vleugel was gericht naar de rechterzijde van het toestel. Hiermee werden foto's gemaakt in een hoek van 15 graden. Ook was het uitgerust met extra brandstofcapaciteit. Het enige verbouwde toestel, de N3117, werd aanvankelijk verbouwd tot Type C.

PR I Type F/ PR If/ PR VI
Ook dit type had de camera's gemonteerd in de achterzijde van de romp en was uitgerust met extra interne (132 l achter de piloot) en externe (twee maal 137 l onder de vleugels) brandstoftanks. Dit type kwam eind juli 1940 in beeld. De camera's van dit toestel waren achter in de romp geplaatst. In eerste instantie waren dit twee 20,3 cm camera's, maar deze werden later vervangen door 50,8 cm. Om het zicht voor de piloot te verbeteren was de cockpit anders gevormd. De ombouw gebeurde bij Heston Aircraft. Dit type werd vanaf 1941 aangeduid als PR.Mk VI.

PR I Type G/PR Ig/ PRVII
Ook bestemd voor verkenning op geringe hoogte had dit type een camera die zowel naar links als naar rechts kon worden gericht. In de achterzijde van de romp waren twee naar beneden gerichte camera's gemonteerd. Achter in de romp was ook een extra brandstoftank gemonteerd. Dit was de laatste fotoverkenner die van de Mk I werd geproduceerd. De belangrijkste afwijking van de overige verkenners was dat bij dit type de oorspronkelijke acht 7,7 mm Browning machinegeweren werden gehandhaafd. Aangezien ook deze werden omgebouwd, bestond de aandrijving uit Merlin III motoren. Later werden deze vervangen door de betrouwbaarder Merlin 45. Vanaf 1941 werd dit type aangeduid met PR.Mk VII.

Mk. Ic
Deze variant was ontwikkeld voor Air/Sea Rescue-operaties . Het toestel had een rubberboot en voorraden aan boord die het boven zee kon afwerpen.

De Mk I in de strijd
Het was de Mk I die tijdens de slag om Engeland samen met de Hurricanes ten strijde trok. Het was dan ook een Spitfire die het eerste Duitse vliegtuig boven Brits grondgebied neerschoot. Op 16 oktober 1939 werden No 602 en No 603 Squadron met hun Spitfires erop uitgestuurd om de Royal Navy te helpen in de Firth of Forth door Junkers Ju 88A-1's werden aangevallen van het Kampfgeschwader 30. Twee Junkers werden neergeschoten en eentje beschadigd. Gedurende de meidagen in 1940 opereerden diverse Spitfires van No 66 Squadron boven Nederland. Er werden twee claims gemaakt van neergeschoten vliegtuigen, maar deze zijn nooit bevestigd.

Op 23 mei 1940 vond boven Calais het eerste luchtgevecht plaats tussen de Spitfire en de Messerschmitt Bf 109. Bij deze gevechten bleken de toestellen aan elkaar gewaagd. De Messerschmitt was weliswaar iets sneller, maar de Spitfire bleek wendbaarder. Tijdens deze eerste luchtgevechten bleek dat de Spitfires over het geheel genomen beter waren dan hun Duitse opponenten, de Messerschmitts 110 en 109 versies die op dat moment bij de Luftwaffe in dienst waren.

De Duitsers trokken echter snel lering uit de ervaringen met de Spitfire en lieten hun aanvallende bommenwerpers op grotere hoogte opereren, waar de Spitfires slechtere prestaties leverden. Rond deze tijd kwamen ook de eerste toestellen van het nieuwe type Mk II uit de fabriek rollen.

Spitfire Mk I productiegegevens
1e Order No B527113/36 (310 stuks) Supermarine (Mk I / Mk Ia) K9787-K9833 (47)
K9835-K9999 (165)
L1000-L1096 (97)
01 (1)
2e Order No B527113/36 (196 Stuks)
Aanvankelijk 200, N3297 werd een Mk III, N3296, N3298 en N3299 gingen als romp naar Castle Bromwich als voorbeeldtoestel.
Supermarine (Mk Ia) N3023-N3072 (50)
N3091-N3130 (40)
N3160-N3203 (44)
N3221-N3250 (30)
N3264-N3295 (32)
Order No B980385/39 (181 stuks) Supermarine (Mk Ia) P9305-P9339 (35)
P9360-P9399 (40)
P9420-P9469 (50
P9490-P9519 (30)
P9540-P9550 (11)
P9553-P9567 (15)
1e Order No B19713/39 (348 stuks uit oorspronkelijke bestelling van 450 stuks) Supermarine (Mk Ia) R6595-R6644 (50)
R6683-R6722 (40)
R6751-R6780 (30)
R6799-R6818 (20)
R6829-R6840 (12)
R6879-R6928 (50)
R6957-R6996 (40)
R7015-R7028 (14)
R7057-R7074 (18)
R7114-R7163 (50)
R7192-R7206 (15)
R7211-R7212 (2)
R7214-R7216 (3)
R7250-R7252 (3)
R7257 (1)
3e Order No B19713/39 (492 stuks) Supermarine (Mk I) X4009-X4038 (30)
X4051-X4070 (20)
X4101-X4110 (10)
X4159-X4188 (30)
X4231-X4280 (50)
X4317-X4356 (40)
X4381-X4390 (10)
X4409-X4428 (20)
X4471-X4505 (35)
X4538-X4562 (25)
X4585-X4624 (40)
X4641-X4662 (22)
X4671-X4685 (15)
X4708-X4722 (15)
X4765-X4789 (25)
X4815-X4859 (45)
X4896-X4945 (50)
X4988-X4997 (10)
1e Order No B124305/40 (50 stuks) Westland (Mk Ia/Ib) AR212-AR261 (50)

Definitielijst

Luftwaffe
Duitse luchtmacht.
massaproductie
Het maken van een grote hoeveelheid van hetzelfde produkt.

Afbeeldingen

Spitfire Mk1a Bron: RAF.
Spitfire PR I f Bron: RAF.
High Speed Spitfire Bron: RAF.

Spitfire Mk II

Spitfire Mk II

In feite was de Mk II niet veel meer dan een Mk I die werd aangedreven door een Rolls Royce Merlin XII motor met een vermogen van 1175 pk. De motor was speciaal ontworpen om meer vermogen te ontwikkelen bij het opstijgen en betere prestaties te leveren op geringere hoogten. Hiertoe werd gebruik gemaakt van brandstof met een octaangehalte van 100 in plaats van de gebruikelijke 80. De motor had een nieuwe Coffmann starter en een 3-bladige Rotol propeller. De piloot in de Mk II werd beter beschermd door een gepantserde plaat achter de zitting aan te brengen en een kogelvrij windscherm. De Mk II verschilde van de Mk I door de bewapening van standaard 8 x 0.303 inch (7,7 mm) Browning Mk II machinegeweren (Spitfire Mk IIA), een leeggewicht van 2223 kg, een startgewicht van 2676 kg normaal en 2865 kg maximaal, een maximale snelheid van 575 km/u op 5180 m, kruissnelheden van maximaal 499 km/u en economisch van 314 km/u, een normaal bereik van 805 km en een plafond van 11.340 m.

Als prototype werd de Mk I K9791 verbouwd volgens de nieuwe specificaties. Dit toestel werd later gebruikt om verschillende typen propellers te testen. De aflevering van de nieuwe Spitfire Mk II begon in juni 1940. De grootschalige operationele inzet begon echter pas vanaf de winter. Het type werd gebouwd in de nieuwe fabriek in Castle Bromwich. De Spitfires die uit deze fabriek rolden waren te herkennen aan de meer puntige spinner op de propeller. Deze fabriek was volledig opgezet met alleen tot doel het bouwen van de Spitfire Mk II. Op 12 april 1939 werd een order geplaatst voor 1000 toestellen van dit type. De bouw van de eerste productietoestellen begon op 12 juli 1939. Op 24 september 1939 vond de allereerste vlucht van de eerste productie Mk II plaats. Problemen met het opstarten van de massaproductie bij de fabriek in Castle Bromwich en de vele kleinere wijzigingen die volgden, zorgden ervoor dat het nog tot juni 1940 duurde voordat de eerste Mk II werd afgeleverd uit de fabriek. Op 22 augustus 1940 arriveerde de eerste Mk II, de P7282, bij het operationele Squadron No. 61 en nam dit type vanaf dat moment deel aan de strijd en dus ook aan de Slag om Engeland.

Als spoedig na de Slag om Engeland waren de meeste Mk I toestellen bij de RAF vervangen door de nieuwe Mk II en op 1 april 1941 werd de laatste Mk I uit operationele dienst teruggetrokken. De Mk II's zelf werden vanaf maart 1942 vervangen door de Mk V en gingen naar de Operational Training Units (OTU). De laatste Mk I en Mk II toestellen werden in het midden van 1944 uit de RAF teruggetrokken. De 1000 toestellen zouden uiteindelijk niet worden gehaald. Met de P7564 in oktober 1940 werd de laatste Mk II afgeleverd als 920e productietoestel.

Mk IIa

Deze versie van de Supermarine Type 329 was in feite een Mk I met Rolls Royce Merlin XII motor, Coffmann starter en driebladige Rotol propeller zoals deze in productie werd genomen in Castle Bromwich met dezelfde wapenindeling als de Mk Ia. Dit was daarom een bewapening van acht stuks 0.303 inch (7,7 mm) Browning machinegeweren. Totaal werden 750 Mk IIa toestellen gebouwd en dit was het eerste type Spitfire dat na de Slag om Engeland werd ingezet in een offensieve rol boven Frankrijk, Nederland en België. De eerste order voor 1000 toestellen in 1939 was van het type Mk IIa (No.B981687/39). Ze zouden worden gefabriceerd in de series P7280 tot P8799. Het eerste toestel, de P7280, werd op 27 juni 1940 afgeleverd.

Mk IIa (L.R.)

Om een type te verkrijgen dat grotere afstanden kon overbruggen, werd de Mk IIa (L.R.) geproduceerd. Dit type kreeg een grotere brandstofcapaciteit. Ongeveer 100 toestellen zijn gebouwd volgens dit concept. Deze Supermarine Type 343 was afgeleid van de Mk IIa en had een 182 liter brandstoftank gemonteerd onder in een vleugel. Totaal werden een 60-tal toestellen van de Mk IIa omgebouwd.

Mk IIb

Deze Supermarine Type 329 was uitgerust met de B-type vleugels, uitgerust met 2 x 20 mm Hispano Suiza kanonnen en 4 x 0.303 inch (7,7 mm) Browning machinegeweren. Dit type werd besteld op 13 februari 1940. De eerste Mk IIb werd afgeleverd in maart 1941. Opvallend was dat de kanonnen niet op de gangbare wijze waren bevestigd, maar op hun kant. Dit zorgde ervoor dat de Spitfirevleugels bij dit type een soort “blister” uitstulping kregen. Totaal zijn er 170 Mk IIb toestellen gebouwd.

Mk IIc / ASR Mk II

Een aantal Mk IIa toestellen werd in 1942 tot Type 375 Mk IIc omgebouwd voor Air Sea Rescue diensten. Deze toestellen werden uitgerust met reddings- en overlevingspakketten in de romp, die gedropt konden worden en rookmarkeerders onder de vleugels die men eveneens kon droppen. De 52 toestellen waren allen conversies van de Mk IIa met een 1460 pk sterke Rolls Royce Merlin XX motor. De toestellen kregen later de typeaanduiding ASR Mk II. De toestellen deden dienst bij de No 276 en 277 (ASR) Squadrons, maar werden ook “ingehuurd” door de No 275, 278 en 282 (ASR) Squadrons.

Eén Mk II werd uitgerust met een extra brandstoftank onder elke vleugel, net buiten de wielkasten. Ook kreeg het toestel een grotere olietank in de verdiepte neus. De P7280 werd gebruikt voor het testen van de druppel cockpitkap die op latere types werd toegepast. Een aantal Mk II's werd omgebouwd tot Mk V door een Merlin 45 motor te installeren.

De meeste Mk II's werden door de Britten zelf gebruikt. Maar liefst 56 Squadrons maakten gebruik van het type. Ook de Britse marine gebruikte 3 Mk IIa toestellen voor de geavanceerde pilotentraining tussen 1940 en 1943. De Australische RAAF had 8 Mk IIa toestellen in dienst bij No. 425 Squadron in dienst bij de RAF vanaf augustus 1941.

“Nederlandse Mk II's en Mk V's”

Een aantal Mk II (en Mk V) toestellen staat bekend als zogenaamde Dutch Presentation Spitfires. Deze toestellen werden met Nederlands geld aangekocht voor de geallieerde oorlogsinspanningen. Met name in Nederlands-Indië ontstond in 1940 de wens om de Britten te steunen in hun oorlogsinspanningen. De dag na de Duitse inval in Nederland, was er in Nederlands-Indië een steunfonds opgericht, het Steunfonds Nederland. Al spoedig volgde een initiatief van Britse werknemers, het “Spitfire Fund”. Gesterkt door dergelijke initiatieven besloot de Nederlandse regering in ballingschap een gebaar te maken en op 12 september 1940 kondigde koningin Wilhelmina aan in een radiotoespraak dat er namens Nederlands-Indië maar liefst 40 Spitfires en 18 Lockheed Hudson bommenwerpers aan de RAF werden aangeboden. Op 18 oktober overhandigde Prins Bernhard een cheque aan de Britse minister Lord Beaverbrook voor de 40 Spitfires en drie weken later overhandigde hij nogmaals een cheque voor de 18 Hudsons.

In augustus 1940 was het Prins Bernhard Fonds ontstaan. Het doel was om hiermee geld in te zamelen voor het bijdragen aan de bevrijding van bezet Nederlands grondgebied en de bescherming van de nog vrije overzeese rijksdelen. De diverse fondsen leverden grote geldbedragen op. Uiteindelijk zouden al deze “Nederlandse” Spitfires bij vele RAF squadrons dienst doen. Een aantal zou ook vliegen bij de Britse Fleet Air Arm (FAA) van de Royal Navy en bij enkele USAF squadrons. Ook vloog er een toestel bij de Portugese Luchtmacht en bij de Sovjetluchtmacht. De toestellen droegen alle een naam verbonden met Nederlands-Indië of Nederland. Tot op dit moment zijn 116 toestellen bekend in de Spitfire typen II en V. Van de Mk II is op dit moment een 46-tal namen en kentekens bekend.

Technische Gegevens:
  Model: Supermarine Spitfire Mk. II
  Taak: Jachtvliegtuig
  Bemanning: 1
  Afmetingen: Spanwijdte 11,23 m
Lengte 9,12 m
Hoogte 2,50 m
  Gewicht: Leeggewicht: 2170 kg
Geladen gewicht: 2913 kg
  Prestaties: Max. snelheid: 570 km/u
Plafond: 11460 m
Bereik: 529 km
  Motor: Rolls Royce Merlin XII met een maximum vermogen van 1140pk
  Bewapening: Mk IIa acht stuks 0.303' (7,7mm) Browning Machinegeweren.
Mk IIb twee 20 mm Hispano kanonnen en vier stuks 0.303' (7,7mm) Browning Machinegeweren
  Productie: 920 stuks
  
 

 

 
Spitfire Mk II productiegegevens
1e Order No B981687/39/C.23 (c) (920 stuks waarvan 750 Mk IIa en 170 Mk IIb) Castle Bromwich
(Mk IIa / Mk IIb)
P7280-P7329 (50)
P7350-P7389 (40)
P7420-P7449 (30)
P7490-P7509 (20)
P7520-P7569 (50)
P7590-P7629 (40)
P7661-P7699 (39)
P7730-P7759 (30)
P7770-P7789 (20)
P7810-P7859 (50)
P7880-P7929 (50)
P7960-P7999 (40)
P8010-P8049 (40)
P8070-P8099 (30)
P8130-P8149 (20)
P8160-P8209 (50)
P8230-P8279 (50)
P8310-P8349 (40)
P8360-P8399 (40)
P8420-P8449 (30)
P8460-P8479 (20)
P8500-P8531 (32)
P8533-P8536 (4)
P8540-P8541 (2)
P8543-P8549 (7)
P8562-P8563 (2)
P8565-P8577 (13)
P8579-P8580 (2)
P8582-P8584 (3)
P8586-P8599 (14)
P8601-P8602 (2)
P8605 (1)
P8608 (1)
P8641-P8679 (39)
P8690-P8698 (9)
P8701-P8702 (2)
P8704-P8706 (3)
P8725-P8729 (5)
 

 

Definitielijst

massaproductie
Het maken van een grote hoeveelheid van hetzelfde produkt.

Afbeeldingen

Spitfire Mk IIa Bron: Wilco Vermeer.
Spitfire Mk IIb Bron: Wilco Vermeer.

Spitfire Mk III

Spitfire Mk III
Met Specificatie No.462, opgesteld op 2 februari 1939, probeerde Supermarine voor het eerst de Spitfire te herontwerpen. De specificaties zouden uiteindelijk leiden tot de Spitfire Mk III. Het toestel zou een 1,07 kortere spanwijdte krijgen dan de standaard Spitfirevleugel, waarmee het vleugeloppervlak zou afnemen tot 20,44m2. De romp werd iets langer en het toestel zou worden aangedreven door de Rolls Royce Merlin XX (RM2SM). Het staartwiel werd intrekbaar, de cockpitkap opnieuw vormgegeven en het pantserglas werd van buiten naar binnen de cockpitkap verplaatst. De wielen van het landingsgestel werden iets verder naar voren geplaatst. Het ontwerp leek veelbelovend en het Britse Air Ministry vaardigde Contract No.B23634/39 uit voor de bouw van een prototype. Het frame van de Mk I. N3297 werd verbouwd tot de nieuwe Mk III.

De volledig verbouwde N3297 maakte haar eerste vlucht op 15 maart 1940. Korte tijd later werd het toestel overgedragen aan No.11 Group om het operationeel te testen. De resultaten waren bevredigend. De prestaties waren duidelijk vooruit gegaan, maar de piloten waren niet tevreden over de langere landingsbaan die het toestel nodig had en vonden het door de kortere vleugels op afstand te veel op een Messerschmitt Bf 109 lijken. Toch werden aanvankelijk productieplannen opgezet om 200 in aanbouw zijnde Mk I en Mk II toestellen af te bouwen als Mk III. Dit werd echter al snel omgezet in een order voor 1000 nieuw te bouwen Mk III toestellen. De order werd op 24 oktober 1940 bij de Bromwich Aircraft Factory geplaatst en zouden vallen in series tussen BL231 en BM653. Deze toestellen zouden allen worden uitgerust met acht Browning 0.303 inch (7,7 mm) machinegeweren als Mk IIIa. Op dezelfde dag werd een aanvullende order geplaatst voor 120 toestellen met vier 20mm Hispano kanonnen als Mk IIIc met series tussen BS573 en BS618, tussen BS634 en BS659 en tussen BS677 en BS724. Mk IIIb werd gereserveerd voor toestellen uitgerust met twee Hispano kanonnen en vier Browning machinegeweren en Mk IIId met 12 Browning machinegeweren. Volgens een contract op 16 mei 1941 zou er ook een Mk III drijvertoestel worden gebouwd, maar deze order werd afgezegd.

Op 26 september 1940 waren de productietekeningen voor de Mk III vernietigd bij een Duitse luchtaanval op de Woolston-fabriek van Supermarine.
In februari 1941 werden de Mk III en een nieuwe Mk V getest voor oliekoelers. De ontwikkeling van de Mk V ging toen zo snel dat het onnodig begon te worden om de Mk III nog te produceren. De orders werden dan ook afgezegd. Het prototype ging op 3 maart 1941 terug naar de Supermarine-fabriek. Later zou het toestel nog als testbank fungeren voor de Merlin 60 motor van Rolls Royce. In oktober 1943 kreeg het toestel de aanduiding 3396M voor dit doel.
Te vermelden valt nog dat op 4 juni 1941 een tweede prototype, de W3237 met een Merlin XX motor en niet intrekbaar staartwiel haar eerste vlucht maakte. Waarschijnlijk was dit een tussenproject tussen de Mk III en MK V. Het toestel werd op Eastleigh gebruikt voor het testen van de verlengde vleugels voor de jagerversies voor grotere hoogte. Ook was het de eerste Spitfire die was uitgerust met vier kanonnen zoals deze later werden toegepast op de Mk Vc. Tot slot is het toestel nog gebruikt voor testen ten bate van de Supermarine Seafire, de marine versie va de Spitfire.

Spitfire PR III
Hoewel de aanduiding de indruk wekt dat het hier zou gaan om een Photo Reconnaissance-versie (fotoverkenner) van de Mk III, is dit onjuist. De PR III was oorspronkelijk een PR I type C en derhalve een afgeleide van de Mk I.

Technische Gegevens:

  Model: Supermarine Spitfire Mk. III
  Taak: Jachtvliegtuig
  Bemanning: 1
  Afmetingen: Spanwijdte 10,29 m
Lengte 9,25 m
Hoogte 2,50 m
  Gewicht: Leeggewicht: 2326 kg
Geladen gewicht: 2981 kg
  Prestaties: Max. snelheid: 644 km/u (op 6401 m)
Plafond: 11582 m
  Motor: Rolls-Royce Merlin XX met een maximum vermogen van 1390pk
  Bewapening:

Mk IIIa acht stuks 0.303' (7,7mm) Browning Machinegeweren

  Productie: 2 prototypes (N3297 en W3237)

Afbeeldingen

1e prototype Mk III Bron: Wilco Vermeer.

Spitfire Mk IV

Spitfire Mk IV
Vanuit de Rolls Royce Type R motor die was gebruikt bij de Supermarine S.6B, werd de 37 liter Rolls Royce Griffon motor ontwikkeld. Hoewel men bij Rolls Royce nog veel ontwikkelmogelijkheden had met de Merlin motoren, was al snel duidelijk dat toepassing van de Griffon bij de Spitfire zou leiden tot grotere verbeteringen in de prestaties. Om dit verder te ontwikkelen werd bij Supermarine op 4 november 1939 de Specificatie No. 466 uitgegeven. Dit alles werd in eigen hand en op eigen kosten uitgewerkt, aangezien er geen productie- of ontwikkelorder was. Op 27 februari 1940 gaf de fabriek Specificatie No. 468 uit die geheel was opgesteld rond een met de Griffon aangedreven Spitfire. De fabriek gaf het type zelf de aanduiding Spitfire Mk IV en verwachtte het toestel eind 1941 te kunnen produceren.

Het gebruiken van de Griffonmotor vergde de nodige aanpassingen aan het ontwerp van de Spitfire. De romp diende te worden versterkt voor het grotere gewicht en de aanhechtingspunten en koeling werden herontworpen. Bij het aanpassen werden gelijktijdig diverse aanpassingen doorgevoerd. Het intrekbare staartwiel zoals aanvankelijk toegepast bij de Mk III werd hier terug in gebruik genomen. De openingen voor het hoofdwielstel in de vleugels werd vergroot en aangepast. Hierdoor konden de wielen op langere “benen” worden gezet en grotere banden worden toegepast. De positie van de wielen werd iets naar voren verplaatst om een beter remvermogen te krijgen. Voor grotere hoogte werden langere vleugeltips ontworpen die eenvoudig konden worden gemonteerd in plaats van de standaardvleugeltips. Een drukcabine werd onderzocht en in de vleugels werden grotere brandstoftanks geplaatst. Voor de bewapening werd als standaard gekozen voor zes 20 mm Hispanokanonnen, maar werd de mogelijkheid geboden om een bewapening te gebruiken van twee Hispanokanonnen met zes 0.303 inch (7,7 mm) Browning machinegeweren of zelfs acht of twaalf Browning machinegeweren. Uiteindelijk werd de keuze gemaakt om een vleugel te gebruiken die hetzij zes Hispanokanonnen, hetzij twee Hispano’s en vier 0.50 inch (12,7mm) machinegeweren kon dragen.

In februari 1941 werd door het Air Ministry de specificatie F.4/41 uitgegeven voor de Griffon Spitfire en op 26 mei werd aan Supermarine een contract onder No.Air/821 afgegeven voor twee prototypen met de kentekens DP845 en DP851. Op 23 augustus werd dit gevolgd door een productieorder onder No.981687/39/C.23[c] voor 750 Mk IV’s bij Castle Bromwich in de reeks ER206 en ES369. Eind 1941 werd echter besloten om de gehele geplande ontwikkeling van Spitfires en Seafires uit de Mk IV series om te noemen naar Mk XX.

Het prototype DP845 maakte op 27 november 1941 met piloot Jeffrey Quill de eerste vlucht. Dit toestel werd vervolgens gebruikt voor prestatie- en koelingtests en vervolgens midden 1942 omgebouwd tot een prototype voor de Mk XII. Het prototype DP851 werd in december 1942 gebruikt als interim prototype voor de Spitfire F XXI. De aanvankelijk geplaatste productieorder werd omgezet naar een order voor Mk Vb en Mk Vc. De Mk IV werd hiermee vroegtijdig afgeblazen met de productie van slechts één volwaardige Mk IV, het prototype DP845.

Technische Gegevens:

  Model: Supermarine Spitfire Mk. IV
  Taak: Jachtvliegtuig
  Bemanning: 1
  Afmetingen: Spanwijdte 11,23 m
Lengte 9,30 m
  Gewicht: Leeggewicht: 2539 kg
Geladen gewicht: 3316 kg
  Prestaties: Max. snelheid: 756 km/u
Plafond: 14112 m
  Motor: Rolls-Royce Griffon 2B (RG2SM) vloeistofgekoelde V12 motor
  Bewapening:

vier 20 mm (0.787 inch) Hispano kanonnen

Spitfire PR IV
Toch zou er een Spitfire met de aanduiding IV in grotere getalen worden geproduceerd. Dit was echter een geheel ander soort toestel dan de Griffon aangedreven Mk IV. De Photographic Reconnaissance PR IV was aanvankelijk aangeduid als Type D (Special LR) of ook wel Super Long Range Type. Ook werd het toestel wel aangeduid als PR Ie. In tegenstelling tot de overige typen PR I was de PR IV geen conversie van de Mk I, maar een specifiek voor dit doel geproduceerde PR-versie.

De Type D was speciaal ontworpen om de PR eenheden een groter bereik te bieden. Hiertoe had het toestel in iedere vleugelbasis een 259 liter brandstoftank en een 132 liter tank in de romp. Dit werd aangevuld met twee extra tanks van 218 en 168 liter voor in de romp. Later zouden de vleugeltanks nog verder worden vergroot tot 302 liter elk.

De camera’s werden achterin de romp geplaatst waardoor geen uitstulpingen in de vleugels nodig waren. Om bevriezing van de lenzen te voorkomen werd cameraverwarming ingebouwd. Voor de camerapositionering werden drie standaardinstallaties gekozen: de W, X en Y uitvoering. De W-versie kreeg twee F8 50,8 cm camera’s met heteluchtverwarming in het achterste gedeelte van de romp. De X versie kreeg twee F24 35,6 cm camera’ s met heteluchtverwarming en een F24 20,3 cm of 35,6 cm met elektrische verwarming. De Y-versie tenslotte kreeg een F52 91,4 cm camera met heteluchtverwarming. Een aantal eerdere fotoverkennerversies werd verbouwd volgens deze standaard, maar de meeste toestellen werden rechtstreeks volgens deze specificaties geproduceerd. De 229 productietoestellen werden allen aangedreven door een Rolls Royce Merlin 45 of 46 motor. Ook de verbouwde toestellen kregen één van deze motoren. De eerste serie werd geproduceerd volgens Contract No. B19713/39 van een aanvankelijk 450 toestellen grote order voor Mk I toestellen. 12 toestellen van deze op 9 augustus 1940 gedateerde order werden als PR geproduceerd, terwijl de toestellen R7029 en R7034 later werden omgebouwd. De toestellen R7035 tot R7044 en R7055 en R7056 aanvankelijk als PR V werden gebouwd, maar later werden omgebouwd tot PR IV. De meeste van deze 12 toestellen werd ingedeeld bij No. PRU 1 (Photo Reconnaissence Unit) . In de volgende Mk I orders werden nog diverse toestellen als PR IV uitgevoerd.

Technische Gegevens:

  Model: Supermarine Spitfire PR IV
  Taak: Jachtvliegtuig
  Bemanning: 1
  Afmetingen: Spanwijdte 11,23 m
Lengte 9,12 m
Hoogte: 2,50 m
  Gewicht: Leeggewicht: 2247 kg
Geladen gewicht: 3246 kg (Y-versie)
  Prestaties: Max. snelheid: 599 km/u
Plafond: 11582 m
  Motor: Rolls Royce Merlin 45 of 46 met een vermogen van 1440 pk
  Bewapening:

geen

1e order Contract No. B19713/39

12 stuks: R7035-R7044 (10) en R7055-R7065 (2)

4e order Contract No. B19713/39 81 stuks: AA781-AA851 (35), AB118-AB132 (15), AB300-AB319 (20), AB421-AB430 (10) en AB466
5e order Contract No. B19713/39

129 stuks: BP879-BP892 (14), BP904-BP937 (34), BR410-BR435 (26), BR641-BR670 (30), BS355-BS367 (13), BS489-BS490 (2), BS492-BS497 (6), BS500 en BS503-BS505 (3)

7e order Contract No. B19713/39 7 stuks: EN155, EN262, EN264 en EN386-EN389 (4)

Informatie

Artikel door:
Wilco Vermeer
Geplaatst op:
21-02-2008
Laatst gewijzigd:
07-03-2009
Feedback?
Stuur het in!

Gerelateerde thema's

Gerelateerde bezienswaardigheden

Bronnen

- Geldof N., L. Boerman, De “Indische” Spitfires, Dutch Profile Nr. 4 Presentation Spitfire, 2006
- Hoeveler W., Legendäre Feuerspeier, Klassieker der Luftfahrt, 6/03, FlugRevue, Bonn, 2003
- Klaauw B. van der, Jachtvliegtuigen Wereldoorlog II, Uitgeverij de Alk, Alkmaar
- Price A., The Spitfire Story, Arms & Armour Press/Cassell Military, 1986
- Price A., The Spitfire at War, Ian Allan Ltd, 1990
- Wilson S., Aircraft of WW II, Aerospace Publication Pty Ltd, 1998
- Quill J., Cox S., Birth of a Legend – Spitfire, Quiller Press Ltd, UK, 1986
- Spitfire70, Flypast Special, Classic Aircraft Series No.25
- Pilot’s manual for Supermarine Spitfire IIA and IIB
- Nuffield’s Spitfires, Supermarine Type 329 Spitfire Mk II, Profile Volume 1 No. 3
- Fighter Factory
- Luchtoorlog