Voorwoord

    "ĎWas ik maar doodí, wenste ik daarnet. Waarom? Ik ben zat van dat ploeteren om in leven te blijven. Ik durf niet aan de toekomst te denken, want ik heb een ideaal. Ja, niets aan mín huiswerk gedaan en ik ben bang dat de school weer zal beginnen. Daarom zal het mij niets meer kunnen schelen als ik de bevrijding niet meer beleef. Een andere bevrijding is dan wellicht mín deel. Een bevrijding van deze wereld, waar je een ander omlaag moet trappen om zelf hoger te komen of om zelf in leven te blijven. Deze wereld van egoÔsme. Niemand begrijpt me en dat maakt me zo moedeloos."[1]

    Dit citaat is afkomstig van de zestienjarige puber F.J. Wijkhuizen uit Delft. Hij had als puber in oorlogstijd veel moeite met de stand van zaken. Dit raakte hem persoonlijk sterk omdat hij, zo blijkt uit zijn dagboek, geen ouders of vrienden had die hem konden helpen met zijn gevoelens. De laatste oorlogsmaand was niet alleen voor Wijkhuizen, maar voor heel West-Nederland een moeilijke periode. Dagboekschrijvers in de vier steden kampten al met voedseltekorten welke met de week groter werden. Mensen waren afhankelijk van gaarkeukens en het Zweedse en Zwitserse Rode Kruis die nog enigszins hulp aanboden met de levering van brood en margarine. Verder stond West-Nederland er alleen voor. Daarnaast speelde het oorlogsverloop in het dagelijks leven van mensen een grote rol. Men trachtte constant te achterhalen wat de locatie van de geallieerden was en waar ze heen gingen. Bovendien was er een kleine groep dagboekschrijvers die reflecteerden op vijf jaar bezetting en een toekomstbeeld voor ogen hadden waaraan Nederland en een toekomstige internationale organisatie moesten voldoen. Aan de hand van deze drie thema's zal de perceptie in de laatste oorlogsmaand onderzocht worden.


    Mensen staan in de rij voor voedsel bij een van de gaarkeukens in Den Haag. Bron: Wikipedia/NIOD

    Definitielijst

    geallieerden
    Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, ItaliŽ en Japan gedurende WO 2.

    De strijd om in leven te blijven

    Het eerste grote thema dat speelde onder de dagboekschrijvers was de honger. Honger bleef een groot probleem onder de dagboekschrijvers ondanks de naderende bevrijding. Meneer C. L. M. Kerkhoven, een vijftigjarige professor afkomstig uit Voorburg, merkte deze honger op wanneer hij in de rij stond bij een van de gaarkeukens. "Om kwart voor elf naar de I.K.B.-keuken. Als je zo in de rij staat onder de mensen dan hoor je pas hoeveel ellende er heerst, en vooral honger en nog eens honger, mensen zien er ellendig uit en toch nog steeds hoop in aller harten dat het gauw is afgelopen en dat we gauw bevrijd mogen worden."[2] Fie van Baaren, een Delftse huismoeder van vijfenveertig, beschreef de honger als volgt: "Thuis is het ook honger en ik heb zelfs wel eens het eten van de poes opgegeten; mijn broer is zoo erg vermagerd, dat hij niet meer loopen kan en niet verder dan de tuin en de keuken komt. Voorlopig mag hij niet meer werken; zijn benen en kaken zijn zo vermagerd, het is een ontzettend gezicht. (Ö) Wij zijn allemaal zoo oorlogsmoe, niet eens het eten, maar de druk is al zoo erg. Bij ons in Holland is het vreeselijk; langzamerhand hongeren wij uit."[3] De honger werd zo erg dat tegen de tijd dat voedselvoorraden bijna geheel leeg waren Rudolf Jacob Lodewijk Simons, een veertigjarige ondergedoken joodse man in Den Haag met een vervalste identiteitskaart, het volgende constateerde: "Het is een gewoon verschijnsel, dat men in winkels of op straat menschen ziet huilen, omdat iemand hun plaats heeft ingenomen of omdat ze hun bonnen vergeten zijn."[4] Van de 66 dagboekschrijvers constateerden 46 dat zij zelf of de mensen om hen heen honger leden. Zij leefden van een minimaal rantsoen en waren afhankelijk van gaarkeukens of de hulp van het Rode Kruis. Honger kenmerkte dus grotendeels de samenleving in deze laatste maand en zorgde voor grote teleurstelling en wanhoop bij de dagboekschrijvers.

    Men kampte naast honger ook met andere problemen. Er waren geen warmtebronnen meer te verkrijgen en gas, water en elektriciteit waren afgesloten. Koken en het warm houden van eten werd problematisch, net als het opwarmen van het huis. "De laatste aprildagen waren overwegend koud. Als gevolg van brandstoffenschaarste waren wij al lang opgehouden met stoken. Alleen als er gekookt werd en het 'wandkacheltje' in gebruik was - met papier, erg fijn gehakte hout en kolen - liep de temperatuur in de woonkamer wat op."[5] , aldus de vijfenveertigjarige J. S. Bartstra, een oud professor die actief was in het verzet. Het wegvallen van de warmtebronnen zorgde naast honger voor een toenemend aantal zieken en stergevallen. Zo ook in Leiden: "Wij kregen vanmiddag onverwachts het doodsbericht van de negentienjarige dochter van van Wijngaarden, de directeur van het Museum van Oudheden, wat ons erg trof want al had Kees W. in geen drie dagen op het museum gezien, hij wist niets van haar ziekte af. Dit is een groot gemis voor deze familie, te meer de moeder ziekelijk is door ondervoeding."[6] Trudy Braat-Bertel, de zesentwintig jaar oude welgestelde huisvrouw uit Oegstgeest, realiseerde zich dat zelfs mensen in rijkere kringen aan honger overleden. Evenzo schreef Han de Wilde, een negenendertig jaar oude Leidenaar die bekend stond om zijn beddenzaak op de Breestraat: "Verder is het de dood in de pot. De dagen vliegen om dankzij bakkerijcontroles, spitten, zaaien en planten in mijn beide volkstuintjes, houthakken en boodschappen loopen (want fietsen is nog steeds hoogst gevaarlijk; nog iederen dag worden fietsen gevorderd!), maar het leven is dor, eentonig en uitzichtloos."[7] De Nederlandse samenleving verzwakte dus. Mensen stierven door honger en kou, men werd emotioneel zwakker bij de kleinste tegenslagen en de dagen waren uitzichtloos.


    Door het gebrek aan warmtebronnen was het zelfs binnenshuis koud. Bron: Wikipedia/NIOD

    Al het beschikbare hout werd verzameld. Zelfs de bomen aan de Hofvijver moesten er aan geloven. Bron: Wikipedia/NIOD

    Niet iedereen ervoer deze laatste maand als wanhopig. Zo waren er families die nog beschikten over een redelijke voedselvoorraad. Ook werden sociale contacten in stand gehouden. Zo vierde de familie van Th. Witting, een vijfendertig jaar oude huisvader uit Ypenburg, Pasen met een 'goed' ontbijt: "Om half acht zijn moeder, Jopie, Jantje en ik naar de mis gegaan en te communie geweest. Moeder heeft een koek gebakken. Van de keuken was het bietensoep. 's middags heb ik met de kinderen en de mecanodoos gespeeld. Vanavond eten we pap en soep."[8] Naast het vieren van Pasen, trouwdagen en verjaardagen bleef het geregeld bij elkaar komen en onderhouden van sociaal contact belangrijk, bijvoorbeeld bij Van Riemsdijk, de ex-marinier uit Den Haag: "ís Middags om twee uur werd door Betsy, mevr. Grelinger en Dr. Keilholz ten huize van den laatstgenoemden muziek gemaakt. Na afloop was er een luisterrijke borrel met allerlei lekkere dingen. O.a. een overvloed aan overheerlijke appelbeignets, broodjes met gerookte makreel, radijs enz. Daarna een diner dat er zijn mocht dezen tijd! Kabeljauw, aardappelen, sla (alles in overvloed), besproeid met een heerlijke Hongaarse wijn; vervolgens vleesch (rosbief), aardappelen met andijvie."[9] Ook J. M. G Beelen, een achttienjarig schoolmeisje uit Haarlem, bleef ondanks de honger minstens ťťn keer per week sporten: "Ik ga tennissen! Rietje Bonarius mag nu ineens niet. Vanavond ben ik naar A. v.d. Ham gegaan en naar L. Nieland. Die gaan allebei." [10] Naast het tennissen zag ze ook haar vrienden waar ze geregeld mee optrok. In totaal waren dertien dagboekschrijvers in de laatste oorlogsfase voorzien van voldoende eten dankzij voorraden die tijdens de oorlog waren opgebouwd. Daarnaast bezaten ze over voldoende financiŽle middelen om meer eten op de zwarte markt te verkrijgen. Deze personen kwamen vooral uit welgestelde kringen en rijkere families.

    Uit het voorgaande blijkt dus dat mensen naast honger en kou in deze laatste maand ook momenten van vreugde ervaarden. Het grootste moment van vreugde onder de dagboekschrijvers in deze maand vond echter plaats op 29 april, wanneer er voedseldroppings plaatsvonden. J. H. Kasten, een vijfenzestig jaar oude technisch ambtenaar in Leiden, vatte dit mooi samen: "In den middag heerschte er groote vreugde toen zeer vele zware bommenwerpers levensmiddelen voor de bevolking uitwierpen op 't vliegveld Valkenburg. Een groote enthousiaste menigte op de daken en schoorstenen der huizen en op de spoorbomen sloeg het schouwspel gade. Het was een Imposant gezicht. De nood is hier hoog gestegen, maar goddank is de redding nabij. Zo hopen wij dat elk uur het verlossende woord vrede kan weergalmen over de lage landen."[11] Ook Mia Boeree, een tienermeisje uit Leiden die veelal buiten was met vriendinnen, schreef over de voedseldroppings in haar dagboek: "kreeg koffie met echte melk thuis aan den maaltijd en wat een geschenk v. Engelsche vliegtuigen, grote zware bommenwerpers, die niemand voor serieus had genomen als niet werkelijk de pakketten neerkwamen op de vliegvelden, bij Valkenburg. Het was als Dolle Dinsdag, de menschen klommen op de daken, wuifden met zakdoeken, jubelden en de piloten groetten terug. Iedereen had nu het gevoel, de oorlog is nu afgeloopen, want dat is in volle oorlogstyd niet mogelijk!"[12] Wat dit laatste stukje bijzonder maakt is dat Mia constateert dat de oorlog al afgelopen is voor haar, hetgeen pas een week later gebeurt. Vijf dagboekschrijvers zagen in dat dergelijke hulp van de geallieerden nooit eerder had kunnen plaatsvinden.

    A. F. Koenraads, een veertigjarige onderwijzer uit Delft, vatte deze armada aan vliegtuigen anders op: "Sceptici vragen zich nu af, wat ze straks van al het ingeworpene op tafel zullen zien. Geheel ongelijk hebben ze niet. Dat er ergens wat aan de strijkstok blijft hangen, ach dat is nog niet het ergste. Het ergste is juist, dat we met zo'n gift uit de lucht, in leven gehouden moeten worden. Ik kan maar steeds de gedachten niet van me afzetten dat die hele ontketende armada ons geen stap verder bij de bevrijding heeft gebracht, ja dat ze hoogstens voor ons allen een dag voedsel heeft gebracht. Hoeveel te liever, had ik uit die kisten, parachutisten zien landen."[13] Ook J. A. Ladan, dertigjarig technisch tekenaar uit Den Haag, merkte op dat er kritiek heerste op de voedseldroppings. "R.A.F. zal pakketten met levensmiddelen uitwerpen. Dit is onderwerp van zeer heftige discussie!!! Men noemt het waanzin."[14] Zij zijn binnen het dagboekonderzoek de enige dagboekschrijvers die zich negatief uitlieten over de voedseldroppings, de rest toonde uitzinnige vreugde. In Leiden en Haarlem gingen de droppings overigens mis. De Leidse beddenverkoper Han de Wilde vermeldde dat bij een aantal mensen het egoÔsme de overmacht nam: "Helaas hebben enkele Katwijkers hun handen niet thuis kunnen houden en zijn ze aan het roven geslagen door of blikken open te snijden of bij zich te steken. Ze zijn gegrepen, hebben een stevig pak slaag gekregen, hebben met een bord om hun nek gestaan, waarop stond 'ik ben een dief'. Hun namen zullen in de kerk worden afgelezen, wat voor Katwijkers wel iets beteekent!"[15]


    Voedseldroppings in april 1945. Bron: Wikipedia/Nationaal Archief

    Voedseltransport op weg van Rhenen naar West-Nederland. De legertruck voert de witte vlag omdat de capitulatie nog niet is getekend. Bron: Wikipedia/Nationaal Archief

    Definitielijst

    geallieerden
    Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, ItaliŽ en Japan gedurende WO 2.

    Oorlogsnieuws

    Een tweede belangrijke zorg was de oorlogsvoering en de onzekerheid rondom de bevrijding. In de dagboeken bleek dat geallieerde vorderingen veel vreugde teweeg brachten. De vijfenveertigjarige lasser L. D. J. Thannhšuser uit Haarlem schreef begin april over de naderende geallieerden: "We zijn op het oogenblik allemaal vol moed, de berichten van alle fronten zijn meer dan goed, op verschillende plaatsen zijn de Amerikanen en Engelschen de Rijn overgestoken en dit is ook voor ons land van zeer veel belang, in het bijzonder voor dat gedeelte waar wij wonen namelijk het noordelijke boven de groote rivieren. We hebben alle hoop dat ook wij met een paar weken bevrijd zullen zijn, en al zal het dan ook nog geen pot zijn! Allicht toch iets minder slecht dan nu."[16] Naast de blijdschap en goede moed onder de mensen in Haarlem blijkt hier wederom dat men kampte met tekorten. Positief oorlogsnieuws zorgde desondanks toch voor vreugde. "Achterhoek vrijwel bevrijd. Weet verder niet veel, maar uit krant voldoende op te maken dat ít prachtig gaat!"[17], aldus de veertigjarige ambtenares C.D.M. van Erp Taalman-Kip uit Den Haag. Frontberichten brachten 38 dagboekschrijvers in een goede stemming, wanneer zij soortgelijk nieuws te horen kregen. Andere dagboekschrijvers beschreven hun reactie niet of waren terughoudend.

    Een werkeloze man uit Wassenaar, de veertigjarige Johan L. van Soest, beschreef zijn gevoelens op een andere manier: "Paaschen met Duitschers geweest! 1 april, eerste paasdag, het front rolt, zelfs begint het in het oosten van het land; op de 2e paaschdag sterker, steeds sterker. Maar hier!? Wel zijn veel Duitschers weg, maar steeds is de Ostkommandantur nog bezet, de wacht bij de telefooncentrale aanwezig... Blijdschap over de frontberichten, katerigheid dat hier nog niets is. Prachtig lenteweer, dat weer kil en regenachtig. Goede maaltijden, dan weer hol, leeg, hongerig gevoel, dat afschuwelijk geweld, in elk gezin hetzelfde!"[18] Er was sprake van enige vreugde wanneer de geallieerden dichterbij kwamen, maar ook een 'leeg' gevoel door het uitblijven van de bevrijding. Afwisselende optimistische en pessimistische gestemde berichten bleken vaker voor te komen, waaronder bij mevrouw Chr. Kroes-Ligtenberg, een dertigjarige huisvrouw uit Den Haag. Op 12 april schreef ze over het oorlogsnieuws: "Een schot van optimisme door de mensen, nu de berichten, vooral die uit Midden-Duitsland, zo gunstig zijn. Ook in ons land komt er schot in, en de verwachtingen van een spoedige bevrijding variŽren tussen een paar dagen en een paar weken."[19] De dag erna constateerde ze een geheel andere stemming: "De stemming was vandaag niet zo opgewekt als gister. Het gaat alles vooruit, maar er is geen groot nieuws en de plotselinge dood van president Roosevelt werpt een schaduw over de komende overwinning."[20]

    Een ander voorbeeld van deze stemmingswisselingen komt uit het dagboek van meneer Kerkhoven, de veertigjarige professor. Hij beschreef de spanning op 18 april, wanneer geruchten rondgingen dat de geallieerden Den Haag spoedig zouden bereiken. "De menschen worden zenuwachtig en kribbig van de spanning. De dwaaste geruchten loopen iedere dag. Door het magnifieke weer loopt alles in zomerkleren en dan zie je pas goed, hoe armzalig mager iedereen en alles is."[21] Enkele dagen daarna schreef hij het volgende: "Volgens de laatste berichten zijn de bevrijdende troepen nog 3 km van Amersfoort verwijderd en zullen ze in bevrijd gebied voor ons gaan bidden. Nou, dan weten we het wel, dan duurt het nog eeuwen voor we hier verlost zijn."[22] Het vertrouwen dat men bevrijd zou worden nam af. A. G. M. Batelaan-Van den Berg, een veertigjarige huisvrouw uit Leidschendam, schreef op 5 april: "Doch nu, na de avond berichten is mijn hoop weer verminderd. De Duitsers bieden in oostelijk Nederland meer tegenstand dan aanvankelijk scheen."[23] 34 dagboekschrijvers vertoonden deze optimistische en pessimistische stemmingswisselingen. Berichten als 'waar blijven de geallieerden?', 'waarom worden wij overgeslagen?', 'ze zullen hier nooit komen?' en 'is het volgende week zover?' bleken bij 43 dagboekschrijvers voor te komen.

    Een laatste bevinding die geregeld naar voren kwam in dagboeken was het gebrek aan juiste informatie. Eerder dit hoofdstuk werd al aangegeven dat de stroomvoorziening uitviel waardoor onder andere radio's stopten met werken. Bovendien werden nieuwsbladen bijna niet meer uitgegeven. Dit leidde ertoe dat een groot aantal oorlogsgeruchten door West-Nederland verspreid werden. "De hoop herleeft, vooral door alle geruchten, die de ronde doen. En al weten we langzamerhand wel wat geruchten waard zijn, je klampt je eraan vast als de drenkeling aan de strohalm."[24], aldus C. E. A. C. Arnold-Mees, een veertigjarige dokter uit Den Haag. De geruchten die in omloop waren, gaven hem hoop. Hoe anders was dit bij meneer Koenraads, de onderwijzer uit Delft: "Ik zat nog niet op de fiets, toen mijn buurmeisje het me nieuws toeriep: 'Ze zijn de IJssel overgestoken'. Mijn eerste reactie is een soort sceptisme. Je gelooft niets meer en vooral nu, nu de laatste krant is weg gevallen, worden de werkelijk betrouwbare berichten al schaarser."[25]


    Stiekem luisteren naar Radio Oranje Bron: Collectie SPAARNESTAD PHOTO/Breyer

    De dagboekschrijvers reageerden wisselend op deze geruchten. Meer dan de helft probeerden deze geruchten te negeren omdat ze niet bevestigd konden worden, zoals meneer Koenraads dit deed. Een van de meest interessante geruchten en speculaties was een invasie aan de Nederlandse kust. Op 19 april hing er namelijk een 'rookgordijn' voor de Nederlandse kust, een gebeurtenis die niet beschreven wordt in de secundaire literatuur. Martinus Alexander Wertheim, een veertigjarige ondergedoken joodse man in Den Haag, schreef: "Op donderdag 19 april hangt er ís ochtends een rookgordijn langs de geheele kust. Men klimt op de daken om het te zien. Zouden de geallieerden nu werkelijk een landingsoperatie van zins zijn? Er wordt druk gevlogen; het is mooi zonnig weer, maar er staat nog al wat wind. Mijn gastheer, die op het dak van een der gebouwen van de elektriciteitsfabriek is geklommen, heeft kunnen constateren, dat het gordijn van de Hoek van Holland tot ver Noordwaarts hing."[26] Ook S. H. Sprang-Nortier, een vijfendertigjarige huisvrouw wonend met haar gezin aan het Rapenburg in Leiden, beschreef de geruchten rondom het rookgordijn: "'s Middags ging het praatje, dat er een rookgordijn zou hangen boven de kust van H. van Holland tot IJmuiden. Dergelijke praatjes hebben bijna geen vat meer op ons, maar toch, het was een kleine moeite, gingen Clara en ik toen naar de zolder om ons ervan te overtuigen, dat het niet waar was. Maar wie beschrijft onze verassing, toen wij ontdekten, dat er inderdaad boven de kust, voor zover die te zien is, een dikke wolkenbank hing! Dat moet dus betekenen: een invasie!"[27]

    Een invasie, terugtrekkende Duitsers of gewoon een mistbank? Dit soort speculaties verspreidden zich snel in de laatste maand van de oorlog. Zoals ook in het laatste citaat is te lezen, geloofde niet iedereen deze geruchten meteen. Bij de 34 dagboekschrijvers die stemmingswisselingen vertoonden, waren geruchten de grootste bron van optimisme en pessimisme. Dezelfde stemmingswisselingen bleken ook in Rotterdam plaats te vinden. In Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog constateert Van der Pauw dat in april en mei pessimisme en optimisme elkaar snel afwisselden in Rotterdam. Deze afwisseling wordt in verband gebracht met het lange wachten op en de onzekerheid rondom de bevrijding.[28]

    Definitielijst

    geallieerden
    Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, ItaliŽ en Japan gedurende WO 2.
    invasie
    Gewapende inval.

    Zorgen over de toekomst, reflectie op het verleden

    Als laatste hielden een zestal dagboekschrijvers zich voorafgaand aan de bevrijding bezig met de toekomst van Nederland en keken ze terug op vijf jaar bezetting. Zij richtten zich vooral op de veranderingen binnen de Nederlandse samenleving die deze periode teweeg heeft gebracht. De vierenzeventig jaar oude Ernst Heldring, een oud Eerste Kamerlid wonend in leiden, schreef: "Ons land hebben de verslagen indringers volkomen geruÔneerd achtergelaten, veel verwoest, geÔnundeerd en opzettelijk vernield of meegevoerd. Ik behoef dienaangaande niets te zeggen: het wordt voldoende geboekstaafd en de te verwachten moeilijkheden in het herstelwerk zullen het bevestigen. De moraliteit is op ontstellende wijze gezonken."[29] Hij constateerde een daling van het moreel tijdens de bezettingsjaren en een ineenstortend land door de Duitse overheersing. Voorafgaand aan het onderzoek was de verwachting gewekt dat meerdere dagboekschrijvers zouden reflecteren op het verval van de Nederlandse maatschappij door Duitse bezetters. Het bleek echter bij een handvol dagboekschrijvers voor te komen. De reden hiervoor was hoogstwaarschijnlijk de erbarmelijke toestand, zoals deze beschreven is in voorgaande paragrafen. Men was er vooral op gericht het gezin in levende te houden en de oorlog door te komen in plaats van reflecteren op het verleden.

    D. van Elsas, de vijftigjarige procuratiehouder op een bankierskantoor in Den Haag, schreef zeer interessante passages over de oorlogsvoering en het moreel. Zo ook wanneer hij te spreken kwam over wreedheden gepleegd door Duitsland. "Hoe erg dat wel is toont de manier waarop elke generatie daar hunkert en streeft naar een frischen frohlichen krieg, toont de manier waarop dit volk als moderne hunnen dien frischen frohlichen krieg voert. Maar boven dit alles staat de walging die het wekt bij een geheele wereld der menschen, door de bloeddorstige behandeling van weerloozen. In deze periode 1939 Ė 1945 openbaar geworden in de concentratiekampen en gevangenissen. Honderdduizenden, neen miljoenen vertellen het niet na hoe walgelijk ze mishandeld zijn voor hun dood."[30]

    Daarnaast keek men vooruit naar de toekomst van Nederland en de nieuwe wereldorde. Hier was procuratiehouder D. van Elsas eveneens zeer interessant. Zo vreesde hij voor de behandeling van Duitsland na de oorlog: "Een ieder kieze geen herhaling meer van 1919!!! Maar een radicale oplossing van elke gram Deutschtum, de wortel van het kwaad der 2 wereldoorlogen in 25 jaar tijd. Bestrijden van dat gevoel van het lichaam der naties om te voorkomen dat alles blijvend te gronde gaat."[31] Duitsland moest niet bestraft worden, zoals dat na de Eerste Wereldoorlog gebeurd was met hoge herstelbetalingen, territoriale inperking en afschaffing van het Duitse leger etcetera. Dit zou logischerwijs voor nog een oorlog zorgen, aldus meneer Van Elsas. Een dertig jaar oude ingenieur bij een gasbedrijf in Den Haag, A. H. H. Backer van Ommeren, schreef over de toekomst van Nederland: "Hoe ontzettend moeilijk zal het straks weer zijn om te beginnen aan de opbouw, zonder verbindingen per spoor, tram, of zelfs auto. Zonder grondstoffen en met een mentaliteit van den mens die meer gericht is op voedsel, roven, plunderen en vernielen. Juist waar het er hard nodig is om de handen aan de ploeg te slaan, zijn de mogelijkheden daartoe erg gering."[32] Hij vreesde begin april al voor de wederopbouw van Nederland.

    Een laatste voorbeeld van vooruitblikken is te vinden in het dagboek van R. Ledeboer, een vijfendertigjarige oogarts in Den Haag. Hij beschreef de oprichting van een intergouvernementele organisatie met als doel geschillen tussen landen te voorkomen: "Als hoofd considerans: de wereld heeft behoefte aan een organisatie internationaal Ė om tot rust te komen. Dus 1. Er moeten naties blijven bestaan. Deze zijn dus soevereine eenheden. 2. Men heeft dus een internationale politiemacht noodig. Tweede hoofdconsiderens: Men zal meeningsverschil tusschen naties nooit kunnen voorkomen. Dat wil zeggen oorlogskansen kan men nooit de wereld uithelpen."[33] Ook hij baseerde zich in een soortgelijke passage op de situatie na de Eerste Wereldoorlog, waarbij een aantal maatregelen genomen werden om een nieuwe oorlog met Duitsland te voorkomen, net als meneer Van Elsas. Hij zag in dat er een Volkenbond moest komen zonder absolute macht zodat toekomstige geschillen tussen landen vreedzaam opgelost konden worden.

    Definitielijst

    Eerste Wereldoorlog
    Ook wel Grote Oorlog genoemd, conflict dat ontstond na een groei van het nationalisme, militarisme en neo-kolonialisme in Europa en waarbij twee allianties elkaar bestreden gedurende een vier jaar durende strijd, die zich na een turbulent begin, geheel afspeelde in de loopgraven. De strijdende partijen waren Groot-BrittanniŽ, Frankrijk, Rusland aan de ene kant (de Triple Entente), op den duur versterkt door o.a. ItaliŽ en de Verenigde Staten, en Duitsland, Bulgarije, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk aan de andere kant (de Centrale Mogendheden of Centralen). De strijd werd gekenmerkt door enorme aantallen slachtoffers en de inzet van vele nieuwe wapens (vlammenwerpers, vliegtuigen, gifgas, tanks). De oorlog eindigde met de onvoorwaardelijke overgave van Duitsland en zijn bondgenoten in 1918.
    Volkenbond
    Internationale volkerenorganisatie voor samenwerking en veiligheid (1920-1941). De bond was gevestigd in GenŤve, in het altijd neutrale Zwitserland. In de dertiger jaren kon zij weinig uitrichten tegen het agressieve optreden van Japan (Mantsjoerije), ItaliŽ (AbessiniŽ) en Hitler. De Volkenbond was in feite de voorganger van de Verenigde Naties.

    Conclusie

    Uit dit hoofdstuk kunnen een aantal conclusies getrokken worden. Allereerst blijkt uit het dagboekonderzoek en de hierbij gepresenteerde voorbeelden dat er een snelle wisseling plaatsvond tussen optimisme en pessimisme. Bij 34 dagboekschrijvers was deze emotionele wisseling terug te vinden. Wanneer er vorderingen op het West- en Oostfront werden gemaakt, de voedselvoorraad toenamen, of het buiten warmer werd, werd een toenemende vreugde onder de dagboekschrijvers geconstateerd. Deze toenemende vreugde kon snel verdwijnen door tegenslagen aan het front, zoals hevig verzet van jonge SS troepen bij Zutphen, waardoor de stad pas na vier dagen bevrijd kon worden. Geruchten waren een andere belangrijke bron voor deze stemmingswisselingen. Andere dagboekschrijvers toonden deze emotiewisselingen ook, echter duurde het langer voordat deze emotiewisseling plaatsvond of was deze minder sterk. De grootste bron van teleurstelling waren de geruchten die in deze periode verspreid werden. Deze conclusies komen overeen met die van Van der Pauw in zijn boek Rotterdam in de oorlog. Hij trof namelijk dezelfde wisselingen tussen optimisme en pessimisme aan in Rotterdam.

    Ten tweede blijkt dat in de laatste oorlogsmaand het overgrote deel van de dagboekschrijvers nauwelijks rond kon komen van het voedsel dat beschikbaar was, wat veel ontevredenheid veroorzaakte. Er waren 46 dagboekschrijvers afhankelijk van de gaarkeukens en de voedselbank. Geld voor de zwarte markt was er vaak niet meer. Deze dagboekschrijvers kregen minder dan 340 calorieŽn per dag binnen en hadden de grootste moeite wat extra's op tafel te krijgen. Een kleine groep van dertien dagboekschrijvers wist echter met de opgebouwde voorraden en de zwarte markt redelijk rond te komen. Deze groep hield regelmatig bijeenkomsten waarbij uitbundig werd gegeten en literatuur of muziek behandeld werd. Sociale contacten bleven bij alle dagboekschrijvers bestaan. Families bleven wanneer dat mogelijk was uitkijken naar elkaar. Bij zeven dagboekschrijvers is hierover echter onduidelijkheid, omdat zij niet schreven over hun privťleven. Zij richtten hun dagboeken vooral op het beschrijven van de honger en de naderende geallieerden.

    Een laatste verschijnsel dat in zes dagboeken geconstateerd is, was het vooruitkijken op de periode na de oorlog en terugkijken op vijf jaar bezetting. Wanneer men op de bevrijding terugblikte waren de veranderingen die binnen de Nederlandse samenleving veroorzaakt werden toonaangevend. Bij het vooruitkijken bleek de inrichting van Nederland, internationale samenwerking en de behandeling van Duitsland belangrijk. Tegen verwachtingen voorafgaande aan het onderzoek in hield men zich veel meer bezig met het heden. Bevrijd worden had de hoogste prioriteit. Naarmate dit langer duurde nam de ontevredenheid toe. Opmerkingen als 'het duurt te lang', 'wanneer komen ze nou hier?', 'het is merkwaardig stil hier', 'wij zullen maar afwachten' en 'zal het komende week gebeuren?' kwamen in maar liefst 43 dagboeken voor. De komst van de bevrijders was het belangrijkste. Daar werd door iedereen naar uit gekeken.

    Lees ook:

    Of download het volledige onderzoek als PDF-bestand:

    Noten

    1. F.J. Wijkhuizen, Dagboek, 38 (10 april 1945).
    2. C.L.M. Kerkhoven, Dagboek, 83 (22 april 1945).
    3. Fie van Baaren, Dagboek, 36 (28 april 1945).
    4. Rudolf Jacob Lodewijk Simons, Dagboek, 841 (1 mei 1945).
    5. J.S. Bartstra, Dagboek, 249 (eind april 1945).
    6. W. G. J. Braat-Bertel, Perzisch kleed voor een kistje aardappels - Oegstgeest 1940-1945: Uit het dagboek van Trudy Braat-Bertel (Oegstgeest 2010) 147 (21 april 1945).
    7. A. D. van Berge Henegouwen en J. A. van Doorn-Beersma, Oorlogsdagboek Han de Wilde (Leiden 2015) 571 (21 april 1945).
    8. Th. Witting, Dagboek, 45 (1 april 1945).
    9. Van Riemsdijk, 67 (2 april 1945).
    10. J. M. G. Beelen, Dagboek, 744 (13 april 1945).
    11. J. H. Kasten, Dagboek, 36 (29 april 1945).
    12. Mia Boeree, Dagboek, 74 (29 april 1945).
    13. A. F. Koenraads, Dagboek, 538 (29 april 1945).
    14. J. A. J. A. Ladan, Dagboek, 47 (25 april 1945).
    15. Van Berge Henegouwen en Van Doorn-Beersma, Dagboek, 521 (30 april 1945).
    16. L. D. J. Thannhšuser, Dagboek, 132 (2 april 1945).
    17. C. D. M. van Erp Taalman-Kip, Egodocument, 123 (4 april 1945).
    18. Johan L. van Soest, Dagboek, 32 (5 april 1945).
    19. Chr. Kroes-Ligtenberg, Dagboek, 94 (12 april 1945).
    20. Ibidem, 95 (13 april 1945).
    21. Kerkhoven, 77 (18 april 1945).
    22. Ibidem, 81 (21 april 1945).
    23. A. G. M. Batelaan-Van den Berg, Dagboek, 132 (5 april 1945).
    24. C. E. A. C. Arnold-Mees, Dagboek, 69 (14 april 1945).
    25. Koenraads, 524 (19 april 1945).
    26. Martinus Alexander Wertheim, Dagboek, 317 (20 april 1945).
    27. S. H. Sprang-Nortier en familieleden, Dagboek deel 4 en 5, 41 (19 april 1945).
    28. J. L. van der Pauw, Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2006) 6.
    29. J. Vries, Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring 1871-1954 (Groningen 1970) 1455 (5 mei 1945).
    30. D. van Elsas, Dagboek, 914 (21 april 1945).
    31. Ibidem, 926 (29 april 1945).
    32. A. H. H. Backer van Ommeren, Egodocument Backer van Ommeren, 672 (8 april 1945).
    33. R. Ledeboer, Dagboek, 40-41 (1 mei 1945).

    Definitielijst

    geallieerden
    Verzamelnaam voor de landen / strijdkrachten die vochten tegen Nazi-Duitsland, ItaliŽ en Japan gedurende WO 2.