De website is nu nog groter en beter geworden! Go2War2.nl is vanaf nu volledig samengevoegd met TracesOfWar.nl. Vanaf nu is de sectie Artikelen ook beschikbaar. Veel meer informatie in een groter jasje!

Het leven in Buchenwald

    Het begin
    Weimar, zomer 1937, een mooi, pittoresk stadje in Thüringen. De stad waar onder andere Goethe, Schiller, Liszt en Bach een aanzienlijk deel van hun leven hebben doorgebracht.
    Vijf kilometer verder de Ettersberg waar één van de eerste concentratiekampen van het Nazi-regime, werd opgericht. Op 16 juli 1937 kwamen de eerste driehonderd gevangenen aan in Konzentrationslager Ettersberg dat vanaf 6 augustus 1937 bekend stond als KL Buchenwald. Het was in eerste instantie bestemd voor politieke tegenstanders van het nationaalsocialisme, zware criminelen, "asocialen", Getuigen van Jehova, Joden … .

    Vanaf september 1939 werden er mensen uit heel Europa in Buchenwald opgesloten. Het was geen specifiek uitroeiingskamp, zoals Auschwitz, maar door gedetineerden voor de vernietigingskampen te selecteren maakte Buchenwald deel uit van het nazi-vernietigingsapparaat. Er werd een ander moordprocédé in de praktijk gebracht: Vernichtung durch Arbeit. En gearbeid moest er worden. Urenlang zonder voldoende voedsel, hygiëne, kledij. Het kamp werd volledig aangelegd door de gevangenen. Zij rooiden de bomen, houwden stenen uit in een steengroeve, plaatsten de prikkeldraad, bouwden de barakken. Velen stierven van uitputting.

    Het kamp lag boven aan de Ettersberg midden in het woud. Om de bereikbaarheid te vergemakkelijken werd een lange weg aangelegd van de voet van de berg tot aan de kamppoort (met het opschrift Jedem das Seine). De Bloedstraat werd in hoog tempo aangelegd en kostte duizenden het leven. De weg is nog steeds voor een deel in de oorspronkelijke staat, ter herinnering aan de vele doden. De weg vanaf het kampstation tot aan de lagerpoort werd de Carachoweg genoemd. Dit Russische woord betekent eenvoudigweg "goed", maar kreeg verschillende invullingen. "Caracho" riepen de SS’ers. Toen moesten de pas aangekomen gevangenen dit stuk in Laufschritt afleggen, opgejaagd door geweerkolven, laarzen en honden. Wie te ver uit de rij liep of viel, werd genadeloos afgemaakt. Wie "geluk" had, werd doodgeschoten; de meesten werden doodgeschopt.

    Steeds meer gevangenen stroomden toe. Eind september 1939 waren er 8.634. Op 31 december 1943 verbleven er 37.319, in december 1944 63.048, eind maart 1945 80.436. In totaal overleefden 56 545 Schützhäftlinge de hel van Buchenwald niet. Daarbij moeten nog de vele duizenden gerekend worden die "ter vernietiging" naar andere kampen, zoals Auschwitz, werden gevoerd. Officieel bedroeg hun aantal meer dan 13.000.

    Het kampleven
    Het leven in een concentratiekamp werd in de eerste plaats gekenmerkt door de ontmenselijking. Zodra je de poort binnenging, was je niet langer een mens. Je was nog minder waard dan de zwijnen. Het kamppersoneel nam je persoonlijke kleren af: voortaan liep je, zoals iedereen, in een soort zebra-uniform rond. Je werd kaalgeschoren en bovenal, je kreeg een nummer. Je had niet langer een naam, maar een nummer. Deze tactiek werd in alle kampen toegepast: het was een goede methode om het geweten van de bewakers te sussen. Ze gingen niet om met mensen, maar met nummers. Ze doodden naamlozen die het niet waard waren om te leven. Niemand, zelfs de meest geharde SS’er, werd graag persoonlijk door het enorme lijden in een KZ aangesproken. Je zette je leven op het spel, wanneer je een bewaker in de ogen durfde te kijken. Die onzichtbare barrière tussen het lijden van de gevangenen en de persoonlijke sfeer van de bewakers mocht je niet doorbreken.

    De bewakers trachtten de kameraadschap tussen de gevangenen zoveel mogelijk te ondermijnen en de onderlinge jaloezie te versterken. Zo mochten sommige gevangenen brieven schrijven, maar ze kregen er geen. Anderen kregen dan wel brieven, maar mochten er geen schrijven. Slechts enkele gelukkigen kregen beide voordelen, vele anderen geen van beide. Joden, Sinti en Roma kregen steeds het meest zware werk en het minste eten. Het was de andere gevangenen streng verboden hen te helpen. Wie de SS’ers daarop toch betrapten, werd onder hetzelfde regime geplaatst.

    Elke dag stonden de gevangenen in alle vroegte op. Dan was het tijd voor Bettenbau: het opmaken van de bedden. Elk "bed", bestaande uit een houten bak, een strozak en een deken moest perfect opgemaakt zijn, anders werd de hele barak gestraft. Vervolgens ging het, telkens in Laufschritt, naar de waszaal en het Wohnraum (waar ze zich omkleedden). Tijdens het appel telden de bewakers het aantal gevangenen. Dit was ook het moment voor het uitvoeren van straffen en executies. Vaak stonden geïnterneerden uren in de kou en regen omwille van een klein vergrijp of omdat de SS-bewakers daar zin in hadden. Na het ochtendappel volgde een werkdag van twaalf uren (hout hakken, stenen uithouwen, wegen aanleggen, barakken bouwen, …) op een regime van een paar honderd gram brood en een halve liter watersoep - als de SS’ers tenminste het eten wilden verdelen. Vele gevangenen werkten in Gustloff-Werke, een wapenfabriek nabij Weimar. In 1942 werd een afdeling vlak naast het KZ opgericht. Anderen houwden hele dagen stenen uit in de vlakbij gelegen steengroeve. Die stenen werden in enorme karren, getrokken door gevangenen, naar het kamp vervoerd. Ondertussen moesten zij zingen; de SS’ers noemden hen de "Zingende Paarden". Naast de gewone Arbeitskommandos bestond er ook een Sonderkommando: vrijwilligers die de doden opraapten en ze naar crematoria in Weimar, Jena en Leipzig brachten. Buchenwald had pas vanaf de zomer van 1940 zijn eigen crematorium. ’s Avonds werd opnieuw appel gehouden. Telkens moesten de gevangenen geteld worden. Als het aantal niet klopte, werd telkens opnieuw geteld. Zo kon een appel drie tot vier uur duren, met als trieste uitschieter 14 december 1938. Dat appel duurde negentien uur, omdat drie personen niet gevonden werden. Al die tijd moesten de gedeporteerden blijven staan: wie durfde te bewegen, werd geschopt en geslagen, meestal tot de dood erop volgde. Wie ineenzakte, mocht niet worden geholpen. Vijfenzeventig mensen overleefden die nacht niet.

    Arbeid stond centraal in het kampleven. Het ene project was nog niet afgerond, toen er al met een nieuw werd begonnen. Eén van de grootste projecten was de aanleg van de spoorweg naar Buchenwald. Dit gebeurde vrij laat. Pas op 17 maart 1943 begonnen het werk aan de lijn Weimar-Buchenwald. De spoorweg, volledig aangelegd door de gevangenen, werd in amper vier maanden voltooid: op 21 juni 1943 arriveerde de eerste lading nieuwe slachtoffers per trein. Om het toenemend aantal gevangenen te herbergen, moesten er steeds meer barakken gebouwd worden. Er kwam ook een Sonderlager voor de eerste Polen. Minder dan de helft van de 3000 mannen overleefden dat Sonderlager. Begin 1940 begon de bouw van het crematorium. Later kwamen er nog een quarantainekamp, een gevangenenkantine en een speciaal kamp voor Sovjetkrijgsgevangenen. Dit alles werd door de kampbewoners zelf opgebouwd, telkens in een verschrikkelijk tempo en ten koste van vele levens.

    De honger was er voortdurend. Niemand kreeg genoeg te eten of te drinken. Vaak vonden de SS’ers één of andere reden om geen eten uit te delen. Kampcommandant Koch besliste geregeld dat de voedselrantsoenen voor de Joden naar de zwijnen gingen. Soepketels werden omver gegooid, waarna steeds vechtpartijen ontstonden voor de kleine stukjes aardappel en (vaak rot) vlees in de soep. Het voortdurende gebrek aan de meest elementaire voeding leidde tot een ziekte die Buchenwalditis werd genoemd. Eerst verloren de gedeporteerden hun vet, later hun spieren tot dat ze uiteindelijk niet meer dan levende skeletten waren. Alles wat ook maar enigszins eetbaar was, werd gegeten. Tyfus, dysenterie, schurft en andere ziekten behoorden tot de gewone gang van zaken. Om aan extra rantsoen te geraken, waren de gevangenen zeer vindingrijk. Zo sleepten twee levenden een dode mee om extra portie brood te krijgen. Wie betrapt werd - en dat gebeurde vaak - mocht in het beste geval een aantal dagen zonder eten doorbrengen.

    In de aftakeling en uitputting onderscheidden de geïnterneerden zelf verschillende fasen. Een Muselmann was een gevangene die de eerste tekenen van dodelijke gelatenheid (wankele passen, afwezige blik) vertoonde. De Lunatik (Pools voor maanman) was zo ver heen dat hij niemand meer kende en als een geest door het kamp dwaalde. Deze toestand hield twee tot drie dagen aan en werd onvermijdelijk gevolgd door de dood.

    Definitielijst

    Nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.

    Afbeeldingen

    De toegangspoort van Buchenwald met het opschrift Jedem das Seine Bron: Gerd Van der Auwera.
    De laatste halte van vele Buchenwaldgevangenen Bron: Gerd Van der Auwera.
    De appelplaats Bron: Gerd Van der Auwera.
    De vroegere barakken zijn afgebroken, maar de plaatsen waar ze stonden, zijn nog gemerkt met deze donkerbruine stenen. Bron: Gerd Van der Auwera.

    De kamporganisatie en de misdaden

    De kamporganisatie
    De SS-bewakers verbleven in ruime, degelijke kazernes net buiten de omheining van het kamp. In een luxueuze villa woonde Lagerkommandant Karl Otto Koch die de algemene leiding had en diens vrouw Ilse, die bekend stond als die Hexe von Buchenwald omwille van haar sadistische ingevingen. In februari 1942 werd Koch vervangen door Hermann Pister, een even harteloze SS’er. Koch werd nog kampcommandant in Majdanek, maar in juni 1943 werd hij vervolgd wegens corruptie en fraude. Hij werd in april 1945 geëxecuteerd.

    Koch, en later Pister, waren sterk in het uitvinden van allerlei nieuwe pesterijen en straffen, maar maakten hun handen niet vuil aan de opgeslotenen. Daarvoor hadden ze andere SS-beulen die hun taak met plezier verrichten. SS-Sturmbannführer Otto Barnewald stond bekend om zijn wreedheid, maar SS-Hauptscharführer Martin Sommer was zo mogelijk nog erger. Hij had de leiding over de Bunker, de kampgevangenis. Wie daarin terechtkwam, was overgeleverd aan de willekeur van Sommer. Hij heeft persoonlijk tientallen gevangenen vermoord. Eén van zijn favoriete “spelletjes “ was het paalhangen: de handen van de slachtoffers werden op de rug gebonden, waarna ze aan de handen omhoog werden gehangen. Hierdoor geraakten hun schouders helemaal ontwricht en konden zij hun armen meerdere dagen nauwelijks gebruiken. Degenen die het overleefden, moesten de dag nadien gewoon weer aan het werk. Velen werden neergeschoten, omdat ze, volgens de bewakers, “lijntrekkers” waren. Een andere marteltechniek was het krumschliessen: de Häftling werd zodanig achterover gebogen dat zijn polsen aan zijn enkels konden worden vastgebonden en zijn lichaam een cirkel vormde. Sommer schopte die gevangenen dan voort tot ze geen teken van leven meer gaven.

    De interne leiding van de kampen werd overgelaten aan de gevangenen zelf, vooral aan de meest criminele. In een concentratiekamp onderscheidden de nazi’s verschillende soorten gevangenen. Misdadigers die meestal hun straf hadden uitgezeten, maar te gevaarlijk waren om te worden vrijgelaten, kregen een groene driehoek op de mouw. De Grüne (of zielony) werkten vaak samen met de bewakers en kregen verschillende functies in het kamp, bijvoorbeeld als Lagerälteste. Hij was letterlijk de kampoudste en voorzitter van de Blockältesten. Hij was verantwoordelijk voor de interne orde in het kamp. Indien de SS-Führer niet aanwezig was, trad hij op als plaatsvervanger. De Lagerälteste, meestal een misdadiger van de ergste soort, was een vertrouwensman van de SS. Daaronder stonden de Blockälteste, de blokoudsten: als rechterhand van de SS-Blockführer hadden zij de leiding over een bepaald blok in het kamp. De Stube-älteste of kameroudste, bijgestaan door de Stubedienst, stond mee in voor de voedselbedeling en de zindelijkheid. Op, naar en van het werk heersten de kapo’s. Zij waren het hoofd van een arbeidsgroep. Deze bevoorrechte banen vielen meestal toe aan de Grüne. In ruil voor hun medewerking en trouw kregen ze meer en beter eten, sigaretten en ontsnapten ze (meestal) aan de martelingen en pesterijen van de SS. Om het baantje te behouden, ranselden ze er duchtig op los. In Buchenwald was Otto Schubert één van de meest gevreesde Blockälteste. Vaak stond hij aan de zijde van Sommer wanneer er iemand gestraft werd. De politieke gevangenen (communisten, vakbondsleiders, oppositieleden) kregen een rode driehoek. Zij waren sterk vertegenwoordigd in Buchenwald. De bekende arbeidersleider Ernst Thälmann werd er op 18 augustus 1944 doodgeschoten. Homoseksuelen (Arschficker) werden een roze driehoek opgespeld. De zwarte driehoek was voorbehouden voor de “asocialen”. Joden waren uiteraard te herkennen aan hun gele ster. Bijbelvorsers zoals de Jehova’s getuigen hadden een paarse driehoek. Wie een Fluchtpunkt boven zijn driehoek had, had een ontsnappingspoging achter de rug. Later werden gesnapte vluchtelingen onmiddellijk terechtgesteld. SS-bewakers kregen zelfs enkele dagen verlof wanneer ze een vluchtende gevangene neerschoten.

    De misdaden
    Zoals gezegd was Buchenwald geen kamp waar planmatig volkerenmoord plaatsvond. Toch zijn er op grote schaal krijgsgevangenen gedood. Vanaf oktober 1941 begonnen de SS’ers met een systematische uitroeiing van Sovjetkrijgsgevangenen. Een oude paardenstal werd omgebouwd tot een ware moordfabriek. In een ruimte die als “medisch kabinet” diende, werden de Sovjets onderzocht door als dokters vermomde SS’ers. Daarbij moesten ze plaatsnemen onder een meetlat. Er bevond zich een gaatje in de wand ongeveer ter hoogte van de nek, waardoor de onwetende krijgsgevangenen werden doodgeschoten. Tegelijkertijd stond er een radio zo luid te spelen dat de andere Sovjets, hun beurt in een aanpalend vertrek afwachtend, niet wisten wat er ging gebeuren. Op die manier werden 8.483 Sovjets door SS-Kommando 99 doodgeschoten.

    De SS-bewakers hadden enkele favoriete spelletjes. Bij het “bergbeklimmen” moest de gevangene de steile rots van de steengroeve opklimmen. De meeste vielen, vroeg of laat, van de rots. Wie onverwacht toch de top bereikte, schopten de SS’ers de afgrond in. SS-Oberscharführer Schmidt, de vindingrijkste, liet gedeporteerden aap spelen: ze moesten in een boom gaan hangen tot hun armen het niet meer konden houden. Soms dwong hij het slachtoffer tot in de boomtop te klimmen, waarna de andere gevangenen met de boom moesten schudden tot de ongelukkige eruit viel.

    In het kamp was een vlektyfus-proefstation aanwezig. Hier voerde het Gezondheidsinstituut van de Waffen-SS proeven op mensen uit. Vooral Joden waren proefkonijnen. Ze werden met tyfusbacillen, strychnine, vaak gewoon lucht ingespoten (abspritzen). Zo konden allerlei serums, geproduceerd in het vlektyfusserum-instituut, uitgetest worden. Niemand overleefde zo’n injectie.

    Misschien wel het meest gruwelijke gebeurde in het pathologisch blok, de plaats waar de lijken werden geplunderd voor ze naar het crematorium gingen. Alles wat ook maar enigszins van waarde was (bijvoorbeeld gouden tanden), werd weggenomen. Dit gebeurde in alle kampen. In Buchenwald (net als in Sztutowo) werd ook de huid van getatoeëerde gedeporteerden afgestroopt en gelooid. Van die huiden werden zaken als lampenkappen, boekenkaften, handtassen en muurdecoraties gemaakt. Bovendien gebruikten SS-“geleerden” hoofden van politieke gevangenen om verschrompelde hoofden te maken volgens het procédé van de Jivaro-indianen. Gevangenen die in deze afdeling werkten, hebben getuigd dat de SS’ers bestellingen voor dit soort “cadeautjes” kregen.

    Definitielijst

    Führer
    Duits woord voor leider. Hitler was gedurende zijn machtsperiode de führer van nazi-Duitsland.
    kapo
    Een Kapo was een gevangene in een concentratiekamp van nazi-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog, die als taak had op de andere gevangenen toe te zien. Een Kapo moest voor de SS het werk van de gevangenen begeleiden en hij was verantwoordelijk voor hun resultaten.
    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.

    Afbeeldingen

    Lagerkommandant Karl Otto Koch
    Het crematorium waar de slachtoffers van Buchenwalds harde regime werden verbrand Bron: Gerd Van der Auwera.
    De Bunker, de plaatselijke gevangenis van Buchenwald Bron: Gerd Van der Auwera.

    Het einde

    Het einde
    In Buchenwald hadden de geïnterneerden een sterke verzetsorganisatie, het Internationaal Lagercomité, opgebouwd. Vooral de Duitse communisten, onder leiding van Walter Bartel, waren de voortrekkers. De leden waren hoofdzakelijk Rote, politieke gevangenen. Aanvankelijk bleven hun activiteiten beperkt tot het stelen van allerlei materiaal en voedsel van de Duitsers en kleine sabotages. De Rote trachtten intussen zoveel mogelijk de Grüne te verdringen uit hun bevoorrechte postjes. Het uitbreiden van hun verzetsorganisatie verliep heel geleidelijk. Voor nieuwe leden werden ingewijd, moest er absolute zekerheid zijn over hun trouw. Een verrader zou de dood betekenen van de verzetsleden.

    Vanaf de zomer van 1943 werden de activiteiten uitgebreid. Het Internationaal Lagercomité, waartoe ook heel wat Joden behoorden, begon radio’s te maken. Leden die in de wapenfabriek werkten, ontvreemdden handwapens, geweren en granaten. Er werd zelfs een clandestien Russisch blad uitgegeven. Omdat de organisatie erin slaagde vertrouwenspersonen op posten in de kampadministratie te plaatsen, konden ze terdoodveroordeelden verborgen houden of een andere identiteit geven.

    Vanaf 6 april 1945 begon de grond te heet te worden onder de voeten van de nazi’s. De Amerikaanse troepen naderden met rasse schreden. Er werd een evacuatie van het kamp bevolen. Op dat moment waren er nog zo’n 47.500 gevangenen. In de volgende dagen werden meer dan 28.000 personen te voet of per trein in de richting van Dachau en Theresienstadt gedreven. Zeven- tot achtduizend onder hen overleefden de dodenmarsen niet. Die evacuaties waren het sein voor de verzetsorganisatie om in actie te komen. Dankzij de sleutelposities die ze in de kampadministratie innamen, slaagden ze erin de SS-orders te vertragen, waardoor het kamp niet volledig geëvacueerd kon worden.

    Tegen 11 april waren de meeste SS’ers gevlucht. Het Internationaal Lagercomité wachtte niet op de komst van de Amerikanen. De leden haalden de wapens tevoorschijn, bezetten de wachttorens en overmeesterden enkele tientallen SS’ers. Die dag werden 21.000 gedeporteerden bevrijd, waaronder 4.000 Joden en een duizendtal kinderen en jongeren. Op 12 april werd een algemeen vrijheidsappel gehouden en een dag later bereikten Amerikaanse troepen het kamp. Op bevel van de Amerikaanse bevelhebber Patton werden een duizendtal inwoners van Weimar verplicht naar Buchenwald te komen en de misdaden van de nazi’s te aanschouwen.

    Nageschiedenis
    Het terrein van KZ Buchenwald werd in de periode van 1945-1950 door de Sovjets als interneringskamp gebruikt. Vele voormalige NSDAP-leden of mensen die de nazi’s hand- en spandiensten hadden verleend, kwamen er terecht. Net als bij de nazi-terreur waren er heel wat mensen willekeurig gearresteerd. In totaal hebben er na de oorlog zo’n 28.000 mensen opgesloten gezeten. Meer dan 7.000 onder hen hebben het niet overleefd. Zij liggen ten noorden van het kamp begraven op de zogenaamde Dodenakkers. Op de plaatsen van de anonieme massagraven staan stalen grafzuilen die tezamen een kerkhof vormen.

    Herinnering
    Een bezoek aan Buchenwald begint in Weimar. Deze mooie stad maakt onmiskenbaar deel uit van de gruwelijke geschiedenis van het KZ. Hier kwamen de gevangenen aan tot in maart 1943. Sindsdien had Buchenwald zijn eigen halte. Tot in 1940 werden de KZ-doden naar het stadscrematorium gebracht, omdat het concentratiekamp de eerste jaren geen eigen crematorium had. Tal van andere elementen herinneren Weimar aan het nationaalsocialisme: de Marstall (zetel van de Gestapo), een tuinhek in de Bauhausstrasse bestaande uit omheiningspalen van het KZ, het stadhuis waar Hitler de inwoners nog heeft toegesproken.

    Vanuit Weimar leidt de Ettersburger Strasse naar Buchenwald. Ongeveer twee kilometer buiten de bebouwde kom begint de Bloedstraat, aangelegd door de gevangenen. De weg is voor een deel nog in de oorspronkelijke staat. Ongeveer drie kilometer verder bevindt zich het Mahnmal met de enorme klokkentoren, de Straat der Naties (met de vermelding van de nationaliteiten die in het kamp zijn omgekomen) en de beeldengroep die het verzet in Buchenwald uitbeeldt. Dit Mahnmal is van heinde en verre te zien en dient als waarschuwing voor hetgeen gebeurd is. In het dichtbegroeide terrein in de buurt stonden vroeger de SS-garages en de Gustloff-wapenfabriek II. Vervolgens passeert u het voormalige station van Buchenwald waar vanaf maart 1943 duizenden gevangenen aankwamen.

    Het stuk weg tussen het station en de toegangspoort werd en wordt de Carachoweg genoemd. Hier was de kampbewaking gevestigd. Hiervan zijn het tankstation, garages en de resten van het hoofdkwartier nog zichtbaar. De parkeerplaats en bushalte bevinden zich op het voormalige exercitieterrein van de SS. Een deel van de kazernes wordt nu gebruikt als cafetaria en informatiecentrum.

    Het concentratiekamp zelf is grotendeels afgebroken, ondanks hevige protesten van de vroegere gevangenen. De kamppoort met de bunker is samen met enkele wachttorens bewaard. Het crematorium staat er ook nog. Het vroegere kledingmagazijn/bewaardepot huisvest nu een indrukwekkende permanente tentoonstelling. Alle aspecten van KZ Buchenwald worden tot in detail behandeld in goede begeleidende teksten. Er is een al even goedopgebouwde tentoonstelling over het Sovjet-interneringskamp. Dit alles is zeker een bezoek waard. De toegang is gratis.

    Definitielijst

    nazi
    Afkorting voor een nationaal socialist.
    Theresienstadt
    Stad in Tsjechië, hier hadden de nazi's een modelconcentratiekamp ingericht.

    Afbeeldingen

    Het Gedenkmal Buchenwald (langs de Bloedstraat die door de gevangenen werd aangelegd) Bron: Gerd Van der Auwera.
    Gedenkstenen in Buchenwald voor alle slachtoffers van de holocaust Bron: Gerd Van der Auwera.

    Bronnen

    - VAN ECK, L. Het boek der kampen. De herinnering. Mol, 1990.
    - VAN ECK, L. De bloedstraat: Buchenwald. Leuven, 1986.
    - www.buchenwald.de
    - http://thirdreichruins.com/buchenwald.htm
    - Tentoonstelling Concentratiekamp Buchenwald 1937-1945// tentoonstelling Sovjet-interneringskamp 1945 – 1950 // Beide te bezoeken te Buchenwald